This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013DC0438
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL assessing progress reported by Italy to the Commission and the Council on recovery of additional levy due by milk producers for the periods 1995/96 to 2001/02
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD over de beoordeling van de door Italië aan de Commissie en de Raad gemelde vooruitgang bij de terugvordering van de extra heffing die melkproducenten voor de periode 1995/96 tot en met 2001/02 verschuldigd zijn
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD over de beoordeling van de door Italië aan de Commissie en de Raad gemelde vooruitgang bij de terugvordering van de extra heffing die melkproducenten voor de periode 1995/96 tot en met 2001/02 verschuldigd zijn
/* COM/2013/0438 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD over de beoordeling van de door Italië aan de Commissie en de Raad gemelde vooruitgang bij de terugvordering van de extra heffing die melkproducenten voor de periode 1995/96 tot en met 2001/02 verschuldigd zijn /* COM/2013/0438 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD over de beoordeling van de door Italië aan de
Commissie en de Raad gemelde
vooruitgang bij de terugvordering van de extra heffing die melkproducenten voor
de periode 1995/96 tot en met 2001/02 verschuldigd zijn (uitgebracht op grond van artikel 3 van
Beschikking 2003/530/EG van de Raad) Het onderhavige beoordelingsverslag is opgesteld overeenkomstig artikel
3 van Beschikking 2003/530/EG van 16 juli 2003 betreffende de verenigbaarheid
met de gemeenschappelijke markt van steun die de Italiaanse Republiek wil
verlenen aan melkproducenten, krachtens welke de bevoegde Italiaanse
autoriteiten elk jaar aan de Raad en de Commissie verslag uitbrengen over de
vooruitgang die zij geboekt hebben bij de terugvordering van het bedrag aan
extra heffingen dat de producenten voor de periode 1995/96 tot en met 2001/02
verschuldigd zijn. Het voorliggende verslag bevat de beoordeling door de
Commissie van de door de Italiaanse autoriteiten voor 2011 gemelde vorderingen,
zowel met betrekking tot de invordering van de onder Beschikking 2003/530/EG
van de Raad vallende schuldvorderingen als met betrekking tot de invordering
van niet onder de genoemde beschikking vallende schuldvorderingen. Volgens
artikel 1 van die beschikking wordt de betrokken steun, die erin bestaat
dat de Italiaanse Republiek het bedrag aan extra heffingen op melk dat
melkproducenten de Unie voor de periode 1995/96 tot en met 2001/02 verschuldigd
zijn, zelf aan de Unie betaalt en die producenten dan toestaat hun schuld gespreid
over een aantal jaren in termijnen renteloos af te lossen, bij uitzondering als
verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt beschouwd op voorwaarde dat: –
de terugbetaling volledig geschiedt in jaarlijkse
termijnen van gelijke omvang, en –
de terugbetaling niet langer duurt dan 14 jaar, te
rekenen vanaf 1 januari 2004. In artikel 2
van de beschikking is bepaald dat de steun slechts mag worden verleend als
Italië het totale bedrag aan extra heffingen voor de betrokken perioden bij het
EOGFL declareert en bovendien de nog openstaande schuld in drie gelijke
jaarlijkse termijnen aftrekt van de uitgaven die door het EOGFL worden
gefinancierd voor respectievelijk november 2003, november 2004 en
november 2005. Italië heeft het
totale bedrag aan extra heffingen voor de betrokken periode naar behoren
gedeclareerd bij brief van 26 augustus 2003. De nog openstaande
schuld is naar behoren afgetrokken van de uitgaven die in het kader van het
EOGFL zijn gefinancierd voor november 2003, november 2004 en november 2005. Op grond van artikel
3 van de beschikking moeten de bevoegde Italiaanse autoriteiten elk jaar aan de
Raad en de Commissie verslag uitbrengen over de vooruitgang die zij hebben
geboekt bij de invordering van het bedrag aan extra heffingen dat de producenten
verschuldigd zijn voor de verkoopseizoenen 1995/96 tot en met 2001/02. De Italiaanse autoriteiten hebben hun achtste
verslag als bedoeld in dat artikel bij de Commissie ingediend als bijlage bij
een brief van het AGEA van 5 november 2012; het betreft de termijnbetaling van 2011.
Betaling van de
heffing in het kader van de termijnregeling 2003 Van het meegedeelde
totaal van 22 893 producenten die nog heffing verschuldigd zijn voor de
zeven tijdvakken waarop de beschikking van de Raad betrekking heeft, maar die
van een nationale rechtbank opschorting van betaling hebben gekregen in
afwachting van een definitieve uitspraak, hebben er 15 431 gekozen voor
betaling in het kader van de termijnregeling. Deze keuze houdt in dat alle
hangende rechtszaken moesten worden ingetrokken. Voorts heeft het niet voldoen
van een jaarlijkse termijn uitsluiting uit de regeling tot gevolg, zodat van de
producent betaling van het hele verschuldigde bedrag inclusief rente kan worden
geëist. De 15 431
deelnemende producenten waren in totaal circa 345 miljoen euro verschuldigd in 2004
vóór de eerste termijnbetaling werd verricht; dit komt neer op ongeveer een
vierde van het totale openstaande bedrag aan extra heffing op
producentenniveau. Blijkbaar heeft het merendeel van de producenten die slechts
een kleine hoeveelheid melk te veel hadden geleverd, gekozen voor deelname aan
de regeling. Daarentegen hebben de producenten die hun individuele quotum in
sterkere mate hadden overschreden (circa 8 000 producenten aan wie voor de
zeven tijdvakken circa 1 miljard euro aan extra heffing in rekening is
gebracht), er de voorkeur aan gegeven niet in de termijnregeling te stappen.
Wel hebben de Italiaanse autoriteiten in 2011 een 53-tal nieuwe aanvragen
ontvangen van producenten die alsnog in termijnen wensen te betalen; het
betreft in totaal circa 1,2 miljoen euro. De achtste termijn
moest door 11 296 producenten uiterlijk op 31 december 2011 worden betaald
en daarmee was in totaal 24 339 082,69 euro gemoeid. De door de
Italiaanse autoriteiten verrichte verificaties wijzen uit dat 11 153
producenten zich aan die afspraak hebben gehouden en in 2011 in totaal 23 919 444,43
euro hebben betaald. Dit betekent dat van het totale heffingsbedrag dat in het
kader van de achtste termijn verschuldigd was, 98,3 % tijdig is betaald
door 98 % van de betrokken producenten. Eerder was voor de eerste, de
tweede, de derde, de vierde, de vijfde, de zesde en de zevende termijn
respectievelijk 99,6 %, 97,9 %, 99,5 %, 99,7 %, 96,4 %,
96,2 % en 90,5 % van het in totaal verschuldigde bedrag als tijdig
betaald geregistreerd. In het kader van de eerste acht termijnen is daarmee in
totaal circa 200 miljoen euro aan heffingen geïnd (ongeveer 98 % van
de verschuldigde termijnbetalingen). Deze percentages
duiden beslist op een bereidheid bij de deelnemende producenten om hun
verplichtingen na te komen. Dit gezegd zijnde, is de Commissie van mening dat
de vervolgactie die wordt ondernomen in de gevallen waarin de betaling niet
binnen de gestelde termijn is geregistreerd, een uitstekende indicator is van
de mate van inzet bij de autoriteiten om ervoor te zorgen dat de voorwaarden
van de regeling correct worden nageleefd en dat de verschuldigde heffingen
uiteindelijk volledig worden geïnd. Voor de achtste
termijn zijn voor de overige 143 producenten geen betalingen geregistreerd;
hiermee is een bedrag van 419 638,26 euro gemoeid. Eind 2010 hadden 604
producenten hun zevende termijn nog niet voldaan en daarmee was in totaal 2 291 279,38
euro gemoeid. Volgens de van de Italiaanse autoriteiten ontvangen informatie
hebben de centrale autoriteiten al die gevallen aan de bevoegde regionale
autoriteiten gemeld met het oog op invordering van de totale openstaande
schuld, met een rentevoet die niet onder de termijnregeling valt. Van de 604 producenten
waarvan oorspronkelijk werd gedacht dat ze niet hadden betaald, bleken later
slecht 59 daadwerkelijk niet te hebben betaald. Voor deze producenten is de
mogelijkheid tot termijnbetaling ingetrokken en zijn
dwanginvorderingsprocedures ingeleid. Bedrijven waarvoor de mogelijkheid van
betalingen in termijnen is ingetrokken Acht jaar na het
begin van de termijnbetalingsregeling van 2003 is het recht om in termijnen te
betalen voor in totaal 457 bedrijven ingetrokken, voor een totale in termijnen
opgedeelde schuld van 17 304 432,75 euro, waarvan 3 928 355,38
euro in termijnen is betaald vóór het recht werd ingetrokken. Aangezien na de
intrekking 1 936 037,85 is ingevorderd, bedraagt de totale uitstaande
schuld van de overblijvende 307 bedrijven 11 460 765,30 euro. Uit de cijfers
blijkt dat de ijver die de Italiaanse overheid bij de inning van de heffing aan
de dag legt veel te wensen overlaat. Bovendien
moesten melkproducenten hun rechtsvorderingen voor de Italiaanse rechtbanken
intrekken om aan de termijnbetalingsregeling te mogen deelnemen. De gebrekkige invordering lijkt dan ook geen gevolg
te zijn van de eventuele lange duur van de gerechtelijke procedures, maar lijkt
veeleer te wijten aan het onvermogen van de Italiaanse overheid om die bedragen
doeltreffend in te vorderen. Is er sprake van staatssteun? Op 11 januari 2012
besloot de Commissie de formele onderzoeksprocedure in te leiden[1] overeenkomstig artikel 4, lid 4,
van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen
voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag[2], met betrekking tot de
Italiaanse decreto legge nr. 225 van 29 december 2010, met wijzigingen
goedgekeurd bij wet nr. 10 van 26 februari 2011, waarbij de termijn voor de
betaling van de heffingen voor de periode 1995/1996 tot en met 2001/2002 (in
beginsel 31 december 2010 overeenkomstig de in 2003 bij Beschikking 2003/530/EG
van de Raad vastgestelde regeling) wordt verlengd tot en met 30 juni 2011 (zie
artikel 2, lid 12 duodecies). Dit uitstel van betaling zou misbruik vormen van
de steun die door de Raad is goedgekeurd overeenkomstig artikel 1, eerste
streepje, van Beschikking 2003/530/EG van de Raad, waarin is bepaald dat de
terugbetaling in jaarlijkse termijnen moet geschieden, en dient derhalve te
worden beschouwd als een nieuwe vorm van staatssteun die onrechtmatig is in de
zin van artikel 1, onder f), van Verordening (EG) nr. 659/1999. Verschuldigde
heffingen die niet in de regeling voor betaling in termijnen van 2003 of het
systeem van terugbetaling van verschuldigde heffingen van 2009 zijn opgenomen In het voorgaande is
reeds gezegd dat, in verhouding tot het totale bedrag aan heffingen,
betrekkelijk weinig gebruik is gemaakt van de termijnbetalingsregeling van 2003
en het systeem van terugbetaling van verschuldigde heffingen van 2009 (op basis
waarvan de verschuldigde heffingen worden terugbetaald met een rentevoet die
gelijk is aan een referentierentevoet voor de Unie, vermeerderd met een aantal
procentpunten). Het totaalbedrag van de in de regelingen van 2003 en 2009
opgenomen heffingen bedraagt 432 miljoen euro, terwijl circa drie vierde van
het totale bedrag aan openstaande heffingen voor de periode 1995/96-2008/09
(wat overeenkomt met 1,831 miljard euro) niet in de termijnregelingen is opgenomen.
Het grootste deel van de niet in de regelingen van 2003 en 2009 opgenomen
heffingen wordt momenteel aangevochten voor het Italiaanse gerecht. Het buiten
de termijnregelingen aan heffingen geïnde bedrag bedraagt tot dusver in totaal 205
miljoen euro (van de in totaal verschuldigde 1,831 miljard euro aan heffingen). De Commissie heeft
in haar vorige beoordelingsverslagen aan de Raad gesteld dat in de
jaarverslagen van Italië specifieke aandacht diende te worden besteed aan de
beschrijving van de lopende rechtszaken die de betrokken zeven tijdvakken
betreffen, en dat nadere gegevens dienden te worden verstrekt over de betaling
door de producenten van wie de bezwaren tegen betaling zijn verworpen. Zonder
dergelijke informatie is het voor de Commissie niet mogelijk om een correcte
opvolging te verzekeren van de vooruitgang bij de inning van dat deel van de
heffingen dat niet in de termijnbetalingsregeling is opgenomen. De Commissie heeft
met instemming kennisgenomen van de informatie over de huidige algemene
situatie betreffende de heffingen in het verslag van de Italiaanse autoriteiten
over de achtste termijn. Uit de door de
Italiaanse overheid verstrekte cijfers blijkt echter dat er weinig vooruitgang
is geboekt met de inning van de invorderbare heffingen. De bedragen van de
heffingen die zijn aangevochten maar door het gerecht zijn bevestigd, of
waarvoor rechtszaken lopen maar geen opschortingsbevelen zijn uitgevaardigd,
belopen circa 764 miljoen euro. Van deze invorderbare bedragen is circa 81
miljoen euro daadwerkelijk geïnd en het uitstaande bedrag bedraagt 683 miljoen
euro. Voor de onder de beschikking van de Raad vallende periode is circa 11 %
van de gevorderde en momenteel invorderbare bedragen daadwerkelijk geïnd. Dit
percentage is hetzelfde voor de hele periode 1995/96-2008/09. De Commissie
betreurt ten zeerste de trage vooruitgang bij de inning van het deel van het
heffingsbedrag dat niet in de termijnbetalingsregeling van 2003 en het systeem
van terugbetaling van heffingen van 2009 was opgenomen. Dat zo traag
vooruitgang is geboekt heeft te maken met, enerzijds, de aanslepende rechtsgang
en, anderzijds, de lange termijn voor de invordering van de bedragen waarover
de juridische betwistingen zijn afgerond (van de 372 miljoen euro die het
voorwerp van met succes afgeronde rechtszaken uitmaakte, is slechts circa 34
miljoen euro geïnd). Bovendien wijzen de cijfers betreffende de inning van
heffingen die in feite nooit zijn aangevochten en derhalve onmiddellijk
invorderbaar zijn, op een tekortkoming in de daadwerkelijke inning (voor de
melkquotaperiode 1995/96-2001/02 moet ongeveer 25 miljoen euro van de 76
miljoen euro aan heffingen die nooit zijn aangevochten nog worden geïnd; de
niet-geïnde heffingen zijn dus al meer dan 10 jaar achterstallig). Aangezien er
kennelijk geen schot in de zaak komt, rijst onvermijdelijk de vraag of er
sprake is van plichtsverzaking. De Commissie blijft
het invorderingsproces in Italië van nabij volgen, met name de invordering van
heffingen die niet onder de termijnregeling vallen. De diensten van de
Commissie hebben hun opmerkingen (inclusief negatieve opmerkingen) meermaals
onder de aandacht van de Italiaanse autoriteiten gebracht en hebben verzocht om
gedetailleerde informatie over diverse aspecten van de invordering van de
melkheffing en de houding van de Italiaanse overheid ten aanzien van de zaken
die aanhangig zijn voor de Italiaanse rechtbanken. Conclusie De vooruitgang die
de Italiaanse autoriteiten hebben geboekt bij de invordering van de bedragen
die zijn verschuldigd door producenten die hebben gekozen voor deelname aan de
in 2003 door de Raad goedgekeurde termijnregeling voor de betaling van de extra
heffing over de tijdvakken 1995/96 tot en met 2001/02, toont volgens de
Commissie aan dat die invordering op adequate wijze wordt beheerd. Wat de
heffingsbedragen betreft die niet in de termijnregelingen zijn opgenomen en
waarover in Italië rechtszaken lopen, heeft de Commissie in haar in 2010, 2011
en 2012 bij de Raad ingediende beoordelingsverslag reeds uiting gegeven aan
haar ongenoegen over de uiterst trage vooruitgang bij de terugvordering van de
melkquotaheffingen, en aan haar standpunt dat de terugvordering van die
heffingen aanzienlijk dient te worden verbeterd. Uit de door de
Italiaanse autoriteiten in hun verslag over de achtste termijn verstrekte
informatie blijkt evenwel dat – enige verbetering niet te na gesproken – geen
grote nieuwe ontwikkelingen merkbaar zijn bij de inning van de heffingen die
niet in de termijnbetalingsregelingen zijn opgenomen, en dat de
doeltreffendheid van het EU-recht in dit geval nog lang niet is bereikt,
aangezien over een zo lange periode een zo groot bedrag aan heffingen nog
steeds niet is betaald. [1] PB C 37 van 10.2.2012, blz. 30. [2] PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.