Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52012IE0963

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het potentieel van hoogbegaafde kinderen en jongeren in de Europese Unie ontsluiten” (initiatiefadvies)

PB C 76 van 14.3.2013, pp. 1–7 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

14.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 76/1


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over „Het potentieel van hoogbegaafde kinderen en jongeren in de Europese Unie ontsluiten” (initiatiefadvies)

2013/C 76/01

Rapporteur: José Isaías RODRÍGUEZ GARCÍA-CARO

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 19 januari 2012 besloten om overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde een initiatiefadvies op te stellen over:

Het potentieel van hoogbegaafde kinderen en jongeren in de Europese Unie ontsluiten.

De afdeling Werkgelegenheid, Sociale Zaken en Burgerschap, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 20 december 2012 goedgekeurd.

Het Comité heeft tijdens zijn op 16 en 17 januari 2013 gehouden 486e zitting (vergadering van 16 januari) het volgende advies uitgebracht, dat met 131 stemmen vóór, bij 13 onthoudingen, is goedgekeurd.

1.   Aanbevelingen

1.1

Het Europees Economisch en Sociaal Comité is zich ervan bewust dat de problematiek van hoogbegaafde kinderen en jongeren al vrij uitvoerig is bestudeerd: onderzoekers buigen zich immers al tientallen jaren over de kwestie en de wetenschappelijke literatuur ter zake is bijzonder uitgebreid (1). Gezien het belang van het thema wil het EESC er echter toch bij de Commissie en de lidstaten op aandringen steun te verlenen voor bijkomende studies en onderzoek en maatregelen te nemen om verscheidenheid in het algemeen meer onder de aandacht te brengen; daaronder vallen ook programma's die bedoeld zijn om hoogbegaafde kinderen en jongeren de kans te geven zich te ontplooien, zodat hun talenten op de meest uiteenlopende gebieden kunnen worden ingezet. Bedoeling is o.m. om de werkgelegenheid en de inzetbaarheid in de EU te verbeteren, en er in deze tijden van economische crisis voor te zorgen dat beter gebruik wordt gemaakt van gespecialiseerde kennis en braindrain wordt voorkomen.

1.2

Hoogbegaafde kinderen en jongeren moeten tijdens hun hele schooltijd en op alle niveaus beter de kans krijgen zich te ontwikkelen en te ontplooien; belangrijk daarbij is specialisatie in een te vroeg stadium te vermijden. Ook moeten scholen meer aandacht besteden aan diversiteit door gebruik te maken van de mogelijkheden van op samenwerking gebaseerd en informeel leren.

1.3

Het Comité is pleitbezorger van een leven lang leren: ons intellectueel potentieel is immers geen vast gegeven maar verandert in elke levensfase.

1.4

Daarnaast zou het Comité graag zien dat in de toekomst meer aandacht uitgaat naar de proefprojecten met hoogbegaafde studenten in de verschillende lidstaten, en dan met name de projecten die de samenleving in haar geheel ten goede komen, de samenhang ervan versterken, schooluitval tegengaan en het onderwijs verbeteren, overeenkomstig de in de Europa 2020-strategie vastgelegde doelstellingen.

1.5

Het Comité wijst erop dat binnen de werkomgeving zelf moet worden nagegaan welke, vooral jonge, werknemers over het nodige talent beschikken en bereid zijn om hun intellectuele vermogens te ontwikkelen en bij te dragen aan innovatie, zodat hun een vervolgopleiding kan worden aangeboden die aansluit bij hun ambities en interesses.

1.6

Om het onderwijs beter af te stemmen op de behoeften van hoogbegaafde kinderen en jongeren zijn inspanningen nodig op de volgende gebieden:

de basis- en vervolgopleiding van docenten, die vertrouwd moeten worden gemaakt met het profiel en de kenmerken van hoogbegaafde leerlingen, hoogbegaafdheid moeten kunnen herkennen en deze leerlingen de nodige begeleiding moeten kunnen bieden;

gemeenschappelijke procedures voor het vroeg opsporen van hoogbegaafdheid, in het bijzonder bij leerlingen uit sociaal achtergestelde milieus;

de uitwerking en uitvoering van educatieve maatregelen voor hoogbegaafde leerlingen, zowel binnen als buiten de school;

uitbreiding van de opleiding van docenten met de volgende aspecten: de waarden van het humanisme; de realiteit van het multiculturalisme; educatief gebruik van informatie- en communicatietechnologie; en, ten slotte, het stimuleren van creativiteit, innovatie en zin voor initiatief.

1.7

Een betere begeleiding van hoogbegaafde kinderen en jongeren houdt in dat zij m.n. tijdens de puberteit ook emotionele en sociale vaardigheden aanleren; het is zaak hun integratie in de maatschappij en op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en hun vermogen om in teamverband te werken te stimuleren.

1.8

Er moet op worden toegezien dat ook hoogbegaafde studenten, m.n. uit achtergestelde milieus, de kans krijgen gebruik te maken van de mechanismen en procedures voor uitwisseling en een tijdelijk verblijf in een ander land.

1.9

De lidstaten moeten elke gelegenheid aangrijpen om informatie en goede praktijkervaringen op het vlak van het opsporen en ondersteunen van hoogbegaafde leerlingen en studenten uit te wisselen.

1.10

De ondernemingsgeest van hoogbegaafde kinderen en jongeren moet worden aangewakkerd, in een context van verantwoordelijkheid en solidariteit, waarbij het welzijn van de hele samenleving voor ogen wordt gehouden.

2.   Algemene context

2.1

Een van de drie hoofddoelstellingen van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, die door de Commissie in 2010 werd goedgekeurd, is het streven naar slimme groei via de ontwikkeling van een op kennis en innovatie gebaseerde economie. Een goede opleiding voor alle Europeanen is dan ook cruciaal voor de toekomst van de EU; dit houdt o.m. in dat hoogbegaafdheid sneller moet worden opgespoord en beter moet worden ondersteund.

2.2

De lidstaten hebben in hun onderwijsbeleid op dit moment al bijzonder veel oog voor de verschillen tussen leerlingen; zij trachten met andere woorden elke individuele leerling de kans te geven zijn talenten maximaal te ontplooien. Binnen het budget voor leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften moeten echter meer middelen worden vrijgemaakt voor hoogbegaafde leerlingen.

2.3

Wat herkenning en ondersteuning van hoogbegaafde leerlingen aangaat zijn de verschillen tussen de lidstaten op dit moment enorm. Ook is duidelijk dat de maatregelen en activiteiten ten behoeve van deze leerlingen beter kunnen; met name het gebrek aan specifieke opleiding van docenten speelt in dit verband een rol.

3.   Hoogbegaafdheid

3.1   Het begrip

3.1.1

Internationale studies en onderzoeken tonen aan dat hoogbegaafdheid voorkomt in alle maatschappelijke groepen (2). Dat geldt ook voor de bevolking van de EU. Vanuit sociaal, politiek en onderwijsoogpunt is het herkennen en begeleiden van hoogbegaafdheid een relatief recente problematiek, waarvan het belang de komende jaren ongetwijfeld zal toenemen. Uit al deze studies blijkt dat snellere herkenning en betere ondersteuning van hoogbegaafdheid de inzet van de hele samenleving vereist, dat wil zeggen beleidsverantwoordelijken, docenten, wetenschappers en onderzoekers, het gezin en de sociale partners.

3.1.2

In de vakliteratuur over hoogbegaafdheid worden verschillende termen gebruikt, zoals vroegrijpheid (betere resultaten dan het gemiddelde van de leeftijdsgenoten), talent (specifieke vaardigheden op een bepaald gebied; wiskunde en muziek zijn maar enkele voorbeelden) en, ten slotte, hoogbegaafdheid. Dit laatste begrip, hoogbegaafdheid, wordt vandaag de dag gedefinieerd als een combinatie van de volgende kenmerken:

bovengemiddelde intellectuele capaciteiten, zowel algemeen als specifiek; hoewel daarbij traditioneel werd uitgegaan van een IQ van 130 of meer (het gemiddelde IQ ligt op 100), wordt dit criterium de laatste jaren ruimer en flexibeler geïnterpreteerd en wordt rekening gehouden met andere, even belangrijke factoren;

een hoge mate van toewijding en inzet: doorzettingsvermogen, belangstelling, volhardendheid, zelfvertrouwen, enz.

een hoge mate van creativiteit, flexibiliteit en oorspronkelijkheid bij het onderzoeken, vragen stellen, en oplossen en aanpakken van problemen en moeilijkheden.

Hoewel hoogbegaafde scholieren en studenten normaliter goede resultaten halen, komt het ook relatief vaak voor dat zij stranden. Hoogbegaafdheid is geen statisch gegeven maar verwijst naar mogelijkheden; om deze te kunnen benutten zijn maatschappelijke erkenning en begeleiding noodzakelijk. Is dat niet het geval, dat dreigen die kansen verloren te gaan.

3.1.3

Alle wetenschappelijke studies verwijzen naar de multidimensionele aard van hoogbegaafdheid: het gaat om een breed en polyvalent begrip. Hoogbegaafdheid is méér dan een bepaald IQ. Er moet ook rekening worden gehouden met kenmerken als oorspronkelijk en creatief denken. Bovendien spelen de sociaal-culturele context en de gezinsomstandigheden een grote rol. In bepaalde gevallen gaat hoogbegaafdheid gepaard met een stoornis, zoals autisme of een motorische handicap.

3.1.4

Hoogbegaafde leerlingen en volwassenen zijn terug te vinden in alle lagen van de bevolking, ongeacht geslacht en sociale achtergrond. Wel moet rekening worden gehouden met het feit dat bij de herkenning van hoogbegaafdheid de volgende aspecten een rol spelen, zodat eventueel tegenwicht kan worden geboden:

Hoogbegaafdheid wordt vaker herkend bij leerlingen uit de middenklasse en de hogere sociale klassen, omdat die gezinnen beter vertrouwd zijn met het fenomeen en kinderen op educatief en schools vlak meer worden gestimuleerd. Ook gebeurt het wel dat de school lage verwachtingen heeft van een bepaalde leerling, wat de herkenning van hoogbegaafde leerlingen uit kansarme milieus bemoeilijkt.

Hoewel hoogbegaafde leerlingen en volwassen over het algemeen discreet zijn en liever anoniem blijven, wordt hoogbegaafdheid bij mannen vaker herkend dan bij vrouwen; dat heeft te maken met culturele en ontwikkelingspsychologische factoren, waardoor hoogbegaafde meisjes en vrouwen niet snel uit de schaduw zullen treden (3).

3.1.5

Bij dat alles mag echter niet worden vergeten dat hoogbegaafde leerlingen en jongeren net als de rest van de schoolbevolking een zeer heterogene groep vormen.

3.1.6

Zo zijn er leerlingen die ondanks hun hoogbegaafdheid moeite hebben hun school af te maken en vastlopen, bv. omdat zij geen of onvoldoende specifieke begeleiding krijgen of omdat zij er niet in slagen zich aan te passen. Ook gebeurt het maar al te vaak dat hoogbegaafde leerlingen buiten de groep vallen, wat het risico op slechte resultaten nog verhoogt. Om schooluitval tegen te gaan is het van het grootste belang dat hoogbegaafdheid wordt herkend en dat de leerlingen in kwestie worden begeleid. Op die manier zal ook het aantal studenten met een hogere opleiding toenemen, wat een van de basisdoelstellingen inzake onderwijs is van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei.

3.2   Herkennen en begeleiden van hoogbegaafde leerlingen

3.2.1

Een betere begeleiding van hoogbegaafdheid houdt verschillende stappen in: eerst en vooral herkenning, dan een uitgebreide psychopedagogische en sociale evaluatie om hoogbegaafdheid te bevestigen of uit te sluiten en ten slotte een plan van aanpak, dat zowel in het kader van formeel als van informeel leren kan worden gevolgd.

3.2.2

Over het algemeen wordt ervan uitgegaan dat hoogbegaafdheid in een aanzienlijk aantal gevallen niet wordt herkend. Al aan het einde van de kleutertijd of in de eerste klas van de lagere school kan hoogbegaafdheid worden opgespoord. Net zoals dat voor andere leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften geldt, is het belangrijk dat hoogbegaafdheid zo vroeg mogelijk wordt vastgesteld, zodat kan worden nagegaan wat de beste aanpak is en slechte resultaten en schooluitval worden voorkomen. Hoewel herkenning ook later in de schoolcarrière of het leven nog mogelijk is, moge het duidelijk zijn dat het vroegtijdig herkennen van tekenen van hoogbegaafdheid en een psychopedagogisch onderzoek van potentieel hoogbegaafde leerlingen van bijzonder belang is.

3.2.3

Meestal komt men tot de vaststelling dat een leerling hoogbegaafd is omdat de ouders of leraren opmerken dat het kind zich onderscheidt van zijn of haar leeftijdgenootjes of onaangepast gedrag vertoont. Dit vermoeden, dat later moet worden bevestigd of ontkracht, kan gebaseerd zijn op de volgende kenmerken:

taalgebruik: uitgebreide woordenschat, nauwkeurige woordkeuze, complexe zinstructuur;

zeer goed begrip van complexe en abstracte ideeën; het kind denkt op een voor zijn leeftijd hoog niveau;

de vragen die het kind stelt zijn ongebruikelijke, origineel of ingewikkeld, en geven blijk van grote rijpheid en doelgerichtheid;

het kind beschikt over het vermogen om problemen van alle kanten te bekijken en systematisch aan te pakken;

het leert snel en gemakkelijk als iets zijn belangstelling wegdraagt;

het kind geeft blijk van grote creativiteit bij het bedenken of maken van dingen en het vinden van oplossingen voor bepaalde problemen.

3.2.4

Bij heel jonge kinderen (vier à vijf jaar) moet bijzonder voorzichtig worden omgesprongen met de diagnose van hoogbegaafdheid, omdat vroegrijpheid of ouders die schoolse vaardigheden sterk stimuleren ertoe kunnen leiden dat al te snel wordt gedacht aan hoogbegaafdheid, zodat een voorbarige of onjuiste diagnose gesteld wordt. Het kan in dergelijke gevallen nuttig zijn het kind opnieuw te testen op het moment dat de kenmerken van hoogbegaafdheid meer in het oog gaan springen, of het kind juist meer naar de middelmaat toegroeit.

3.2.5

De sociale en economische problemen en tekortkomingen in kansarme milieus of lage verwachtingen van de school maken dat hoogbegaafdheid minder snel wordt ontdekt. Vandaar dat met extra aandacht moet worden gekeken naar de ontwikkeling van kinderen en jongeren uit kansarme milieus, zodat zij de nodige begeleiding kunnen krijgen en hoogbegaafde leerlingen worden herkend.

3.2.6

Vaak wordt er een verkeerd beeld geschetst van hoogbegaafde leerlingen en jongeren. Zo mag er niet klakkeloos van worden uitgegaan dat:

hoogbegaafde kinderen eruit springen op alle ontwikkelingsgebieden, emotioneel rijp zijn, zichzelf helemaal in de hand hebben, zelfstandig en verantwoordelijk zijn en het hun leraren naar de zin willen maken;

zij in alle vakken uitmunten; docenten nemen gewoonlijk aan dat briljante leerlingen op alle vlakken briljante resultaten halen;

hoogbegaafde kinderen sterk gemotiveerd zijn op school en zich inzetten en belangstelling tonen voor elke taak.

3.2.7

Als ouders en leraren vermoeden dat een kind hoogbegaafd is, moeten specifieke testinstrumenten worden ingezet. De psychopedagogische testen moeten worden uitgevoerd door deskundigen, die daarbij kunnen samenwerken met de leraren. Er moet een zo gevarieerd en compleet mogelijke evaluatie worden gemaakt (waarbij zowel de school als het sociale milieu en het gezin in aanmerking worden genomen en op verschillende manieren informatie wordt verzameld), zodat de leerlingen los van hun sociale en thuissituatie kunnen worden beoordeeld. Deze uitgebreide en veelzijdige beoordeling kan dan de basis vormen voor het definitieve psychopedagogische rapport, dat de hypothese van hoogbegaafdheid bevestigt of ontkracht.

3.3   Begeleiding van hoogbegaafde leerlingen

3.3.1

Als de diagnose van hoogbegaafdheid eenmaal bevestigd is, dan moeten deze kinderen en jongeren de juiste begeleiding krijgen. Sleutelwoorden daarbij zijn:

een stimulerende omgeving waarin het kind zijn talenten kan ontplooien;

autonomie en zelfcontrole;

het gevoel deel uit te maken van een groep vrienden en klasgenoten;

het gevoel te worden aanvaard en vertrouwd door de omgeving;

onderwijs dat is aangepast aan de behoeften en het leertempo van het kind;

een flexibel aanbod, dat verdieping van de stof mogelijk maakt;

toegang tot bijkomende stof, waarmee het gewone aanbod wordt verrijkt;

flexibiliteit op het vlak van lesuren, activiteiten, bronnen, materiaal en groep;

betrekken van de leerling bij de planning van zijn leerproces.

3.3.2

De verschillende pedagogische modellen en onderwijssystemen spelen elk op hun eigen manier in op de behoeften van hoogbegaafde leerlingen. Zo kan onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten onderwijs:

a)

gedifferentieerd onderwijs: binnen de school worden homogene groepen samengesteld op grond van kennis en kunnen van de leerlingen;

b)

inclusief onderwijs: de groepen zijn heterogeen; de school gebruikt lesmethoden die zijn aangepast aan de verschillende leerlingen binnen de groep.

3.3.3

Inclusief onderwijs is op dit moment het meest gangbare model in de EU. Daarbij krijgen leerlingen tijdens de eerste jaren gemeenschappelijk onderwijs, met de nodige aandacht voor diversiteit, en wordt vermeden voortijdig homogene groepen te vormen. Een dergelijk aanpak is niet in tegenspraak met de proefprojecten die bepaalde lidstaten organiseren in een latere fase, na het aflopen van de leerplicht of wanneer het einde van de middelbare schooltijd nadert en een universitaire opleiding dichterbij komt, en die gericht zijn op de ontplooiing van specifieke talenten, of waarbij meer homogene groepen worden samengesteld van hoogbegaafde leerlingen en leerlingen met uitmuntende schoolresultaten. Naar alle waarschijnlijkheid is dat de richting die het onderwijs in de toekomst zal uitgaan: inclusief onderwijs in een eerste fase, proefprojecten met homogene groepen in de hogere klassen of na het verstrijken van de leerplichtige leeftijd.

3.3.4

Hieronder worden een aantal maatregelen opgesomd die scholen zouden kunnen overwegen voor hoogbegaafden leerlingen. Een aantal daarvan zijn niet-specifiek en voor alle leerlingen nuttig.

Gewone maatregelen.

Aanbieden van lesmateriaal met wisselende moeilijkheidsgraad, flexibele groepen, afwisseling en verdieping van de gewone stof.

Verrijking van de stof op maat van de leerling en geregeld door de leerling zelf, rekening houdend met zijn of haar motivatie en belangstelling.

Minder gangbare maatregelen. Aanpassing van het curriculum door de stof voor bepaalde leerlingen te verdiepen en/of te verrijken: individuele aanpassingen van het curriculum.

Buitengewone maatregelen. Vermindering van de duur van de schooltijd: een leerling kan klassen overslaan en les volgen met oudere leerlingen; dergelijke maatregelen zijn uitzonderlijk, het gaat om zowat 3 % van de hoogbegaafde leerlingen.

3.3.5

Ook kunnen hoogbegaafde leerlingen deelnemen aan buitenschoolse activiteiten, waarbij minder regels gelden dan op school en zij in contact komen met hoogbegaafde leerlingen van andere scholen. Er is een enorm en gevarieerd aanbod aan dergelijke buitenschoolse activiteiten, die zouden kunnen worden ondersteund door de overheid en de EU.

3.3.6

Deze twee vormen van pedagogische begeleiding – bij het formeel en het informeel leren – sluiten elkaar niet uit. Integendeel, om hoogbegaafde jongeren beter te begeleiden zijn de twee noodzakelijk: hoogbegaafde leerlingen moeten tijdens de schooluren extra aandacht krijgen van de school zelf, net als alle andere leerlingen met specifieke behoeften, en daarnaast moeten zij ook extra begeleiding krijgen, binnen of buiten de school.

3.3.7

Wat de ondersteuning van hoogbegaafde leerlingen op school betreft is er nog heel wat werk aan de winkel. Daartoe moeten de basis- en vervolgopleiding van leraren aanzienlijk worden verbeterd, zodat zij meer oog hebben voor de verschillen tussen leerlingen in het algemeen en met name hoogbegaafdheid sneller herkennen en de kinderen in kwestie beter kunnen begeleiden.

3.3.8

Alle jongeren in de EU, en met name hoogbegaafde jongeren, moeten de kans krijgen hun talenten te ontplooien, en dat is niet enkel een zaak van het onderwijs. Er dient ook een sociaal en economisch beleid te worden uitgestippeld dat hoogbegaafde kinderen en jongeren al vroeg de kans geeft zich te bewijzen en werk te vinden op hun niveau. Hierbij is een cruciale rol weggelegd voor Europa: het is immers zaak te voorkomen dat de knapste koppen wegtrekken, op zoek naar een plek waar zij hun vaardigheden kunnen inzetten.

4.   Begeleiding van hoogbegaafde leerlingen in een Europese context

4.1   Totaalbeeld

4.1.1

De afgelopen jaren hebben diverse studies een beeld geschetst van de situatie op het gebied van hoogbegaafdheid in de hele EU (4). Daaruit leren we het volgende:

Over het algemeen lijken onderzoekers het erover eens dat het onderwijs anders en beter kan, en dat meer aandacht moet uitgaan naar de verschillen tussen (hoogbegaafde) leerlingen.

In de onderwijswetgeving in de verschillende landen wordt wel verwezen naar hoogbegaafdheid, maar het antwoord op de vraag of deze leerlingen specifieke begeleiding nodig hebben is lang niet eensluidend.

Het begrip hoogbegaafdheid krijgt langzaamaan een bredere betekenis en heeft niet langer uitsluitend betrekking op intelligentie; tegenwoordig worden ook de creativiteit en originaliteit gemeten, en wordt belang gehecht aan de informatie die leraren en gezinsleden verschaffen over het functioneren op school, op sociaal vlak en in gezinsverband.

Ondersteuning van hoogbegaafde leerlingen is meer gericht op buitenschoolse activiteiten in het kader van informeel leren dan op de lesstof of activiteiten tijdens de lesuren op school. Wedstrijden en prijsvragen waarbij bepaalde concrete talenten worden ingezet (bv. op wetenschappelijk, technologisch, sport- of muziekgebied) zijn schering en inslag; activiteiten die specifiek gericht zijn op hoogbegaafdheid in het algemeen zijn er veel minder.

Er is nog heel wat ruimte voor verbetering van de basis- en vervolgopleiding van leraren, die vertrouwd moeten worden gemaakt met het herkennen en begeleiden van hoogbegaafde leerlingen.

4.2   Wetgeving en onderwijsbeleid

4.2.1

In alle EU-landen bestaan particuliere verenigingen van specialisten en/of gezinnen die buitenschoolse activiteiten organiseren om hoogbegaafde leerlingen de kans te geven hun talenten zo veel mogelijk te ontplooien. Bovendien zijn er in een aantal lidstaten ook activiteiten die worden opgezet door – of in samenwerking met – de onderwijsautoriteiten.

4.2.2

Hieronder volgt een overzicht van de beleidsmaatregelen op het gebied van hoogbegaafdheid in de verschillende EU-lidstaten:

Bijna alle lidstaten hebben in hun wetgeving maatregelen opgenomen die betrekking hebben op hoogbegaafde leerlingen; een aantal landen houdt het bij algemene maatregelen voor alle leerlingen, zonder speciale aandacht voor hoogbegaafde leerlingen of leerlingen met bijzondere talenten; hun streefdoel is uit elke leerling het beste te halen.

Een meerderheid kiest voor heterogene groepen waarin leerlingen met uiteenlopende vaardigheden samenzitten; daarbij wordt getracht elke leerling binnen de groep individuele aandacht te geven. Sommige landen werken met homogene groepen: de leerlingen worden ingedeeld op grond van hun vaardigheden en resultaten; wel is het zo dat het hierbij in bepaalde gevallen enkel om talent op kunst- of sportgebied gaat.

In de meeste landen is in de wetgeving voorzien in maatregelen op het gebied van versoepeling of versnelling, dat wil zeggen dat een leerling lessen kan volgen op een niveau dat hoger ligt dan zijn of haar leeftijd, maar van uniforme criteria is geen sprake. Een handvol lidstaten biedt hoogbegaafde leerlingen uit het secundair onderwijs de kans om deel te nemen aan op maat gesneden projecten en cursussen op de universiteit.

4.3   Lerarenopleiding

4.3.1

Ondanks de moeilijke economische situatie, die ook het onderwijs treft, en de moeilijkheden waarmee leraren elk dag weer te maken krijgen, moeten leraren tijdens hun opleiding beter vertrouwd worden gemaakt met hoogbegaafdheid. Dat geldt zowel voor de basis- als voor de vervolgopleiding.

4.3.2

De meeste lidstaten hebben in het officiële curriculum van hun lerarenopleiding een specifiek onderdeel opgenomen dat betrekking heeft op het omgaan met hoogbegaafdheid. Dit onderdeel kan op zichzelf staan of deel uitmaken van een algemeen hoofdstuk over aandacht voor de verscheidenheid van de leerlingen.

4.3.3

In nauwelijks de helft van de lidstaten biedt de overheid een vervolgopleiding voor leraren aan. Naast deze officiële vervolgopleiding zijn er ook opleidingen die worden aangeboden door particuliere instellingen.

4.3.4

Uit dit overzicht van de situatie in de verschillende lidstaten blijkt kortom overduidelijk dat er op de volgende gebieden nog het een en ander kan worden verbeterd:

De basis- en vervolgopleiding moet leraren een realistischer beeld geven van hoogbegaafde leerlingen, hen beter vertrouwd maken met het fenomeen en met de bestaande methoden voor het herkennen en begeleiden van deze leerlingen.

De opleiding van docenten moet worden uitgebreid met de volgende aspecten: de waarden van het humanisme; de realiteit van het multiculturalisme; educatief gebruik van informatie- en communicatietechnologie; en, ten slotte, het stimuleren van creativiteit, innovatie en zin voor initiatief.

Er moeten gemeenschappelijke procedures komen voor het afnemen van de psychopedagogische testen en voor het interpreteren van de sociale en gezinsfactoren aan de hand waarvan wordt nagegaan of een leerling hoogbegaafd is. Het is zaak hoogbegaafdheid zo vroeg mogelijk te herkennen, maar ook later in de schoolcarrière en zelfs bij mensen die al tot de arbeidsmarkt zijn toegetreden is het belangrijk dat signalen in die richting worden opgevangen.

In het kader van informeel leren moeten er maatregelen komen voor de ondersteuning van hoogbegaafde leerlingen en leerlingen met uitzonderlijke talenten, zowel binnen als buiten de school; dat kan via verrijkingsprogramma's.

Ten slotte moeten ook mechanismen en procedures worden ingevoerd om hoogbegaafden vlotter toegang te geven tot een leven lang leren; dit geldt m.n. voor de toegang tot de universiteit en het volgen van een universitaire studie.

Brussel, 16 januari 2013

De voorzitter van het Europees Economisch en Sociaal Comité

Staffan NILSSON


(1)  Een greep uit de studies over hoogbegaafdheid en de aanpak van hoogbegaafde leerlingen:

 

Martinez Torres, Mercé en Guirado, Angel (coords.) Altas capacidades intelectuales. Pautas de actuación, orientación, intervención y evaluación en el período escolar, Barcelona, Editorial Graó, 2012.

 

Torrego, Juan Carlos (coord.), Alumnos con altas capacidades y aprendizaje cooperativo. Un modelo de respuesta educativa, Madrid, Fundación SM, 2012.

 

Pfeiffer, Stephen, Current perspectives on the identification and assessment of gifted students, in Journal of Psychoeducational assessment, 2011. Wallace, B. en Erikson, G., Diversity in Gifted Education. International perspectives on global issues, New York, Routledge, 2006.

 

Sternberg, R.J. en Davidson, J.E., Conceptions of giftedness, Cambridge University Press, 2005.

 

Sternberg, R J. (ed.), Definitions and conceptions of giftedness, Thousand Oaks, Corwin Press, 2004.

(2)  De maatschappelijke groep die het vaakst wordt bestudeerd zijn schoolplichtige kinderen en jongeren; naar schatting zou 2 tot 15 % van de scholieren hoogbegaafd zijn, afhankelijk van de criteria die worden gehanteerd. Traditioneel werd daarbij uitgegaan van een IQ vanaf 130 of meer (ongeveer 2 % van de bevolking). Vandaag is men het er echter over eens dat dit criterium te eng is en dat het IQ maar een van de factoren is aan de hand waarvan hoogbegaafdheid kan worden vastgesteld. Tegenwoordig geldt een ruimere interpretatie van het begrip hoogbegaafdheid en wordt ook rekening gehouden met kenmerken als creativiteit, originaliteit en het vermogen om verbanden te leggen, gevolgtrekkingen te maken en te extrapoleren. Zo komt het dat hoogbegaafden volgens recente ramingen wel 10 tot 15 % van de bevolking vertegenwoordigen, hoewel in de meer algemeen aanvaarde schattingen wordt gesproken van 5 à 10 %. Voor wie meer wil weten zijn er de nu al klassieke studies ter zake van Joseph Renzulli of, recenter, van Borland, J.H. Myth 2. The gifted constitute 3 % to 5 % of the population; Gifted child quarterly, 53, 2009; Miraca, G., Exceptionally gifted children, New York, Routledge, 2004; Robson, D., High IQ kids: collected insights, information and personal stories from the experts, Free spirit publishing, 2007.

(3)  Zo bleek het percentage mannelijke leerlingen dat tussen 1999 en 2012 deelnam aan een verrijkingsprogramma voor hoogbegaafde leerlingen in Madrid (Spanje) onveranderlijk rond de 70 % te liggen, terwijl vrouwelijke leerlingen nooit meer dan 30 % vertegenwoordigden. Zie hierover verder: Pérez, L. Domínguez P. y Alfaro, E. (coords.) Actas del Seminario: situación actual de la mujer superdotada en la sociedad, Madrid, Consejería de Educación, 2002.

(4)  Zie voor een meer gedetailleerd overzicht van de manier waarop de EU-lidstaten omgaan met hoogbegaafdheid de volgende werken:

 

La atención a los alumnos con altas capacidades en la Unión Europea”, in De todo un poco, nummer 11, jaarlijkse publicatie van het verrijkingsprogramma voor hoogbegaafde leerlingen van Madrid blz. 21-29, Madrid 2009.

 

Gifted Learners. A survey of educational policy and provision» Europees Agentschap Ontwikkeling van onderwijs voor leerlingen met specifieke behoeften, 2009.

 

Eurydice (2006), „Specific Educations Measures to promote all Forms of Giftedness at School in Europe”. Brussel: Eurydice.

 

Monks, F.J., Pflüger, R :„Gifted Education in 21 European Countries: Inventory and Perspective”, Universiteit Nijmegen, 2005.


Top