This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014DC0038
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL AND THE EUROPEAN PARLIAMENT EU ANTI-CORRUPTION REPORT
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT CORRUPTIEBESTRIJDINGSVERSLAG VAN DE EU
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT CORRUPTIEBESTRIJDINGSVERSLAG VAN DE EU
/* COM/2014/038 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT CORRUPTIEBESTRIJDINGSVERSLAG VAN DE EU /* COM/2014/038 final */
I.
Inleiding Beleidsachtergrond en -doelstellingen van het verslag Corruptie brengt
de economie en de hele samenleving ernstige schade toe. Overal ter wereld
ondervinden veel landen de gevolgen van diepgewortelde corruptie, die de
economische ontwikkeling belemmert, de democratie ondermijnt en sociale
rechtvaardigheid en de rechtsstaat schade berokkent. Ook voor de lidstaten van
de EU is dit de realiteit. De corruptie verschilt qua aard en omvang van land
tot land, maar treft alle lidstaten. Goed bestuur, goed beheer van
overheidsgelden en het concurrentievermogen van de markten worden door
corruptie geschaad. In extreme gevallen ondermijnt corruptie het vertrouwen van
burgers in de democratische instellingen en processen. Dit verslag
biedt een analyse van de corruptie binnen de lidstaten van de EU en van de
maatregelen die zijn genomen om corruptie te voorkomen en te bestrijden. Het
wil een debat op gang brengen tussen de Europese Commissie, de lidstaten, het
Europees Parlement en andere belanghebbenden, om zo bij te dragen aan de
bestrijding van corruptie en vast te stellen hoe de Europese dimensie van nut
kan zijn. De lidstaten van
de EU beschikken over het merendeel van de juridische instrumenten en
instellingen die nodig zijn om corruptie te voorkomen en te bestrijden. De
resultaten daarvan zijn echter niet overal in de EU bevredigend. Regels inzake
corruptiebestrijding worden niet altijd even streng gehandhaafd, structurele
problemen worden niet doeltreffend genoeg aangepakt en de betrokken instellingen
hebben niet altijd voldoende capaciteit om de regels te handhaven. De
uitgesproken intenties hebben nog te weinig concrete resultaten opgeleverd en
de oprechte politieke wil om corruptie uit te roeien blijkt vaak te ontbreken. Om
ervoor te zorgen dat de EU een bijdrage levert, heeft de Commissie in juni 2011
de mededeling inzake corruptiebestrijding in de EU vastgesteld,[1] waarbij het Corruptiebestrijdingsverslag van
de EU in het leven is geroepen om toezicht te houden op de inspanningen van de
lidstaten op dit gebied en deze te evalueren. Het is de bedoeling daarmee de
politieke inzet voor een effectieve aanpak van corruptie te bevorderen. Dit
verslag wordt nu voor het eerste gepubliceerd; de volgende verslagen zullen
telkens om de twee jaar worden uitgebracht. In
overeenstemming met internationale rechtsinstrumenten[2] wordt corruptie in dit verslag in brede zin
gedefinieerd als elk "misbruik van macht in eigen voordeel". Het
verslag heeft dus betrekking op specifieke corrupte handelingen en de
specifieke maatregelen die lidstaten nemen om corrupte handelingen in de zin
van de wet te voorkomen of te bestraffen. Het noemt ook een reeks gebieden en
maatregelen die van invloed zijn op het gevaar van corruptie dat zich voordoet
en op de capaciteit dit te beheersen. Het
verslag richt zich op een aantal geselecteerde belangrijke onderwerpen die voor
elke lidstaat van bijzonder belang zijn. Het geeft een beschrijving van zowel
goede praktijken als tekortkomingen en stelt vast met welke maatregelen de
lidstaten corruptie effectiever kunnen bestrijden. De Commissie onderkent dat
sommige van deze onderwerpen uitsluitend tot de nationale bevoegdheden behoren.
Het is echter in het belang van de hele Unie ervoor te zorgen dat alle
lidstaten een doeltreffend corruptiebestrijdingsbeleid voeren en dat de EU de
lidstaten steunt bij de uitvoering daarvan. Het verslag beoogt daarom strenge
normen op het gebied van corruptiebestrijding in de hele EU te bevorderen. Door
de aandacht te vestigen op problemen – maar ook goede praktijken – die binnen
de EU bestaan, verleent het verslag ook geloofwaardigheid aan de inspanningen
van de EU om de normen inzake corruptiebestrijding elders te bevorderen. Corruptie is een
complex verschijnsel met economische, sociale, politieke en culturele dimensies,
dat niet eenvoudig geëlimineerd kan worden. Een doeltreffende beleidsrespons
moet uit meer bestaan dan een standaardreeks maatregelen; er is geen pasklare
oplossing. In het verslag wordt corruptie dan ook onderzocht binnen de
nationale context van iedere lidstaat en worden voor iedere lidstaat suggesties
gegeven voor de aanpak van de meest relevante problemen in de nationale
context. In de bijlage
wordt een verdere uitleg gegeven over de opzet van het verslag. Het bredere
beleidskader De
financiële crisis heeft de Europeanen en hun regeringen extra onder druk
gezet. Gelet op de huidige economische problemen in Europa en daarbuiten zijn
sterkere waarborgen nodig inzake integriteit en transparantie op het gebied van
overheidsuitgaven. Burgers verwachten dat de EU de lidstaten aanzienlijk helpt
de legale economie te beschermen tegen georganiseerde misdaad, financiële en
belastingfraude, het witwassen van geld en corruptie, en dat zeker in tijden
van economische crisis en begrotingsdiscipline. Corruptie alleen kost de
Europese economie naar schatting 120 miljard euro per jaar, slechts een
beetje minder dus dan de jaarlijkse begroting van de Europese Unie.[3] Europa 2020 is
de groeistrategie van de EU voor het huidige decennium, die een slimme,
duurzame en inclusieve economie moet bevorderen en zo de EU en haar lidstaten
moet helpen om tot een hoog niveau van werkgelegenheid, productiviteit en
sociale cohesie te komen. Onderzoek wijst erop dat het succes van de Europa 2020-strategie
ook afhangt van institutionele factoren als goed bestuur, de rechtstaat en de
beheersing van corruptie.[4]
Corruptiebestrijding verstevigt de concurrentiepositie van de EU in de
wereldeconomie. In die context zijn voor een aantal lidstaten
corruptiebestrijdingsmaatregelen onder de aandacht gebracht in het kader van
het Europees Semester, een jaarlijks terugkerende coördinatie van economisch
beleid waarbij de programma's van de lidstaten voor economische en structurele
hervormingen gedetailleerd worden geanalyseerd en landenspecifieke aanbevelingen
worden gegeven. Meer in het algemeen kan de verbetering van de doeltreffendheid
van het openbaar bestuur, met name wanneer die gepaard gaat met grotere
transparantie, gevaren op het gebied van corruptie helpen beteugelen. De
mededeling van de Commissie "Voor een heropleving van de Europese
industrie" uit januari 2014 legt daarom de nadruk op hoogwaardig openbaar
bestuur als een belangrijk onderdeel van de groeistrategie van de EU.[5] Structuur van het
verslag Het Corruptiebestrijdingsverslag
van de EU heeft betrekking op alle 28 lidstaten. Het heeft de volgende
structuur:
Inleiding: hierin
komen de beleidsachtergrond en de doelstellingen aan bod.
De resultaten van de Eurobarometerenquêtes
uit 2013 inzake de perceptie van en ervaringen met corruptie.
Horizontaal hoofdstuk: dit
bevat een beschrijving van de ontwikkelingen op het gebied van corruptie
in de EU. Daarnaast worden de voornaamste conclusies samengevat. De
conclusies en suggesties voor toekomstige maatregelen voor elke lidstaat
komen (uitsluitend) in de respectieve landenhoofdstukken aan bod.
Thematisch hoofdstuk: hierin
ligt de nadruk op een sector-overschrijdende kwestie die op EU-niveau van
bijzonder belang is. In dit eerste verslag wordt ingezoomd op
overheidsopdrachten, die voor de interne markt van wezenlijk belang zijn;
overheidsopdrachten zijn in de EU-wetgeving uitvoerig geregeld en zeer
gevoelig voor corruptie. Het hoofdstuk heeft betrekking op corruptie en
corruptiebestrijdingsmaatregelen binnen nationale regelingen voor overheidsopdrachten.
Bijlage inzake methodologie:
dit bevat een beschrijving van de manier waarop het verslag is voorbereid
en van de methodologische keuzen en beperkingen.
Landenhoofdstukken: aan
elk van de 28 lidstaten is een hoofdstuk gewijd. Deze hoofdstukken geven
geen volledig overzicht van problemen op het gebied van corruptie en
corruptiebestrijdingsmaatregelen. Zij schenken daarentegen aandacht aan
belangrijke punten die zijn gekozen op grond van de individuele
beoordeling van elk land op zijn eigen merites en met passende
inachtneming van de nationale context.
a) Inleiding: deze
bevat een momentopname van de algemene situatie op het gebied van corruptie.
Zij bevat geselecteerde indicatoren, waaronder percepties, maar ook feiten,
trends, problemen en ontwikkelingen die voor corruptie en
corruptiebestrijdingsmaatregelen van belang zijn. b) Aandachtspunten: voor
elke land zijn verschillende punten vastgesteld en geanalyseerd. Hoewel in de
analyse de nadruk ligt op de zwakke punten en de gebieden die voor verbetering
in aanmerking komen, is zij op de toekomst gericht, brengt zij plannen en
maatregelen onder de aandacht die in de juiste richting gaan, en stelt zij vast
welke punten nadere aandacht behoeven. Goede praktijken die anderen kunnen
inspireren, worden over het voetlicht gebracht. De reeks onderwerpen die worden
belicht, is niet beperkt tot kwesties waaraan het thematisch hoofdstuk is
gewijd (overheidsopdrachten). Sommige landenhoofdstukken bevatten echter een
specifieke analyse inzake overheidsopdrachten; dit is het geval bij landen
waarbij aanzienlijke problemen op het gebied van overheidsopdrachten zijn
vastgesteld. De keuze van de
voornaamste aandachtspunten in elk landenhoofdstuk is op de volgende criteria
gebaseerd: ·
de
ernst en de gevolgen van het betreffende probleem in verhouding tot andere
problemen op het gebied van corruptie in het land; ·
de
omvang van het eventuele spill-overeffect voor een bredere reeks van
beleidsterreinen (bijvoorbeeld lacunes in het toezicht op overheidsopdrachten
die een aanzienlijk gevaar van verduistering van overheidsmiddelen veroorzaken); ·
de
mogelijkheid om tot constructieve en concrete stappen voor de toekomst te
leiden. Toekomstige stappen en
follow-up De
in elk landenhoofdstuk aangegeven aandachtspunten weerspiegelen het streven van
de Commissie naar maatregelen met een toegevoegde waarde voor de aanpak
van belangrijke openstaande kwesties op het gebied van de voorkoming en
bestrijding van corruptie. Zij zijn afgestemd op de omstandigheden en de
behoeften van elk land. Ook zijn zij concreet en doelgericht, zonder te zeer op
bijzonderheden in te gaan, en gericht op het behalen van tastbare, praktische
resultaten. Waar relevant bouwt het verslag voort op en ondersteunt het de aanbevelingen
die reeds in het kader van andere corruptierapportages (met name in het
kader van de Groep van Staten tegen Corruptie – Greco – van de Raad van Europa
en de OESO) zijn gegeven, maar niet noodzakelijk allemaal door de lidstaten
zijn opgevolgd. Als
follow-up van het verslag wil de Commissie een constructief en toekomstgericht
debat aangaan over de beste manieren om corruptie aan te pakken en dan met name
over de punten waarvan zij heeft vastgesteld dat die nadere aandacht behoeven.
De Commissie hoopt op een breed debat over corruptiebestrijdingsmaatregelen met
actieve deelname van de lidstaten, het Europees Parlement, de nationale
parlementen, de privésector en het maatschappelijk middenveld en ziet ernaar
uit ook zelf actief deel te nemen aan discussies op het niveau van de EU en in
de lidstaten. Daarnaast
is de Commissie van plan om een programma voor het uitwisselen van
ervaringen op te zetten voor lidstaten, lokale ngo's en andere
belanghebbenden, teneinde beste praktijken vast te stellen, tekortkomingen in
corruptiebestrijdingsbeleid te verhelpen, bewustwording te bevorderen of
opleiding te bieden. Deze inspanningen moeten gekoppeld worden aan de
aandachtspunten die in het verslag aan de orde komen en het nemen van
vervolgmaatregelen bevorderen. Het programma voor het uitwisselen van
ervaringen zal worden gestart na de goedkeuring van het verslag en voortbouwen
op de ontvangen feedback en de discussies met belanghebbenden over de
specifieke behoeften waarin het zou kunnen voorzien. De Commissie zal
de feedback over dit eerste verslag zorgvuldig analyseren, nadenken over de
eventuele lacunes en fouten, en uit dit alles lering trekken voor het tweede
verslag. De methodologie zal worden beoordeeld en er zal extra aandacht worden
geschonken aan de mogelijkheid nieuwe corruptie-indicatoren te ontwikkelen. Bij toekomstige
werkzaamheden zal bijvoorbeeld worden gekeken naar de wijze waarop de in dit
eerste verslag voorgestelde maatregelen werden uitgevoerd en zal het programma
voor het uitwisselen van ervaringen tegen het licht worden gehouden. II. De
resultaten van de Eurobarometerenquête inzake de perceptie van en ervaringen
met corruptie Ter
voorbereiding van het Corruptiebestrijdingsverslag van de EU werden begin 2013
twee Eurobarometerenquêtes uitgevoerd: 1) de speciale Eurobarometer[6] en 2) een op ondernemingen toegespitste
"flash-enquête"[7]. Voor de
meeste landen strookt de plaats die zij op de door Transparency International
gepubliceerde CPI-index[8] innemen
min of meer met de antwoorden die de respondenten van de Eurobarometerenquête
hebben gegeven. Wanneer
wordt gekeken naar de gegevens van de speciale Eurobarometer, die in de eerste
plaats betrekking hebben op de algemene percepties inzake de gangbaarheid van
corruptie en in de tweede plaats op het zelf verondersteld te zijn geweest
steekpenningen te betalen, wordt duidelijk dat lidstaten op verschillende
wijzen gekarakteriseerd kunnen worden. De
antwoorden bevestigen in het geval van Denemarken, Finland, Luxemburg en
Zweden dat er sprake van een positieve perceptie en weinig ervaring met
omkoping is. De respondenten in deze landen gaven zelden aan dat er van hen was
verwacht dat zij smeergeld zouden betalen (minder dan 1 %) en
het aantal mensen dat van mening is dat corruptie wijdverbreid is
(respectievelijk 20 %, 29 %,
42 % en 44 %), ligt
aanzienlijk onder het EU-gemiddelde. In het geval van het Verenigd Koninkrijk
werd van slechts 5 op de 1 115 personen verwacht dat zij steekpenningen
zouden betalen (minder dan 1 %), wat het
beste resultaat in heel Europa was; niettemin laten de gegevens inzake perceptie
zien dat 64 % van de respondenten in het Verenigd
Koninkrijk van mening is dat corruptie in het land wijdverbreid is (het
EU-gemiddelde is 74 %). Terwijl
in landen als Duitsland, Nederland, België, Estland en Frankrijk meer
dan de helft van de respondenten denkt dat corruptie een wijdverbreid fenomeen
is, is het aantal mensen dat werkelijk smeergeld heeft moeten betalen gering
(ongeveer 2 %). Deze landen bevinden zich ook
onder de goed presterende landen op de index van Transparency International.
Oostenrijk laat soortgelijke resultaten zien als deze groep zij het dat er
daar een wat hoger aantal respondenten (5 %) te
kennen gaf dat van hen betaling van smeergeld was verwacht. In
sommige landen gaven vrij veel respondenten aan dat zij persoonlijke ervaringen
met omkoping hadden. Er was wel een duidelijke concentratie in een beperkt
aantal sectoren. Daarbij ging het onder meer om Hongarije (13 %),
Slowakije (14 %) en Polen (15 %). Het
overgrote deel van de gevallen van omkoping vond in deze landen binnen één
sector, te weten de gezondheidszorg, plaats. Er zijn bewijzen dat structurele
problemen binnen de gezondheidszorg het betalen van smeergeld aan het medisch
personeel in de hand werkt. In alle genoemde landen laten de gedetailleerde
antwoorden zien dat de meeste respondenten naar de gezondheidszorg wijzen,
terwijl alle overige instellingen of sectoren (bijvoorbeeld politie, douane,
politiek, diensten van het openbaar ministerie etc.) door minder dan 1 %
van de respondenten werden genoemd. Corruptie in ruimere zin wordt in deze
landen als wijdverbreid gezien (82 % in
Polen, 89 % in Hongarije en 90 %
in Slowakije). In
bepaalde landen, waaronder Portugal, Slovenië, Spanje en Italië, lijkt
omkoping niet veel voor te komen, maar is corruptie in bredere zin een bron van
serieuze zorg: een betrekkelijk gering aantal respondenten deelde mee dat zij
in de afgelopen 12 maanden werden gevraagd of verwacht smeergeld te betalen.
Hoewel persoonlijke ervaring met omkoping klaarblijkelijk niet veel voorkomt (1-3 %),
is de waarneming zo sterk beïnvloed door recente politieke schandalen en de
financiële economische crisis dat respondenten een negatief beeld van de
algemene situatie inzake corruptie hebben (respectievelijk 90, 91, 95 en 97 %).
Landen
die wat perceptie van en feitelijke ervaring met corruptie betreft slechter
scoren, zijn onder meer Kroatië, de Tsjechische Republiek, Litouwen,
Bulgarije, Roemenië en Griekenland. In deze landen gaf tussen de 6 %
en de 29 % van de respondenten aan dat zij in de
laatste 12 maanden werden gevraagd of verwacht steekpenningen te betalen,
terwijl 84 tot 99 % van
mening is dat corruptie in hun land wijdverbreid is. Kroatië en de Tsjechische
Republiek lijken een iets positiever beeld te geven, met enigszins betere
resultaten dan de overige landen in dezelfde groep. De
resultaten van landen die hierboven niet zijn genoemd (bijvoorbeeld Letland,
Malta, Ierland en Cyprus) wijken wat de genoemde aspecten betreft niet veel van
het EU-gemiddelde af. Op
Europees niveau is drie vierde van de respondenten (76 %) van
mening dat corruptie in hun eigen land wijdverbreid is. De
landen waar respondenten er het meest van uitgaan dat corruptie veel voorkomt,
zijn Griekenland (99 %), Italië (97 %),
Litouwen, Spanje en de Tsjechische Republiek (elk 95 %). Een
kwart van de Europeanen (26 %) is
van mening dat zij persoonlijk de gevolgen van corruptie in hun dagelijks leven
ondervinden. Bij de Eurobarometerenquête van 2011 was dat 29 %.
De hoogste aantallen mensen die zeggen dat zij persoonlijk de gevolgen van
corruptie ondervinden, zijn te vinden in Spanje en Griekenland (63 %
in beide landen), Cyprus en Roemenië (57 % in
beide landen) en Kroatië (55 %); de laagste aantallen bevinden zich in
Denemarken (3 %), Frankrijk en Duitsland (6 %
in beide). Ongeveer een op de twaalf Europeanen (8 %) deelt
mee in de afgelopen twaalf maanden met corruptie te maken te hebben gehad of
daar getuige van te zijn geweest. Respondenten die te kennen geven
dat zij te maken hebben gehad met corruptie of daarvan getuige zijn geweest,
zijn relatief het meest te vinden in Litouwen (25 %),
Slowakije (21 %) en Polen (16 %)
en het minst in Finland en Denemarken (3 % in
beide landen), Malta en het Verenigd Koninkrijk (4 % in
beide landen). Ongeveer
drie vierde van de Europeanen (73 %) zegt
dat omkoping en de inzet van goede relaties vaak de eenvoudigste manier zijn om
in hun land de verlening van bepaalde openbare diensten te verzekeren. Deze
opvatting is het meest verbreid in Griekenland (93 %),
Cyprus (92 %), Slowakije en Kroatië (89 %
in beide landen). Net als in 2011 denkt ongeveer twee van de drie Europeanen
(67 %) dat de financiering van
politieke partijen onvoldoende transparant is en dat daarop onvoldoende
toezicht wordt gehouden. Die opvatting overheerst met name in
Spanje (87 %), Griekenland (86 %) en
de Tsjechische Republiek (81 %); de laagste
percentages mensen met deze opvatting laten Denemarken (47 %), het
VK (54 %), Zweden (55 %) en
Finland (56 %) zien. Iets minder dan een
kwart van de Europeanen (23 %) is
van mening dat de inspanningen van hun regering om corruptie te bestrijden,
doeltreffend zijn; ongeveer een kwart (26 %) vindt dat de
vervolging in hun land voldoende resultaat heeft om mensen van corrupt gedrag
te weerhouden. De resultaten
per land van de op ondernemingen gerichte Flash-enquête laten opvallende
verschillen zien: een verschil van 89 procentpunten tussen het hoogste
(Griekenland: 99 %) en het
laagste (Denemarken: 10 %) niveau qua corruptieperceptie
(hetzelfde resultaat komt naar voren uit de hierboven beschreven "speciale
Eurobarometerenquête": 20 % tegenover 99 %).
In Griekenland zijn zelfs op één na alle respondenten van mening dat corruptie
in Griekenland wijdverbreid is. Op Europees
niveau zijn meer dan 4 van de 10 ondernemingen van mening dat corruptie het
zakendoen bemoeilijkt en datzelfde geldt voor patronage en nepotisme.
Gevraagd of corruptie een probleem voor het zakendoen is, gaf 50 %
van de ondernemingen in de bouwsector en 33 % van de
telecom/IT-bedrijven te kennen het een ernstig probleem te vinden. Hoe
kleiner het bedrijf hoe vaker corruptie en nepotisme het zakendoen blijken te
bemoeilijken. Corruptie blijkt het vaakst een probleem voor het zakendoen
te worden geacht door ondernemingen in de Tsjechische Republiek (71 %),
Portugal (68 %), Griekenland en Slowakije
(beide 66 %). III.
Belangrijkste conclusies van dit verslag De individuele
landenanalyses laten een breed scala aan problemen en controlemechanismen op
het gebied van corruptie zien. Sommige van deze mechanismen zijn effectief
gebleken en andere hebben geen resultaten opgeleverd. Niettemin kunnen er
gemeenschappelijke kenmerken worden vastgesteld, in de EU in haar geheel of
binnen bepaalde groepen landen. Uit de landenanalyses blijkt dat met name bij
overheidsopdrachten in de lidstaten snel sprake van corruptie kan zijn
omdat de controlemechanismen en het risicobeheer te kort schieten. Het volgende
hoofdstuk bevat een beoordeling van de risico's van corruptie, waarbij zowel de
positieve als de negatieve praktijken bij overheidsopdrachten aan de orde
komen. Deze
samenvatting evalueert de voornaamste onderwerpen, die in de landenhoofdstukken
meer in detail worden beoordeeld. Zij worden behandeld in vier paragrafen (A. Politieke
dimensie, B. Controlemechanismen en preventie, C. Bestrijding, D. Specifieke risicogebieden).
Vanwege de complexe aard van de betrokken onderwerpen kunnen sommige van deze
gebieden elkaar overlappen. De landenhoofdstukken bevatten meer gedetailleerde
achtergrondinformatie en analyses. A.
Politieke
dimensie Prioriteit verlenen aan
corruptiebestrijdingsbeleid In
de meeste landen is corruptiebestrijdingsbeleid hoger op de politieke agenda
komen te staan. De financiële crisis heeft de aandacht gevestigd op integriteit
en het dragen en afleggen van verantwoording door besluitvormers. De meeste
lidstaten die met ernstige economische problemen kampen, hebben de ernst van het
corruptieprobleem erkend en hebben corruptiebestrijdingsprogramma's ontwikkeld,
of zijn bezig deze te ontwikkelen, om de betrokken risico's en de risico's van
verduistering van overheidsmiddelen aan te pakken. In sommige landen bevatten
economische aanpassingsprogramma's expliciete voorschriften op het gebied van
corruptiebestrijdingsbeleid. Ook wanneer corruptiebestrijdingsbeleid niet
formeel aan een aanpassingsprogramma gekoppeld is, dan nog vult dit
aanpassingsmaatregelen aan, met name in landen waar corruptie een ernstig
probleem vormt. Ook in het kader van het Europees Semester voor coördinatie van
het economisch beleid werden aanbevelingen gedaan voor een effectieve
bestrijding van corruptie. Dit
verslag gaat niet uit van de veronderstelling dat allesomvattende
corruptiebestrijdingsstrategieën onontbeerlijk zijn om corruptie te voorkomen
of te bestrijden. Het feit dat uitgebreide corruptiebestrijdingsstrategieën
lange tijd zijn uitgebleven in sommige lidstaten die met structurele
corruptieproblemen te maken hebben, is echter aanleiding tot bezorgdheid
geworden omdat het soort problemen dat moet worden aangepakt, een uitgebreide,
gecoördineerde aanpak op centraal niveau vereist. In een aantal van deze
lidstaten werd recent een nationaal corruptiebestrijdingsbeleid vastgesteld,
terwijl in andere zo'n strategie nog niet is ingevoerd. De corruptiebestrijdingsstrategieën
die in sommige lidstaten zijn vastgesteld op basis van beoordelingen van de
effecten van eerdere strategische programma's, na openbare raadpleging en met
actieve betrokkenheid van het maatschappelijke middenveld en een reeks van
overheids- en autonome instellingen op het gebied van handhaving en toezicht,
worden als positieve stappen aangemerkt, zij het dat de resultaten qua
uitvoering nog te bezien staan. De
meeste lidstaten met serieuze uitdagingen op het gebied van corruptie, hebben
complexe en verfijnde juridische en institutionele kaders ingevoerd, alsook een
groot aantal specifieke strategieën en programma's. Op zichzelf hoeven die
echter niet noodzakelijkerwijze tot tastbare resultaten te leiden. In andere
landen daarentegen, waar relevante regelgeving of strategische programma's
ontbreken, is corruptie merkbaar teruggedrongen dankzij preventiesystemen of
-maatregelen, dankzij de door aanbieders en ontvangers van openbare diensten
gevolgde tradities, of, in sommige gevallen, dankzij strenge transparantieregels. Het dragen en afleggen van politieke
verantwoording Door
de politieke crisis veroorzaakte sociale protesten gingen niet alleen over
economisch en sociaal beleid, maar ook over politieke integriteit en
verantwoording. In de media breed uitgemeten schandalen waarbij sprake was van
corruptie, misbruik van overheidsmiddelen of onethisch gedrag van politici,
hebben bijgedragen tot ongenoegen en wantrouwen bij het publiek ten aanzien van
het politieke systeem. Politieke
integriteit is in veel landen een serieus punt. Gedragscodes binnen politieke
partijen of gekozen vergaderingen op centraal of lokaal niveau zijn eerder
uitzondering dan regel. Wanneer er dergelijke codes zijn, dan missen deze vaak
een doeltreffend controlemechanisme of duidelijke sanctieregels, zodat zelden
afschrikkende sancties worden opgelegd. In sommige gevallen heeft het feit dat
er onvoldoende verantwoording wordt afgelegd, de indruk doen ontstaan dat
politieke elites nagenoeg ongestraft hun gang kunnen gaan. In sommige
landen is niet alleen het groeiende wantrouwen bij het publiek reden voor
bezorgdheid, maar ook het gevaar voor de internationale reputatie. Als gevolg
daarvan geven lidstaten nu veel meer prioriteit aan corruptiebestrijding,
waarbij er wezenlijke stappen worden gezet of radicale hervormingen worden
aangekondigd. In sommige
lidstaten is de politisering van aanwerving van personeel voor het
middenmanagement en lagere banen bij de overheid op centraal of
regionaal/lokaal niveau als een serieus probleem aangemerkt. Dergelijke
praktijken vergroten de kans op corruptie en op belangenconflicten, verzwakken
controlemechanismen en schaden de geloofwaardigheid van de overheid in haar
geheel. Corruptiegevoeligheid van gekozen
overheidsfunctionarissen Een fundamenteel probleem met betrekking tot
corruptiebestrijdingsbeleid is het ontbreken van een geharmoniseerde definitie
van "overheidsfunctionaris" op EU-niveau die ook gekozen
functionarissen omvat. De Commissie heeft in 2012 een voorstel gedaan voor een
richtlijn betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude en daarmee
samenhangende strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden[9], die
een definitie van overheidsfunctionaris bevat waaronder personen die een
wetgevende functie bekleden, zijn begrepen. De onderhandelingen binnen de Raad[10]
en in het Europees Parlement[11]
over het voorstel voor de richtlijn laten zien dat er onvoldoende steun is voor
de voorgestelde definitie, die de strafbaarstelling van door gekozen overheidsfunctionarissen
gepleegde corruptie beoogt. Om tot een gemeenschappelijke benadering in de EU
te komen, is er naar de mening van de Commissie echter behoefte aan een
duidelijke harmonisatie van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van gekozen overheidsfunctionarissen
voor strafbare feiten inzake corruptie. Financiering van politieke partijen Een
van de bredere achterliggende problemen waarvan de ervaring heeft geleerd dat
zij van invloed op corruptie zijn, is de financiering van politieke partijen.
Bij recente gevallen van grootschalige corruptie waarbij sprake van illegale
partijfinanciering was, waren in sommige lidstaten politici betrokken. Ook het
kopen van stemmen en andere vormen van onoorbare beïnvloeding van het
electoraat werden in een aantal lidstaten gemeld. Greco-evaluaties
inzake partijfinanciering hebben een zichtbaar effect gehad op de hervorming
van het juridische en, tot op zekere hoogte, het institutionele kader op dit
gebied. Enkele uitzonderingen daargelaten hebben de meeste lidstaten recent hun
wetgeving inzake partijfinanciering, met inbegrip van giften, gewijzigd en de
normen inzake transparantie aangescherpt. Twee lidstaten kennen geen
beperkingen voor anonieme giften. In een daarvan is de openbaarmaking van de
rekeningen van politieke partijen niet verplicht. De belangrijkste politieke
partijen hebben echter een vrijwillige overeenkomst gesloten om financiële
transparantie te waarborgen. Bovendien zijn wijzigingen in de wetgeving inzake
partijfinanciering op handen die de inachtneming van de Greco-aanbevelingen
beogen. De andere betrokken lidstaat heeft geen plannen aangekondigd om zijn
wetgeving naar aanleiding van de Greco-aanbevelingen verder te wijzigen. Een
andere lidstaat heeft onlangs zijn wetgeving inzake partijfinanciering herzien,
maar er blijven mazen bestaan wat betreft limieten voor giften, regelingen voor
sponsoring door overheidsbedrijven, toezichtmechanismen en sanctiebevoegdheden. Goed gereguleerd
en transparant systeem voor partijfinanciering – Finland Finland
wijzigde de wet inzake politieke partijen in 2010 en hield daarbij rekening met
alle aanbevelingen van de Greco. Eerder had Finland slechts beperkte
regelgeving inzake de financiering van politieke partijen. Met het nieuwe
rechtskader wordt beoogd de financiering van verkiezingskandidaten, politieke
partijen en andere entiteiten die aan politieke partijen gelieerd zijn,
transparanter te maken. Wanneer de wet wordt toegepast zoals bedoeld, zal deze
de transparantie van partijfinanciering aanzienlijk vergroten. Volgens de Greco
kan Finland andere landen als voorbeeld dienen. In sommige
gevallen hebben politieke partijen hun integriteitsnormen aangescherpt en leden
die bij corruptieschandalen betrokken waren, bestraft of geroyeerd. Een van de
lidstaten verbeterde de transparantie en de verantwoordingsmechanismen van het
parlementaire systeem aanzienlijk. Desalniettemin maken zelfs in landen waar
dergelijke voorbeelden van politieke verantwoording bestaan, maatregelen inzake
integriteit geen deel uit van een algemene aanpak. Wat het toezicht
op partijfinanciering betreft, blijven er aanzienlijke tekortkomingen bestaan.
Het is nog onzeker wat het effect van recente wetshervormingen zal zijn. Vaak
is het zo dat wanneer een gat in de wetgeving is gedicht (zoals door het invoeren
van transparantie van en limieten voor giften), er weer andere gaten lijken te
ontstaan (bijvoorbeeld regelingen inzake zachte leningen, regelingen inzake
multipele giften, onvoldoende toezicht op stichtingen of andere aan politieke
partijen gelieerde entiteiten etc.). Proactief toezicht op en afschrikkende
straffen voor illegale partijfinanciering worden nog steeds niet overal in de
EU algemeen toegepast en er zijn meer inspanningen nodig om een consistente
tenuitvoerlegging te waarborgen. B. Controlemechanismen
en preventie Toepassing van
preventiebeleid Preventiebeleid
bestrijkt een breed scala aan aspecten, zoals duidelijke ethische regels,
bewustwordingsmaatregelen, de opbouw van een cultuur van integriteit binnen
diverse organisaties, het zich van hogerhand krachtig uitspreken over
integriteitskwesties, effectieve interne controlemechanismen, transparantie,
eenvoudige toegang tot informatie van algemeen belang, effectieve evaluatiesystemen
voor de prestaties van overheidsinstellingen etc. Tussen de lidstaten bestaan
op het gebied van de preventie van corruptie aanzienlijke verschillen. In
sommige is de uitvoering van preventiebeleid tot op heden gefragmenteerd
gebleven en zijn overtuigende resultaten uitgebleven. In andere heeft
effectieve preventie bij gedragen tot een gevestigde reputatie van "schoon
land". Hoewel corruptie in deze laatste landen geen belangrijke kwestie
wordt geacht, zijn er toch actieve en dynamische integriteits- en
preventieprogramma's ingevoerd, die door de meeste centrale en lokale
autoriteiten als een prioriteit worden gezien. Voor andere landen is corruptie
sinds lange tijd een probleem van geringere orde, waardoor het nemen van
uitgebreide preventiemaatregelen niet actief wordt bevorderd. Actieve bevordering van integriteit binnen de
overheid – Nederland Binnen
de Nederlandse overheid worden integriteit, transparantie en het afleggen van
verantwoording actief bevorderd. Het door het Ministerie van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties opgerichte Bureau Integriteitsbevordering Openbare
Sector (BIOS) is een onafhankelijke instelling die de openbare sector aanspoort
en ondersteunt bij de opzet en uitvoering van integriteitsbeleid. Bovendien
voeren veel Nederlandse steden en gemeenten een plaatselijk integriteitsbeleid
uit dat ertoe heeft geleid dat meer integriteitskwesties aan het licht komen
(een toename van 135 gevallen in 2003 tot 301 in 2010). Lokaal
integriteitsbeleid heeft zich de afgelopen 20 jaar ontwikkeld tot een integraal
onderdeel van lokaal bestuur. Externe en interne controlemechanismen (anders
dan rechtshandhaving) Controlemechanismen
zijn binnen overheidsorganen zowel belangrijk voor preventie als voor de opsporing
van corruptie. Sommige landen leggen een zware druk op rechtshandhavings- en
vervolgingsinstanties of op corruptiebestrijdingsorganen, door corruptiebestrijding
in het betreffende land volledig aan hen over te laten. Hoewel de activiteiten
van deze instanties van het grootste belang zijn, kan diepgewortelde corruptie
niet worden aangepakt zonder een brede benadering die is gericht op een
verbetering van preventie en controlemechanismen binnen de hele overheid, zowel
op centraal als plaatselijk niveau. Sommige algemene
rekenkamers hebben een prominente rol gespeeld bij de bevordering van
hervormingen ter bestrijding van corruptie. In een paar lidstaten stelt de
algemene rekenkamer andere bevoegde autoriteiten actief in kennis van
vermoedelijke corruptie. In een aantal gevallen is zij ook de instelling die
verantwoordelijk is voor de controle van partij- en campagnefinanciering. Haar
proactieve opstelling gaat echter niet gepaard met effectieve interne en
externe controles op regionaal en lokaal niveau. In veel
lidstaten zijn interne controles in het hele land (met name op lokaal niveau)
zwak en worden deze niet gecoördineerd. Deze controles moeten worden versterkt
en vergezeld gaan van een krachtig preventiebeleid zodat er tastbare en
duurzame resultaten in de strijd tegen corruptie worden behaald. Openbaarmaking van
vermogen De
openbaarmaking van vermogen van functionarissen op gevoelige posities draagt
ertoe bij dat het afleggen van verantwoording door overheidsfunctionarissen
geconsolideerd wordt, zorgt voor meer transparantie en vereenvoudigt de
opsporing van mogelijke gevallen van onrechtmatige verrijking,
belangenverstrengeling en onverenigbaarheden, alsook de opsporing en het
onderzoek inzake mogelijke corruptiepraktijken. De benadering
van de openbaarmaking van vermogen van gekozen functionarissen varieert van de
verplichting een aanzienlijke hoeveelheid informatie openbaar te maken[12] tot een beleid waarbij sprake is van
beperkte openbaarmaking of in het geheel geen openbaarmaking. Voor
overheidsfunctionarissen in bepaalde sectoren kan de openbaarmaking van
vermogen een manier zijn om belangenconflicten te vermijden. Ondanks dit
verschil in benaderingen valt er een algemene trend te bespeuren om
overheidsfunctionarissen aan strengere voorschriften inzake openbaarmaking van
vermogen te onderwerpen. Een paar lidstaten die van oudsher geen regelingen
inzake openbaarmaking van vermogen hadden, hebben recent dergelijke regelingen
ingevoerd of aangekondigd die te zullen invoeren. Een belangrijk
aspect is de verificatie daarvan. In sommige lidstaten hebben instanties die
met het toezicht op de openbaarmaking van vermogen zijn belast, maar beperkte
bevoegdheden en instrumenten. In andere is er maar weinig wat ervan getuigt dat
de betreffende regels actief worden uitgevoerd of gehandhaafd. In enkele landen
is het verificatiesysteem ingewikkeld en omslachtig, wat de doeltreffendheid
ervan benadeelt. Bij de lidstaten zijn een paar voorbeelden te vinden van
grondige verificatie: in deze lidstaten worden degelijke controles uitgevoerd
door gespecialiseerde, onafhankelijke instanties op het gebied van
corruptiebestrijding/integriteit, die bevoegdheden en instrumenten hebben die
nodig zijn om de herkomst van het vermogen van de betrokken
overheidsfunctionarissen te controleren aan de hand van een breed scala aan
databanken (belastingadministratie, handelsregister etc.) om zo mogelijke
onjuiste aangiften op te sporen. Regels
inzake belangenconflicten Van een
belangenconflict is sprake wanneer een overheidsfunctionaris in persoonlijk
belang handelt of van plan is dan wel de schijn wekt dat te doen.[13] De conflictering van belangen maakt daarom
deel uit van een brede reeks van corruptiebestrijdingsinstrumenten en
controlemechanismen, waaronder die welke gerelateerd zijn aan het Verdrag van
de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC), de Greco en de OESO. De regelgeving
en sancties inzake belangenconflicten zijn overal in de EU verschillend. In
sommige lidstaten is er sprake van specifieke wetgeving die van toepassing is
op een brede reeks gekozen en benoemde overheidsfunctionarissen en
gespecialiseerde instanties die met het uitvoeren van controles zijn belast.
Het niveau van de controle verschilt per lidstaat. In sommige lidstaten zijn er
onafhankelijke instanties die toezicht inzake belangenconflicten uitoefenen,
maar de capaciteit om dit overal in het betrokken land te doen, is beperkt en
de follow-up van de besluiten van deze instanties is onvoldoende. Andere landen
beschikken over een ethische commissie, die met dergelijke controles is belast
en die verslag uitbrengt aan het parlement. Parlementsleden worden soms
gecontroleerd door een parlementaire commissie of door een commissie die tot
taak heeft controles inzake belangconflicten en vermogensaangiften uit te
voeren, zij het dat de capaciteit en de sanctiebevoegdheden daarvan vaak
beperkt zijn. Inhoudelijke verificaties zijn vaak formalistisch van aard en
blijven meestal beperkt tot administratieve controles. De capaciteit en
instrumenten die voor het uitvoeren van grondige controles nodig zijn, zijn
vaak onvoldoende. Het geringe
aantal sancties dat op gekozen functionarissen van toepassing is en de geringe
zwaarte van deze sancties hebben over de hele linie bijzondere moeilijkheden
tot gevolg. Wanneer gedragscodes voor de diverse gekozen lichamen ook
betrekking hebben op belangenconflicten gaan zij gewoonlijk niet vergezeld van
afschrikkende sancties. Partijdiscipline en zelfcontrole kunnen in dit opzicht
onvoldoende effectief zijn. Bovendien zijn op de nietigverklaring van
overeenkomsten en procedures bij belangenconflicten of de vergoeding van
geraamde schade vaak alleen algemene regels van burgerlijk recht van toepassing
en komt het in de praktijk niet tot een effectieve uitvoering daarvan. In veel
lidstaten zijn belangenconflicten bij besluitvorming, de toewijzing van
overheidsmiddelen en overheidsopdrachten, met name op lokaal niveau, schering
en inslag. Dit verslag analyseert de specifieke uitdagingen in dit opzicht op
regionaal en lokaal niveau in de lidstaten waar dergelijke problemen ernstiger
lijken. Er is een (soms groot) verschil tussen regionale en lokale besturen en
een samenhangende aanpak die gericht is op het opleggen van minimumnormen en
een grotere bewustwording, ontbreekt in dit verband. Belangenverstrengeling
worden in het algemeen in de EU-lidstaten niet als een strafbaar feit
beschouwd. In één lidstaat wordt belangenverstrengeling als een strafbaar feit
beschouwd, hoewel er nog geen succesvolle vervolgingen zijn geregistreerd.
Sommige vormen van belangenverstrengeling zijn ook in een andere lidstaat
strafbaar gesteld (namelijk onrechtmatige belangen bij een activiteit waarover
overheidsfunctionarissen de leiding of supervisie hebben). Arbeidsmobiliteit
tussen de overheids- en de privésector zijn van wezenlijk belang voor het
functioneren van een moderne samenleving en kan voor beide sectoren
aanzienlijke voordelen opleveren. Deze bergt echter het mogelijke gevaar in
zich dat voormalige overheidsfunctionarissen uit hoofde van een vorige functie
verkregen informatie die geheim zou moeten blijven, openbaar maken en dat
voormalige personeelsleden uit de privésector overheidsfuncties gaan bekleden
met een belangenconflict ten aanzien van hun vorige werkgever als gevolg.
Slechts een paar lidstaten hebben voor deze situatie expliciet maatregelen
genomen, maar de tenuitvoerlegging daarvan is vaak zwak. C. Bestrijding Strafrecht Strafwetgeving
op het gebied van corruptie is grotendeels ingevoerd en voldoet aan de normen
van de Raad van Europa, de VN en de EU. Eén lidstaat heeft het Verdrag van de
Verenigde Naties tegen corruptie niet geratificeerd. Dat er geen strafrechtelijke
aansprakelijkheid is voor gekozen overheidsfunctionarissen ingeval van
omkoping, is voor deze lidstaat de voornaamste belemmering om te ratificeren. Sommige
lidstaten hebben belangrijke strafrechtelijke en strafprocesrechtelijke
hervormingen ingevoerd of hun voornemen daartoe kenbaar gemaakt. Het
efficiënter en sneller maken van procedures en het versterken van
corruptiebestrijdingsinstrumenten (onder meer door een betere definitie van
strafbare feiten, in sommige gevallen zwaardere straffen en bepalingen voor
versnelde procedures) vormen een gemeenschappelijk doel. Door een dunne grens
te trekken tussen rechtmatig en onrechtmatig gedrag beschikken sommige
lidstaten nog maar over weinig ruimte voor strafbaarstelling. De
kwaliteit van de omzetting van Kaderbesluit 2003/568/JHA inzake de
bestrijding van corruptie in de privésector is niet overal gelijkwaardig.[14] Er zijn bepaalde
tekortkomingen in de omzetting van de bepalingen inzake de strafbaarstelling
van alle aspecten van actieve en passieve omkoping en de aansprakelijkheid van
rechtspersonen. Zelfs met betrekking tot de lidstaten die het kaderbesluit
hebben omgezet, is informatie over de handhaving schaars. Doeltreffendheid van
corruptiebestrijdingsinstanties Het
is uitsluitend aan de lidstaten om te bepalen welke institutionele structuren
voor de aanpak van corruptie op grond van hun nationale situatie vereist kunnen
zijn. Dit hangt af van de omvang en de aard van de corruptie in het betrokken
land, het constitutionele en juridische kader, tradities, de relatie met andere
beleidsterreinen in het land, het algemene institutionele kader etc. In
verschillende lidstaten bestaan er centrale instanties voor corruptiebestrijding
die taken op het gebied van preventie en bestrijding met elkaar combineren,
terwijl in andere lidstaten corruptiebestrijdingsinstanties zich specifiek met
preventie bezighouden. Sommige van deze laatste zijn ook bevoegd om zich bezig
te houden met de controle van vermogen, belangenverstrengeling,
onverenigbaarheden en, in sommige gevallen, partijfinanciering. Een aantal
andere landen heeft ten behoeve van de corruptiebestrijding specifieke diensten
voor rechtshandhaving of vervolging. Algemeen wordt
tegenwoordig erkend dat de oprichting van gespecialiseerde
corruptiebestrijdingsinstanties, ongeacht of deze zich op preventie of
bestrijding of beide richten, geen wondermiddel is. De resultaten verschillen.
De landenanalyses in dit verslag laten echter zien dat sommige van deze
instanties een stuwende kracht achter de hervormingen op het gebied van de
corruptiebestrijding in hun land zijn geweest. Sommige
corruptiebestrijdingsinstanties hebben duurzamere prestaties geleverd dan andere.
Factoren die op hun (tijdelijke of langdurige) succes van invloed zijn, zijn
onder meer: waarborgen voor onafhankelijkheid en afwezigheid van politieke
bemoeienis, op verdiensten gebaseerde selectie en bevordering van personeel,
multidisciplinaire samenwerking tussen operationele teams en met andere
instanties, snelle toegang tot databanken en informatie, en beschikbaarheid van
de nodige middelen en vaardigheden. Deze elementen worden niet in alle
lidstaten consequent gecombineerd. Goede praktijken van corruptiebestrijdingsinstanties De
Sloveense commissie voor de preventie van corruptie (CPC) heeft
haar rol bij het streven de rechtsstaat te handhaven door maatregelen tegen
corruptie, geconsolideerd, zoals ook door het Sloveense Grondwettelijk Hof is
erkend. Ondanks haar beperkte middelen heeft de CPC een gedegen staat van
dienst op het gebied van uitvoering, met meer dan 1 000 evaluaties en
onderzoeken per jaar. Zij heeft de vermogens en belangen van de leiders van
alle belangrijke politieke partijen onderzocht en onlangs inbreuken op de
wetgeving inzake de openbaarmaking van vermogen en beweerdelijk niet verantwoord
vermogen van belangrijke politici aan het licht gebracht. Het Roemeense nationale directoraat voor
corruptiebestrijding (DNA). Het DNA is een gespecialiseerde
vervolgingsinstantie voor de bestrijding van corruptie op midden- en hoog
niveau en heeft een opvallende staat van dienst wat betreft onpartijdig
onderzoek en onpartijdige vervolging wegens beschuldigingen van corruptie
binnen de hoogste politieke regionen, de rechterlijke macht en andere sectoren,
zoals belastingen, douane, energie, vervoer, bouw, gezondheidszorg etc. De
afgelopen zeven jaar heeft het DNA meer dan 4 700 personen aangeklaagd.
90,25 % van deze aanklachten leidde tot
een onherroepelijke rechterlijke beslissing. Bijna 1 500 verweerders
werden onherroepelijk veroordeeld en bij bijna de helft daarvan ging het om
personen op zeer hoge posities. Voor het behalen van deze resultaten is de
structuur van het DNA essentieel geweest, welke, naast de aanklagers die
leiding geven aan het onderzoek en daarover de supervisie hebben, gerechtelijke
politie en economische, financiële en IT-deskundigen omvat. Het Letse bureau voor de preventie en
bestrijding van corruptie (KNAB) heeft zowel in
Letland als daarbuiten een gedegen reputatie opgebouwd. Het combineert taken op
het gebied van preventie, onderzoek en opleiding, waaronder het toezicht op
partijfinanciering. Het KNAB fungeert ook als een instantie voor vooronderzoek,
met traditionele politiebevoegdheden en toegang tot databanken van banken en de
fiscus. Niet zo lang geleden heeft het bureau een periode van interne onrust
gekend. Het Kroatische bureau voor de
bestrijding van corruptie en georganiseerde misdaad, dat verbonden is aan het parket-generaal
(USKOK)
heeft een goede staat van dienst wat betreft proactieve onderzoeken en
succesvolle vervolgingen, onder meer in geruchtmakende zaken waarbij gekozen en
benoemde functionarissen op hoog niveau betrokken waren. Het centrale Spaanse speciale bureau
voor de vervolging van corruptie heeft een degelijke staat van dienst
bereikt wat betreft onderzoeken en vervolgingen, onder meer in een aantal zaken
op hoog niveau waarin beweerdelijk sprake was van complexe regelingen inzake
onrechtmatige partijfinanciering. Het fraudebestrijdingsbureau Catalonia,
een regionale corruptiebestrijdingsinstantie die gespecialiseerd is in de
preventie van en het onderzoek naar corruptie en fraude, is in Spanje het enige
in zijn soort. Het tracht misbruik van overheidsmiddelen te voorkomen en te
onderzoeken en is ook belast met de begeleiding van andere instanties. In sommige
lidstaten staan corruptiebestrijdingsinstanties die onderzoek naar politici
doen, als gevolg daarvan aan directe of indirecte druk bloot. Deze druk bestaat
er onder meer in dat de legitimiteit van het gezag van de instanties of hun
institutionele positie en bevoegdheden in publieke verklaringen of anderszins
worden aangevochten. Het is van belang de nodige waarborgen te bieden zodat
deze corruptiebestrijdingsinstanties hun taken vrij van ongepaste druk kunnen
blijven uitoefenen. Capaciteit op het gebied van rechtshandhaving,
vervolging en rechterlijke macht Binnen
de EU bestaan grote verschillen in de efficiëntie van rechtshandhavingsautoriteiten
en vervolgingsinstanties wat betreft het onderzoek van corruptie. Bij de
evaluatie van hun efficiëntie werd onder meer gekeken naar de vermoedelijke
omvang en aard van de corruptie die zij moeten aanpakken, het evenwicht met
preventiemaatregelen, de politieke wil om hun onafhankelijkheid te steunen, de
capaciteit en middelen waarover zij beschikken, de mogelijke belemmeringen voor
het onderzoek, de effectiviteit en met name de onafhankelijkheid van de
rechterlijke macht etc. De evaluatie is lastig omdat de statistieken inzake
corruptiemisdrijven in de meeste lidstaten niet coherent zijn. Er zijn
nauwelijks actuele, nauwkeurige, geconsolideerde statistieken die alle
procedurele fasen van corruptiegevallen omvatten. Repressieve
maatregelen alleen zijn niet voldoende om corruptie op effectieve wijze aan te
pakken. Niettemin speelt het vermogen van een rechtssysteem om afschrikkende
straffen op te leggen een belangrijke ontmoedigende rol en gaat daar een
duidelijk signaal van uit dat corruptie niet wordt getolereerd. Sommige
lidstaten leggen een bijzondere nadruk op de repressieve kant, waardoor
rechtshandhaving het meest zichtbare aspect van de
corruptiebestrijdingsmaatregelen wordt. Uitstekende resultaten zijn ook te zien
in lidstaten waar vervolging in zijn geheel (ook los van de in corruptie
gespecialiseerde diensten) effectief is. In sommige andere lidstaten is vervolging
zelden succesvol of kost onderzoek zeer veel tijd. De
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is een wezenlijk element van
corruptiebestrijdingsbeleid. Dat geldt zowel wat betreft het vermogen van het
rechtssysteem om corruptiezaken – ook op hoog niveau – effectief aan te pakken
als wat betreft de integriteitsnormen binnen het rechtssysteem zelf.
Daadwerkelijke waarborgen inzake onafhankelijkheid en hoge ethische normen
binnen de rechterlijke macht zijn essentieel om het kader te verzekeren dat nodig
is voor een effectieve rechterlijke macht die in corruptiezaken objectief,
onafhankelijk en zonder ongepaste beïnvloeding rechtspreekt. In sommige
lidstaten wordt de onafhankelijkheid van rechtshandhaving en vervolging als een
probleem gezien. Zonder een oordeel te geven over de algehele institutionele
structuur waarin de constitutionele, juridische en culturele context van elk
lidstaat tot uitdrukking komt en waarop afzonderlijke mechanismen en procedures
op EU-niveau van toepassing zijn – met name het jaarlijkse EU-scorebord voor
Justitie en het door Commissievoorzitter Barroso in zijn State of the Union in 2012
en 2013 aangekondigde en toegelichte rechtstatelijk kader – zijn er bij sommige
gelegenheden bepaalde zorgen geuit over de politieke bemoeienis waaraan
instanties op het gebied van vervolging en rechters in corruptiezaken bloot
staan. Voorbeelden daarvan zijn de ondoorzichtige of willekeurige toepassing
van procedures voor de benoeming, de bevordering of het ontslag van
leidinggevende openbare aanklagers die zich met corruptiezaken bezighouden,
alsook ontslagen binnen corruptiebestrijdingsinstanties of pogingen deze
instanties of de leiding daarvan in diskrediet te brengen, zonder dat daarvoor
een objectieve reden is. In andere zaken werden rechtshandhavingsinstanties op
het gebied van corruptiebestrijding ermee geconfronteerd dat politici zich met
hun beheer en functioneren bemoeiden. De ruime bevoegdheden die sommige
corruptiebestrijdingsinstanties hebben, gaan niet altijd gepaard met de verplichting
verantwoording af te leggen. Daardoor kan de indruk worden gewekt dat zij zaken
mijden die in de schijnwerpers staan of gebruik maken van controversiële
onderzoeksmethoden. Er
is geen uniforme norm die als model kan worden beschouwd voor de benoeming of
het ontslag van leidinggevenden van rechtshandhavings- of
vervolgingsinstanties. Besluiten op dat gebied worden in de meeste landen door
de regering genomen. Zo wordt uitdrukking gegeven aan politieke verantwoording
en het feit dat rechtshandhaving en vervolging tot de bevoegdheden van de
uitvoerende macht behoren. Ongeacht de gevolgde procedure moet de procedure
geloofwaardig zijn en verdiensten als uitganspunt nemen, teneinde elke indruk
van politieke vooringenomenheid te vermijden en politie en aanklagers in staat
te stellen elk ontdekt corruptiegeval te onderzoeken. In
een aantal lidstaten werd ook gebrek aan doeltreffende coördinatie bij
rechtshandhavings- en corruptiebestrijdingsinstanties als een zwak punt
benadrukt. In
de individuele landenanalyses wordt bezorgdheid geuit over de integriteit en de
onafhankelijkheid van de rechterlijke macht bij de behandeling van
corruptiezaken. Het aantal en de aard van corruptiezaken waarbij rechters of
aanklagers zijn betrokken, illustreren dit. Een in een van de lidstaten
speciaal voor corruptiebestrijding opgerichte rechtbank kreeg met aanzienlijke
moeilijkheden te maken (en zelfs een tijdelijke ontbinding), die haar
stabiliteit en haar vermogen overtuigende resultaten te leveren negatief
beïnvloedde. In
verschillende lidstaten lijkt de rechterlijke macht te weinig vastberadenheid
en capaciteit te hebben om ingewikkelde of gevoelige corruptiezaken aan te
pakken. In sommige lidstaten bestaat het gevaar dat corruptiezaken verjaren
wanneer rechterlijke procedures te lang en omslachtig blijken te zijn. Er
bestaan situaties waarin de praktische toepassing van procedureregels tot
aanzienlijke vertragingen leidt, die soms bedoeld zijn om te voorkomen dat de
rechtszaak wordt voltooid. In verschillende
lidstaten werd ook de beperkte afschrikkende werking van gerechtelijke
beslissingen benadrukt. Het opschorten van straffen of het opleggen van lichte
straffen werd daar als een reguliere gang van zaken aangemerkt. Er zijn echter
ook gevallen waarin rechters onlangs afschrikkende straffen voor corruptie
hebben opgelegd. In een van de
lidstaten is de rol van de onderzoeksrechters van doorslaggevend belang geacht
voor het doorvoeren van wetgevings- en institutionele hervormingen op het
gebied van corruptie, maar zijn ook vragen gerezen over de duur van de
procedures en de feitelijke gevolgen voor vervolgingen. Er zij op gewezen dat procedurele tekortkomingen
het onderzoek van corruptiegevallen in bepaalde lidstaten vaak kunnen
belemmeren. Zo kan er sprake zijn van omslachtige of onduidelijke bepalingen
inzake het opheffen van immuniteit of een gebrekkige toepassing van die
bepalingen, en van verjaringswetten die beletten dat complexe zaken tot een
einde worden gebracht, met name wanneer die gepaard gaan met langdurige
procedures of starre regels inzake de toegang tot bankgegevens die financieel
onderzoek en grensoverschrijdende samenwerking belemmeren. D. Specifieke
risicogebieden Kleinschalige corruptie Slechts
in een paar lidstaten blijft kleinschalige corruptie een wijdverbreid
probleem. Talrijke initiatieven op het gebied van corruptiebestrijding hebben
in deze landen geen einde aan kleinschalige corruptie kunnen maken.
Verschillende lidstaten waar kleinschalige corruptie tientallen jaren geleden
als een hardnekkig probleem werd gezien, zijn erin geslaagd op dit gebied
vooruitgang te boeken. Dat blijkt uit enquêtes over directe ervaringen met
corruptie, die positieve ontwikkelingen laten zien en aantonen dat sommige
landen in dit opzicht zelfs beter dan het EU-gemiddelde scoren. Ondanks de
veelbelovende vooruitgang in de strijd tegen kleinschalige corruptie in het
algemeen, kampt de gezondheidssector in een aantal lidstaten nog steeds met
omstandigheden die corruptie in de hand werken; daar blijft sprake van prikkels
om door omkoping een bijzondere behandeling te verkrijgen. Risico van corruptie op regionaal en lokaal
niveau De
risico's van corruptie blijken hoger te zijn op regionaal en lokaal niveau,
waar checks and balances en interne controles vaak zwakker zijn dan op centraal
niveau. Waar het gaat om goed bestuur en de doeltreffendheid van
corruptiebestrijdingsbeleid bestaan er tussen een aantal lidstaten aanzienlijke
verschillen.[15] In
veel lidstaten gaan ruime discretionaire bevoegdheden van regionale regeringen
of lokale besturen (die ook aanzienlijke middelen beheren) niet gepaard met een
passend niveau van verantwoording en controlemechanismen. Op lokaal niveau
veroorzaken belangenconflicten bijzondere problemen. Er moet meer worden gedaan
om de goede praktijken die sommige regionale of lokale besturen toepassen, te
verspreiden en om voor zowel gekozen als benoemde functionarissen op lokaal
niveau gelijke voorwaarden te scheppen, met name wat betreft
transparantienormen, de openbaarmaking van vermogen, het voorkomen of bestraffen
van belangenverstrengeling, alsook het toezicht op overheidsuitgaven. Een
positieve ontwikkeling is dat er op lokaal en regionaal niveau doeltreffende
praktijken op het gebied van preventie te zien zijn. In een van de lidstaten
werd een netwerk opgezet van meer dan 200 regionale, gemeentelijke en
provinciale besturen, die samenwerken om corruptie en infiltratie van de maffia
binnen de overheid te voorkomen. Enkele kwetsbare sectoren In
verschillende lidstaten zijn blijkens de analyse bepaalde sectoren bijzonder
kwetsbaar voor corruptie, zodat er specifieke maatregelen nodig zijn. Stadsontwikkeling
en bouw
zijn overal in de EU sectoren waar de kans op corruptie gewoonlijk hoog is.
Deze sectoren zijn bijzonder kwetsbaar voor corruptie in een aantal lidstaten,
waar in de afgelopen jaren veel gevallen van corruptie zijn onderzocht en
vervolgd. Als reactie op de gevaren op dit gebied heeft een lidstaat een
speciale vervolgingsinstantie opgericht voor de bestrijding van een breed scala
aan strafbare feiten op het gebied van milieu en stadsontwikkeling, waaronder
corruptie. Milieuplanning werd als een voor corruptie kwetsbaar gebied
aangemerkt in een lidstaat waar met betrekking tot de verlening van
bouwvergunningen, met name voor grootschalige projecten, sprake was van
beschuldigingen inzake corruptie en illegale partijfinanciering. Gezondheidszorg, een
andere sector die over de hele linie kwetsbaar voor corruptie is, met name met
betrekking tot aanbesteding en de farmaceutische industrie, is in een aantal
lidstaten gedetailleerder geëvalueerd. Thans worden door deze landen
strategieën ontwikkeld en hervormingen voorbereid om corruptie in de
gezondheidszorg aan te pakken. Tot nog toe zijn er echter maar weinig tastbare
resultaten. Informele betalingen en corruptie bij overheidsopdrachten en in de
farmaceutische sector blijven een bron van zorg. Corruptie
bij de belastingdienst, die in een van de lidstaten als een ernstig
probleem werd aangemerkt, vraagt om gerichte, strategische maatregelen. In
zijn algemeenheid ontbreken in de meeste van de bovengenoemde lidstaten
samenhangende mechanismen voor risicobeoordeling of sectorspecifieke
strategieën voor de aanpak van corruptiegevoelige sectoren. Integriteit en transparantie van de financiële
sector In
de nasleep van de financiële crisis is vaak aandacht gevraagd voor de noodzaak
van strengere normen op het gebied van integriteit en transparantie binnen de
financiële sector. Dit verslag gaat bij een aantal lidstaten op dergelijke
aspecten in. Een
verslag van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa legt een
verband tussen omvangrijke corruptiegevallen en belastingontduiking via
offshorebedrijven en belastingparadijzen.[16]
Het verslag verwijst naar het Stolen Asset Recovery Initiative van de
Wereldbank[17] en het
UNODC, in het kader waarvan 150 grote corruptiezaken werden onderzocht. Daarbij
werd een direct verband vastgesteld tussen grootschalige corruptie door hoge
overheidsfunctionarissen en het verbergen van gestolen vermogen door middel van
ondoorzichtige brievenbusfirma's, stichtingen en trusts. Voorts werd in het
verslag gewezen op belemmeringen voor het onderzoek naar en de opsporing van
gestolen activa als gevolg van onvoldoende toegang tot informatie over
feitelijke eigendom en het gebruik van spitsvondige, onder meerdere
jurisdicties vallende bedrijfsstructuren. In
hetzelfde verslag van de Parlementaire Vergadering wordt een lidstaat genoemd
als een van de leden van de Raad van Europa die min of meer dubieuze financiële
en juridische regelingen van het offshoresysteem toelaten of gedogen. Onlangs
heeft de betrokken lidstaat plannen aangekondigd om zijn rechtskader inzake de
toegang tot bankgegevens te herzien. In
een andere lidstaat gaven recente controversen met betrekking tot de financiële
sector, met name belangrijke banken, over kwesties als de vaststelling van
rentepercentages, onverantwoordelijke of speculatieve leningen en het niet in
acht nemen van de nodige zorgvuldigheid, aanleiding tot bezorgdheid over
regulering en de handhaving van bestaande regels. Over de rol van banken bij
het faciliteren of toestaan van witwaspraktijken werd ook uitgebreid
gediscussieerd. De plannen voor een openbaar register van eigenaars van
geregistreerde ondernemingen zullen tot meer transparantie kunnen leiden. Een
andere lidstaat heeft zich ertoe verbonden zijn bankentoezicht en
regelgevingskader alsook de waarborgen tegen witwaspraktijken te verstevigen. Omkoping in het buitenland Lidstaten
die corruptie binnen hun eigen grenzen doeltreffend aanpakken, hebben vaak te
maken met problemen in verband met het gedrag van hun ondernemingen in het
buitenland, met name in landen waar corrupte praktijken wijdverbreid zijn. De
OESO houdt op dit terrein streng toezicht en vraagt in zijn periodieke
evaluaties aandacht voor zowel goede als minder goede resultaten op het gebied
van handhaving. In een aantal lidstaten bestaan goede praktijken. Zo was er een
aanzienlijk aantal succesvolle vervolgingen, werden hoge straffen opgelegd,
werd voorrang gegeven aan gevallen van omkoping in het buitenland en werd er
onlangs een uitgebreide wet inzake omkoping vastgesteld waarbij de juridische
en procedurele instrumenten voor de preventie en de vervolging van corruptie,
met name omkoping in het buitenland, werden versterkt. Een degelijk wettelijk kader voor
de aanpak van omkoping in het binnen- en buitenland – de Britse wet inzake
omkoping Met de Britse wet inzake omkoping uit
2010 (Bribery Act) die op 1 juli 2011 in werking trad, schaart het Verenigd
Koninkrijk zich onder de landen met de strengste regels tegen omkoping ter
wereld. De wet stelt niet alleen het betalen en aannemen van steekpenningen en
de omkoping van buitenlandse overheidsfunctionarissen strafbaar, maar breidt de
strafrechtelijke aansprakelijkheid ook uit tot commerciële organisaties die
nalaten namens hen verrichte omkoping te voorkomen. Bepalingen inzake
extraterritoriale rechtsmacht stellen het bureau voor ernstige fraude (Serious
Fraud Office – SFO) in staat iedere onderneming die een vestiging in het
Verenigd Koninkrijk heeft, of een daarmee gelieerde persoon, te vervolgen,
zelfs wanneer de hoofdzetel van de onderneming overzee is gevestigd.
Commerciële organisaties kunnen niet strafrechtelijk aansprakelijk worden
gesteld wanneer zij in passende procedures ter voorkoming van omkoping hebben
voorzien. De richtsnoeren van het Serious Fraud
Office voor commerciële organisaties (Guidance to Commercial Organisations – GCO)
bevorderen de bekendheid met het nieuwe wetgevingskader en bieden ondernemingen
praktische begeleiding (onder andere aan de hand van casestudy's) met
betrekking tot hun verplichtingen uit hoofde van de wet ter voorkoming of
opsporing van omkoping (Act to prevent or detect bribery). In overeenstemming
met een vorige aanbeveling van de OESO, maakt de GCO duidelijk dat het betalen
van smeergeld als onrechtmatige omkoping wordt beschouwd en biedt deze
ondernemingen criteria om gastvrijheid te kunnen onderscheiden van verkapte
vormen van omkoping. Het SFO heeft vergaande bevoegdheden om
ernstige en complexe fraude, met inbegrip van corruptie, te onderzoeken en te
vervolgen. Overeenkomstig de genoemde richtsnoeren kan het SFO in bepaalde
omstandigheden civiele invorderingsopdrachten en schikkingen in overweging
nemen. De
OESO heeft op een aantal andere lidstaten kritiek uitgeoefend omdat zij, gelet
op het risico van corruptie dat hun bedrijven in het buitenland lopen,
buitenlandse omkoping onvoldoende of in het geheel niet vervolgen. Staatsbedrijven In
sommige lidstaten schiet het toezicht op overheidsbedrijven tekort omdat de wetgeving
daar onduidelijk is en politisering benoemingen op basis van verdiensten en het
dienen van het openbaar belang belemmert. Bovendien zijn er te weinig
waarborgen tegen corruptie of mechanismen om belangenverstrengeling te
voorkomen en te bestraffen. Er is weinig transparantie met betrekking tot de
toewijzing van middelen en, in sommige gevallen, de aankoop van diensten door
deze ondernemingen. Uit recent onderzoek naar beschuldigingen inzake misbruik
van middelen en corrupte en witwaspraktijken met betrekking tot
overheidsbedrijven, blijkt dat er op dit gebied grote risico's in verband met
corruptie bestaan en dat toezicht en preventie zwak zijn. Met
betrekking tot enkele staten beklemtoont het verslag de noodzaak van meer
transparantie en efficiënte controles bij processen van versnelde
privatisering, die het risico van corruptie kunnen doen toenemen. Verband tussen corruptie en georganiseerde
misdaad In
de lidstaten waar de georganiseerde misdaad voor aanzienlijke problemen zorgt,
wordt corruptie vaak als katalysator gebruikt. In een van die lidstaten had een
groot aantal zaken over vermoedelijk onrechtmatige partijfinanciering op
centraal of regionaal niveau ook met georganiseerde criminele groepen te maken.
Connecties tussen georganiseerde criminele groepen, ondernemingen en politici
blijven voor de betreffende lidstaten een probleem, met name op regionaal en
lokaal niveau en met betrekking tot overheidsopdrachten, bouw,
onderhoudsdiensten, afvalbeheer en andere sectoren. Onderzoek heeft aangetoond
dat in een andere lidstaat de georganiseerde misdaad op alle niveaus, met
inbegrip van het politieke niveau, invloed uitoefent. Politieke corruptie wordt
daar vaak gezien als een middel om direct of indirect toegang tot macht te
verkrijgen; het land in kwestie geldt als het land met de grootste
schaduweconomie van alle EU-lidstaten. Zoals opgemerkt in de door Europol in 2013
uitgevoerde EU-dreigingsevaluatie voor zware en georganiseerde criminaliteit
blijft corruptie in het algemeen een ernstige bedreiging vormen als middel voor
georganiseerde criminele groepen om in de publieke en de privésector te
infiltreren. E. Achterliggende
aspecten Op de achtergrond is sprake van een aantal
aspecten die, hoewel ze op zichzelf genomen niet noodzakelijk verband houden
met corruptie, van invloed kunnen zijn op de mate waarin een bepaalde omgeving
voor corruptie openstaat. Effectief beleid op deze gebieden kan de
mogelijkheden tot corruptie doen afnemen. Transparantiebeleid en vrijheid van informatie Openheid en
transparantie kunnen een afschrikkende werking hebben met betrekking tot
corruptie en ertoe bijdragen dat eventuele corruptie aan het licht komt. In de
meeste landen is op dit terrein passende wetgeving van kracht en in een aantal
landen wordt aan de vaststelling van wetgeving gewerkt; er is echter een groot
verschil in de wijze waarop de normen inzake transparantie worden nageleefd.
Een van de lidstaten heeft een online-applicatie ontwikkeld die een overzicht
biedt van alle overheidsuitgaven voor goederen en diensten (zie ook het
gedeelte over overheidsopdrachten). De applicatie bevat ook gedetailleerde
informatie over de raden van bestuur en van toezicht van alle
overheidsbedrijven en bedrijven die onder zeggenschap van de overheid staan en
de jaarverslagen daarvan. Dat sommige
lidstaten een effectief corruptiebestijdingsbeleid hebben, is deels een gevolg
van een traditie van openheid, transparantie en het openbaar maken van
documenten. Ontwikkeling van transparante besluitvorming bij de
overheid – Griekenland Een in 2010
aangenomen wet[18]
verplicht alle overheidsinstellingen om hun besluiten online bekend te maken,
met inbegrip van de besluiten inzake overheidsopdrachten. Met ingang van 1 oktober 2010
zijn alle overheidsinstellingen, regelgevende autoriteiten en lokale besturen
verplicht hun besluiten op het internet te plaatsen via het programma
"Transparantie" (diavgeia –
διαύγεια).[19] De besluiten van overheidsentiteiten
kunnen niet worden uitgevoerd wanneer zij niet op de websites van dit programma
zijn gepubliceerd. Alleen voor besluiten die gevoelige persoonsgegevens en/of
informatie over de nationale veiligheid bevatten, geldt deze verplichting niet.
Elk document wordt digitaal getekend en krijgt automatisch een uniek nummer toegewezen. Wanneer er een discrepantie is
tussen de in het staatsblad gepubliceerde tekst en die op de websites van het
programma, dan prevaleert de laatste. Geplaatste overheidsopdrachten worden ook
gepubliceerd. Bescherming van
klokkenluiders Geschikte
klokkenluidersmechanismen die processen binnen de overheid codificeren zodat er
officiële kanalen zijn voor het melden van wat door de betrokkene als in strijd
met de regels of zelfs onrechtmatig wordt gezien, kunnen typische problemen bij
de opsporing van corruptie (en ook op andere terreinen) helpen oplossen.
Klokkenluiden is echter niet eenvoudig omdat er in het algemeen
terughoudendheid bestaat om situaties binnen de eigen organisatie aan de kaak
te stellen en vanwege de angst voor vergelding. Essentieel in dit verband zijn
het scheppen van een cultuur van integriteit binnen elke organisatie,
bewustwording en de invoer van effectieve beschermingsmechanismen die
potentiële klokkenluiders vertrouwen geven.[20] Transparantie van lobbyactiviteiten De
vorming van overheidsbeleid is een complex proces en het is wenselijk dat de
overheid voortdurend in gesprek blijft met externe belanghebbenden. Alle
belanghebbende partijen moeten hun mening kunnen geven, maar dat moet op
transparante wijze gebeuren. Aangezien lobbyactiviteiten het gevaar van
corruptie en innige banden tussen regelgevers en sectoren ("regulatory
capture") met zich kunnen brengen, is het wenselijk dat er mechanismen
bestaan die dergelijke activiteiten een kader bieden; dat kan gebeuren door
middel van wetgeving of een vrijwillige registratie van lobbyisten. Dergelijke
mechanismen kunnen bijdragen tot zowel helderheid als transparantie in de
verhouding tussen de overheid en externe belanghebbenden. Daarmee kunnen zij
het gevaar van corruptie helpen verminderen. Tot nog toe is dit terrein in
betrekkelijk weinig lidstaten ontgonnen, ofschoon sommige lidstaten wel
wetgeving of regels op stapel hebben staan of debatteren over de mogelijkheid
nieuwe mechanismen in te voeren. IV.
Overheidsopdrachten A.
Algemeen
overzicht van het EU-kader Omvang
van de markt voor overheidsopdrachten in de EU Overheidsopdrachten
zijn een belangrijk element van de nationale economieën in de EU. Jaarlijks
geven overheden en publiekrechtelijke entiteiten ongeveer een vijfde van het bbp
van de EU uit voor de aankoop van goederen, werken en diensten.[21] Ongeveer 20 %
daarvan heeft betrekking op overheidsopdrachten waarvan de waarde hoger is dan
de drempelwaarden waarboven de EU-regels voor overheidsopdrachten van
toepassing zijn. Volgens ramingen van de Commissie bedroeg de totale waarde van
de aanbestedingen boven deze EU-drempelwaarden in 2011 ongeveer 425 miljard
euro.[22] Belang van het
corruptiebestrijdingsbeleid op het gebied van overheidsopdrachten Gezien
de omvang van de gegenereerde financiële stromen en een aantal andere factoren
vormen overheidsopdrachten een domein dat gevoelig is voor corruptie. Volgens
onderzoek uit 2008 naar overheidsopdrachten en corruptie kunnen de meerkosten
van een contract als gevolg van corruptie 20 % tot 25 %,
en in sommige gevallen zelfs 50 %, van de totale
waarde van het contract bedragen.[23] Zoals
de OESO in haar Principles for Integrity in Public Procurement (beginselen voor
integriteit bij overheidsopdrachten) stelde, belemmert zwak bestuur bij
overheidsopdrachten de mededinging op de markt en drijft het de prijs op
die de overheid betaalt voor goederen en diensten, hetgeen directe gevolgen
heeft voor de overheidsuitgaven en dus voor belastinggeld. De financiële
belangen die op het spel staan en de nauwe interactie tussen de openbare en de
particuliere sector, maken van overheidsopdrachten een hoog-risicogebied .[24] De
conclusie van een studie uit 2013 over het vaststellen en terugdringen van
corruptie bij overheidsopdrachten in de EU luidde dat in 2010 de totale directe
kosten van corruptie bij overheidsopdrachten voor slechts vijf sectoren
(namelijk wegen en spoorwegen; water en afval; stedenbouw/nutsvoorziening;
opleiding; onderzoek en ontwikkeling) in acht lidstaten[25] tussen 1,4 en 2,2 miljard euro bedroegen.[26] In
de afzonderlijke landenbeoordelingen van dit verslag worden overheidsopdrachten
aangewezen als een van de gebieden die het meest kwetsbaar zijn voor corruptie,
zoals ook blijkt uit een aantal corruptiegevallen op hoog niveau waarbij één of
meer landen betrokken waren. Aangezien het risiconiveau van corruptie in de
procedure voor overheidsopdrachten vrij hoog is, vormen corruptie- en
fraudebestrijdingswaarborgen een prioriteit voor zowel de EU-lidstaten als de
EU-instellingen.[27] De
tekortkomingen in de preventie en bestrijding van corruptie op het gebied van
overheidsopdrachten hebben nadelige gevolgen voor het beheer van nationale
middelen en EU-middelen. Het
huidige EU-rechtskader De EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten (dat wil
zeggen de richtlijn overheidsopdrachten, de richtlijn nutsvoorzieningen, de
richtlijn overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied en de
rechtsmiddelenrichtlijnen)[28] heeft
hoofdzakelijk als doel ervoor te zorgen dat de beginselen van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie worden nageleefd, en in het
bijzonder het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en het vrij
verrichten van diensten, alsmede andere, daarvan afgeleide beginselen. De
wetgeving inzake overheidsopdrachten moet ervoor zorgen dat de
aanbestedingsmarkten overal in de EU open worden gehouden teneinde bij te
dragen tot het meest efficiënte gebruik van overheidsmiddelen, en op die manier
een eerlijk, eenvormig en transparant platform voor overheidsuitgaven
bevorderen. Dat kan ook een positief effect hebben op het algemene
corruptiebestrijdingsbeleid van de EU waarin transparantie en eerlijke
concurrentie een belangrijke rol spelen bij het voorkomen van corruptie. De
wetgeving inzake overheidsopdrachten omvat ook bepalingen die op directere
wijze relevant zijn voor het corruptiebestrijdingsbeleid, zoals de uitsluiting
uit aanbestedingsprocedures van een (rechts)persoon die bij een definitieve
rechterlijke beslissing is veroordeeld voor corruptie, gedetailleerde
bepalingen inzake publiciteit en transparantie in de verschillende fasen van de
aanbestedingscyclus, minimumnormen voor rechtsmiddelen, specifieke bepalingen
inzake abnormaal lage inschrijvingen, alsmede bepalingen betreffende bepaalde
vereisten voor het wijzigen van opdrachten. Voor het gunnen
van concessies voor werken gelden momenteel enkele bepalingen van afgeleid
recht[29], terwijl op concessies voor diensten
alleen de algemene bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie van toepassing zijn. Sommige
lidstaten hebben specifieke rechtsvoorschriften inzake corruptie bij
overheidsopdrachten of passen specifieke maatregelen toe om het risico van
corruptie te verminderen, zoals hieronder nader wordt beschreven. De meeste
lidstaten pakken corruptie op het gebied van overheidsopdrachten echter aan via
hun algemene corruptiewetgeving. De
databank Tenders Electronic Daily (TED), de onlineversie van het
"Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie", wordt
regelmatig bijgewerkt met aanbestedingen uit heel Europa. Aankondigingen van
opdrachten en van geplaatste opdrachten boven de drempelwaarden van de
richtlijnen inzake overheidsopdrachten worden in het PB/TED bekendgemaakt. Uit
de jaarlijkse evaluatie van de tenuitvoerlegging van de voorschriften inzake
overheidsopdrachten van 2012 bleek dat het aantal aankondigingen van opdrachten
en van geplaatste opdrachten in de voorbije jaren gestaag is blijven groeien.[30] Dat toont aan dat de richtlijnen en de
databank TED hebben bijgedragen tot een grotere bekendheid van de aanbesteding
en gunning van overheidsopdrachten. Toezicht op de correcte toepassing van de
EU-voorschriften inzake overheidsopdrachten In
gevallen van een mogelijke schending van de Europese voorschriften inzake
overheidsopdrachten, handelt de Commissie, als hoedster van de Verdragen, na
een klacht of op eigen initiatief. In dit verband tracht de Commissie de regels
inzake overheidsopdrachten te doen naleven, ongeacht om welke reden zij worden
geschonden en ongeacht of de schending bewust is begaan dan wel het gevolg is
van onvoldoende kennis of fouten. Als
algemene regel geldt dat de Commissie niet nagaat of een schending van de
EU-regels inzake overheidsopdrachten aan corruptie kan te wijten zijn. De
lidstaten zijn daarvoor bevoegd. Niettemin wordt in inbreukprocedures[31] vaak verwezen naar bepaalde tekortkomingen
in de toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten die ook van groot
belang zijn voor de beoordeling van de doeltreffendheid van
corruptiebestrijding en controlemechanismen. In
haar jaarlijkse evaluatie van de tenuitvoerlegging van de voorschriften inzake
overheidsopdrachten van 2012 heeft de Commissie melding gemaakt van 97 lopende
inbreukzaken wegens onjuiste toepassing van de regels inzake
overheidsopdrachten, waarvan meer dan de helft betrekking heeft op slechts drie
lidstaten. In de meeste van die gevallen ging het om de volgende aantijgingen:
ongerechtvaardigd gebruik van de procedure van gunning via onderhandelingen
zonder voorafgaande bekendmaking, discriminatie, onderhandse gunning, gebrek
aan transparantie, ongerechtvaardigde wijziging van de opdracht, onjuiste
toepassing van de interne regels of schending van de algemene beginselen van
het Verdrag.[32] Te oordelen naar het soort zaken waarin de Commissie
een inbreukprocedure inleidt wegens een vermeende schending van de EU-regels
betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, is de gunning via
onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking de procedure waarin
onregelmatigheden het vaakst voorkomen. De meeste zaken betreffende onjuiste
toepassing hebben betrekking op de sector infrastructuur, gevolgd door
riolering/afval, IT-dienstverlening, spoorwegen, de gezondheidssector en
energie. Lopende hervormingen van de EU-wetgeving Uit
een algemene evaluatie is gebleken dat de richtlijnen inzake
overheidsopdrachten hun doelstellingen in aanzienlijke mate hebben bereikt.[33] Zij hebben geleid tot meer transparantie,
een sterkere concurrentie en, door lagere prijzen, tot meetbare besparingen.
Toch wordt verdere verbetering noodzakelijk geacht ter vereenvoudiging van de
procedures en ter versterking van de waarborgen voor fraude- en
corruptiebestrijding. Daarom heeft de Commissie in december 2011 een herziening
van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten voorgesteld. De voorgestelde
nieuwe wetgeving heeft betrekking op het gunnen van opdrachten in de sectoren
water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten[34], overheidsopdrachten voor werken,
leveringen en diensten[35], en op
concessies, die op EU-niveau geregeld worden. De Commissie heeft bepalingen
voorgesteld inzake belangenconflicten (voor het eerst gedefinieerd in
EU-wetgeving), gecentraliseerde gegevens over corruptie, fraude en
belangenconflicten, strengere voorschriften betreffende de wijziging van
opdrachten, ruimere uitsluitingscriteria en toezicht op gegunde opdrachten.
Momenteel wordt het voorstel van de Commissie behandeld in het Europees
Parlement en de Raad. Het voorstel voorzag ook in toezicht op de
tenuitvoerlegging van de regels inzake overheidsopdrachten, en in "red
flag"- en waarschuwingssystemen om fraude en corruptie op te sporen. De
lidstaten hebben echter fundamentele bezwaren geuit tegen dergelijke
maatregelen, die als te belastend voor hun administraties worden beschouwd. Het
voorstel betreffende de gunning van concessieopdrachten[36] heeft als doel de rechtszekerheid
rond de gunning van dergelijke opdrachten te vergroten en publieke en private
investeringen in infrastructuur en strategische diensten met een
optimale kosten-batenverhouding te bevorderen. De voorgestelde richtlijn
inzake concessies verplicht de lidstaten ook regels vast te
stellen ter bestrijding van favoritisme en corruptie en ter voorkoming van
belangenconflicten, die de transparantie van de gunningsprocedure en de gelijke
behandeling van alle inschrijvers moeten garanderen. Het
nieuwe pakket overheidsopdrachten zal naar verwachting begin 2014 worden
goedgekeurd. Resultaten van de Eurobarometerenquêtes over
corruptie Volgens
de in 2013 gehouden Flash Eurobarometer Zakendoen en corruptie[37] zeggen
meer dan twee op de drie (32 %)
EU-ondernemingen die aan overheidsopdrachten hebben deelgenomen, dat zij door
corruptie een opdracht zijn misgelopen. Dat standpunt is het meest verspreid
bij ondernemingen in de sectoren bouw (35 %) en
engineering (33 %). Meer dan de
helft van de vertegenwoordigers van ondernemingen uit Bulgarije (58 %),
Slowakije (57 %), Cyprus (55 %) en
Tsjechië (51 %) zegt dat dit het geval is
geweest. Nog
volgens deze enquête zijn bureaucratie (21 %) en
criteria die op bepaalde deelnemers lijken toegesneden (16 %), de
belangrijkste redenen waarom ondernemingen de voorbije drie jaar niet aan een
openbare aanbestedingsprocedure hebben deelgenomen. Meer dan vier op de tien
ondernemingen zeggen dat een aantal illegale praktijken in procedures voor
overheidsopdrachten vaak voorkomt, met name op specifieke ondernemingen
toegesneden inschrijvingsvoorwaarden (57 %),
belangenconflicten bij de beoordeling van dossiers (54 %),
collusie bij de inschrijvingen (52 %),
onduidelijke selectie- of evaluatiecriteria (51 %),
betrokkenheid van inschrijvers bij het opstellen van de
inschrijvingsvoorwaarden (48 %), misbruik van
procedures van gunning via onderhandelingen (47 %),
misbruik van dringende redenen ter rechtvaardiging van het gebruik van de
niet-mededingings- of verkorte procedure (46 %),
wijziging van de voorwaarden van de opdracht na de gunning ervan (44 %).
In het algemeen zijn het meestal engineering- en bouwondernemingen die zeggen
dat al deze praktijken wijdverbreid zijn. Meer
dan de helft van alle ondernemingen zegt dat corruptie bij overheidsopdrachten
die door nationale (56 %) of
regionale/lokale overheden (60 %) worden
beheerd, wijdverbreid is. Volgens
de speciale Eurobarometer 2013 over corruptie vindt 45 % van de
ondervraagde Europeanen dat omkoping en misbruik van machtspositie voor
persoonlijk winstbejag vaak voorkomen bij ambtenaren die overheidsopdrachten
gunnen. Landen waar de meeste respondenten vinden dat corruptie bij ambtenaren
die overheidsopdrachten plaatsen, wijdverbreid is, zijn onder meer Tsjechië (69 %),
Nederland (64 %), Griekenland (55 %),
Slovenië (60 %), Kroatië (58 %)
en Italië (55 %). Landen met de meest
consistente positieve perceptie van dergelijke ambtenaren zijn onder meer
Denemarken (22 %), Finland (31 %),
Ierland (32 %), Luxemburg (32 %)
en het Verenigd Koninkrijk (33 %). B.
Goede
en slechte praktijken bij de aanpak van het risico van corruptie bij
overheidsopdrachten Algemene opmerkingen Dit hoofdstuk behandelt de corruptierisico’s die
verband houden met overheidsopdrachten, op basis van de bevindingen van de
landenspecifieke evaluaties van dit Corruptiebestrijdingsverslag van de EU en
van andere studies en informatie van de Commissie. Bij deze analyse wordt
rekening gehouden met alle fases van de openbare aanbestedingscyclus: vóór de
inschrijving (onder meer de behoeftenbeoordeling en inschrijvingsvoorwaarden),
de inschrijving zelf (onder meer de gunningsprocedure: selectie, evaluatie en
gunning van de opdracht) en na de gunning. Ook de fase van de uitvoering van de
opdracht wordt in aanmerking genomen. Dit is in overeenstemming met de analyse
van de OESO uit 2009 waarin werd aangedrongen op verdere maatregelen ter
voorkoming van corruptierisico’s die zich voordoen gedurende de gehele openbare
aanbestedingscyclus, te beginnen met de fase van de behoeftenbeoordeling tot en
met het beheer en de betaling van de opdracht, met inbegrip van
noodaanbestedingen en aanbestedingen op veiligheidsgebied.[38] Terwijl in dit deel de goede en slechte praktijken
in de EU in het algemeen worden behandeld, zijn bepaalde aspecten van
overheidsopdrachten ook grondiger geanalyseerd in sommige van de
landenspecifieke hoofdstukken. De keuze van de lidstaten waarvoor een dergelijke
grondige landenspecifieke analyse van corruptierisico's bij overheidsopdrachten
werd uitgevoerd, werd gebaseerd op een beoordeling van de omvang van het
probleem en/of de ernst van de uitdagingen waartoe het in die specifieke landen
leidde. Dit betekent niet dat problemen bij overheidsopdrachten in de andere
landen geen verdere aandacht vereisen, maar dat de Commissie bij die landen
meer aandacht schenkt aan andere met corruptie samenhangende problemen die
relevanter leken dan overheidsopdrachten. Gevallen van vermoede corruptie en
belangenconflicten bij het beheer van EU-middelen volgens de toepasselijke
geldende EU-verordeningen, kunnen leiden tot de onderbreking en/of schorsing
van betalingen totdat de lidstaten afdoende corrigerende maatregelen hebben
genomen, met inbegrip van de versterking van de beheers- en controlesystemen. Noch de algemene, noch de landenspecifieke analyses
hebben als doel op dit gebied universele benchmarks tot stand te brengen, maar
eerder om de zwakke punten te presenteren, samen met de bijbehorende
oplossingen (zowel preventief als repressief), die in praktijk zijn geslaagd
dan wel mislukt. Specifieke
bevindingen Risicogebieden en patronen van corruptie Te
oordelen naar de in de lidstaten vervolgde gevallen van corruptie bij
overheidsopdrachten, komen de volgende problemen het vaakst voor: het
toesnijden van inschrijvingsvoorwaarden op bepaalde inschrijvers, het
opsplitsen van overheidsopdrachten in kleinere dossiers om de procedures met
concurrentieel karakter te vermijden, belangenconflicten in verscheidene fasen
van de procedures en niet alleen in hoofde van de ambtenaar die de opdracht
plaatst, maar ook van de aanbestedende diensten op een hoger niveau,
onevenredige en ongerechtvaardigde selectiecriteria, ongerechtvaardigde
uitsluiting van inschrijvers, ongerechtvaardigd gebruik van noodprocedures,
ontoereikende analyse van situaties waarin de inschrijvingsprijzen te laag
waren, buitensporig belang hechten aan de laagste prijs als belangrijkste
criterium ten nadele van criteria in verband met de kwaliteit van de te leveren
prestatie en de capaciteit om de prestatie te leveren, ongerechtvaardigde
uitzonderingen op de bekendmaking van biedingen. Uit audits is gebleken dat
risico's niet alleen voorkomen in de openbare aanbestedingsprocedure, maar in
veel gevallen ook in de fase na de gunning, wanneer ook kickbackbetalingen
kunnen plaatshebben en bijvoorbeeld met opzet afbreuk wordt gedaan aan de
kwaliteit van de te leveren prestaties. Andere
patronen die in corruptiezaken werden vastgesteld met betrekking tot de fase na
de gunning, zijn onder meer: onvoldoende rechtvaardiging van wijzigingen van
overheidsopdrachten, de latere wijzing van opdrachten waarbij de specificaties
worden gewijzigd en de begroting wordt verhoogd. In een studie
uit 2013 over het vaststellen en terugdringen van corruptie bij
overheidsopdrachten in de EU[39] werden
vier soorten illegale praktijken afgeleid uit 96 gevallen waarin
beschuldigingen van corruptie reeds zijn bevestigd door definitieve
rechterlijke beslissingen of waarin er sterke aanwijzingen zijn van corrupte
praktijken. Die praktijken hebben betrekking op: (1) manipulatie van
aanbestedingsprocedures (in de vorm van intrekking van inschrijvingen,
aanvullende offertes, rotatie van inschrijvingen en onderaanneming) wanneer de
opdracht aan één inschrijver is "beloofd" met of zonder instemming
van ambtenaren; (2) kickbacks, wanneer de ambtenaar een steekpenning vraagt of
aanvaardt, die in de aanbestedingsprocedure wordt verrekend, met inbegrip van
de administratieve procedures; (3) belangenconflict; (4) andere
onregelmatigheden, waaronder opzettelijk wanbeheer/onkunde wanneer ambtenaren
niet de nodige controles uitoefenen of de voorgeschreven procedures volgen
en/of duidelijk wanbeheer door de contractanten dulden of negeren. Het gebruik van
procedures van gunning via onderhandelingen en onderhandse gunning is in
bepaalde omstandigheden weliswaar gerechtvaardigd, maar er zijn gevallen waarin
dit gebeurt om de verplichtingen van op concurrentie gebaseerde procedures te
vermijden. In sommige lidstaten ligt het gebruik van niet op concurrentie
gebaseerde procedures aanzienlijk boven het EU-gemiddelde. Het
ongerechtvaardigde gebruik van onderhandelingsprocedures verhoogt ook het
risico van corruptiepraktijken. Om het risico van misbruik van
onderhandelingsprocedures of onderhandse gunning tegen te gaan, voorzien
bepaalde lidstaten in de wettelijke verplichting om gunningen via
onderhandelingen zonder voorafgaande bekendmaking vooraf aan te melden bij de
instanties voor toezicht of controle op overheidsopdrachten. De sectoren
bouw, energie, vervoer, defensie en gezondheidszorg zijn het meest kwetsbaar
voor corruptie inzake overheidsopdrachten. In verschillende
lidstaten waar beschuldigingen van illegale partijfinanciering waren geuit, was
er sprake van situaties waarin deze financiering zou zijn toegekend in ruil
voor gunstige besluiten over de gunning van overheidsopdrachten. In bepaalde
andere gevallen hadden de beschuldigingen betrekking op te nauwe banden tussen
ondernemingen en politici op centraal of lokaal niveau, die corruptiepraktijken
bij de gunning van overheidsopdrachten zouden hebben aangemoedigd. Risico’s bij
overheidsopdrachten op regionaal en lokaal niveau Overheidsopdrachten
op regionaal en lokaal niveau zorgen voor specifieke problemen wanneer lokale
overheden over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken die niet gepaard
gaat met adequate controlemechanismen, significante percentages van de openbare
middelen op dit niveau worden toegekend en tegelijkertijd de interne en externe
controlemechanismen zwak zijn. In convergentielanden waar een zeer groot deel
van de overheidsinvesteringen wordt medegefinancierd door structuurfondsen,
worden deze risico’s afgezwakt door de beheers- en de controlevereisten van die
fondsen. De daadwerkelijke uitvoering ervan vormt evenwel een hele uitdaging.
In een paar lidstaten zijn door controlemechanismen gevallen aan het licht
gekomen waarbij ambtenaren activa van lokale overheden gebruikten om
transacties af te sluiten met ondernemingen waarmee zij banden hadden. In
sommige gemeenten en regio’s was er sprake van een sterke consolidatie van
"cliënten"-netwerken rond kleine belangengroepen. De meeste gevallen
hadden betrekking op tenlasteleggingen of beschuldigingen van illegale
partijfinanciering, persoonlijke illegale verrijking, verduistering van
nationale of EU-middelen, favoritisme en belangenconflicten. In een paar
lidstaten waren er gevallen waarin bepaalde kopstukken uit de georganiseerde
misdaad op gemeentelijk niveau hun eigen politieke partijen oprichtten of in
gemeenteraden infiltreerden om invloed uit te oefenen op de lokale
rechtshandhaving of rechterlijke macht, en overheidsopdrachten te manipuleren.
Om dit risico aan te pakken, hebben sommige gemeenten
corruptiebestrijdingsmaatregelen genomen, zoals het opzetten van systemen voor
intern financieel beheer en controle. Sectoren die het
meest gevoelig zijn voor corruptie op lokaal niveau, zijn onder meer de bouw
bij stadsontwikkelingsprojecten en afvalbeheer. Uit corruptiezaken op hoog
niveau waarbij in sommige lidstaten regionale en lokale ambtenaren betrokken
waren, is gebleken dat sommige herbestemmingsbesluiten[40] soms onder druk van lokale
projectontwikkelaars werden genomen met het oog op toekomstige projectontwikkelingsovereenkomsten. In sommige
lidstaten hebben lokale besturen hun eigen actieplannen voor integriteit of
corruptiebestrijding ontwikkeld of werd hun gevraagd deze te ontwikkelen.
Terwijl sommige van die plannen formalistisch zijn of ongelijk worden
toegepast, en het daadwerkelijke effect ervan moeilijk te meten is, hebben
andere de weg bereid met in de praktijk getoetste modellen. In sommige
lidstaten zijn de aanbestedende diensten verplicht hun eigen
integriteitsplannen te ontwikkelen en de corruptierisico's te onderzoeken. In enkele gevallen hebben initiatieven
uit het maatschappelijke middenveld een gunstig effect gehad op de
verantwoordingsplicht van lokale overheden met betrekking tot de transparantie
van openbare uitgaven. Het
Initiatief Open Lokaal Bestuur — Slowakije In het kader van een externe controle van
de openbare uitgaven worden in het initiatief Open Lokaal Bestuur van Slowakije
100 Slowaakse steden gerangschikt aan de hand van een aantal criteria:
transparantie bij overheidsopdrachten, toegang tot informatie, beschikbaarheid
van gegevens van algemeen belang, inspraak van het publiek, beroepsethiek en
belangenconflicten. Het project wordt beheerd door Transparency International.
Meer details kunnen worden gevonden in het landenhoofdstuk over Slowakije. Richtsnoeren voor de preventie van corruptie bij
overheidsopdrachten op lokaal niveau — Duitsland De Duitse vereniging van
steden en gemeenten heeft samen met de federale vereniging van kleine en
middelgrote bouwaannemers een brochure over de preventie van corruptie bij
overheidsopdrachten uitgebracht waarin een overzicht wordt gegeven van de
preventieve maatregelen tegen corruptie bij overheidsopdrachten op het niveau
van steden en gemeenten.[41]
Het gaat onder meer over: bewustmaking en gedragscodes; roulatie van personeel;
strikte naleving van de regels inzake dubbele controle; duidelijke regelgeving
inzake sponsoring en het verbod op het aanvaarden van geschenken; oprichting
van gecentraliseerde autoriteiten voor inschrijving/gunning; nauwkeurige
beschrijving van de inschrijving en controle van ramingen; organisatie van
inschrijvingsprocedures, met inbegrip van het geheime karakter van de
inschrijvingen en preventie van late manipulatie van inschrijvingen; toename
van het gebruik van elektronische aanbestedingen; het documenteren van
toewijzingen en zorgvuldige controle door toezichthoudende instanties;
uitsluiting van ondernemingen die schuldig zijn bevonden aan corruptie en
vaststelling van zwarte lijsten/corruptieregisters. Belangenconflicten
en vermogensaangifte Belangenconflicten
in de lidstaten vallen onder de algemene wetgeving inzake de preventie van
corruptie of onder specifieke bepalingen inzake overheidsopdrachten. Derhalve
hangt de doeltreffendheid van de preventie en de opsporing van
belangenconflicten bij overheidsopdrachten af van de doeltreffendheid van de
algemene controlemechanismen op dit gebied. Met name procedures voor
overheidsopdrachten op lokaal niveau zijn bijzonder kwetsbaar voor
belangenconflicten. Via hun instanties voor corruptiebestrijding of integriteit
hebben sommige lidstaten gerichte controles uitgevoerd inzake
belangenconflicten in bepaalde gebieden die als bijzonder kwetsbaar worden
beschouwd. Dit heeft geleid tot een toename van het aantal vastgestelde
gevallen van belangenconflicten en overheidsopdrachten die werden gegund in
eigen voordeel ten koste van het algemeen belang. Wanneer
er regels inzake vermogensaangifte van toepassing zijn op ambtenaren, is dat
bijna altijd ook het geval voor ambtenaren die zich met overheidsopdrachten
bezighouden. Zie
voor nadere informatie het punt over de "belangrijkste conclusies",
alsmede de punten over belangenconflicten en vermogensaangifte. Risicobeheersbeleid
inzake corruptie[42] Verscheidene
lidstaten hebben recentelijk hun overheidsopdrachten hervormd of zijn daarmee
bezig met het oog op meer transparantie en verdere ondersteuning van eerlijke
mededinging. Sommige lidstaten beschikken over een nationale
corruptiebestrijdingsstrategie, waaronder ook de preventie en bestrijding van
corruptie bij overheidsopdrachten valt. Niettemin hebben in sommige lidstaten
frequente wetswijzigingen geleid tot rechtsonzekerheid en tekortkomingen in het
tenuitvoerleggingsproces en in de desbetreffende controlemechanismen. De complexiteit
van de wetgeving wordt in sommige lidstaten ook beschouwd als een belemmering
voor een soepele uitvoering. Slechts
in enkele lidstaten wordt de aanbestedende diensten verzocht
integriteitsplannen vast te stellen en de corruptierisico's te beoordelen. In
de meeste gevallen worden dergelijke risicobeoordelingen uitgevoerd met de
steun van rechtshandhavings- of corruptiebestrijdingsinstanties. In een paar
lidstaten werden enige tijd "red flag"-systemen[43] toegepast, waardoor de bewustwording zowel
op centraal als op lokaal niveau werd vergroot. Enkele lidstaten hebben ook
specifieke instrumenten voor risicobeheer ontwikkeld, toegesneden op specifieke
problemen die zij op nationaal of regionaal niveau ondervonden. Instrumenten voor risicobeheer en
platforms voor overheidsopdrachten in Italië Verscheidene netwerken en verenigingen
van regionale en lokale besturen passen actief maatregelen toe om infiltratie
door de maffia in openbare structuren te voorkomen en de transparantie van
overheidsopdrachten op regionaal niveau te bevorderen (bv. Avviso Pubblico,
ITACA[44]). De overheid heeft
verscheidene andere maatregelen genomen om criminele infiltratie in
overheidsopdrachten te voorkomen (bv. het CAPACI-project – Creation of
Automated Procedures Against Criminal Infiltration in public contracts – en de
richtsnoeren van het comité voor coördinatie van het speciaal toezicht op grote
openbare werken wat betreft maffiabestrijdingscontroles op grote
infrastructuurprojecten). Meer details zijn beschikbaar in het landenhoofdstuk
over Italië. De
gegevens over corruptiezaken of vastgestelde belangenconflicten bij
overheidsopdrachten op nationaal en/of regionaal/lokaal niveau worden zelden
gecentraliseerd of in een nationaal register bijgehouden. Het centraal
verzamelen van die gegevens wordt door de lidstaten voornamelijk gezien als een
onnodige administratieve last. Dergelijke gegevens zouden echter kunnen worden
gebruikt bij de ontwikkeling van gedegen risicobeoordelingen en zouden ook een
aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan de uniforme tenuitvoerlegging van het
corruptiebestrijdingsbeleid op nationaal en regionaal/lokaal niveau. Regelmatig
en gestructureerd marktonderzoek is niet gebruikelijk vóór het gunnen van
overheidsopdrachten, tenzij bij complexe aanbestedingen en aanbestedingen met
een hoge waarde. Databanken van eenheidskosten worden slechts in een paar
lidstaten ontwikkeld op centraal of regionaal niveau, of voor een specifieke
sector. Dergelijke gegevensbanken kunnen helpen bij het maken van vergelijkende
analyses tussen vergelijkbare soorten projecten (bv. leveringen of werken) en
de resultaten ervan. Zij kunnen helpen bij het identificeren van risico’s of
vermoedens van corrupt gedrag wanneer er een ernstige wanverhouding bestaat,
ondanks de beperkingen van een dergelijke aanpak, gezien de complexiteit van de
producten en de uiteenlopende inputs die uiteindelijk tot een prestatie leiden.[45] Transparantie Ten
dele als gevolg van het proces van omzetting en tenuitvoerlegging van de
richtlijnen inzake overheidsopdrachten is de transparantie van procedures voor
overheidsopdrachten in het merendeel van de lidstaten aanzienlijk verbeterd.
Sommige lidstaten hebben uitgebreide maatregelen getroffen om te zorgen voor
een realtime publicatie van de jaarrekeningen en balansen van overheden in een
gebruikersvriendelijk formaat, met inbegrip van nadere details over de kosten
van openbare werken en diensten. Tracering van overheidsgeld — online
toepassing van de Sloveense commissie voor de preventie van corruptie De online toepassing
"Supervizor" biedt informatie over handelstransacties van de
wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, autonome overheidsinstellingen,
lokale gemeenschappen en hun instellingen met rechtspersoonlijkheid etc. In de
toepassing worden de contractpartijen, de grootste begunstigden, de
rechtspersonen die daarmee banden hebben, de gegevens, de bedragen en het doel
van de transacties vermeld. Zij biedt een overzicht van de gemiddeld
4,7 miljard euro die de overheidssector jaarlijks uitgeeft aan goederen en
diensten. De toepassing biedt ook toegang tot nadere gegevens over de raden van
bestuur en de raden van toezicht van alle overheidsbedrijven en door de staat
gecontroleerde ondernemingen en hun jaarverslagen. Dit transparantiesysteem
vergemakkelijkt de opsporing van onregelmatigheden in overheidsopdrachten en
-uitgaven. Nationale webportaal om informatie
over overheidsopdrachten te centraliseren — BASE — Portugal Sinds
2008, na de inwerkingtreding van het wetboek overheidsopdrachten, heeft
Portugal een nationale webportaal, BASE, opgericht (www.base.gov.pt), waarop informatie over
overheidsopdrachten wordt gecentraliseerd. Het instituut voor bouw en onroerend
goed (InCI) is verantwoordelijk voor het beheer van het portaal. BASE ontvangt
gegevens van de elektronische editie van het Portugese staatsblad en van de
gecertificeerde elektronische platforms betreffende openbare en niet-openbare
procedures vóór de gunning. Alle openbare aanbestedende diensten maken gebruik
van het voorbehouden gedeelte van het portaal om opdrachtgegevens op te slaan,
de opdrachten zelf te uploaden en gegevens over de uitvoering van de opdracht
op te slaan. Van 2008 tot en met 2011 publiceerde BASE alleen opdrachten
betreffende onderhandse gunningen. Sinds januari 2012 moet BASE alle opdrachten
publiceren die voortvloeien uit alle soorten procedures die aan het wetboek
overheidsopdrachten zijn onderworpen. Het publiceert ook informatie over de
uitvoering van de opdracht. De publicatie van opdrachten zowel op BASE als in
het staatsblad is nu verplicht voor directe aanpassingen, prijsstijgingen van
15 % voor reeds gegunde opdrachten en eventuele boetes. Elektronische
databank voor overheidsopdrachten — Kroatië In maart
2013 werden door een lokale ngo een portaalsite en een elektronische databank
voor overheidsopdrachten opgericht als gevolg van een door de EU gefinancierd
project. In de databank wordt informatie geconsolideerd in verband met de
uitvoering van procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten en
ondernemingen die bij die procedures betrokken zijn, en zij is gratis voor het
publiek toegankelijk. De elektronische databank bevat ook informatie over het
vermogen en de belangen van ambtenaren, overeenkomstig de regels inzake
vermogensaangifte. Met deze geaggregeerde gegevens kunnen vergelijkende
controles worden uitgevoerd. In
een paar lidstaten is de toegang tot documenten en informatie betreffende
overheidsopdrachten beperkt door al te ruime uitzonderingen en een ruime
definitie van vertrouwelijkheid ten aanzien van documenten over
overheidsopdrachten. In
een aantal andere lidstaten vallen aanbestedingen van staatsbedrijven niet
onder dezelfde transparantie-, concurrentie- of toezichtsnormen als bij gewone
procedures voor overheidsopdrachten het geval is. In sommige lidstaten was er
sprake van gevallen waarin staatsbedrijven niet op concurrentie gebaseerde
koopovereenkomsten boven de marktprijs afsloten met bevoorrechte partners. De
publicatie van gegunde opdrachten is in de EU nog geen wijdverbreide praktijk.
In sommige lidstaten worden opdrachten volledig gepubliceerd en in één lidstaat
is publicatie zelfs een noodzakelijke voorwaarde voor de geldigheid van de
opdracht (op straffe van nietigheid moet de opdracht namelijk binnen drie maanden
na de ondertekening ervan worden gepubliceerd). Integriteitspacten en rol van het maatschappelijk
middenveld Een
integriteitspact is een overeenkomst tussen de aanbestedende dienst voor een
specifiek project en de inschrijvers, waarin de partijen zich ertoe verbinden
zich van corrupte praktijken te onthouden. Dergelijke overeenkomsten bevatten
ook bepalingen in verband met toezicht, transparantie en sancties. Om te
waarborgen dat zij daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, houden groeperingen
uit het maatschappelijk middenveld dikwijls toezicht op integriteitspacten. In
sommige lidstaten die een verregaand transparantiebeleid toepassen, is het
maatschappelijk middenveld zeer actief geworden in de complexe monitoring van
aanbestedingsprocedures en overheidsopdrachten. In sommige lidstaten wordt er,
vaak op initiatief van ngo's, voor integriteitspacten gekozen bij bepaalde
overheidsopdrachten, in het bijzonder wanneer het om grote opdrachten gaat
(bijvoorbeeld grootschalige infrastructuurprojecten). Gebruik van elektronische aanbestedingen Elektronisch
aanbesteden verbetert niet alleen de doeltreffendheid van procedures voor het
plaatsen van overheidsopdrachten, maar biedt ook aanvullende waarborgen op het
gebied van preventie en opsporing van corrupte praktijken omdat het bijdraagt
tot een grotere transparantie, een betere implementatie van gestandaardiseerde
procedures mogelijk maakt, en de controlemechanismen vergemakkelijkt. De
huidige richtlijnen inzake overheidsopdrachten bevatten de verplichting voor de
lidstaten om elektronisch aanbesteden in te voeren, onder meer via de
elektronische bekendmaking van aankondigingen van opdrachten, elektronische
communicatie (met inbegrip van de indiening van inschrijvingen) en nieuwe,
volledig elektronische aanbestedingen zoals dynamische aankoopsystemen en
elektronische veilingen. De richtlijnen, die in 2004 werden goedgekeurd, gingen
vergezeld van een actieplan.[46] In 2012 werd nagegaan in hoeverre de voorschriften
inzake overheidsopdrachten waren uitgevoerd. Daarbij bleek dat er op het gebied
van het gebruik van elektronische aanbestedingen enige vooruitgang was geboekt,
maar dat zij in het algemeen nog steeds slechts bij 5 % tot 10 %
van alle in de EU gevoerde aanbestedingsprocedures werden gebruikt. Enkele
lidstaten hebben echter aanzienlijke vooruitgang geboekt op weg naar volledige
tenuitvoerlegging van elektronisch aanbesteden in de fases vóór de gunning. Dat
geldt met name voor lidstaten waar elektronische aanbestedingen bij nationale
wetgeving werden verplicht en naar verwachting geleidelijk zullen worden
geïmplementeerd. Het wetgevingspakket van de Commissie inzake
overheidsopdrachten voorziet in een geleidelijke overgang naar volledige
elektronische communicatie. Goede praktijken op het gebied van de
invoering van elektronische aanbestedingen Litouwen heeft aanzienlijke vooruitgang
geboekt inzake het verschaffen van online toegang tot gecombineerde gegevens
betreffende overheidsopdrachten. Er worden meer gegevens gepubliceerd dan op
grond van het EU-recht is vereist, waaronder ontwerpen van technische
specificaties, gegunde en uitgevoerde overheidsopdrachten. Leveranciers moeten
in hun inschrijvingen ook de onderaannemers vermelden. Sinds 2009 moet ten
minste 50 % van de totale waarde van hun inschrijvingen op overheidsopdrachten
elektronisch gebeuren. Bijgevolg is het aandeel van elektronische
aanbestedingen gestegen van 7,7 % tot 63 % in 2010, hetgeen het doel
van 70 % tegen 2013 benadert. Estland heeft een portaal voor
elektronische aanbestedingen en verwante elektronische diensten opgezet (bv.
het portaal voor registratie en beheer van ondernemingen en centralisatie van
de overheidsboekhouding). Het staatsregister voor overheidsopdrachten is een
portaal voor elektronische aanbestedingen waarop sinds 2003 alle aankondigingen
van overheidsopdrachten worden gepubliceerd. De wet inzake overheidsopdrachten
voorziet in verdere ontwikkelingen, zoals elektronische veilingen, een systeem
voor elektronische aankoop en een elektronische catalogus, en vereist dat vanaf
2013 50 % van alle overheidsopdrachten via elektronische aanbestedingen
wordt geplaatst. In 2012 verliep ongeveer 15 % van de openbare
aanbestedingen via elektronische weg, een verdrievoudiging tegenover 2011. In juni 2003 werd het Portugese
programma voor elektronische aanbestedingen gestart als een gecentraliseerd en
hoogwaardig platform dat de efficiëntie en de concurrentie bevordert door
middel van een grotere transparantie en besparingen in de openbare
aanbestedingsprocedure. Het portaal – http://www.ancp.gov.pt/EN/Pages/Home.aspx
– biedt de mogelijkheid om kosteloos alle documenten en specificaties
betreffende inschrijvingen te downloaden. Via dat portaal worden aanbestedingen
verspreid, vragen van leveranciers ontvangen en alle aspecten van online
informatie-uitwisseling beheerd. Een instrument voor het beheer van opdrachten
zorgt ervoor dat overheidsopdrachten kunnen worden geüpload en gegunde
opdrachten kunnen worden gemonitord, en maakt elektronische facturering
mogelijk. Het systeem voor informatiebeheer helpt ook statistieken over
aanbestedingsprocedures te verzamelen, op te slaan en te systematiseren. Meer details over deze praktijken zijn te
vinden in de respectieve landenhoofdstukken. Controlemechanismen Volgens
de geldende EU-wetgeving is de instelling van een centraal orgaan voor
overheidsopdrachten facultatief. Toch hebben de meeste lidstaten deze optie
omgezet in hun nationale wetgeving. Zoals opgemerkt in de evaluatie van de
tenuitvoerlegging van de voorschriften inzake overheidsopdrachten van 2012
wijzen de meeste lidstaten specifieke instanties aan die veel of alle taken in
verband met overheidsopdrachten uitvoeren, met enkele uitzonderingen wanneer de
bevoegde instellingen niet specifiek zijn aangewezen om overheidsopdrachten te
behandelen, maar dat slechts één van hun taken is (bv.
mededingingsautoriteiten). In sommige van de lidstaten waar een centraal orgaan
bestaat, is de capaciteit ervan echter beperkt door een gebrek aan personeel en
opleiding om de steeds toenemende taken uit te voeren. De
rechtsmiddelenrichtlijnen laten het aan de lidstaten om te beslissen of toetsingen
door administratieve of gerechtelijke instanties gebeuren. De helft van de
lidstaten kiest voor de eerste mogelijkheid, de andere helft voor de tweede. In
een aantal lidstaten zijn er onvoldoende garanties dat dergelijke
toetsingsinstanties gevrijwaard blijven van politieke inmenging, inclusief wat
de aanstelling van leidinggevenden en personeel betreft. In
de afgelopen jaren is de professionalisering van overheidsopdrachten toegenomen,
in de vorm van bundeling van de vraag en centralisering middels
raamovereenkomsten (goed voor 17 % van de
totale waarde van de opdrachten boven de drempelwaarden die zijn gegund in de
periode 2006-2010[47]) en
gemeenschappelijke inkoop (12 % van de totale
waarde). Overheidsdiensten, zowel op centraal als op lokaal niveau, maken
steeds meer gebruik van gespecialiseerde instanties, zoals centrale organen
voor overheidsopdrachten, terwijl het toenemend gebruik van raamovereenkomsten
de aard van het aanbestedingsproces wijzigt. Thans lopen de praktijken in de
lidstaten sterk uiteen. Wat
bewustmaking en opleiding op het gebied van corruptiebestrijdingsbeleid betreft,
is er de laatste jaren in de meeste lidstaten sprake van verbetering, maar de
ambtenaren die zich met overheidsopdrachten bezighouden, zien voor zichzelf een
vrij beperkte rol weggelegd in het opsporen van corrupte praktijken. Voorts
zijn er grote verschillen tussen de lidstaten wat betreft de doeltreffendheid
van de samenwerking tussen aanbestedings-, rechtshandhavings-, en
corruptiebestrijdingsinstanties. In veel gevallen is de samenwerking
formalistisch en statistieken wijzen op een gering aantal kennisgevingen over
vermoedens van corruptie en belangenconflicten door aanbestedingsinstanties aan
rechtshandhavings- of integriteitsinstanties. In
sommige lidstaten waar controlemechanismen, met name op lokaal niveau,
vrij zwak of gefragmenteerd zijn, lijken er veel
gevallen te zijn van favoritisme bij het toewijzen van overheidsmiddelen
door nationale, lokale en regionale instanties die bij overheidsopdrachten
betrokken zijn. Terwijl
de efficiëntie van de controlemechanismen in de fase vóór de
inschrijving, de inschrijvingsfase en de gunningsfase in de lidstaten is
verbeterd, wordt de fase van de uitvoering (na de gunning) minder nauwgezet
gecontroleerd. Sommige nationale rekenkamers of auditinstanties hebben er
herhaaldelijk op gewezen dat onregelmatigheden plaatsvinden in de uitvoeringsfase.
In veel lidstaten zijn de rekenkamers belangrijke spelers geworden in het
identificeren van hiaten en tekortkomingen in procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten. Hun aanbevelingen op dit gebied werden vaak niet voldoende
gevolgd. Zeer
zelden wordt in procedures voor overheidsopdrachten nagegaan wie de
aandeelhouders zijn van inschrijvers en subcontractanten. In ten minste één
lidstaat staat de wetgeving toe dat overheidsopdrachten worden gegund aan
ondernemingen met anonieme aandeelhouders, terwijl tegelijk niet voldoende
sterke waarborgen worden geboden tegen belangenconflicten. De
coördinatie van toezicht, gedeeltelijke overlapping, verdeling van taken of
gefragmenteerde controlemechanismen op centraal en lokaal niveau, inclusief in de
uitvoeringsfase, blijven voor problemen zorgen in een aantal lidstaten. In
de meeste lidstaten zijn de controlemechanismen voor overheidsopdrachten onder
de drempelwaarden van de EU-wetgeving bijzonder zwak. Dat stemt met name tot
bezorgdheid in verband met de gemelde praktijken waarbij opdrachten in kleinere
deelopdrachten worden opgesplitst om de EU-voorschriften en -controles inzake
aanbestedingen te omzeilen. Uitsluiting Overeenkomstig
de EU-wetgeving beschikken alle lidstaten over regels inzake verplichte
uitsluiting volgens welke inschrijvers die bij rechterlijke beslissing
definitief voor corruptie zijn veroordeeld, van de aanbesteding worden
uitgesloten. De nationale wetgeving van heel wat lidstaten bevat bepalingen
inzake "zelfreiniging".[48] De lidstaten
zijn niet verplicht uitsluitingslijsten te publiceren,[49] en in het algemeen doen zij dat ook niet.
In veel lidstaten beschikken aanbestedende diensten over wederzijdse toegang
tot hun interne uitsluitingsdatabanken. Internationale uitsluitingslijsten
worden in de regel niet beschouwd als een grond voor uitsluiting in de
EU-lidstaten. Sancties In
de meeste lidstaten valt corruptie bij overheidsopdrachten onder strafbare
feiten als omkoping en ongeoorloofde beïnvloeding. In sommige lidstaten worden
specifieke corruptiegerelateerde inbreuken die van invloed zijn op de
uitvoering van overheidsopdrachten, afzonderlijk strafbaar gesteld. In de regel
worden aanbestedingsprocedures geschorst, onderbroken of ingetrokken wanneer
corrupt gedrag of een belangenconflict wordt ontdekt. De situatie is echter
anders voor gegunde opdrachten waarbij corrupt gedrag of een belangenconflict
wordt ontdekt of plaatsvindt na de gunning van de opdracht. In veel gevallen
is, afgezien van de bestraffing van het corrupte gedrag of de
belangenconflicten als zodanig, een afzonderlijke burgerlijke vordering vereist
om de overheidsopdracht ongeldig te verklaren. Dat brengt vaak langdurige
procedures mee alsook het risico dat dat in een te laat stadium effect heeft,
wanneer het moeilijk of zelfs onmogelijk is om een vergoeding te krijgen voor
de geleden schade. In sommige lidstaten bevatten overheidsopdrachten een
anticorruptieclausule die een doeltreffender follow-up garandeert ingeval
corruptie tijdens de looptijd van de opdracht wordt bewezen (bv. duidelijke
procedures om een opdracht nietig te laten verklaren of om andere contractuele
boetes toe te passen). In
sommige lidstaten waar corruptie bij overheidsopdrachten bijzonder zorgwekkend
is, zijn de resultaten van vervolging en rechterlijke eindbeslissingen zwak, en
worden weinig zaken van corruptie bij overheidsopdrachten afgesloten met
afschrikkende sancties. Deze zaken vergen doorgaans veel tijd en vaak zijn
opdrachten of projecten al uitgevoerd op het moment dat corrupte praktijken
worden ontdekt. Zaken van corruptie bij overheidsopdrachten zijn vaak complex
en soms kunnen er hoge ambtenaren bij betrokken zijn. Daarom is er behoefte aan
specifieke technische kennis om effectieve en eerlijke gerechtelijke procedures
te kunnen waarborgen. In sommige lidstaten schiet de opleiding van openbare
aanklagers en/of rechters op het gebied van overheidsopdrachten nog tekort. C. Conclusies
en aanbevelingen inzake overheidsopdrachten Uit
de bovengenoemde bevindingen blijkt dat de lidstaten vooruitgang hebben geboekt
in de uitvoering van corruptiebestrijdingsbeleid voor overheidsopdrachten, maar
ook dat dit een risicofactor blijft. Verdere inspanningen zijn nodig om de
integriteitsnormen te versterken. Bij de hervorming van de richtlijnen inzake
overheidsopdrachten en nutsvoorzieningen en de voorgestelde richtlijn inzake de
gunning van concessies vormen normen inzake corruptiebestrijding en goed
bestuur een belangrijk onderdeel van de algemene moderniseringsdynamiek. De in
deze richtlijnen voorgestelde minimumnormen inzake belangenconflicten,
voorafgaande marktraadplegingen, verplichte en vrijwillige
uitsluitingscriteria, regels over zelfreiniging, strengere bepalingen inzake
wijziging of opzegging van de opdrachten, centralisatie van gegevens over gevallen
van corruptie en belangenconflicten, alsook de verplichtingen inzake toezicht
en rapportering, beantwoorden grotendeels aan de hierboven geschetste
resterende problemen. Welke
verdere maatregelen kunnen de lidstaten nog nemen? De 17 landenhoofdstukken
waarin problemen inzake overheidsopdrachten worden belicht, en de analyse in
dit onderdeel leiden alvast tot de volgende algemene aanbevelingen: 1. Noodzaak
om overheidsopdrachten systematisch te beoordelen op corruptiegevoeligheid ·
Ontwikkelen
van risicobeoordelingen op het niveau van het toezicht op de
overheidsopdrachten, ongeacht hun institutionele kader, met de steun van
rechtshandhavings- of corruptiebestrijdings-/integriteitsinstanties. ·
Centraliseren
van gegevens over vastgestelde corruptiepraktijken en -patronen, onder meer
over belangenconflicten en draaideurpraktijken. Risicobeoordelingen op deze
gecentraliseerde gegevens baseren. ·
Op
basis van risicobeoordelingen maatregelen ontwikkelen die zijn toegesneden op
bijzonder kwetsbare sectoren en op de meest voorkomende soorten
onregelmatigheden die zich tijdens of na de aanbestedingscyclus voordoen. ·
Uitvoeren
van gericht corruptiebestrijdingsbeleid voor regionale en lokale overheden.
Risicobeoordelingen kunnen ook helpen bij het zoeken naar de bijzondere kwetsbaarheden
van bestuursniveaus. ·
Gemeenschappelijke
richtsnoeren voor het gebruik van "red-flag"-indicatorsystemen
ontwikkelen en verspreiden. Aanbestedende diensten en toezichthoudende
instanties helpen bij de opsporing van corrupt gedrag, favoritisme en
belangenconflicten. 2. Gebruik
van strenge transparantienormen voor de gehele aanbestedingscyclus en tijdens
de uitvoering van de opdracht ·
Zorgen
voor gemeenschappelijke minimumnormen voor transparantie bij de regionale en
lokale overheden met betrekking tot procedures voor overheidsopdrachten en de
uitvoeringsfase van overheidsopdrachten. ·
Nagaan
of gegunde overheidsopdrachten op een bepaalde manier kunnen worden
gepubliceerd of toegankelijk gemaakt, met inbegrip van de bepalingen over
rechten en plichten en boetebedingen, maar met uitzondering van welbepaalde,
beperkte en gerechtvaardigde uitzonderingen in verband met de vertrouwelijkheid
van bepaalde contractuele bepalingen. ·
Zorgen
voor meer transparantie in procedures voor overheidsopdrachten, in de fase vóór
en na de gunning, via online publicatie door alle administratieve structuren
(op centraal, regionaal en lokaal niveau) van de jaarrekeningen, de balansen en
de uitgesplitste kosten van openbare werken, leveringen en diensten. Zorgen
voor meer transparantie in de aanbestedingen van staatsbedrijven, alsmede in
het kader van publiek-private partnerschappen. 3.
Versterking van interne en externe
controlemechanismen voor de gehele aanbestedingscyclus en tijdens de uitvoering
van de opdracht ·
Zorgen
voor voldoende capaciteit van toetsingsinstanties op het gebied van
overheidsopdrachten, raadgevende en toezichthoudende instanties, alsook
rekenkamers, naar gelang van het geval, om hun controletaken uit te voeren. ·
Versterken
van interne controlemechanismen met het oog op de preventie en opsporing van
corruptiepraktijken en belangenconflicten. Zorgen voor solide en uniforme
methodologieën voor controles inzake corruptiebestrijding en belangenconflicten
tijdens de aanbestedingscyclus. Dergelijke methodologieën moeten rekening
houden met de prioritering van de meest kwetsbare aanbestedingsprocedures of
bestuurlijke niveaus en onaangekondigde ad-hoccontroles door onafhankelijke
toezichthoudende instanties. ·
Versterken
van de controlemechanismen en -instrumenten voor de fase na de gunning en de
uitvoeringsfase van overheidsopdrachten. ·
Zorgen
voor een passende follow-up van de aanbevelingen van de rekenkamers die
onregelmatigheden vaststellen bij overheidsopdrachten. ·
Controles
uitvoeren op de aandeelhoudersstructuur van inschrijvers en onderaannemers. ·
Zorgen
voor passende controlemechanismen voor aanbestedingen van staatsbedrijven,
alsmede in het kader van publiek-private partnerschappen. 4. Zorgen
voor een samenhangend overzicht en bewustmaking over de noodzaak van en knowhow
over de preventie en opsporing van corruptiepraktijken op alle niveaus bij
overheidsopdrachten ·
Zorgen
voor een doeltreffende coördinatie tussen de autoriteiten die belast zijn met
het toezicht op overheidsopdrachten. ·
Ontwikkelen
en onder de aandacht brengen van gedetailleerde richtsnoeren inzake preventie
en opsporing van corruptiepraktijken en belangenconflicten bij
overheidsopdrachten, met name op regionaal en lokaal niveau. ·
Voorzien
in opleiding die is toegesneden op openbare aanklagers en rechters op het gebied
van technische en juridische aspecten van de procedures voor het plaatsen van
overheidsopdrachten. 5. Versterking
van sanctieregelingen ·
Ervoor
zorgen dat afschrikkende sancties worden toegepast op corruptie, favoritisme en
belangenconflicten bij overheidsopdrachten. ·
Zorgen
voor doeltreffende follow-upmechanismen voor intrekkingsbesluiten en/of tijdige
nietigverklaring van overheidsopdrachten wanneer er bij de procedure sprake is
van corruptie. BIJLAGE Methodologie Reikwijdte van het verslag Zoals is opgemerkt
in de inleiding van dit verslag wordt corruptie, in overeenstemming met
internationale rechtsinstrumenten, gedefinieerd als elk "misbruik van
macht in eigen voordeel". Hoewel de precieze betekenis en reikwijdte van
dat begrip het voorwerp zijn van een academisch debat, impliceert dit dat het
verslag twee aspecten beschouwt. Om te
beginnen wordt gekeken naar specifieke gevallen van corruptie en de
specifieke maatregelen die lidstaten nemen om bij wet omschreven corruptie te
voorkomen of te bestraffen. Daarnaast wordt aandacht besteed aan bepaalde
soorten gedrag en maatregelen die een invloed hebben op het risico van corruptie en op de capaciteit van een staat om daarop
toezicht te houden. Bijgevolg heeft het verslag betrekking op een breed
scala van kwesties die met corruptie verband houden, waaronder, naast omkoping,
ook ongeoorloofde beïnvloeding, ambtsmisbruik, aspecten in verband met
vriendjespolitiek, favoritisme, illegaal lobbyen en belangenconflicten. Het
eerste Corruptiebestrijdingsverslag van de EU heeft als doel dieper in te gaan
op een beperkt aantal belangrijke problemen die met corruptie verband houden.
Ruimere aspecten worden vermeld met het oog op de contextuele samenhang. Constitutionele
regelingen (mate van decentralisatie van bevoegdheden, positie van de
rechterlijke macht en de openbare aanklagers tegenover de uitvoerende macht),
de organisatie en de kwaliteit van de overheidsdiensten, de actieve rol van de
staat in de economie en privatisering zijn relevant vanuit het oogpunt van corruptie.
Het verslag houdt geen algemeen waardeoordeel in over constitutionele
regelingen, of over de wijze waarop de grens wordt getrokken tussen openbare en
particuliere eigendom. Het is derhalve neutraal ten aanzien van
decentralisatie, maar gaat wel na of er adequate controlemechanismen bestaan
voor het beheer van corruptierisico's. Hetzelfde geldt voor privatisering: de
overdracht van staatseigendom in private handen brengt bepaalde
corruptierisico's met zich, maar kan de langetermijnrisico's van corruptie,
vriendjespolitiek en cliëntelisme verminderen. In het verslag wordt uitsluitend
nagegaan of transparante, op concurrentie gebaseerde procedures worden
toegepast om het risico van corruptie te beperken. Ten slotte zijn er
verschillende juridische en grondwettelijke regelingen betreffende de relatie
tussen de openbare aanklagers en de uitvoerende macht. Het verslag is neutraal
ten aanzien van de verschillende modellen, omdat het alleen nagaat of de
openbare aanklagers in staat zijn corruptiezaken op een efficiënte manier te
vervolgen. Informatiebronnen De Commissie wilde geen bestaande rapportagemechanismen dupliceren
of extra administratieve lasten voor de lidstaten creëren, aangezien zij al het
voorwerp vormen van verschillende door deskundigen uitgevoerde evaluaties die
veel middelen vergen (de Greco, de OESO, het UNCAC, de FATF, de Moneyval).
Daarom is het verslag niet gebaseerd op gedetailleerde vragenlijsten of
landenbezoeken van deskundigen. Het is gebaseerd op de overvloedige informatie
die afkomstig is van bestaande toezichtmechanismen, en op gegevens uit andere
bronnen, zoals nationale overheden, door academische instellingen uitgevoerd
onderzoek, onafhankelijke deskundigen, denktanks, organisaties van het
maatschappelijk middenveld etc. Voorts maakt het verslag gebruik van corruptiegerelateerde
informatie betreffende een breed scala van beleidsterreinen (bv.
overheidsopdrachten, regionaal beleid), die afkomstig is van verschillende
diensten van de Commissie en van de relevante EU-agentschappen (Europol en
Eurojust). Er werden specifieke studies en enquêtes besteld om de kennisbasis
op gebieden die relevant zijn voor het verslag, verder uit te breiden. Een
uitgebreide studie over corruptie bij overheidsopdrachten waar EU-middelen mee
gemoeid zijn, werd op initiatief van het Europees Parlement gestart en door
OLAF besteld. De bevindingen ervan waren nuttig voor zowel het thematische
hoofdstuk als de nationale hoofdstukken. Een andere studie had betrekking op corruptie
in de gezondheidszorg. In 2013 werden twee Eurobarometerenquêtes gehouden: de
eerste was gericht tot het publiek, de tweede werd gehouden bij een
representatieve steekproef van ondernemingen in elke lidstaat. Uit de door het
Gothenburg Quality of Government Institute uitgevoerde Study on Quality of
Government (studie over de kwaliteit van het bestuur) werden gegevens gehaald
over corruptie op regionaal niveau. Ten slotte heeft de Commissie informatie
gebruikt die afkomstig is van door de EU medegefinancierde onderzoeksprojecten,
zoals de door Transparency International opgestelde verslagen over de nationale
integriteitssystemen. Het
Corruptiebestrijdingsverslag van de EU bouwt ook voort op het samenwerkings- en
toetsingsmechanisme (CVM), een follow-upmechanisme na toetreding voor Roemenië en
Bulgarije dat door de Europese Commissie wordt beheerd. Hoewel deze twee
mechanismen verschillende doelen dienen, bouwt het onderhavige verslag voort op
de uitgebreide kennis en ervaring die is opgedaan met het samenwerkings- en
toetsingsmechanisme en verwijst het daarnaar in de twee betrokken
landenhoofdstukken. Na afsluiting van het mechanisme voor samenwerking en
toetsing zullen de kwesties die in de context van corruptie relevant zijn, in
dit verslag verder worden gevolgd. Over
Kroatië werd uitgebreide informatie verzameld in het kader van het
pretoetredingsproces en de bijbehorende monitoring. Meer in het algemeen heeft
de monitoring van de strijd tegen corruptie in het kader van het
uitbreidingsproces veel nuttige ervaring opgeleverd die in deze context kon
worden toegepast, met name factoren die de duurzaamheid van een agenda voor
corruptiebestrijding beïnvloeden. Voorbereiding en ondersteunende instrumenten In
september 2011 heeft de Commissie een besluit vastgesteld tot oprichting van
een groep van deskundigen inzake corruptie ter ondersteuning van de
werkzaamheden voor het Corruptiebestrijdingsverslag van de EU. De
deskundigengroep adviseert over de algemene methodologie en over de evaluaties
die in het verslag zijn opgenomen. Er werden zeventien deskundigen geselecteerd
na een openbare oproep waarvoor bijna 100 kandidaten hun belangstelling lieten
blijken. De geselecteerde deskundigen hebben een verschillende achtergrond
(overheid, rechtshandhaving, rechterlijke macht, preventiediensten, particuliere
sector, maatschappelijk middenveld, internationale organisaties, onderzoek,
enz.). De deskundigen handelen in hun persoonlijke hoedanigheid en niet als
vertegenwoordigers van de instellingen waar zij vandaan komen. De groep heeft
haar werkzaamheden in januari 2012 gestart en kwam gemiddeld om de drie maanden
bijeen.[50] De
Commissie heeft ook een netwerk van correspondenten voor onderzoek ter
plaatse opgericht dat sinds augustus 2012 operationeel is. Het netwerk
vormt een aanvulling op het werk van de groep van deskundigen door relevante
informatie uit elke lidstaat te verzamelen en te verwerken. Het bestaat uit
corruptiedeskundigen uit onderzoeksinstellingen en organisaties van het
maatschappelijk middenveld. Om te zorgen voor een volledig onbevooroordeelde
aanpak, houden 28 externe beoordelaars toezicht op de belangrijkste
gegevens die de correspondenten aanleveren en brengen zij advies uit over de
objectiviteit van de input van de correspondenten. De
Commissie heeft twee workshops georganiseerd waaraan overheden
(corruptiebestrijdingsinstanties, openbare aanklagers en coördinerende
ministeries), onderzoekers, ngo's, journalisten en vertegenwoordigers van het
bedrijfsleven hebben deelgenomen. De eerste workshop vond op 11 december 2012
in Sofia plaats en daaraan namen belanghebbenden uit 14 lidstaten deel (AT, BG,
CY, CZ, EL, ES, FR, HR, HU, IT, PT, RO, SK en SI). De tweede workshop vond op 5
maart 2013 in Göteborg (Zweden) plaats voor belanghebbenden uit de overige 14
lidstaten (BE, DE, DK, EE, IE, LU, MT, NL, LT, LV, PL, SE, FI en UK). Deze
workshops hadden als doel te informeren over de werkzaamheden van de Commissie
in verband met het verslag en landenspecifieke voorbeelden te verzamelen van
goede en slechte praktijken op het gebied van corruptiebestrijding in de
lidstaten. De
Commissie heeft ook input ontvangen van nationale
corruptiebestrijdingsinstanties die deel uitmaken van het EPAC/EACN-netwerk
(Europese partners tegen corruptie/Europees netwerk van contactpunten ter
bestrijding van corruptie). De
Commissie heeft de autoriteiten van de lidstaten ook de gelegenheid gegeven om
ontwerpversies van de respectieve landenhoofdstukken in te kijken (zonder de
voor follow-up door de lidstaten aanbevolen problemen) en opmerkingen te maken.
Bij de voorbereiding van het verslag werd zorgvuldig rekening gehouden met deze
opmerkingen. Evaluatiemethode en gebruik van indicatoren Het verslag is
voornamelijk gebaseerd op een kwalitatieve en minder op een
kwantitatieve evaluatie. Een kwalitatieve evaluatie, zoals hierboven
aangegeven, wordt gestuurd door de evaluatie van elk land op zijn eigen
merites. De klemtoon ligt op wat werkt en wat niet werkt bij het aanpakken van
corruptie in een bepaald land. Kwantitatieve benaderingen spelen een minder
grote rol, vooral omdat moeilijk te becijferen is in welke mate corruptie een
probleem is, en zelfs nog moeilijker om de landen op resultaten te
rangschikken. De belemmering om een kwantitatieve benadering te gebruiken,
houdt verband met het feit dat de bekende enquêtes doorgaans gebruikmaken van
gegevens van anderen. Dit leidt tot een cascade-effect: samengestelde indexen
die op deze aanpak voortbouwen, hebben mogelijk betrekking op gegevens die één
of twee jaar voor de publicatie ervan zijn verzameld. Enquêtes maken bijvoorbeeld
doorgaans gebruik van de resultaten van de Eurobarometer; tegen de tijd dat de
samengestelde index wordt gepubliceerd, kan echter al een andere, meer recente
Eurobarometerenquête beschikbaar zijn. Gezien
de verborgen aard van corruptie, bieden perceptie-enquêtes in de loop der tijd
een belangrijke indicator voor de verspreidingsgraad van het probleem. Enquêtes
zijn per definitie begrensd door de beperkte reikwijdte van de beantwoorde
vragen en in hoge mate afhankelijk van de openheid van de respondenten. De
resultaten van enquêtes worden ongetwijfeld ook beïnvloed door onmiddellijke
gebeurtenissen die zich voordoen ten tijde van de interviews. Tegelijkertijd is
het mogelijk dat, wanneer een land krachtiger maatregelen neemt tegen
corruptie, die leiden tot de onthulling van meer gevallen, meer media-aandacht
en meer bekendheid bij het publiek, perceptie-enquêtes tot een negatieve
dynamiek leiden: meer mensen dan voorheen zullen vermeende corruptie op hoog
niveau melden. Antwoorden kunnen ook politiek gekleurd zijn, doordat de
populariteit van een bepaalde regering kan samenhangen met de
ondoeltreffendheid van het toegepaste beleid. Toch kan de loutere perceptie van
wijdverbreide corruptie op zichzelf worden beschouwd als een indicator van
inefficiënt beleid. Naast
perceptie-enquêtes bestaat er interessant onderzoek over het verband tussen
bepaalde economische en sociale indicatoren en corruptie. Corruptie werd
bijvoorbeeld onderzocht in het licht van een mogelijk verband met de
economische groei, de toewijzing van openbare middelen, de internetpenetratie,
de middelen voor vervolging en de handhaving van concurrentieregels. In de
praktijk bleek het echter moeilijk om in de lidstaten betrouwbare en
vergelijkbare gegevens van hoge kwaliteit te verzamelen, alsook om op
overtuigende wijze aan te tonen dat er een verband bestaat tussen deze factoren
en corruptie. Ten slotte is het moeilijk om duidelijke beleidsgerichte
conclusies te trekken uit deze verbanden. Ondanks
deze beperkingen was de Commissie vastbesloten om de balans op te maken van de
reeds bestaande indicatoren. Er werd een zo uitvoerig mogelijke inventaris
opgemaakt van deze indicatoren, zonder een inhoudelijke beoordeling van de
betrouwbaarheid/relevantie van de beschikbare gegevens. De lijst werd verkregen
door gegevens uit reeds bestaande enquêtes (beheerd door de OESO, de Wereldbank
en het World Economic Forum, Transparency International, de academische wereld
etc.), de Eurobarometer, en vele andere bronnen, samen te voegen. De inventaris
werd niet samengesteld om als basis te dienen voor een nieuwe corruptie-index,
maar om elementen aan te reiken voor een analyse ter aanvulling van de
kwalitatieve evaluatie die de kern vormt van dit verslag. Bij de opstelling van
de lijst is de Commissie zich ervan bewust geworden dat er een fundamentele
moeilijkheid kon schuilen in het feit dat er voornamelijk gesteund werd op
indicatoren en statistische gegevens om tot de kern van corruptieproblemen door
te dringen, en vooral om uitvoerbare, op maat gesneden beleidsaanbevelingen te
formuleren. Niettemin werden reeds vastgestelde indicatoren die rechtstreeks
relevant zijn voor de inspanningen op het gebied van corruptiebestrijding en
door degelijke gegevens zijn onderbouwd, verzameld om de situatie in de
lidstaten te onderzoeken en om gebieden af te bakenen voor nadere analyse in
het landenspecifieke onderzoek. Deze gegevens (1) werden gebruikt voor een
oriënterend onderzoek (dat wil zeggen een inleiding tot de hoofdstukken per
land), (2) fungeren als startpunt/aanvullend punt voor verder onderzoek naar
bijzondere punten/sectoren op nationaal of EU-niveau met het oog op de
identificatie van het probleem en de evaluatie van oplossingen; (3) en hebben
ten slotte ook bijgedragen aan het identificeren van stromen tussen verschillende
bronnen of een gebrek aan samenhang tussen die bronnen. De
interpretatie van strafrechtelijke statistieken over corruptie verdient
bijzondere aandacht. In het geval van ernstige strafbare feiten als diefstal,
roof, inbraak of geweldpleging, kan redelijkerwijs worden verwacht dat een
slachtoffer bij de politie aangifte doet van het strafbare feit. Daarom kunnen
de misdaadstatistieken iets zeggen over de omvang van het probleem. In
tegenstelling tot deze misdrijven is corruptie verborgen, en in de meeste
gevallen is er geen direct slachtoffer dat aangifte kan doen. Derhalve is het
percentage van niet-ontdekte gevallen waarschijnlijk veel hoger voor corruptie
dan voor andere strafbare feiten. Een
groot aantal bij rechtshandhavingsinstanties gemelde gevallen, die voor de
rechter worden vervolgd en tot veroordelingen leiden, kan een indicatie geven
over de omvang van het corruptieprobleem. Dit kan echter ook een positief beeld
geven: mogelijk is er sprake van minder tolerantie ten aanzien van corruptie en
daarom van een grotere bereidheid om aangifte te doen van het strafbaar feit;
de rechtshandhavingsinstanties en de rechterlijke macht beschikken over de
noodzakelijke middelen om corruptie op te sporen en te vervolgen. Ook het
tegenovergestelde is waar: een klein aantal gemelde gevallen wijst er niet
noodzakelijk op dat er weinig corruptie is; dit kan voortvloeien uit het feit
dat dat er geen wil is om corruptie het hoofd te bieden, openbare aanklagers en
rechters niet gemotiveerd zijn en/of zij niet over de noodzakelijke
instrumenten en middelen beschikken om corruptiezaken te behandelen. Voorts is
het zeer moeilijk om gegevens over strafrechtelijke procedures te vergelijken,
om de volgende twee redenen: ten eerste is er in de lidstaten geen uniforme
strafrechtelijke definitie van corruptie, wat leidt tot verschillende manieren
van registratie van corruptiegerelateerde strafbare feiten. Ten tweede kan
corruptie, gelet op de verschillen tussen de strafrechtelijke procedures,
bijvoorbeeld inzake de voorschriften over bewijsgaring, worden vervolgd als een
ander strafbaar feit (bv. fraude, witwassen van geld). De
hoeveelheid beschikbare informatie inzake corruptie, ook buiten het strafrecht,
verschilt aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. Ook dit kan op twee manieren
worden geïnterpreteerd, zoals hierboven uiteengezet. Enerzijds zou er een
verband kunnen worden gelegd tussen de omvang van het probleem en de
hoeveelheid beschikbare informatie. Anderzijds zijn er gevallen waarin
corruptie niet is geprioriteerd en er relatief weinig informatie is waarmee de
omvang ervan kan worden gemeten en kan worden nagegaan of beleidsmaatregelen
toereikend en efficiënt zijn. Dit methodologisch probleem komt bij de
moeilijkheid om zinvolle vergelijkingen tussen de lidstaten te maken. Maatregelen ter bestrijding van corruptie Het
verslag berust op de premisse dat er geen uniforme oplossing is voor het
probleem van corruptie. Het stelt geen gestandaardiseerde oplossingen voor alle
lidstaten voor: welke (wetgevende of andere) oplossingen nodig zijn om het
probleem van belangenconflicten aan te pakken, hangt bijvoorbeeld af van
verscheidene factoren, waaronder de mate waarin belangenconflicten in een land
reeds als een probleem worden beschouwd, welke culturele normen gelden en de
mate waarin erkende maatschappelijke normen in de wetgeving tot uitdrukking
moeten komen. Het verslag heeft als doel aanbevelingen te doen die bij de
context van elke lidstaat passen. Tien
jaar geleden werden alomvattende strategieën inzake corruptiebestrijding als
een universeel recept beschouwd om corruptie hoger op de politieke agenda te
plaatsen en om politieke wil en middelen bijeen te brengen. De resultaten
liepen echter uiteen. Terwijl in sommige gevallen de werkzaamheden voor de
strategieën een katalysator waren voor echte vooruitgang, hadden in een aantal
andere gevallen indrukwekkende strategieën weinig of geen invloed op de
situatie op het terrein. Daarom is het verslag terughoudend om de vaststelling
van strategieën aan te bevelen, en doet het dat alleen wanneer de inspanningen
om een strategie vast te stellen, lijken te zullen leiden tot een positief
engagement en een aanzienlijke verbetering van de samenwerking tussen de
autoriteiten. Net
zoals strategieën zijn ook corruptiebestrijdingsinstanties erg in de mode
geweest. Ook die hebben tot uiteenlopende resultaten geleid. In sommige
gevallen, waarin de instanties een sterk mandaat hadden, is onafhankelijk
toegewijd leiderschap uiteindelijk de doorbraakontwikkeling gebleken waarmee
zij corruptiezaken op hoog niveau hebben kunnen vervolgen. In andere gevallen
kan de oprichting van die instanties een negatieve rol hebben gespeeld bij het
creëren van de indruk dat andere autoriteiten hun deel van het werk niet hoeven
te doen. Daarom wordt in het verslag elke situatie op haar eigen merites
beoordeeld en wordt rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van elk
land, zonder een uniforme oplossing op te leggen. Het
verslag vestigt de aandacht op het feit dat bepaalde autoriteiten die een
belangrijke rol zouden kunnen spelen bij het aanpakken van corruptie, niet over
adequate personele en financiële middelen beschikken. De Commissie is zich er
terdege van bewust dat in het huidige klimaat van bezuinigingen, de toewijzing
van meer middelen voor bepaalde instellingen en tenuitvoerleggingsinspanningen
ernstige moeilijkheden kan opleveren. Een dergelijke toewijzing zou echter in
bepaalde situaties op langere termijn aanzienlijke besparingen kunnen opleveren
door de kosten van corruptie te verminderen. Daarom pleit het verslag in
sommige gevallen voor het prioriteren van de toewijzing van middelen aan
specifieke overheidsinstanties of programma’s die van cruciaal belang zijn voor
de preventie en de bestrijding van corruptie. Synergie met bestaande toezichtsmechanismen en
benchmark voor beoordeling Op internationaal niveau zijn de belangrijkste
toezichts- en evaluatiemechanismen de Groep van Staten tegen Corruptie van de
Raad van Europa (de Greco), de OESO-werkgroep inzake Omkoping en het
toetsingsmechanisme van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie
(UNCAC). Ter voorbereiding van dit verslag heeft de Commissie in ruime mate
gebruik gemaakt van de bevindingen van deze mechanismen (vooral van de Greco en
de OESO). De corruptiebestrijdingsnormen, zoals die van het UNCAC of die van de
Greco en de OESO (bijvoorbeeld het Verdrag van de Raad van Europa inzake de
strafrechtelijke bestrijding van corruptie en het aanvullend protocol bij dat
verdrag, het Verdrag inzake de civielrechtelijke bestrijding van corruptie, de
twintig richtsnoeren voor de bestrijding van corruptie die door het Comité van
Ministers van de Raad van Europa zijn goedgekeurd, de aanbevelingen van de Raad
van Europa inzake de financiering van politieke partijen, de aanbevelingen van
de Raad van Europa over gedragscodes voor ambtenaren en het Verdrag inzake
bestrijding van omkoping van de OESO) spelen een belangrijke rol bij het
opstellen van de referentie voor de evaluatie. Het verslag is geen kopie van de gedetailleerde,
technische analyse van de Greco- of OESO-verslagen, maar bouwt wel voort op hun
aanbevelingen wanneer deze nog niet zijn uitgevoerd en relevant zijn voor de
belangrijkste problemen die in een bepaald landenhoofdstuk worden behandeld.
Door de klemtoon te leggen op bepaalde aanbevelingen die in een eerder stadium
met andere mechanismen zijn vastgesteld, heeft het verslag als doel de
uitvoering ervan te bevorderen. De synergie met de Greco is bijzonder belangrijk
aangezien zij betrekking heeft op alle EU-lidstaten alsmede andere Europese
landen die van belang zijn voor toekomstige uitbreiding en het Oostelijk
Partnerschap. De Commissie neemt momenteel maatregelen die een volledige
toetreding van de EU in de toekomst mogelijk moeten maken, waardoor ook nauwere
samenwerking mogelijk zal worden in het licht van volgende edities van het
Corruptiebestrijdingsverslag van de EU. [1]
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0308:FIN:NL:PDF [2] Met
name het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie, en rechtsinstrumenten
inzake corruptiebestrijding van de Raad van Europa, waaronder Resolutie (97)/24 over de 20 richtsnoeren voor
corruptiebestrijding en de aanbevelingen nr. R (2000) 10 inzake
gedragscodes voor ambtenaren en nr. R (2003)4
inzake gemeenschappelijke regels tegen corruptie bij de financiering van
politieke partijen en verkiezingscampagnes. [3] De totale economische kosten van corruptie zijn niet eenvoudig te
berekenen. Het genoemde cijfer is gebaseerd op schattingen van gespecialiseerde
instituten en organen uit 2009, zoals de Internationale Kamer van Koophandel,
Transparency International, het Global Compact van de VN, het World Economic
Forum en Clean Business is Good Business, die erop wijzen dat corruptie
tot 5 % van het wereldwijde bbp bedraagt. Zie ook de mededeling van
de Commissie inzake corruptiebestrijding in de EU van 6 juni 2011:
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0308:FIN:NL:PDF [4] Excellence in Public Administration for competitiveness in EU
Member States (2011-2012): http://ec.europa.eu/enterprise/policies/industrial-competitiveness/monitoring-member-states/improving-public-administration/ [5] COM(2014)14 final. [6]
Een onder het algemene publiek in alle lidstaten om de twee jaar
uitgevoerde enquête op basis van persoonlijke interviews onder een steekproef
van 1 000 of 500 respondenten (afhankelijk van de omvang van de
bevolking). In totaal 27 786 personen (een representatieve steekproef)
namen eind februari en begin maart 2013 aan deze enquête deel. De enquête had
onder meer betrekking op de perceptie van corruptie in het algemeen,
persoonlijke ervaringen met corruptie alsook houdingen ten opzichte van gunsten
en giften. De Eurobarometerenquêtes vinden sinds 2007 om de twee jaar plaats.
De Commissie besloot in 2013 om de vragen toe te spitsen op dit verslag. Bij
elke vergelijking met voorgaande jaren moet dus de nodige voorzichtigheid
worden betracht. Het volledige verslag is te vinden op:
http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/eb_special_399_380_nl.htm#397 [7]
Een telefonische enquête, ook wel Flash Eurobarometer genoemd, die
betrekking heeft op zes sectoren in de 28 EU-landen, vond voor het eerst plaats
van 18 februari tot 8 maart 2013. Ondernemingen (van elke denkbare omvang) uit
de sectoren energie, gezondheidszorg, bouw, productie, telecommunicatie en
financiën werden om hun mening gevraagd. Het volledige verslag is te vinden op
http://ec.europa.eu/public_opinion/archives/flash_arch_374_361_nl.htm#374 [8]
De Corruption Perception Index (CPI) wordt ieder jaar gepubliceerd door
Transparency International: http://cpi.transparency.org/cpi2013/ [9]
COM(2012) 363 [10] Zie de algemene benadering van 3 juni 2013, document 10232/13 van
de Raad. [11] Zie het advies van de Commissie juridische zaken, A7-0000/2013. [12] Openbaarmaking van vermogen impliceert niet automatisch ook
publicatie; de eventuele publicatie moet worden afgewogen tegen het recht op
gegevensbescherming. Sommige lidstaten die regelingen inzake de openbaarmaking
van vermogen toepassen, publiceren niet alle vermogensaangiften. Zij verplichten
overheidsfunctionarissen er echter wel toe om aan de betrokken autoriteiten
gedetailleerde vermogensaangiften te verstrekken. [13] De Raad van Europa heeft "belangenconflict" gedefinieerd
als een situatie "waarin de overheidsfunctionaris een privébelang heeft
dat van dien aard is dat het de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn
of haar officiële taken beïnvloedt of lijkt te beïnvloeden", waarbij
privébelang moet worden uitgelegd als "eender welk voordeel voor hem- of
haarzelf, voor zijn of haar familie, nauwe verwanten, vrienden en personen of
voor organisaties met wie hij of zij zakelijke of politieke banden heeft of
heeft gehad." Het begrip omvat ook iedere aansprakelijkheid, financieel
dan wel burgerlijk, in verband daarmee. Zie aanbeveling nr. R (2000) 10 van het
Comité van ministers aan de lidstaten inzake gedragscodes voor gekozen
overheidsfunctionarissen: http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/documents/Rec(2000)10_EN.pdf [14] COM(2011) 309 definitief, tweede verslag over de uitvoering van
Kaderbesluit 2003/568/JHA van 6 juni 2011: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0309:FIN:NL:PDF [15] Conclusies van het Quality of Government Institute, universiteit
van Gotenburg, Zweden. [16] http://assembly.coe.int/ASP/XRef/X2H-DW-XSL.asp?fileid=18151&lang=EN [17] http://star.worldbank.org/star/ [18] Wet nr. 3861/2010. [19] http://diavgeia.gov.gr/en [20] Transparency International voerde in het kader van een door de EU
medegefinancierd project een vergelijkende analyse uit van het wetgevingskader
inzake de bescherming van klokkenluiders in de EU, zie http://www.transparency.org/whatwedo/pub/whistleblowing_in_europe_legal_protections_for_whistleblowers_in_the_eu [21] http://ec.europa.eu/internal_market/publicprocurement/docs/modernising_rules/public-procurement-indicators-2011_en.pdf [22] http://ec.europa.eu/internal_market/publicprocurement/docs/modernising_rules/public-procurement-indicators-2011_en.pdf [23] http://www.nispa.org/files/conferences/2008/papers/200804200047500.Medina_exclusion.pdf [24] OECD Principles for Integrity in Public Procurement, http://www.oecd.org/gov/ethics/48994520.pdf [25] Frankrijk, Italië, Hongarije, Litouwen, Nederland, Polen, Roemenië
en Spanje. [26] ‘Identifying and Reducing Corruption in Public Procurement in
the EU – Development of a methodology to estimate the direct costs of
corruption and other elements for an EU-evaluation mechanism in the area of
anti-corruption’, 30 juni 2013, PricewaterhouseCoopers en ECORYS. [27] Meer specifieke voorbeelden zijn te vinden in het punt over goede
en slechte praktijken. [28] Richtlijn
2004/18/EG van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor
het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, PB
L 134 van 30.4.2004, blz. 114; Richtlijn 2004/17/EG van 31 maart 2004
houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de
sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, PB L 134 van 30.4.2004,
blz. 1; Richtlijn 2009/81/EG van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de
procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde
opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en
veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG,
PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76. Richtlijn 89/665/EEG van 21 december 1989 houdende de coördinatie van
de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van
de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor
leveringen en voor de uitvoering van werken, PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33,
zoals gewijzigd bij Richtlijn 2007/66/EG en Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van
25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke
bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake
de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn
in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie, PB L 76
van 23.3.1992, blz. 14–20. [29] De gunning van concessies voor werken is momenteel onderworpen aan
de basisregels van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad
van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het
plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, terwijl
de gunning van concessies voor diensten met een grensoverschrijdend belang aan
de beginselen van het Verdrag, en met name het vrij verkeer van goederen, de
vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten alsmede aan de
daarvan afgeleide beginselen zoals gelijke behandeling, niet-discriminatie,
wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie onderworpen is. [30] SWD(2012) 342 final: http://ec.europa.eu/internal_market/publicprocurement/docs/implementation/20121011-staff-working-document_en.pdf [31] Inbreukprocedures zijn procedures die de Europese Commissie
inleidt tegen een lidstaat bij een vermeende niet-naleving van de EU-wetgeving.
Elke lidstaat is verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van het EU-recht
binnen zijn interne rechtsorde (omzetting binnen de gestelde termijnen en
correcte toepassing). De Commissie is ervoor verantwoordelijk dat het EU-recht
correct wordt toegepast. Wanneer een lidstaat via een handelen of nalaten het
EU-recht niet nakomt, beschikt de Europese Commissie derhalve over de
bevoegdheid om zelf een dergelijke niet-nakoming van het EU-recht ("inbreuk")
te trachten ongedaan te maken en, indien nodig, de zaak bij het Europees Hof
van Justitie aanhangig te maken. De Commissie kan drie soorten
inbreukprocedures inleiden: wanneer binnen de gestelde termijnen geen
uitvoeringsmaatregelen zijn meegedeeld, wanneer de omzetting niet in
overeenstemming is met de EU-regels en wanneer er sprake is van onjuiste
toepassing (aan de lidstaten toe te schrijven handelen of nalaten). [32] Andere schendingen hadden onder meer betrekking op de verwarring
tussen selectie- en gunningscriteria, de onjuiste toepassing van de regels
inzake publiek-publieke samenwerking (andere dan interne), de berekening van de
waarde van de opdracht, selectiecriteria (andere problemen dan discriminerende
criteria), ongerechtvaardigde uitsluiting uit de procedure, raamovereenkomsten
en ongerechtvaardigd gebruik van de uitzonderingen betreffende defensie en
veiligheid. [33] Evaluatieverslag (SEC(2011) 853 final). [34] COM(2011) 895 definitief: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0895:FIN:NL:PDF [35] COM(2011) 896 definitief: http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0896:FIN:NL:PDF [36] COM(2011) 897 definitief:
http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=COM:2011:0897:FIN:NL:PDF [37] 2013 Flash Eurobarometer 374. [38] http://www.oecd.org/gov/ethics/oecdprinciplesforintegrityinpublicprocurement.htm [39] ‘Identifying and Reducing Corruption in Public Procurement in
the EU – Development of a methodology to estimate the direct costs of
corruption and other elements for an EU-evaluation mechanism in the area of
anti-corruption’, 30 juni 2013, PricewaterhouseCoopers en ECORYS. [40] Besluiten tot wijziging van de bestemming van een bepaalde
eigendom, grond of buurt. Voor elke bestemming gelden afzonderlijke beperkingen
en verplichtingen. [41] De richtsnoeren zijn speciaal ontworpen voor overheidsopdrachten
in een van de meest corruptiegevoelige gebieden, namelijk de bouwsector, maar
zij gelden uiteindelijk voor alle overheidsopdrachten van gemeenten. [42] Risicobeheersbeleid omvat de identificatie, beoordeling en
prioritering van risico's waarna
concrete maatregelen worden genomen met het doel de mogelijke gevolgen van die
risico's te verzachten en te controleren. [43] "Red flag"-mechanismen die als doel hebben aanbestedende
diensten of centrale organen voor overheidsopdrachten te helpen om
corruptiepraktijken op te sporen, zijn "waarschuwingssystemen"
waarmee bepaalde indicatoren worden opgespoord en gecontroleerd die in
voorkomend geval kunnen wijzen op verdacht of corrupt gedrag (de accumulatie
van een aantal indicatoren kan bijvoorbeeld leiden tot een sein in het systeem
waarvoor grondiger verificatie of controles nodig zijn). [44] Istituto per l’innovazione e trasparenza degli appalti e la
compatibilità ambientale. [45] Voor de bouw van een snelweg kunnen de materialen bijvoorbeeld
sterk variëren van plaats tot plaats naar gelang van het klimaat, geografische
kenmerken van de bouwplaats etc. [46] http://ec.europa.eu/internal_market/publicprocurement/docs/eprocurement/actionplan/actionplan_en.pdf [47] ‘Public procurement in Europe- cost and effectiveness’, PwC
Ecorys London Economics, maart 2011. [48] Via "zelfreiniging" kunnen ondernemingen maatregelen
nemen om situaties te verhelpen die hebben geleid tot hun opname in
uitsluitingslijsten en bijgevolg op die manier de uitsluiting voor
overheidsopdrachten opheffen. [49] Lijsten van ondernemingen die van overheidsopdrachten zijn
uitgesloten, onder meer door een definitieve veroordeling voor corruptie of
andere ernstige strafbare feiten. [50] De namen van de leden van de groep en de notulen van de
bijeenkomsten zijn te vinden op de volgende website: http://ec.europa.eu/transparency/regexpert/detailGroup.cfm?groupID=2725 BELGIË 1.
Inleiding — hoofdpunten en context Kader voor corruptiebestrijding Strategische
aanpak Op federaal niveau heeft België om
grondwettelijke redenen geen algemene corruptiebestrijdingsstrategie. De
bestaande integriteitsbevorderende initiatieven van de deelstaten vormen samen
echter een degelijk preventiekader. De Groep van Staten tegen Corruptie (Greco,
een groep van de Raad van Europa) formuleerde tijdens haar tweede
evaluatieronde de aanbeveling om de Belgische overheidsdiensten systematisch op
corruptiegevoeligheid te beoordelen en de ingevoerde
corruptiebestrijdingsmaatregelen te evalueren. In 2009 stelde de Greco vast dat
deze aanbeveling slechts gedeeltelijk was opgevolgd.[1]
In het Belgische regeerakkoord van 2011 komt de bevordering van integriteit op
politiek niveau slechts zijdelings ter sprake.[2]
Voor het federale niveau is corruptie geen prioriteit, ondanks de recente
gevallen van corruptie bij verschillende overheidsinstanties, politiediensten
en het gerechtelijk apparaat. Tot 2011 gold corruptiebestrijding als een van de
veiligheidstaken van de federale politie en was het een thema in het nationale
veiligheidsplan van de federale regering. Sindsdien is het niet langer een
prioriteit.[3] Rechtskader Hoewel het rechtskader voor corruptiebestrijding grotendeels
aanwezig is, zijn een aantal aanbevelingen van de Greco inzake
strafrecht (zoals ongeoorloofde beïnvloeding en dubbele strafbaarstelling) en
partijfinanciering geruime tijd niet of slechts ten dele opgevolgd. In 2011
kwam de Greco tot de conclusie dat België slechts één van de vijftien
aanbevelingen uit het evaluatieverslag van de derde evaluatieronde had
uitgevoerd of afdoende had behandeld.[4]
De Greco noemde daarom de conformiteit met de aanbevelingen "over het
algemeen onvoldoende".[5]
Dat heeft echter niet geleid tot nieuwe wetgeving op federaal niveau en de
situatie veranderde niet tot het tussentijdse conformiteitsverslag. Daarin werd
vastgesteld dat eind 2013 drie aanbevelingen waren uitgevoerd.[6] Institutioneel
kader Op het federale niveau coördineert het Bureau
voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie het integriteitsbeleid.[7] Welke
overheidsdiensten betrokken zijn bij corruptiebestrijding, verschilt per
deelstaat. Zo kreeg de Vlaamse ombudsman een rol toebedeeld in de
klokkenluidersregeling van het Vlaamse Gewest.[8]
Het Vlaamse, het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben elk eigen
interne auditdiensten. Alleen de auditdienst van het Vlaamse Gewest heeft
onderzoeksbevoegdheid.[9]
Als de auditdienst bewijzen van criminele activiteiten vindt, maakt ze het
dossier over aan het parket. Wetenschappelijk onderzoek zoals de Quality of
Governance-index heeft uitgewezen dat in Vlaanderen en Wallonië een andere
perceptie van corruptie bestaat. Terwijl Vlaanderen tot de best presterende
EU-regio's hoort, hinkt Wallonië achterop.[10] Opiniepeilingen Perceptieonderzoek Volgens de speciale Eurobarometer 2013[11] denkt 67 %
van de respondenten dat corruptie op grote schaal voorkomt in België. Dat
cijfer ligt onder het EU-gemiddelde (76 %).[12] Ervaringen met corruptie
Kleinschalige corruptie lijkt slechts sporadisch voor
te komen: 12 % van de respondenten werd naar eigen zeggen in het
dagelijkse geconfronteerd met corruptie (tegenover 26 % op EU-niveau) en 3 %
van de personen die in contact kwamen met de in de enquête vermelde
organisaties, werd verondersteld steekpenningen te betalen in de voorgaande
twaalf maanden in de EU (EU-gemiddelde: 4 %). Onderzoek bij bedrijven Uit de Eurobarometer-enquête van 2013 bij bedrijven kwam België naar
voren als een van de minst corrupte landen. Dat bleek uit de antwoorden van een
steekproef van ondernemers die aan overheidsopdrachten deelnamen. Slechts 47 %
vindt corruptie wijdverbreid, terwijl het EU-gemiddelde 75 % bedraagt.[13]
Volgens 38 % van de ondervraagde ondernemers vormt corruptie een obstakel
voor bedrijfsvoering in België. Dat cijfer ligt net onder het EU-gemiddelde. 46 %
stoot bij het zakendoen op nepotisme en cliëntelisme. Dat is meer dan het
gemiddelde (41 %). Van de respondenten die de voorgaande drie jaar deelnamen
aan overheidsopdrachten, was 6 % ervan overtuigd dat ze de opdracht zijn
misgelopen door corruptie. Dat cijfer ligt ruim onder het EU-gemiddelde (32 %).
Ook al komen ze voor, toch liggen alle negatieve ervaringen bij
overheidsopdrachten onder het EU-gemiddelde. Belgische respondenten meldden dat
in 45 % van de gevallen inschrijvingsvoorwaarden werden afgestemd op
welbepaalde deelnemers. 36 % noemt samenspanning bij inschrijvingen een
veelvoorkomende praktijk. Voorts wijst 45 % van de respondenten op belangenconflicten
bij de beoordeling van dossiers en klaagt 35 % over onduidelijke selectie-
of evaluatiecriteria. Volgens het Global Competitiveness Report 2013-14 van het
World Economic Forum bekleedt België de 17e plaats op de lijst van 152
meest concurrerende economieën ter wereld.[14] Achtergrond Private sector België
heeft Kaderbesluit 2003/568/JBZ inzake de bestrijding van corruptie in de
privésector al in 2007 omgezet.[15] Buitenlandse omkoping België moet nog het bewijs leveren dat het de omkoping van buitenlandse
ambtenaren effectief aanpakt, want tot nog toe werden slechts weinig gevallen
aan het licht gebracht. Hoewel er onderzoeken lopen in zes buitenlandse
omkopingsdossiers en in een zevende zaak vervolging is ingesteld, is tot op
heden nog geen enkel Belgisch staatsburger of Belgisch bedrijf vervolgd voor
omkoping in het buitenland.[16] In zijn Bribe Payers
Index van 2011 geeft Transparency International België 8,7 op 10. Dat geeft aan
dat corruptie weinig voorkomt bij internationale handelstransacties. De vuist
die België maakt tegen corruptie bij internationale zakelijke contacten, heeft
zijn weerslag gevonden in een document van de federale overheid uit 2008 over
de preventie van corruptie in het bedrijfsleven.[17] Daarin
worden bedrijven die op de internationale markten actief zijn, gewezen op de
risico's en gevolgen van corruptie. Transparency International merkt in het
meest recente voortgangsverslag over de toepassing van het OESO-verdrag inzake
de bestrijding van corruptie echter op dat België het verdrag slechts "in
beperkt mate" heeft omgezet en dat rechtshandhavingsinstanties door een
gebrek aan middelen corruptie bij internationale handelstransacties onvoldoende
onderzoeken en vervolgen.[18]
In 2013 publiceerde de OESO een lange lijst met aanbevelingen om corruptie in
het buitenland efficiënter te bestrijden.[19]
De Working Group on Foreign Bribery toonde zich ontgoocheld over de lage
prioriteit die België gaf aan de strijd tegen het omkopen van buitenlandse
ambtenaren en over het gebrek aan middelen voor onderzoeken, vervolgingen en
veroordelingen in dergelijke zaken. Dat leidt in sommige buitenlandse
omkopingszaken tot het niet openen van onderzoeken, het afsluiten zonder
gevolg, of verjaring. Klokkenluiders Op 4 april 2014 treedt uitgebreide wetgeving voor de bescherming van
klokkenluiders bij de federale overheid in werking.[20] Tot die
datum was er geen uitgebreide bescherming voor federale ambtenaren die
onregelmatigheden en integriteitsschendingen aan de kaak wilden stellen. Er
waren slechts enkele bepalingen om discriminatie en pesterijen te verbieden. De
wet voorziet tevens in een verplichte voorafgaande raadpleging voor
klokkenluiders om wraakacties te vermijden. De federale ombudsman coördineert
het onderzoek naar de vermeende integriteitsschendingen. Voor de Vlaamse
ambtenaren is er al een klokkenluidersregeling sinds 2004. De ombudsman
fungeert daarbij als extern communicatiekanaal en biedt bescherming aan
klokkenluiders die hun verslag niet op hun werkplek kunnen indienen. Het
Vlaamse Parlement heeft de regeling in 2012 verder aangescherpt.[21]
Voorheen was de ombudsman verplicht om de identiteit van de klokkenluider mee
te delen aan het hoofd van de administratie. Onder de nieuwe regeling mag de
naam van de klokkenluider voor een bepaalde tijd geheim worden gehouden en
bestaat de mogelijkheid om de klokkenluider een functie op hetzelfde niveau in
een andere organisatie van de Vlaamse overheid te geven zonder loonverlies. Transparantie van lobbywerk In België is er geen verplichting om lobbyisten te registreren of
contacten tussen ambtenaren en lobbyisten te melden. In de gedragscode
voor Vlaamse volksvertegenwoordigers is sprake van contacten met individuen,
groepen en instellingen, maar wordt er niet gesproken over rapportage.[22]
In de Waalse gedragscode komt lobbying helemaal niet aan bod.[23] 2.
Aandachtspunten Preventie van corruptie De manier waarop corruptie wordt voorkomen en
opgespoord, hangt sterk af van het bestuursniveau (federaal, regionaal en
lokaal). De federale overheid neemt wel initiatieven om integriteit te
bevorderen en heeft de regels voor interne audits aangescherpt, maar een
geïntegreerd preventiebeleid ontbreekt nog. Het Bureau voor Ambtelijke Ethiek
en Deontologie coördineert het federale integriteitsbeleid, maar is met vijf
personeelsleden onderbemand.[24] Op regionaal niveau gaan de beleidsdocumenten
van het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over dit onderwerp
niet dieper in op integriteit, transparantie en corruptiebestrijding.[25]
De Vlaamse overheid[26]
heeft een integriteitsbeleid ontwikkeld om fraude en corruptie in haar diensten
te voorkomen en te bestrijden. Dat beleid steunt op drie pijlers: preventie,
monitoring en detectie, respons en sanctie. Ze definieert integriteit als
"handelen in overeenstemming met geschreven en ongeschreven waarden en
normen die uitdrukking geven aan begrippen als rechtschapenheid,
onschendbaarheid, onkreukbaarheid, zorgvuldigheid, zuiverheid van oogmerk,
willens en wetens te goeder trouw zijn, betrouwbaarheid en
geloofwaardigheid". De Vlaamse overheid geeft hiermee een ruime invulling
aan het begrip integriteit en verwacht van haar personeelsleden dat ze deze
waarden naleven en uitdragen. Integriteit wekt vertrouwen bij de burger en
vergroot de betrouwbaarheid voor de bedrijfswereld. Goede praktijk: het integriteitsprogramma van
het Vlaamse Gewest Vlaanderen heeft verschillende instrumenten
ontwikkeld om het integriteitsbeleid in de praktijk toe te passen. Het gaat
onder meer om: 1) een gedragscode voor de personeelsleden van de Vlaamse
overheid,[27] 2) een handleiding voor een aangepast integriteitsbeleid voor
kwetsbare functies bij de overheid, 3) een handleiding integriteit bij de
eedaflegging en bij de verwelkoming van nieuwe personeelsleden, 4) een pakket
instrumenten voor crisiscommunicatie over integriteit en
integriteitsschendingen, 5) een managementcode op basis van twaalf beginselen, 6)
detectie‑audits (ongewone patronen) en forensische audits (intern
onderzoek bij aanwijzingen) op basis van een frauderisicoanalyse, 7) een
regeling en procedures voor de bescherming van klokkenluiders, 8) kennisopbouw,
9) een coördinator integriteitszorg (een professional die verantwoordelijk is
voor de uitvoering en ontwikkeling van het interne integriteitsbeleid en bij
wie personeelsleden advies kunnen inwinnen) en 10) een netwerk van
integriteitsactoren die elk hun specifieke taak hebben en helpen het
integriteitsbeleid te bevorderen (bv. de Vlaamse Ombudsdienst, de interne
auditdienst enz.). Het Vlaamse Gewest heeft een coördinator integriteitszorg,
die de verschillende lokale initiatieven op het gebied van integriteit voor de
ruim 50 000 personeelsleden van de verschillende overheidsdiensten
coördineert.[28] Niet alleen voor de personeelsleden, maar ook op
politiek niveau zijn er integriteitsbevorderende instrumenten ingesteld. Sinds 1
januari 1998 zijn de Vlaamse volksvertegenwoordigers gebonden door een ethische
gedragscode.[29]
Die gedragscode vormt voor de leden van het Vlaamse parlement de leidraad voor
een correcte uitoefening van hun politiek ambt. De gedragscode definieert
duidelijk illegale praktijken zoals politiek dienstbetoon, administratieve
voorkeursbehandelingen, begunstigingstussenkomsten (voorspraak) of
onrechtmatige beïnvloeding van administratieve procedures. Voor de leden van de
Vlaamse regering en hun kabinetsmedewerkers zijn er sinds 1 januari 2008
specifieke gedragscodes. Kabinetsleden mogen bijvoorbeeld geen advies verlenen
in dossiers die betrekking hebben op activiteiten van verenigingen,
instellingen en bedrijven waarin ze (rechtstreeks of via een tussenpersoon)
belangen hebben of hadden. Tot
slot maken ook bewustmakingscampagnes deel uit van het integriteitsbeleid. Bij
een van die campagnes werden bijvoorbeeld gratis (nep)bioscoopkaartjes
aangeboden met op de achterkant de tekst "vraagt u zich nooit af waarom ze
u een filmticket cadeau doen?". Lokale overheden
reageren zeer verschillend op corruptierisico's. Lokale initiatieven zijn
veeleer te danken aan individuele inzet dan het resultaat van een
gecoördineerde aanpak. Sommige gemeenten hebben een opleidingsprogramma voor
hun ambtenaren of werken met regels voor geschenken en sociale gelegenheden.
Ander gemeenten peilen bij sollicitanten naar hun ethische waarden en nog
andere hebben een klokkenluidersregeling uitgewerkt. In 2005 keurde het Waalse parlement een
decreet goed tot wijziging van artikel L1122-18 van de Code de la Démocratie
locale et de la Décentralisation (Wetboek van de plaatselijke democratie en de
decentralisatie) om elk gemeentebestuur ertoe te verplichten ethische
gedragscodes vast te stellen en ethisch gedrag op te nemen in het huishoudelijk
reglement. De Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) heeft een
basismodel ontwikkeld voor een gedragscode gericht op de dienstverlening van
lokale ambtsdragers.[30]
Als gevolg daarvan hebben sommige gemeenten nu een ethische gedragscode voor
gemeenteraadsleden. Toch zijn er op het lokale bestuursniveau al
corruptieschandalen opgedoken. Enkele lokale corruptiezaken — met name die
waarbij dezelfde politieke partij gedurende lange tijd de lokale politiek
overheerste — bewijzen dat belangenconflicten en machtsmisbruik een
gecoördineerde aanpak vergen.[31] In enkele
gevallen leidde een grote corruptiezaak tot het opzetten van een proactief
corruptiebestrijdingsbeleid. Zo pakt de stad Antwerpen corruptie (en fraude)
zeer streng aan sinds het zogeheten "Visa-schandaal", waarbij
stadsambtenaren hun professionele kredietkaarten gebruikten voor privéuitgaven.[32]
Na aantijgingen van corruptie in een complexe zaak waarbij politici, leden van
de Belgische Senaat en vertegenwoordigers van de huisvestingssector betrokken
waren, probeert ook de stad Charleroi integriteit onder de aandacht te brengen.
Ondertussen heeft de stad een ethische gedragscode die als voorbeeld geldt op
lokaal niveau.[33]
Het is echter lang niet zeker dat het bureau dat in Charleroi toezicht houdt op
het integriteitsbeleid, aan het einde van zijn eerste mandaat in 2014 zijn
activiteiten zal kunnen voortzetten. Belangenconflicten en vermogensaangifte Het meest uitgebreide beleidsdocument voor het
voorkomen van belangenconflicten en politieke corruptie op federaal of
regionaal niveau in België is de ethische gedragscode voor leden van het
Vlaamse parlement en de Vlaamse overheid (inclusief de medewerkers in hun
kabinetten) met regels voor de omgang met de Vlaamse burger.[34] Het federale
regeerakkoord[35]
van 1 december 2011 bevat een hoofdstuk over politieke ethiek waarin wordt
meegedeeld dat de federale en deelstaatparlementen zullen worden aangemoedigd
om werk te maken van belangenconflicten en ethische codes. In datzelfde
hoofdstuk is ook sprake van een op te richten, onafhankelijke ethische
commissie die een ontwerp van ethische gedragscode moet opstellen en ter
goedkeuring voorleggen aan het federale parlement. Die code moet onder meer aanbevelingen
bevatten voor het omgaan met belangenconflicten. Tot nog toe is er nog geen
concreet voorstel en in het verleden zijn gelijkaardige pogingen mislukt.[36]
Daarom moeten deze toezeggingen op de agenda worden gehouden en zijn er
gedragscodes en instrumenten nodig om corruptie en belangenconflicten te
voorkomen, niet alleen voor het federale parlement, maar ook voor de leden van
alle deelstaatparlementen, uitvoerende ambtsdragers op alle niveaus en alle
medewerkers in hun kabinetten. Behalve gedragscodes moeten er ook
toezichtmechanismen komen als garantie voor een goede uitvoering. Om
belangenconflicten te voorkomen moeten parlementsleden en hooggeplaatste
verkozen ambtsdragers ten minste één keer per jaar bij het Rekenhof al hun
belangen melden.[37]
Deze informatie werd in 2012 voor het eerst gepubliceerd.[38] Sinds 2005
moeten parlementsleden en hooggeplaatste verkozen ambtsdragers ook een
vermogensaangifte indienen.[39]
Hoewel het Rekenhof zeer uitvoerig uiteenzet hoe de verplichte aangiften moeten
worden ingediend, zijn er geen gegevens beschikbaar over de efficiëntie van het
controlemechanisme. De belangrijkste informatie die het Rekenhof publiceert, is
een lijst met personen die geen vermogensaangiften hebben ingediend.[40]
Wie geen aangifte indient, kan een maximumboete van 5 000 EUR krijgen. Er
is geen informatie beschikbaar over de daadwerkelijke uitvoering van deze
regel, maar er is ten minste één geval bekend waarbij iemand beboet is.
Vermogensaangiften moeten onder gesloten omslag worden ingediend en worden alleen
geopend in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Aangezien er geen
geïnstitutionaliseerd toezicht is en de gegevens van de vermogensaangiften niet
openbaar zijn, worden dergelijke aangiften in de praktijk niet gecontroleerd. Integriteit
in het openbaar bestuur Het huidige
ethisch kader voor de ambtenaren van de federale overheid is vastgesteld in
twee omzendbrieven van 2007[41]
en 2010[42].
In de omzendbrief van 2007 worden beginselen zoals onpartijdigheid, loyaliteit,
respect en beroepsernst toegelicht. De omzendbrief van 2010 handelt over
belangenconflicten bij overheidsopdrachten en geldt ook voor de leden van de
federale regering. Het corruptiedossier van de Regie der Gebouwen
van de federale overheid was een mijlpaal voor het integriteitsbeleid en voor
duidelijke regels inzake belangenconflicten.[43]
Er werd een onderzoek ingesteld na een anonieme klacht bij het Openbaar
Ministerie. Uit de zaak zijn een aantal lessen getrokken[44] op basis van
externe studies, zoals een fraudegevoeligheidsanalyse, een forensische audit
van betalingsopdrachten en een externe audit over de bouw van de
gerechtsgebouwen in Gent en Antwerpen. Voorts is het toezicht op de organisatie
en de gunning van overheidsopdrachten door het agentschap verscherpt. Er is ook
gezorgd voor een grotere transparantie bij de gunning van kleinere
overheidsopdrachten. Er zijn opleidingen en bewustmakingsinitiatieven
geïntroduceerd, en personeelsleden kunnen onregelmatigheden melden bij
"compliance officers". Dat laatste initiatief is lovenswaardig, maar
vormt geen volwaardig alternatief voor een echte klokkenluidersregeling. Een
dergelijke regeling had kunnen voorkomen dat jarenlang op grote schaal en tot
op het hoogste niveau corruptiepraktijken plaatsvonden. Om de bewustwording te
vergroten heeft de overheid ook de informatiebrochure "Leidraad
Kwalitatief Werfbeheer" uitgegeven.[45] Er is geen
federaal agentschap dat administratieve audits uitvoert of corruptie in
overheidsdiensten probeert te voorkomen. Elke deelstaat heeft een eigen interne
auditdienst, met onderling verschillende bevoegdheden en maatregelen die ze
kunnen nemen.[46]
Het Belgische Rekenhof, de interne auditdienst van de betrokken deelstaat en de
externe auditdeskundigen verdelen bij audits bepaalde taken onder elkaar. Om
dubbel werk te vermijden heeft Vlaanderen de samenwerking tussen de betrokken
auditdiensten geformaliseerd.[47]
De afsprakennota is gericht op informatie-uitwisseling over strategie en
planning, monitoring en risicoanalyse, rapportage, controlemethoden,
handleidingen en goede praktijken. Vervolging
van corruptie In de periode 2000-2006 werden jaarlijks 19
tot 35 openbare ambtsdragers veroordeeld voor corruptie.[48] In 2002 werd
een eerste strategische analyse gemaakt van corruptie in België (op basis van
statistieken die bij de vijf grootste parketten in de periode 1996-2000 werden
verzameld). Het tweede verslag — een fraudegevoeligheidssanalyse inzake
overheidsopdrachten — dateert van 2008. Beide analyses vormden samen de basis
voor een analyse in 2009 door de dienst die verantwoordelijk was voor de
bestrijding van economische en financiële criminaliteit.[49] Uit dit
laatste verslag blijkt enige corruptiegevoeligheid bij politiediensten en
(hooggeplaatste) federale ambtenaren. Het aantal recente strafrechtelijke
vervolgingen van corruptiezaken in België lijkt beperkt.[50] Het
jaarverslag (2010-2011) van het college van procureurs-generaal bevat onder
meer de aanbeveling[51]
dat België voldoende politiecapaciteit beschikbaar moet stellen en moet zorgen
dat de verlenging van de doorlooptijd van gerechtelijke onderzoeken niet leidt
tot verjaring van de strafvordering. De procureur-generaal van het Hof
van Beroep van Gent wijst in het jaarverslag op de beperkte capaciteit van het
Belgische gerecht voor de vervolging van complexe strafrechtelijke dossiers.
Volgens het in oktober 2012 gepubliceerde jaarverslag van het College van
Procureurs-Generaal krijgt de bestrijding van corruptie (en financiële delicten
in het algemeen) onvoldoende prioriteit. Aan het einde van de jaren negentig werd het Hoog
Comité van Toezicht opgeheven. Hierdoor is er nationaal geen centraal punt met
gerechtelijke, administratieve en preventieve bevoegdheden voor de aanpak van
corruptie. De gerechtelijke politiebevoegdheden zijn overgedragen aan de
Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Corruptie, die binnen de federale
politie werd opgericht. Deze dienst behandelt corruptiedossiers in samenwerking
met de 27 gedeconcentreerde directies van de federale gerechtelijke politie
(FGP).[52]
Het jaarverslag van de politie van 2012 presenteert een nieuwe strategische
aanpak van corruptie die is toespitst op de analyse van de gedetecteerde zaken.[53]
De preventieve taken zijn deels overgenomen door het Bureau voor
Administratieve Ethiek en Deontologie, dat de informatie verzamelt. Recent maakte het hoofd van de Belgische
federale politie plannen bekend om — onder meer — de Centrale Dienst voor de
Bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiële Delinquentie te
ontmantelen. Medewerkers die voor deze dienst werken, zouden in de toekomst
worden overgeplaatst naar de gerechtelijke arrondissementen. Het betreft een
van de aanbevelingen uit het 73 pagina's tellende auditverslag over de
organisatie van de federale politie, dat in opdracht van de minister van
Binnenlandse Zaken is opgesteld.[54]
De minister wil de Centrale Dienst echter behouden. De minister wijst er tevens
op dat de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Corruptie moet worden
versterkt, aangezien een daling van het aantal in 2011 en 2012 onderzochte
dossiers werd opgetekend. Deze daling is deels het gevolg van een eerdere
vermindering van het aantal personeelsleden.[55]
Er is een grootschalige politiehervorming gepland op basis van het voorontwerp
van wet dat recent werd goedgekeurd ter voorlegging aan het parlement.[56] Een andere
gespecialiseerde politiedienst in Jumet (Wallonië), de pool‑Polfin, hield
zich bezig met de strijd tegen financiële criminaliteit en corruptie op hoog
niveau en werd hierin bijgestaan door de Centrale Dienst voor de Bestrijding
van de Corruptie. De pool stelde gespecialiseerde speurders ter beschikking
voor onderzoeken naar complexe fraude- en corruptiezaken, inclusief zaken
waarbij politici betrokken zijn. Deze speurderscel speelde vanaf februari 2009
een vooraanstaande rol bij de onderzoeken in gevoelige dossiers waarbij
hooggeplaatste verkozen ambtsdragers en managers betrokken zijn. Deze
gespecialiseerde politiedienst is echter onlangs ontmanteld.[57] De
onderzoeken zijn overgenomen door andere politiediensten. Dit kan erop wijzen
dat gespecialiseerde corruptieonderzoeken relatief minder aandacht krijgen.
Positief is wel dat gespecialiseerde federale politiediensten sinds de wet van 19
december 2002 tot uitbreiding van de mogelijkheden tot inbeslagneming en
verbeurdverklaring in strafzaken politiespeurders bij strafrechtelijke
onderzoeken kunnen ondersteunen met hun financiële deskundigheid om proactief
vermogensvoordelen te onderzoeken in een ruimere context dan bij financiële
delicten. Financiering van politieke partijen Volgens de speciale Eurobarometer-enquête van 2013
vindt 33 % van de Belgen dat de financiering van politieke partijen
voldoende transparant en onder voldoende toezicht verloopt, terwijl 60 %
wijst op een gebrek aan transparantie en toezicht. De wet betreffende de
financiering van de politieke partijen (aangenomen in 1989)[58] gold
algemeen als een verbetering. Daarbij werd een systeem van overheids- en
privéfinanciering geïntroduceerd en giften van rechtspersonen werden verboden.
Het huidige systeem berust voornamelijk op overheidsdotaties en geldt voor alle
partijen die door ten minste één parlementslid worden vertegenwoordigd.
Partijen die geen overheidsdotaties ontvangen, zijn niet aan dezelfde
controleprocedure onderworpen. Giften van 125 EUR of meer door natuurlijke
personen moeten steeds geval per geval worden geregistreerd. Hoewel giften
vanaf 125 EUR moeten worden geregistreerd samen met de identiteit van de
schenker, vroeg de Greco in het evaluatieverslag aandacht voor giften onder dat
grensbedrag. Op grond van andere factoren en in het licht
van de belangrijke veranderingen en aanbevelingen van de voorgaande 25 jaar
riep de Greco in 2009 op de Belgische wetgeving inzake partij- en
campagnefinanciering grondig te herzien om ze eenvormiger, duidelijker en
doeltreffender te maken.[59]
Belangrijker nog was de aanbeveling van de Greco om criteria te introduceren
waarmee de boekhouding van de partijen en politieke formaties systematischer
kan worden uitgebreid naar aanverwante structuren, meer bepaald de plaatselijke
afdelingen van de partij, zodat ook op plaatselijk niveau toezicht kan worden
gehouden. Er werd specifiek gewezen op het gebrek aan een geïntegreerde
boekhouding waarbij de inkomsten van lokale afdelingen van politieke partijen
niet in de geconsolideerde rekeningen van die partijen worden opgenomen. De Greco wees ook op lacunes bij de
controleorganen. Zo werken de federale controlecommissie en de gewestelijke
commissies volgens haar onvoldoende samen. Eén uniforme structuur maakt het
gemakkelijker om de complexiteit van de financiële structuren en de geldstromen
binnen de partijen en tussen de partijen en de kandidaten te doorgronden.[60]
De Belgische regering werkt aan een hervorming van de controle van de
verkiezingsuitgaven op federaal en gewestelijk niveau en overweegt het instellen
van een beroepsprocedure voor de verkiezingsuitgaven bij
parlementsverkiezingen. De beoogde oplossing, namelijk de procedure voor het
Grondwettelijk Hof, vereist echter een grondwetswijziging.[61] Bij de follow-up
uitte de Greco kritiek omdat België de aanbevelingen onvoldoende had opgevolgd.
In 2012 kwam de Greco tot de slotsom dat België de voorgaande drie jaar
nauwelijks vooruitgang had geboekt bij de opvolging van het
conformiteitsverslag van de derde evaluatieronde. Aan de meeste aanbevelingen
over de financiering van politieke partijen was nog geen gevolg gegeven en het
niveau van conformiteit bleef "over het algemeen onvoldoende", luidde
opnieuw het verdict in oktober 2013.[62]
Een van de openstaande punten blijft een geïntegreerde boekhouding die een
gedetailleerd beeld zou geven van de financiën van politieke partijen en alle
ermee verbonden structuren. 3.
Volgende stappen België heeft al
belangrijke elementen van het noodzakelijke corruptiebestrijdingskader opgezet.
Kleinschalige corruptie lijkt geen probleem te vormen. Door de uiteenlopende
bevoegdheden op regionaal en federaal niveau bestaat echter het gevaar dat het
corruptiebeleid onvoldoende consistent is. Er zou meer werk kunnen worden
gemaakt van een proactief preventiebeleid, een coherenter gebruik van alle
beschikbare instrumenten en een doelgerichte vervolging van
corruptiegerelateerde strafbare feiten. De strijd tegen corruptie bij de
overheid, inclusief politiediensten en het gerechtelijk apparaat,
belangenconflicten en corruptie in de politiek vergt niet-aflatende
inspanningen. Er moet aandacht
worden besteed aan de volgende punten:
Alle overheidsdiensten
zonder integriteitsbeleid moeten een dergelijk beleid invoeren en er
moeten voldoende middelen voor de integriteitsprogramma's zijn. Er moeten
ethische gedragscodes en mechanismen ter voorkoming van belangenconflicten
worden opgezet voor alle benoemde en verkozen ambtsdragers op
federaal, regionaal en lokaal niveau. Voorts zijn er interne
controle-instrumenten nodig om de naleving van het ethisch kader te kunnen
evalueren.
De capaciteit
van het gerechtelijk apparaat en de politiediensten moet
worden vergroot om te voorkomen dat corruptiezaken niet worden vervolgd
omdat door een te lange rechtsgang de verjaringstermijn verstreken is. De
politie moet over voldoende capaciteit beschikken voor het opsporen en
onderzoeken van inbreuken die verband houden met corruptie.
De wetgeving
inzake de financiering van politieke partijen, inclusief bepalingen
over toezichtmechanismen, moet ook gelden voor partijen die geen federale
subsidies ontvangen. Aan politieke partijen verbonden lokale organisaties
moeten ook audits ondergaan en voldoen aan de boekhoudkundige
verplichtingen die een geconsolideerd beeld opleveren van de financiering
van politieke partijen, inclusief één gemeenschappelijke toezicht- en
auditstructuur.
[1] Second Evaluation Round. Addendum to the Compliance Report on
Belgium. Greco RC-II (2006) 9E Addendum,
http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/evaluations/round2/GrecoRC2(2006)9_Add_Belgium_EN.pdf. [2] http://www.premier.be/nl/regeerakkoord [3] Nationaal Veiligheidsplan 2008–2011 http://www.polfed-fedpol.be/pub/pdf/NVP2008-2011.pdf; Nationaal Veiligheidsplan 2012–2015; http://www.polfed-fedpol.be/pub/pdf/NVP2012-2015.pdf. [4] Greco RC-III (2011) 6E), aangenomen tijdens de 51e plenaire
vergadering (27 mei 2011). [5] Derde evaluatieronde. Tussentijds conformiteitsverslag over
België. Greco RC-III (2012) 5E Tussentijds verslag. [6] Het tweede tussentijdse conformiteitsverslag is aangenomen in 2013,
maar nog niet openbaar gemaakt. [7] Bureau voor Ambtelijke Ethiek en Deontologie, opgericht in juli 2006. http://www.begroting.be/portal/page/portal/INTERNET_pagegroup/Internet_ethiek_voorstelling. [8] http://www.vlaamsparlement.be/Proteus5/showPersbericht.action?id=8792. [9] Interne Audit van de Vlaamse Administratie (IAVA) http://www2.vlaanderen.be/doelbewustmanagement/. [10] Vlaanderen bekleedt de 59e en Wallonië de 133e plaats. From Åland to Ankara: European Quality of Government Index http://www.qog.pol.gu.se/digitalAssets/1455/1455551_2013_11_charron.pdf. [11] Speciale Eurobarometer 397 van 2013. Nationale opiniepeilingen
schetsen een vergelijkbaar beeld: een tiende van de bevolking kreeg in het
voorgaande jaar te maken met corruptie en 3 % geeft toe steekpenningen te
hebben gegeven. De indirecte ervaring ligt hoger: 43 % van de bevolking
ving iets op over corruptie in hun omgeving. Onlinepeiling door Ipsos van 13
juni 2011. http://www.ipsos.cz/tiskove-zpravy/quo-vadis-korupce. [12] Speciale Eurobarometer-enquête 397 van 2013. [13] Flash Eurobarometer bij bedrijven 374 van 2013. [14] http://www3.weforum.org/docs/WEF_GlobalCompetitivenessReport_2013-14.pdf. [15] Werkdocument van de diensten van de Commissie: Bijlage bij het
Verslag van de Commissie aan de Raad op grond van artikel 9 van Kaderbesluit 2003/568/JBZ
van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de
privésector (COM(2007) 328 definitief), Brussel, 18 juni 2007; SEC(2007) 808. [16] Verslag van fase 3 over de toepassing door België van het
OESO-verdrag inzake de bestrijding van corruptie van buitenlandse ambtenaren in
internationale handelstransacties, 2013, http://www.oecd.org/daf/anti-bribery/BelgiumPhase3ReportEN.pdf. [17] Corruptie? Niet in ons bedrijf" http://www.dsb-spc.be/doc/pdf/BROCHURE_CORRUPTION_NL_LowRes.pdf [18] Export van de corruptie? Toepassing door de lidstaten van het
OESO-verdrag inzake de bestrijding van corruptie. Evaluatieverslag 2012. http://www.transparency.org/whatwedo/pub/exporting_corruption_country_enforcement_of_the_oecd_anti_bribery_convention [19] Verslag van fase 3 over de toepassing door België van het
OESO-verdrag inzake de bestrijding van corruptie, http://www.oecd.org/daf/anti-bribery/BelgiumPhase3ReportEN.pdf. [20] Wet betreffende de melding van een veronderstelde
integriteitsschending in de federale administratieve overheden door haar
personeelsleden. [21] http://www.vlaamsparlement.be/Proteus5/showPersbericht.action?id=8792 Het nieuwe decreet werd op
9 november aangenomen en op 7 december 2012 gepubliceerd. http://www.etaamb.be/nl/decreet-van-09-november-2012_n2012206772.html. [22] Deontologische code van de Vlaamse volksvertegenwoordigers
inzake dienstverlening aan de bevolking, Gedr.Stuk, 7-A (1998-1999) — Nr. 1.
http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/1998-1999/g7a-1.pdf. [23]
Charte de bonne conduite administrative http://wallex.wallonie.be/PdfLoader.php?linkpdf=3640&mode=popup. [24]
http://www.begroting.be/portal/page/portal/INTERNET_pagegroup/Internet_ethiek_voorstelling. [25]
http://www.federation-wallonie-bruxelles.be/fileadmin/sites/portail/upload/portail_super_editor/Docs/declaration_politique_communautaire.pdf. [26]
http://www.bestuurszaken.be/integriteit. [27]
Voor de personeelsleden van de Franse Gemeenschap bestaat een vergelijkbare
gedragscode (Arrêté du Gouvernement de la Communauté française portant le
Code de déontologie des membres du personnel des Services du Gouvernement de la
Communauté française et de certains Organismes d'Intérêt public) http://www.gallilex.cfwb.be/document/pdf/27731_000.pdf [28]
http://www.bestuurszaken.be/integriteit. [29] Deontologische code van de Vlaamse volksvertegenwoordigers
inzake dienstverlening aan de bevolking, Gedr.Stuk, 7-A (1998-1999) — Nr. 1.
http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/1998-1999/g7a-1.pdf. [30] Deontologische code voor lokale mandatarissen inzake
dienstverlening aan de bevolking, VVSG-tekst voor gemeenten en OCMW’s.
http://www.vvsg.be/werking_organisatie/gemeentedecreet/documents/deontologische%20code%20 mandatarissen%20 %28nieuwe%20versie%29.pdf. [31] Een goed voorbeeld is een corruptiedossier uit 2005 in de sector
van de sociale huisvesting. Bij de eerste rechtszaak die tot een uitspraak
leidde, verklaarde de rechter dat het ging om een flagrante schending van het
algemene belang en de democratie ten voordele van persoonlijke, financiële of
electorale belangen (‘violation
flagrante de l’intérêt public’ et de ‘règles
de la démocratie au profit des intérêts personnels, financiers ou électoraux’).
Sommige aspecten van deze zaak zijn nog steeds in behandeling. [32] http://jure.juridat.just.fgov.be/pdfapp/download_blob?idpdf=N-20081008-5. [33] http://www.uvcw.be/articles/1 354.1.0 3820.htm. [34] Deontologische code van de Vlaamse
volksvertegenwoordigers inzake dienstverlening aan de bevolking. Beschikbaar op: http://www.vlaamsparlement.be/vp/informatie/begrippenlijst/deontologische_code.html. [35] http://www.premier.be/nl/regeerakkoord [36] http://www.senate.be/www/webdriver?MItabObj=pdf&MIcolObj=pdf&MInamObj=pdfid&MItypeObj=application/pdf&MIvalObj=50334005. [37] De bijzondere en gewone wetten van 2 mei 1995 betreffende de
verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen alsmede een
vermogensaangifte in te dienen, en die van 26 juni 2004. [38] http://www.ejustice.just.fgov.be/mopdf/2013/08/14_1.pdf [39] https://www.ccrek.be/NL/MandatenVermogen.html [40] Jaarverslag 2012 (15 juli 2013); https://www.ccrek.be/NL/Publicaties/Jaarverslagen.html [41] Omzendbrief nr. 573 van 17 augustus 2007 met betrekking tot het
deontologisch kader voor de ambtenaren van het federaal administratief openbaar
ambt, http://www.fedweb.belgium.be/nl/regelgeving/20070817_oz_573_deontologisch_kader.jsp [42] Omzendbrief van 21 juni 2010: Overheidsopdrachten — Deontologie
http://www.fedweb.belgium.be/nl/regelgeving/20100621_ozb_overheidsopdrachten.jsp. [43] De Regie der Gebouwen beheert in heel België ongeveer 8 000 000
m² verspreid over 1 500 gebouwen die de federale overheid bezit of huurt. [44] Zie het antwoord op een aantal
parlementaire vragen http://www.dekamer.be/doc/CCRA/pdf/52/ac574x.pdf. [45] http://www.buildingsagency.be/120109_integr_NL.pdf. [46] Het agentschap Interne Audit van de Vlaamse Administratie (IAVA),
de Direction de l'Audit interne de fonctionnement (DAIF) van het Waalse Gewest
en de Directie Interne Audit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. [47] Met de ondertekening van een afsprakennota inzake financiële audit
in de Vlaamse overheid streven het Belgische Rekenhof, het agentschap Interne
Audit van de Vlaamse Administratie en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren
ernaar hun auditwerkzaamheden maximaal op elkaar af te stemmen. Zij willen
hiermee dubbel werk vermijden, de controlelast voor de geauditeerden
verminderen en de kostenefficiëntie van hun audits verhogen.
http://www.belgamediasupport.be/pressrelease/detail.do?pressId=15431&type=mostread&searchKey=ea715119-29bc-11e0-935e-a1edcaa22442&timeRangeId=0&pageIndex=1. [48] Greco (2009). Derde evaluatieronde.
Evaluatieverslag over België inzake strafbaarstellingen, blz. 8-9. http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/evaluations/round3/GrecoEval3(2008)8_Belgium_One_NL.pdf. [49] Bron: Belgische Senaat, antwoord op vraag 4-3617 van senator Dirk
Claes d.d. 23 juni 2009 door de staatssecretaris voor de Coördinatie van de
fraudebestrijding, de heer De Vlies.
http://www.senate.be/www/?MIval=/Vragen/SVPrint&LEG=4&NR=3617&LANG=nl. [50] Derde evaluatieronde. Evaluatieverslag over België inzake
strafbaarstellingen, blz. 8. [51] Zie het Jaarverslag 2010-2011 van het College van
procureurs-generaal, http://www.om-mp.be/images/upload_dir/DEF%20JAARVERSLAG%2010-11.pdf [52] http://www.polfed-fedpol.be/pub/rapport_activites/pdf/2012/ecofin/RAecofin2012-nl.pdf. [53] Jaarverslag 2012, blz. 46 http://www.polfed-fedpol.be/pub/rapport_activites/pdf/2012/ecofin/RAecofin2012-nl.pdf. [54] Voor de organisatie van de gecentraliseerde diensten zie http://www.polfed-fedpol.be/org/org_dgj_djf_nl.php. [55] Verslag 2012 van de Centrale Directie van de Bestrijding van de
Economische en Financiële Criminaliteit: resultaten die de noodzaak en het
belang van deze diensten voor de overheid en de gemeenschap bevestigen; 17/07/2013; http://www.milquet.belgium.be/nl/verslag-2012-van-de-centrale-directie-van-de-bestrijding-van-de-economische-en-financi%C3%ABle. [56] Goedkeuring van de Wet Diverse Bepalingen voor Binnenlandse Zaken:
belangrijke verbeteringen voor de politie, 12/07/2013,
http://www.milquet.belgium.be/nl/goedkeuring-van-de-wet-diverse-bepalingen-voor-binnenlandse-zaken-belangrijke-verbeteringen-voor-de. [57] Parlementaire vraag nr. 14507 van de heer Georges Gilkinet aan de
vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over "het
stopzetten van de activiteiten van de onderzoekscel-Jumet". 23.1.2013 CRIV 53 COM 653
http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/53/ic653.pdf. [58] Wet van 4 juli 1989. [59] Third Evaluation Round. Compliance report on Belgium. Public Greco RC-III (2011) 6E. http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/evaluations/round3/GrecoRC3(2011)6_Belgium_EN.pdf. [60] Paragrafen 78 tot 82 van Greco (2009), Derde evaluatieronde. Evaluatieverslag over België. Transparantie in de
financiering van politieke partijen. [61] Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, Voorstel tot
herziening van artikel 142 van de Grondwet. Doc. 53 2969/001; Voorstel
van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op
het Grondwettelijk Hof. Doc. 53 2970/001. Wetsvoorstel tot
wijziging van de wet van 4 juli 1989 betreffende de beperking en de controle
van verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de federale Kamers, de
financiering en de openbare boekhouding van de politieke partijen en tot
wijziging van het Kieswetboek. Doc. 53 2972/001; Wetsvoorstel tot
wijziging van de wet van 19 mei 1994. Doc. 53 2973/001. [62] GRECO RC-III (2013) 19E. Nederland 1.
Inleiding —Hoofdpunten en context Kader voor corruptiebestrijding Strategische aanpak In Nederland zijn in het kader van de corruptiebestrijding belangrijke
integriteitsbevorderende maatregelen genomen: in 2005 is de nota
Corruptiepreventie[1]
verschenen en er zijn wettelijke en administratieve hervormingen doorgevoerd,
waarvan de meeste gericht waren op de bevordering van de integriteit. In 2006
zijn bijvoorbeeld de Ambtenarenwet en enkele andere wetten gewijzigd om het
Rijk en de lagere overheden te verplichten een integriteitsbeleid te voeren.
Een ander recent en veelzeggend voorbeeld is de goedkeuring van de Wet
financiering politieke partijen in 2013. Voorts heeft de regering een programma
tegen financiële en economische criminaliteit ontwikkeld (FinEC) om de
bestrijding van fraude, witwassen en corruptie prioriteit te geven. Een op
zichzelf staand, algemeen corruptiebestrijdingsprogramma ontbreekt echter[2]. FinEC
is gericht op preventie, de ontneming van vermogensbestanddelen, en de
verbetering van de coördinatie tussen de rechtshandhavingsinstanties die zijn
belast met het opsporen en onderzoeken van de betrokken strafbare feiten. Rechtskader Het rechtskader voor de bestrijding van corruptie staat grotendeels op
poten. In de derde evaluatieronde van de Groep van Staten tegen Corruptie
(Greco, een groep van de Raad van Europa) bleek dat alle aanbevelingen over
strafbaarstelling tegen 2010 waren opgevolgd[3];
bij de aanbevelingen over partijfinanciering verloopt het proces wat trager. De
meest recente wetswijziging in verband met het aanpakken van corruptie werd in
juli 2012 aangekondigd. Het gaat daarbij om een uitbreiding van de
mogelijkheden om financiële en economische criminaliteit te bestrijden[4]. In
het wetsvoorstel worden zwaardere straffen en een verlenging van de
verjaringstermijn voor corruptie voorgesteld. Ook de maximumboete wordt
verhoogd, namelijk tot 10 % van de jaaromzet van de organisatie. In de
vierde Greco-evaluatieronde werd Nederland geprezen om zijn inspanningen om het
vertrouwen van het publiek in openbare instellingen te bevorderen, maar werd
ook bezorgd opgemerkt dat de bestaande maatregelen niet zijn gekoppeld aan
toezichtmechanismen; dat geldt bijvoorbeeld voor de registratie van belangen
van parlementsleden[5]. Institutioneel
kader Hoewel er geen speciale instantie is voor de
voorkoming en bestrijding van corruptie, staan corruptiebestrijding en
integriteitsbeleid hoog op de agenda van de Nederlandse overheid, zowel op
nationaal als op lokaal niveau. Het accent ligt daarbij op preventie. Het
Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS) heeft tot taak de
overheid actief te steunen bij het ontwikkelen en uitvoeren van
corruptiebestrijdingsbeleid[6].
Met het oog op corruptiebestrijding beschikt de Nederlandse politie sinds 1996
over een gespecialiseerde dienst voor intern onderzoek (Rijksrecherche).
Deze dienst rapporteert aan het College van procureurs-generaal en is belast
met het onderzoeken van corruptiegevallen bij politieambtenaren, leden van de
rechterlijke macht en hoge ambtenaren. Recentelijk is de dienst ook belast met
het onderzoek naar buitenlandse omkoping. De Greco heeft er onlangs op gewezen
dat de preventie van corruptie bij leden van het parlement, de rechterlijke
macht en het openbaar ministerie in Nederland in grote mate is gebaseerd op
wederzijds vertrouwen, openheid en publieke controle; Nederland werd daarbij
geprezen om zijn inspanningen op het gebied van integriteit[7]. De
situatie in de praktijk werd in 2010 door de Rijksrecherche onder de loep
genomen in een strategische analyse van de kwetsbare punten die tot een
verhoogd risico van omkoping van ambtenaren kunnen leiden[8].
Daarin werd geconcludeerd dat meldingen van omkoping ongelijk zijn verdeeld
binnen de overheidsdiensten, maar dat het beeld over het geheel genomen
positief was — corruptie is geen wijdverbreid verschijnsel in de Nederlandse
openbare sector. Opiniepeilingen Perceptieonderzoek
Hoewel 61 % van de Nederlandse respondenten denkt dat corruptie op grote
schaal voorkomt in hun land, ligt dit cijfer onder het EU-gemiddelde (76 %). Corruptie-ervaringen
Slechts 9 % van de Eurobarometerrespondenten
verklaarde in 2013 dat zij in het dagelijks leven gevolgen ondervonden van
corruptie (EU-gemiddelde: 26 %), en dat zij geen of bijna geen ervaring
hadden met kleinschalige corruptie (2 %; EU-gemiddelde: 4 %). Onderzoek bij
bedrijven Volgens het Global Competitiveness Report 2013-14
van het World Economic Forum staat Nederland als achtste meest concurrerende
economie op een lijst van 148 landen[9].
Volgens de Eurobarometer 2013[10]
denkt slechts 24 % van de Nederlandse respondenten dat corruptie voor hun
bedrijf een probleem is bij het zakendoen in eigen land, tegenover een
EU-gemiddelde van 43 %. Zo denkt ook maar 26 % van de Nederlandse
respondenten dat succesvol zakendoen alleen mogelijk is als je politieke
connecties hebt, terwijl in de EU gemiddeld 47 % die mening is toegedaan.
En niet meer dan 21 % van degenen die de afgelopen drie jaar in Nederland
hebben deelgenomen aan een openbare aanbesteding, verklaarde de opdracht te
zijn misgelopen als gevolg van corruptie, terwijl het gemiddelde in de EU op 32 %
ligt. Volgens de Eurobarometer was corruptie voor 24 % van de ondernemers
een belemmering om zaken te doen in Nederland, terwijl hetzelfde percentage
Nederlandse respondenten nepotisme en cliëntelisme als hinderpaal noemden. Dit
percentage ligt aanzienlijk hoger dan het EU-gemiddelde van respectievelijk 43 %
en 41 %. Achtergrond Private sector
Nederland heeft Kaderbesluit 2003/568/JBZ inzake de bestrijding van corruptie
in de privésector omgezet en de Commissie al in 2003 meegedeeld dat de
Nederlandse strafwet in overeenstemming was met het kaderbesluit[11]. De
Commissie heeft in 2007 een aantal mogelijke tekortkomingen in de Nederlandse
strafwetgeving gesignaleerd, evenals de Greco in 2008. Nederland heeft zijn
bepalingen inzake corruptie in de private sector in 2009 aangepast en de Greco
toonde zich tevreden met deze verbeteringen: in 2010 verklaarde zij de
toepassing van het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie
afdoende[12]. Rechtshandhaving De
Eurobarometer uit 2013 wijst uit dat slechts 5 % van de Nederlandse
respondenten zegt zelf met omkoping te zijn geconfronteerd; 3 % verklaart
getuige te zijn geweest van omkoping en 36 % van de getuigen heeft dit
gemeld. Kennelijk heeft het publiek vertrouwen in de
rechtshandhavingsinstanties en in de ombudsman, want bijna de helft van de
respondenten zou omkopingsgevallen melden aan deze instanties. De
criminaliteitsstatistieken geven een onvolledig beeld, omdat er geen uniform
registratiesysteem voor corruptiefeiten bestaat[13].
Bovendien worden veel gevallen via interne disciplinaire procedures afgehandeld[14].
Niettemin blijkt uit een studie dat in negen van de tien gevallen de vervolging
van een verdachte tot een strafrechtelijke veroordeling leidt en dat de meeste
mensen die voor corruptie worden veroordeeld, een taakstraf of een boete
krijgen opgelegd. [15]
In 2011 zijn de richtsnoeren voor het Openbaar Ministerie met betrekking tot
het herkennen en onderzoeken van ambtelijke corruptie aangepast en verder
uitgewerkt[16]. Financiering van politieke partijen Ondanks de uitgebreide wetgeving over politieke partijen zijn de
voorschriften voor transparantie ten aanzien van partijfinanciering en donaties
de afgelopen tijd onderwerp van discussie geweest. In de aanloop naar de
verkiezingen van 2012 werd het gebrek aan transparantie met betrekking tot de
financiering van de verkiezingscampagne van een van de grootste politieke
partijen in de media aan de kaak gesteld[17].
In het tweede Compliance Report (2013) over de financiering van politieke
partijen toonde de Greco zich bezorgd over het feit dat aan een groot aantal
aanbevelingen slechts gedeeltelijk of in het geheel geen gevolg was gegeven[18].
Tegelijkertijd werd erkend dat het nieuwe ontwerp van de Wet financiering
politieke partijen[19]
— al jaren in voorbereiding — de manier waarop partijen in Nederland worden
gefinancierd aanzienlijk transparanter zou maken. De wet, die deels naar
aanleiding van eerdere Greco-aanbevelingen tot stand is gekomen, is op 7 maart 2013
aangenomen en op 1 mei 2013 in werking getreden. De drempel voor de
openbaarmaking van giften is vastgesteld op 4 500 EUR; dat verschilt
niet veel van het vroegere bedrag, dat door de Greco te laag werd geacht. Voor
anonieme giften is de drempel 1 000 EUR. Volgens de Greco waren in juni 2013
weliswaar meer aanbevelingen opgevolgd, maar niet die betreffende de drempels
voor anonieme giften, de boekhouding van lokale afdelingen van politieke
partijen, en onafhankelijk financieel toezicht[20]. Klokkenluiders In 2010
is met de klokkenluidersregeling voor de publieke sector[21] een
meldingssysteem ingevoerd en een Commissie Integriteit Overheid opgericht die
meldingen behandelt. Vertrouwelijke behandeling van de gegevens van de
klokkenluider is een fundamenteel element in deze regeling. Er bestonden echter
grote twijfels over de effectiviteit van de regeling[22]. Tot eind 2013 was alleen in de Nederlandse corporate governance code
die van toepassing is op beursgenoteerde vennootschappen, een
klokkenluidersbepaling voor de private sector te vinden[23]. In
december 2013 heeft de Nederlandse Tweede Kamer een wetsvoorstel aangenomen
(nr. 33.258) dat melders van misstanden bescherming moet bieden tegen de
gevolgen van hun onthullingen[24].
Dat gebeurt door de oprichting van een nieuwe instantie, het "Huis voor
klokkenluiders", dat onderdeel wordt van de Nationale Ombudsman, maar dat
meldingen uit zowel de publieke als de private sector kan onderzoeken. Transparantie
ten aanzien van lobbywerk In 2012 heeft het parlement
een vrijwillig openbaar lobbyistenregister[25]
ingevoerd, dat sinds 1 juli 2012 online beschikbaar is[26].
Lobbyen is echter noch op nationaal, noch op regionaal of lokaal niveau
wettelijk geregeld, en de meeste politieke partijen in het parlement dringen
aan op meer transparantie. 2.
Aandachtspunten Integriteit in het openbaar bestuur en bij
benoemde en verkozen ambtsdragers Integriteit is een kernwaarde in het
Nederlandse openbaar bestuur. Het Nederlandse corruptiebestrijdingsbeleid is
hoofdzakelijk, maar niet uitsluitend gericht op bewustmaking en preventie. In
een onderzoek van de Europese Commissie naar corruptie in het openbaar bestuur
maakte slechts 1 % van de respondenten melding van corruptie bij de
Nederlandse overheid, terwijl het EU-gemiddelde op 10 % ligt[27]. Er is een
degelijk kader dat corruptiegerelateerde strafbare feiten in het openbaar
bestuur moet voorkomen, en in de Nederlandse Ambtenarenwet zijn basisregels
inzake integriteitsbeleid opgenomen. In de meeste overheidsdiensten zijn
gedragscodes van kracht; dat is een wettelijke verplichting. Alle regels ter
voorkoming van belangenverstrengeling bij ambtenaren worden uitvoerig
beschreven en toegelicht in de Handreiking Belangenverstrengeling[28]. Als
aanvulling op deze regels is het instrument "Saint" ontwikkeld
(Self-Assessment INTegriteit), waarmee een organisatie zichzelf kan doorlichten
op kwetsbaarheden en het effect van het integriteitsbeleid op openbare lichamen
kan worden gemeten. De regering heeft ook inspanningen gedaan om het effect van
integriteitsmaatregelen te vergroten; zo heeft het Ministerie van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties opdracht gegeven voor een wetenschappelijk
onderzoek[29]. In het rapport hierover worden enkele knelpunten beschreven die zich
voordoen bij integriteitsonderzoek bij openbare instanties en bij de kennis
over de procedures die moeten worden gevolgd bij vermoedelijke
integriteitsschendingen. Tevens worden vraagtekens geplaatst bij de
professionele maatstaven van degenen die integriteitsonderzoeken uitvoeren,
alsook bij de naleving van de transparantienormen. Het onderzoeksrapport zal in
de loop van 2014 worden besproken met parlementsleden, lagere overheden en
beroepsorganisaties, zodat er conclusies en actiepunten kunnen worden geformuleerd. Goede praktijk: één loket voor de
bevordering en ontwikkeling van de integriteit in de openbare sector Integriteit, transparantie en
controleerbaarheid: het zijn begrippen die proactief worden bevorderd in het
Nederlandse openbaar bestuur. Dat veel belang wordt gehecht aan de integriteit
van de openbare sector, blijkt ook uit een aantal initiatieven. Op dit gebied is een hoofdrol weggelegd
voor het BIOS (Bureau
Integriteitsbevordering Openbare Sector). BIOS stimuleert
en ondersteunt de openbare sector bij het uitstippelen en uitvoeren van een
integriteitsbeleid. Het bureau is opgericht door het Ministerie van
Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en fungeert als onafhankelijk
centraal instituut gericht op het bevorderen[30] van integriteit(sbeleid) binnen de publieke sector, zowel op
organisatorisch als strategisch niveau. BIOS heeft een kennis-, ontwikkel-,
netwerk- en signalerende functie; het verwerft en ontwikkelt
integriteitsgerelateerde kennis voor de hele openbare sector en stelt deze
beschikbaar tijdens bijeenkomsten, lezingen, leergangen en via de website.
Daarnaast verricht BIOS onderzoek. BIOS vertaalt opgedane kennis in
praktische modellen, methoden, producten, opleidingen en trainingen en stelt
deze beschikbaar aan de doelgroep. Verder ondersteunt BIOS organisaties bij het
opzetten en onderhouden van hun integriteitsbeleid. Het bureau brengt experts
bijeen om kennis uit te wisselen via diverse platforms, zoals kenniskringen,
congressen, leergemeenschappen en landelijke bijeenkomsten. BIOS fungeert als
centraal en onafhankelijk instituut voor integriteitsvraagstukken. Het
signaleert en analyseert ontwikkelingen op dit gebied door bijeenkomsten voor
specifieke actoren te organiseren, de aandacht te vestigen op
integriteitsgerelateerde vraagstukken en wetenschappelijk onderzoek te
verrichten. Op basis daarvan adviseert BIOS de publieke sector. Daarnaast organiseert BIOS jaarlijks de
nationale Dag van de integriteit. Op deze dag worden verschillende aspecten van
integriteit in de openbare sector besproken, problemen gesignaleerd,
beleidsmaatregelen beoordeeld en nieuwe ontwikkelingen getest door middel van
workshops en lezingen. Ook wordt op deze dag het Jaarboek Integriteit
gepresenteerd. Dat bevat interviews en artikelen over verschillende aspecten
van integriteit als basiskenmerk van goed bestuur. Het jaarboek wordt op grote
schaal verspreid, onder andere via internet. Nederland gebruikt ook innovatieve
methoden om corruptie op lokaal niveau aan te pakken. Veel steden en gemeenten
hebben een toolbox voor ethisch gedrag en integriteit ontwikkeld voor lokale en
regionale politici en overheidsdiensten. Dat het belangrijk is corruptie lokaal
te bestrijden, bleek eens te meer toen onlangs een voormalig
provinciebestuurder die was belast met ruimtelijke ordening en financiële
zaken, werd veroordeeld voor omkoping, witwassen en fraude[31]. Over
het algemeen weten Nederlandse burgers goed welk gedrag zij mogen verwachten
van hun gekozen lokale ambtsdragers of van ambtenaren. Zij beschikken ook over
verschillende instrumenten om ongepast gedrag te melden, zoals blijkt uit het
lokale integriteitsbeleid van de stad Amsterdam. Goede praktijk: bevordering van
integriteit op lokaal niveau — het integriteitsbeleid van de gemeente Amsterdam De meeste, zo niet alle, Nederlandse
steden en gemeenten hebben een lokaal integriteitsbeleid ontwikkeld. In 2010
werd over dit lokale integriteitsbeleid een studie gepubliceerd[32]. Daaruit bleek dat het aantal vastgestelde illegale praktijken
aanzienlijk was gestegen: van 135 in 2003 tot 301 in 2010. Deze stijging werd
deels toegeschreven aan betere opsporingsmethoden. Het Bureau Integriteit (BI), een
instantie van de gemeente Amsterdam, is een expertisecentrum op het gebied van
integriteit. Het bevordert de integriteit in de lokale politiek en het lokale
bestuur, maar ook bij dienstverleners en bedrijven. Het BI ondersteunt alle
gemeentelijke organisaties met advies, training, risicoanalyse, disciplinaire
afhandeling en juridisch advies, en integriteitsonderzoek, en fungeert tevens als
meldpunt voor integriteitsschendingen. De medewerkers van het bureau hebben
veel ervaring met het werken voor de gemeente en hebben een opleiding genoten
op het gebied van de begeleiding bij integriteitsvraagstukken. Zij kunnen
bijvoorbeeld een stadsdeel helpen een op maat gesneden integriteitsbeleid uit
te stippelen en toe te passen, of coaching bieden bij de interpretatie van het
begrip "integriteit" in specifieke situaties of werkomstandigheden.
De risicoanalisten van het BI adviseren bedrijven, diensten en stadsdelen van
de gemeente Amsterdam en regiogemeenten bij het in kaart brengen, beheersen en
verminderen van integriteitsrisico's. Integriteitsschendingen kunnen worden
gemeld bij het BI, dat een intern onderzoek kan verrichten. Wanneer een dienst
of stadsdeel het voornemen heeft een strafmaatregel op te leggen als gevolg van
een integriteitsschending, moet daarover advies worden ingewonnen bij de
juristen van het BI. Deze verplichte adviesaanvraag moet leiden tot een uniform
sanctiebeleid. Het BI beheert ook het Meldpunt
Integriteitsschendingen (opgezet in 1996 en sinds 2001 ondergebracht bij het
BI), dat gegevens bijhoudt over het soort en het aantal integriteitsschendingen
dat zich voordoet in de gemeente Amsterdam. Aan de hand van de gegevens van het
meldpunt kunnen problematische gebieden of sectoren in kaart worden gebracht en
kan een preventiebeleid worden ontwikkeld. De meest recente gegevens hebben
betrekking op 2010: in dat jaar werden 85 vermoedelijke integriteitsschendingen
gemeld. Deze meldingen hebben geleid tot 21 onderzoeken en 35 adviezen over
disciplinaire maatregelen. Negen werknemers werden ontslagen wegens een
ernstige integriteitsschending. Het BI heeft 30 adviezen uitgebracht, en
honderden medewerkers hebben een integriteitstraining gevolgd. Hoewel integriteit een belangrijke pijler is
van het Nederlandse openbaar bestuur, zijn er bepaalde tekortkomingen
vastgesteld in de integriteitsregels voor politici, zoals onlangs is gebleken
bij een geval van vastgoedfraude en corruptie bij een pensioenfonds, waarover
de rechter zich in januari 2012 heeft uitgesproken. Op bepaalde niveaus ontbreekt het aan regels
of correctiemechanismen voor belangenverstrengeling. Dat geldt bijvoorbeeld
voor de transparantie ten aanzien van de financiële en zakelijke belangen van
bewindspersonen[33]. Voordat bewindslieden worden benoemd,
moeten deze belangen op afstand worden geplaatst en licht de minister-president
de Tweede Kamer in wanneer dit is gebeurd. Hoe dit gebeurt, is echter niet
transparant; de huidige procedure is gebaseerd op vertrouwen. Voorts gelden
voor de leden van de Staten-Generaal geen beperkingen met betrekking tot de
functies die zij kunnen bekleden na beëindiging van hun ambtsperiode, noch voor
hun contacten met derden[34].
Draaideurpreventie is gebaseerd op algemene richtsnoeren, waarin het
uitgangspunt is dat de schijn moet worden vermeden dat gedurende de
ambtstermijn op ongepaste wijze is gehandeld of dat op incorrecte wijze is
omgegaan met informatie die tijdens de ambtsperiode is verkregen[35]. Van oudsher wordt het vermogen van
parlementsleden, bewindslieden en topambtenaren openbaar gemaakt, d.w.z.: zij
moeten hun publieke inkomen bekendmaken. Dat geldt echter niet voor
persoonlijke financiële en zakelijke belangen, die worden beschouwd als een
onderdeel van de privésfeer; gegevens hierover zijn dan ook niet beschikbaar[36]. Er
zijn geen regels die parlementsleden verplichten mogelijke
belangenverstrengelingen te melden of die hun beletten bepaalde financiële
belangen te hebben of externe activiteiten te ontplooien. Voor leden van de
Staten-Generaal geldt geen enkele beperking voor het aannemen van geschenken.
Leden van de Tweede Kamer moeten geschenken van meer dan 50 EUR registreren,
alsook buitenlandse reizen op uitnodiging van derden[37]. Deze
verplichte registratie geldt echter niet voor andere voordelen zoals gratis
verblijf of uitnodigingen voor verschillende evenementen. Leden van de Eerste
Kamer hebben geen meldingsplicht; zij hoeven geen melding te maken van hun
inkomen uit nevenactiviteiten of van geschenken, door anderen betaalde
buitenlandse reizen of andere voordelen. Deze punten werden aangekaart in een
recente Greco-evaluatie; daarin werd vastgesteld dat de huidige registers
potentiële of bestaande belangenverstrengelingen niet voldoende aan het licht
brengen[38]. Mogelijke
belangenverstrengeling van voormalige bewindspersonen zijn onderwerp van
discussie in het parlement en in de samenleving. Een recente
draaideurconstructie was voor het parlement aanleiding in een motie aan te
dringen op duidelijker regels[39].
De regering heeft echter geen gevolg gegeven aan deze motie[40]. Buitenlandse omkoping Buitenlandse omkoping wordt zelden
strafrechtelijk vervolgd, zo blijkt uit het laatste OESO-rapport van december 2012[41]. De
OESO spreekt daarin zijn waardering uit voor de Nederlandse inspanningen om
overheden en bedrijfsleven bewust te maken van het feit dat buitenlandse
omkoping strafbaar is, voor de maatregelen ter vereenvoudiging van de melding
van buitenlandse omkoping, en voor de efficiënte aanpak van criminele winsten.
Niettemin dringt de OESO er ook op aan meer te doen om de wetgeving inzake
omkoping van buitenlandse ambtenaren te handhaven. Zij wijst erop dat naar 14
van de 22 meldingen van buitenlandse omkoping geen onderzoek is ingesteld. In
haar aanbevelingen vraagt de OESO Nederland meer middelen in te zetten zodat de
rechtshandhavingsinstanties buitenlandse omkoping proactiever kunnen opsporen
en vervolgen. Ten tijde van de OESO-evaluatie (fase 3) beschikte de landelijk
corruptieofficier van justitie, die is belast met de coördinatie en vervolging
van buitenlandse corruptie, over slechts twee officieren van justitie. De OESO
merkt op dat de rechtshandhavingsinstanties over voldoende middelen moeten
beschikken om het grote aantal meldingen van buitenlandse omkoping goed te
kunnen behandelen. Ook beveelt de OESO Nederland aan de financiële sancties
voor ondernemingen en organisaties te verhogen, zoals is voorgesteld in het
wetsvoorstel van juli 2012[42],
en ook andere sancties mogelijk te maken, zoals uitsluiting van openbare
aanbestedingen of andere uit publieke middelen gefinancierde opdrachten[43].
Volgens de OESO waren tot eind 2012 geen sancties aan ondernemingen opgelegd in
verband met buitenlandse omkoping[44]. In de Bribe
Payers Index 2011 stond Nederland hoog op de lijst van de 28 economisch
belangrijkste landen waarvan de ondernemingen het minst geneigd worden geacht
in het buitenland steekpenningen te betalen. Dezelfde organisatie merkte in 2012
in het voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van het OESO-verdrag tegen
omkoping van buitenlandse ambtenaren[45] echter op dat Nederland het verdrag slechts in
beperkte mate ten uitvoer legde en drong aan op betere en striktere handhaving,
strengere sancties en meer geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen de
betrokken instanties. Inmiddels is een
nieuwe versie van de Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie in
het buitenland vastgesteld, waarin de factoren worden genoemd die een rol
moeten spelen bij de afweging of wel of niet moet worden overgegaan tot
vervolging[46].
Economische en handelsbelangen spelen daarbij niet langer een rol. Alle
mogelijke gevallen van buitenlandse omkoping dienen te worden gemeld bij de
landelijk corruptieofficier van justitie. In de Aanwijzing wordt duidelijk gesteld
dat de Nederlandse overheid buitenlandse omkoping streng wil aanpakken. De
officier van justitie mag geen rekening houden met nationale economische
belangen. Hoe de wijzigingen in de praktijk uitwerken, moet echter nog blijken. De Nederlandse
overheid en het bedrijfsleven willen gezamenlijk de buitenlandse corruptie
tegengaan. Daartoe hebben de organisaties VNO-NCW, MKB-Nederland en ICC
Nederland samen met de ministeries van Economische Zaken, Landbouw en
Innovatie, van Buitenlandse Zaken en van Veiligheid en Justitie, in oktober 2012
de brochure "Eerlijk zakendoen, zonder corruptie" uitgegeven[47]. De
brochure bevat richtsnoeren voor bedrijven die in het buitenland te maken
krijgen met corruptie. De richtsnoeren voor de officier van justitie zijn begin
2013 aangepast om strenger te kunnen optreden tegen corruptie in het
buitenland; of dit ook tot meer vervolgingen zal leiden, valt nog te bezien.
Daarnaast heeft de Nederlandse overheid een beleidsnota aangekondigd waarin de
aanbevelingen van internationale organisaties zoals de OESO worden opgevolgd[48]. 3. Volgende
stappen In Nederland wordt
van oudsher veel waarde gehecht aan integriteit. Het publiek stelt hoge eisen
op het gebied van transparantie en controleerbaarheid, zowel in de publieke als
in de private sector. De geïntegreerde aanpak voor het voorkomen en opsporen
van corruptie op nationaal en lokaal niveau zou voor andere landen in de EU als
model kunnen dienen. De collectieve overtuiging dat corruptie schadelijk is,
gaat gepaard met een voortdurende publieke roep om transparantie en
controleerbaarheid. Bewijs dat buitenlandse omkoping effectief wordt aangepakt,
ontbreekt echter, ondanks het feit dat Nederlandse bedrijven een belangrijke
rol spelen in de internationale handel. Er moet aandacht
worden besteed aan de volgende punten: ·
De
regels voor gekozen ambtsdragers en bewindspersonen inzake de
openbaarmaking van hun vermogen en belangen moeten worden uitgebreid en er moet
een effectief en transparant controlesysteem komen. Er moeten regels worden
vastgesteld voor belangenverstrengeling na neerlegging van een ambt. ·
Er
moet meer worden gedaan om natuurlijke en rechtspersonen te vervolgen voor
corruptie bij internationale handelstransacties, onder andere door de
capaciteit uit te breiden zodat buitenlandse omkoping proactiever kan
worden opgespoord en vervolgd. Er moet worden overwogen meer verschillende
sancties en hogere boetes op te leggen aan rechtspersonen. [1] Nota Corruptiepreventie — Rijksoverheid Kamerstukken 2005-2006,
III, 30374 nrs. 2 en 6. [2] Verzamelbrief financieel-economische criminaliteit, 12
juli 2012. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2012/07/12/verzamelbrief-financieel-economische-criminaliteit.html; Memorie van Toelichting Wijziging van het Wetboek van
Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en de Wet op de economische delicten
met het oog op het vergroten van de mogelijkheden tot opsporing en vervolging,
alsmede het voorkomen van financieel-economische criminaliteit (verruiming
mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit). Op 5 juli 2013
is het wetsvoorstel naar de Tweede Kamer gezonden. [3] Derde evaluatieronde; Compliance Report, goedgekeurd op 11
juni 2010. GRECO RC-III (2010) 5E. [4] Ministerie van Veiligheid en Justitie (2012).
Verzamelbrief financieel-economische criminaliteit, 12 juli 2012. Het
wetsvoorstel is nog niet aangenomen; de Tweede Kamer heeft op 12 november 2013
advies uitgebracht. . [5] Corruption prevention in respect of
members of parliament, judges and prosecutors, Vierde evaluatieronde,
goedgekeurd op 21 juni 2013. GRECO Eval IV Report (2012)
7E. [6] Zie ook hieronder het punt over integriteit in het openbaar
bestuur en bij benoemde en verkozen ambtsdragers. [7] Corruption prevention in respect of
members of parliament, judges and prosecutors, Vierde evaluatieronde, Greco
Eval IV Rep (2012) 7E.
http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/evaluations/round4/GrecoEval4(2012)7_The_Netherlands_EN.pdf. [8] Rijksrecherche (2010): Niet voor
persoonlijk gebruik! Omkoping van ambtenaren in de civiele openbare sector. Samenvatting op: http://www.binnenlandsbestuur.nl/Uploads/Files/Document/6403.00.003-Rapport-1-.pdf. [9] http://www3.weforum.org/docs/WEF_GlobalCompetitivenessReport_2013-14.pdf. [10] Flash Eurobarometer 374. [11] Werkdocument van de diensten van de Commissie: Bijlage bij het
Verslag van de Commissie aan de Raad op grond van artikel 9 van Kaderbesluit 2003/568/JBZ
van de Raad van 22 juli 2003 inzake de bestrijding van corruptie in de
privésector (COM(2007) 328 definitief) - Brussel, 18.6.2007; SEC(2007) 808. [12] Compliance Report on the Netherlands, derde evaluatieronde.
GRECO RC-III (2010) 5E: http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/evaluations/round3/GrecoRC3(2010)5_Netherlands_EN.pdf. [13] http://www.binnenlandsbestuur.nl/bestuur-en-organisatie/nieuws/meer-corruptie-in-publieke-sector-geen-zicht-op.6261839.lynkx. [14] De belangrijkste reden voor het Openbaar Ministerie om af te
zien van vervolging is dat de werkgever van de corrupte ambtenaar al
disciplinaire maatregelen heeft genomen. Bron: Nelen, H., "De strafrechtelijke
afdoening van ambtelijke corruptie", Justitiële Verkenningen, 2007. [15] Nelen, H., "De strafrechtelijke afdoening van ambtelijke
corruptie", Justitiële Verkenningen, 2007. [16] http://www.om.nl/organisatie/beleidsregels/overzicht/opsporing/@156023/aanwijzing-opsporing-4/. [17] https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2013-93.html. [18] . In 2013 heeft de Greco vastgesteld dat zeven aanbevelingen
gedeeltelijk waren opgevolgd en zes in het geheel niet. [19] http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/32752_wet_financiering_politieke. [20] Derde evaluatieronde; Compliance Report, goedgekeurd op 21 juni
2013. GRECO RC-III (2013) 8E. [21] Besluit van 15 december 2009, houdende een regeling voor het
melden van een vermoeden van een misstand bij de sectoren Rijk en Politie
(Besluit melden vermoeden van misstand bij Rijk en Politie). http://www.integriteitoverheid.nl/fileadmin/BIOS/data/Publicaties/Downloads/Klokkenluidersregeling.pdf.
[22] Bovens, M. en Pikker, G. (2010).
"Klokkenluidersregelingen: Nuttig maar Niet Afdoende",
Karssing, E, en Zweegers, M. (Red). Jaarboek Integriteit 2010, Bureau
Integriteitsbevordering Openbare Sector, Den Haag, blz.38-47. [23] https://docs.google.com/viewer?url=http%3A%2F%2Fwww.mccg.nl%2Fdownload%2F%3Fid%3D606. [24] http://www.eerstekamer.nl/wetsvoorstel/33258_initiatiefvoorstel_van_raak.
De Eerste Kamer behandelt het wetsvoorstel in januari 2014. [25] Tweede Kamer der Staten-Generaal (2012), Lobbyistenregister.
http://www.tweedekamer.nl/over_de_tweede_kamer/lobbyistenregister/index.jsp.
(Gecontroleerd 1/10/12) [26] Register van lobbyisten in de Tweede Kamer (2012) http://www.tweedekamer.nl/images/Formulier_lobbyisten_(18_sept_2012)_118-229467.pdf
. [27] Excellence in Public Administration for competitiveness in EU
Member States, verslag uit 2011–2012 voor de Europese Commissie, DG
Ondernemingen en Industrie, door het Austrian Institute of Economic Research
(WIFO), Wenen, Oostenrijk (algemeen verantwoordelijke); het Center for European
Economic Research (ZEW), Mannheim, Duitsland; IDEAConsult, Brussel, België,
blz. 140. [28] Bureau Integriteitsbevordering Openbare Sector (BIOS/CAOP), Handreiking
Belangenverstrengeling, juli 2010. http://www.integriteitoverheid.nl/fileadmin/BIOS/data/Toolbox/Handreikingen/BIOS_Belangenverstrengeling_handreiking.pdf
. [29] Ministerie van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties (2013). Toezeggingen en uitvoering moties integriteit in
het openbaar bestuur; aanbieding rapport Tilburg University n.a.v. motie
Heijnen c.s. 8 November 2013. blz.5. [30] Het brengt bijvoorbeeld regelmatig publicaties uit waarin wordt
ingegaan op verschillende aspecten van integriteitsbeleid. Zie bijvoorbeeld:
http://www.integriteitoverheid.nl/fileadmin/BIOS/data/Brochures/BIOS_Jaarboek_Integriteit_2012.pdf. [31] De gedeputeerde van de provincie Noord-Holland werd in december
2013 in eerste aanleg veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf. [32] Integriteit van het lokale bestuur. Rapport, december 2010.
Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten met de steun van het Nederlands Genootschap van
Burgemeesters, de Vereniging van Gemeentesecretarissen en de Vereniging van
Griffiers.
http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2010/12/08/integriteit-van-het-lokaal-bestuur.html. [33] Rijksoverheid Kamerstukken 2010-2011, II, 32 500 nr. 14. [34] Corruption prevention in respect of members of parliament,
judges and prosecutors, Vierde evaluatieronde, Greco Eval IV Rep (2012) 7E.
http://www.coe.int/t/dghl/monitoring/greco/evaluations/round4/GrecoEval4(2012)7_The_Netherlands_EN.pdf. [35] Handboek voor aantredende bewindspersonen; http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/richtlijnen/2013/04/16/handboek-voor-aantredende-bewindspersonen.html. [36] Wet openbaarmaking uit publieke middelen gefinancierde
topinkomens; http://www.wetboek-online.nl/wet/Wet%20openbaarmaking%20uit%20publieke%20 middelen%20gefinancierde%20topinkomens.html. [37] Artikel 150 a van het reglement van orde van de Tweede Kamer. [38] Corruption prevention in respect of
members of parliament, judges and prosecutors, Vierde evaluatieronde, Greco
Eval IV Rep (2012) 7E, punt 55. [39] In 2011 trad een voormalig minister van Vervoer onmiddellijk na
zijn aftreden aan in een topfunctie bij KLM. Als minister was hij
verantwoordelijk geweest voor luchtvaartzaken. [40] Slingerland, W., F. Eijkelhof, M. van Hulten, O. Popovych en J.
Wempe (2012) ‘National Integrity System Assessment Netherlands’, Den
Haag: Transparency International Netherlands, blz. 78-79. http://www.transparency.nl/wp-content/uploads/2012/05/TI-NL-NIS-report.pdf. [41] http://www.oecd.org/daf/briberyininternationalbusiness/Netherlandsphase3reportEN.pdf. [42] Ministerie van Veiligheid en Justitie
(2012). Verzamelbrief financieel-economische criminaliteit,12 juli 2012 [nog
niet aangenomen]. [43] De maximale boete voor rechtspersonen is tien keer zo hoog als
de boete voor natuurlijke personen: 780 000 EUR; maar boetes voor
verschillende strafbare feiten kunnen worden opgeteld. Boetes kunnen ook worden
gecombineerd met confiscatiemaatregelen. [44] In het OESO-rapport (punt 47) wordt een uitvoerig overzicht
gegeven van de sancties die zijn opgelegd in vermoedelijke omkopingszaken;
hieruit blijkt dat de meeste sancties werden opgelegd als gevolg van
buitengerechtelijke schikkingen of voor andere feiten dan omkoping. http://www.oecd.org/daf/briberyininternationalbusiness/Netherlandsphase3reportEN.pdf. [45] Exporting
corruption? Country enforcement of the OECD anti-bribery convention. Progress
report 2012 http://www.transparency.org/whatwedo/pub/exporting_corruption_country_enforcement_of_the_oecd_anti_bribery_convention. [46] Aanwijzing opsporing en vervolging ambtelijke corruptie
in het buitenland. http://wetten.overheid.nl/BWBR0032624/CIRDIV1344379/CIRDIV1344385/Tekst/geldigheidsdatum_19-12-2013. [47] ‘Eerlijk Zakendoen, zonder corruptie’. [48] http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2013/01/08/nederland-doet-meer-tegen-buitenlandse-omkoping.html;
http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2013/02/21/antwoorden-kamervragen-over-het-bericht-dat-nederland-laks-is-in-de-bestrijding-van-corruptie.html.