This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52012DC0415
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE EUROPEAN PARLIAMENT AND THE COUNCIL Possible advantages and disadvantages of reducing the classification to two categories of firearms (prohibited or authorised) with a view to improving the functioning of the internal market for the products in question through simplification.
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Mogelijke voor- en nadelen van een beperking van het aantal categorieën vuurwapens tot twee (verboden of toegestaan) met het oog op een betere werking van de interne markt voor de desbetreffende producten door mogelijke vereenvoudiging
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Mogelijke voor- en nadelen van een beperking van het aantal categorieën vuurwapens tot twee (verboden of toegestaan) met het oog op een betere werking van de interne markt voor de desbetreffende producten door mogelijke vereenvoudiging
/* COM/2012/0415 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD Mogelijke voor- en nadelen van een beperking van het aantal categorieën vuurwapens tot twee (verboden of toegestaan) met het oog op een betere werking van de interne markt voor de desbetreffende producten door mogelijke vereenvoudiging /* COM/2012/0415 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES
PARLEMENT EN DE RAAD Mogelijke voor- en nadelen van een beperking
van het aantal categorieën vuurwapens tot twee (verboden of toegestaan) met het
oog op een betere werking van de interne markt voor de desbetreffende producten
door mogelijke vereenvoudiging Met dit verslag wordt beantwoord aan een van
de bepalingen van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de
controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens, als gewijzigd
bij Richtlijn 2008/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008. 1. Richtlijn 91/477/EEG en de
categorie-indeling van vuurwapens 1.1. Richtlijn 91/477/EEG was oorspronkelijk
een begeleidende maatregel bij de totstandbrenging van de interne markt. Enerzijds
werd het verkeer van vuurwapens tussen lidstaten op bepaalde punten
vergemakkelijkt, anderzijds werden in het Europees recht bepaalde aan dit type
producten aangepaste veiligheidsgaranties opgenomen. 1.2. De richtlijn omvat twee bijlagen, in de
eerste waarvan (bijlage I) een indeling van vuurwapens in categorieën is
vastgelegd, hoofdzakelijk op basis van gevaarlijkheid, die nog altijd van
kracht is. Er werden 4 categorieën ingesteld: categorie A omvat verboden
vuurwapens (oorlogswapens), categorie B vergunningsplichtige vuurwapens
(hoofdzakelijk wapens voor sportschieten en jacht), categorie C
aangifteplichtige vuurwapens (hoofdzakelijk jachtwapens), en categorie D
(andere vuurwapens), die eigenlijk maar één type wapen betreft[1]. 1.3. Deze categorie-indeling moet beschouwd
worden als een minimumvoorschrift, zoals overigens alle regelgeving van de
richtlijn. Artikel 3 van Richtlijn 91/477/EEG[2],
biedt de lidstaten de mogelijkheid een strikter onderscheid te maken,
bijvoorbeeld door categorie C en/of D te schrappen, of ook door specifieke
typen wapens in een hogere categorie in te delen, afhankelijk van hun beleid of
gezichtspunten inzake de openbare veiligheid of hun traditionele
jachtpraktijken. 1.4. Deze beoordelingsmarge voor de lidstaten
vloeit voort uit de aard van de richtlijn, die niet gericht is op volledige
harmonisatie, maar wel een bepaald minimumniveau van veiligheid wil garanderen,
onverminderd eventuele acties van de lidstaten om illegale wapenhandel te
voorkomen[3]. 1.5. Er zij op gewezen dat deze richtlijn niet
van toepassing is op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens door de
strijdkrachten, de politie, overheidsdiensten of verzamelaars en instellingen
met een cultureel of historisch oogmerk op wapengebied, die als zodanig erkend zijn
in de lidstaat waarin zij gevestigd zijn. Op deze manier wordt een fundamenteel
onderscheid gemaakt tussen "civiele" wapens en andere typen wapens
voor militair gebruik, die soms ook door criminelen worden gebruikt. 1.6. De Commissie heeft het Europees Parlement
en de Raad op 15 december 2000 een verslag voorgelegd over de toepassing van de
richtlijn[4].
De conclusies, die over het algemeen positief waren, en waarin geen aanleiding
werd gezien om de categorie-indeling van vuurwapens van bijlage I te herzien,
zijn tot op heden niet weersproken. 2. De categorie-indelingen van
vuurwapens in de context van de goedkeuring van Richtlijn 2008/51/EG van 21 mei
2008 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG en de voor dit verslag gevolgde
methode 2.1. In de context van de werkzaamheden van de
medewetgever ging een eerste benadering uit van twee centrale overwegingen: een
beperking van het aantal categorieën vuurwapens tot twee (verboden en
vergunningsplichtig) zou de Europese burger meer zekerheid bieden en tegelijkertijd
eenvoudiger zijn voor de marktdeelnemers. 2.2. Dit standpunt werd echter niet gedeeld
door diegenen die van mening waren dat de lidstaten een zekere
beoordelingsmarge moesten behouden bij de interne classificatie van vuurwapens,
vanzelfsprekend met inachtneming van de in bijlage I vastgelegde
minimumdrempels. De marktdeelnemers en de regelmatige gebruikers van civiele
vuurwapens leken evenmin overtuigd van de voordelen van een dergelijke
vereenvoudiging. 2.3. Deze standpunten zijn als volgt
samengevat in overweging 18 van Richtlijn 2008/51/EG: "Verscheidene
lidstaten hebben de wijze waarop zij vuurwapens onderverdelen vereenvoudigd
door over te schakelen van vier categorieën naar twee (…). Alle lidstaten
zouden deze vereenvoudigde indeling moeten overnemen, hoewel lidstaten die een
andere categorie-indeling hanteren hun bestaande indelingssysteem, in
overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, kunnen handhaven." 2.4. Het doel van dit verslag is dus de
kwestie van de nomenclatuur van vuurwapens opnieuw te bestuderen, met name
vanuit de invalshoek van verbetering van het functioneren van de interne markt
en met het oog op het "verslag over de situatie die is ontstaan door de
toepassing van deze richtlijn, in voorkomend geval vergezeld van
voorstellen" dat de Commissie uiterlijk op 28 juli 2015 aan het
Europees Parlement en de Raad moet voorleggen, zoals eveneens in de richtlijn
bepaald is. 2.5. De diensten van de Commissie hebben
gekozen voor een aanpak waarbij enerzijds de voor vuurwapens bevoegde diensten
van de lidstaten betrokken werden (hoofdzakelijk de ministeries van
binnenlandse zaken of van justitie, al naar gelang de lidstaat), waaraan in de
loop van november 2011 een vragenlijst is gezonden, en anderzijds de
voornaamste groepen gebruikers van civiele vuurwapens (met name fabrikanten,
handelaren, jagers, sportschutters en verzamelaars) die bij verschillende
gelegenheden hun standpunten naar voren konden brengen. 2.6. De aan de bevoegde diensten van de
lidstaten gestelde vragen bestreken een breed terrein en betroffen de volgende
aspecten: (1)
het economische belang van de sector producenten
van en handelaren in vuurwapens (2)
de aantallen geregistreerde jagers en
sportschutters (3)
de aantallen houders van een Europese vuurwapenpas (4)
gegevens over de ontwikkeling van criminaliteit en
overtredingen in de afgelopen jaren (5)
eventuele problemen bij de tracering van vuurwapens (6)
de systematische toepassing van de
vergunningsregeling bij de aankoop van een vuurwapen (7)
vergunningen geldig voor één wapen of voor meerdere (8)
impliciete vergunning op basis van een andere
vergunning of licentie (9)
eventueel bestaan van een simpele aangifteregeling (10)
belangstelling voor een verplichte vermindering van
het aantal categorieën in de Europese wetgeving (11)
mogelijke gevolgen van een dergelijke vermindering
voor de betreffende economische sectoren (12)
suggesties voor mogelijke verbeteringen. Daarnaast werd duidelijk aangegeven dat de
vragenlijst alleen betrekking had op wapens die onder de richtlijn vallen, dat
wil zeggen jacht- en sportwapens, en niet op militaire wapens. 3. Beoordeling van het
economisch gewicht van de sector en de voornaamste gebruikers van vuurwapens op
basis van de antwoorden op de vragenlijst; Algemeen 3.1. Men kan om te beginnen een groep
lidstaten onderscheiden die geen of praktisch geen civiele vuurwapenindustrie
bezitten. Deze groep is ook relatief talrijk, namelijk meer dan een dozijn
lidstaten. Maar ook als de productie onbeduidend is, kan de detailhandel een
zekere omvang hebben: zo telt Finland bijvoorbeeld niet minder dan 600
handelaren die zich hoofdzakelijk met detailhandel en/of reparatie bezig
houden, en in Hongarije zijn dat er ongeveer 500. 3.2. Een andere groep landen bezit een
relatief gevestigde industrie, vaak met een lange traditie, maar met een
relatief bescheiden productieniveau. Voorbeelden daarvan zijn Slowakije, de
Tsjechische Republiek, Oostenrijk en Polen. Ook in deze landen zijn evenwel
vaak aanzienlijke aantallen (tussen-)handelaren/dealers, wapensmeden enz. te
vinden: ongeveer 500 in Polen, en zelfs 700 in Oostenrijk[5]. 3.3. De belangrijkste productiezones zijn te
vinden in de volkrijkste lidstaten, hoewel dat steeds minder opgaat, vanwege de
algemene achteruitgang van deze bedrijfstak. In Duitsland en Italië worden nog
relatief veel civiele wapens geproduceerd, vaak vooral voor de export[6], maar in Frankrijk en het
Verenigd Koninkrijk is de productie sterk gedaald, en in mindere mate ook in
Spanje. Dit belet niet dat er een (soms dicht) netwerk van handelaren kan
blijven bestaan, zoals bijvoorbeeld in Frankrijk het geval is[7]. 3.4. Het blijft echter een feit dat de
lidstaten met de grootste bevolking ook de grootste aantallen jagers en
sportschutters tellen. Zo zijn er meer dan 1 400 000 jagers in
Frankrijk, ongeveer 850 000 in Italië, en meer dan 1 500 000 in
Spanje. Sportschutters zijn traditioneel minder talrijk dan jagers, maar het
gaat toch om significante aantallen: ongeveer 300 000 in Italië,
213 000 in Frankrijk, en ongeveer 14 600 in Polen. 3.5. Het is interessant dat bepaalde lidstaten
met een relatief kleine bevolking (vergeleken met het EU-gemiddelde) grote
aantallen jagers of sportschutters tellen. Zo zijn er in Zweden minstens
490 000 jagers en 96 000 sportschutters, en in Finland meer dan
300 000 jagers en 35 000 sportschutters. Denemarken telt ongeveer
169 000 jagers en 120 000 sportschutters. 3.6. Een ander relevant gegeven is het aantal
houders van een Europese vuurwapenpas[8],
dat natuurlijk een goede (hoewel zeker niet de enige) indicatie geeft van de
mobiliteit van jagers en sportschutters binnen de Europese Unie. Bepaalde
lidstaten, bijvoorbeeld Oostenrijk, tellen een relatief hoog aantal houders van
dit document (38 000), andere relatief minder (ongeveer 20 000 in
Italië, 39 378 in Frankrijk). 4. Gegevens betreffende de
ontwikkeling van misdrijven en overtredingen in verband met het gebruik van
vuurwapens en de traceerbaarheid van civiele vuurwapens 4.1. Het antwoord op de vraag of zich in de
laatste jaren een significante stijging heeft voorgedaan van criminaliteit
waarbij jacht- of sportwapens betrokken waren, was in de meeste gevallen
negatief. Enkele lidstaten, waaronder Griekenland, Polen, Zweden en Portugal,
maken melding van een lichte of relatief onbetekenende toename. 4.2. De meeste lidstaten zijn met Oostenrijk,
Hongarije, Bulgarije, het Verenigd Koninkrijk, Finland en Spanje van mening dat
dit type misdrijven een stabiele tendens vertoont. Enkele lidstaten, zoals
België en Ierland, constateren zelfs een lichte daling. 4.3. Bij de ontwikkeling van de
vuurwapencriminaliteit spelen natuurlijk ook andere factoren een rol,
bijvoorbeeld illegale handelsstromen van hoofdzakelijk militaire wapens na
afloop van gewapende conflicten. Dergelijke wapens vallen echter buiten de
werkingssfeer van de richtlijn, waarin ze al als verboden zijn aangemerkt
(categorie A van bijlage I), in tegenstelling tot wapens die kunnen worden
aangeschaft om een vrijetijdsactiviteit of sport te beoefenen. 4.4. De door de richtlijn toegestane wapens
zijn in feite over het algemeen veel eenvoudiger te traceren, zoals uit de voor
het merendeel geruststellende antwoorden op de vragenlijst blijkt, althans wat
het legale verkeer binnen de Unie betreft; de meeste lidstaten zijn van mening
dat er relatief weinig fundamentele problemen zijn, althans op nationaal
niveau, wat het traceren van civiele vuurwapens betreft. 4.5. Er zijn wel enkele problemen met
betrekking tot de verzameling en verwerking van gegevens die het mogelijk
moeten maken de weg terug te volgen van een wapen dat een hele reeks eigenaars
gehad heeft. Het is dus met name van essentieel belang dat de lidstaten – en de
wapenhandelaren – hun registers goed bijhouden en dat de politie en andere
bevoegde diensten ook toegang hebben tot die registers. 5. Regelingen inzake de
verwerving en het voorhanden hebben van civiele vuurwapens 5.1. Uit de antwoorden op de vragenlijst
blijkt dat het algemene principe is dat voor de verwerving en het voorhanden
hebben van civiele vuurwapens een vergunning nodig is, en in een veel beperkter
aantal gevallen aangifte of registratie bij een overheidsdienst, wat in de
praktijk neerkomt op indirecte verlening van een vergunning. Dit algemene
uitgangspunt belet niet dat voor bepaalde typen wapens, of wapens die bepaalde
kenmerken vertonen, in bepaalde lidstaten soepelere regelingen voor de aanschaf
kunnen gelden, bijvoorbeeld voor bepaalde antieke wapens of onklaar gemaakte
wapens. 5.2. Een vergunningsregeling houdt echter niet
automatisch in dat systematisch een vergunning moet worden aangevraagd bij de
aanschaf van ieder afzonderlijk wapen. In sommige landen (bijvoorbeeld
Oostenrijk, Polen en Luxemburg) kan een vergunning worden afgegeven voor een
bepaald aantal specifieke wapens waarvan de kenmerken in de vergunning zelf
zijn aangegeven. 5.3. De vergunning om een wapen te kopen kan
gekoppeld zijn aan een ander recht of een andere voorwaarde, bijvoorbeeld de
hoedanigheid van jager of sportschutter, of in bepaalde gevallen aan een
administratief besluit dat de koper gerechtigd is een wapen aan te schaffen om
redenen van persoonlijke bescherming (bijvoorbeeld in Finland en Polen). 5.4. De aangifteplicht – voor categorie C
volgens bijlage I bij Richtlijn 91/477/EEG – is nog steeds van toepassing op
een groot aantal jachtwapens, hoofdzakelijk in Frankrijk. Deze regeling houdt
in dat de koper de wapenhandelaar een kopie van zijn identiteitsbewijs en van
een document waaruit blijkt dat hij gerechtigd is de aankoop te doen,
overhandigt (een geldige jachtvergunning bijvoorbeeld); vervolgens vult hij
samen met de handelaar[9]
een verklaring in, die door laatstgenoemde wordt geregistreerd en doorgestuurd
aan de bevoegde autoriteiten. Als die autoriteiten bezwaren hebben tegen de
transactie, gelasten zij de koper het wapen terug te brengen of laten zij het
wapen door de politie afhalen. 5.5. Er bestaat in Frankrijk ook een zeker
aantal jachtwapens die in een nieuwe intermediaire categorie tussen de
categorieën C en D van de richtlijn vallen: het gaat hierbij om lange
enkelschots jachtwapens met gladde loop, die onder een nieuwe
"registratieregeling" vallen, vergelijkbaar met de
"aangifteregeling" (kopie van de identiteitskaart en van de
jachtvergunning/sportschutterslicentie, formulier invullen, verificatie door de
politie). 5.6. Uit de antwoorden op de vragenlijst kan
worden afgeleid dat het niet langer mogelijk is vuurwapens zonder enige
formaliteit aan te schaffen, een mogelijkheid die de richtlijn nog open liet
voor categorie D, lange enkelschotswapens met gladde loop. De lidstaten waar
deze mogelijkheid nog bestond, hebben alle strengere eisen ingevoerd (zoals
aangegeven in de vorige alinea). 5.7. Er zij overigens op gewezen dat de
indeling van een in een bepaalde lidstaat ingevoerd wapen volgens de regeling
die in die lidstaat van kracht is (verbod, vergunning, aangifte, registratie)
prevaleert boven de indeling van dat wapen in het land waar het is gekocht. Met
andere woorden, als bijvoorbeeld een wapen gekocht is in een lidstaat waar het
onder de vergunningsregeling valt en de nieuwe eigenaar (ook als die houder van
een Europese vuurwapenpas is) het wil meenemen naar een andere lidstaat waar
het als een verboden wapen wordt beschouwd, prevaleert natuurlijk de regeling
van de laatste lidstaat, en kan het wapen het land waar het gekocht is niet
verlaten. 6. De lidstaten hebben
uiteenlopende standpunten over de opportuniteit van een vermindering van het
aantal in de richtlijn voorziene categorieën 6.1. Bepaalde lidstaten, waaronder Polen, het
Verenigd Koninkrijk, Ierland, Denemarken en Letland, zijn geïnteresseerd in een
beperking van het aantal categorieën op EU-niveau tot twee, en menen dat dit
een vereenvoudiging zou betekenen. 6.2. Andere lidstaten daarentegen menen dat de
flexibiliteit die indeling van de richtlijn in zijn huidige vorm biedt, bewaard
zou moeten blijven. Zweden, Italië, Hongarije en België zien niet in dat een
dergelijke aanpassing van de huidige nomenclatuur reële voordelen zou opleveren
en menen dat de herziening administratieve lasten en onnodige kosten met zich
zou brengen. 6.3. Sommige lidstaten, zoals Slowakije,
Nederland en Roemenië, hebben weliswaar zelf op nationaal niveau een systeem
met twee of drie categorieën ingevoerd, maar menen desalniettemin dat de
lidstaten de vrijheid moeten behouden om indelingen te hanteren die zij passend
achten binnen de geldende nomenclatuur. 6.4. Op de vraag of een dergelijke beperking
van het aantal categorieën een wezenlijk effect op de betreffende economische
sectoren zou hebben, antwoorden de meeste lidstaten hetzij dat dit effect
moeilijk te meten zou zijn, hetzij dat dit waarschijnlijk niet het geval zou
zijn, gezien het feit dat de indeling in twee categorieën in de praktijk in hun
land al gehanteerd wordt. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat het vooral
de lidstaten zijn waar geen vuurwapens worden geproduceerd die ervan uitgaan dat
een inkrimping van de categorieën voor hen nauwelijks schadelijke economische
gevolgen zou hebben. 6.5. Bepaalde lidstaten die wel een vuurwapens
producerende bedrijfstak bezitten, zoals bijvoorbeeld Italië en België, menen
daarentegen dat deze sector van de economie schade zou lijden. Weer andere
lidstaten, zoals Polen, menen dat er economische gevolgen zouden kunnen
optreden, maar zien daarin geen reden om af te zien van een vermindering van
het aantal categorieën. 6.6. Een meerderheid van de lidstaten is er
echter niet van overtuigd dat de beperking van het aantal categorieën
vuurwapens in bijlage I bij de richtlijn tot twee duidelijke voordelen zou
opleveren die het beter functioneren van de interne markt zouden bevorderen. De
vrees werd zelfs geuit dat strengere beperkingen ertoe zouden kunnen leiden dat
meer wapens in het illegale circuit terechtkomen. 7. Er zijn enkele suggesties
gedaan voor alternatieven voor een beperking van het aantal categorieën om de
regels voor het verkeer van vuurwapens te vereenvoudigen en tegelijkertijd de
openbare veiligheid te versterken 7.1. In dit verband zouden bepaalde lidstaten,
waaronder Duitsland, Estland en Polen, het een goed idee vinden
gemeenschappelijke normen vast te stellen voor het onbruikbaar maken van vuurwapens,
op basis van technische voorstellen van de ad-hocwerkgroepen van de Permanente
Internationale Commissie voor de beproeving van handvuurwapens (C.I.P.[10]); dat zou zowel meer
veiligheid als een vergemakkelijking van de handel binnen de Unie kunnen opleveren. 7.2. Andere lidstaten, zoals Zweden,
Nederland, Frankrijk, Luxemburg en Portugal, zijn van mening dat de
automatisering van de gegevensverwerking in de lidstaten verbeterd zou kunnen
worden, teneinde de bewegingen van vuurwapens en van hun eigenaars te kunnen
volgen. Er zou dus meer gedaan moeten worden ter verbetering van de
toegankelijkheid voor alle lidstaten van de informatie in de registers, hetgeen
natuurlijk ook de uitwisseling van informatie binnen de EU zou bevorderen, waar
nodig. 7.3. Er zijn ook meer specifieke suggesties
gedaan, bijvoorbeeld het uitrusten van de voertuigen van commerciële
vervoerders van vuurwapens met GPS-zenders om ze te kunnen lokaliseren
(Tsjechische Republiek) of meer toezicht op de activiteiten van particuliere veiligheidsdiensten
(Bulgarije); andere voorstellen zijn ambitieuzer, bijvoorbeeld het met elkaar
in overeenstemming brengen van de (wettelijke) definities inzake vuurwapens,
teneinde een gemeenschappelijk aanpak op het niveau van de Unie te bevorderen
(Nederland). 7.4. Enkele lidstaten zijn voorstander van
invoering van een standaardoverdrachtformulier voor de handel in vuurwapens
(Roemenië). In een dergelijk document zouden alle gegevens die in aanvragen
voor vergunningen of in kennisgevingen van commerciële transacties tussen
lidstaten staan, verwerkt kunnen worden. 7.5. Er zijn evenwel ook veel lidstaten die
van mening zijn dat de bestaande situatie in grote lijnen bevredigend is en
geen bijzondere maatregelen voorstellen. Enkele landen, bijvoorbeeld Italië,
stellen dat iedere eventuele wijziging getoetst moet worden aan het
evenredigheidsbeginsel en dat initiatieven op het niveau van de EU alleen
gerechtvaardigd zijn als blijkt dat er een werkelijke noodzaak bestaat. 7.6. Over het geheel gezien, hebben de opmerkingen
van de lidstaten hoofdzakelijk betrekking op traceerbaarheid en de
neutralisatie van vuurwapens. Dat zijn ook inderdaad twee aspecten waar de
Commissie behoefte aan regelgeving ziet, bijvoorbeeld door het opstellen van
gemeenschappelijke richtsnoeren inzake normen en technieken voor het
onbruikbaar maken, of door meer controle op de naleving van de verplichting van
de lidstaten om een geautomatiseerd register bij te houden[11], twee taken die al in
Richtlijn 2008/51/CE zelf zijn vastgelegd. 8. De voornaamste
gebruikersgroepen lijken geïnteresseerd in vereenvoudigingen die niet
noodzakelijkerwijs een beperking van het aantal categorieën inhouden 8.1. De jagers (ongeveer 7 miljoen in de
Europese Unie[12])
zijn kennelijk redelijk tevreden met de huidige indeling, wanneer die aangepast
is aan hun jachttradities en –praktijken en aan het niveau van openbare
veiligheid in hun lidstaat. Zij hechten veel belang aan de erkenning en de
bevordering van de Europese vuurwapenpas, die hen in staat stelt zich zonder veel
problemen van de ene naar de andere lidstaat te begeven met een acceptabel
niveau van controle en veiligheid. 8.2. Ook sportschutters kunnen gebruikmaken
van de Europese vuurwapenpas om zich van de ene naar de andere lidstaat te
verplaatsen, in de meeste gevallen om deel te nemen aan wedstrijden. Deze
grensoverschrijdende beoefening van de schietsport is kennelijk goed
georganiseerd en onderworpen aan strikte vergunningsregels, onder toezicht van
lokale of nationale schietsportverenigingen en federaties. Ook hier zou een
verplichte inkrimping van het aantal categorieën op Europees niveau niet tot
duidelijke vereenvoudigingen leiden. 8.3. Hoewel hun activiteiten niet binnen de
werkingssfeer van de richtlijn vallen, zouden verzamelaars van antieke en
historische vuurwapens en replica's van dergelijke wapens ook graag de
mogelijkheid hebben hun verzamelobjecten in een Europese vuurwapenpas te laten
registreren, hetgeen het verkeer van dit type producten van de ene naar de
andere lidstaat zou vereenvoudigen. Deze sector, die ook handelaren, culturele
instellingen, veilinghuizen, beëdigde deskundigen enz. omvat, zou zich in het
algemeen verheugen over verdere maatregelen die de erkenning van dit type
wapens en de overbrenging daarvan naar andere lidstaten vergemakkelijken. 8.4. De producenten van civiele vuurwapens
zijn geïnteresseerd in eventuele op vereenvoudiging gerichte maatregelen. In
dit verband is de invoering van algemene vergunningen voor overbrenging van
vuurwapens binnen de Unie een oude wens van de bedrijfstak. De lidstaten zouden
dan niet meer per overbrenging een vergunning moeten afgeven, maar de
vergunning zou geldig zijn voor een bepaalde periode en voor een bepaald type
producten[13],
natuurlijk alleen voor marktdeelnemers die bepaalde garanties bieden. 8.5. Verder zijn zowel de producenten als de
detailhandelaren voorstanders van vereenvoudiging wat betreft de definitie van
"essentiële onderdelen" van vuurwapens. De definities in de nationale
wetgevingen van essentiële onderdelen van vuurwapens sluiten niet altijd goed
op elkaar aan, en meer duidelijkheid zou zowel het soepele verloop als de
veiligheid bij commerciële transacties bevorderen. 8.6. Kort samengevat lijkt het erop dat de
huidige indeling van vuurwapens in categorieën in de wetgeving van de EU geen
aanleiding geeft tot wezenlijke kritiek van de kant van de voornaamste
gebruikersgroepen van de richtlijn. Wel leeft duidelijk de wens naar bepaalde
vereenvoudigingen, met het oog op het beter functioneren van de interne markt. 9. De kwestie van de
categorie-indeling van civiele vuurwapens op het niveau van de Unie zou echter
opnieuw beoordeeld kunnen worden in het licht van in de richtlijn zelf
aangegeven termijnen en ontwikkelingen 9.1. Het geautomatiseerde systeem van
gegevensbestanden dat de lidstaten uiterlijk op 31 december 2014 moeten
invoeren en bijhouden, zal zeker beantwoorden aan de wens naar verbetering van
de toegankelijkheid van gegevens die uit de antwoorden op de vragenlijst naar
voren komt. In die context zal het interessant zijn opnieuw te kijken naar
eventuele traceerbaarheidsproblemen op het niveau van de Unie die mogelijk
terug te voeren zijn op de huidige indeling van de richtlijn. 9.2. De ontwikkeling van gemeenschappelijke
methoden voor het onbruikbaar maken van vuurwapens, waarop een aantal lidstaten
in hun antwoorden heeft aangedrongen, is overigens een taak die de Commissie
binnenkort op zich zal nemen, overeenkomstig de bepalingen van de richtlijn[14]. Dat zou moeten leiden tot een
hoger niveau van veiligheid bij het verkeer van dit type producten. 9.3. Er zij verder op gewezen dat Richtlijn
2008/51/EG een verwijzing bevat die ook zou kunnen beantwoorden aan de door de
lidstaten geuite wens naar betere traceerbaarheid: in overweging 7 wordt
verwezen naar het Verdrag van 1 juli 1969 inzake wederzijdse erkenning van
keurmerken op handvuurwapens, dat "… zoveel mogelijk als referentie
voor het markeringssysteem in de gehele Gemeenschap dient te worden gebruikt.". 9.4. Met het oog daarop zou op korte termijn
gedacht kunnen worden aan samenwerking tussen de Europese Unie en de structuren
van de Permanente Internationale Commissie voor beproeving van handvuurwapens
(C.I.P.) met het oog op ontwikkeling van algemeen erkende normen in de Unie
voor de beproeving van vuurwapens. Een aanvullende controle en attestering van
de productie en het verkeer van vuurwapens binnen de Europese Unie zou voor
alle aspecten van de veiligheid van voordeel kunnen zijn. 9.5. Gelet op het bovenstaande kan dus
geconcludeerd worden dat een verplichte beperking op EU-niveau van het aantal
categorieën vuurwapens tot twee op zichzelf geen duidelijke voordelen zou
bieden. Een voorstel in die zin zou hoe dan ook in een breder perspectief
moeten worden geplaatst, om te voorkomen dat de discussie alleen zou gaan over
de vraag welk type document dan als basis voor een vergunning beschouwd zou
moeten worden, om dan uiteindelijk hoogstwaarschijnlijk in een situatie te
belanden die nauwelijks verschilt van de huidige diversiteit in de Unie. 9.6. Het is daarom beter om te wachten met een
analyse van alle mogelijke en wenselijke aanpassingen van Richtlijn 2008/51/EG
tot het verslag over de situatie als gevolg van de toepassing van de richtlijn
dat de Commissie uiterlijk op 28 juli 2015 aan het Europees Parlement en de
Raad zal voorleggen – eventueel vergezeld van voorstellen – een en ander in het
perspectief van een vereenvoudiging die rekening houdt met alle specifieke
kenmerken en beperkingen die inherent zijn aan dit type producten. 9.7. De conclusies van dit verslag zullen
nader worden toegelicht op de vergadering van de bij de richtlijn ingestelde
contactgroep in oktober 2012. Dit verslag zal ook besproken moeten worden op
een conferentie over de illegale handel in vuurwapens die de Commissie eind
november 2012 voornemens is te organiseren en waaraan verschillende bij de
bestrijding van deze vorm van criminaliteit betrokken partijen zullen
deelnemen. Bij die gelegenheid zal moeten worden vastgesteld aan welke
maatregelen er behoefte is en in welke richting toekomstige initiatieven zouden
moeten gaan. [1] Lange enkelschotsvuurwapens met gladde loop [2] "De lidstaten kunnen in hun wetgeving strengere
voorschriften opnemen dan die welke in deze richtlijn zijn vervat, onder
voorbehoud van de rechten die bij artikel 12, lid 2, aan de ingezetenen van de
lidstaten worden toegekend." [3] Overweging 8 van Richtlijn 91/477/EEG stelt dan ook
vast: "Overwegende dat de richtlijn de bevoegdheid van de lidstaten
maatregelen te nemen teneinde de illegale wapenhandel te voorkomen, onverlet
laat,". [4] COM(2000) 837 definitief. [5] Bron voor Oostenrijk: Association européenne de
commerce d’armes civiles. [6] 85 à 90% van de Duitse productie van civiele vuurwapens
wordt geëxporteerd naar de EU of naar derde landen (bron: Association of
European Manufacturers of Sporting Firearms). [7] Volgens de cijfers van het Institut européen des
armes de chasse en de sport zijn er 800-1000 verkooppunten in Frankrijk
waarvan de handel in en de reparatie van civiele wapens de voornaamste
activiteit is. [8] De Europese vuurwapenpas is ingevoerd bij Richtlijn
91/477/EEG. Het betreft "… een document dat door de autoriteiten van de
lidstaten aan een persoon die wettig houder en gebruiker van een vuurwapen
wordt, op diens verzoek wordt afgegeven" (artikel 1, lid 4). Dit document
stelt de houder in staat om onder een vereenvoudigd vergunningensysteem met
zijn wapen van de ene naar de andere lidstaat te reizen, gewoonlijk om daar op
jacht te gaan of aan een schietwedstrijd deel te nemen. De gebruikers zijn zeer
tevreden over deze regeling en voor zover bekend hebben zich geen problemen in
verband met de openbare veiligheid voorgedaan bij de afgifte of het gebruik van
deze pas. [9] De wapenhandelaar voert op dat moment een eerste
controle uit door het register van personen aan wie geen vuurwapens mogen
worden verkocht te raadplegen. [10] De Permanente Internationale Commissie voor de beproeving
van handvuurwapens (C.I.P.) is voortgekomen uit een intergouvernementele
overeenkomst waarbij de voornaamste Europese vuurwapens producerende landen (11
Europese landen plus Chili, Rusland en de Verenigde Arabische Emiraten) zich
ertoe verplichtten de beproevingen van vuurwapens en munitie te erkennen die
vóór het in de handel brengen daarvan worden verricht door zogenaamde
"proefbanken", overeenkomstig technische criteria die door de C.I.P.
worden ontwikkeld en indien nodig aangepast. Deze erkenning is gebaseerd op op
het vuurwapen aangebrachte stempels/proefbanktekens aan de hand waarvan kan
worden vastgesteld welke proefbank het wapen getest heeft. Een aantal
proefbanken neutraliseert ook vuurwapens, maar de technieken en voorschriften
voor het definitief onbruikbaar maken zijn uiteenlopend en worden niet
noodzakelijkerwijs erkend in andere lidstaten. [11] Dit geautomatiseerde vuurwapenregister, dat het mogelijk
moet maken een wapen aan de eigenaar te koppelen, dient volgens richtlijn
2008/51/EG uiterlijk op 31 december 2014 gereed te zijn. [12] Cijfers verstrekt door de Fédération des Associations
de Chasse et Conservation de la Faune Sauvage de l’UE (FACE) waarbij de
nationale verenigingen van jagers in de lidstaten van de Europese Unie en de
andere landen van de Raad van Europa aangesloten zijn. [13] Theoretisch wordt deze mogelijkheid al geboden door
Richtlijn 91/477/EEG. Artikel 11 bepaalt dat wapenhandelaars het recht kunnen
krijgen om in bepaalde gevallen zonder voorafgaande vergunning vuurwapens naar
een andere lidstaat over te brengen. Deze mogelijkheid wordt echter in de
praktijk zelden benut omdat zowel de lidstaat van herkomst als de lidstaat van
bestemming dit recht moet toekennen, in een vergelijkbaar regelgevend kader. [14] Bijlage I, punt IIIa), bepaalt: "De Commissie stelt
gemeenschappelijke richtsnoeren op volgens de procedure met toetsing van
artikel 13 bis, lid 2, van deze richtlijn, betreffende normen en technieken om
te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar
zijn.".