This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52011PC0625
Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL establishing rules for direct payments to farmers under support schemes within the framework of the common agricultural policy
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
/* COM/2011/0625 definitief/2 - 2011/0280 (COD) */
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid /* COM/2011/0625 definitief/2 - 2011/0280 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET
VOORSTEL In haar voorstel inzake het meerjarig
financieel kader voor de periode 2014-2020[1] zet de Commissie
het begrotingskader en de voornaamste leidraden voor het gemeenschappelijk
landbouwbeleid (GLB) uiteen. Op basis daarvan komt zij met een reeks
verordeningen tot vaststelling van het wetgevingskader voor het GLB voor de
periode 2014‑2020, en met een beoordeling van de effecten van alternatieve
scenario's voor de ontwikkeling van het beleid. De huidige hervormingsvoorstellen zijn
gebaseerd op de mededeling over het GLB tot 2020[2]. Daarin geeft
Commissie aan welke globale beleidsopties een antwoord moeten bieden op de
uitdagingen waarmee de landbouw en de plattelandsgebieden zullen worden
geconfronteerd, en moeten leiden tot de verwezenlijking van de doelstellingen
van het GLB, namelijk 1) een rendabele voedselproductie, 2) een duurzaam beheer
van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, en 3) een evenwichtige
territoriale ontwikkeling. Zowel tijdens de interinstitutionele besprekingen[3]
als gedurende het overleg met de belanghebbende partijen in het kader van de
effectbeoordeling bleek een breed draagvlak te bestaan voor de leidraden in de
mededeling die richting moeten geven aan de hervorming. Gedurende het proces bleken alle partijen het
erover eens te zijn dat het efficiënte gebruik van de hulpbronnen moet worden
bevorderd om, overeenkomstig de Europa 2020‑strategie, te komen tot een slimme,
duurzame en inclusieve groei van de landbouw en de plattelandsgebieden in de
EU, en bleken zij tevens de mening te delen dat hiervoor moet worden uitgegaan
van de bestaande structurering van het GLB rond twee pijlers die aan de hand
van op elkaar aansluitende instrumenten dezelfde doelstellingen nastreven. De
eerste pijler omvat enerzijds de rechtstreekse betalingen en de
marktmaatregelen die de landbouwers in de EU moeten verzekeren van een
jaarlijks basisbedrag ter ondersteuning van hun inkomen, en anderzijds de steun
bij specifieke marktverstoringen. De tweede pijler heeft betrekking op
maatregelen voor plattelandsontwikkeling in het kader waarvan de lidstaten met
inachtneming van een gemeenschappelijk kader meerjarenprogramma's opstellen en
cofinancieren[4]. De opeenvolgende hervormingen van het GLB
hebben ertoe geleid dat de producenten van inkomenssteun worden voorzien en de
landbouw tegelijkertijd marktgerichter is geworden, dat de milieuvereisten
beter in het beleid zijn geïntegreerd en dat meer steun wordt verleend voor
plattelandsontwikkeling als geïntegreerd beleidsinstrument voor de ontwikkeling
van plattelandsgebieden in de hele EU. Naar aanleiding van hetzelfde
hervormingsproces gaan echter steeds meer stemmen op voor een betere verdeling
van de steun over en binnen de lidstaten en voor doelgerichtere maatregelen om
milieuproblemen aan te pakken en om beter op te treden tegen de toegenomen
marktvolatiliteit. De hervormingen uit het verleden hadden vooral
tot doel te reageren op endogene problemen gaande van enorme overschotten tot
voedselveiligheidscrises, en hebben hun nut voor de EU, zowel op intern als op
internationaal niveau, zeker bewezen. Dit neemt echter niet weg dat het
merendeel van de uitdagingen die zich nu voordoen, wordt veroorzaakt door
factoren die buiten de landbouw liggen en dus een breder opgezette beleidsaanpak
vergen. Het inkomen van landbouwers zal naar
verwachting onder druk blijven staan in verband met het toenemende aantal
risico's, de afnemende productiviteit en de krappere marges als gevolg van de
duurder wordende productiemiddelen. Daarom is het noodzakelijk de inkomenssteun
te handhaven en de instrumenten te verbeteren om de risico's beter te kunnen
beheren en het hoofd te kunnen bieden aan crisissituaties. Het is voor de
levensmiddelensector en de mondiale voedselzekerheid van vitaal belang dat de
landbouwsector stevig op zijn poten staat. Tegelijkertijd wordt van de landbouwsector en
van de plattelandsgebieden verwacht dat zij zich harder inspannen om de in de
Europa 2020‑agenda ingebedde ambitieuze klimaat‑ en energiedoelstellingen
en biodiversiteitstrategie waar te maken. De landbouwers – samen met de
bosbouwers de voornaamste grondbeheerders – zullen steun nodig hebben bij het
invoeren en in stand houden van landbouwsystemen en ‑praktijken die met name
bijdragen tot de verwezenlijking van doelstellingen op het gebied van milieu en
klimaat. Marktprijzen alleen volstaan namelijk niet om hen ertoe aan te zetten
dergelijke collectieve goederen te leveren. Om de inclusieve groei en cohesie
te bevorderen, is het tevens van essentieel belang de diverse mogelijkheden die
inherent zijn aan de plattelandsgebieden, optimaal te benutten. Met de huidige hervorming wordt het proces van
integratie van milieueisen versneld. Voor het eerst is in de eerste GLB-pijler
een krachtige vergroeningscomponent opgenomen die waarborgt dat alle
EU-landbouwers die steun ontvangen, bij hun dagelijkse activiteiten niet alleen
aan de randvoorwaarden voldoen, maar er ook voor zorgen dat deze activiteiten
klimaat- en milieuwinst opleveren. Dertig procent van de rechtstreekse betalingen
aan landbouwers wordt voortaan gekoppeld aan de vergroening. De klimaat- en
milieuwinst die dit oplevert, komt tot stand doordat koolstof in de bodem
blijft en graslandhabitats behouden blijven dankzij de instandhouding van
grasland, doordat water en habitats worden beschermd dankzij de vestiging van
ecologische aandachtsgebieden en doordat de veerkracht van bodem- en
ecosystemen verbetert dankzij de gewasdiversificatie. Daardoor zullen de grond
en de natuurlijke ecosystemen een sterkere bijdrage kunnen leveren aan de
biodiversiteit in de EU en aan de beoogde aanpassing aan klimaatverandering. Om
voor rechtstreekse betalingen in aanmerking te komen, moeten dus nog steeds
bepaalde randvoorwaarden worden nageleefd. Wel zijn deze nog sterker gericht op
de bescherming van watergebieden en koolstofrijke bodems. Tegelijk zijn ze
gestroomlijnd om de administratieve lasten te beperken. De Commissie wil, met
name om duidelijke verplichtingen voor landbouwers te creëren, de voorschriften
van de kaderrichtlijnen inzake water uiteindelijk in de randvoorwaarden
betrekken zodra alle lidstaten deze richtlijnen volledig hebben omgezet. Ook in
de plattelandsontwikkeling krijgen de doelstellingen van een duurzaam beheer
van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie prioriteit door het herstel, de
instandhouding en de versterking van ecosystemen, een zuiniger omgang met
hulpbronnen en een koolstofarme en klimaatbestendige landbouw centraal te
stellen. Plattelandsontwikkeling zal dus een duidelijke bijdrage kunnen leveren
aan de tenuitvoerlegging van zowel de Natura 2000-richtlijn als de
kaderrichtlijnen inzake water en aan het welslagen van de
EU-biodiversiteitsstrategie tot 2020. Het toekomstige GLB wordt dus geen beleid dat
uitsluitend is afgestemd op een klein, weliswaar wezenlijk, segment van de
economie van de Unie, maar wél een beleid van strategisch belang voor de
voedselzekerheid en het ecologische en territoriale evenwicht. Precies hierin
ligt de toegevoegde waarde van een echt gemeenschappelijk EU‑beleid. Met een
dergelijk beleid worden de beperkte begrotingsmiddelen immers zo efficiënt
mogelijk gebruikt wanneer het erop aankomt in de hele EU een duurzame landbouw
te handhaven, grensoverschrijdende problemen zoals de klimaatverandering aan te
pakken, de solidariteit tussen de lidstaten te verstevigen en tegelijkertijd
voldoende flexibiliteit bij de beleidstenuitvoerlegging in te bouwen om
tegemoet te komen aan lokale behoeften. Overeenkomstig het raamwerk in het voorstel
voor een meerjarig financieel kader moet het GLB zijn tweepijlerstructuur
behouden, met dien verstande dat de nominale begroting voor elke pijler op het
niveau van 2013 blijft en duidelijk de nadruk wordt gelegd op de
verwezenlijking van de essentiële EU‑prioriteiten. De toewijzing van 30 %
van de rechtstreekse betalingen voor verplichte maatregelen ten bate van
klimaat en milieu, moet de duurzame productie stimuleren. De betalingsniveaus
moeten geleidelijk naar elkaar toegroeien en de betalingen aan grote
begunstigden moeten progressief worden afgetopt. Plattelandsontwikkeling moet
samen met andere EU‑fondsen die gedeeld worden beheerd, worden opgenomen in een
gemeenschappelijk strategisch kader dat sterker op resultaten is gericht en
slechts in werking treedt wanneer vooraf aan duidelijkere en verbeterde
voorwaarden is voldaan. Tot slot moet de GLB‑financiering voor marktmaatregelen
worden versterkt met twee instrumenten die buiten het meerjarig financieel
kader vallen: 1) een noodreserve voor crisissituaties, en 2) een Europees Fonds
voor aanpassing aan de globalisering met een ruimere werkingssfeer. De voornaamste componenten van het
wetgevingskader van het GLB voor de periode 2014‑2020 zijn vastgesteld in de
volgende verordeningen: –
Voorstel voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse
betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid (verordening
rechtstreekse betalingen); –
Voorstel voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke marktordening
voor landbouwproducten ("Integrale‑GMO‑verordening"); –
Voorstel voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees
Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) (verordening
plattelandsontwikkeling); –
Voorstel voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van
het gemeenschappelijk landbouwbeleid (horizontale verordening); –
Voorstel voor een verordening van de Raad houdende
maatregelen tot vaststelling van steun en restituties in het kader van de
gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten; –
Voorstel voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de
Raad, wat de toepassing van de rechtstreekse betalingen aan landbouwers voor
2013 betreft; –
Voorstel voor een verordening van het Europees
Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1234/2007, wat
de bedrijfstoeslagregeling en de steun voor wijnbouwers betreft. De verordening plattelandsontwikkeling is
gebaseerd op het op 6 oktober 2011 door de Commissie ingediende voorstel tot
vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor alle fondsen die onder
een gemeenschappelijk strategisch kader vallen[5]. Bovendien zal
een verordening inzake de verstrekking van levensmiddelen aan de meest
hulpbehoevenden in de Unie worden voorgesteld; de financiering voor deze
regeling wordt van nu af aan onder een andere post van het meerjarig financieel
kader ondergebracht. Voorts wordt momenteel in het licht van de
bezwaren van het Hof van Justitie van de Europese Unie gewerkt aan nieuwe
voorschriften voor het bekendmaken van informatie over begunstigden. Met name
wordt nagegaan hoe het recht van de begunstigden op bescherming van hun
persoonsgegevens het best kan worden verzoend met het beginsel van de
transparantie. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING Op basis van een evaluatie van het huidige
beleidskader en een analyse van de toekomstige uitdagingen en behoeften, wordt
in de effectbeoordeling de impact van drie alternatieve scenario's beoordeeld
en vergeleken. Dit is het resultaat van een lang proces dat in april 2010 van
start is gegaan onder leiding van een uit vertegenwoordigers van verschillende
diensten samengestelde groep die uitvoerige kwantitatieve en kwalitatieve
analyses heeft onderzocht en onder meer een basissituatie heeft samengesteld in
de vorm van middellangetermijnprojecties voor de landbouwmarkten en de
landbouwinkomens tot 2020, en een modellering heeft opgesteld van de impact van
de verschillende beleidsscenario's op de economische variabelen van de sector. De drie scenario's die in de effectbeoordeling
zijn uitgewerkt, worden hieronder toegelicht. 1) Een aanpassingsscenario: het
huidige beleidskader wordt voortgezet, met weliswaar een aantal correcties van
de voornaamste tekortkomingen, zoals de verdeling van de rechtstreekse
betalingen. 2) Een integratiescenario: het beleid wordt ingrijpend gewijzigd
door de rechtstreekse betalingen doelgerichter en "groener" te maken,
door het plattelandsontwikkelingsbeleid strategischer toe te passen en beter te
coördineren met andere beleidsgebieden van de EU en door de rechtsgrondslag te
verruimen met het oog op meer samenwerking tussen de producenten. 3) Een
heroriënteringsscenario: het beleid wordt uitsluitend op het milieu gericht en
de rechtstreekse betalingen worden geleidelijk uitgefaseerd aangezien ervan
wordt uitgegaan dat de productiecapaciteit ook zonder steun op peil blijft en
dat de sociaaleconomische behoeften van de plattelandsgebieden in het kader van
andere beleidsgebieden kunnen worden ingevuld. De drie scenario's zijn opgesteld tegen de achtergrond
van de economische crisis en de druk op de overheidsfinanciën (waarop de EU
heeft gereageerd met de Europa 2020‑strategie en het voorstel voor het
meerjarig financieel kader) en kennen elk een ander gewicht toe aan de drie
beleidsdoelstellingen van het toekomstige GLB, dat tot doel heeft een
concurrerende en duurzame landbouw in vitale plattelandsgebieden tot stand te
brengen. Met het oog op een betere afstemming op de Europa 2020‑strategie,
met name wat het efficiënte gebruik van hulpbronnen betreft, wordt het van
steeds essentiëler belang de productiviteit van de landbouw te verbeteren via
onderzoek, kennisoverdracht en het stimuleren van samenwerking en innovatie
(onder meer in het kader van het Europees Partnerschap voor innovatie voor de
productiviteit en duurzaamheid van de landbouw). Hoewel het GLB het
handelsverstorende beleidskader inmiddels achter zich heeft gelaten, wordt
verwacht dat de landbouwsector in de EU verder onder druk zal komen staan van
de liberalisering, met name in het kader van de ontwikkelingsagenda van Doha en
de vrijhandelsovereenkomst met de Mercosur. Bij het opstellen van de drie
beleidsscenario's is rekening gehouden met de voorkeuren die naar voren zijn
gekomen tijdens het overleg in het kader van de effectbeoordeling. De
belanghebbende partijen konden van 23.11.2010 tot 25.1.2011 hun bijdragen
indienen en op 12.1.2011 is een bijeenkomst van een adviescomité gehouden. De
voornaamste punten worden hieronder samengevat[6]. –
De belanghebbende partijen zijn het er grotendeels
over eens dat een sterk, op twee pijlers gebaseerd GLB nodig is om de
uitdagingen (voedselzekerheid, duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen
en territoriale ontwikkeling) aan te gaan. –
De meeste respondenten vinden dat het GLB een rol
moet spelen bij het stabiliseren van markten en prijzen. –
De belanghebbende partijen hebben uiteenlopende
meningen over de gerichtheid van de steun (met name de herverdeling van de
rechtstreekse betalingen en de plafonnering van de betalingen). –
Men is het erover eens dat beide pijlers in
belangrijke mate kunnen bijdragen tot het intensiveren van klimaatgerelateerde
maatregelen en van de milieuprestatie ten bate van de samenleving in de EU. Het
brede publiek pleit ervoor dat de betalingen in het kader van de eerste pijler
doelgerichter worden gebruikt; veel landbouwers vinden dat dat nu al gebeurt. –
De respondenten willen dat alle delen van de EU,
ook de probleemgebieden, delen in de toekomstige groei en ontwikkeling. –
Een groot aantal respondenten legt de nadruk op de
integratie van het GLB en andere beleidsgebieden, zoals milieu, gezondheid,
handel en ontwikkeling. –
Het GLB kan in overeenstemming met de
Europa 2020‑strategie worden gebracht aan de hand van innovatie,
ontwikkeling van concurrerende ondernemingen en de levering van collectieve
goederen aan de EU‑burger. De vergelijking van de drie alternatieve
beleidsscenario's in het kader van de effectbeoordeling heeft de volgende
resultaten opgeleverd. Het heroriënteringsscenario zou leiden tot een
versnelde structurele aanpassing in de landbouwsector dankzij een verschuiving
van de productie naar de meest kostenefficiënte gebieden en rendabele sectoren.
Met dit scenario zouden aanzienlijk meer financiële middelen naar milieu gaan,
maar zou de sector aan de andere kant worden blootgesteld aan grotere risico's
omdat er maar beperkte ruimte bestaat voor interventie op de markt. Bovendien
zou zowel de samenleving als het milieu zware klappen krijgen, aangezien de
minst concurrerende gebieden hun inkomens en natuurlijke omgeving danig
achteruit zouden zien gaan omdat het hefboomeffect van de combinatie
rechtstreekse betalingen ‑ randvoorwaarden verloren zou gaan. Aan de andere kant van het spectrum zou het
aanpassingsscenario de beste kansen op continuïteit van het beleid bieden, plus
de mogelijkheid om weliswaar beperkte, maar tastbare verbeteringen in te voeren
op het gebied van concurrentievermogen en milieuprestatie. Er bestaan echter
ernstige twijfels over de vraag of dit scenario een adequaat antwoord kan
bieden op de belangrijke klimaat‑ en milieuproblemen van de toekomst die mee
zullen bepalen of de duurzaamheid van de landbouw op lange termijn kan worden
gewaarborgd. Met het integratiescenario – en de daarmee
gepaard gaande doelgerichtere en "groenere" rechtstreekse betalingen
– worden nieuwe paden ingeslagen. Volgens de analyse is "vergroening"
tegen een redelijke kostprijs voor de landbouwers een haalbare kaart. Nadeel is
evenwel dat dit onvermijdelijk een grotere administratieve belasting met zich
zal brengen. Ook is het mogelijk de plattelandsontwikkeling een nieuw elan te
geven op voorwaarde dat de lidstaten en de regio's de nieuwe mogelijkheden
efficiënt benutten en het gemeenschappelijk strategisch kader (met daarin ook
de andere EU‑fondsen) de synergie met de eerste pijler niet tenietdoet en de
kenmerkende sterke punten van de plattelandsontwikkeling niet verzwakt. Als men
erin slaagt het juiste evenwicht te bereiken, zou langetermijnduurzaamheid van
de landbouw en de plattelandsgebieden het meest gebaat zijn bij dit scenario. Op basis van het voorgaande wordt in de
effectbeoordeling geconcludeerd dat het integratiescenario er op de meest
evenwichtige manier in slaagt het GLB geleidelijk af te stemmen op de
strategische doelstellingen van de EU. Hetzelfde evenwicht is trouwens terug te
vinden bij de tenuitvoerlegging van de verschillende componenten in de
wetgevingsvoorstellen. Eveneens van essentieel belang is dat een evaluatiekader
wordt ontwikkeld om de prestatie van het GLB te meten aan de hand van een
gemeenschappelijke reeks aan beleidsdoelstellingen gekoppelde indicatoren. Vereenvoudiging was een belangrijke
bekommernis in het hele proces en moet op diverse manieren haar beslag krijgen,
bijvoorbeeld bij het stroomlijnen van de randvoorwaarden en van de marktinstrumenten
en bij het ontwerpen van de regeling voor kleine landbouwers. Bovendien moet
het "vergroenen" van de rechtstreekse betalingen zo worden
vormgegeven dat de administratieve belasting, onder meer op het gebied van
controlekosten, tot een minimum wordt beperkt. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN
VAN HET VOORSTEL Voorgesteld wordt de bestaande
tweepijlerstructuur van het GLB te handhaven, met verplichte algemeen
toepasselijke jaarlijkse maatregelen onder de eerste pijler, aangevuld met
optionele, beter op de specifieke nationale en de regionale kenmerken
toegesneden maatregelen in het kader van de meerjarige programmeringsaanpak
onder de tweede pijler. Met de nieuwe vormgeving van de rechtstreekse
betalingen wordt beoogd de synergieën met de tweede pijler beter te benutten en
de tweede pijler onder te brengen in een gemeenschappelijk strategisch kader
dat een betere coördinatie mogelijk maakt met andere EU‑fondsen die gedeeld
worden beheerd. Op deze basis wordt de bestaande structuur van
de vier basisrechtsinstrumenten behouden, weliswaar met dien verstande dat de
werkingssfeer van de financieringsverordening wordt uitgebreid om de
gemeenschappelijke bepalingen te bundelen in wat nu de horizontale verordening
wordt genoemd. De voorstellen zijn in overeenstemming met het
subsidiariteitsbeginsel. Het GLB is een echt gemeenschappelijk beleid. De
bevoegdheid ervoor wordt gedeeld tussen de EU en de lidstaten. Het beleid wordt
op EU‑niveau aangestuurd met als doel een duurzame en diverse landbouw in de
hele EU te handhaven en in het kader daarvan belangrijke grensoverschrijdende
problemen zoals de klimaatverandering aan te pakken en de solidariteit tussen
de lidstaten te verstevigen. Gezien het belang van de toekomstige uitdagingen
(voedselzekerheid, milieu en territoriaal evenwicht) blijft het GLB een beleid
dat van strategisch belang is, wil men ervoor zorgen dat de beleidsuitdagingen
op de meest doeltreffende manier worden benaderd en de begrotingsmiddelen op de
meest efficiënte manier worden gebruikt. Bovendien wordt voorgesteld de
bestaande onderverdeling van de instrumenten in twee pijlers te behouden. Dit
biedt de lidstaten meer ruimte voor het vinden van op hun specifieke lokale
omstandigheden toegesneden oplossingen en voor het cofinancieren van de tweede
pijler. Het nieuwe Europees Partnerschap voor innovatie en de toolkit voor
risicobeheer worden eveneens onder de tweede pijler ondergebracht.
Tegelijkertijd wordt het beleid beter afgestemd op de Europa 2020‑strategie
(inclusief een gemeenschappelijk kader waaronder ook de andere EU‑fondsen
zullen vallen) en wordt een aantal verbeteringen en vereenvoudigingen
ingevoerd. Tot slot blijkt uit de in het kader van de effectbeoordeling
verrichte analyse duidelijk dat niet‑optreden kosten met zich zou brengen in de
vorm van negatieve economische, ecologische en sociale gevolgen. De verordening rechtstreekse betalingen bevat
gemeenschappelijke voorschriften voor de basisbetalingsregeling en daarmee
samenhangende betalingen. De verordening bouwt voort op de hervorming van 2003
en de gezondheidscontrole van 2008 waarbij de rechtstreekse betalingen zijn
ontkoppeld van de productie en zijn gekoppeld aan randvoorwaarden, maar richt
de steun sterker op bepaalde acties, gebieden of begunstigden en baant de weg
voor een convergentie van de steun binnen en tussen de lidstaten. Voorts bevat
zij bepalingen inzake gekoppelde steun. In 2014 wordt één enkele regeling voor de
gehele EU ingevoerd, de zogeheten basisbetalingsregeling. Deze komt in de
plaats van de bedrijfstoeslagregeling en de regeling inzake een enkele
areaalbetaling. De regeling berust op betalingsrechten die aan alle landbouwers
op nationaal en regionaal niveau worden toegewezen naargelang van hun
subsidiabele hectaren in het eerste jaar van toepassing. Het in de huidige
periode nog facultatieve regionale model krijgt dus een algemeen karakter,
waardoor ook alle landbouwgrond effectief in het systeem wordt betrokken. De
voorschriften voor het beheer van de rechten en de nationale reserve blijven in
grote lijnen hetzelfde. Met het oog op een eerlijkere verdeling van de
steun moet de waarde van de rechten op nationaal of regionaal niveau toegroeien
naar een uniforme waarde. Dit geschiedt via de weg van geleidelijkheid om grote
verstoringen te voorkomen. Een belangrijke doelstelling is een verhoging
van de milieuprestatie van het GLB door de invoering van een vergroenende
component van rechtstreekse betalingen in de vorm van bepaalde door alle
landbouwers toe te passen klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken die
verder gaan dan de randvoorwaarden en die weer de grondslag vormen voor de
maatregelen van pijler II. Daarnaast zorgt de definitie van actieve
landbouwer ervoor dat steun meer terechtkomt bij landbouwers die daadwerkelijk
landbouw uitoefenen. Daardoor krijgt deze steun een legitiemer karakter. Voorts
is het de bedoeling om steun aan grote bedrijven boven een bepaald bedrag af te
toppen en aan een plafond te binden, waarbij wel rekening zal worden gehouden
met de werkgelegenheid die deze bedrijven bieden. Daarnaast worden de volgende betalingen
verstrekt: –
een betaling (van 30% van het jaarlijkse nationale
maximum) voor landbouwers die klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken
toepassen. Daarbij gaat het om gewasdiversificatie, de instandhouding van
blijvend grasland en ecologische aandachtsgebieden. Biologische landbouwers
krijgen deze betaling automatisch, terwijl landbouwers in Natura 2000-gebieden
aan de desbetreffende eisen zullen moeten voldoen voor zover deze verenigbaar
zijn met de Natura 2000-wetgeving; –
een vrijwillige betaling (van maximaal 5 % van
het jaarlijkse nationale maximum) voor landbouwers in gebieden met specifieke
natuurlijke beperkingen (gebieden zoals deze zijn afgebakend zijn in het kader
van de plattelandsontwikkeling). Met deze betaling wordt onderkend dat
inkomenssteun nodig is voor de handhaving van landbouwactiviteiten in gebieden
met specifieke natuurlijke beperkingen. Zij vormt een aanvulling op de
bestaande plattelandsontwikkelingssteun; –
een betaling (van maximaal 2 % van het jaarlijkse
nationale maximum) voor jonge, zich vestigende landbouwers, welke kan worden
aangevuld met vestigingssteun in het kader van de plattelandsontwikkeling. Ook bevat de verordening een vereenvoudigde
regeling voor kleine landbouwers (waarvoor maximaal 10 % van het
jaarlijkse nationale maximum kan worden uitgetrokken) die een forfaitaire
betaling ontvangen die in de plaats komt van alle rechtstreekse betalingen en
die een administratieve vereenvoudiging oplevert door een versoepeling van de
voor deze landbouwers geldende verplichtingen op het gebied van de vergroening,
de randvoorwaarden en de controles. Daarnaast is voor specifieke soorten landbouw
of specifieke landbouwsystemen die bepaalde moeilijkheden ondervinden, maar om
economische en/of sociale redenen van groot belang zijn, voorzien in een
regeling inzake vrijwillige gekoppelde steun. Deze steun wordt verleend voor
zover deze nodig is om de huidige productie op peil te houden (maximaal
5 % van het jaarlijkse nationale maximum, met de mogelijkheid om in
bepaalde gevallen nog verder te gaan). Verder behouden Bulgarije en Roemenië de
mogelijkheid om aanvullende nationale rechtstreekse betalingen te doen, en is
er voorzien in een specifieke betaling voor katoen. Wat de vereenvoudiging betreft, zal het nieuwe
systeem van rechtstreekse betalingen voortaan berusten op één soort
betalingsrechten en worden de overdrachtsvoorschriften gestroomlijnd, zodat het
beheer ervan eenvoudiger wordt. Door de harmonisatie van de voorschriften voor
gekoppelde betalingen, die in een rubriek zijn samengevoegd, wordt het
rechtskader gebruikersvriendelijker. De regeling voor kleine landbouwers met
haar vereenvoudigde eisen en procedures zal tot minder rompslomp voor kleine
landbouwers leiden en zal hun concurrentievermogen ten goede komen. 4. GEVOLGEN VOOR DE
BEGROTING Krachtens het voorstel inzake het meerjarig
financieel kader zou landbouw – per slot van rekening een gemeenschappelijk
beleid van strategisch belang – zoals voorheen een aanzienlijk deel van de EU‑begroting
toegewezen krijgen. Dit komt erop neer dat voor de verwezenlijking van de
kerndoelstellingen van het landbouwbeleid in de periode 2014‑2020 317,2 miljard
euro wordt uitgetrokken voor de eerste pijler en 101,2 miljard euro voor de
tweede pijler (cijfers uitgedrukt in lopende prijzen). Bovenop de hierboven genoemde financiële
middelen voor de eerste en de tweede pijler wordt nog een extra bedrag van 17,1
miljard euro geoormerkt voor onderzoek en innovatie (5,1 miljard euro),
voedselveiligheid (2,5 miljard euro), voedselverstrekking voor de meest
hulpbehoevenden in het kader van andere posten van het meerjarig financieel
kader (2,8 miljard euro), een nieuwe reserve voor crises in de
landbouwsector (3,9 miljard euro) en het Europees Fonds voor aanpassing aan de
globalisering (maximaal 2,8 miljard euro). Dit alles samen brengt de totale
begroting voor het GLB in de periode 2014‑2020 op 435,6 miljard euro. Wat de verdeling van de steun over de
lidstaten betreft, wordt voorgesteld dat indien lidstaten op het gebied van
rechtstreekse betalingen minder dan 90 % van het EU‑gemiddelde ontvangen,
het verschil tusen het niveau van hun rechtstreekse betalingen en dat niveau
van 90 % met een derde wordt verkleind. De nationale maxima in de
verordening over de rechtstreekse betalingen worden op die grondslag berekend. De steun voor plattelandsontwikkeling wordt
met inachtneming van de huidige verdeling verdeeld aan de hand van objectieve
criteria die gekoppeld zijn aan de beleidsdoelstellingen. Minder ontwikkelde
regio's moeten, zoals nu ook het geval is, kunnen profiteren van hogere
cofinancieringsniveaus die tevens zullen worden toegepast op maatregelen
inzake, onder meer, kennisoverdracht, producentengroeperingen, samenwerking en
Leader. Er is een mogelijkheid tot flexibiliteit
ingevoerd wat de overdracht tussen de pijlers betreft (tot 5 % van de
rechtstreekse betalingen). Dit houdt in dat lidstaten die hun
plattelandsontwikkelingsbeleid willen versterken, overdrachten van de eerste
naar de tweede pijler kunnen doen en dat lidstaten met een percentage
rechtstreekse betalingen onder 90 % van het EU‑gemiddelde overdrachten
kunnen doen van de tweede naar de eerste pijler. In het financieel memorandum dat bij de
voorstellen is gevoegd, wordt nader ingegaan op de financiële gevolgen van de
voorstellen inzake de hervorming van het GLB. 2011/0280 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD tot vaststelling van voorschriften voor
rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van
het gemeenschappelijk landbouwbeleid HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 42 en artikel 43, lid 2, Gezien de Akte van toetreding van 1979, en met
name punt 6 van het daaraan gehechte Protocol nr. 4 betreffende katoen, Gezien het voorstel van de Europese Commissie[7], Na toezending van het ontwerp van
wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[8], Gezien het advies van het Comité van de
Regio's[9], Na raadpleging van de Europese Toezichthouder
voor gegevensbescherming[10], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1)
In de mededeling van de Commissie aan het Europees
Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van
de Regio's "Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst
inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten"[11]
worden de uitdagingen en doelstellingen voor het gemeenschappelijk
landbouwbeleid (GLB) in de periode na 2013 uiteengezet en wordt aangegeven
welke richting het GLB in die periode zal uitgaan. Gezien de besprekingen over
deze mededeling moet de hervorming van het GLB met ingang van 1 januari 2014 in
werking treden. De hervorming moet betrekking hebben op alle belangrijke
instrumenten van het GLB, inclusief Verordening (EG) nr. 73/2009 van de
Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften
voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het
kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde
steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG)
nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van
Verordening (EG) nr. 1782/2003[12]. Gezien de reikwijdte
van de hervorming moet Verordening (EG) nr. 73/2009 worden ingetrokken en
worden vervangen door een nieuwe tekst. Voorts moeten de bepalingen in het
kader van de hervorming zo veel mogelijk worden gestroomlijnd en vereenvoudigd. (2)
In deze verordening moeten alle basiselementen voor
de verlening van EU-steun aan landbouwers worden opgenomen en moeten de aan
deze betalingen gerelateerde toegangscriteria en -voorwaarden worden vastgesteld
welke onlosmakelijk verbonden zijn met deze basiselementen. (3)
Verordening (EU) nr. […] van het Europees Parlement
en de Raad van … inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid[13] [de horizontale
GLB-verordening, afgekort HZV] en de uit hoofde van die verordening
vastgestelde bepalingen moeten van toepassing zijn op de maatregelen van deze
verordening. Omwille van de samenhang met andere rechtsinstrumenten die met het
GLB verband houden, maakt een aantal voorschriften dat thans nog is opgenomen
Verordening (EG) nr. 73/2009, voortaan deel uit van Verordening (EU)
nr. […] [HZV], en met name de voorschriften die moeten waarborgen dat voldaan
wordt aan de met de rechtstreekse betalingen samenhangende verplichtingen, die
onder meer betrekking hebben op controles en op de toepassing van
administratieve maatregelen en administratieve sancties bij niet-naleving van
de regels, op bepaalde randvoorwaarden, zoals de uit de regelgeving
voortvloeiende beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie, op de
monitoring en evaluatie van bepaalde maatregelen en op de terugvordering van
onverschuldigde betalingen. (4)
Om bepaalde niet-essentiële onderdelen van deze
verordening aan te vullen of te wijzigen, moet de Commissie de bevoegdheid
krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde handelingen
aan te nemen. Het is van belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende
werkzaamheden het nodige overleg pleegt, ook op deskundigenniveau. Bij de
voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen moet de Commissie
ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten gelijktijdig, tijdig en op
passende wijze bij het Europees Parlement en de Raad worden ingediend. (5)
Om ervoor te zorgen dat deze verordening volgens eenvormige
voorwaarden wordt uitgevoerd, en om discriminatie of oneerlijke concurrentie
tussen de marktdeelnemers te voorkomen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de
Commissie worden verleend tot vaststelling van het jaarlijkse nationale maximum
voor de basisbetalingsregeling, tot vaststelling van voorschriften voor
aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten, tot vaststelling van maatregelen
inzake de toevoeging van niet-geactiveerde betalingsrechten aan de nationale
reserve, tot vaststelling van eisen inzake de melding, aan de nationale
instanties, van een overdracht van betalingsrechten en inzake de uiterste data
waarop dergelijke meldingen moeten plaatsvinden, tot vaststelling van het
jaarlijkse maximum voor de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke
landbouwpraktijken, tot vaststelling van het jaarlijkse maximum voor de
betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen, tot vaststelling van het
jaarlijkse maximum voor de betaling voor jonge landbouwers, tot vaststelling
van de jaarlijkse maxima voor de vrijwillige gekoppelde steun, tot vaststelling
van voorschriften voor de beoordelings- en goedkeuringsprocedure voor besluiten
in het kader van de vrijwillige gekoppelde steun, tot vaststelling van
voorschriften voor de procedure inzake de vergunningverlening en voor de
meldingen aan de producenten in verband met de vergunningverlening voor grond
en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen, tot
vaststelling van voorschriften voor de berekening van de verlaging van het
bedrag van de gewasspecifieke betaling voor katoen, en tot vaststelling van
algemene meldingseisen. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend
overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees
Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene
voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de
lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie
controleren[14]. (6)
De Commissie moet uitvoeringshandelingen aannemen
die onmiddellijk van toepassing zijn wanneer dwingende redenen van urgentie
zulks vereisen in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met
uitzonderlijke beheersmaatregelen die tot doel hebben urgente en onvoorziene
problemen in een of meer lidstaten op te lossen. (7)
Gezien de samenhang van deze verordening met de
overige instrumenten van het GLB, gezien de verschillen tussen de verschillende
plattelandsgebieden en gezien de beperkte financiële middelen van de lidstaten
in een uitgebreide Unie, kunnen de doelen van deze verordening dankzij de
meerjarige garantie van EU-financiering en door een duidelijke prioritering op
efficiëntere wijze op EU-niveau worden verwezenlijkt. De onderhavige
verordening is derhalve in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel
zoals neergelegd in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende Europese
Unie. Aangezien het toepassingsgebied van deze verordening beperkt blijft tot
hetgeen nodig is om de doelen ervan te verwezenlijken, wordt ook het
evenredigheidsbeginsel, zoals neergelegd in artikel 5, lid 4, van dat Verdrag,
geëerbiedigd. (8)
Om rekening te houden met nieuwe wetgeving inzake
steunregelingen die na de inwerkingtreding van deze verordening kan worden
vastgesteld, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel
290 van het Verdrag gedelegeerde handelingen aan te nemen tot wijziging van de
lijst van steunregelingen die onder deze verordening vallen. (9)
Om rekening te houden met
specifieke nieuwe elementen en om de rechten van begunstigden te beschermen,
moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het
Verdrag handelingen aan te nemen tot vaststelling van verdere definities inzake
de toegang tot steun in het kader van deze verordening, en tot vaststelling van
een kader voor de door de lidstaten te omschrijven minimumactiviteiten die
nodig zijn om gronden in een voor de beweiding of teelt geschikte natuurlijke
staat te houden, van de criteria waaraan een landbouwer moet voldoen zodat kan
worden aangenomen dat de verplichting om het landbouwareaal in een voor de
productie geschikte staat te houden, is nagekomen, en van de criteria aan de
hand waarvan kan worden bepaald of grassen en andere kruidachtige
voedergewassen in blijvend grasland overheersen. (10)
Om de rechten van begunstigden te beschermen, moet
de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het
Verdrag handelingen aan te nemen inzake de berekeningsgrondslag voor
verlagingen die de lidstaten uit hoofde van de toepassing van de financiële
discipline moeten toepassen op landbouwers. (11)
Om te voorkomen dat de bedragen voor de
financiering van het GLB uitstijgen boven de jaarlijkse maxima als bedoeld in
artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. [...] [HZV], moet het mogelijk
blijven om de hoogte van de rechtstreekse steun in een kalenderjaar aan te
passen. Daarbij mogen alleen de rechtstreekse betalingen van meer dan
5 000 euro die in het desbetreffende kalenderjaar aan een landbouwer
worden toegekend, worden aangepast. Gelet op de hoogte van de rechtstreekse
betalingen aan landbouwers in Bulgarije en Roemenië in het kader van de
toepassing van het mechanisme voor geleidelijke integratie op alle in deze
lidstaten toegekende rechtstreekse betalingen, mag dit instrument voor
begrotingsdiscipline in deze lidstaten pas op 1 januari 2016 in werking treden.
(12)
Om rekening te houden met de ontwikkelingen die
verband houden met de totale maximumbedragen aan rechtstreekse betalingen die
toegekend kunnen worden, waaronder de gevolgen van de besluiten die de
lidstaten ten aanzien van de overheveling tussen de eerste en de tweede pijler
nemen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290
handelingen aan te nemen tot herziening van de nationale en de nettomaxima die
in deze verordening worden vermeld. (13)
Uit de ervaring met de toepassing van de diverse
regelingen inzake steun aan landbouwers is gebleken dat in sommige gevallen
steun is verleend aan begunstigden wier zakelijk doel niet of nauwelijks
gericht was op de uitoefening van landbouwactiviteiten, zoals luchthavens, spoorwegondernemingen,
vastgoedondernemingen en ondernemingen die sportvelden beheren. Om gerichter
steun te kunnen verlenen, moeten de lidstaten voortaan afzien van rechtstreekse
betalingen aan dergelijke natuurlijke en rechtspersonen. Aangezien deeltijdlandbouwers
rechtstreeks bijdragen aan de vitaliteit van plattelandsgebieden, moet worden
voorkomen dat zij geen rechtstreekse betalingen ontvangen. (14)
Om te voorkomen dat het betalingsbeheer van geringe
bedragen te veel administratief werk meebrengt, moeten de lidstaten als
algemene regel afzien van rechtstreekse betalingen indien het te betalen bedrag
minder dan 100 euro is of indien het subsidiabele areaal van het bedrijf
waarvoor steun wordt aangevraagd, minder dan één hectare is. Aangezien de
structuur van de landbouweconomie van de lidstaten grote onderlinge verschillen
vertoont en sterk kan afwijken van de gemiddelde landbouwbedrijfsstructuur in
de EU, moet het de lidstaten evenwel worden toegestaan om een ondergrens toe te
passen die recht doet aan hun specifieke situatie. In verband met de zeer
specifieke landbouwbedrijfsstructuur in de ultraperifere gebieden en op de
kleinere eilanden in de Egeïsche Zee moeten de desbetreffende lidstaten het
besluit kunnen nemen dat voor deze gebieden al dan niet een bepaalde ondergrens
mag gelden. Voorts moeten de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om op
basis van de structuurkenmerken van hun landbouwsector te opteren voor de
eerste dan wel de tweede ondergrens. Aangezien ook betalingen aan landbouwers
met een "bedrijf zonder land" mogen worden toegekend, heeft de
toepassing van een op het aantal hectaren gebaseerde ondergrens in hun geval
geen nut. Voor dergelijke landbouwers moet derhalve het steungerelateerde
minimumbedrag gelden. Om een gelijke behandeling te waarborgen van landbouwers
in Bulgarije en Roemenië, waar de rechtstreekse betalingen zich nog in de fase
van geleidelijke integratie bevinden, moet de ondergrens voor deze landen
berusten op het uiteindelijke bedrag dat aan het einde van het proces van geleidelijke
integratie wordt toegekend. (15)
Kenmerkend voor de verdeling van de rechtstreekse
inkomenssteun over de landbouwers is dat een beperkt aantal grote bedrijven een
onevenredig groot deel van de betalingen toegewezen krijgt. Om het met
inkomenssteun beoogde doel op efficiënte wijze te verwezenlijken, is het gezien
het schaalvoordeel van grotere bedrijven niet nodig dat zij hetzelfde
steunbedrag per eenheid ontvangen. Grotere bedrijven hebben bovendien een
groter aanpassingsvermogen en kunnen bijgevolg gemakkelijker werken met lagere
steunbedragen per eenheid. Om tot een betere verdeling van de betalingen over
de landbouwers te komen, is het daarom redelijk om een systeem voor grotere
bedrijven in te voeren waarin de omvang van de steun geleidelijk afneemt en
boven een bepaald plafond nihil is. Wel moet in zo'n systeem rekening worden
gehouden met de intensiteit van de arbeid in loondienst, om te voorkomen dat
een en ander een te sterke weerslag zou hebben op grote landbouwbedrijven die
veel personeel in dienst hebben. Deze maxima mogen niet gelden voor betalingen
voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, omdat de daarmee
beoogde nuttige doelen anders mogelijk onder druk komen te staan. Om te
voorkomen dat landbouwers allerlei kunstgrepen toepassen om zich aan de
gevolgen van plafonnering te onttrekken, moeten de lidstaten criteria
vaststellen die ervoor zorgen dat de plafonnering het beoogde effect sorteert.
De opbrengsten uit de verlaging en plafonnering van betalingen aan grote
bedrijven moeten in de lidstaten blijven waarin ze zijn gegenereerd, en moeten
worden gebruikt voor de financiering van projecten die duidelijk bijdragen aan
innovatie in het kader van Verordening (EU) nr. […] van het Europees Parlement
en de Raad van … inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees
Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)[15]
[POV]. (16)
Om de uitvoering van de plafonnering te
vergemakkelijken, vooral wat de procedures voor de toekenning van rechtstreekse
betalingen aan landbouwers en de overeenkomstige overhevelingen naar
plattelandsontwikkeling betreft, moet voor elke lidstaat een nettomaximum
worden vastgesteld voor de betalingen die na toepassing van de plafonnering aan
de landbouwers mogen worden gedaan. Om rekening te houden met de specifieke
kenmerken van de GLB-steun in het kader van Verordening (EG) nr. 247/2006
van de Raad van 30 januari 2006 houdende specifieke maatregelen op
landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie[16]
en Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad van 18 september 2006 houdende
vaststelling van specifieke maatregelen voor de landbouw ten behoeve van de
kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot wijziging van Verordening (EG) nr.
1782/2003[17], en met het feit dat
deze rechtstreekse betalingen niet worden geplafonneerd, mogen deze
rechtstreekse betalingen niet worden meegerekend bij de vaststelling van het
nettomaximum voor de betrokken lidstaten. (17)
De voorschriften van deze verordening die
aanleiding kunnen geven tot mogelijk als staatssteun te beschouwen nationale
maatregelen moeten worden uitgesloten van de toepassing van de regelgeving
inzake staatssteun, aangezien de betrokken voorschriften reeds adequate
steunverleningsvoorwaarden ter voorkoming van concurrentievervalsing bevatten
of voorzien in de vaststelling van dergelijke voorwaarden door de Commissie. (18)
Om de doelstellingen van het GLB te verwezenlijken,
moeten de steunregelingen aan veranderende ontwikkelingen kunnen worden
aangepast, zo nodig op korte termijn. Daarom moet worden bepaald dat de
regelingen met name in het licht van economische ontwikkelingen of de
begrotingssituatie kunnen worden herzien, zodat begunstigden er niet van uit
kunnen gaan dat de steunvoorwaarden ongewijzigd blijven. (19)
Landbouwers in de lidstaten die op of na 1 mei 2004
tot de Europese Unie zijn toegetreden, hebben rechtstreekse betalingen
ontvangen op basis van een mechanisme van geleidelijke integratie waarin hun
respectieve toetredingsovereenkomsten voorzien. Voor Bulgarije en Roemenië zal
dit mechanisme in 2014 en 2015 nog van kracht zijn. Voorts mochten deze
lidstaten aanvullende nationale rechtstreekse betalingen toekennen. De
mogelijkheid om dergelijke betalingen toe te kennen, moet voor Bulgarije en
Roemenië worden gehandhaafd totdat zij volledig zijn geïntegreerd. (20)
Om te zorgen voor een betere verdeling van de steun
over de landbouwgrond in de EU, met inbegrip van de lidstaten die de bij
Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regeling inzake een enkele
areaalbetaling hebben toegepast, moet een nieuwe basisbetalingsregeling in de
plaats treden van de bedrijfstoeslagregeling die was ingesteld bij Verordening
(EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van
gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader
van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde
steunregelingen voor landbouwers[18] en is voortgezet in het
kader van Verordening (EG) nr. 73/2009, waarin de daarvóór bestaande
steunmechanismen in één regeling voor ontkoppelde rechtstreekse betalingen zijn
ondergebracht. Daarbij moeten betalingsrechten die in het kader van die
verordeningen zijn verworven, vervallen en moeten nieuwe betalingsrechten
worden toegewezen, die echter nog wel moeten berusten op het aantal
subsidiabele hectaren waarover landbouwers in het eerste jaar van toepassing
van de regeling beschikken. (21)
Aangezien in de loop der tijd diverse sectoren in
de bedrijfstoeslagregeling zijn geïntegreerd en de landbouwers tijd hebben
gekregen om zich daaraan aan te passen, is het steeds moeilijker geworden om
het bestaan van aanzienlijke individuele verschillen in de hoogte van de steun
per hectare, die gebaseerd zijn op in het verleden verleende steun, te
rechtvaardigen. Daarom moet rechtstreekse inkomenssteun, mede gelet op de brede
context van de EU-begroting, billijker worden verdeeld over de lidstaten door
deze minder sterk te koppelen aan historische referenties. Om rechtstreekse
steun gelijker te verdelen zonder voorbij te gaan aan de nog bestaande
verschillen in loonkosten en inputkosten, moeten de niveaus van de
rechtstreekse steun per hectare geleidelijk worden aangepast. Daartoe moeten
alle lidstaten die minder ontvangen dan 90 % van het gemiddelde aan
rechtstreekse betalingen, de kloof tussen hun huidige niveau en dat niveau –
gespreid over de periode – met een derde verminderd zien. Deze convergentie
moet naar evenredigheid worden gefinancierd door alle lidstaten die meer dan
het EU-gemiddelde aan rechtstreekse betalingen ontvangen. Voorts moeten alle
betalingsrechten die in 2019 in een lidstaat of in een regio zijn geactiveerd,
een uniforme waarde per eenheid hebben, zulks nadat in lineaire stappen in de
overgangsperiode een convergentie naar deze waarde toe heeft plaatsgevonden. Om
ontwrichtende financiële gevolgen voor de landbouwers te voorkomen, moet het de
lidstaten die de bedrijfstoeslagregeling, en met name het historische model,
hebben toegepast, evenwel worden toegestaan om bij de berekening van de waarde
van betalingsrechten in het eerste jaar van toepassing van de nieuwe regeling
deels rekening te houden met historische factoren. De discussie over het
volgende meerjarig financieel kader voor de periode vanaf 2021 moet zich ook
toespitsen op de doelstelling om een volledige convergentie tot stand te brengen
door rechtstreekse steun in die periode gelijkelijk te verdelen over de
Europese Unie. (22)
Uit de ervaring die is opgedaan met de toepassing
van de bedrijfstoeslagregeling, is gebleken dat een aantal hoofdelementen
behouden moet blijven, zoals de vaststelling van nationale maxima die ervoor
moeten zorgen dat het totaal van de steun niet hoger is dan de huidige beperkte
begrotingsmiddelen. De lidstaten moeten ook doorgaan met het beheer van een
nationale reserve, die moet worden gebruikt om de deelname van jonge
landbouwers aan de regeling te bevorderen of kan worden gebruikt om in
specifieke behoeften in bepaalde regio's te voorzien. Voorschriften voor de
overdracht en het gebruik van betalingsrechten moeten blijven bestaan, zij het
in een vereenvoudigde vorm indien mogelijk. (23)
Om de rechten van begunstigden te beschermen en
duidelijkheid te verschaffen over de concrete situaties die zich bij de
toepassing van de basisbetalingsregeling kunnen voordoen, moet de Commissie de
bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen
aan te nemen inzake het recht van landbouwers op steun in het kader van de
basisbetalingsregeling en hun toegang tot deze regeling bij vererving en
verwachte vererving, bij vererving in het kader van een huurcontract, bij
wijziging van de juridische status of benaming en bij een fusie of splitsing
van het bedrijf, inzake de berekening van het aantal en de waarde en de
verhoging van de waarde van betalingsrechten bij de toewijzing van
betalingsrechten, waaronder de mogelijkheid van een voorlopig aantal, een
voorlopige waarde of een voorlopige verhoging van betalingsrechten die op basis
van de aanvraag van de landbouwer worden toegewezen, inzake de voorwaarden voor
de vaststelling van het voorlopige en het definitieve aantal en de voorlopige
en de definitieve waarde van de betalingsrechten, en inzake de gevallen waarin
een verkoopcontract of verhuurcontract van invloed kan zijn op de toewijzing
van betalingsrechten, inzake de vaststelling en berekening van het aantal en de
waarde van betalingsrechten die uit de nationale reserve worden ontvangen,
inzake de wijziging van de waarde per eenheid van betalingsrechten bij delen
van betalingsrechten en inzake de criteria voor de toewijzing van
betalingsrechten in het kader van het gebruik van de nationale reserve en aan
landbouwers die voor 2011 geen steun hebben aangevraagd. (24)
Met het oog op een goed beheer van de
betalingsrechten moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig
artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen inzake de aangifte en
activering van betalingsrechten. (25)
Voor hennep moeten specifieke maatregelen behouden
blijven die moeten voorkomen dat als onderdeel van de voor de basisbetaling in
aanmerking komende gewassen illegale hennep wordt verbouwd, hetgeen de
gemeenschappelijke marktordening voor hennep nadelig zou beïnvloeden. Derhalve
moet worden doorgegaan met de toekenning van betalingen voor arealen met
henneprassen die bepaalde garanties bieden ten aanzien van het gehalte aan
psychotrope stoffen. Met het oog op de bescherming van de volksgezondheid moet
de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het
Verdrag handelingen aan te nemen waarbij de toekenning van betalingen
afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde
henneprassen en waarbij de procedure voor de vaststelling van henneprassen en
voor de verificatie van het tetrahydrocannabinolgehalte ervan wordt vastgelegd.
(26)
Een van de doelstellingen van het nieuwe GLB is een
verhoging van de milieuprestatie van het GLB door de invoering van een
verplichte "vergroenende" component van rechtstreekse betalingen in
de vorm van steun voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken die
voor de gehele EU gelden. Daartoe moeten de lidstaten een deel van hun
nationale maximum voor rechtstreekse betalingen gebruiken voor de toekenning
van een jaarlijkse betaling, welke bovenop de basisbetaling komt en bestemd is
voor landbouwers die daarvoor bepaalde praktijken moeten uitoefenen die in de
eerste plaats aansluiten bij klimaat- en milieubeleidsdoelen. Daarbij kan het
gaan om eenvoudige, algemene, niet-contractuele, jaarlijkse acties die verband
houden met de landbouw en die verder gaan dan de naleving van de
randvoorwaarden, zoals gewasdiversificatie, de instandhouding van blijvend
grasland en ecologische aandachtsgebieden. Deze verplichte praktijken moeten
ook gelden voor landbouwers van wie het bedrijf geheel of gedeeltelijk is
gelegen in een Natura 2000-gebied dat onder Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van
21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde
flora en fauna[19] en
Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30
november 2009 inzake het behoud van de vogelstand[20]
valt, zolang deze praktijken verenigbaar zijn met de doelstellingen van deze
richtlijnen. Landbouwers die voldoen aan de voorwaarden van Verordening (EG)
nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de
etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG)
nr. 2092/91[21], moeten sowieso
profiteren van de "vergroenende" component zonder dat zij daarvoor
nog aan verdere verplichtingen hoeven te voldoen, aangezien de milieuvoordelen
van biologische landbouw al algemeen worden onderkend. Niet-naleving van de
"vergroenende" component moet leiden tot sancties op basis van
artikel 65 van Verordening (EU) nr. [...] [HZV]. (27)
Om ervoor te zorgen dat de verplichtingen in het
kader van de gewasdiversificatiemaatregel op een evenredige en niet-discriminerende
wijze worden toegepast en tot een betere bescherming van het milieu leiden,
moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het
Verdrag handelingen aan te nemen tot vaststelling van de definitie van
"gewas" en inzake de toepassing van de maatregel. (28)
Om ervoor te zorgen dat de landbouwers de als
blijvend grasland gebruikte grond als zodanig in stand houden, moet de
Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag
handelingen aan te nemen inzake de toepassing van de maatregel. (29)
Om ervoor te zorgen dat de maatregel inzake
ecologische aandachtsgebieden op een efficiënte en coherente wijze ten uitvoer
wordt gelegd en tegelijk rekening wordt gehouden met de specifieke situatie in
de diverse lidstaten, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om
overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen tot nadere
definiëring van de soorten ecologische aandachtsgebieden die in het kader van
deze maatregel worden genoemd, en tot aanvulling en definiëring van andere
soorten ecologische aandachtsgebieden die mogen worden meegeteld voor de
inachtneming van het in deze maatregel genoemde percentage. (30)
Om de duurzame ontwikkeling van landbouw in
gebieden met specifieke natuurlijke beperkingen te bevorderen, moeten de
lidstaten een deel van hun nationale maximum voor rechtstreekse betalingen
kunnen gebruiken voor de toekenning van een jaarlijkse areaalgebonden betaling
die bovenop de basisbetaling komt en bestemd is voor alle landbouwers die in
dergelijke gebieden actief zijn. Deze betaling mag niet in de plaats treden van
steun die in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's wordt verleend,
en mag niet worden toegekend aan landbouwers in gebieden die overeenkomstig
Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun
voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO)[22] zijn aangewezen, maar
niet overeenkomstig artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. [...] van het
Europees Parlement en de Raad van …. inzake steun voor plattelandsontwikkeling
uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO)[23]
[POV] worden aangewezen. (31)
Voor jonge landbouwers is het financieel niet
bepaald eenvoudig om nieuwe economische activiteiten in de landbouwsector op te
zetten en tot ontwikkeling te brengen. Daarmee moet rekening worden gehouden
bij de toewijzing en verdeling van rechtstreekse betalingen. Dit is van
essentieel belang voor het concurrentievermogen van de EU-landbouwsector. Daarom
moet worden voorzien in inkomenssteun aan jonge landbouwers die met hun
landbouwactiviteiten beginnen, en moeten zowel hun eerste vestiging als de
daaropvolgende structurele aanpassing van hun bedrijf worden vergemakkelijkt.
De lidstaten moeten een deel van hun nationale maximum voor rechtstreekse
betalingen kunnen gebruiken voor de toekenning van een jaarlijkse
areaalgebonden betaling die bovenop de basisbetaling komt en bestemd is voor
jonge landbouwers. Deze betaling moet beperkt blijven tot een periode van ten
hoogste vijf jaar, aangezien deze alleen voor de beginperiode van het bedrijf
mag gelden en geen exploitatiesteun mag worden. (32)
Om de rechten van begunstigden te beschermen en te
voorkomen dat zij ongelijk worden behandeld, moet de Commissie de bevoegdheid
krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen
inzake de voorwaarden waaronder een rechtspersoon geacht mag worden in
aanmerking te komen voor de betaling voor jonge landbouwers, en met name inzake
de toepassing van de leeftijdsgrens op een of meer natuurlijke personen die in
de rechtspersoon participeren. (33)
De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om een
deel van hun nationale maximum in een aantal duidelijk omschreven gevallen te
gebruiken voor de verlening van rechtstreekse gekoppelde steun voor bepaalde
sectoren. De middelen die voor gekoppelde steun mogen worden gebruikt, moeten
beperkt blijven tot een passend niveau, terwijl dergelijke steun alleen mag
worden verleend in lidstaten of in bepaalde regio's van lidstaten die in een
bijzondere situatie verkeren, waarin specifieke soorten landbouw of specifieke
landbouwsectoren om economische, ecologische en/of sociale redenen van groot
belang zijn. Het moet de lidstaten worden toegestaan ten hoogste 5 % van
hun nationale maximum dan wel ten hoogste 10 % ingeval hun gekoppelde steun in
ten minste één van de jaren in de periode 2010-2013 meer dan 5 % bedroeg, voor
deze steun te gebruiken. In naar behoren gemotiveerde gevallen, waarin voor een
regio wordt aangetoond dat er bepaalde behoeften bestaan op gevoelige punten,
moet het de lidstaten na goedkeuring van de Commissie worden toegestaan om meer
dan 10 % van hun nationale maximum te gebruiken. Gekoppelde steun mag
alleen worden verleend voor zover dat als stimulans noodzakelijk is om de
huidige productie in deze regio's op peil te houden. Deze steun moet ook
beschikbaar zijn voor landbouwers die op 31 december 2013 beschikken over
bijzondere toeslagrechten die zijn toegewezen in het kader van Verordening (EG)
nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 en die geen
subsidiabele hectaren voor de activering van betalingsrechten hebben. Voorts
moet de Commissie, wat betreft de goedkeuring van vrijwillige gekoppelde steun
van meer dan 10 % van het jaarlijkse nationale maximum dat per lidstaat is
vastgesteld, worden gemachtigd om uitvoeringshandelingen aan te nemen zonder
Verordening (EU) nr. 182/2011 toe te passen. (34)
Om een efficiënt en gericht gebruik van de
EU-middelen te waarborgen en om dubbele financiering in het kader van andere,
soortgelijke steuninstrumenten te voorkomen, moet de Commissie de bevoegdheid
krijgen om overeenkomstig artikel 290 handelingen aan te nemen inzake de
voorwaarden voor de verlening van vrijwillige gekoppelde steun en de samenhang
van deze steun met andere EU-maatregelen en inzake de cumulatie van steun. (35)
Wat de steun voor de katoensector betreft, werd het
in het kader van Verordening (EG) nr. 73/2009 noodzakelijk geacht om,
ter voorkoming van eventuele productieverstoringen in de katoenproducerende
gebieden, de steun gedeeltelijk aan de katoenproductie gekoppeld te houden door
middel van een gewasspecifieke betaling per subsidiabele hectare, zulks
rekening houdende met alle factoren die op die benadering van invloed zijn.
Deze benadering moet worden aangehouden overeenkomstig de doelstellingen die
zijn opgenomen in Protocol nr. 4 inzake katoen bij de Akte van Toetreding van
1979. (36)
Om een efficiënte toepassing van de gewasspecifieke
betaling voor katoen mogelijk te maken, moet de Commissie de bevoegdheid
krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag gedelegeerde handelingen
aan te nemen inzake de vergunningverleningsvoorschriften en -voorwaarden voor
grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen,
inzake de voorwaarden voor de toekenning van deze specifieke betaling, inzake
de subsidiabiliteitseisen en de landbouwwerkzaamheden, inzake de criteria voor
de erkenning van brancheorganisaties, inzake de verplichtingen waaraan de
producenten moeten voldoen, en inzake de situatie waarin een erkende
brancheorganisatie niet aan deze criteria voldoet. (37)
In hoofdstuk 2 van Verordening (EG) nr. 637/2008
van de Raad van 23 juni 2008 houdende wijziging van Verordening (EG) nr.
1782/2003 en houdende vaststelling van nationale herstructureringsprogramma’s
voor de katoensector[24] is bepaald dat elke
katoenproducerende lidstaat om de vier jaar en voor het eerst uiterlijk op
1 januari 2009 een ontwerp van een vierjarig
herstructureringsprogramma of op 31 december 2009 één gewijzigd herstructureringsprogramma
met een looptijd van acht jaar bij de Commissie moet indienen. De ervaring
heeft geleerd dat de herstructurering van de katoensector meer gebaat zou zijn
bij andere maatregelen, zoals maatregelen in het kader van
plattelandsontwikkelingsprogramma's die in het kader van Verordening (EU) nr.
[...] [POV] worden gefinancierd, waardoor ook een nauwere coördinatie met
maatregelen in andere sectoren mogelijk zou worden. De verworven rechten en het
gewettigd vertrouwen van bedrijven die al bij herstructureringsprogramma's zijn
betrokken, moeten evenwel worden geëerbiedigd. Daarom moet het worden
toegestaan dat de huidige programma's met een looptijd van vier jaar of van
acht jaar doorlopen tot het einde ervan. Daarna moeten ze echter aflopen. De middelen
die voor de programma's met een looptijd van vier jaar beschikbaar zijn, kunnen
vervolgens vanaf 2014 worden opgenomen in de beschikbare EU-middelen voor
maatregelen in het kader van de plattelandsontwikkeling. De middelen die na het
einde van de programma's met een looptijd van acht jaar beschikbaar zijn,
zouden in 2018 gezien de programmeringsperiode niet meer voor
plattelandsontwikkelingsprogramma's van nut zijn en kunnen daarom beter worden
overgebracht naar de steunregelingen in het kader van deze verordening, zoals
overigens al is bepaald in artikel 5, lid 2, tweede alinea, van
Verordening (EG) nr. 637/2008. Verordening (EG)
nr. 637/2008 zal dan ook vanaf 1 januari 2014 dan wel
1 januari 2018 achterhaald zijn voor de lidstaten met een programma met
een looptijd van respectievelijk vier en acht jaar. Verordening (EG) nr.
637/2008 moet derhalve worden ingetrokken. (38)
Voor kleine landbouwers moet een eenvoudige,
speciale regeling worden ingevoerd om de administratieve kosten van het beheer
en de controle van rechtstreekse steun te beperken. Daartoe moet een
forfaitaire betaling worden vastgesteld die in de plaats treedt van alle
rechtstreekse betalingen. Met de invoering van regelgeving die gericht is op
een vereenvoudiging van de formaliteiten door onder meer een beperking van de
verplichtingen van kleine landbouwers, zoals de verplichtingen in het kader van
de steunaanvraag, de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, de
randvoorwaarden en de controles die zijn voorgeschreven bij Verordening (EU)
nr. [...] [HZV], mag de verwezenlijking van de brede doelstellingen van de
hervorming als zodanig niet in gevaar komen, hetgeen concreet inhoudt dat de in
bijlage II bij Verordening (EU) nr. [...] [HZR] vermelde EU-wetgeving gewoon
van toepassing is op kleine landbouwers. De regeling voor kleine landbouwers
heeft tot doel de bestaande landbouwstructuur van kleine bedrijven in de EU te
steunen zonder de ontwikkeling in de richting van meer concurrerende structuren
te belemmeren. Daarom moet de toegang tot de regeling beperkt blijven tot al
bestaande bedrijven. (39)
Om de rechten van de landbouwers te beschermen,
moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel 290 van het
Verdrag handelingen aan te nemen inzake de deelname aan de regeling voor kleine
landbouwers bij verandering van de situatie van de deelnemende landbouwer. (40)
Omwille van de vereenvoudiging en om rekening te
houden met de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden, moeten
rechtstreekse betalingen voor deze regio's worden beheerd in het kader van de
steunprogramma's die bij Verordening (EG) nr. 247/2006 zijn vastgesteld.
Bijgevolg mogen de bepalingen van deze verordening die betrekking hebben op de
basisbetalingsregeling en daarmee samenhangende betalingen en op gekoppelde
steun, niet gelden voor deze gebieden. (41)
Voor de toepassing van deze verordening en voor de
monitoring, de analyse en het beheer van rechtstreekse betalingen zijn diverse
meldingen van de lidstaten noodzakelijk. Om te zorgen voor een goede toepassing
van deze verordening, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om
overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te nemen inzake de
maatregelen die nodig zijn ten aanzien van de meldingen die de lidstaten moeten
doen, en inzake de controle, monitoring, evaluatie en audit van rechtstreekse
betalingen, inzake de uitvoering van internationale overeenkomsten, waaronder
meldingseisen in het kader van deze overeenkomsten, inzake de soort en de aard
van de te melden informatie, inzake de meldingsmethoden en inzake de rechten
van toegang tot de informatie of informatiesystemen en de voorwaarden voor en
de wijze van bekendmaking van de informatie. (42)
De EU-wetgeving betreffende de bescherming van
natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en
betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en met name Richtlijn 95/46/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de
bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[25],
en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van
18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in
verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire
instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens[26]
is van toepassing. (43)
Ter versterking van hun
plattelandsontwikkelingsbeleid moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden
om middelen van hun maximum voor rechtstreekse betalingen over te hevelen naar
hun voor plattelandsontwikkeling toegewezen steun. Tegelijk moet lidstaten
waarin de rechtstreekse steun nog lager is dan 90 % van het gemiddelde
EU-niveau, juist de mogelijkheid worden geboden om middelen van hun voor
plattelandsontwikkeling toegewezen steun over te hevelen naar hun maximum voor
rechtstreekse betalingen. Deze keuze moet, binnen bepaalde grenzen, eenmalig en
voor de gehele periode van toepassing van deze verordening worden gemaakt. (44)
Om een vlotte overgang van de bij Verordening (EG)
nr. 73/2009 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening te
waarborgen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om overeenkomstig artikel
290 van het Verdrag handelingen aan te nemen inzake de maatregelen die nodig
zijn om de verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van landbouwers te
beschermen, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: INHOUDSOPGAVE TOELICHTING........................................................................................................................... 2 1........... ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL.................................................................. 2 2........... RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN
BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELING...................................................................................................................................... 5 3........... JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL................................................. 7 4........... GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING........................................................................ 9 VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE
RAAD tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan
landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid.................................................................................................................................................. 11 TITEL I TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES................................................................ 26 TITEL II ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE
RECHTSTREEKSE BETALINGEN........... 29 HOOFDSTUK 1 Gemeenschappelijke voorschriften
voor rechtstreekse betalingen..................... 29 HOOFDSTUK 2 Bepalingen die alleen van
toepassing zijn op Bulgarije en Roemenië................. 33 TITEL III BASISBETALINGSREGELING EN DAARMEE
SAMENHANGENDE BETALINGEN 34 HOOFDSTUK 1 Basisbetalingsregeling..................................................................................... 34 Afdeling 1 Opzet van de
basisbetalingsregeling............................................................................ 34 Afdeling 2 Nationale reserve...................................................................................................... 38 Afdeling 3 Uitvoering van de
basisbetalingsregeling..................................................................... 40 HOOFDSTUK 2 Betaling voor klimaat- en
milieuvriendelijke landbouwpraktijken...................... 43 HOOFDSTUK 3 Betaling voor gebieden met
natuurlijke beperkingen........................................ 45 HOOFDSTUK 4 Betaling voor jonge landbouwers.................................................................... 47 TITEL IV GEKOPPELDE STEUN........................................................................................... 49 HOOFDSTUK 1 Vrijwillige gekoppelde steun........................................................................... 49 HOOFDSTUK 2 Gewasspecifieke betaling voor
katoen............................................................ 52 TITEL V Regeling voor kleine landbouwers................................................................................ 55 TITEL VI Nationale herstructureringsprogramma's
voor de katoensector.................................... 57 TITEL VII SLOTBEPALINGEN.............................................................................................. 58 HOOFDSTUK 1 Meldingen en noodsituaties............................................................................. 58 HOOFDSTUK 2 Delegatie van bevoegdheden en
uitvoeringsbepalingen..................................... 59 HOOFDSTUK 3 Overgangs- en slotbepalingen......................................................................... 60 BIJLAGE I Lijst van steunregelingen.......................................................................................... 62 BIJLAGE II Nationale maxima als bedoeld in
artikel 6................................................................ 63 BIJLAGE III Nettomaxima als bedoeld in artikel
7..................................................................... 64 BIJLAGE IV Coëfficiënten die op grond van
artikel 10, lid 1, moeten worden toegepast............. 65 BIJLAGE V Financiële bepalingen die alleen van
toepassing zijn op Bulgarije en Roemenië, als bedoeld in de artikelen 16 en 17.......................................................................................................................................... 66 BIJLAGE VI Gemiddelde omvang van een
landbouwbedrijf die op grond van artikel 36, lid 5, moet worden toegepast 67 BIJLAGE VII CONCORDANTIETABEL................................................................................ 68 FINANCIEEL MEMORANDUM............................................................................................. 76 TITEL I
TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES Artikel 1 Toepassingsgebied Bij deze verordening worden vastgesteld: a) gemeenschappelijke voorschriften
voor betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegekend in het kader
van de steunregelingen die in bijlage I worden vermeld (hierna
"rechtstreekse betalingen" genoemd); b) specifieke voorschriften voor: i) een basisbetaling voor landbouwers
(hierna "basisbetalingsregeling" genoemd); ii) een betaling voor landbouwers die
klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen; iii) een vrijwillige betaling voor
landbouwers in gebieden met natuurlijke beperkingen; iv) een betaling voor jonge landbouwers die
met hun landbouwactiviteiten beginnen; v) een vrijwillige regeling voor gekoppelde
steun; vi) een gewasspecifieke betaling voor
katoen; vii) een vereenvoudigde regeling voor kleine
landbouwers; viii) een kader waarbinnen Bulgarije en
Roemenië rechtstreekse betalingen kunnen aanvullen. Artikel 2 Wijziging
van bijlage I De Commissie wordt
gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen
tot wijziging van de in bijlage I opgenomen lijst van steunregelingen. Artikel 3 Toepassing
op de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee Artikel 11 is niet van toepassing op de in
artikel 349 van het Verdrag opgenomen gebieden van de EU, hierna de
"ultraperifere gebieden" genoemd, noch op de rechtstreekse betalingen
die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1405/2006 worden toegekend aan de kleinere
eilanden in de Egeïsche Zee. De titels III, IV
en V zijn niet van toepassing op de ultraperifere gebieden. Artikel 4 Definities 1. In deze verordening wordt
verstaan onder: a) "landbouwer": een
natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen,
ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale
recht, waarvan het bedrijf zich bevindt op het grondgebied van de Unie als
omschreven in artikel 52 van het Verdrag betreffende de Europese Unie juncto de
artikelen 349 en 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese
Unie, en die een landbouwactiviteit uitoefent; b) "bedrijf": alle eenheden
op het grondgebied van eenzelfde lidstaat die voor landbouwactiviteiten worden
gebruikt en door een landbouwer worden beheerd; c) landbouwactiviteiten: –
landbouwproducten produceren, fokken of telen,
inclusief het oogsten, het melken, het fokken en het houden van dieren voor
landbouwdoeleinden, –
het landbouwareaal in een staat houden die
beweiding of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende
activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de
gebruikelijke landbouwmethoden en ‑machines, of –
een door de lidstaten te omschrijven
minimumactiviteit verrichten om landbouwarealen in een voor beweiding of teelt
geschikte natuurlijke staat te houden; d) "landbouwproducten": de in
bijlage I bij het Verdrag genoemde producten, exclusief visserijproducten,
alsmede katoen; e) "landbouwareaal": om het
even welke grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland of voor
blijvende teelten; f) "bouwland": grond die
voor de teelt van gewassen wordt gebruikt, en grond die voor de teelt van
gewassen beschikbaar is maar braak ligt, inclusief grond die overeenkomstig de
artikelen 22, 23 en 24, van Verordening (EG) nr. 1257/1999, artikel 39 van
Verordening (EG) nr. 1698/2005 en artikel 29 van Verordening (EU) nr. […] [POV]
is braak gelegd, ongeacht of die grond zich al dan niet onder een kas of onder
een vaste of verplaatsbare beschutting bevindt; g) "blijvende teelten": niet
in de vruchtwisseling opgenomen teelten van gewassen, andere dan blijvend
grasland, die de grond gedurende ten minste vijf jaar in beslag nemen en die
geregeld een oogst opleveren, met inbegrip van hakhout met korte omlooptijd en
van producten van kwekerijen; h) "blijvend grasland": grond
met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige
voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het
bedrijf is opgenomen; andere voor beweiding geschikte soorten kunnen er deel
van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen
overheersen; i) "grassen of andere
kruidachtige voedergewassen": alle kruidachtige planten die in de lidstaat
traditioneel in natuurlijk grasland voorkomen of normaliter in zaadmengsels
voor grasland worden opgenomen (ongeacht of het betrokken grasland voor het
weiden van dieren wordt gebruikt). j) "kwekerijen": arealen met
jonge houtachtige planten in de openlucht, bestemd om later te worden verplant,
en wel kwekerijen van: –
wijnstokken en moederplanten; –
vruchtbomen en kleinfruitgewassen; –
siergewassen; –
voor de verkoop bestemde bosplanten (exclusief de
in het bos gelegen bosboomkwekerijen voor de eigen behoefte van het bedrijf); –
bomen en heesters ter beplanting van tuinen,
parken, straten en wegbermen, bijvoorbeeld haagplanten, rozen en andere
sierheesters, sierconiferen, alsmede onderstammen en jonge zaailingen ervan; k) "hakhout met korte
omlooptijd": arealen beplant met door de lidstaten te bepalen boomsoorten
van GN-code 06029041, bestaande uit meerjarige houtgewassen waarvan de
wortelstokken of stronken na de oogst in de grond blijven en die in het
daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen en waarvan de maximale omlooptijd
door de lidstaten wordt vastgesteld. 2. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen: a) tot vaststelling van verdere definities
inzake de toegang tot steun in het kader van deze verordening; b) tot vaststelling van het kader voor de door
de lidstaten te omschrijven minimumactiviteiten die nodig zijn om grond in een
voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat te houden; c) tot vaststelling van de criteria waaraan
een landbouwer moet voldoen zodat kan worden aangenomen dat de verplichting om
het landbouwareaal in een voor beweiding of teelt geschikte staat te houden als
bedoeld in lid 1, onder c), is nagekomen; d) tot vaststelling van de criteria aan de
hand waarvan kan worden bepaald of grassen en andere kruidachtige voedergewassen
in blijvend grasland overheersen, als bedoeld in lid 1, onder h). TITEL II
ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE RECHTSTREEKSE BETALINGEN HOOFDSTUK 1
Gemeenschappelijke voorschriften voor rechtstreekse betalingen Artikel 5 Financiering
van rechtstreekse betalingen De in bijlage I bij deze verordening genoemde
steunregelingen worden gefinancierd overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b),
van Verordening (EU) nr. […] [HZV]. Artikel 6 Nationale
maxima 1. Het nationale maximum,
bestaande uit de totale waarde van alle toegewezen betalingsrechten, van de
nationale reserve en van de maxima die overeenkomstig de artikelen 33, 35, 37
en 39 zijn vastgesteld, wordt per lidstaat en per jaar vermeld in bijlage II. 2. Om rekening te houden met de
ontwikkelingen die verband houden met de totale maximumbedragen aan
rechtstreekse betalingen die toegekend kunnen worden, waaronder de gevolgen van
de besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 14 nemen, wordt de
Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan
te nemen tot herziening van de in bijlage II vermelde nationale maxima. Artikel 7 Nettomaxima 1. Onverminderd artikel 8 ligt
het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen dat, na toepassing van artikel
11, uit hoofde van de titels III, IV en V voor een kalenderjaar in een lidstaat
mag worden toegekend, niet hoger dan de in bijlage III bij deze verordening
vermelde maxima. Om te voorkomen dat het totale bedrag aan
rechtstreekse betalingen hoger is dan de in bijlage III vermelde maxima, passen
de lidstaten een lineaire verlaging toe op de bedragen aan rechtstreekse
betalingen, behalve rechtstreekse betalingen die in het kader van Verordening
(EG) nr. 247/2006 en Verordening (EG) nr. 1405/2006 worden toegekend. 2. De geraamde opbrengst uit de
in artikel 11 bedoelde plafonnering, welke overeenkomt met het verschil tussen
de in bijlage II vermelde nationale maxima plus het bedrag dat overeenkomstig
artikel 44 beschikbaar is, en de in bijlage III vermelde nettomaxima, wordt
voor elke lidstaat en voor elk jaar beschikbaar gesteld als EU-steun voor
maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die
overeenkomstig Verordening (EU) nr. […] [POV] met middelen uit het ELFPO worden
gefinancierd. 3. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot
herziening van de in bijlage III vermelde maxima. Artikel 8 Financiële
discipline 1. Het aanpassingspercentage dat
overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. […] [HZV] is bepaald,
is alleen van toepassing op rechtstreekse betalingen van meer dan 5 000
euro die in het desbetreffende kalenderjaar aan een landbouwer worden
toegekend. 2. In het kader van de in
artikel 16 bedoelde geleidelijke invoering van rechtstreekse betalingen is lid
1 pas vanaf 1 januari 2016 van toepassing op Bulgarije en Roemenië. 3. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de
berekeningsgrondslag voor verlagingen die de lidstaten uit hoofde van de leden
1 en 2 moeten toepassen op landbouwers. Artikel 9 Actieve
landbouwer 1. Er worden geen rechtstreekse betalingen toegekend aan
natuurlijke of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke of rechtspersonen,
wanneer een van de volgende voorwaarden van toepassing is: a) het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen is
minder dan 5 % van de totale opbrengsten die zij in het meest recente
fiscale jaar uit de niet-landbouwactiviteiten hebben verworven; b) hun landbouwarealen bestaan hoofdzakelijk uit grond die
in een voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat wordt gehouden en
zij verrichten op deze grond geen minimumactiviteit die de betrokken lidstaat
overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), heeft vastgesteld. 2. Lid 1 is niet van toepassing op landbouwers die over het
voorgaande jaar minder dan 5 000 euro aan rechtstreekse betalingen
hebben ontvangen. 3. De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55
gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van: a) criteria op basis waarvan het bedrag aan rechtstreekse
betalingen wordt bepaald dat voor de toepassing van de leden 1 en 2 van belang
is, en met name voor het eerste jaar waarvoor betalingsrechten worden
toegewezen en de waarde van de betalingsrechten nog niet definitief is vastgesteld,
alsmede dergelijke criteria voor jonge landbouwers; b) uitzonderingen op de regel dat de opbrengsten in het
meest recente fiscale jaar in aanmerking moeten worden genomen, ingeval deze
cijfers niet beschikbaar zijn; en c) criteria op basis waarvan wordt bepaald wanneer het
landbouwareaal van een landbouwer geacht mag worden hoofdzakelijk te bestaan
uit grond die in een voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat wordt
gehouden. Artikel 10 Minimumvereisten
voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen 1. De lidstaten besluiten om in
een van de volgende gevallen geen rechtstreekse betalingen aan een landbouwer
toe te kennen: a) wanneer het totaalbedrag van de voor een
bepaald kalenderjaar aangevraagde of toe te kennen rechtstreekse betalingen
vóór toepassing van de in artikel 65 van Verordening (EU) nr. […] [HZV]
bedoelde verlagingen en uitsluitingen lager is dan 100 euro; b) wanneer het subsidiabele areaal van het
bedrijf waarvoor rechtstreekse betalingen worden aangevraagd of moeten worden
toegekend vóór toepassing van de in artikel 65 van Verordening (EU) nr. [...]
[HZV] bedoelde verlagingen en uitsluitingen minder dan één hectare is. Om rekening te houden met de structuur van hun
landbouweconomie, kunnen de lidstaten de in de punten a) en b) genoemde
drempels aanpassen binnen de in bijlage IV gestelde limieten. 2. Wanneer een landbouwer die de
in titel IV genoemde diergebonden gekoppelde steun ontvangt, over minder
hectaren beschikt dan de door de desbetreffende lidstaat op grond van lid 1,
onder b), gekozen drempel, past deze lidstaat lid 1, onder a), toe. 3. De betrokken lidstaten kunnen
besluiten om lid 1 niet toe te passen op de ultraperifere gebieden en op de
kleinere eilanden in de Egeïsche Zee. 4. In Bulgarije en Roemenië
wordt het in lid 1 bedoelde aangevraagde of toe te kennen bedrag voor de jaren
2014 en 2015 berekend op basis van het bedrag dat in bijlage V,
onder A, voor het desbetreffende jaar wordt vermeld. Artikel 11 Geleidelijke
verlaging en plafonnering van de betaling 1. Het bedrag aan rechtstreekse
betalingen dat in het kader van deze verordening voor een bepaald kalenderjaar
aan een landbouwer moet worden toegekend, wordt als volgt verlaagd: –
met 20 % voor de schijf van meer dan 150 000
euro tot en met 200 000 euro; –
met 40 % voor de schijf van meer dan 200 000
euro tot en met 250 000 euro; –
met 70 % voor de schijf van meer dan 250 000
euro tot en met 300 000 euro; –
met 100 % voor de schijf van meer dan
300 000 euro. 2. Bij de berekening van het in
lid 1 bedoelde bedrag worden de lonen die de landbouwer daadwerkelijk over het
voorgaande jaar heeft betaald en heeft aangegeven, met inbegrip van belastingen
en sociale bijdragen die verband houden met de arbeid, in mindering gebracht op
het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen dat oorspronkelijk aan de
landbouwer verschuldigd was zonder rekening te houden met de betalingen die uit
hoofde van titel III, hoofdstuk 2, van deze verordening worden toegekend. 3. De lidstaten zorgen ervoor
dat geen betalingen worden gedaan aan landbouwers van wie vast komt te staan
dat zij vanaf de datum van bekendmaking van het door de Commissie gedane
voorstel voor deze verordening kunstmatig de voorwaarden hebben gecreëerd om
zich aan de gevolgen van dit artikel te onttrekken. Artikel 12 Meervoudige
aanvragen Het met het aantal subsidiabele hectaren
overeenkomende areaal waarvoor een landbouwer uit hoofde van titel III,
hoofdstuk 1, een aanvraag voor een basisbetaling heeft ingediend, kan het
voorwerp zijn van een aanvraag voor een andere rechtstreekse betaling, alsmede
voor andere steun die niet onder deze verordening valt, tenzij in deze
verordening uitdrukkelijk anders is bepaald. Artikel 13 Staatssteun In afwijking van artikel 146, lid 1, van
Verordening [iGMO] zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag niet van
toepassing op betalingen die de lidstaten uit hoofde van en overeenkomstig deze
verordening doen. Artikel 14 Flexibiliteit
tussen de pijlers 1. Vóór
1 augustus 2013 mogen de lidstaten besluiten om ten hoogste 10 % van hun
in bijlage II bij deze verordening vermelde jaarlijkse nationale maxima voor de
kalenderjaren 2014 tot en met 2019 beschikbaar te stellen als aanvullende steun
voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die
overeenkomstig Verordening (EU) nr. [...] [POV] uit het ELFPO worden
gefinancierd. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet meer beschikbaar voor
de toekenning van rechtstreekse betalingen. Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt uiterlijk op de in die
alinea genoemde datum aan de Commissie gemeld. Het percentage dat overeenkomstig de tweede alinea wordt gemeld, is een
en hetzelfde percentage voor de in de eerste alinea genoemde jaren. 2. Vóór
1 augustus 2013 mogen Bulgarije, Estland, Finland, Letland, Litouwen, Polen,
Portugal, Roemenië, Slowakije, Spanje, Zweden en het Verenigd Koninkrijk
besluiten om ten hoogste 5 % van het bedrag dat is toegewezen voor steun
voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's die
overeenkomstig Verordening (EU) nr. [...] [POV] in de periode 2015-2020 uit het
ELFPO worden gefinancierd, beschikbaar te stellen als rechtstreekse betalingen
in het kader van deze verordening. Het desbetreffende bedrag is daardoor niet
meer beschikbaar voor steunmaatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's. Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt uiterlijk op de in die
alinea genoemde datum aan de Commissie gemeld. Het percentage dat overeenkomstig de tweede alinea wordt gemeld, is een
en hetzelfde percentage voor de in lid 1, eerste alinea, genoemde jaren. Artikel 15 Herziening De in bijlage I vermelde steunregelingen zijn
van toepassing onverminderd de mogelijkheid deze op elk tijdstip in het licht
van de economische ontwikkelingen en de begrotingssituatie te herzien. HOOFDSTUK 2
Bepalingen die alleen van toepassing zijn op Bulgarije en Roemenië Artikel 16 Geleidelijke
invoering van rechtstreekse betalingen De
in de artikelen 33, 35, 37, 39 en 51 bedoelde nationale maxima voor de
betalingen worden in Bulgarije en Roemenië voor 2014 en 2015 vastgesteld op
basis van de in bijlage V, onder A, vermelde bedragen. Artikel 17 Aanvullende
nationale rechtstreekse betalingen en rechtstreekse betalingen 1. Bulgarije en Roemenië mogen
voor 2014 en 2015 betalingen die in het kader van de in titel III,
hoofdstuk 1, bedoelde basisbetalingsregeling worden toegekend en, in het geval
van Bulgarije, ook betalingen die in het kader van de in titel IV, hoofdstuk 2,
bedoelde gewasspecifieke betaling voor katoen worden toegekend, aanvullen met
nationale rechtstreekse betalingen. 2. Het totale bedrag aan
aanvullende nationale rechtstreekse betalingen dat voor de jaren 2014 en 2015
bovenop de basisbetalingsregeling kan worden toegekend, is niet hoger dan de in
bijlage V, onder B, voor elk van deze jaren vermelde bedragen. 3. In het geval van Bulgarije is
het totale bedrag aan aanvullende nationale rechtstreekse betalingen dat
bovenop de gewasspecifieke betaling voor katoen kan worden toegekend, niet
hoger dan de in bijlage V, onder C, voor elk van de in deze bijlage genoemde
jaren vermelde bedragen. 4. Aanvullende nationale
rechtstreekse betalingen worden toegekend op basis van objectieve criteria en
op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt
gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden. TITEL III
BASISBETALINGSREGELING EN DAARMEE SAMENHANGENDE BETALINGEN HOOFDSTUK 1
Basisbetalingsregeling Afdeling 1
Opzet van de basisbetalingsregeling Artikel 18 Betalingsrechten 1. Er is in het kader van de
basisbetalingsregeling steun beschikbaar voor landbouwers die in het kader van
deze verordening betalingsrechten verwerven middels een eerste toewijzing
krachtens artikel 21, uit de nationale reserve krachtens artikel 23 of middels
een overdracht krachtens artikel 27. 2. Toeslagrechten die in het
kader van de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 1782/2003 en Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn verworven,
vervallen op 31 december 2013. Artikel 19 Maximum
voor de basisbetalingsregeling 1. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen het jaarlijkse nationale maximum voor de
basisbetalingsregeling vast door de jaarlijkse bedragen die overeenkomstig de
artikelen 33, 35, 37 en 39 moeten worden vastgesteld, in mindering te brengen
op het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum. Deze
uitvoeringshandelingen worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid
2, bedoelde onderzoeksprocedure. 2. De totale waarde van alle
toegewezen betalingsrechten en de nationale reserve is voor elke lidstaat en
voor elk jaar gelijk aan het desbetreffende nationale maximum dat de Commissie
uit hoofde van lid 1 heeft vastgesteld. 3. Indien het maximum dat de
Commissie uit hoofde van lid 1 heeft vastgesteld ten opzichte van het
voorgaande jaar is gewijzigd, verlaagt of verhoogt de betrokken lidstaat de
waarde van alle betalingsrechten lineair om aan het bepaalde in lid 2 te
voldoen. Artikel 20 Regionale
toewijzing van de nationale maxima 1. De lidstaten kunnen vóór 1
augustus 2013 besluiten om de basisbetalingsregeling op regionaal niveau toe te
passen. Zij stellen de regio's in dat geval vast op basis van objectieve en
niet-discriminerende criteria, zoals de agronomische en economische kenmerken
van de regio's en het regionale agrarische potentieel ervan, of de
institutionele of administratieve structuur ervan. 2. De lidstaten verdelen het in
artikel 19, lid 1, bedoelde nationale maximum op basis van objectieve en
niet-discriminerende criteria over de regio's. 3. De lidstaten kunnen besluiten
dat de regionale maxima jaarlijks geleidelijk worden gewijzigd in vooraf
vastgestelde jaarlijkse stappen en op basis van objectieve en
niet-discriminerende criteria, zoals het landbouwpotentieel of milieucriteria. 4. De lidstaten passen voor elk
van hun regio's telkens een lineaire verlaging of verhoging van de waarde van
de betalingsrechten toe voor zover dit nodig is om het toepasselijke regionale
maximum in acht te nemen dat overeenkomstig lid 2 of lid 3 is vastgesteld. 5. De lidstaten melden het in
lid 1 bedoelde besluit samen met de maatregelen die voor de toepassing van de
leden 2 en 3 zijn genomen, uiterlijk op 1 augustus 2013 aan de Commissie. Artikel 21 Eerste
toewijzing van betalingsrechten 1. Onverminderd lid 2 worden
betalingsrechten toegewezen aan landbouwers die uiterlijk op 15 mei 2014 een
aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten in het kader van de
basisbetalingsregeling indienen, tenzij er sprake is van overmacht of
uitzonderlijke omstandigheden. 2. Landbouwers die in 2011 in
het kader van de bedrijfstoeslagregeling ten minste één toeslagrecht hebben
geactiveerd of in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling
steun hebben aangevraagd, in beide gevallen overeenkomstig
Verordening (EG) nr. 73/2009, ontvangen betalingsrechten voor het eerste
jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling, mits zij overeenkomstig
artikel 9 recht hebben op de toekenning van rechtstreekse betalingen. In afwijking van de eerste alinea ontvangen landbouwers
betalingsrechten voor het eerste jaar waarin de basisbetalingsregeling van
toepassing is, mits zij overeenkomstig artikel 9 recht hebben op de toekenning
van rechtstreekse betalingen en zij in 2011: a) in het
kader de bedrijfstoeslagregeling geen rechten hebben geactiveerd, maar
uitsluitend fruit of groenten hebben geteeld en/of een wijngaard hebben
geëxploiteerd; b) in het kader van de bedrijfstoeslagregeling geen steun hebben
aangevraagd en alleen landbouwgrond hadden die op 30 juni 2003 niet in een
goede landbouwconditie verkeerde als bedoeld in artikel 124, lid 1, van
Verordening (EG) nr. 73/2009. Het aantal per landbouwer toegewezen betalingsrechten is gelijk aan het
aantal subsidiabele hectaren in de zin van artikel 25, lid 2, dat de betrokken
landbouwer overeenkomstig artikel 26, lid 1, aangeeft voor 2014, tenzij er
sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. 3. Bij verkoop of verhuur van
hun bedrijf of een gedeelte ervan kunnen natuurlijke of rechtspersonen die
voldoen aan lid 2, het recht op toeslagrechten als bedoeld in lid 1, middels
een vóór 15 mei 2014 ondertekend contract overdragen aan slechts één
landbouwer, mits deze landbouwer voldoet aan de voorwaarden van artikel 9. 4. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vast voor aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten
die in het jaar van toewijzing van betalingsrechten worden ingediend, in
gevallen waarin deze betalingsrechten nog niet definitief zijn vastgesteld en
in gevallen waarin de toewijzing door bijzondere omstandigheden wordt
beïnvloed. Deze uitvoeringshandelingen worden aangenomen overeenkomstig de in
artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 22 Waarde
van betalingsrechten en convergentie 1. De waarde per eenheid van de
betalingsrechten wordt voor elk betrokken jaar berekend door het nationale of
regionale maximum dat op grond van artikel 19 of artikel 20 is
vastgesteld, na de toepassing van de lineaire verlaging als bedoeld in artikel
23, lid 1, te delen door het aantal betalingsrechten dat voor 2014 op
nationaal of regionaal niveau is toegewezen overeenkomstig artikel 21,
lid 2. 2. De lidstaten die de bij
Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde bedrijfstoeslagregeling
hebben toegepast, kunnen de berekening van de waarde per eenheid van de
betalingsrechten zoals voorgeschreven in lid 1, beperken tot een bedrag van ten
minste 40 % van het nationale of regionale maximum dat op grond van
artikel 19 of artikel 20 is vastgesteld, zulks na toepassing van de lineaire
verlaging als bedoeld in artikel 23, lid 1. 3. De lidstaten die gebruikmaken
van de in lid 2 geboden mogelijkheid, gebruiken het deel van het maximum dat na
de toepassing van het bepaalde in dat lid resteert, om de waarde van de
betalingsrechten te verhogen wanneer de overeenkomstig lid 2 berekende totale
waarde van de betalingsrechten waarover een landbouwer in het kader van de
basisbetalingsregeling beschikt, lager is dan de totale waarde van de
toeslagrechten, inclusief de bijzondere toeslagrechten, waarover de landbouwer
op 31 december 2013 in het kader van de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig
Verordening (EG) nr. 73/2009 beschikte. Daartoe wordt de nationale of
regionale waarde per eenheid van elk betalingsrecht van de betrokken landbouwer
verhoogd met een percentage van het verschil tussen de overeenkomstig lid 2
berekende totale waarde van de betalingsrechten in het kader van de
basisbetalingsregeling en de totale waarde van de toeslagrechten, inclusief de
bijzondere toeslagrechten, waarover de landbouwer op 31 december 2013 in het
kader van de bedrijfstoeslagregeling overeenkomstig Verordening (EG)
nr. 73/2009 beschikte. Bij de berekening van de verhoging mag een
lidstaat ook rekening houden met de steun die uit hoofde van artikel 52,
artikel 53, lid 1, en artikel 68, lid 1, onder b), van Verordening (EG)
nr. 73/2009 voor kalenderjaar 2013 is verleend, mits de lidstaat heeft
besloten om de vrijwillige gekoppelde steun uit hoofde van titel IV van deze
verordening niet toe te passen op de desbetreffende sectoren. Voor de toepassing van de eerste alinea wordt een
landbouwer geacht op 31 december 2013 over toeslagrechten te beschikken
wanneer uiterlijk op die datum toeslagrechten aan hem waren toegewezen of
definitief aan hem waren overgedragen. 4. Voor de toepassing van lid 3
kan een lidstaat op basis van objectieve criteria bepalen dat, in geval van
verkoop, afstaan of verstrijken van de huur van landbouwarealen of een gedeelte
daarvan na de uit hoofde van artikel 35 van Verordening (EG)
nr. 73/2009 vastgestelde datum en vóór de uit hoofde van artikel 26 van
deze verordening vastgestelde datum, de toename van de waarde van de
betalingsrechten die aan de desbetreffende landbouwer zouden worden toegewezen,
geheel of gedeeltelijk aan de nationale reserve moet worden toegevoegd wanneer
de toename tot onverhoopte winst voor de landbouwer in kwestie zou leiden. Deze objectieve criteria worden op zodanige wijze
vastgesteld dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en
markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, en omvatten ten minste: a) de minimumtermijn voor de huur; b) het aandeel in de ontvangen betaling dat
aan de nationale reserve moet worden toegevoegd. 5. Alle betalingsrechten in een
lidstaat of, bij toepassing van artikel 20, in een regio hebben vanaf
aanvraagjaar 2019 een uniforme waarde per eenheid. 6. Bij de toepassing van de
leden 2 en 3 brengen de lidstaten, met inachtneming van de algemene beginselen
van het EU-recht, de waarden van de betalingsrechten op nationaal of regionaal
niveau dichter bij elkaar. Daartoe stellen zij uiterlijk op 1 augustus
2013 de nodige maatregelen vast. Deze maatregelen bestaan onder meer in een
jaarlijkse geleidelijke wijziging van de betalingsrechten op basis van
objectieve en niet-discriminerende criteria. De in de eerste alinea
bedoelde maatregelen worden uiterlijk op de in die alinea genoemde datum aan de
Commissie gemeld. Afdeling 2
Nationale reserve Artikel 23 Vorming
en gebruik van de nationale reserve 1. Elke lidstaat vormt een
nationale reserve. Daartoe gaan de lidstaten in het eerste jaar van toepassing
van de basisbetalingsregeling over tot een lineaire procentuele verlaging van
het maximum van de basisbetalingsregeling op nationaal niveau om de nationale
reserve te vormen. Deze verlaging bedraagt niet meer dan 3 %, tenzij het
nodig is om in de bij lid 4 vastgestelde toewijzingsbehoeften voor 2014 te
voorzien. 2. De lidstaten mogen de
nationale reserve op regionaal niveau beheren. 3. De lidstaten stellen
betalingsrechten van de nationale reserve vast op basis van objectieve criteria
en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt
gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden. 4. De lidstaten gebruiken de
nationale reserve om bij voorrang betalingsrechten toe te wijzen aan jonge
landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen. Voor de toepassing
van de eerste alinea wordt onder "jonge landbouwers die met hun
landbouwactiviteiten beginnen" verstaan: landbouwers in de zin van artikel
36, lid 2, die in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de nieuwe
landbouwactiviteiten geen landbouwactiviteiten hebben verricht in eigen naam en
voor eigen risico en evenmin de controle hebben gehad over een rechtspersoon
die landbouwactiviteiten uitoefende. In het geval van een rechtspersoon mag
(mogen) de natuurlijke persoon (personen) die de controle over de rechtspersoon
heeft (hebben), in de vijf jaar voorafgaand aan het opstarten van de
landbouwactiviteiten door de rechtspersoon geen landbouwactiviteiten hebben
verricht in eigen naam en voor eigen risico en evenmin de controle hebben gehad
over een rechtspersoon die landbouwactiviteiten uitoefende in die periode. 5. De lidstaten kunnen de
nationale reserve gebruiken om: a) betalingsrechten toe te wijzen aan
landbouwers in gebieden waar aan een vorm van overheidssteun gekoppelde
herstructurerings- en ontwikkelingsprogramma's lopen om te voorkomen dat de
grond wordt verlaten, en/of om landbouwers te compenseren voor specifieke
nadelen in deze gebieden; b) als de nationale reserve in een bepaald
jaar meer dan 3 % bedraagt, de waarde van de betalingsrechten in het kader van
de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau lineair te verhogen,
mits voldoende bedragen beschikbaar blijven voor toewijzingen op grond van lid
4, van dit lid, onder a), en van lid 7. 6. Bij de toepassing van lid 4
en lid 5, onder a), stellen de lidstaten de waarde van de aan landbouwers
toegewezen betalingsrechten vast op basis van de nationale of regionale
gemiddelde waarde van de betalingsrechten in het jaar van toewijzing. 7. Een landbouwer die op grond
van een definitieve gerechtelijke uitspraak of een definitief
bestuursrechtelijk besluit van de bevoegde autoriteit van een lidstaat recht
heeft op de toewijzing van betalingsrechten of op een verhoging van de waarde
van de reeds bestaande betalingsrechten, ontvangt het aantal betalingsrechten
en de waarde daarvan die in die uitspraak of dat besluit zijn vastgesteld, op
een door de lidstaat te bepalen datum. Deze datum mag evenwel niet later zijn
dan de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag in het kader van de
basisbetalingsregeling na de datum van de gerechtelijke uitspraak of het
bestuursrechtelijke besluit, waarbij rekening wordt gehouden met de toepassing
van de artikelen 25 en 26. Artikel 24 Aanvulling
van de nationale reserve 1. De nationale reserve wordt
gevuld met de bedragen: a) van betalingsrechten die gedurende twee
opeenvolgende jaren geen recht op betalingen geven in verband met de toepassing
van: i) artikel 9; ii) artikel 10, lid 1; b) van betalingsrechten die gedurende twee
jaar niet overeenkomstig artikel 25 zijn geactiveerd, tenzij er sprake is van
overmacht of uitzonderlijke omstandigheden; c) van betalingsrechten die landbouwers
vrijwillig hebben afgestaan; d) die voortvloeien uit de toepassing van
artikel 22, lid 4. 2. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen de nodige maatregelen vast voor de toevoeging van
niet-geactiveerde betalingsrechten aan de nationale reserve. Deze
uitvoeringshandelingen worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid
2, bedoelde onderzoeksprocedure. Afdeling 3
Uitvoering van de basisbetalingsregeling Artikel 25 Activering
van betalingsrechten 1. De steun in het kader van de
basisbetalingsregeling wordt aan landbouwers verleend na activering, middels
aangifte overeenkomstig artikel 26, lid 1, van een betalingsrecht per
subsidiabele hectare in de lidstaat waar het is toegewezen. Elk geactiveerd
betalingsrecht geeft recht op de jaarlijkse betaling van het in het kader van
dat betalingsrecht vastgestelde bedrag, zulks onverminderd de toepassing van de
financiële discipline, de geleidelijke verlaging en plafonnering, de lineaire
verlagingen overeenkomstig artikel 7, artikel 37, lid 2, en artikel 51,
lid 1, en de verlagingen en uitsluitingen die uit hoofde van Verordening (EU)
nr. [...] [HZV] worden opgelegd. 2. In deze titel wordt onder
"subsidiabele hectare" verstaan: a) om het even welk landbouwareaal van het
bedrijf dat wordt gebruikt voor landbouwactiviteiten of dat, wanneer het areaal
ook voor niet-landbouwactiviteiten wordt gebruikt, overwegend voor
landbouwactiviteiten wordt gebruikt, of b) om het even welke grond die in 2008 recht
gaf op betalingen in het kader van de bedrijfstoeslagregeling of de regeling
inzake een enkele areaalbetaling die waren ingesteld bij respectievelijk titel
III en titel V, hoofdstuk 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en die: i) niet meer voldoet aan de definitie van subsidiabel in punt a)
als gevolg van de uitvoering van Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2000/60/EG van
het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een
kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid[27]
en Richtlijn 2009/147/EG, of ii) voor de looptijd van de betrokken
verbintenis van de individuele landbouwer is bebost uit hoofde van artikel 31
van Verordening (EG) nr. 1257/1999 of artikel 43 van Verordening (EG) nr.
1698/2005 of een nationale regeling waarvan de voorwaarden stroken met artikel
43, leden 1, 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 en artikel 23
van Verordening (EU) nr. [...] [POV], of iii) voor de looptijd van de betrokken
verbintenis van de individuele landbouwer is braak gelegd uit hoofde van de
artikelen 22, 23 en 24 van Verordening (EG) nr. 1257/1999 of artikel 39 van
Verordening (EG) nr. 1698/2005 en artikel 29 van Verordening (EU) nr.
[...] [POV]. Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a),
wordt een landbouwareaal van een bedrijf dat ook voor niet-landbouwactiviteiten
wordt gebruikt, aangemerkt als een overwegend voor landbouwdoeleinden gebruikt
areaal mits de uitoefening van de landbouwactiviteiten geen noemenswaardige
hinder ondervindt van de intensiteit, de aard, de duur en de planning van de
niet-landbouwactiviteiten. De lidstaten stellen criteria vast voor de
toepassing van het bepaalde in deze alinea op hun grondgebied. Om subsidiabel te zijn, moeten arealen gedurende
het gehele kalenderjaar voldoen aan de definitie van subsidiabele hectare,
tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. 3. Voor de productie van hennep
gebruikte arealen vormen slechts subsidiabele hectaren wanneer het gehalte aan
tetrahydrocannabinol van de gebruikte rassen maximaal 0,2 % bedraagt. Artikel 26 Aangifte
van subsidiabele hectaren 1. Voor de toepassing van
artikel 25, lid 1, geeft de landbouwer aan welke percelen overeenstemmen met de
aan een betalingsrecht gebonden subsidiabele hectaren. Deze percelen staan ter
beschikking van de landbouwer op een door de lidstaat vastgestelde datum, die
echter niet valt na de in die lidstaat vastgestelde datum voor wijziging van de
steunaanvraag als bedoeld in de artikel 73, lid 1, van Verordening (EU) nr.
[...] [HZV], tenzij er sprake is van overmacht of uitzonderlijke
omstandigheden. 2. De lidstaten kunnen, in naar
behoren gemotiveerde gevallen, de landbouwer toestaan zijn aangifte te
wijzigen, mits hij ten minste het aantal hectaren dat overeenstemt met zijn
betalingsrechten, handhaaft en de voorwaarden in acht neemt die verbonden zijn
aan de toekenning van de basisbetaling voor het betrokken areaal. Artikel 27 Overdracht
van betalingsrechten 1. Betalingsrechten kunnen
uitsluitend worden overgedragen aan een landbouwer die in dezelfde lidstaat is
gevestigd, behalve in het geval van overdracht door feitelijke of verwachte
vererving. Zelfs in het geval van overdracht door feitelijke
of verwachte vererving mogen de betalingsrechten evenwel uitsluitend worden
gebruikt in de lidstaat waar de betalingsrechten zijn vastgesteld. 2. Betalingsrechten mogen alleen
binnen eenzelfde regio of tussen verschillende regio's van een lidstaat worden
overgedragen wanneer de waarde van de betalingsrechten per hectare die
voortvloeit uit de toepassing van hetzij artikel 22, lid 1, hetzij
artikel 22, lid 2, dezelfde is. 3. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen de nodige eisen vast inzake de melding, aan de nationale
instanties, van een overdracht van betalingsrechten en inzake de uiterste data
waarop dergelijke meldingen moeten plaatsvinden. Deze uitvoeringshandelingen
worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. Artikel 28 Gedelegeerde
bevoegdheden De
Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde
handelingen aan te nemen inzake: a) het recht van landbouwers op steun in het
kader van de basisbetalingsregeling en hun toegang tot deze regeling bij
vererving en verwachte vererving, vererving in het kader van een huurcontract,
wijziging van de juridische status of benaming en bij een fusie of splitsing
van het bedrijf; b) de berekening van het aantal en de waarde
en van de verhoging of verlaging van de waarde van betalingsrechten bij de
toewijzing van betalingsrechten in het kader van enigerlei bepaling van deze
titel, waaronder bepalingen met betrekking tot: i) de mogelijkheid van een voorlopig
aantal en een voorlopige waarde of van een voorlopige verhoging van
betalingsrechten die worden toegewezen op basis van de aanvraag van de
landbouwer, ii) de voorwaarden voor de vaststelling van
het voorlopige en het definitieve aantal en de voorlopige en de definitieve
waarde van de betalingsrechten, iii) de gevallen waarin een verkoopcontract
of verhuurcontract van invloed kan zijn op de toewijzing van betalingsrechten; c) de vaststelling en berekening van het
aantal en de waarde van betalingsrechten die uit de nationale reserve worden
ontvangen; d) de wijziging van de waarde per eenheid
van betalingsrechten wanneer het gaat om delen van betalingsrechten; e) door de lidstaten te hanteren criteria
voor de toewijzing van betalingsrechten aan landbouwers die in 2011 geen rechten
hebben geactiveerd of steun hebben aangevraagd in het kader van de
bedrijfstoeslagregeling, als bedoeld in artikel 21, lid 2, en voor de
toewijzing van betalingsrechten in geval van de toepassing van de
contractclausule, als bedoeld in artikel 21, lid 3; f) de criteria voor de toewijzing van
betalingsrechten uit hoofde van artikel 23, leden 4 en 5; g) de aangifte en activering van
betalingsrechten; h) bepalingen waarbij de toekenning van
betalingen afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad
van bepaalde henneprassen en waarbij wordt voorzien in de procedure voor de
vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het in artikel 25, lid
3, genoemde tetrahydrocannabinolgehalte ervan. HOOFDSTUK 2
Betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken Artikel 29 Algemene
voorschriften 1. Landbouwers die recht hebben
op een betaling in het kader van de in hoofdstuk 1 bedoelde
basisbetalingsregeling, nemen op hun subsidiabele hectaren als gedefinieerd in
artikel 25, lid 2, de volgende klimaat- en milieuvriendelijke
landbouwpraktijken in acht: a) zij hebben drie verschillende gewassen op
hun bouwland wanneer dit bouwland meer dan drie hectaren omvat en een
aanzienlijk deel van het jaar niet volledig wordt gebruikt voor de productie
van (ingezaaid of natuurlijk) gras, niet volledig braak ligt of niet volledig
wordt beteeld met gewassen die onder water staan; b) zij houden bestaand blijvend grasland op
hun bedrijf als zodanig in stand, c) zij hebben een ecologisch aandachtsgebied
op hun landbouwareaal. 2. Onverminderd de leden 3 en 4
en onverminderd de toepassing van de financiële discipline, de lineaire
verlagingen overeenkomstig artikel 7, en de verlagingen en sancties die uit
hoofde van Verordening (EU) nr. [...] [HZV] worden opgelegd, kennen de
lidstaten de in dit hoofdstuk bedoelde betaling toe aan landbouwers die van de
in lid 1 genoemde praktijken de voor hen ter zake relevante praktijken in acht
nemen overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 30, 31 en 32. 3. Landbouwers wier bedrijf
geheel of gedeeltelijk is gelegen in een gebied dat onder Richtlijn 92/43/EEG
of Richtlijn 2009/147/EG valt, hebben recht op de in dit hoofdstuk bedoelde
betaling, mits zij de in dit hoofdstuk bedoelde praktijken in acht nemen voor
zover deze praktijken in het betrokken bedrijf verenigbaar zijn met de
doelstellingen van die richtlijnen. 4. Landbouwers die aan de eisen
van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 834/2007 inzake
biologische landbouw voldoen, hebben automatisch recht op de in dit hoofdstuk
bedoelde betaling. De eerste alinea
is alleen van toepassing op de eenheden van een bedrijf die overeenkomstig
artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007 worden gebruikt voor biologische
productie. 5. De in lid 1 bedoelde betaling
wordt toegekend in de vorm van een jaarlijkse betaling per subsidiabele hectare
die overeenkomstig artikel 26, lid 1, is aangegeven, en wordt jaarlijks
berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van artikel 33,
lid 1, te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in de
betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 26 is aangegeven. Artikel 30 Gewasdiversificatie 1. Wanneer het bouwland van de
landbouwer meer dan drie hectaren omvat en een aanzienlijk deel van het jaar
niet volledig wordt gebruikt voor de productie van (ingezaaid of natuurlijk)
gras, niet volledig braak ligt of niet volledig wordt beteeld met gewassen die
onder water staan, worden ten minste drie verschillende gewassen op dit
bouwland geteeld. Geen van deze drie gewassen bestrijkt minder dan 5 % van
het bouwland en het hoofdgewas bestrijkt niet meer dan 70 % van het
bouwland. 2. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot
vaststelling van de definitie van "gewas" en van de voorschriften
voor de precieze berekening van de percentages voor de verschillende gewassen. Artikel 31 Blijvend
grasland 1. De landbouwers houden de
arealen van hun bedrijf die voor aanvraagjaar 2014 als blijvend grasland zijn
aangegeven in de aanvraag die uit hoofde van artikel 74, lid 1, van Verordening
(EU) nr. XXX (HZR) is ingediend, hierna "als blijvend grasland gebruikte
referentiearealen" genoemd, als zodanig in stand. De als blijvend grasland
gebruikte referentiearealen worden verhoogd wanneer de landbouwer op grond van
artikel 93 van Verordening (EU) nr. [...] [HZV] verplicht is om arealen in 2014
en/of in 2015 weer om te zetten in blijvend grasland. 2. Het wordt landbouwers
toegestaan om ten hoogste 5 % van hun als blijvend grasland gebruikte
referentiearealen om te zetten. Deze bovengrens geldt niet als er sprake is van
overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. 3. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot
vaststelling van voorschriften voor de verhoging van de als blijvend grasland
gebruikte referentiearealen op grond van lid 1, tweede alinea, voor de
vernieuwing van blijvend grasland, voor de heromzetting van een landbouwareaal
in blijvend grasland bij overschrijding van de in lid 2 bedoelde toegestane
vermindering en voor de wijziging van de als blijvend grasland gebruikte
referentiearealen in geval van overdracht van grond. Artikel 32 Ecologisch
aandachtsgebied 1. De landbouwers zorgen ervoor
dat ten minste 7 % van hun subsidiabele hectaren in de zin van artikel 25,
lid 2, exclusief de als blijvend grasland gebruikte arealen, ecologisch
aandachtsgebied is, zoals braakland, terrassen, landschapselementen,
bufferstroken en beboste gebieden als bedoeld in artikel 25, lid 2, onder
b), punt ii). 2. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot nadere
definiëring van de soorten ecologische aandachtsgebieden als bedoeld in lid 1,
en tot aanvulling en definiëring van andere soorten ecologische
aandachtsgebieden die mogen worden meegeteld voor de inachtneming van het in
dat lid genoemde percentage. Artikel 33 Financiële
bepalingen 1. De lidstaten gebruiken
30 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum voor de
financiering van de in dit hoofdstuk bedoelde betaling. 2. De lidstaten passen de in dit
hoofdstuk bedoelde betaling op nationaal niveau of, bij toepassing van artikel
20, op regionaal niveau toe. De lidstaten gebruiken bij toepassing op regionaal
niveau voor elke regio een percentage van het maximum dat uit hoofde van lid 3
is vastgesteld. Dit percentage wordt voor elke regio berekend door het
desbetreffende regionale maximum zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 20,
lid 2, te delen door het maximum dat overeenkomstig artikel 19, lid 1, is
bepaald. 3. De Commissie stelt jaarlijks
middels uitvoeringshandelingen het overeenkomstige maximum voor de in dit
hoofdstuk bedoelde betaling vast. Deze uitvoeringshandelingen worden aangenomen
overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. HOOFDSTUK 3
Betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen Artikel 34 Algemene
voorschriften 1. De lidstaten kunnen een
betaling toekennen aan landbouwers die recht hebben op een betaling in het
kader van de in hoofdstuk 1 bedoelde basisbetalingsregeling en wier bedrijf
geheel of gedeeltelijk is gelegen in een gebied met natuurlijke beperkingen dat
de lidstaten overeenkomstig artikel 33, lid 1, van Verordening (EU)
nr. [...] [POV] hebben aangewezen. 2. De lidstaten kunnen besluiten
om de in lid 1 bedoelde betaling toe te kennen aan alle gebieden die onder dat
lid vallen, of om deze betaling op basis van objectieve en niet-discriminerende
criteria te beperken tot een aantal van de gebieden als bedoeld in artikel 33,
lid 1, van Verordening (EU) nr. [...] [POV]. 3. Onverminderd lid 2 en
onverminderd de toepassing van de financiële discipline, de geleidelijke
verlaging en de plafonnering, de lineaire verlaging als bedoeld in
artikel 7, en de verlagingen en uitsluitingen die uit hoofde van artikel
65 van Verordening (EU) nr. [...] [HZV] worden opgelegd, wordt de in lid 1
bedoelde betaling jaarlijks per subsidiabele hectare toegekend in de gebieden
waaraan de lidstaten bij besluit overeenkomstig lid 2 deze betaling hebben
toegewezen, en wordt deze betaling uitgekeerd na activering van
betalingsrechten op de hectaren waarover de betrokken landbouwer beschikt. 4. De in lid 1 bedoelde betaling
per hectare wordt berekend door het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing
van artikel 35, te delen door het overeenkomstig artikel 26, lid 1, aangegeven
aantal subsidiabele hectaren in de gebieden waaraan de lidstaten bij besluit
overeenkomstig lid 2 deze betaling hebben toegewezen. 5. De lidstaten mogen onder de
in dit lid vastgestelde voorwaarden de in dit hoofdstuk bedoelde betaling op
regionaal niveau toepassen. Zij stellen de regio's in dat geval vast op basis
van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de kenmerkende
natuurlijke beperkingen van de betrokken regio's en de agronomische situatie
ervan. De lidstaten verdelen het in artikel 35, lid 1,
bedoelde nationale maximum op basis van objectieve en niet-discriminerende
criteria over de regio's. De betaling op regionaal niveau wordt berekend
door het regionale maximum dat overeenkomstig de derde alinea is berekend, te
delen door het overeenkomstig artikel 26, lid 1, aangegeven aantal subsidiabele
hectaren in de gebieden waaraan de lidstaten bij besluit overeenkomstig lid 2
deze betaling hebben toegewezen. Artikel 35 Financiële
bepalingen 1. De lidstaten mogen uiterlijk
op 1 augustus 2013 besluiten om ten hoogste 5 % van hun in bijlage II vermelde
jaarlijkse nationale maximum te gebruiken voor de financiering van de in
artikel 34 bedoelde betaling. Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt
uiterlijk op de in die alinea genoemde datum aan de Commissie gemeld. De lidstaten mogen uiterlijk op 1 augustus 2016
hun besluit herzien en deze herziening wordt van toepassing met ingang van
1 januari 2017. 2. De Commissie stelt jaarlijks
middels uitvoeringshandelingen op basis van het percentage van het nationale
maximum dat de lidstaten uit hoofde van lid 1 willen gebruiken, het
overeenkomstige maximum voor deze betaling vast. Deze uitvoeringshandelingen
worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. HOOFDSTUK 4
Betaling voor jonge landbouwers Artikel 36 Algemene
voorschriften 1. De lidstaten kennen een
jaarlijkse betaling toe aan jonge landbouwers die recht hebben op een betaling in
het kader van de in hoofdstuk 1 bedoelde basisbetalingsregeling. 2. In dit hoofdstuk wordt onder
"jonge landbouwers" verstaan: a) natuurlijke personen die zich voor het
eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen of die zich al op zo'n
bedrijf gevestigd hebben in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste
indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling als
bedoeld in artikel 73, lid 1, van Verordening (EU) nr. [...] [HZV], en b) die jonger zijn dan 40 jaar op het moment van indiening van de
onder a) bedoelde aanvraag. 3. Onverminderd de toepassing
van de financiële discipline, de geleidelijke verlaging en de plafonnering, de
lineaire verlagingen als bedoeld in artikel 7, en de verlagingen en
uitsluitingen die uit hoofde van artikel 65 van Verordening (EU) nr.[…] [HZV]
worden opgelegd, wordt de in lid 1 bedoelde betaling jaarlijks toegekend na
activering van de betalingsrechten door de landbouwer. 4. De in lid 1 bedoelde betaling
wordt per landbouwer gedurende een periode van ten hoogste vijf jaar toegekend.
Deze periode wordt verminderd met het aantal jaren dat verstreken is tussen de
vestiging en de eerste indiening van de aanvraag als bedoeld in lid 2, onder
a). 5. De lidstaten berekenen elk
jaar het bedrag van de in lid 1 bedoelde betaling door een getal dat gelijk is
aan 25 % van de gemiddelde waarde van de betalingsrechten waarover de
landbouwer beschikt, te vermenigvuldigen met het aantal betalingsrechten dat
hij overeenkomstig artikel 26, lid 1, heeft geactiveerd. Bij de toepassing van de eerste alinea nemen de
lidstaten de volgende bovengrenzen voor het aantal in aanmerking te nemen
geactiveerde betalingsrechten in acht: a) in de lidstaten waarin de in bijlage VI
vermelde gemiddelde omvang van de landbouwbedrijven lager is dan of gelijk is
aan 25 hectare: maximaal 25; b) in de lidstaten waarin de in bijlage VI
vermelde gemiddelde omvang van de landbouwbedrijven hoger is dan 25 hectare:
minimaal 25 en maximaal het met deze gemiddelde omvang overeenkomende getal. 6. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de
voorwaarden waaronder een rechtspersoon geacht mag worden in aanmerking te
komen voor de in lid 1 bedoelde betaling, en met name de toepassing van de in
lid 2, onder b), genoemde leeftijdsgrens op een of meer natuurlijke personen
die in de rechtspersoon participeren. Artikel 37 Financiële
bepalingen 1. De
lidstaten gebruiken voor de financiering van de in artikel 36 bedoelde betaling
ten hoogste 2 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale
maximum. Zij melden uiterlijk op 1 augustus 2013 aan de Commissie welk
percentage zij volgens hun ramingen nodig hebben voor de financiering van deze
betaling. De lidstaten mogen
dit geraamde percentage uiterlijk op 1 augustus 2016 herzien en deze herziening
wordt van toepassing met ingang van 1 januari 2017. Zij melden het
herziene percentage uiterlijk op 1 augustus 2016 aan de Commissie. 2. Onverminderd het op grond van lid 1 vastgestelde maximum
van 2 % passen de lidstaten, wanneer het totaalbedrag van de betaling dat
in een lidstaat in een bepaald jaar wordt aangevraagd, hoger is dan het uit
hoofde van lid 4 vastgestelde maximum, en wanneer dat maximum lager is dan
2 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum, een
lineaire verlaging toe op alle betalingen die overeenkomstig artikel 25 aan
alle landbouwers moeten worden toegekend. 3. Wanneer
het totaalbedrag van de betaling die in een lidstaat in een bepaald jaar wordt
aangevraagd, hoger is dan het uit hoofde van lid 4 vastgestelde maximum, en
wanneer dat maximum 2 % bedraagt van het in bijlage II vermelde jaarlijkse
nationale maximum, passen de lidstaten op alle overeenkomstig artikel 36 te
betalen bedragen een lineaire verlaging toe om dat maximum in acht te nemen. 4. Op basis van het geraamde
percentage dat de lidstaten uit hoofde van lid 1 hebben gemeld, stelt de
Commissie middels uitvoeringshandelingen het overeenkomstige maximum voor de in
artikel 36 bedoelde betaling jaarlijks vast. Deze uitvoeringshandelingen worden
aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. TITEL IV
GEKOPPELDE STEUN HOOFDSTUK 1
Vrijwillige gekoppelde steun Artikel 38 Algemene
voorschriften 1. De lidstaten kunnen landbouwers
onder de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden gekoppelde steun verlenen. Gekoppelde steun kan worden verleend voor de
volgende sectoren en teelten: granen, oliehoudende zaden, durumtarwe,
eiwithoudende gewassen, zaaddragende leguminosen, vlas, hennep, rijst, noten,
zetmeelaardappelen, melk en zuivelproducten, zaaizaad, schapen- en geitenvlees,
rundvlees, olijfolie, zijderupsen, gedroogde voedergewassen, hop, suikerbieten,
suikerriet en cichorei, groenten en fruit, en hakhout met korte omlooptijd. 2. Gekoppelde steun mag alleen
worden verleend in sectoren of in regio's van een lidstaat waar specifieke
soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren die om economische en/of
sociale en/of ecologische redenen van groot belang zijn, bepaalde problemen ondervinden. 3. In afwijking van lid 2 mag
gekoppelde steun ook worden verleend aan landbouwers die op
31 december 2013 beschikten over toeslagrechten die overeenkomstig
titel III, hoofdstuk 3, afdeling 2, en artikel 71 quaterdecies van
Verordening (EG) nr. 1782/2003 en overeenkomstig artikel 60 en
artikel 65, vierde alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009 waren
toegekend en die geen subsidiabele hectaren hebben voor de activering van
betalingsrechten in het kader van de in titel III, hoofdstuk 1, van deze verordening
bedoelde basisbetalingsregeling. 4. Gekoppelde steun mag alleen
worden verleend voor zover dat noodzakelijk is als stimulans om de huidige
productie in de betrokken regio's op peil te houden. 5. Gekoppelde steun wordt
verleend in de vorm van een jaarlijkse betaling, binnen afgebakende
kwantitatieve grenzen en op basis van vaste arealen en opbrengsten of een vast
aantal dieren. 6. Gekoppelde steun die op grond
van dit artikel wordt verleend, is verenigbaar met andere EU-maatregelen en
-beleidslijnen. 7. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake: a) de voorwaarden voor de verlening van de
in dit hoofdstuk bedoelde steun; b) de samenhang met andere EU-maatregelen,
alsmede de cumulatie van steun. Artikel 39 Financiële bepalingen 1. De lidstaten kunnen uiterlijk
op 1 augustus van het jaar voorafgaande aan het eerste jaar van toepassing van
vrijwillige gekoppelde steun besluiten om ten hoogste 5 % van hun in bijlage II
vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken voor de financiering van
deze steun. 2. In afwijking van lid 1 kunnen
de lidstaten besluiten om ten hoogste 10 % van het in bijlage II vermelde
jaarlijkse nationale maximum te gebruiken, mits: a) zij tot en met 31 december 2013 de bij titel V van
Verordening (EG) nr. 73/2009 ingestelde regeling inzake een enkele
areaalbetaling toepasten of maatregelen op grond van artikel 111 van die
verordening financierden of onder de afwijking vielen die was vastgesteld bij
artikel 69, lid 5, of in het geval van Malta bij artikel 69, lid 1, van die
verordening, en/of b) zij in de periode 2010-2013 ten minste één jaar meer dan
5 % van hun bedrag dat beschikbaar was voor de toekenning van de
rechtstreekse betalingen waarin was voorzien in de titels III, IV en V, met
uitzondering van titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van
Verordening (EG) nr. 73/2009 hebben toegewezen aan de financiering
van de maatregelen die waren vastgesteld bij titel III, hoofdstuk 2, afdeling
2, van Verordening (EG) nr. 73/2009, de steun waarin was voorzien in
artikel 68, lid 1, onder a), punten i) tot en met iv), en lid 1, onder b)
en e), van die verordening, of de maatregelen op grond van titel IV, hoofdstuk
1, met uitzondering van afdeling 6, van die verordening. 3. In afwijking van lid 2 kunnen
de lidstaten die in de periode 2010-2013 ten minste één jaar meer dan 10 %
van hun bedrag dat beschikbaar was voor de toekenning van de rechtstreekse
betalingen waarin was voorzien in de titels III, IV en V, met uitzondering van
titel IV, hoofdstuk 1, afdeling 6, van Verordening (EG) nr. 73/2009
hebben toegewezen aan de financiering van de maatregelen die waren vastgesteld
bij titel III, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EG)
nr. 73/2009, de steun waarin was voorzien in artikel 68, lid 1, onder
a), punten i) tot en met iv), en lid 1, onder b) en e), van die verordening, of
de maatregelen op grond van titel IV, hoofdstuk 1, met uitzondering van
afdeling 6, van die verordening besluiten om meer dan 10 % van het in
bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum te gebruiken nadat de
Commissie daarvoor overeenkomstig artikel 41 goedkeuring heeft verleend. 4. De lidstaten mogen uiterlijk
op 1 augustus 2016 hun uit hoofde van de leden 1, 2 en 3, genomen besluit
herzien en besluiten om met ingang van 1 januari 2017: a) het uit hoofde van de leden 1 en 2
vastgestelde percentage te verhogen, in voorkomend geval met inachtneming van
de daarin vastgestelde grenzen, en de voorwaarden voor de verlening van de
steun zo nodig te wijzigen; b) het percentage dat voor de financiering
van gekoppelde steun wordt gebruikt, te verlagen en zo nodig de voorwaarden
voor de verlening van deze steun te wijzigen; c) de verlening van de steun in het kader
van dit hoofdstuk stop te zetten. 5. De Commissie stelt jaarlijks
middels uitvoeringshandelingen op basis van het door elke lidstaat uit hoofde
van de leden 1 tot en met 4 genomen besluit over het te gebruiken percentage
van het nationale maximum het overeenkomstige maximum voor de steun vast. Deze
uitvoeringshandelingen worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid
2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 40 Melding 1. De in artikel 39 bedoelde
besluiten worden uiterlijk op de in dat artikel genoemde datum aan de Commissie
gemeld en deze melding bevat, behalve in het geval van het in artikel 39,
lid 4, onder c), bedoelde besluit, informatie over de beoogde regio's, de
gekozen soorten landbouw of sectoren en de hoogte van de te verlenen steun. 2. De in artikel 39, leden 2 en
3, of in voorkomend geval in artikel 39, lid 4, onder a), bedoelde besluiten
bevatten ook een uitgebreide beschrijving van de bijzondere situatie in de
beoogde regio en van de bijzondere kenmerken van de soorten landbouw of
specifieke landbouwsectoren, waardoor het in artikel 39, lid 1, genoemde
percentage ontoereikend is om de in artikel 38, lid 2, bedoelde problemen aan
te pakken, en een verhoging van het steunniveau gerechtvaardigd is. Artikel 41 Goedkeuring
van de Commissie 1. De Commissie keurt middels een
uitvoeringshandeling het in artikel 39, lid 3, of in voorkomend geval in
artikel 39, lid 4, onder a), bedoelde besluit goed wanneer voor de betrokken
regio of sector een van de volgende behoeften wordt aangetoond: a) de noodzaak om een bepaalde productie
vanwege het gebrek aan alternatieven op een bepaald niveau te houden en de kans
op stopzetting van de productie met alle sociale en/of milieuproblemen van dien
te beperken; b) de noodzaak van een stabiele voorziening
van de lokale verwerkende industrie teneinde de sociale en economische weerslag
van een eventuele herstructurering te voorkomen; c) de noodzaak tot compensatie van de
nadelen voor landbouwers in een specifieke sector welke het gevolg zijn van
voortdurende verstoringen op de desbetreffende markt; d) de noodzaak om in te grijpen wanneer
andere steun die in het kader van deze verordening, Verordening (EU)
nr. [...] [POV] of een goedgekeurde staatssteunregeling beschikbaar is,
ontoereikend wordt geacht om in de onder a), b) en c) bedoelde behoeften te
voorzien. 2. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vast voor de procedure volgens welke de in
lid 1 bedoelde besluiten worden beoordeeld en goedgekeurd. Deze
uitvoeringshandelingen worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid
2, bedoelde onderzoeksprocedure. HOOFDSTUK 2
Gewasspecifieke betaling voor katoen Artikel 42 Toepassingsgebied Aan landbouwers die katoen
van GN-code 5201 00 produceren, wordt onder de in dit hoofdstuk gestelde
voorwaarden steun verleend (hierna de "gewasspecifieke betaling voor
katoen" genoemd). Artikel 43 Subsidiabiliteit 1. De gewasspecifieke betaling
voor katoen wordt toegekend per hectare subsidiabel katoenareaal. Om
subsidiabel te zijn, moet het areaal bestaan uit landbouwgrond waarvoor de
lidstaat een vergunning voor de katoenproductie heeft verleend, die is
ingezaaid met toegelaten rassen en die daadwerkelijk is afgeoogst in normale
teeltomstandigheden. De gewasspecifieke betaling voor katoen wordt
uitgekeerd voor katoen van gezonde handelskwaliteit. 2. De lidstaten verlenen de
vergunning voor de in lid 1 bedoelde grond en rassen overeenkomstig de uit
hoofde van lid 3 vast te stellen regels en voorwaarden. 3. Met het oog op een efficiënt
beheer van de gewasspecifieke betaling voor katoen wordt de Commissie gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de
voorschriften en voorwaarden voor de vergunningverlening voor grond en rassen
in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen. 4. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vast inzake de procedure voor de
vergunningverlening en inzake de meldingen aan de producenten in verband met
deze vergunningverlening. Deze uitvoeringshandelingen worden aangenomen
overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 44 Basisarealen, vaste opbrengsten en referentiebedragen 1. De volgende nationale
basisarealen worden vastgesteld: –
Bulgarije: 3 342 ha, –
Griekenland: 250 000 ha, –
Spanje: 48 000 ha, –
Portugal: 360 ha. 2. Voor de referentieperiode
worden de volgende vaste opbrengsten vastgesteld: –
Bulgarije: 1,2 ton/ha, –
Griekenland: 3,2 ton/ha, –
Spanje: 3,5 ton/ha, –
Portugal: 2,2 ton/ha. 3. Het bedrag van de
gewasspecifieke betaling voor katoen per hectare subsidiabel areaal wordt
bepaald door de in lid 2 vastgestelde opbrengsten te vermenigvuldigen met de
volgende referentiebedragen: –
Bulgarije: 523,02 euro in 2014, 588,06 euro in 2015
en 661,79 euro voor 2016 en daarna, –
Griekenland: 238,86 euro, –
Spanje: 369,33 euro, –
Portugal: 232,57 euro. 4. Indien het subsidiabele
katoenareaal in een bepaalde lidstaat het in lid 1 vastgestelde basisareaal in
een bepaald jaar overschrijdt, wordt het in lid 3 voor die lidstaat
vastgestelde bedrag verlaagd in verhouding tot de overschrijding van het
basisareaal. 5. Om de toepassing van de
gewasspecifieke betaling voor katoen mogelijk te maken, wordt de Commissie
gemachtigd om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen
inzake de voorwaarden voor de toekenning van de gewasspecifieke betaling voor katoen,
de subsidiabiliteitseisen en de landbouwwerkzaamheden. 6. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vaststellen voor de berekening van de in
lid 4 bedoelde verlaging. Deze uitvoeringshandelingen worden aangenomen
overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 45 Erkende brancheorganisaties 1. Voor de toepassing van dit
hoofdstuk wordt onder een "erkende brancheorganisatie" verstaan een
rechtspersoon die is samengesteld uit katoenproducerende landbouwers en ten
minste één egreneringsbedrijf en die activiteiten verricht zoals: a) het bijdragen tot een betere coördinatie
van de wijze waarop katoen op de markt wordt gebracht, met name door middel van
onderzoeks- en marktstudies, b) het opstellen van standaardcontracten die
verenigbaar zijn met de EU-voorschriften, c) sturen van de productie in de richting
van producten die beter zijn afgestemd op de behoeften van de markt en op de
vraag van de consument, met name op het gebied van kwaliteit en consumentenbescherming, d) de actualisering van methoden en middelen
ter verbetering van de productkwaliteit, e) de ontwikkeling van marketingstrategieën
om de afzet van katoen te bevorderen door middel van
kwaliteitscertificeringsregelingen. 2. De lidstaat waar de egreneringsbedrijven
zijn gevestigd, erkent de brancheorganisaties die voldoen aan de uit hoofde van
lid 3 vast te stellen criteria. 3. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake: a) de erkenningscriteria voor
brancheorganisaties; b) de verplichtingen waaraan de producenten
moeten voldoen; c) de situatie waarin de erkende
brancheorganisatie deze criteria niet in acht neemt. Artikel 46 Toekenning van de betaling 1. De gewasspecifieke betaling
voor katoen per subsidiabele hectare wordt aan de landbouwers toegekend, zoals
vastgesteld in artikel 44. 2. Voor de bij een erkende
brancheorganisatie aangesloten landbouwers wordt de toe te kennen
gewasspecifieke betaling voor katoen per subsidiabele hectare die binnen het in
artikel 44, lid 1, vastgestelde basisareaal valt, verhoogd met 2 euro. TITEL V
Regeling voor kleine landbouwers Artikel 47 Algemene
voorschriften 1. Landbouwers die over uit
hoofde van artikel 21 voor 2014 toegewezen betalingsrechten beschikken en die
voldoen aan de in artikel 10, lid 1, vastgestelde minimumeisen, kunnen kiezen
voor deelname aan een vereenvoudigde regeling, hierna de "regeling voor
kleine landbouwers" genoemd, onder de in deze titel vastgestelde
voorwaarden. 2. De betalingen in het kader
van de regeling voor kleine landbouwers treden in de plaats van de betalingen
die uit hoofde van de titels III en IV worden toegekend. 3. Landbouwers die aan de
regeling voor kleine landbouwers deelnemen, worden vrijgesteld van de landbouwpraktijken
waarin titel III, hoofdstuk 2, voorziet. 4. De lidstaten zorgen ervoor
dat geen betalingen worden gedaan aan landbouwers van wie vast komt te staan
dat zij vanaf de datum van bekendmaking van het door de Commissie gedane
voorstel voor deze verordening hun bedrijf hebben opgesplitst met als enig doel
in aanmerking te komen voor de regeling voor kleine landbouwers. Dit geldt ook
voor landbouwers wier bedrijf uit deze opsplitsing is ontstaan. Artikel 48 Deelname Landbouwers die aan de regeling voor kleine
landbouwers willen deelnemen, dienen daarvoor uiterlijk op 15 oktober 2014 een
aanvraag in. Landbouwers die op 15 oktober 2014 nog geen
aanvraag voor deelname aan de regeling voor kleine landbouwers hebben ingediend
of die besluiten om er na 2014 uit te stappen of die op grond van artikel 20,
lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. [...] [POV] voor steun zijn
geselecteerd, hebben geen recht meer op deelname aan deze regeling. Artikel 49 Bedrag van de betaling 1.
De lidstaten stellen, met inachtneming van het
bepaalde in de leden 2 en 3, het bedrag van de jaarlijkse betaling in het kader
van de regeling voor kleine landbouwers vast op een van de volgende niveaus: a) een bedrag van ten hoogste 15 % van
de nationale gemiddelde betaling per begunstigde; b) een bedrag bestaande uit de nationale
gemiddelde betaling per hectare, vermenigvuldigd met het aantal hectaren, maar
ten hoogste met drie. De lidstaten stellen het in de eerste alinea,
onder a), bedoelde nationale gemiddelde vast op basis van het nationale maximum
dat in bijlage II voor kalenderjaar 2019 is vastgesteld, en het aantal
landbouwers dat uit hoofde van artikel 21, lid 1, betalingsrechten heeft
verworven. De lidstaten stellen het in de eerste alinea,
onder b), bedoelde nationale gemiddelde vast op basis van het nationale maximum
dat in bijlage II voor kalenderjaar 2019 is vastgesteld, en het aantal
subsidiabele hectaren dat in 2014 overeenkomstig artikel 26 is aangegeven.
2.
Het in lid 1 bedoelde bedrag is niet lager dan 500
euro en niet hoger dan 1 000 euro. Wanneer de toepassing van lid 1
resulteert in een bedrag dat lager is dan 500 euro of hoger is dan 1 000
euro, wordt het bedrag respectievelijk naar boven of naar beneden afgerond op
het minimum- of het maximumbedrag, zulks onverminderd artikel 51, lid 1. 3.
In afwijking van lid 2 mag het in lid 1 bedoelde
bedrag op Cyprus en Malta worden vastgesteld op minder dan 500 euro, maar niet
minder dan 200 euro. Artikel 50 Bijzondere
voorwaarden 1.
Tijdens de deelname aan de regeling voor kleine
landbouwers wordt door de betrokken landbouwers: a) ten minste een aantal hectaren aangehouden dat overeenstemt met
het aantal betalingsrechten waarover zij beschikken; b) voldaan aan de in artikel 10, lid 1, onder b), vastgestelde
minimumeis. 2.
Betalingsrechten die uit hoofde van de artikelen 25
en 26 in 2014 zijn geactiveerd door een landbouwer die aan de regeling voor
kleine landbouwers deelneemt, worden beschouwd als geactiveerde
betalingsrechten zolang de landbouwer aan deze regeling deelneemt. De betalingsrechten waarover de landbouwer
gedurende de deelname aan deze regeling beschikt, worden niet beschouwd als
niet-gebruikte betalingsrechten die overeenkomstig artikel 24, lid 1, onder b),
aan de nationale reserve kunnen worden toegevoegd. 3.
In afwijking van artikel 27 zijn betalingsrechten
van landbouwers die aan de regeling voor kleine landbouwers deelnemen niet
overdraagbaar, behalve bij vererving en verwachte vererving. Landbouwers die middels vererving of verwachte
vererving betalingsrechten ontvangen van een landbouwer die aan de regeling
voor kleine landbouwers deelneemt, komen voor deelname aan deze regeling in
aanmerking mits zij voldoen aan de eisen van de basisbetalingsregeling en zij
alle betalingsrechten erven van de landbouwer van wie zij de betalingsrechten
ontvangen. 4.
De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig
artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de deelname aan de
regeling bij verandering van de situatie van de deelnemende landbouwer. Artikel 51 Financiële
bepalingen 5.
Voor de financiering van de in deze titel bedoelde
betaling brengen de lidstaten de bedragen waarop de kleine landbouwers recht
zouden hebben gehad in de vorm van de basisbetaling als bedoeld in titel III,
hoofdstuk 1, de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken
als bedoeld in titel III, hoofdstuk 2, de betaling, voor zover van toepassing,
voor gebieden met natuurlijke beperkingen als bedoeld in titel III,
hoofdstuk 3, de betaling voor jonge landbouwers als bedoeld in titel III,
hoofdstuk 4, en de gekoppelde steun als bedoeld in titel IV, in mindering op de
totaalbedragen die voor de desbetreffende betalingen beschikbaar zijn. Het verschil tussen de som van alle betalingen die
in het kader van de regeling voor kleine landbouwers verschuldigd zijn, en het
totale bedrag dat overeenkomstig de eerste alinea wordt gefinancierd, wordt
gefinancierd door een lineaire verlaging toe te passen op alle betalingen die
overeenkomstig artikel 25 moeten worden toegekend. De elementen op
basis waarvan de in de eerste alinea bedoelde bedragen worden vastgesteld,
blijven voor de gehele duur van de deelneming van de landbouwer aan de regeling
hetzelfde. 6.
Indien het totale bedrag aan betalingen dat in het
kader van de regeling voor kleine landbouwers verschuldigd is, meer dan
10 % van het in bijlage II vermelde jaarlijkse nationale maximum bedraagt,
passen de lidstaten een lineaire verlaging toe op de overeenkomstig deze titel
te betalen bedragen om ervoor te zorgen dat dit percentage alsnog in acht wordt
genomen. TITEL VI
Nationale herstructureringsprogramma's voor de katoensector Artikel 52 Gebruik
van de jaarlijkse begroting voor herstructureringsprogramma's 1. Bij de lidstaten die artikel
4, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 637/2008 hebben toegepast, wordt
de desbetreffende jaarlijkse begroting die uit hoofde van artikel 5, lid 1, van
die verordening beschikbaar is, met ingang van 1 januari 2014 overgebracht als
aanvullende EU-middelen voor maatregelen in het kader van
plattelandsontwikkelingsprogramma's die in het kader van Verordening (EU)
nr. [...] [POV] worden gefinancierd. 2. Bij de lidstaten die artikel
4, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 637/2008 hebben toegepast,
wordt hun jaarlijkse begroting als bedoeld in artikel 5, lid 1, van die
verordening, met ingang van 1 januari 2017 opgenomen in hun nationale maximum
zoals vermeld in bijlage II bij de onderhavige verordening. TITEL VII
SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK 1
Meldingen en noodsituaties Artikel 53 Meldingseisen 1. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de
maatregelen die nodig zijn met betrekking tot de meldingen die de lidstaten
moeten doen voor de toepassing van deze verordening of voor de controle,
monitoring, evaluatie en audit van rechtstreekse betalingen en voor de
uitvoering van internationale overeenkomsten, waaronder meldingseisen in het
kader van dergelijke overeenkomsten. Daarbij houdt zij rekening met de
behoeften aan gegevens en met de synergieën tussen de mogelijke
gegevensbronnen. De verkregen informatie kan zo nodig worden
doorgezonden naar of beschikbaar worden gesteld aan internationale organisaties
en aan de bevoegde autoriteiten van derde landen en kan openbaar worden
gemaakt, zulks met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en het
rechtmatige belang van de ondernemingen bij de bescherming van hun
zakengeheimen. 2. Rekening houdend met de
noodzaak om de in lid 1 bedoelde meldingen snel, efficiënt, nauwkeurig en
kosteneffectief te doen, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig
artikel 55 gedelegeerde handelingen aan te nemen tot vaststelling van: a) de soort en de aard van de te melden
informatie; b) de meldingsmethoden; c) de voorschriften voor de rechten van
toegang tot de beschikbaar gestelde informatie of informatiesystemen; d) de voorwaarden voor en de wijze van
bekendmaking van de informatie. 3. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen het volgende vast: a) voorschriften voor de verstrekking van de
informatie die voor de toepassing van dit artikel vereist is; b) regelingen voor het beheer van de te
melden informatie, alsmede voorschriften betreffende de inhoud en het format en
de termijnen en de frequentie van de meldingen; c) regelingen voor het doorzenden naar of
het beschikbaarstellen van informatie en documenten aan de lidstaten,
internationale organisaties, de bevoegde autoriteiten van derde landen of het
publiek, zulks met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en het
rechtmatige belang van de ondernemingen bij de bescherming van hun
zakengeheimen. Deze uitvoeringshandelingen worden aangenomen
overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 54 Maatregelen
om specifieke problemen op te lossen 1. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen de maatregelen vast die in een spoedeisende situatie
noodzakelijk en te rechtvaardigen zijn om specifieke problemen op te lossen.
Die maatregelen mogen van deze verordening afwijken, doch slechts voor zover en
zolang dat strikt noodzakelijk is. Deze uitvoeringshandelingen worden
aangenomen overeenkomstig de in artikel 56, lid 2, bedoelde
onderzoeksprocedure. 2. De Commissie neemt om
dwingende en gegronde redenen van urgentie die verband houden met de in lid 1
bedoelde maatregelen, onmiddellijk van toepassing zijnde uitvoeringshandelingen
aan overeenkomstig de in artikel 56, lid 3, bedoelde procedure. HOOFDSTUK 2
Delegatie van bevoegdheden en uitvoeringsbepalingen Artikel 55 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie 1. De bevoegdheid tot vaststelling
van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit
artikel vastgestelde voorwaarden. 2. De bevoegdheid tot
vaststelling van de in deze verordening bedoelde gedelegeerde handelingen wordt
met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening voor onbepaalde tijd
aan de Commissie verleend. 3. De in deze verordening
bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement
of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan
de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit
treedt op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie in werking of op een latere datum die in het besluit
wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde
gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Zodra de Commissie een
gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij het Europees Parlement en
de Raad daarvan gelijktijdig in kennis. 5. Een krachtens deze
verordening vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking
wanneer noch het Europees Parlement, noch de Raad binnen een periode van twee
maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de
Raad bezwaar tegen de handeling heeft aangetekend of wanneer het Europees
Parlement en de Raad voor het verstrijken van die periode beide aan de
Commissie hebben meegedeeld geen bezwaar aan te tekenen. Op initiatief
van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden
verlengd. Artikel 56 Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan
door een comité met de naam "Comité voor rechtstreekse betalingen".
Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. 3. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011 juncto
artikel 5 van die verordening van toepassing. HOOFDSTUK 3
Overgangs- en slotbepalingen Artikel 57 Intrekkingen 1. Verordening (EG) nr. 637/2008
wordt ingetrokken. Zij blijft evenwel tot en met 31 december 2017 van
toepassing voor lidstaten die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid die in
artikel 4, lid 1, tweede alinea, van die verordening wordt geboden. 2. Verordening (EG) nr. 73/2009
wordt ingetrokken. Onverminderd lid 3 gelden verwijzingen naar de
ingetrokken verordening als verwijzingen naar deze verordening en worden deze
gelezen volgens de concordantietabel in bijlage VII. 3. De verwijzingen in deze verordening
naar Verordening (EG) nr. 73/2009 en Verordening (EG)
nr. 1782/2003 worden gelezen als verwijzingen naar die verordeningen zoals
die golden tot de intrekking ervan. Artikel 58 Overgangsbepalingen Om een vlotte overgang van de bij Verordening
(EG) nr. 73/2009 ingestelde regelingen naar die van de onderhavige verordening
te waarborgen, wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 55
gedelegeerde handelingen aan te nemen inzake de maatregelen die nodig zijn om
de verworven rechten en het gewettigd vertrouwen van landbouwers te beschermen. Artikel 59 Inwerkingtreding
en toepassing Deze verordening treedt in werking op de
[zevende] dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de
Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari
2014. Artikel 14, artikel 20, lid 5, artikel 22, lid
6, artikel 35, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 39 zijn evenwel van
toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor
de Raad De voorzitter De
voorzitter BIJLAGE I
Lijst van steunregelingen Sector || Rechtsgrondslag || Noten Basisbetaling || Titel III, hoofdstuk 1, van deze verordening || Ontkoppelde betaling Betaling voor landbouwers die klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken volgen || Titel III, hoofdstuk 2, van deze verordening || Ontkoppelde betaling Betaling voor landbouwers in gebieden met specifieke natuurlijke beperkingen || Titel III, hoofdstuk 3, van deze verordening || Ontkoppelde betaling Betaling voor jonge landbouwers || Titel III, hoofdstuk 4, van deze verordening || Ontkoppelde betaling Vrijwillige gekoppelde steun || Titel IV, hoofdstuk 1, van deze verordening || Katoen || Titel IV, hoofdstuk 2, van deze verordening || Areaalbetaling Betaling voor kleine landbouwers || Titel V van deze verordening || Ontkoppelde betaling Posei || Titel III van Verordening (EG) nr. 247/2006 || Rechtstreekse betalingen in het kader van in de programma's vastgestelde maatregelen Eilanden in de Egeïsche Zee || Hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1405/2006 || Rechtstreekse betalingen in het kader van in de programma's vastgestelde maatregelen BIJLAGE II
Nationale maxima als bedoeld in artikel 6 || || || || || || (in duizend euro) Kalenderjaar || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 en het daaropvolgende jaar België || 553 553 || 544 131 || 534 730 || 525 336 || 525 336 || 525 336 Bulgarije || 655 702 || 737 246 || 810 648 || 812 270 || 812 270 || 812 270 Tsjechië || 892 698 || 891 875 || 891 059 || 890 229 || 890 229 || 890 229 Denemarken || 942 977 || 931 810 || 920 670 || 909 534 || 909 534 || 909 534 Duitsland || 5 276 081 || 5 236 585 || 5 197 198 || 5 157 786 || 5 157 786 || 5 157 786 Estland || 108 791 || 117 473 || 126 141 || 134 790 || 134 790 || 134 790 Ierland || 1 240 684 || 1 239 090 || 1 237 508 || 1 235 906 || 1 235 906 || 1 235 906 Griekenland || 2 100 027 || 2 071 696 || 2 043 433 || 2 015 180 || 2 015 180 || 2 015 180 Spanje || 4 935 157 || 4 951 220 || 4 967 286 || 4 989 366 || 4 989 366 || 4 989 366 Frankrijk || 7 732 867 || 7 695 366 || 7 657 987 || 7 620 533 || 7 620 533 || 7 620 533 Italië || 4 024 086 || 3 963 449 || 3 902 950 || 3 842 491 || 3 842 491 || 3 842 491 Cyprus || 52 275 || 51 616 || 50 958 || 50 301 || 50 301 || 50 301 Letland || 163 279 || 181 631 || 199 950 || 218 232 || 218 232 || 218 232 Litouwen || 396 530 || 417 189 || 437 813 || 458 391 || 458 391 || 458 391 Luxemburg || 34 314 || 34 252 || 34 189 || 34 126 || 34 126 || 34 126 Hongarije || 1 298 104 || 1 296 907 || 1 295 721 || 1 294 513 || 1 294 513 || 1 294 513 Malta || 5 316 || 5 183 || 5 051 || 4 918 || 4 918 || 4 918 Nederland || 807 025 || 792 231 || 777 469 || 762 720 || 762 720 || 762 720 Oostenrijk || 707 503 || 706 850 || 706 204 || 705 546 || 705 546 || 705 546 Polen || 3 039 136 || 3 066 851 || 3 094 538 || 3 122 115 || 3 122 115 || 3 122 115 Portugal || 571 187 || 581 940 || 592 678 || 603 384 || 603 384 || 603 384 Roemenië || 1 472 119 || 1 692 678 || 1 895 417 || 1 939 813 || 1 939 813 || 1 939 813 Slovenië || 141 590 || 140 431 || 139 275 || 138 118 || 138 118 || 138 118 Slowakije || 386 766 || 391 906 || 397 039 || 402 155 || 402 155 || 402 155 Finland || 533 959 || 534 368 || 534 780 || 535 182 || 535 182 || 535 182 Zweden || 710 889 || 711 870 || 712 855 || 713 824 || 713 824 || 713 824 Verenigd Koninkrijk || 3 624 571 || 3 637 585 || 3 650 599 || 3 663 522 || 3 663 522 || 3 663 522 BIJLAGE III
Nettomaxima als bedoeld in artikel 7 || || || || || || (in miljoen euro) Kalenderjaar || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 en het daaropvolgende jaar België || 553,6 || 544,1 || 534,7 || 525,3 || 525,3 || 525,3 Bulgarije || 656,2 || 733,7 || 799,8 || 801,3 || 801,3 || 801,3 Tsjechië || 892,5 || 891,7 || 890,9 || 890,0 || 890,0 || 890,0 Denemarken || 942,9 || 931,7 || 920,6 || 909,4 || 909,4 || 909,4 Duitsland || 5 275,5 || 5 236,0 || 5 196,7 || 5 157,3 || 5 157,3 || 5 157,3 Estland || 108,8 || 117,5 || 126,1 || 134,8 || 134,8 || 134,8 Ierland || 1 240,7 || 1 239,1 || 1 237,5 || 1 235,9 || 1 235,9 || 1 235,9 Griekenland || 2 253,3 || 2 226,7 || 2 200,1 || 2 173,6 || 2 173,6 || 2 173,6 Spanje || 4 979,1 || 4 994,9 || 5 010,7 || 5 032,4 || 5 032,4 || 5 032,4 Frankrijk || 7 732,9 || 7 695,4 || 7 658,0 || 7 620,5 || 7 620,5 || 7 620,5 Italië || 4 023,8 || 3 963,2 || 3 902,8 || 3 842,3 || 3 842,3 || 3 842,3 Cyprus || 52,3 || 51,6 || 51,0 || 50,3 || 50,3 || 50,3 Letland || 163,3 || 181,6 || 199,9 || 218,2 || 218,2 || 218,2 Litouwen || 396,5 || 417,1 || 437,7 || 458,2 || 458,2 || 458,2 Luxemburg || 34,3 || 34,3 || 34,2 || 34,1 || 34,1 || 34,1 Hongarije || 1 289,2 || 1 288,0 || 1 286,8 || 1 285,7 || 1 285,7 || 1 285,7 Malta || 5,3 || 5,2 || 5,1 || 4,9 || 4,9 || 4,9 Nederland || 807,0 || 792,2 || 777,5 || 762,7 || 762,7 || 762,7 Oostenrijk || 707,5 || 706,9 || 706,2 || 705,5 || 705,5 || 705,5 Polen || 3 039,0 || 3 066,8 || 3 094,4 || 3 122,0 || 3 122,0 || 3 122,0 Portugal || 571,4 || 582,1 || 592,9 || 603,6 || 603,6 || 603,6 Roemenië || 1 468,1 || 1 684,3 || 1 881,2 || 1 924,4 || 1 924,4 || 1 924,4 Slovenië || 141,6 || 140,4 || 139,3 || 138,1 || 138,1 || 138,1 Slowakije || 384,5 || 389,5 || 394,5 || 399,5 || 399,5 || 399,5 Finland || 534,0 || 534,4 || 534,8 || 535,2 || 535,2 || 535,2 Zweden || 710,9 || 711,9 || 712,9 || 713,8 || 713,8 || 713,8 Verenigd Koninkrijk || 3 535,1 || 3 547,5 || 3 559,8 || 3 572,0 || 3 572,0 || 3 572,0 BIJLAGE IV
Coëfficiënten die op
grond van artikel 10, lid 1, moeten worden toegepast Lidstaat || Limiet voor de eurodrempel (artikel 10, lid 1, onder a)) || Limiet voor de hectaredrempel (artikel 10, lid 1, onder b)) België || 400 || 2 Bulgarije || 200 || 0,5 Tsjechië || 200 || 5 Denemarken || 300 || 5 Duitsland || 300 || 4 Estland || 100 || 3 Ierland || 200 || 3 Griekenland || 400 || 0,4 Spanje || 300 || 2 Frankrijk || 300 || 4 Italië || 400 || 0,5 Cyprus || 300 || 0,3 Letland || 100 || 1 Litouwen || 100 || 1 Luxemburg || 300 || 4 Hongarije || 200 || 0,3 Malta || 500 || 0,1 Nederland || 500 || 2 Oostenrijk || 200 || 2 Polen || 200 || 0,5 Portugal || 200 || 0,3 Roemenië || 200 || 0,3 Slovenië || 300 || 0,3 Slowakije || 200 || 2 Finland || 200 || 3 Zweden || 200 || 4 Verenigd Koninkrijk || 200 || 5 BIJLAGE V
Financiële bepalingen die
alleen van toepassing zijn op Bulgarije en Roemenië, als bedoeld in de
artikelen 16 en 17 A. Bedragen ter berekening van de
nationale maxima voor betalingen, als bedoeld in artikel 16 (in
duizend euro) || 2014 || 2015 Bulgarije || 805 847 || 808 188 Roemenië || 1 802 977 || 1 849 086 B. Totaal bedrag aan aanvullende
nationale rechtstreekse betalingen bovenop de basisbetalingsregeling, als
bedoeld in artikel 17, lid 2 (in
duizend euro) || 2014 || 2015 Bulgarije || 150 186 || 71 024 Roemenië || 330 971 || 156 618 C. Totaal bedrag aan aanvullende
nationale rechtstreekse betalingen bovenop de gewasspecifieke betaling voor
katoen, als bedoeld in artikel 17, lid 3 (in
euro) || 2014 || 2015 Bulgarije || 556 523 || 295 687 BIJLAGE VI
Gemiddelde omvang van een
landbouwbedrijf die op grond van artikel 36, lid 5, moet worden toegepast Lidstaat || Gemiddelde omvang van een landbouwbedrijf (in hectare) België || 29 Bulgarije || 6 Tsjechië || 89 Denemarken || 60 Duitsland || 46 Estland || 39 Ierland || 32 Griekenland || 5 Spanje || 24 Frankrijk || 52 Italië || 8 Cyprus || 4 Letland || 16 Litouwen || 12 Luxemburg || 57 Hongarije || 7 Malta || 1 Nederland || 25 Oostenrijk || 19 Polen || 6 Portugal || 13 Roemenië || 3 Slovenië || 6 Slowakije || 28 Finland || 34 Zweden || 43 Verenigd Koninkrijk || 54 BIJLAGE VII
CONCORDANTIETABEL Verordening (EG) nr. 73/2009 || Deze verordening || Verordening (EU) nr. [...] [HZV] Artikel 1 || Artikel 1 || - - || Artikel 2 || - Artikel 2 || Artikel 4 || - - || Artikel 5, lid 2 || - Artikel 3 || Artikel 5 || - Artikel 4, lid 1 || - || Artikel 91 Artikel 4, lid 2 || - || Artikel 95 Artikel 5 || - || Artikel 93 Artikel 6, lid 1 || - || Artikel 94 Artikel 6, lid 2 || - || - Artikel 7 || - || - Artikel 8, leden 1 en 2 || Artikel 7, leden 1 en 3 || - - || Artikel 7, lid 2 || - Artikel 9 || - || - Artikel 10 || - || - Artikel 11, leden 1 en 2 || - || Artikel 25, leden 1 en 2 - || Artikel 8 || - Artikel 12, leden 1 en 2 || - || Artikel 12 Artikel 12, lid 3 || - || Artikel 14 Artikel 12, lid 4 || - || - Artikel 13 || - || Artikel 13, lid 2 Artikel 14 || - || Artikel 68 Artikel 15 || - || Artikel 69 Artikel 16 || - || Artikel 70 Artikel 17 || - || Artikel 71 Artikel 18 || - || Artikel 72 Artikel 19 || - || Artikel 73 Artikel 20 || - || Artikel 75 Artikel 21 || - || Artikel 75, lid 4 Artikel 22 || - || Artikel 96 Artikel 23 || - || Artikel 97 Artikel 24 || - || Artikel 99 Artikel 25 || - || Artikel 100 Artikel 26 || - || Artikel 63 Artikel 27, lid 1 || - || Artikel 102, lid 3 Artikel 27, lid 2 || - || Artikel 49 Artikel 27, lid 3 || - || Artikel 69, lid 3 - || Artikel 9 || - Artikel 28, leden 1 en 2 || Artikel 10, leden 1, 3 en 4 || - - || Artikel 10, lid 2 || - Artikel 28, lid 3 || Artikel 23, lid 1, onder a), punt ii || - - || Artikel 23, lid 1, onder a), punt i), c) en d) || - - || Artikel 11 || - Artikel 29 || - || Artikel 76 Artikel 30 || - || Artikel 62 Artikel 31 || - || Artikel 2, lid 2 Artikel 32 || Artikel 15 || - Artikel 33, lid 1 || Artikel 18, lid 1 || - - || Artikel 18, lid 2 || - Artikel 34, leden 1 en 2 || Artikel 25, leden 1 en 2 || - Artikel 35 || Artikel 26 || - Artikel 36 || - || - Artikel 37 || Artikel 12 || - - || Artikel 14 || - Artikel 38 || - || - Artikel 39, lid 1 || Artikel 25, lid 3 || - Artikel 40, lid 1 || Artikel 6, lid 1 || - Artikel 40, lid 2 || Artikel 19, lid 3 || - Artikel 41, lid 1 || Artikel 23, lid 1 || - Artikel 41, lid 2 || Artikel 23, leden 3 en 4 || - Artikel 41, lid 3 || Artikel 23, lid 5, onder a) || - Artikel 41, lid 5 || Artikel 23, lid 5, onder b) || - - || Artikel 23, leden 2, 6 en 7 || - Artikel 41, lid 6 || Artikel 22, lid 4 || - Artikel 42 || Artikel 24, lid 1, onder b) || - Artikel 43, leden 1 en 2 || Artikel 25, leden 1 en 2 || - Artikel 43, lid 3 || - || - Artikel 44 || - || - Artikel 45 || - || - - || - || - - || Artikel 19, leden 1 en 2 || - Artikel 46, leden 1 tot en met 4 || Artikel 20, leden 1 tot en met 4 || - Artikel 46, lid 5 || - || - - || Artikel 21 || Artikel 47, lid 1 || - || - Artikel 47, lid 2 || Artikel 22, lid 1, regionale toepassing || - - || Artikel 22, lid 1, nationale toepassing || - - || Artikel 22, leden 2, 3 , 5, 6 en 7 || - Artikel 48 || - || - Artikel 49 || - || - Artikel 50 || - || - Artikel 51 || - || - Artikel 52 || - || - Artikel 53 || - || - Artikel 54 || - || - Artikel 55 || - || - Artikel 56 || - || - Artikel 57 || - || - Artikel 58 || - || - Artikel 59 || - || - Artikel 60 || - || - Artikel 61 || - || - Artikel 62 || - || - Artikel 63 || - || - Artikel 64 || - || - Artikel 65 || - || - Artikel 66 || - || - Artikel 67 || - || - Artikel 68 || - || - Artikel 69 || - || - Artikel 70 || - || - Artikel 71 || - || - Artikel 72 || - || - Artikel 73 || - || - Artikel 74 || - || - Artikel 75 || - || - Artikel 76 || - || - Artikel 77 || - || - Artikel 78 || - || - Artikel 79 || - || - Artikel 80 || - || - Artikel 81 || - || - Artikel 82 || - || - Artikel 83 || - || - Artikel 84 || - || - Artikel 85 || - || - Artikel 86 || - || - Artikel 87 || - || - Artikel 88 || Artikel 42 || - Artikel 89 || Artikel 43 || - Artikel 90 || Artikel 44 || - Artikel 91 || Artikel 45 || - Artikel 92 || Artikel 46 || - Artikel 93 || - || - Artikel 94 || - || - Artikel 95 || - || - Artikel 96 || - || - Artikel 97 || - || - Artikel 98 || - || - Artikel 99 || - || - Artikel 100 || - || - Artikel 101 || - || - Artikel 102 || - || - Artikel 103 || - || - Artikel 104 || - || - Artikel 105 || - || - Artikel 106 || - || - Artikel 107 || - || - Artikel 108 || - || - Artikel 109 || - || - Artikel 110 || - || - Artikel 111 || - || - Artikel 112 || - || - Artikel 113 || - || - Artikel 114 || - || - Artikel 115 || - || - Artikel 116 || - || - Artikel 117 || - || - Artikel 118 || - || - Artikel 119 || - || - Artikel 120 || - || - Artikel 121 || Artikel 16 || - Artikel 122 || - || - Artikel 123 || - || - Artikel 124 || - || - Artikel 124, lid 6 || - || Artikel 98 Artikel 125 || - || - Artikel 126 || - || - Artikel 127 || - || - Artikel 128 || - || - Artikel 129 || - || - Artikel 130 || - || - Artikel 131 || - || - Artikel 132 || Artikel 17 || - Artikel 133 || - || - - || Artikel 28 || - - || Artikel 29 || - - || Artikel 20 || - - || Artikel 31 || - - || Artikel 32 || - - || Artikel 33 || - - || Artikel 34 || - - || Artikel 35 || - - || Artikel 36 || - - || Artikel 37 || - - || Artikel 47 || - - || Artikel 48 || - - || Artikel 49 || - - || Artikel 50 || - - || Artikel 51 || - Artikel 134 || - || - Artikel 135 || - || - Artikel 136 || - || - - || Artikel 52 || - Artikel 137 || - || - Artikel 138 || Artikel 3 || - Artikel 139 || Artikel 13 || - Artikel 140 || Artikel 53 || - Artikel 141 || Artikel 56 || - Artikel 142 || Artikel 55 || - Artikel 142, onder r) || Artikel 54 || - Artikel 143 || - || - Artikel 144 || - || - Artikel 145 || - || - Artikel 146 || Artikel 55 || - Artikel 146 bis || - || - Artikel 147 || Artikel 56 || - Artikel 148 || - || - Artikel 149 || Artikel 57 || - FINANCIEEL
MEMORANDUM
1.
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.
Benaming van het voorstel/initiatief
- Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van
voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de
steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; - Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van
een gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten
(Integrale-GMO-verordening); - Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake steun voor
plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling (ELFPO); - Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de
financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid; - Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 73/2009, wat de toepassing van de rechtstreekse betalingen
aan landbouwers voor 2013 betreft; - Voorstel
voor een verordening van de Raad tot vaststelling van steun en restituties in
het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor landbouwproducten; - Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van
Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de bedrijfstoeslagregeling en
de steun voor wijnbouwers betreft.
1.2.
Betrokken beleidsterrein(en) in de
ABM/ABB-structuur[28]
Beleidsterrein
Titel 05 van Rubriek 2
1.3.
Aard van het voorstel/initiatief (Wetgevingskader
voor het GLB na 2013)
X Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe
actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een
voorbereidende actie[29] x Het voorstel/initiatief betreft de verlenging
van een bestaande actie x Het voorstel/initiatief betreft een actie die
wordt omgebogen naar een nieuwe actie
1.4.
Doelstellingen
1.4.1.
De met het voorstel/initiatief beoogde strategische
meerjarendoelstelling(en) van de Commissie
Om
het efficiënte gebruik van hulpbronnen te bevorderen en zodoende,
overeenkomstig de Europa 2020‑strategie, te komen tot een slimme, duurzame en
inclusieve groei van de landbouw en de plattelandsgebieden in de EU, zijn voor
het GLB de volgende doelstellingen vastgelegd: -
Rendabele voedselproductie -
Duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie; -
Evenwichtige territoriale ontwikkeling.
1.4.2.
Specifieke doelstelling(en) en betrokken
ABM/ABB-activiteit(en)
Specifieke doelstellingen voor Beleidsterrein 05: Specifieke doelstelling nr. 1: Het
leveren van collectieve goederen in de milieusector Specifieke doelstelling nr. 2: Het
compenseren van problemen bij de productie in gebieden met natuurlijke
beperkingen Specifieke doelstelling nr. 3: Het
nemen van maatregelen voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering Specifieke doelstelling nr. 4: Het
beheren van de EU-begroting (GLB) met inachtneming van hoge normen inzake
financieel beheer Specifieke doelstelling voor
ABB 05 02 – Interventiemaatregelen op de landbouwmarkten: Specifieke doelstelling nr. 5: Het
concurrentievermogen van de landbouwsector verbeteren en het aandeel ervan in
de productiewaarde van de voedselketen verhogen Specifieke doelstelling voor ABB 05 03 – Rechtstreekse steun: Specifieke doelstelling nr. 6: Bijdragen
tot het landbouwinkomen en de variabiliteit ervan beperken Specifieke doelstellingen voor ABB 05 04 – Plattelandsontwikkeling: Specifieke doelstelling nr. 7 Groene
groei stimuleren door innovatie Specifieke doelstelling nr. 8: De
werkgelegenheid op het platteland stimuleren en het sociale weefsel van de
plattelandsgebieden in stand houden Specifieke doelstelling nr. 9 De
plattelandseconomie verbeteren en diversificatie stimuleren Specifieke doelstelling nr. 10 Gunstige
voorwaarden scheppen voor de structurele diversiteit van de landbouwsystemen
1.4.3.
Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)
In
dit stadium kunnen nog geen kwantitatieve streefdoelen voor de
impactindicatoren worden vastgelegd. Hoewel het beleid wel sturend kan werken,
zouden de gemeten economische, ecologische en sociale resultaten uiteindelijk
ook afhangen van de impact van diverse externe factoren en het recente verleden
heeft geleerd dat deze factoren significant en onvoorspelbaar zijn. Ondertussen
wordt de analyse voortgezet om klaar te zijn voor de periode na 2013. Met
betrekking tot de rechtstreekse betalingen krijgen de lidstaten de mogelijkheid
om tot op zekere hoogte zelf te beslissen over de tenuitvoerlegging van
bepaalde elementen van de regelingen voor de rechtstreekse betalingen. Met
betrekking tot de plattelandsontwikkeling zullen de te verwachten resultaten en
effecten afhangen van de plattelandsontwikkelingsprogramma's die de lidstaten
bij de Commissie indienen. Aan de lidstaten zal worden gevraagd in hun
programma's streefdoelen op te nemen.
1.4.4.
Resultaat- en effectindicatoren
De
voorstellen voorzien in de opstelling van een gemeenschappelijk toezicht- en
evaluatiekader om de prestaties van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te
meten. Dat kader omvat alle instrumenten op het gebied van monitoring en
evaluatie van GLB-maatregelen, met name rechtstreekse betalingen,
marktmaatregelen, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de toepassing van de
randvoorwaarden. De
impact van deze GLB-maatregelen wordt beoordeeld in het licht van de volgende
doelstellingen: a) rendabele voedselproductie, met de klemtoon
op landbouwinkomen, productiviteit van de landbouw en prijsstabiliteit; b) duurzaam beheer van de natuurlijke
hulpbronnen en klimaatactie, met de klemtoon op uitstoot van broeikasgassen,
biodiversiteit, bodem en water; c) evenwichtige territoriale ontwikkeling, met
de klemtoon op werkgelegenheid op het platteland, groei en armoede in
plattelandsgebieden. De
Commissie bepaalt, middels uitvoeringshandelingen, de voor deze doelstellingen
en gebieden specifieke indicatoren. Voor
plattelandsontwikkeling wordt bovendien een omvattender gemeenschappelijk
monitoring- en evaluatiesysteem voorgesteld. Dat systeem heeft ten doel a) de
voortgang en de verwezenlijkingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid aan te
tonen en de impact, doelmatigheid, doeltreffendheid en relevantie van het
plattelandsontwikkelingsbeleid te evalueren, b) bij te dragen tot
gerichtere steun voor plattelandsontwikkeling, en c) een gemeenschappelijk
leerproces op het gebied van monitoring en evaluatie te stimuleren. De
Commissie stelt, middels uitvoeringshandelingen, een lijst vast van aan de
beleidsprioriteiten gekoppelde gemeenschappelijke indicatoren.
1.5.
Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.
Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet
worden voorzien
Deze
voorstellen zijn erop gericht te zorgen voor het wetgevingskader voor het
gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode na 2013, met het oog op het
bereiken van de meerjarige strategische doelstellingen van het GLB die
rechtstreeks zijn gebaseerd op de Europa 2020-strategie voor het Europese
platteland, en op de naleving van de ter zake relevante voorschriften van het
Verdrag.
1.5.2.
Toegevoegde waarde van de deelname van de EU
Het
toekomstige GLB zal niet alleen een beleid zijn dat is afgestemd op een klein,
maar essentieel deel van de EU-economie, maar ook een beleid van strategisch
belang voor de voedselzekerheid, het milieu en het territoriale evenwicht. Zo
wordt het GLB een werkelijk gemeenschappelijk beleid dat optimaal gebruik maakt
van de beperkte begrotingsmiddelen om in de hele EU een duurzame landbouw in
stand te houden, belangrijke grensoverschrijdende problemen zoals de
klimaatverandering aan te pakken en de solidariteit tussen de lidstaten te
versterken. Het
GLB is een werkelijk Europees beleid, zoals ook reeds in de mededeling van de
Commissie "Een begroting voor Europa 2020"[30]
is gezegd. In plaats van in alle 27 een eigen landbouwbeleid te voeren en een
eigen landbouwbegroting op te stellen, brengen de lidstaten hun middelen samen
in een enkel Europees beleid met een enkele Europese begroting. Dit houdt
uiteraard in dat het GLB een aanzienlijk deel uitmaakt van de begroting van de
EU. Toch is deze aanpak efficiënter en economischer dan een ongecoördineerde
nationale aanpak.
1.5.3.
Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten
in het verleden is opgedaan
Op
basis van de evaluatie van het huidige beleidskader, van uitvoerig overleg met
belanghebbenden en van een analyse van de toekomstige uitdagingen en behoeften
is een uitgebreide effectbeoordeling uitgevoerd. Gedetailleerde informatie
hierover is te vinden in de effectbeoordeling en de toelichting die bij de
wetgevingsvoorstellen zijn gevoegd.
1.5.4.
Samenhang en eventuele synergie met andere
relevante instrumenten
De
wetgevingsvoorstellen waarop dit financieel memorandum betrekking heeft, moeten
worden gezien in de ruimere context van het voorstel voor een integrale
kaderverordening waarbij gemeenschappelijke voorschriften voor de onder het
gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen (ELFPO, EFRO, ESF,
Cohesiefonds en EFMV) worden vastgesteld. De kaderverordening zal in
aanzienlijke mate bijdragen tot het verminderen van de administratieve lasten,
het doelmatig besteden van de EU-middelen en het in praktijk brengen van
vereenvoudigingen. Dit alles vormt ook de basis voor de nieuwe concepten van
het gemeenschappelijk strategisch kader voor al deze fondsen, en voor de in het
vooruitzicht gestelde partnerschapsovereenkomsten, die ook betrekking zullen
hebben op deze fondsen. Met
het gemeenschappelijk strategisch kader, zoals het zal worden vastgesteld,
worden de doelstellingen en prioriteiten van de Europa 2020-strategie omgezet
in prioriteiten voor zowel het ELFPO als het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en
het EFMV, hetgeen een geïntegreerde aanwending van de fondsen met het oog op
het bereiken van gemeenschappelijke doelstellingen moet garanderen. Het
gemeenschappelijk strategisch kader bevat ook mechanismen voor de coördinatie
met andere ter zake relevante beleidstakken en instrumenten van de Unie. Voor
het GLB resulteert een en ander bovendien in aanzienlijke synergieën en
vereenvoudigingen dankzij de harmonisering en het op elkaar afstemmen van de
beheers‑ en controlevoorschriften voor de eerste (ELGF) en de tweede (ELFPO)
pijler van het GLB. De sterke band tussen het ELGF en het ELFPO moet worden
behouden en de in de lidstaten bestaande structuren moeten worden verstevigd.
1.6.
Duur en financiële gevolgen
x Voorstel/initiatief met een beperkte
geldigheidsduur (voor de ontwerpverordeningen betreffende de regelingen inzake
rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkeling en overgangsverordeningen) –
x Voorstel/initiatief van kracht vanaf 1.1.2014
tot en met 31.12.2020 –
x Financiële gevolgen voor de periode die wordt
bestreken door het volgende meerjarig financieel kader. Voor
plattelandsontwikkeling, gevolgen voor de betalingen tot en met 2023 x Voorstel/initiatief met een onbeperkte
geldigheidsduur (voor de ontwerpverordening inzake de integrale GMO en de
horizontale verordening) –
Uitvoering vanaf 2014.
1.7.
Beheersvorm(en)[31]
x Direct gecentraliseerd beheer door de
Commissie ¨ Indirect gecentraliseerd beheer door delegatie van uitvoeringstaken aan: –
¨ uitvoerende agentschappen –
¨ door de Unie opgerichte organen[32] –
¨ nationale publiekrechtelijke organen of organen met een
openbaredienstverleningstaak –
¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van
titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die
worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het
Financieel Reglement X Gedeeld beheer met lidstaten ¨ Gedecentraliseerd beheer met derde landen ¨ Gezamenlijk beheer
met internationale organisaties (geef aan welke) Opmerkingen Geen
ingrijpende wijziging ten opzichte van de huidige situatie, d.w.z. de uitgaven
die verband houden met de wetgevingsvoorstellen inzake de hervorming van het
GLB worden grotendeels beheerd in de vorm van gedeeld beheer met de lidstaten.
Een zeer gering deel zal evenwel nog steeds onder direct gecentraliseerd beheer
door de Commissie vallen.
2.
BEHEERSMAATREGELEN
2.1.
Regels inzake het toezicht en de verslagen
In
het kader van de monitoring en evaluatie van het GLB zal de Commissie om de 4
jaar verslag uitbrengen bij het Europees Parlement en de Raad; het eerste
verslag moet uiterlijk eind 2017 worden ingediend. Ter
aanvulling worden specifieke voorschriften voor alle sectoren van het GLB
vastgesteld, onder meer inzake uitgebreide rapportage‑ en meldingsvoorschriften
die worden opgenomen in de uitvoeringsbepalingen. Voor
de plattelandsontwikkeling wordt eveneens voorzien in monitoringregels op
programmaniveau, die worden afgestemd op de andere fondsen en vergezeld gaan
van evaluaties voor, tijdens en na de uitvoering van het programma.
2.2.
Beheers- en controlesysteem
2.2.1.
Mogelijke risico's
Het
GLB telt meer dan zeven miljoen begunstigden, die steun ontvangen in het kader
van een van de vele verschillende steunregelingen, voor elk waarvan
gedetailleerde en soms ingewikkelde subsidiabiliteitscriteria gelden. Het
foutenpercentage in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid is
voortdurend gedaald. Het huidige foutenpercentage van 2% bevestigt de positieve
perceptie van de ontwikkelingen in de voorbije jaren. Er wordt naar gestreefd
in dezelfde richting verder te gaan en het foutenpercentage tot onder de 2%
terug te dringen.
2.2.2.
Controlemiddel(en)
Het
wetgevingspakket, en met name het voorstel inzake de financiering, het beheer
en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, heeft ten doel de
huidige bij Verordening (EG) nr. 1290/2005 vastgestelde regeling te handhaven
en te versterken. Het voorstel voorziet in een bindende administratieve
structuur op het niveau van de lidstaten, georganiseerd rond geaccrediteerde
betaalorganen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de controles bij
de uiteindelijke begunstigden overeenkomstig de in punt 2.3 opgenomen
principes. Het hoofd van elk betaalorgaan moet jaarlijks een borgingsverklaring
indienen die betrekking heeft op de volledigheid, de juistheid en de
waarheidsgetrouwheid van de ingediende rekeningen, de goede werking van de
internecontrolesystemen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende
transacties. Een onafhankelijk auditorgaan moet advies uitbrengen over deze
drie elementen. De
Commissie zal de landbouwuitgaven blijven controleren middels een op
risicoanalyse gebaseerde aanpak om te garanderen dat de controles worden
gericht op de gebieden met het grootste risico. Wanneer uit deze controles
blijkt dat bij de uitgaven de regels van de Unie zijn overtreden, zal zij de
betrokken bedragen aan EU-financiering onttrekken in het kader van de conformiteitsgoedkeuring
van de rekeningen. Bijlage
8 van de effectbeoordeling bij deze wetgevingsvoorstellen bevat een
gedetailleerde analyse van de aan deze controles verbonden kosten.
2.3.
Maatregelen ter voorkoming van fraude en
onregelmatigheden
Het
wetgevingspakket, en met name het voorstel voor een verordening inzake de
financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk
landbouwbeleid, voorziet in de handhaving en versterking van de huidige
gedetailleerde regelingen inzake controle en sancties door de betaalorganen,
met gemeenschappelijke basiselementen en op de specifieke kenmerken van elke
steunregeling toegesneden speciale voorschriften. De regelingen voorzien
meestal in uitputtende administratieve controles van alle steunaanvragen, kruiscontroles
met andere databanken voor zover dit passend wordt geacht, en aan de betaling
voorafgaande controles ter plaatse van een minimum aantal transacties
naargelang van het aan de betrokken regeling verbonden risico. Als bij deze
controles ter plaatse een groot aantal onregelmatigheden wordt geconstateerd,
moeten aanvullende controles worden verricht. Veruit het belangrijkste systeem
in dit verband is het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS), dat in
het begrotingsjaar 2010 is toegepast voor ongeveer 80% van alle uitgaven in het
kader van het ELGF en het ELFPO. De Commissie zal worden gemachtigd om, voor
lidstaten met goed werkende controlesystemen en lage foutenpercentages, toe te
staan dat het aantal controles ter plaatse wordt verlaagd. In
het pakket is voorts bepaald dat de lidstaten onregelmatigheden en fraude
moeten voorkomen, opsporen en corrigeren, doeltreffende, ontradende en
proportionele straffen moeten opleggen zoals vastgesteld in de uniale of
nationale wetgeving, en onregelmatige betalingen met interest moeten
terugvorderen. Het bevat ook een automatisch vereffeningsmechanisme voor
onregelmatige betalingen, waarin is bepaald dat, wanneer de terugvordering niet
heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van het terugbetalingsverzoek
of binnen acht jaar ingeval van een rechtsprocedure, de niet-geïnde bedragen
ten laste vallen van de betrokken lidstaat. Dit mechanisme zal voor de
lidstaten een sterke stimulans zijn om onregelmatige betalingen zo snel
mogelijk terug te vorderen.
3.
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
De in dit financieel memorandum aangegeven
bedragen zijn uitgedrukt in huidige prijzen en betreffen vastleggingen. Naast de in de onderstaande tabellen opgenomen
wijzigingen die voortvloeien uit de wetgevingsvoorstellen, bevatten die
voorstellen ook andere wijzigingen die geen financiële gevolgen hebben. In dit stadium kan niet worden uitgesloten dat, in
om het even welk jaar in de periode 2014‑2020, financiële discipline moet
worden toegepast. Dat hangt evenwel niet af van de hervormingsvoorstellen als
zodanig, maar van andere factoren zoals de uitvoering van rechtstreekse steun
of toekomstige ontwikkelingen op de landbouwmarkten. Voor de rechtstreekse steunbedragen liggen de in
het voorstel betreffende de overgang vervatte verlengde nettomaxima voor 2014
(kalenderjaar 2013) hoger dan de in de onderstaande tabellen aangegeven
bedragen voor rechtstreekse steun. Deze verlenging heeft ten doel de
continuïteit van de bestaande wetgeving te garanderen in een scenario waarbij
alle andere elementen ongewijzigd blijven, onverminderd de eventuele noodzaak
om het mechanisme van de financiële discipline toe te passen. De hervormingsvoorstellen bevatten bepalingen op
grond waarvan de lidstaten enige flexibiliteit wordt geboden bij de toewijzing
van de rechtstreekse steun, respectievelijk plattelandsontwikkeling. Indien
lidstaten besluiten gebruik te maken van die flexibiliteit, dan heeft dat
financiële gevolgen binnen de bestaande financiële bedragen, die in dit stadium
niet kunnen worden gekwantificeerd. Dit financieel memorandum houdt geen rekening met
het eventuele gebruik van de crisisreserve. Er zij op gewezen dat voor de
bedragen van de marktgerelateerde uitgaven is uitgegaan van een situatie zonder
openbare‑interventieaankopen en andere crisismaatregelen in om het even welke
sector.
3.1.
Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en
betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
Tabel 1: Bedragen voor het GLB, inclusief aanvullende bedragen waarin
is voorzien in de MFK-voorstellen en in de voorstellen voor de hervorming van
het GLB In miljoenen EUR
(huidige prijzen) Begrotingsjaar || 2013 || 2013 aangepast (1) || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Totaal 2014‑2020 || || || || || || || || || || Binnen het MFK || || || || || || || || || || Rubriek 2 || || || || || || || || || || Rechtstreekse steun en marktgerelateerde uitgaven (2) (3) (4) || 44 939 || 45 304 || 44 830 || 45 054 || 45 299 || 45 519 || 45 508 || 45 497 || 45 485 || 317 193 Geraamde bestemmingsontvangsten || 672 || 672 || 672 || 672 || 672 || 672 || 672 || 672 || 672 || 4 704 P1 Rechtstreekse steun en marktgerelateerde uitgaven (met bestemmingsontvangsten) || 45 611 || 45 976 || 45 502 || 45 726 || 45 971 || 46 191 || 46 180 || 46 169 || 46 157 || 321 897 P2 Plattelandsontwikkeling (4) || 14 817 || 14 451 || 14 451 || 14 451 || 14 451 || 14 451 || 14 451 || 14 451 || 14 451 || 101 157 Totaal || 60 428 || 60 428 || 59 953 || 60 177 || 60 423 || 60 642 || 60 631 || 60 620 || 60 608 || 423 054 Rubriek 1 || || || || || || || || || || CB Landbouwonderzoek en -innovatie || n.v.t. || n.v.t. || 682 || 696 || 710 || 724 || 738 || 753 || 768 || 5 072 Meest hulpbehoevenden || n.v.t. || n.v.t. || 379 || 387 || 394 || 402 || 410 || 418 || 427 || 2 818 Totaal || n.v.t. || n.v.t. || 1 061 || 1 082 || 1 104 || 1 126 || 1 149 || 1 172 || 1 195 || 7 889 Rubriek 3 || || || || || || || || || || Voedselveiligheid || n.v.t. || n.v.t. || 350 || 350 || 350 || 350 || 350 || 350 || 350 || 2 450 || || || || || || || || || || Buiten het MFK || || || || || || || || || || Reserve voor crisissen in de landbouwsector || n.v.t. || n.v.t. || 531 || 541 || 552 || 563 || 574 || 586 || 598 || 3 945 Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) || || || || || || || || || || Waarvan maximaal beschikbaar voor landbouw (5) || n.v.t. || n.v.t. || 379 || 387 || 394 || 402 || 410 || 418 || 427 || 2 818 || || || || || || || || || || TOTAAL || || || || || || || || || || TOTAAL voorstellen Commissie (MFK + buiten het MFK) + bestemmingsontvangsten || 60 428 || 60 428 || 62 274 || 62 537 || 62 823 || 63 084 || 63 114 || 63 146 || 63 177 || 440 156 TOTAAL voorstellen MFK (d.i. uitgezonderd reserve en EFG) + bestemmingsontvangsten || 60 428 || 60 428 || 61 364 || 61 609 || 61 877 || 62 119 || 62 130 || 62 141 || 62 153 || 433 393 Opmerkingen: (1) Met inachtneming van reeds
overeengekomen wetgevingswijzigingen, d.w.z. vrijwillige modulatie voor het VK
en artikel 136 "niet‑uitgegeven bedragen" vervallen eind 2013. (2) De bedragen hebben
betrekking op het voorgestelde jaarlijkse maximum voor de eerste pijler.
Opgemerkt zij evenwel dat wordt voorgesteld negatieve uitgaven van de
boekhoudkundige goedkeuring van de rekeningen (momenteel onder begrotingspost
05 07 07 06) over te hevelen naar de bestemmingsontvangsten (onder post 67 03).
Voor details, zie de tabel geraamde ontvangsten op de onderstaande bladzijde. (3) De cijfers voor 2013 zijn inclusief de
bedragen voor veterinaire en fytosanitaire maatregelen en die voor
marktmaatregelen in de visserijsector. (4) De bedragen in de
bovenstaande tabel zijn in overeenstemming met die in de mededeling van de
Commissie "Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)500 definitief
van 29 juni 2011). Besloten moet evenwel nog worden of in het MFK rekening
wordt gehouden met de voorgestelde overdracht, met ingang van 2014, van de
middelen van één lidstaat voor het nationale herstructureringsprogramma voor
katoen naar plattelandsontwikkeling; het betreft een aanpassing (4 miljoen EUR
per jaar) van de bedragen voor respectievelijk het ELGF‑submaximum en de tweede
pijler. In de hiernavolgende tabellen zijn de bedragen overgedragen, ongeacht
of dat ook zo is voor het MFK. (5) Overeenkomstig de
mededeling van de Commissie "Een begroting voor Europa 2020"
(COM(2011)500 definitief) komt een totaalbedrag tot 2,5 miljard EUR in prijzen
van 2011 beschikbaar voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de
globalisering om aanvullende steun te verlenen aan landbouwers die te lijden
hebben van de effecten van de globalisering. In de bovenstaande tabel is de
uitsplitsing per jaar in huidige prijzen slechts indicatief. In het
voorstel voor een Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie betreffende samenwerking in begrotingszaken en een goed
financieel beheer (COM(2011)403 definitief van 29 juni 2011) is voor het EFG
een algemeen maximumbedrag van 429 miljoen EUR per jaar (in prijzen van 2011)
vastgesteld.
3.2.
Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de
uitgaven
Tabel 2: Geraamde ontvangsten en uitgaven voor Beleidsterrein 05 van
Rubriek 2 In miljoenen EUR
(huidige prijzen) Begrotingsjaar || 2013 || 2013 aangepast || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL 2014-2020 ONTVANGSTEN || || || || || || || || || || 123 – Productieheffing suiker (eigen middelen) || 123 || 123 || 123 || 123 || || || || || || 246 || || || || || || || || || || 67 03 - Bestemmingsontvangsten || 672 || 672 || 741 || 741 || 741 || 741 || 741 || 741 || 741 || 5 187 waarvan: ex 05 07 01 06 – Boekhoudkundige goedkeuring || 0 || 0 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 483 Totaal || 795 || 795 || 864 || 864 || 741 || 741 || 741 || 741 || 741 || 5 433 UITGAVEN || || || || || || || || || || 05 02 - Markten (1) || 3 311 || 3 311 || 2 622 || 2 641 || 2 670 || 2 699 || 2 722 || 2 710 || 2 699 || 18 764 05 03 Rechtstreekse steun (vóór plafonnering) (2) || 42 170 || 42 535 || 42 876 || 43 081 || 43 297 || 43 488 || 43 454 || 43 454 || 43 454 || 303 105 05 03 Rechtstreekse steun (na plafonnering) || 42 170 || 42 535 || 42 876 || 42 917 || 43 125 || 43 303 || 43 269 || 43 269 || 43 269 || 302 027 || || || || || || || || || || 05 04 - Plattelandsontwikkeling (vóór plafonnering) || 14 817 || 14 451 || 14 455 || 14 455 || 14 455 || 14 455 || 14 455 || 14 455 || 14 455 || 101 185 05 04 - Plattelandsontwikkeling (na plafonnering) || 14 817 || 14 451 || 14 455 || 14 619 || 14 627 || 14 640 || 14 641 || 14 641 || 14 641 || 102 263 || || || || || || || || || || 05 07 01 06 – Boekhoudkundige goedkeuring || -69 || -69 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 Totaal || 60 229 || 60 229 || 59 953 || 60 177 || 60 423 || 60 642 || 60 631 || 60 620 || 60 608 || 423 054 NETTOBEGROTING na bestemmingsontvangsten || || || 59 212 || 59 436 || 59 682 || 59 901 || 59 890 || 59 879 || 59 867 || 417 867 Opmerkingen: (1) Voor 2013 betreft het een
voorlopige raming op basis van de ontwerpbegroting 2012, met inachtneming van
de reeds overeengekomen wetgevingsaanpassingen (bijv. wijnmaximum, afschaffing
premie voor aardappelzetmeel, gedroogde diervoeders) en van enkele verwachte
ontwikkelingen. Voor alle jaren gaan de ramingen ervan uit dat er geen behoefte
is aan aanvullende financiering van steunmaatregelen in verband met
verstoringen van de markt of crisissituaties. (2) Het
bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012. Tabel 3: Berekening van de financiële
gevolgen, per begrotingshoofdstuk, van de voorstellen voor de hervorming van
het GLB wat betreft ontvangsten en GLB‑uitgaven In miljoenen EUR (huidige prijzen) Begrotingsjaar || 2013 || 2013 aangepast || || Totaal 2014‑2020 || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || ONTVANGSTEN || || || || || || || || || || 123 – Productieheffing suiker (eigen middelen) || 123 || 123 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || 0 || || || || || || || || || || 67 03 - Bestemmingsontvangsten || 672 || 672 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 483 waarvan: ex 05 07 01 06 – Boekhoudkundige goedkeuring || 0 || 0 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 483 Totaal || 795 || 795 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 483 UITGAVEN || || || || || || || || || || 05 02 - Markten (1) || 3 311 || 3 311 || -689 || -670 || -641 || -612 || -589 || -601 || -612 || -4 413 05 03 Rechtstreekse steun (vóór plafonnering) (2) || 42 170 || 42 535 || -460 || -492 || -534 || -577 || -617 || -617 || -617 || -3 913 05 03 – Rechtstreekse steun - Geraamde opbrengst van de plafonnering, over te dragen naar plattelandsontwikkeling || || || 0 || -164 || -172 || -185 || -186 || -186 || -186 || -1 078 05 04 - Plattelandsontwikkeling (vóór plafonnering) || 14 817 || 14 451 || 4 || 4 || 4 || 4 || 4 || 4 || 4 || 28 05 03 – Rechtstreekse steun - Geraamde opbrengst van de plafonnering, over te dragen van de rechtstreekse steun || || || 0 || 164 || 172 || 185 || 186 || 186 || 186 || 1 078 05 07 01 06 – Boekhoudkundige goedkeuring || -69 || -69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 69 || 483 Totaal || 60 229 || 60 229 || -1 076 || -1 089 || -1 102 || -1 115 || -1 133 || -1 144 || -1 156 || -7 815 NETTOBEGROTING na bestemmingsontvangsten || || || -1 145 || -1 158 || -1 171 || -1 184 || -1 202 || -1 213 || -1 225 || -8 298 Opmerkingen: (1) Voor 2013 betreft het een
voorlopige raming op basis van de ontwerpbegroting 2012, met inachtneming van
de reeds overeengekomen juridische aanpassingen (bijv. wijnmaximum, afschaffing
premie voor aardappelzetmeel, gedroogde diervoeders) en van enkele verwachte
ontwikkelingen. Voor alle jaren gaat de raming ervan uit dat er geen behoefte
is aan aanvullende financiering van steunmaatregelen in verband met
verstoringen van de markt of crisissituaties. (2) Het
bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012. Tabel 4: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor
de hervorming van het GLB wat betreft de marktgerelateerde GLB‑uitgaven In miljoenen EUR (huidige prijzen) BEGROTINGSJAAR || || Rechtsgrondslag || Geraamde behoeften || Wijzigingen t.o.v. 2013 || || || || 2013 (1) || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Totaal 2014‑2020 Uitzonderingsmaatregelen gestroomlijnde en verruimde werkingssfeer rechtsgrondslag || || art. 154, 155, 156 || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm Afschaffing interventie voor durumtarwe en sorgho || || ex art. 10 || pm || - || - || - || - || - || - || - || - Voedselprogramma's voor de meest hulpbehoevenden || (2) || ex art. 27 van Ver. 1234/2007 || 500,0 || -500,0 || -500,0 || -500,0 || -500,0 || -500,0 || -500,0 || -500,0 || -3 500,0 Particuliere opslag (vlasvezels) || || art. 16 || n.v.t. || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm Steun voor katoen - Herstructurering || (3) || ex art. 5 van Ver. 637/2008 || 10,0 || -4,0 || -4,0 || -4,0 || -4,0 || -4,0 || -4,0 || -4,0 || -28,0 Aanloopsteun voor producentengroeperingen G&F || || ex. art. 117 || 30,0 || 0,0 || 0,0 || 0,0 || -15,0 || -15,0 || -30,0 || -30,0 || -90,0 Schoolfruitregeling || || art. 21 || 90,0 || 60,0 || 60,0 || 60,0 || 60,0 || 60,0 || 60,0 || 60,0 || 420,0 Afschaffing PO hop || || ex. art. 111 || 2,3 || -2,3 || -2,3 || -2,3 || -2,3 || -2,3 || -2,3 || -2,3 || -15,9 Facultatieve particuliere opslag mageremelkpoeder || || art. 16 || n.v.t. || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm || pm Afschaffing steun voor gebruik ondermelk/MMP voor voederdoeleinden/verwerking tot caseïne en gebruik caseïne || || ex. art. 101, 102 || pm || - || - || - || - || - || - || - || - Facultatieve particuliere opslag boter || (4) || art. 16 || 14,0 || [-1,0] || [-14,0] || [-14,0] || [-14,0] || [-14,0] || [-14,0] || [-14,0] || [-85,0] Afschaffing heffing verkoopbevordering melk || || ex. art. 309 || pm || - || - || - || - || - || - || - || - TOTAAL 05 02 || || || || || || || || || || || Nettogevolgen van hervormingsvoorstellen (5) || || || || -446,3 || -446,3 || -446,3 || -461,3 || -461,3 || -476,3 || -476,3 || -3 213,9 Opmerkingen: (1) De behoeften voor 2013 zijn
geraamd op basis van de ontwerpbegroting van de Commissie 2012, behalve voor a)
de sector groenten en fruit waarvoor de behoeften zijn gebaseerd op het
financieel memorandum voor de respectieve hervormingen en b) reeds
overeengekomen wetgevingswijzigingen. (2) Het
bedrag voor 2013 komt overeen met voorstel COM(2010)486 van de Commissie. Vanaf
2014 wordt de maatregel gefinancierd onder Rubriek 1. (3) De beschikbare middelen voor het
programma voor herstructurering van de katoensector in Griekenland (4 miljoen
EUR/jaar) worden vanaf 2014 overgedragen naar plattelandsontwikkeling. De
beschikbare middelen voor Spanje (6,1 miljoen EUR/jaar) gaan vanaf 2018 naar de
bedrijfstoeslagregeling (reeds besloten). (4) Geraamde
gevolgen in geval van niet‑toepassing van de maatregel. (5) Verwacht wordt dat, bovenop de
uitgaven in het kader van de hoofdstukken 05 02 en 05 03, de
rechtstreekse uitgaven in het kader van de hoofdstukken 05 01, 05 07
en 05 08 zullen worden gefinancierd uit de bestemmingsontvangsten van het
ELGF.
Tabel 5: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor
de hervorming van het GLB wat betreft rechtstreekse steun In miljoenen EUR (huidige prijzen) BEGROTINGSJAAR || || Rechtsgrondslag || Geraamde behoeften || Wijzigingen t.o.v. 2013 || || || 2013 (1) || 2013 Aangepast (2) || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Totaal 2014‑2020 || || || || || || || || || || || || Rechtstreekse steun || || || 42 169,9 || 42 535,4 || 341,0 || 381,1 || 589,6 || 768,0 || 733,2 || 733,2 || 733,2 || 4 279,3 - Reeds goedgekeurde wijzigingen: || || || || || || || || || || || || Geleidelijke integratie EU-12 || || || || || 875,0 || 1 133,9 || 1 392,8 || 1 651,6 || 1 651,6 || 1 651,6 || 1 651,6 || 10 008,1 Herstructurering katoen || || || || || 0,0 || 0,0 || 0,0 || 0,0 || 6,1 || 6,1 || 6,1 || 18,4 Gezondheidscontrole || || || || || -64,3 || -64,3 || -64,3 || -90,0 || -90,0 || -90,0 || -90,0 || -552,8 Vorige hervormingen || || || || || -9,9 || -32,4 || -32,4 || -32,4 || -32,4 || -32,4 || -32,4 || -204,2 || || || || || || || || || || || || - Wijzigingen in verband met nieuwe voorstellen GLB-hervorming || || || -459,8 || -656,1 || -706,5 || -761,3 || -802,2 || -802,2 || -802,2 || -4 990,3 waarvan: plafonnering || || || || || 0,0 || -164,1 || -172,1 || -184,7 || -185,6 || -185,6 || -185,6 || -1 077,7 || || || || || || || || || || || || TOTAAL 05 03 || || || || || || || || || || || || Nettogevolgen van hervormingsvoorstellen || || || || || -459,8 || -656,1 || -706,5 || -761,3 || -802,2 || -802,2 || -802,2 || -4 990,3 TOTAAL UITGAVEN || || || 42 169,9 || 42 535,4 || 42 876,4 || 42 916,5 || 43 125,0 || 43 303,4 || 43 268,7 || 43 268,7 || 43 268,7 || 302 027,3 Opmerkingen: (1) Het
bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012. (2) Met
inachtneming van reeds goedgekeurde wetgevingswijzigingen, d.w.z. vrijwillige
modulatie voor het VK en artikel 136 "niet‑uitgegeven bedragen"
vervalt eind 2013. Tabel 6: Componenten van rechtstreekse
steun In miljoenen EUR (huidige prijzen) BEGROTINGSJAAR || || || || || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Totaal 2014‑2020 Bijlage II || || || || || 42 407,2 || 42 623,4 || 42 814,2 || 42 780,3 || 42 780,3 || 42 780,3 || 256 185,7 Betaling voor landbouwpraktijken die gunstig zijn voor klimaat en milieu (30%) || || || || || 12 866,5 || 12 855,3 || 12 844,3 || 12 834,1 || 12 834,1 || 12 834,1 || 77 068,4 Maximum dat kan worden toegewezen aan betalingen aan jonge landbouwers (2%) || || || || || 857,8 || 857,0 || 856,3 || 855,6 || 855,6 || 855,6 || 5 137,9 Basistoeslagregeling, toeslag voor gebieden met natuurlijke beperkingen, facultatieve gekoppelde steun || || || || || 28 682,9 || 28 911,1 || 29 113,6 || 29 090,6 || 29 090,6 || 29 090,6 || 173 979,4 Maximum dat van bovenstaande lijnen kan worden weggenomen voor de financiering van de regeling kleine landbouwers (10%) || || || || || 4 288,8 || 4 285,1 || 4 281,4 || 4 278,0 || 4 278,0 || 4 278,0 || 25 689,3 In bijlage II opgenomen wijnoverdrachten[33] || || || || || 159,9 || 159,9 || 159,9 || 159,9 || 159,9 || 159,9 || 959,1 Plafonnering || || || || || -164,1 || -172,1 || -184,7 || -185,6 || -185,6 || -185,6 || -1 077,7 Katoen || || || || || 256,0 || 256,3 || 256,5 || 256,6 || 256,6 || 256,6 || 1 538,6 POSEI/Kleine eilanden in de Egeïsche Zee || || || || || 417,4 || 417,4 || 417,4 || 417,4 || 417,4 || 417,4 || 2 504,4 Tabel 7: Berekening van de financiële
gevolgen van de voorstellen voor de hervorming van het GLB wat betreft de
overgangsmaatregelen voor het verlenen van rechtstreekse steun in 2014 In miljoenen EUR (huidige prijzen) BEGROTINGSJAAR || || Rechtsgrondslag || Geraamde behoeften || Wijzigingen t.o.v. 2013 || || || 2013 (1) || 2013 aangepast || 2014 (2) Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad || || || 40 165,0 || 40 530,5 || 541,9 Geleidelijke integratie EU-12 || || || || || 616,1 Gezondheidscontrole || || || || || -64,3 Vorige hervormingen || || || || || -9,9 TOTAAL 05 03 || || || || || TOTAAL UITGAVEN || || || 40 165,0 || 40 530,5 || 41 072,4 Opmerkingen: (1) Het
bedrag voor 2013 is inclusief een raming voor het rooien van wijnstokken 2012. (2) De
verlengde nettomaxima zijn inclusief een raming van de wijnoverdrachten naar
BTR op basis van door de lidstaten voor 2013 te nemen besluiten. Tabel 8: Berekening van de financiële gevolgen van de voorstellen voor
de hervorming van het GLB wat betreft plattelandsontwikkeling In miljoenen EUR (huidige prijzen) BEGROTINGSJAAR || || Rechtsgrondslag || Toewijzing voor plattelandsontwikkeling || Wijzigingen t.o.v. 2013 || || || || 2013 || 2013 Aangepast (1) || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || Totaal 2014‑2020 Programma’s voor plattelandsontwikkeling || || || 14 788,9 || 14 423,4 || || || || || || || || Steun voor katoen - Herstructurering || (2) || || || || 4,0 || 4,0 || 4,0 || 4,0 || 4,0 || 4,0 || 4,0 || 28,0 Resultaat plafonnering rechtstreekse steun || || || || || || 164,1 || 172,1 || 184,7 || 185,6 || 185,6 || 185,6 || 1 077,7 Voor PO beschikbare middelen exclusief technische ondersteuning || (3) || || || || -8,5 || -8,5 || -8,5 || -8,5 || -8,5 || -8,5 || -8,5 || -59,4 Technische ondersteuning || (3) || || 27,6 || 27,6 || 8,5 || 3,5 || 3,5 || 3,5 || 3,5 || 3,5 || 3,5 || 29,4 Prijs voor plaatselijke innovatieve samenwerkingsprojecten || (4) || || n.v.t. || n.v.t. || 0,0 || 5,0 || 5,0 || 5,0 || 5,0 || 5,0 || 5,0 || 30,0 TOTAAL 05 04 || || || || || || || || || || || || Nettogevolgen van hervormingsvoorstellen || || || || || 4,0 || 168,1 || 176,1 || 188,7 || 189,6 || 189,6 || 189,6 || 1 105,7 TOTAAL UITGAVEN (vóór plafonnering) || || || 14 816,6 || 14 451,1 || 14 455,1 || 14 455,1 || 14 455,1 || 14 455,1 || 14 455,1 || 14 455,1 || 14 455,1 || 101 185,5 TOTAAL UITGAVEN (na plafonnering) || || || 14 816,6 || 14 451,1 || 14 455,1 || 14 619,2 || 14 627,2 || 14 639,8 || 14 640,7 || 14 640,7 || 14 640,7 || 102 263,2 Opmerkingen: (1) Aanpassingen
overeenkomstig bestaande wetgeving slechts van toepassing tot het einde van het
begrotingsjaar 2013. (2) De bedragen in tabel 1 (deel
3.1) zijn in overeenstemming met die in de mededeling van de Commissie
"Een begroting voor Europa 2020" (COM(2011)500 definitief). Besloten
moet evenwel nog worden of in het MFK rekening wordt gehouden met de
voorgestelde overdracht, met ingang van 2014, van de middelen van één lidstaat
voor het nationale herstructureringsprogramma voor katoen naar
plattelandsontwikkeling; het betreft een aanpassing (4 miljoen EUR per jaar)
van de bedragen voor respectievelijk het ELGF‑submaximum en de tweede pijler.
In de bovenstaande tabel 8 zijn de bedragen overgedragen, ongeacht of dat ook
zo is voor het MFK. (3) Het bedrag voor 2013 voor
technische steun werd vastgesteld op basis van de oorspronkelijke middelen voor
plattelandsontwikkeling (overdrachten van eerste pijler niet inbegrepen). Technische steun voor 2014-2020 wordt vastgesteld op 0,25% van de
totale middelen voor plattelandsontwikkeling. (4) Gedekt
door het voor technische steun beschikbare bedrag. Rubriek van het meerjarig financieel kader || 5 || "Administratieve uitgaven" in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen) Opmerking: Verwacht wordt dat de wetgevingsvoorstellen geen gevolgen
hebben voor de administratieve kredieten; het is namelijk de bedoeling dat het
wetgevingskader ten uitvoer kan worden gelegd met het niveau van de huidige
personele middelen en administratieve uitgaven. || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL DG: AGRI || Personele middelen || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 958,986 Andere administratieve uitgaven || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 67,928 TOTAAL DG AGRI || Kredieten || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 1 026,914 TOTAAL kredieten onder RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 1 026,914 in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen) || || || Jaar N[34] || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || … vul zoveel jaren in als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || TOTAAL TOTAAL kredieten onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5 van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || || || || || || || || Betalingen || || || || || || || ||
3.2.2.
Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig –
x Voor het voorstel/initiatief zijn
beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: Vastleggingskredieten, in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen) Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 5: Het concurrentievermogen van de landbouwsector verbeteren en het aandeel ervan in de productiewaarde van de voedselketen verhogen || || || || || || || || || || || || || || || || Groenten en fruit: Afzet via producentenorganisaties (PO's)[35] || Aandeel waarde van de via PO's afgezette productie in de waarde van de totale productie || || || 830,0 || || 830,0 || || 830,0 || || 830,0 || || 830,0 || || 830,0 || || 830,0 || || 5 810,0 - Wijn: Nationale middelen – Herstructurering 35 || Aantal hectaren || || 54 326 || 475,1 || 54 326 || 475,1 || 54 326 || 475,1 || 54 326 || 475,1 || 54 326 || 475,1 || 54 326 || 475,1 || 54 326 || 475,1 || || 3 326,0 - Wijn: Nationale middelen – Investeringen 35 || || || 1 147 || 178,9 || 1 147 || 178,9 || 1 147 || 178,9 || 1 147 || 178,9 || 1 147 || 178,9 || 1 147 || 178,9 || 1 147 || 178,9 || || 1 252,6 - Wijn: Nationale middelen – Distillatie bijproducten 35 || Hectoliters || || 700 000 || 98,1 || 700 000 || 98,1 || 700 000 || 98,1 || 700 000 || 98,1 || 700 000 || 98,1 || 700 000 || 98,1 || 700 000 || 98,1 || || 686,4 - Wijn: Nationale middelen – Drinkalcohol 35 || Aantal hectaren || || 32 754 || 14,2 || 32 754 || 14,2 || 32 754 || 14,2 || 32 754 || 14,2 || 32 754 || 14,2 || 32 754 || 14,2 || 32 754 || 14,2 || || 14,2 - Wijn: Nationale middelen – Gebruik van geconcentreerde most 35 || Hecto-liters || || 9 || 37,4 || 9 || 37,4 || 9 || 37,4 || 9 || 37,4 || 9 || 37,4 || 9 || 37,4 || 9 || 37,4 || || 261,8 - Wijn: Nationale middelen – Afzetbevordering 35 || || || || 267,9 || || 267,9 || || 267,9 || || 267,9 || || 267,9 || || 267,9 || || 267,9 || || 1 875,3 - Andere || || || || 720,2 || || 739,6 || || 768,7 || || 797,7 || || 820,3 || || 808,8 || || 797,1 || || 5 452,3 Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 5 || || 2 621.8 || || 2 641,2 || || 2 670,3 || || 2 699,3 || || 2 721,9 || || 2 710,4 || || 2 698,7 || || 18 763,5 SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 6: Bijdragen tot het landbouwinkomen en de variabiliteit ervan beperken || || || || || || || || || || || || || || || || Rechtstreekse inkomenssteun[36] || Aantal hectaren betaald (in miljoenen) || || 161,014 || 42 876,4 || 161,014 || 43 080,6 || 161,014 || 43 297,1 || 161,014 || 43 488,1 || 161,014 || 43 454,3 || 161,014 || 43 454,3 || 161,014 || 43 454,3 || 161,014 || 303 105,0 Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 6 || || 42 876,4 || || 43 080,6 || || 43 297,1 || || 43 488,1 || || 43 454,3 || || 43 454,3 || || 43 454,3 || || 303 105,0 TOTALE KOSTEN || || || || || || || || || || || || || || || || Opmerking: Voor de specifieke doelstellingen 1
tot en met 4 en 7 tot en met 10 moeten de outputs nog worden bepaald (zie deel
1.4.2 hierboven).
3.2.3.
Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
3.2.3.1.
Samenvatting
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten
nodig –
x Voor het voorstel/initiatief zijn
administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen) || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || || || Personele middelen[37] || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 136,998 || 958,986 Andere administratieve uitgaven || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 9,704 || 67,928 Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || || || Buiten RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || || || Personele middelen || || || || || || || || Andere administratieve uitgaven || || || || || || || || Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || || || TOTAAL || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 146,702 || 1 026,914
3.2.3.2.
Geraamde personeelsbehoeften
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig –
x Voor het voorstel/initiatief zijn personele
middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: Opmerking: Verwacht wordt dat de
wetgevingsvoorstellen geen gevolgen hebben voor de administratieve kredieten;
het is namelijk de bedoeling dat het wetgevingskader ten uitvoer kan worden
gelegd met het huidige niveau van de personele middelen en administratieve
uitgaven. De cijfers voor de periode 2014-2020 zijn gebaseerd op de situatie
voor 2011. Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1
decimaal) || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) || XX 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 1 034 || 1 034 || 1 034 || 1 034 || 1 034 || 1 034 || 1 034 XX 01 01 02 (delegaties) || 3 || 3 || 3 || 3 || 3 || 3 || 3 XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || || || 10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || || || Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE)[38] || XX 01 02 01 (AC, INT, END van de "totale financiële middelen") || 78 || 78 || 78 || 78 || 78 || 78 || 78 XX 01 02 02 (AC, INT, JED, AL en END in de delegaties) || || || || || || || XX 01 04 jj || - zetel || || || || || || || - delegaties || || || || || || || XX 01 05 02 (AC, INT, END – onderzoek door derden) || || || || || || || 10 01 05 02 (AC, INT, END - eigen onderzoek) || || || || || || || Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) || || || || || || || TOTAAL[39] || 1 115 || 1 115 || 1 115 || 1 115 || 1 115 || 1 115 || 1 115 XX is het
beleidsterrein of de begrotingstitel. De benodigde personele
middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer
van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel
aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure
met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen
worden toegewezen. Beschrijving van de
uit te voeren taken: Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || Extern personeel ||
3.2.4.
Verenigbaarheid met het huidige meerjarig
financieel kader
–
x Het voorstel/initiatief is verenigbaar met de VOORSTELLEN
VOOR HET meerjarig financieel kader VOOR 2014-2020 –
¨ Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken
rubriek van het meerjarig financieel kader –
¨ Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het
flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarig financieel kader
3.2.5.
Bijdrage van derden aan de financiering
–
Het voorstel/initiatief voorziet niet in
medefinanciering door derden –
x Het voorstel/initiatief betreffende
plattelandsontwikkeling (ELFPO) voorziet in medefinanciering, zoals hieronder
wordt geraamd: Kredieten in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen) || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Totaal Medefinancieringsbron || LS || LS || LS || LS || LS || LS || LS || LS TOTAAL medegefinancierde kredieten[40] || Nog te bepalen || Nog te bepalen || Nog te bepalen || Nog te bepalen || Nog te bepalen || Nog te bepalen || Nog te bepalen || Nog te bepalen
3.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
x Het voorstel/initiatief heeft geen financiële
gevolgen voor de ontvangsten –
¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële
gevolgen: –
x voor de eigen middelen –
x voor de diverse ontvangsten in miljoenen EUR (tot op 3 decimalen) Begrotingsonderdeel voor ontvangsten: || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[41] Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || … vul zoveel jaren in als nodig is om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || || || || || || || || Voor de diverse
ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de) betrokken
begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven. Zie
de tabellen 2 en 3 in deel 3.2.1. . [1] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's
"Een begroting voor Europa 2020", COM(2011) 500 definitief
van 29.6.2011. [2] Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement,
de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's
"Het GLB tot 2020: inspelen op de uitdagingen van de toekomst
inzake voedsel, natuurlijke hulpbronnen en territoriale evenwichten",
COM(2010) 672 definitief van 18.11.2010. [3] Zie met name de resolutie van het Europees Parlement van
23 juni 2011, 2011/2015(INI) en de conclusies van de voorzitterschap van 18.3.2011. [4] Het huidige wetgevingskader bestaat uit Verordening (EG)
nr. 73/2009 van de Raad (rechtstreekse betalingen), Verordening (EG) nr. 1234/2007
van de Raad (marktinstrumenten), Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad
(plattelandsontwikkeling) en Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad
(financiering). [5] Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement
en de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen inzake het
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het
Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling en het
Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, die onder het
gemeenschappelijk strategisch kader vallen, en tot vaststelling van algemene
bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees
Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006,
COM(2011) 615 van 6.10.2011. [6] Een overzicht van de 517 bijdragen is opgenomen in
bijlage 9 van de effectbeoordeling. [7] PB C […] van […], blz. […]. [8] PB C […] van […], blz. […]. [9] PB C […] van […], blz. […]. [10] PB C […] van […], blz. […]. [11] COM(2010) 672 definitief van 18.11.2010. [12] PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16. [13] PB L … [14] PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13. [15] PB L […] van […], blz. […]. [16] PB L 42 van 14.2.2006, blz. 1. [17] PB L 265 van 26.9.2006, blz. 1. [18] PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1. Verordening ingetrokken
bij en vervangen door Verordening (EG) nr. 73/2009. [19] PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. [20] PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7. [21] PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1. [22] PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1. Verordening ingetrokken
bij en vervangen door Verordening (EU) nr. … [POV]. [23] PB L … [24] PB L 178 van 5.7.2008, blz. 1. [25] PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. [26] PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1. [27] PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. [28] ABM: Activity-Based Management
(activiteitsgestuurd beheer) – ABB: Activity-Based Budgeting
(activiteitsgestuurde begroting). [29] In de zin van artikel 49, lid 6, onder a)
of b), van het Financieel Reglement. [30] COM(2011)500 def. van 29 juni 2011. [31] Nadere gegevens over de
beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn beschikbaar op
http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html. [32] In de zin van artikel 185 van het Financieel
Reglement. [33] Rechtstreekse steun voor de periode 2014-2020 is inclusief
een raming van de wijnoverdrachten naar BTR op basis van door de lidstaten voor
2013 te nemen besluiten. [34] Het jaar N is het jaar waarin met de uitvoering van het
voorstel/initiatief wordt begonnen. [35] Op basis van uitvoering in het verleden en van ramingen in
de ontwerpbegroting 2012. Voor de PO's in de sector groenten en fruit zijn de
bedragen in overeenstemming met de hervorming van die sector en, zoals reeds is
aangegeven in de activiteitenoverzichten van de ontwerpbegroting 2012, zullen
de outputs pas eind 2011 bekend zijn. [36] Op basis van potentieel subsidiabele arealen voor 2009. [37] Op basis van gemiddelde kosten van 127 000 EUR voor
posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke
functionarissen). [38] AC= Agent Contractuel (arbeidscontractant); INT=
Intérimaire (uitzendkracht); JED= Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige
in delegaties); AL= Agent Local (plaatselijk functionaris); END= Expert
National Détaché (gedetacheerd nationaal deskundige). [39] Exclusief het subplafond in begrotingsonderdeel 05.010404. [40] Dit wordt toegelicht in de door de lidstaten in te dienen
plattelandsontwikkelingsprogramma's. [41] Voor traditionele eigen middelen (douanerechten en
suikerheffingen) moeten nettobedragen worden vermeld, d.w.z. na aftrek van 25%
aan inningskosten.