This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52011PC0169
Proposal for a COUNCIL DIRECTIVE amending Directive 2003/96/EC restructuring the Community framework for the taxation of energy products and electricity
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit.
Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit.
/* COM/2011/0169 def. */
[pic] | EUROPESE COMMISSIE | Brussel, 13.4.2011 COM(2011) 169 definitief 2011/0092 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit. {SEC(2011) 409 definitief}{SEC(2011) 410 definitief} TOELICHTING ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL - Motivering en doel van het voorstel Traditioneel worden energiebelastingen om verschillende redenen geheven, meer bepaald om inkomsten op te brengen, maar ook om het gedrag van de consument te beïnvloeden in de richting van een efficiënter gebruik van energie en schonere energiebronnen. Om de goede werking van de interne markt te verzekeren, worden verschillende essentiële aspecten van de energiebelasting nu al op EU-niveau geregeld ingevolge Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit[1] (hierna ook "de energiebelastingrichtlijn"of "de EBR" genoemd). Sinds de vaststelling van de EBR is het onderliggende beleidskader radicaal veranderd. Op het gebied van energie en klimaatverandering zijn voor de periode tot 2020 concrete en ambitieuze beleidsdoelstellingen omschreven. Het in 2009 vastgestelde klimaat- en energiebeleidspakket verschaft een beleidskader om deze doelstellingen op kosteneffectieve en eerlijke wijze te implementeren. Belastingen op energie zijn één instrument dat de lidstaten ter beschikking staat om de geformuleerde doelstellingen te bereiken. Zo is uit de effectbeoordeling die het voorstel van de Commissie voor het klimaat- en energiebeleidspakket onderbouwt[2], gebleken dat de algemene welvaart en de kostenefficiëntie kunnen worden verhoogd als opbrengsten genererende instrumenten, zoals belastingen, worden gebruikt om de emissies te verminderen in de sectoren die niet onder de communautaire regeling ingevolge Richtlijn 2003/87/EG[3] (hierna ook de EU ETS [EU-regeling voor de emissiehandel]) vallen. Om over een goed kader te beschikken voor het gebruik van de energiebelasting in deze nieuwe omgeving heeft de Europese Raad van maart 2008 verzocht de richtlijn beter af te stemmen op de doelstellingen inzake energie en klimaatverandering van de EU[4]. Voorliggend voorstel streeft dan ook de volgende doelstellingen na: 1. zorgen voor een consistente behandeling van energiebronnen binnen de EBR om, onafhankelijk van de gebruikte energiebron, voor de energieconsumenten de lat gelijk te leggen; 2. een aangepast kader verschaffen voor de belasting van hernieuwbare energie; 3. een kader verschaffen voor het gebruik van de CO2-belasting om het bij de ETS ingestelde koolstofprijssignaal aan te vullen en overlappingen tussen de twee instrumenten te vermijden. 4. Algemene context Dit voorstel beoogt de noodzakelijke aanpassingen van sommige van de basisbepalingen van de energiebelastingrichtlijn te veroorzaken en te zorgen voor een hogere mate van consistentie in de wijze waarop energiebelastingen tot het realiseren van de doelstellingen van een lagere en schonere energieconsumptie in de EU bijdragen. Bij de EBR in haar huidige vorm doen zich met name de volgende problemen voor: Allereerst zorgt zij niet voor de gewenste mate van consistentie in de behandeling van de basale fossiele energiebronnen en elektriciteit. Rekening houdend met de energie-inhoud van de verschillende producten variëren de minimumbelastingniveaus sterk naargelang van het betrokken product. Sommige producten worden dan ook bevoordeeld boven andere, waarbij de gunstigste behandeling steenkool te beurt valt. Dit impliceert ook dat bepaalde bedrijven beter af kunnen zijn dan andere, afhankelijk van de energiebron zij gebruiken. In de tweede plaats is het prijssignaal dat de energiebelastingrichtlijn door middel van haar minimumbelastingsniveaus invoert niet goed gerelateerd aan de noodzaak om de klimaatverandering te bestrijden. In omstandigheden waar de lidstaten hun toevlucht nemen tot CO2-gerelateerde belasting om de CO2-emissies te verminderen, zijn de termen van de richtlijn niet goed aangepast om de goede werking van de interne markt te verzekeren. In de derde plaats is, ondanks de groeiende marktrelevantie van de hernieuwbare brandstoffen, de fiscale behandeling ervan ingevolge de ETD nog steeds afhankelijk van regels die ontwikkeld zijn in een tijd toen deze brandstoffen nichealternatieven waren en niet zeer belangrijk waren voor de markt. De standaardbelasting van hernieuwbare brandstoffen is gebaseerd op volume en op het tarief dat van toepassing is op het fossiele product dat door het betrokken hernieuwbare product vervangen wordt. Met de lagere energie-inhoud van hernieuwbare brandstoffen wordt geen rekening gehouden en aldus leidt hetzelfde belastingtarief in vergelijking met de concurrerende fossiele brandstoffen tot een relatief hogere last. De lidstaten kunnen dit effect enkel corrigeren en, waar nodig, verschillen in productiekosten compenseren door toepassing van een gunstige fiscale behandeling overeenkomstig artikel 16 van de EBR. De fiscale standaardbehandeling van hernieuwbare brandstoffen is dan ook niet aangepast aan de kenmerken ervan en elke aanpassing kan alleen de vorm aannemen van optioneel niet of lager belasten behoudens een strikte staatssteuntoets. In de vierde plaats worden de belastingen op energie ingevolge de energiebelastingrichtlijn op dezelfde wijze geheven, ongeacht of in een bepaald geval de beperking van de CO2-emissies door middel van de EU ETS wordt gewaarborgd. Derhalve kunnen mechanismen van EU-recht die bedoeld zijn om dergelijke emissies te beperken in bepaalde gevallen overlappen en in andere gevallen volledig ontbreken. Beide situaties zijn ongewenst wegens de daaruit voortvloeiende kostenefficiëntieverliezen en/of verstoringen in de interne markt. - Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Richtlijn 2003/96/EG van de Raad omschrijft welke energieproducten belastbaar zijn, welk gebruik tot belastingheffing aanleiding geeft en welk minimumbelastingtarief voor elk van deze producten geldt naargelang zij voor voortbeweging, voor bepaalde industriële en commerciële doeleinden dan wel voor verwarming worden gebruikt. - Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie Dit voorstel is in overeenstemming met de belangrijkste beleidslijnen en doelstellingen van de Unie. Het beoogt te verzekeren dat, met betrekking tot de belasting van energie, de interne markt goed blijft functioneren in een context waar de lidstaten moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op het gebied van energie en klimaatverandering. Bovendien zal dit voorstel, ter wille van de coherentie met het in 2009 vastgestelde klimaat- en energiepakket, van kracht worden vanaf 1 januari 2013. RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING - Raadpleging van belanghebbende partijen Het onderhavige voorstel is geformuleerd op basis van een breed scala van externe bijdragen. Deze bijdragen hebben de vorm aangenomen van feedback die is ontvangen in de loop van een publieke raadpleging die geopend is door middel van het groenboek over marktconforme instrumenten[5] en rechtstreekse raadplegingen van de lidstaten en andere belanghebbenden. Voor de effectbeoordeling heeft DG TAXUD ook externe studies besteld. In het groenboek over marktconforme instrumenten wordt onder meer uitgelegd op welke gebieden wijzigingen van de EBR kunnen worden overwogen en worden mogelijke verdere maatregelen geschetst. In het bijzonder is in het groenboek de vraag aan de orde gesteld of de EBR niet moest worden geherstructureerd om beter het feit tot uitdrukking te brengen dat energiebelasting meer dan één doelstelling dient (opbrengstengenerering en energiebesparingen enerzijds, milieuoverwegingen anderzijds). - Effectbeoordeling Om na te gaan hoe de verschillende beleidsdoelstellingen het beste kunnen worden aangepakt, is een aantal benaderingen onderzocht en vergeleken met het basisscenario (business as usual) . In dit scenario zouden geen verdere wijzigingen worden aangebracht in het bestaande energiebelastingkader, dat volledig op alle lidstaten van toepassing zal zijn zodra de resterende overgangstermijnen zijn verstreken. Per definitie zou de EBR niet nader in overeenstemming worden gebracht met de doelstellingen inzake energie en klimaatverandering van de EU. Van twee gedragslijnen, namelijk EBR-herziening in een later stadium en fiscale coördinatie in plaats van een dergelijke herziening, zouden de resultaten vergelijkbaar zijn met het basisscenario, onder meer omdat deze niet tot tijdige resultaten zouden leiden. De volgende benaderingen zijn onderzocht: - Herziening van de bestaande fiscale behandeling van de verschillende energiebronnen volgens één enkel criterium: de fiscale behandeling van de verschillende producten zou kunnen worden afgestemd op de respectieve energie-inhoud ervan om energiebelastingen neutraler te maken en negatieve effecten op de werking van andere instrumenten en beleidslijnen te beperken (beleidsoptie 1); bij wijze van alternatief kan de afstemming worden gebaseerd op het respectieve CO2-gehalte van de verschillende producten om ervoor te zorgen dat de energiebelastingen systematisch de CO2-prestatie van de betrokken producten weerspiegelen teneinde de verwezenlijking van de EU-doelstellingen op het gebied van klimaatverandering te ondersteunen (beleidsoptie 2). - Herziening van de structuur van de richtlijn , rekening houdend met de verschillende doelstellingen van energiebelastingen (opbrengstengenerering en energiebesparingen enerzijds, milieuoverwegingen anderzijds): deze benadering zou leiden tot de creatie van specifieke CO2-gerelateerde belastingen op nationaal niveau en zou vereisen dat andere belastingen op energie neutraal zijn, d.w.z. dat ze niet differentiëren naar energiebronnen, teneinde de goede werking van CO2-gerelateerde belastingen niet te beïnvloeden. Deze benadering heeft zich vertaald in beleidsoptie 3 en twee vervoersspecifieke beleidsopties 5 en 6. - Invoering van een aanvullende uniforme CO 2 -gerelateerde belasting: een dergelijke belasting zou bovenop de belastingen die ingevolge de EBR reeds geheven worden, worden opgelegd op een wijze die de EU-regeling voor de handel in emissierechten aanvult (optie 4). De effecten van de verschillende benaderingen zijn getoetst in de effectbeoordeling. De resultaten van de beoordeling zijn samengevat in het effectbeoordelingsverslag. Gelet op de wijze waarop de verschillende beleidsopties bijdragen tot de realisering van de hierboven uiteengezette doelstellingen, de noodzaak om de budgettaire belangen van de lidstaten te respecteren alsmede overwegingen van billijkheid is in de effectbeoordeling een voorkeursbeleidspakket op basis van beleidsoptie 3 en vervoersbeleidsoptie 6 vastgesteld. Het onderhavige voorstel is op dat pakket gebaseerd. Uit de effectbeoordeling is gebleken dat de hierboven uiteengezette doelstellingen kunnen worden bereikt zonder economische kosten en dat de herziening economische voordelen kan brengen, met name indien extra inkomsten uit algemene energieverbruiksbelasting of CO2-gerelateerde belasting zouden worden gebruikt om de socialezekerheidsbijdragen van de werkgevers te verminderen. Uit de effectbeoordeling is ook gebleken dat de EBR-herziening geen buitensporige last voor de bedrijven zou creëren en niet tot verliezen van concurrentievermogen op sectoraal niveau zou leiden. Bovendien vermindert de gezamenlijke herziening van de belasting op motor- en verwarmingsbrandstoffen het risico op negatieve verdelingseffecten, een risico dat vaak in verband wordt gebracht met beleid dat ertoe strekt de kosten van verwarming te verhogen. In deze context heeft de effectbeoordeling het zeer belangrijke voordeel bevestigd van belasting die, naast de invloed ervan op het gedrag van consumenten, opbrengsten genereert die kunnen worden gebruikt om begeleidende maatregelen te financieren, en zo aangetoond hoe aandachtspunten in verband met verdelingseffecten kunnen worden benaderd. Uit de effectbeoordeling blijkt echter ook dat, meer dan enig ander effect, de verdelingseffecten op huishoudens per lidstaat verschillen en dat aldus de continuering van de mogelijkheid om op nationaal niveau huishoudens van belasting vrij te stellen gerechtvaardigd lijkt. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL - Samenvatting van de voorgestelde maatregel(en) De Commissie stelt met ingang van 2013 voor: 1. Een expliciet onderscheid in te voeren tussen energiebelasting die specifiek verband houdt met CO 2 -emissies welke toe te schrijven zijn aan het verbruik van de betrokken producten (CO 2 -gerelateerde belasting) en energiebelasting op basis van de energie-inhoud van de producten (algemene energieverbruiksbelasting). De CO2-gerelateerde belasting zou gebaseerd zijn op de referentiewaarden van de CO2-emissiefactor die beschreven worden in punt 11 van bijlage 1 bij Beschikking 2007/589/EG[6]. De algemene energieverbruiksbelasting zou gebaseerd zijn op de calorische onderwaarde van de energieproducten en elektriciteit zoals beschreven in bijlage II bij Richtlijn 2006/32/EG[7] en, in het geval van biomassa of van biomassa gemaakte producten, in bijlage III van Richtlijn 2009/28/EG[8]. De specifieke CO2-emissiefactoren en calorische onderwaarden voor biomassa of van biomassa gemaakte producten waarvoor artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG duurzaamheidscriteria vaststelt (biobrandstoffen en vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h) en i), van deze richtlijn) zijn echter alleen van toepassing in zoverre die criteria worden gerespecteerd (zie artikel 1, punt 1), van het voorstel, met betrekking tot artikel 1 van de EBR). Derhalve zouden biobrandstoffen of vloeibare biomassa die niet voldoen aan deze criteria worden belast op basis van de CO2-emissiefactor respectievelijk de calorische onderwaarde van de equivalente motor- of verwarmingsbrandstof. Economische efficiëntie pleit voor invoering van CO2-gerelateerde belastingen als een aanvulling op de EU-regeling voor de handel in emissierechten. De lidstaten moeten echter het verbruik van motorbrandstoffen en verwarmingsbrandstoffen ook voor andere doeleinden, dat wil zeggen het genereren van opbrengsten, kunnen blijven belasten die geen verband houden met verminderingen van de broeikasgassen. Om ruimte te laten voor dergelijke gediversifieerde doelstellingen en om er in de mate van het mogelijke voor te zorgen dat al deze doelstellingen op consistente wijze kunnen worden nagestreefd, moet andere belasting dan CO2-gerelateerde belasting verband houden met de energie-inhoud van de energiebronnen. 2. Het toepassingsgebied van de energiebelastingrichtlijn – wat CO 2 -gerelateerde belasting betreft – uit te breiden tot energieproducten die in beginsel binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG vallen en tegelijk in een verplichte vrijstelling van CO 2 -gerelateerde belasting te voorzien in gevallen die onderworpen zijn aan de communautaire regeling ingevolge die richtlijn. Het geheel van amendementen zal ervoor zorgen dat de EBR Richtlijn 2003/87/EG naadloos aanvult ten aanzien van de noodzaak van een prijssignaal in verband met CO2-emissies (zie met name artikel 1, punten 1) en 4), onder a), van de voorstel, betreffende de artikelen 1 en 4, lid 2, van de EBR), terwijl overlappingen tussen de EU-regeling voor de handel in emissierechten, enerzijds, en belasting met hetzelfde doel, anderzijds, worden vermeden (zie artikel 1, punt 11), onder a), ii), van het voorstel, met betrekking tot artikel 14 van de EBR). Bovendien is het noodzakelijk om het potentiële kosteneffect van CO2-gerelateerde belasting op de bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico in de zin van artikel 10 bis, lid 13, van richtlijn 2003/87/EG. Derhalve is het noodzakelijk in overgangsmaatregelen te voorzien om een buitensporig kosteneffect te vermijden en de milieueffectiviteit van CO2-gerelateerde belastingen te behouden. In dit verband dient men zich te inspireren op de regeling van de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten ingevolge Richtlijn 2003/87/EG (zie het voorgestelde nieuwe artikel 14 bis van de EBR [artikel 1, punt 12), van het voorstel]). Ook andere bedrijfstakken of deeltakken van de economie kunnen blootstaan aan het CO2-weglekeffect. Wat de landbouwsector betreft bereidt de Commissie momenteel een verslag voor waarin het risico van een CO2-weglekeffect in die sector wordt onderzocht. Zodra dit rapport beschikbaar is, zal de Commissie passende follow-upactie ondernemen om ervoor te zorgen dat alle sectoren die blootstaan aan het weglekeffect aan dezelfde behandeling worden onderworpen ingevolge de toekomstige EBR, hetzij door ervoor te zorgen dat de conclusies van het verslag in aanmerking worden genomen tijdens de lopende besprekingen in de Raad over het voorstel tot herziening van de EBR, hetzij, mocht het verslag niet beschikbaar zijn vóór de vaststelling van het voorstel, middels een afzonderlijk wetgevend initiatief. Voor andere doeleinden dan CO2-gerelateerde belasting blijft het toepassingsgebied van de EBR ongewijzigd. 3. De minimumbelastingniveaus te herzien, er met name voor te zorgen dat zij voor de verschillende energiebronnen de CO 2 -emissies en de calorische onderwaarde op consistente wijze weerspiegelen en waar nodig in overgangsperioden te voorzien (zie artikel 1, punten 6), 7), 8) en 23) van het voorstel, betreffende de artikelen 7, 8 en 9 van de EBR, alsmede bijlage I bij de richtlijn). Om eveneens de consistente behandeling te verzekeren van belastbare producten waarvoor geen specifieke minimumbelastingniveaus zijn vastgesteld, stelt de Commissie ook voor om artikel 2, lid 3, van de energiebelastingrichtlijn te wijzigen (zie artikel 1, punt 2), onder b), van het voorstel met betrekking tot artikel 2, leden 3 en 4, van de richtlijn). Ingeval Beschikking 2007/589/EG, Richtlijn 2006/32/EG of Richtlijn 2009/28/EG geen referentiewaarde bevatten die van toepassing is op het betrokken energieproduct, vermelden de lidstaten relevante beschikbare informatie over de calorische onderwaarde en/of CO2-emissiefactoren ervan. Bovendien moet de reële waarde van de minimumbelastingniveaus worden behouden. De minimumtarieven van de algemene energieverbruiksbelasting moeten op gezette tijden automatisch worden afgestemd om rekening te houden met de ontwikkeling van de reële waarde ervan teneinde het huidige niveau van tariefharmonisatie te behouden; om de volatiliteit die veroorzaakt wordt door de energie- en voedselprijzen te verminderen, moet deze afstemming gebeuren op basis van de wijzigingen van het uniale geharmoniseerde indexcijfer van consumptieprijzen, exclusief energie en onbewerkte voedingsmiddelen, zoals gepubliceerd door Eurostat (zie artikel 1, punt 4), onder b), van het voorstel, met betrekking tot een nieuw lid 4 dat aan artikel 4 van de EBR moet worden toegevoegd). Aangezien CO2-gerelateerde belasting een aanvulling vormt op de werking van Richtlijn 2003/87/EG moet bij de vijfjaarlijkse toetsing van de richtlijn die wordt beschreven in artikel 1, punt 21), van het voorstel de marktprijs van de emissierechten nauwlettend worden gevolgd. 4. Te vereisen dat, wanneer de lidstaten nationale belastingniveaus vaststellen, zij tussen de minimumbelastingniveaus de relatie aanhouden die in de EBR voor de verschillende energiebronnen is vastgesteld (zie artikel 1, punt 4), onder b), van het voorstel, met betrekking tot een nieuw lid 3 dat aan artikel 4 van de EBR moet wordt toegevoegd). Deze eis strekt ertoe ervoor te zorgen dat een consequente behandeling van energiebronnen eveneens geldt voor de (boven de in de EBR vastgestelde minimumniveaus) nationaal vastgestelde belastingniveaus. Voor motorbrandstoffen lijkt het passend om te voorzien in een overgangstermijn tot 2023, gezien de belangrijke verschillen in de tarieven die in de verschillende lidstaten op de verschillende motorbrandstoffen worden toegepast. 5. De mogelijkheid af te schaffen dat de lidstaten qua fiscale behandeling differentiëren naar commercieel en niet-commercieel gebruik van gasolie als motorbrandstof (zie artikel 1, punt 6), van het voorstel, ter vervanging van artikel 7 van de EBR). De mogelijkheid voor de lidstaten om een lager belastingniveau op commercieel dan op niet-commercieel gebruik van gasolie als motorbrandstof toe te passen, blijkt niet langer verenigbaar met de eis om de energie-efficiëntie te verbeteren en de noodzaak om het toenemende milieueffect van het vervoer te verbeteren. De Commissie stelt daarom voor deze mogelijkheid af te schaffen. In het licht van deze benadering heeft het voorstel van 2007 met betrekking tot artikel 7 van de EBR[9] geen voorwerp meer en wordt het dus ingetrokken. 6. Waar mogelijk de structuur van de minimumbelastingniveaus te vereenvoudigen. De bestaande differentiatie naar zakelijk en niet-zakelijk gebruik van de energieproducten die worden gebruikt voor verwarming en van elektriciteit wordt afgeschaft (zie bijlage I.C van het voorstel). De minimumbelastingniveaus voor sommige industriële en commerciële toepassingen van motorbrandstoffen (zie bijlage I.B van het voorstel) worden afgestemd op de minimumbelastingniveaus die voor dezelfde producten gelden in het geval dat zij als verwarmingbrandstof worden gebruikt (zie bijlage I.C van het voorstel). Ten slotte stelt de Commissie voor, aangezien gelode benzine een marginaal product is geworden, niet langer te differentiëren naar gelode en ongelode benzine en één minimumbelastingniveau voor beide producten vast te stellen (zie bijlage I.A van het voorstel). 7. De vrijstelling van artikel 14, lid 1, onder a), voor energieproducten die worden gebruikt om elektriciteit te produceren tot de algemene energieverbruiksbelasting te beperken (zie artikel 1, punt 11), onder b), van het voorstel) en om een nieuw punt in artikel 14 toe te voegen om elektriciteit die op de wal wordt geproduceerd en rechtstreeks wordt geleverd aan schepen op hun ligplaats in een haven gedurende een beperkte periode van acht jaar vrij te stellen van belasting (zie artikel 1, punt 11), onder a), ii), van het voorstel). In zijn huidige vorm verplicht artikel 14, lid 1), onder c) de lidstaten aan boord van een schip geproduceerde elektriciteit van belasting vrij te stellen, ook wanneer het schip in een haven ligt, terwijl artikel 15, lid 1, onder f), de lidstaten toestaat deze belastingvrijstelling tot de binnenwateren uit te breiden. In sommige havens bestaat een schoner alternatief met het gebruik van walstroom (d.w.z. aansluiting op het elektriciteitsnet op het vasteland). Deze technologie bevindt zich nog in een vroeg stadium van ontwikkeling. Als eerste stimulans voor de ontwikkeling en toepassing ervan stelt de Commissie voor vrijstelling van energiebelasting in te voeren voor walstroom die wordt geleverd aan schepen die in een haven liggen. Deze vrijstelling moet van toepassing zijn gedurende een periode van acht jaar (met ingang van de omzettingstermijn in het onderhavige voorstel). Deze periode zal ook de gelegenheid bieden om voor de daaropvolgende periode een meer omvattend kader uit te werken waarmee walstroom zich optimaal kan ontwikkelen. Dat kader kan ook regelgevingsmaatregelen omvatten. De werkzaamheden voor dit kader kunnen worden gestart zodra binnen de Internationale Organisatie voor Normalisatie gemeenschappelijke technische normen voor leveringssystemen voor walstroom zijn vastgesteld. Om een uitgebreid en consistent CO2-prijssignaal buiten de EU-regeling voor de handel in emissierechten in te stellen, moet aan artikel 14 een nieuw lid 3 worden toegevoegd om de vrijstelling van artikel 14, lid 1, onder a), voor energieproducten die worden gebruikt om elektriciteit te produceren tot de algemene energieverbruiksbelasting te beperken. Dit mag echter niet gelden voor energieproducten die worden gebruikt om elektriciteit te produceren aan boord van een vaartuig, omdat het in de praktijk zeer moeilijk is een onderscheid te maken tussen het gebruik van energieproducten met dit doel en energieproducten die worden gebruikt voor de vaart. 8. Te voorzien in een belastingkrediet betreffende CO 2 -gerelateerde belasting voor installaties die behoren tot bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO 2 -weglekrisico (cf. nieuw artikel 14 bis van de EBR, geformuleerd in artikel 1, punt 12), van het voorstel). Het is noodzakelijk om het potentiële kosteneffect van CO2-gerelateerde belasting op de bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico in de zin van artikel 10 bis, lid 13, van richtlijn 2003/87/EG te beperken. Derhalve zijn, op soortgelijke wijze als met de kosteloze toewijzing van broeikasgasemissierechten ingevolge Richtlijn 2003/87/EG is bereikt, overgangsmaatregelen noodzakelijk om een buitensporig kosteneffect te vermijden en de milieueffectiviteit van CO2-gerelateerde belasting te behouden. Teneinde de volledige prikkel om de emissies te verminderen te behouden, moet dit belastingkrediet gebaseerd zijn op het historische energieverbruik van een betrokken installatie in een gespecificeerde referentieperiode (ofwel vanaf 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 of, als alternatief, vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010). Het bedrag van het belastingkrediet moet bovendien een afspiegeling zijn van de CO2-belasting die op basis van de historische verbruikscijfers voor de installatie verschuldigd zou zijn geweest in de veronderstelling dat een CO2-efficiënte referentiebrandstof was gebruikt. Voor deze "brandstofbenchmark" zal de emissiefactor van aardgas worden gebruikt in navolging van de aanpak overeenkomstig Besluit xxx/xxx van de Commissie betreffende de vaststelling van overgangsbepalingen in de gehele Unie voor geharmoniseerde kosteloze toewijzing ingevolge artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/ EG[10]. 9. De flexibiliteit te behouden van de energiebelastingrichtlijn, meer bepaald de bestaande regel dat de lidstaten meer dan slechts één belasting op het energieverbruik mogen toepassen. Niettemin stelt de Commissie voor een aantal van de bestaande opties, namelijk de opties die in tegenspraak zijn met de doelstellingen welke het onderhavige voorstel beoogt te bereiken, te herzien en, in het algemeen, de consistentie met de voorgestelde nieuwe algemene regels te verzekeren. Meer bepaald stelt de Commissie het volgende voor: - Het toepassingsgebied van artikel 2, lid 4, [nieuw artikel 3], met betrekking tot gevallen waarop de richtlijn niet van toepassing is, tot de algemene energieverbruiksbelasting te beperken, om een uitgebreid en consistent CO2-prijssignaal buiten de EU-regeling voor de handel in emissierechten in te stellen. Bovendien sluit artikel 2, lid 4, van het toepassingsgebied van de richtlijn elektriciteit uit wanneer deze meer dan 50% van de kosten van een product uitmaakt [cf. het vierde streepje van punt b) van de bepaling]. Deze regel kan evenwel de concurrentie in de interne markt verstoren en dient te worden geschrapt (zie artikel 1, punt 3), van het voorstel, nieuw artikel 3). - Artikel 9, lid 2, af te schaffen dat voorziet in lagere minimumbelastingniveaus in drie lidstaten voor gasolie die wordt gebruikt voor verwarmingsdoeleinden . Deze bepaling vergroot de inconsistenties in de wijze waarop de verschillende energieverbruikers worden behandeld op de interne markt (zie artikel 1, punt 8), van het voorstel). - Zoveel mogelijk de optionele verlagingen en vrijstellingen van artikel 15 tot de algemene energieverbruiksbelasting te beperken om een uitgebreid en consistent CO2-prijssignaal buiten EU-regeling voor de handel in emissierechten in te stellen (zie artikel 1, punt 13), onder a), van het voorstel). Dit zou evenwel om de volgende redenen niet gelden voor de punten f) en h) tot en met l) van artikel 15, lid 1: - de lidstaten moeten volledig vrij uitzonderingen of verlagingen aan huishoudens en liefdadige organisaties kunnen blijven toestaan om sociale redenen (punt h); cf. ook de informatie hieronder); - voorgesteld wordt om geleidelijk de mogelijkheid af te schaffen om vrijstellingen of verlagingen op aardgas en lpg toe te passen, aangezien deze producten niet van hernieuwbare oorsprong zijn (punt i); cf. ook de details hieronder); - de vrijstellingen of verlagingen voor energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de binnenvaart in punt f) zijn, althans voor sommige van de betrokken waterwegen, gebaseerd op internationale verdragen; de baggerwerken in bevaarbare waterlopen en in havens in punt k) zijn aanvullende handelingen; - de vrijstellingen of verlagingen voor vliegtuigen en schepen in punt j) weerspiegelen soortgelijke vrijstellingen die worden toegepast voor btw-doeleinden en zijn gerelateerd aan de activiteiten die vrijgesteld zijn ingevolge artikel 14, lid 1, onder b) en c), welke op internationale verdragen gebaseerd zijn; - steenkoolgas, waarvan sprake in punt l), dat valt onder GN-code 2705, is een product dat vooral in de staalindustrie voorkomt als bijproduct van het brandstofgebruik bij metallurgische procédés. Uit de raadpleging van de lidstaten is geresulteerd dat het belasten ervan een onevenredige last voor zowel de betrokken bedrijven als de overheidsdiensten zou creëren. - Artikel 15, lid 1, onder h), te wijzigen om fiscale voordelen toe te staan voor gebruik voor verwarmingsdoeleinden door de huishoudens onafhankelijk van de gebruikte energiebron, dat wil zeggen de uitsluiting van bepaalde bronnen, zoals stookolie, te schrappen. De Commissie erkent dat de lidstaten dergelijke fiscale voordelen noodzakelijk kunnen achten, maar is van mening dat alle energiebronnen op gelijke voet moeten worden gesteld (zie artikel 1, punt 13), onder a), i), van het voorstel). - Artikel 15, lid 3, te wijzigen dat de lidstaten toestaat een tot een nultarief verlaagd belastingniveau toe te passen op energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de landbouw, de tuinbouw, de visteelt en de bosbouw (zie artikel 1, punt 13), onder b), van het voorstel). Deze bepaling vergroot de inconsistenties in de wijze waarop de verschillende bedrijfssectoren worden behandeld op de interne markt, vooral wanneer men in gedachten houdt dat de landbouw een van de belangrijke sectoren is die grotendeels buiten de EU-regeling voor de emissiehandel is gelaten. Derhalve is het, wat de algemene energieverbruiksbelasting betreft, noodzakelijk de toepassing van die optie te relateren aan een equivalent dat vooruitgang op het gebied van energie-efficiëntie verzekert. Ten aanzien van CO2-gerelateerde belasting moet de behandeling van de betrokken sectoren worden afgestemd op de regels die gelden voor industriële sectoren. Vrijstellingen van de CO2-gerelateerde belasting moeten daarom alleen gelden voor zover dit noodzakelijk is om het weglekrisico tegen te gaan. - Artikel 5 te wijzigen om duidelijk te maken dat de fiscale differentiatie op basis van de criteria die zijn opgenomen in dit artikel zich niet tot de CO2-gerelateerde belasting dient uit te strekken (zie artikel 1, punt 5), van het voorstel). Bovendien wordt de mogelijkheid om een lager belastingniveau op door taxi's verbruikte motorbrandstof toe te passen in de praktijk enkel voor diesel gebruikt. Ook in het licht van het voorgestelde nieuwe kader moet deze mogelijkheid volledig worden geschrapt (inclusief voor de algemene energieverbruiksbelasting), omdat deze niet langer verenigbaar is met de doelstelling van beleid ter bevordering van alternatieve brandstoffen alsook beleid ter bevordering van alternatieve energiedragers en het gebruik van schonere voertuigen in het stedelijk vervoer. - Artikel 16 te wijzigen om voor de lidstaten de optie te schrappen om in een vrijstelling of een belastingvermindering voor biobrandstoffen te voorzien tegen eind 2023 (zie artikel 1, punt 14), van het voorstel). Op de middellange termijn zal deze bepaling niet langer meer nodig zijn gezien de voorgestelde wijzigingen van de algemene regels van de EBR, die immers voldoende rekening houden met de specificiteit van brandstoffen die geheel of gedeeltelijk bestaan uit biomassa of van biomassa gemaakte producten (zie artikel 1, punt 1), van het voorstel). In het geval van vloeibaar petroleumgas (lpg) en aardgas die worden gebruikt voor voortbeweging, zijn voordelen in de vorm van lagere minimumniveaus van algemene energieverbruiksbelasting of de mogelijkheid om die energieproducten van belasting vrij te stellen op grond van artikel 15, lid 1), onder i), niet langer gerechtvaardigd, met name in het licht van de noodzaak om het marktaandeel van hernieuwbare energiebronnen te verhogen. Deze voordelen moeten daarom eveneens worden geschrapt tegen eind 2023 (zie artikel 1, punt 13), onder a), i), van het voorstel). 10. Richtlijn 2003/96/EG af te stemmen op Richtlijn 2008/118/EG van de Raad houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG[11] (zie artikel 1, punten 11), onder a), i), 17) en 18), van het voorstel, betreffende de artikelen 14, 20 en 21 van de EBR) . 11. De lijst van energieproducten in de artikelen 2, lid 1, en 20, lid 1, van Richtlijn 2003/96/EG te actualiseren om bepaalde biobrandstoffen op te nemen en als zodanig de bepalingen met betrekking tot de toepassing van de bepalingen inzake controles en verkeer van Richtlijn 2008/118/EG te actualiseren en te moderniseren. Bovendien moeten de producten van GN-code 3811 worden onderworpen aan de bepalingen inzake controle en verkeer van Richtlijn 2008/118/EG rekening houdend met het risico op belastingfraude, belastingontwijking of belastingmisbruik dat zij vormen (zie artikel 1, punten 2), onder a), en 17), van het voorstel, betreffende de artikelen 2 en 20 van de EBR). 12. In artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2003/96/EG te verwijzen naar de versie van de gecombineerde nomenclatuur die momenteel van toepassing is. Bovendien moet artikel 2, lid 5, van de EBR worden afgestemd op het nieuwe wettelijke kader ingevolge de VWEU na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon (zie artikel 1, punten 2), onder b), en 21), van de voorstel). 13. De artikelen 18 bis en 18 ter te schrappen omdat deze overgangsbepalingen van de EBR achterhaald zijn (zie artikel 1, punt 16), van het voorstel). 14. Spanje en Frankrijk in de mogelijkheid te stellen om hogere tarieven van algemene energieverbruiksbelasting in te voeren op bepaalde delen van hun grondgebied en het langetermijndecentralisatieproces te erkennen dat door hen wordt uitgevoerd (zie artikel 1, punt 15), van het voorstel, betreffende artikel 18 van de EBR). Aan Spanje moet, gezien de specifieke administratieve structuur ervan en om de uitvoering van de financiële autonomie van de autonome gemeenschappen ervan te vergemakkelijken, toestemming worden verleend om regionaal hogere niveaus van algemene energieverbruiksbelasting toe te passen. Hetzelfde geldt voor Frankrijk, gezien de noodzaak om bij het decentralisatieproces het financiële vermogen van de administratieve regio's te versterken. Er moet echter voor worden gezorgd dat de gelijke behandeling van concurrerende energiebronnen behouden wordt. Bovendien moet ervoor worden gezorgd dat een dergelijke differentiatie de goede werking van de interne markt niet belemmert en geen invloed heeft op het verkeer van energieproducten binnen de EU. Andere lidstaten die een vergelijkbaar systeem van regionale fiscale differentiatie wensen in te voeren, zouden de Commissie moeten verzoeken een voorstel in te dienen om de EBR te wijzigen op basis van artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. 15. Om het vrije verkeer te verzekeren en tegelijkertijd de veiligheidseisen voor bedrijfsvoertuigen en containers voor speciale doeleinden te respecteren, moet de definitie van normale reservoirs van dergelijke voertuigen in artikel 24 van Richtlijn 2003/96/EG worden geactualiseerd om het feit tot uitdrukking te brengen dat brandstofreservoirs niet uitsluitend door de fabrikant ervan op bedrijfsvoertuigen worden geplaatst (zie artikel 1, punt 19), van het voorstel). Deze kwestie is door federaties van transporteurs onder de aandacht van de Commissie gebracht, die erop hebben gewezen dat sommige lidstaten systematisch op de naleving van deze definitie controleerden en motorbrandstoffen belastten in reservoirs die niet binnen het toepassingsgebied ervan vielen. Ook is de kwestie met de lidstaten besproken tijdens een recente vergadering van het Accijnscomité, dat concludeerde dat een wijziging van de definitie in artikel 24 de enige mogelijke manier was om deze kwestie op te lossen. 16. Voor de Commissie een verplichting in te voeren om de vijf jaar en voor het eerst tegen eind 2015 aan de Raad een verslag over de toepassing van de energiebelastingrichtlijn en, in voorkomend geval, een wijzigingsvoorstel voor te leggen (zie artikel 1, punt 21) van het voorstel). In het verslag van de Commissie dienen onder meer onderzocht te worden: het minimumniveau van CO2-gerelateerde belasting in het licht van de ontwikkeling van de marktprijs van de emissierechten in de EU, het effect van innovatie en technologische ontwikkelingen (ten aanzien van energie-efficiëntie, het gebruik van elektriciteit in het vervoer, het gebruik van alternatieve brandstoffen zoals biobrandstoffen en waterstof, het effect van afvang en opslag van kooldioxide, enz.) en de rechtvaardiging voor de belastingvrijstellingen en belastingverlagingen die in deze richtlijn zijn neergelegd. Ten aanzien van de vrijstellingen en verlagingen moet bijzondere aandacht worden besteed aan de vrijstellingen voor energieproducten die worden gebruikt in het lucht- en zeevervoer (artikel 14, lid 1, onder b) en c), van de EBR) respectievelijk rekening houdend met de behandeling ervan ingevolge de EU ETS en de resultaten van internationale onderhandelingen binnen de IMO (Internationale Maritieme Organisatie) over het gebruik van mondiale marktgebaseerde instrumenten die de externe kosten van de CO2-emissies internaliseren, aan de vrijstelling voor walstroom (voorgesteld artikel 14, lid 4, van de EBR ) en aan het effect op huishoudens. In ieder geval zal de lijst van bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico voor de toepassing van artikel 14 bis van deze richtlijn regelmatig worden getoetst, met name rekening houdend met de beschikbaarheid van bekend wordend bewijs (zie bovenstaand punt 2). - Rechtsgrondslag Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 113 daarvan. - Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel valt onder de gedeelde bevoegdheid van de Unie en de lidstaten. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve van toepassing. Artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de Raad de bepalingen vaststelt die betrekking hebben op de harmonisatie van de wetgevingen inzake de accijnzen, voor zover deze harmonisatie noodzakelijk is om de instelling en de werking van de interne markt te bewerkstelligen. De EBR-herziening en het tijdstip ervan moeten worden gezien in de bredere context van de energie- en klimaatveranderingsagenda van de EU. De EU stelt momenteel het wetgevingskader vast dat het mogelijk moet maken de ambitieuze 2020-streefcijfers te bereiken. Het doel om de EBR meer op één lijn te brengen met de doelstellingen en oogmerken kan alleen worden geïmplementeerd door middel van een door de Unie vastgestelde handeling tot wijziging van de EBR. - Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden(en) in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. De doelstellingen van de huidige toetsing kunnen het beste worden bereikt door de huidige richtlijn te wijzigen in de zin zoals hierboven uiteengezet. Het voorstel heeft vooral betrekking op een aantal essentiële onderdelen van de richtlijn: de belastingstructuur en de relatie tussen de respectieve fiscale behandeling van de verschillende energiebronnen. Het voorstel gaat daarmee in geen enkel opzicht verder dan hetgeen noodzakelijk is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken. - Keuze van instrumenten Voorgesteld(e) instrument(en): Richtlijn. Op onderhavig gebied, waarop al een bestaande richtlijn van toepassing is, moeten de lidstaten een aanzienlijke speelruimte behouden, zoals hierboven is uiteengezet. Andere middelen dan een richtlijn tot wijziging van Richtlijn 2003/96/EG zouden dus inadequaat zijn. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Unie. 2011/0092 (CNS) Voorstel voor een RICHTLIJN VAN DE RAAD houdende wijziging van Richtlijn 2003/96/EG tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113, Gezien het voorstel van de Europese Commissie[12], Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Parlement[13], Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité[14], Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: 5. Richtlijn 2003/96/EG van de Raad[15] is vastgesteld om de goede werking van de interne markt te verzekeren ten aanzien van de belasting van energieproducten en elektriciteit. Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag zijn, met name in het licht van het Kyotoprotocol, de eisen inzake milieubescherming in de termen van die richtlijn geïntegreerd. 6. Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat de interne markt goed blijft functioneren in een context van nieuwe eisen met betrekking tot beperking van de klimaatverandering, gebruik van hernieuwbare energiebronnen en energiebesparing, zoals bevestigd door de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van 8-9 maart 2007 en van 11-12 december 2008. 7. Belasting in verband met CO2-emissies kan voor de lidstaten een kosteneffectieve gedragslijn zijn om de verminderingen van broeikasgassen die noodzakelijk zijn overeenkomstig Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen[16] te bereiken ten aanzien van bronnen die niet vallen onder de uniale regeling ingevolge Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad[17]. Met het oog op de mogelijke rol van CO2-gerelateerde belasting vereist de goede werking van de interne markt gemeenschappelijke regels inzake belasting. 8. De lidstaten moeten echter in staat blijven om energiebelasting op verwarmingsbrandstoffen, motorbrandstoffen en elektriciteit te gebruiken voor allerlei doeleinden die niet noodzakelijk noch specifiek noch uitsluitend betrekking hebben op de vermindering van broeikasgassen. 9. Derhalve moet worden voorzien in energiebelasting die bestaat uit twee componenten, CO2-gerelateerde belasting en algemene energieverbruiksbelasting. Wil de energiebelasting aan de werking van de uniale regeling ingevolge Richtlijn 2003/87/EG aangepast zijn dan moeten de lidstaten worden verplicht een expliciet onderscheid te maken tussen deze twee componenten. Daardoor zou ook een onderscheiden behandeling mogelijk zijn van brandstoffen die biomassa zijn of van biomassa zijn gemaakt. 10. Elk van die componenten moet worden berekend op basis van objectieve criteria, die gelijke behandeling van verschillende energiebronnen mogelijk maken. Voor CO2-gerelateerde belasting moet naar de door het gebruik van elk betrokken energieproduct veroorzaakte CO2-emissies worden verwezen aan de hand van de referentiewaarden van de CO2-emissiefactor die beschreven worden in Beschikking 2007/589/EG van de Commissie van 18 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de bewaking en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad[18]. Voor de algemene energieverbruiksbelasting moet worden verwezen naar de energie-inhoud van de verschillende energieproducten en van elektriciteit waarvan sprake in Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad[19]. In dit verband moet rekening worden gehouden met de milieuvoordelen van biomassa of van van biomassa gemaakte producten. Deze producten moeten worden belast op basis van de CO2-emissiefactoren die voor biomassa of van biomassa gemaakte producten zijn gespecificeerd in Beschikking 2007/589/EG en op basis van de energie-inhoud ervan zoals gespecificeerd in bijlage III bij Richtlijn 2009/28/EG. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h) en i), van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen[20] zijn veruit de belangrijkste betrokken categorie. Aangezien de milieuvoordelen van deze producten variëren, afhankelijk van het feit of zij aan de in artikel 17 van die richtlijn neergelegde duurzaamheidscriteria voldoen, dienen de specifieke referentiewaarden voor biomassa of van biomassa gemaakte producten enkel te gelden voor zover aan deze criteria is voldaan. 11. CO2-gerelateerde belasting moet zijn aangepast aan de werking van Richtlijn 2003/87/EG teneinde deze effectief aan te vullen. Die belasting moet gelden voor alle gebruik, met inbegrip van gebruik voor andere doeleinden dan verwarming, van energieproducten die CO2-emissies veroorzaken in installaties in de zin van die richtlijn, op voorwaarde dat de betrokken installatie niet is onderworpen aan de regeling voor de handel in emissierechten ingevolge die richtlijn. Aangezien de cumulatieve toepassing van beide instrumenten echter geen emissieverminderingen mogelijk zou maken die verder gaan dan de totale emissieverminderingen die uitsluitend door middel van de regeling voor de handel in emissierechten worden bereikt, maar enkel de totale kosten van de emissieverminderingen zou verhogen, dient de CO2-gerelateerde belasting niet van toepassing te zijn op verbruik in installaties die aan de regeling voor de handel in emissierechten onderworpen zijn. 12. In het belang van fiscale neutraliteit moeten dezelfde minimumbelastingniveaus van toepassing zijn op elke component van de energiebelasting, voor alle energieproducten die voor een bepaald doel worden gebruikt. Voor zover aldus gelijke minimumbelastingniveaus worden voorgeschreven, moeten de lidstaten om redenen van fiscale neutraliteit eveneens gelijke niveaus van nationale belasting op alle betrokken producten verzekeren. Waar nodig moet in overgangstermijnen voor het gelijkmaken van deze niveaus worden voorzien. 13. De minimumniveaus van CO2-gerelateerde belasting moeten worden vastgesteld in het licht van de nationale streefcijfers voor de lidstaten zoals neergelegd in Beschikking 406/2009/EG inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Unie op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen. Aangezien die beschikking erkent dat de inspanningen om hun broeikasgasemissies te verminderen eerlijk over de lidstaten moeten worden verdeeld, moeten voor bepaalde lidstaten overgangstermijnen worden vastgesteld. 14. De minimumniveaus van algemene energieverbruiksbelasting moeten in het algemeen op basis van de huidige minimumbelastingniveaus worden ontwikkeld. Dit houdt tevens in dat het minimumniveau van algemene energieverbruiksbelasting voor motorbrandstoffen hoger moet blijven dan voor verwarmingsbrandstoffen. 15. Er moet voor worden gezorgd dat de minimumbelastingniveaus hun beoogde effecten behouden. Aangezien CO2-gerelateerde belasting de werking van Richtlijn 2003/87/EG aanvult, moet bij de door de Commissie uit te voeren periodieke toetsing van de richtlijn nauwlettend de marktprijs van de emissierechten worden gevolgd. De minimumniveaus van de algemene energieverbruiksbelasting moeten op gezette tijden automatisch worden afgestemd om rekening te houden met de ontwikkeling van de reële waarde ervan teneinde het huidige niveau van tariefharmonisatie te behouden; om de door de energie- en voedselprijzen veroorzaakte volatiliteit te verminderen, moet deze afstemming gebeuren op basis van de wijzigingen van het uniale geharmoniseerde indexcijfer van consumptieprijzen exclusief energie en onbewerkte voedingsmiddelen, zoals gepubliceerd door Eurostat. 16. Op het gebied van motorbrandstoffen creëert het gunstiger minimumbelastingniveau voor gasolie, een product dat oorspronkelijk grotendeels zakelijk gebruik tot doel had en aldus traditioneel op een lager niveau is belast, een verstoring met betrekking tot benzine, de voornaamste concurrerende brandstof. Artikel 7 van Richtlijn 2003/96/EG voorziet derhalve in de eerste stappen van een geleidelijke afstemming op het minimumbelastingniveau voor benzine. Het is noodzakelijk om deze afstemming te voltooien en geleidelijk over te schakelen op een situatie waarin gasolie en benzine op een gelijk niveau worden belast. 17. Ten aanzien van de mogelijkheid voor de lidstaten om op commercieel gebruik van gasolie als motorbrandstof een lager belastingniveau dan op niet-commercieel gebruik ervan toe te passen, blijkt deze bepaling niet langer verenigbaar met de eis om de energie-efficiëntie te verbeteren en de noodzaak om het toenemende milieueffect van het vervoer te verbeteren en dient zij derhalve te worden geschrapt. Artikel 9, lid 2, van Richtlijn 2003/96/EG staat bepaalde lidstaten toe een verlaagd tarief op gasolie voor verwarming toe te passen. Die bepaling is niet langer verenigbaar met de goede werking van de interne markt en met de bredere doelstellingen van het Verdrag. Zij moet derhalve worden geschrapt. 18. Het is noodzakelijk het potentiële kosteneffect van CO2-gerelateerde belasting op de bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico in de zin van artikel 10 bis, lid 13, van Richtlijn 2003/87/EG te beperken. Derhalve is het passend in overeenkomstige overgangsmaatregelen te voorzien die er echter tevens op moeten gericht zijn de milieueffectiviteit van CO2-gerelateerde belasting te behouden. 19. Artikel 5 van Richtlijn 2003/96/EG staat de toepassing van gedifferentieerde belastingtarieven toe in bepaalde gevallen. Om echter de consistentie van het CO2-prijssignaal te verzekeren, moet de mogelijkheid voor de lidstaten om nationale tarieven te differentiëren tot de algemene energieverbruikbelasting worden beperkt. Bovendien is de mogelijkheid om een lager belastingniveau op door taxi's gebruikte motorbrandstof toe te passen niet langer verenigbaar met de doelstelling van het voeren van een beleid ter bevordering van alternatieve brandstoffen en energiedragers en het gebruik van schonere voertuigen in het stedelijk vervoer en moet deze derhalve worden geschrapt. 20. De regels betreffende optionele belastingverlagingen en belastingvrijstellingen in artikel 15 van Richtlijn 2003/96/EG moeten worden aangepast in het licht van de opgedane ervaring en het door deze richtlijn gecreëerde nieuwe kader. De mogelijkheid voor de lidstaten om die optionele verlagingen en vrijstellingen toe te passen, moet zoveel mogelijk tot de algemene energieverbruiksbelasting worden beperkt teneinde een uitgebreid en consistent CO2-prijssignaal buiten de uniale regeling voor de handel in emissierechten in te stellen. 21. Vrijstellingen of verlagingen voor huishoudens en liefdadige organisaties kunnen deel uitmaken van door de lidstaten vastgestelde sociale maatregelen. De mogelijkheid om dergelijke vrijstellingen of verlagingen toe te passen, moet om redenen van gelijke behandeling van energiebronnen worden uitgebreid tot alle energieproducten die worden gebruikt als verwarmingsbrandstof en elektriciteit. Om ervoor te zorgen dat het effect ervan op de interne markt beperkt blijft, moeten dergelijke vrijstellingen en verlagingen alleen op niet-zakelijke activiteiten worden toegepast. 22. In het geval van vloeibaar petroleumgas (lpg) en aardgas die worden gebruikt voor voortbeweging zijn voordelen in de vorm van lagere minimumniveaus van algemene energieverbruiksbelasting of de mogelijkheid om die energieproducten van belasting vrij te stellen met name in het licht van de noodzaak om het marktaandeel van hernieuwbare energiebronnen te verhogen niet langer gerechtvaardigd en moeten deze derhalve op middellange termijn worden geschrapt. 23. Richtlijn 2003/96/EG verplicht de lidstaten brandstof die voor de vaart op communautaire wateren wordt gebruikt alsook aan boord van een schip geproduceerde elektriciteit van belasting vrij te stellen, ook voor schepen op hun ligplaats in een haven. Bovendien mogen de lidstaten deze gunstige belastingbehandeling tot de binnenwateren uitbreiden. In sommige havens bestaat een schoner alternatief in de vorm van het gebruik van walstroom, die echter belastbaar is. Om een eerste stimulans voor de ontwikkeling en de toepassing van deze technologie te creëren, moeten de lidstaten, totdat op dit gebied een meer omvattend kader wordt vastgesteld, het gebruik van walstroom door schepen op hun ligplaats in een haven van energiebelasting vrijstellen. Deze vrijstelling moet van toepassing zijn gedurende een periode die lang genoeg is om de havenexploitanten niet te ontmoedigen de noodzakelijke investeringen te doen, maar tegelijk zodanig in de tijd beperkt zijn dat het, gehele of gedeeltelijke, behoud ervan afhankelijk wordt gesteld van de vaststelling van een nieuw besluit te gelegener tijd. 24. Artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2003/96/EG staat de lidstaten toe op energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de landbouw, de tuinbouw, de visteelt en de bosbouw niet alleen de algemeen toepasselijke bepalingen voor zakelijk gebruik, maar ook een tot een nultarief verlaagd belastingniveau toe te passen. Uit een onderzoek van die optie is gebleken dat, wat de algemene energieverbruiksbelasting betreft, het behoud ervan strijdig zou zijn met de bredere beleidsdoelstellingen van de Unie, tenzij dit verbonden is aan een equivalent dat vooruitgang op het gebied van energie-efficiëntie verzekert. Ten aanzien van CO2-gerelateerde belasting moet de behandeling van de betrokken sectoren worden afgestemd op de regels die gelden voor industriële sectoren. 25. De bij deze richtlijn ingevoerde algemene regels houden rekening met de specificiteit van brandstoffen die biomassa zijn of gemaakt zijn van biomassa en zowel met betrekking tot de bijdrage ervan aan de CO2-balans en de lagere energie-inhoud ervan per kwantitatieve eenheid als in vergelijking met sommige van de concurrerende fossiele brandstoffen voldoen aan de duurzaamheidscriteria die zijn neergelegd in artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG. Derhalve moeten de bepalingen in Richtlijn 2003/96/EG die verlagingen of vrijstellingen voor die brandstoffen toestaan op middellange termijn worden geschrapt. Intussen moet ervoor worden gezorgd dat de toepassing van deze bepalingen in overeenstemming wordt gebracht met de bij deze richtlijn ingevoerde algemene regels. Voor biobrandstoffen en vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h) en i), van Richtlijn 2009/28/EG moeten de lidstaten extra fiscale voordelen alleen toekennen indien deze aan de duurzaamheidscriteria in artikel 17 van deze richtlijn voldoen. 26. Bij gebrek aan een vergaandere harmonisatie op het gebied van verwarmingsbrandstoffen die worden gebruikt voor zakelijke doeleinden moeten lidstaten waarvan de belastingniveaus boven de op dat gebied voorgeschreven minimumniveaus liggen in bepaalde verlagingen kunnen blijven voorzien. In de toepasselijke voorwaarden moet een onderscheid worden gemaakt tussen algemene energieverbruiksbelasting en CO2-gerelateerde belasting, aangezien met die twee belastingen uiteenlopende doelstellingen worden nagestreefd. Voorts moet duidelijk worden gemaakt dat referenties aan regelingen inzake verhandelbare vergunningen in artikel 17 van Richtlijn 2003/96/EG zich niet tot de uniale regeling ingevolge Richtlijn 2003/87/EG uitstrekken. 27. Met het oog op de bijzondere administratieve structuur van die landen en onder bepaalde voorwaarden moet aan Spanje en Frankrijk worden toegestaan op regionaal niveau hogere niveaus van algemene energieverbruiksbelasting op energieproducten en elektriciteit toe te passen. 28. Richtlijn 2003/96/EG moet worden afgestemd op Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG[21]. 29. De lijst van energieproducten in de artikelen 2, lid 1, en 20, lid 1, van Richtlijn 2003/96/EG moet worden geactualiseerd met bepaalde biobrandstoffen om een eengemaakte en genormaliseerde behandeling van deze biobrandstoffen te verzekeren, en in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 2003/96/EG dient te worden verwezen naar de momenteel toepasselijke versie van de gecombineerde nomenclatuur. Rekening houdend met het risico op belastingfraude, belastingontwijking of belastingmisbruik dat zij vormen, moeten de producten van GN-code 3811 worden onderworpen aan de bepalingen inzake controles en verkeer van Richtlijn 2008/118/EG. 30. Om het vrije verkeer te verzekeren en tegelijkertijd de veiligheidseisen voor bedrijfsvoertuigen en containers voor speciale doeleinden te respecteren, moet de definitie van normale reservoirs van dergelijke voertuigen in artikel 24 van Richtlijn 2003/96/EG worden geactualiseerd om tot uitdrukking te brengen dat brandstofreservoirs niet uitsluitend door de fabrikant ervan op bedrijfsvoertuigen worden geplaatst. 31. Aangezien bepaalde overgangsbepalingen van Richtlijn 2003/96/EG achterhaald zijn, moeten zij worden geschrapt. 32. Om de vijf jaar en voor het eerst tegen eind 2015 dient de Commissie aan de Raad verslag uit te brengen over de toepassing van deze richtlijn, waarbij met name het minimumniveau van CO2-gerelateerde belasting in het licht van de ontwikkeling van de marktprijs in de EU van de emissierechten, het effect van innovatie en technologische ontwikkelingen en de rechtvaardiging voor de fiscale vrijstellingen en verlagingen die in deze richtlijn zijn neergelegd, waaronder voor brandstof die voor de lucht- en zeevaart wordt gebruikt, worden onderzocht. De lijst van bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico zal regelmatig worden getoetst, met name rekening houdend met de beschikbaarheid van bekend wordend bewijs. 33. Het is passend om sommige bepalingen van Richtlijn 2003/96/EG betreffende uitvoeringsbevoegdheden te wijzigen om te zorgen voor consistentie met de bepalingen die bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn ingevoerd. Dit moet gebeuren door de verlening van gedelegeerde bevoegdheden aan de Commissie. 34. De Commissie moet gemachtigd worden gedelegeerde handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie om de codes van de gecombineerde nomenclatuur voor de producten waarvan sprake in Richtlijn 2003/96/EG alsmede de verwijzing naar de toepasselijke gecombineerde nomenclatuur te actualiseren. Het is noodzakelijk dat de bevoegdheden voor onbepaalde tijd aan de Commissie worden gedelegeerd zodat de regels zo nodig kunnen worden afgestemd. 35. Aangezien de doelstellingen van de te nemen maatregelen, met name het verzekeren van de goede werking van de interne markt in de context van nieuwe eisen op het gebied van energie en milieu, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter op uniaal niveau kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. 36. Richtlijn 2003/96/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD: Artikel 1 Richtlijn 2003/96/EG wordt als volgt gewijzigd: 37. Artikel 1 wordt vervangen door: "Artikel 1 38. De lidstaten heffen belasting op energieproducten en elektriciteit overeenkomstig deze richtlijn. 39. De lidstaten maken onderscheid tussen CO2-gerelateerde belasting en algemene energieverbruiksbelasting. De CO2-gerelateerde belasting wordt berekend in EUR/t CO2-emissies, op basis van de referentiewaarden van de CO2-emissiefactor die beschreven worden in punt 11 van bijlage I bij Beschikking 2007/589/EG van de Commissie van 18 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad(*). De CO2-emissiefactoren die in deze beschikking voor biomassa of van biomassa gemaakte producten worden gespecificeerd zijn in het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h) en i), van Richtlijn 2009/28/EG enkel van toepassing voor zover het betrokken product voldoet aan de duurzaamheidscriteria die zijn neergelegd in artikel 17 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen(**). Voor zover biobrandstoffen en vloeibare biomassa niet aan deze criteria voldoen, passen de lidstaten de referentiewaarde van de CO2-emissiefactor toe voor de gelijkwaardige verwarmings- of motorbrandstof waarvoor in deze richtlijn minimumbelastingniveaus zijn gespecificeerd. De algemene energieverbruiksbelasting wordt berekend in EUR/GJ op basis van de calorische onderwaarde van de energieproducten en elektriciteit zoals beschreven in bijlage II bij Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad(***). In het geval van biomassa of van biomassa gemaakte producten zijn de referentiewaarden die welke worden beschreven in bijlage III bij Richtlijn 2009/28/EG. In het geval van biobrandstoffen en vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h) en i), van Richtlijn 2009/28/EG zijn deze referentiewaarden evenwel enkel van toepassing voor zover het product voldoet aan de in artikel 17 van die richtlijn neergelegde duurzaamheidscriteria. In dat geval gelden zij zowel voor motor- als voor verwarmingsbrandstoffen. Voor zover biobrandstoffen en vloeibare biomassa niet aan deze criteria voldoen, passen de lidstaten de referentiewaarden toe voor de gelijkwaardige verwarmings- of motorbrandstof waarvoor in deze richtlijn minimumbelastingniveaus zijn gespecificeerd. Voor zover Richtlijn 2006/32/EG, Beschikking 2007/589/EG of Richtlijn 2009/28/EG, al naar het geval, geen emissiefactor en/of calorische onderwaarde voor het betrokken product bevatten, verwijzen de lidstaten naar relevante beschikbare informatie over de CO2-emissiefactor en/of de calorische onderwaarde ervan. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder 'biomassa' verstaan: de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van biologische oorsprong uit de landbouw (met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen), de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, met inbegrip van de visserij en de aquacultuur, alsmede de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval. 40. Voor zover een deel van een energieproduct uit biomassa of van biomassa gemaakte producten bestaat, worden de voor dit deel relevante CO2-emissiefactoren en calorische onderwaarde bepaald overeenkomstig lid 2, onafhankelijk van de GN-code van het energieproduct als geheel. 41. Tenzij anders gespecificeerd, zijn de bepalingen van deze richtlijn van toepassing op CO2-gerelateerde belasting en op algemene energieverbruiksbelasting. (*) PB L 229 van 31.8.2007, blz. 1. (**) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16. (***) PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64." 42. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: a) Lid 1 wordt als volgt gewijzigd: i) Punt h) wordt vervangen door: "h) producten van de GN-codes 2909 19 10 en 3824 90 91;" ii) De volgende punten i) en j) worden toegevoegd: "i) producten van de GN-codes 2207, 2208 90 91 en 2208 90 99 indien deze bestemd zijn voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof en indien zij gedenatureerd zijn overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 92/83/EG; j) producten van de GN-codes 2909 19 90, 3823 19 90 en 3824 90 97, indien deze bestemd zijn om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt." b) De leden 3, 4 en 5 worden vervangen door: "3. De energieproducten waarvoor in deze richtlijn geen minimumbelastingniveaus zijn vastgesteld en die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motor- of verwarmingsbrandstof, worden, naar gelang van het gebruik dat ervan gemaakt wordt, belast tegen de belastingniveaus van de gelijkwaardige motor- of verwarmingsbrandstof, die worden berekend overeenkomstig artikel 1, leden 2 en 3. Andere producten dan energieproducten die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt als motorbrandstof, worden belast tegen de belastingniveaus van de gelijkwaardige motorbrandstof, die worden berekend overeenkomstig artikel 1, leden 2 en 3. Andere additieven en vulstoffen in motorbrandstoffen dan water worden belast tegen de belastingniveaus van de gelijkwaardige motorbrandstof. Andere koolwaterstoffen dan die welke zijn opgenomen in lid 1 en die bestemd zijn voor gebruik, worden aangeboden voor verkoop of worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden, worden overeenkomstig artikel 1, leden 2 en 3, belast tegen de belastingniveaus van het gelijkwaardige energieproduct. Deze alinea is niet van toepassing op turf. 4. CO2-gerelateerde belasting is, onder voorbehoud van artikel 14, lid 1, onder d), van deze richtlijn, van toepassing op gebruik van energieproducten dat aanleiding geeft tot kooldioxide-emissies uit installaties als gedefinieerd in artikel 3, onder e), van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad(*), ongeacht of deze installaties de in bijlage I bij die richtlijn vermelde grenswaarden bereiken. Voor zover energieproducten overeenkomstig de eerste alinea worden gebruikt voor een ander doel dan als motorbrandstof, worden zij voor de toepassing van deze richtlijn als verwarmingsbrandstof behandeld. 5. De in deze richtlijn vervatte verwijzingen naar codes van de gecombineerde nomenclatuur zijn verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 861/2010 van de Commissie van 5 oktober 2010 tot wijziging van bijlage I van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief(**). Voor zover de verordening waarvan sprake in de eerste alinea wordt vervangen of voor zover een wijziging van de gecombineerde nomenclatuur een wijziging vereist van de codes waarvan sprake in deze richtlijn, stelt de Commissie in overeenstemming met artikel 27 en onder de voorwaarden van de artikelen 27 bis en 27 ter een gedelegeerde handeling vast om de codes te wijzigen van de gecombineerde nomenclatuur van de producten waarvan sprake in deze richtlijn of om de verwijzing te wijzigen waarin is voorzien in de eerste alinea teneinde deze af te stemmen op de toepasselijke versie van de gecombineerde nomenclatuur. Die gedelegeerde handeling mag niet tot wijzigingen in de minimumbelastingniveaus voor energieproducten en elektriciteit als bedoeld in deze richtlijn, noch tot toevoeging of verwijdering van energieproducten en elektriciteit leiden. __________ (*) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32. (**) PB L 284 van 29.10.2010, blz. 1." c) Het volgende lid 6 wordt toegevoegd: "6. Voor de toepassing van de punten a), d), i) en j) van lid 1 van dit artikel en de punten a), g), i) en j) van artikel 20, lid 1 worden producten die bestemd zijn voor levering geacht bestemd te zijn voor gebruik als verwarmingsbrandstof of als motorbrandstof wanneer de leverancier op de hoogte is, of redelijkerwijs ervan op de hoogte moet zijn, dat de ontvanger voornemens is de producten te gebruiken als verwarmings- of motorbrandstof. Producten als bedoeld in punt a) van lid 1 van dit artikel en punt a) van artikel 20, lid 1, worden niet geacht bestemd te zijn voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof indien zij worden geleverd aan een producent van goederen als bedoeld in punt h) van lid 1 van dit artikel en punt h) van artikel 20, lid 1. " 43. Artikel 3 wordt vervangen door: "Artikel 3 Onverminderd artikel 2, lid 4, is deze richtlijn niet van toepassing op: a) outputbelasting op warmte en de belasting op producten van de GN-codes 4401 en 4402; b) de volgende vormen van gebruik van energieproducten en elektriciteit: - energieproducten gebruikt voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof - duaal gebruik van energieproducten Een energieproduct kent een duaal gebruik wanneer het zowel als verwarmingsbrandstof als voor andere doeleinden dan als motor- of verwarmingsbrandstof wordt gebruikt. Het gebruik van energieproducten voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés wordt als duaal gebruik beschouwd. - elektriciteit die voornamelijk wordt gebruikt voor chemische reductie en elektrolytische en metallurgische procédés; - mineralogische procédés. Onder "mineralogische procédés" wordt verstaan de procédés die in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden zijn ondergebracht onder code DI 23 "Vervaardiging van overige niet-metaalhoudende minerale producten" van de NACE-nomenclatuur(*). Artikel 20 is evenwel van toepassing op energieproducten die worden gebruikt als bedoeld in punt b) van het eerste lid van dit artikel. ________ (*) PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1." 44. Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd: a) Lid 2 wordt vervangen door: "2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder 'belastingniveau' verstaan het totaal van alle geheven indirecte belastingen (exclusief belasting over de toegevoegde waarde, hierna "btw"), berekend: 45. ten aanzien van CO2-gerelateerde belasting, in overeenstemming met de tweede alinea van artikel 1, lid 2, op het tijdstip van uitslag tot verbruik; 46. ten aanzien van algemene energieverbruiksbelasting, in overeenstemming met de derde alinea van artikel 1, lid 2, op het tijdstip van uitslag tot verbruik." b) De volgende leden 3 en 4 worden toegevoegd: "3. Onverminderd de vrijstellingen, differentiaties en verlagingen waarin deze richtlijn voorziet, zorgen de lidstaten ervoor dat voor zover in bijlage I gelijke minimumbelastingniveaus zijn neergelegd met betrekking tot een bepaald gebruik, gelijke belastingniveaus worden vastgesteld voor producten die voor dat doel worden gebruikt. Onverminderd artikel 15, lid 1, i), is een en ander voor motorbrandstoffen waarvan sprake in bijlage I.A. van toepassing met ingang van 1 januari 2023. Voor de toepassing van de eerste alinea wordt elk gebruik waarvoor in de bijlagen I.A., I.B. en I.C. een minimumbelastingniveau wordt vastgesteld, als één gebruik beschouwd. 4. De in deze richtlijn neergelegde minimumniveaus van algemene energieverbruiksbelasting worden met ingang van 1 juli 2016 om de drie jaar aangepast om rekening te houden met de wijzigingen van het geharmoniseerde indexcijfer van consumptieprijzen exclusief energie en onbewerkte voedingsmiddelen, zoals gepubliceerd door Eurostat. De Commissie maakt de resulterende minimumbelastingniveaus bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie . De minimumniveaus worden automatisch aangepast, door het verhogen of verlagen van het basisbedrag in euro met de procentuele wijziging van dat indexcijfer gedurende de drie voorgaande kalenderjaren. Indien de procentuele wijziging sinds de laatste aanpassing minder dan 0,5% bedraagt, vindt geen aanpassing plaats." 47. Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd: a) De inleidende zin wordt vervangen door: "De lidstaten kunnen, onder fiscaal toezicht, gedifferentieerde tarieven van algemene energieverbruiksbelasting toepassen in de volgende gevallen, op voorwaarde dat deze tarieven de bij deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus respecteren:" b) Het derde streepje wordt vervangen door: "– voor de volgende vormen van gebruik: plaatselijk openbaar personenvervoer (exclusief taxi's), afvalinzameling, strijdkrachten en overheidsadministraties, gehandicapten, ziekenauto's;" 48. Artikel 7 wordt vervangen door: " Artikel 7 Met ingang van 1 januari 2013, vanaf 1 januari 2015 en vanaf 1 januari 2018 worden de minimumbelastingniveaus voor motorbrandstoffen vastgesteld zoals beschreven in bijlage I.A." 49. In artikel 8 wordt lid 1 vervangen door: "1. De minimumbelastingniveaus voor producten die als motorbrandstof worden gebruikt voor de doeleinden van lid 2 van dit artikel worden met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld zoals beschreven in bijlage I.B." 50. Artikel 9 wordt vervangen door: "Artikel 9 Met ingang van 1 januari 2013 worden de minimumbelastingniveaus voor verwarmingsbrandstoffen vastgesteld zoals beschreven in bijlage I.C." 51. Artikel 10 wordt vervangen door: " Artikel 10 Met ingang van 1 januari 2013 worden de minimumbelastingniveaus voor elektriciteit vastgesteld zoals beschreven in bijlage I.D." 52. In artikel 12 wordt lid 2 vervangen door: "2. Wanneer volume-eenheden worden toegepast, wordt het volume gemeten bij een temperatuur van 15 °C." 53. Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd: i) de inleidende zin wordt vervangen door: "Naast de algemene bepalingen van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG(*) betreffende vrijgesteld gebruik van belastbare producten, en onverminderd andere uniale bepalingen, verlenen de lidstaten voor onderstaande producten vrijstelling van belasting, op voorwaarden die zij vaststellen met het doel een juiste en eenvoudige toepassing van deze vrijstelling te verzekeren en fraude, ontwijking of misbruik te voorkomen: _________ (*) PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12." ii) in punt a) wordt de tweede zin vervangen door: De lidstaten kunnen deze producten echter uit andere milieubeleidsoverwegingen dan de vermindering van CO2-emissies aan belasting onderwerpen zonder inachtneming van de in deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus." iii) de volgende punten d) en e) worden toegevoegd: "d) ten aanzien van CO2-gerelateerde belasting, energieproducten die worden gebruikt voor activiteiten die onderworpen zijn aan, en niet uitgesloten zijn van de uniale regeling in de zin van Richtlijn 2003/87/EG; e) tot 31 december 2020, elektriciteit die rechtstreeks wordt geleverd aan schepen op hun ligplaats in een haven." b) Het volgende lid 3 wordt toegevoegd: "3. In het geval van gebruik waarvan sprake in punt a) van lid 1, behalve gebruik voor de productie van elektriciteit aan boord van een schip, wordt er alleen vrijstelling van de algemene energieverbruiksbelasting verleend." 54. Het volgende artikel 14 bis wordt ingevoegd: "Artikel 14 bis 55. Tot 31 december 2020 verlenen de lidstaten een belastingkrediet betreffende CO2-gerelateerde belasting met betrekking tot het gebruik van energieproducten door installaties die behoren tot bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico. 56. Het bedrag van het belastingkrediet komt overeen met het mediane jaarlijkse verbruik van energieproducten, uitgedrukt in gigajoule (GJ), van de installatie tijdens de referentieperiode voor andere doeleinden dan die waarvan sprake in artikel 7, vermenigvuldigd met 0,00561 en met het minimumniveau van CO2-gerelateerde belasting als neergelegd in bijlage I.C. De referentieperiode waarvan sprake in de eerste zin van dit lid is de periode vanaf 1 januari 2005 tot en met 31 december 2008 of de periode vanaf 1 januari 2009 tot en met 31 december 2010. Het bedrag van het belastingkrediet mag niet groter zijn dan de CO2-gerelateerde belasting op het gebruik van energieproducten voor de installatie tijdens de betrokken periode. 57. Voor installaties die tijdens de referentieperiode niet in bedrijf zijn geweest, baseren de lidstaten het niveau van het belastingkrediet op de geïnstalleerde capaciteit van de installatie, vermenigvuldigd met een gemiddelde capaciteitsbenuttingsfactor, onder toepassing van de methodiek zoals neergelegd in Besluit XXX van de Commissie tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG(*). 58. Voor zover een lidstaat een niveau van CO2-gerelateerde belasting toepast dat boven het door deze richtlijn voorgeschreven minimumniveau ligt, mag hij voor het bepalen van het bedrag van het belastingkrediet ingevolge lid 2 een niveau van CO2-gerelateerde belasting van maximaal het nationale niveau in aanmerking nemen. 59. Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 gelden als "bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico" de bedrijfstakken of deeltakken die als zodanig zijn aangewezen op basis van artikel 10 bis, lid 13, van Richtlijn 2003/87/EG. _______ (*) PB L" 60. Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd: i) de punten h) en i) worden vervangen door: "h) als verwarmingsbrandstof gebruikte energieproducten en elektriciteit indien deze gebruikt worden door huishoudens en/of door organisaties welke door de betrokken lidstaat als liefdadige instellingen worden erkend. Wanneer het gaat om liefdadige organisaties beperken de lidstaten de vrijstelling of verlaging tot het niet-zakelijk gebruik. Indien gemengd gebruik plaatsvindt, wordt de belasting geheven naar evenredigheid van elk type gebruik. Wanneer een gebruik van weinig belang is, kan het als nihil worden behandeld; i) tot 1 januari 2023, aardgas en lpg die worden gebruikt voor voortbeweging;" ii) de volgende alinea wordt toegevoegd: "De punten a) tot en met e) en g) gelden alleen voor de algemene energieverbruiksbelasting." b) Lid 3 wordt vervangen door: "3. De lidstaten kunnen een tot een nultarief verlaagd niveau van algemene verbruiksbelasting toepassen op het verbruik van energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de landbouw, de tuinbouw, de aquacultuur en de bosbouw. De begunstigden zijn onderworpen aan regelingen die moeten leiden tot een verhoogde energie-efficiëntie die grotendeels gelijkwaardig is met die welke zou zijn bereikt indien de uniale standaardminimumtarieven in acht waren genomen." 61. Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd: a) lid 1 wordt als volgt gewijzigd: i) de inleidende zin wordt vervangen door: "Tot 1 januari 2023 kunnen de lidstaten, onverminderd lid 5 van dit artikel, onder fiscaal toezicht, belastingvrijstelling verlenen of een verlaagd tarief van algemene energieverbruiksbelasting hanteren voor de in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde belastbare producten die zijn samengesteld uit een of meer van onderstaande producten, of deze bevatten en voor zover, wat biobrandstoffen en vloeibare biomassa zoals gedefinieerd in artikel 2, onder h) en i), van Richtlijn 2009/28/EG betreft, deze producten voldoen aan de duurzaamheidscriteria die zijn neergelegd in artikel 17 van die Richtlijn:" ii) de derde alinea wordt geschrapt. b) De leden 4, 6 en 8 wordt geschrapt. 62. De artikelen 17 en 18 worden vervangen door: "Artikel 17 63. Op voorwaarde dat de in deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus gemiddeld voor elk bedrijf worden gerespecteerd, kunnen de lidstaten in de volgende gevallen verlagingen van de algemene energieverbruiksbelasting op energieproducten die voor verwarming of voor de toepassing van artikel 8, lid 2, onder b) en c), worden gebruikt en op elektriciteit toepassen: a) ten voordele van energie-intensieve bedrijven Onder een 'energie-intensief bedrijf' wordt verstaan een bedrijf in de zin van artikel 11 waar de aankoop van energieproducten en elektriciteit ten minste 3,0% van de productiewaarde uitmaakt, of de verschuldigde nationale energiebelasting ten minste 0,5% van de toegevoegde waarde bedraagt. Binnen deze definitie kunnen de lidstaten restrictievere concepten toepassen, waaronder definities van omzetwaarde, proces en sector. Onder de kosten van 'de aankoop van energieproducten en elektriciteit' wordt verstaan de feitelijke kosten van de door het bedrijf aangekochte of gegenereerde energie. Hieronder vallen alleen de kosten van elektriciteit, verwarming en de energieproducten die worden gebruikt voor verwarmingsdoeleinden of voor de toepassing van artikel 8, lid 2, onder b) en c). De kosten omvatten alle belastingen, uitgezonderd aftrekbare btw. Onder 'productiewaarde' wordt verstaan de omzet inclusief rechtstreeks aan de prijs van het product gekoppelde subsidies, vermeerderd of verminderd met de veranderingen in voorraden gereed product, onderhanden werk en goederen en diensten, ingekocht voor wederverkoop, en verminderd met de aankoop van goederen en diensten voor wederverkoop. Onder 'toegevoegde waarde' wordt verstaan de totale aan btw onderworpen omzet inclusief uitvoer, verminderd met de totale aan btw onderworpen inkoop inclusief invoer; b) indien overeenkomsten zijn aangegaan met zakelijke entiteiten waarvan sprake in artikel 11 of verenigingen van dergelijke zakelijke entiteiten, of indien regelingen inzake verhandelbare vergunningen of gelijkwaardige maatregelen worden toegepast, voor zover deze leiden tot verbeteringen in energie-efficiëntie. 64. Op voorwaarde dat de in deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus gemiddeld voor elk bedrijf worden gerespecteerd, mogen de lidstaten belastingverlagingen van de CO2-gerelateerde belasting toepassen op energieproducten die voor verwarming of voor de toepassing van artikel 8, lid 2, onder b) en c), worden gebruikt voor zover overeenkomsten worden gesloten met zakelijke entiteiten waarvan sprake in artikel 11 of verenigingen van dergelijke zakelijke entiteiten, of voor zover regelingen inzake verhandelbare vergunningen of gelijkwaardige maatregelen worden geïmplementeerd, in zoverre deze leiden tot de verwezenlijking van doelstellingen betreffende de vermindering van CO2-emissies. 65. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt onder 'verhandelbare vergunningen' verstaan andere verhandelbare vergunningen dan de uniale regeling in de zin van Richtlijn 2003/87/EG. Artikel 18 1. Niettegenstaande artikel 4, lid 3, kan Spanje bepalen dat de niveaus van algemene energieverbruiksbelasting die door een autonome gemeenschap worden toegepast hoger mogen zijn dan de overeenkomstige nationale belastingniveaus (regionale differentiatie). De toepasselijke regels moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: a) het belastingniveau dat door een autonome gemeenschap wordt toegepast, mag niet meer dan 15% hoger zijn dan het overeenkomstige nationale belastingniveau; b) voor zover tijdens een overbrenging uit een andere lidstaat naar Spanje van energieproducten ingevolge een accijnsschorsingsregeling in Spanje een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of wordt geacht te hebben plaatsgevonden in de zin van artikel 10 van Richtlijn 2008/118/EG die met de verschuldigdheid van accijns gepaard gaat, mag de persoon die voor de betaling zekerheid heeft gesteld in overeenstemming met artikel 18 van die richtlijn niet aansprakelijk worden gesteld voor het betalen van het verschil tussen het door een autonome gemeenschap toegepaste belastingniveau en het nationale niveau, tenzij die persoon aan de onregelmatigheid of de overtreding heeft deelgenomen. 2. Niettegenstaande artikel 4, lid 3, kan Frankrijk bepalen dat de niveaus van algemene energieverbruiksbelasting die op het niveau van de Franse regio's worden toegepast hoger mogen zijn dan de overeenkomstige nationale belastingniveaus (regionale differentiatie). De toepasselijke regels moeten aan de volgende voorwaarden voldoen: a) het belastingniveau dat door een regionale overheid wordt toegepast mag niet meer dan 15% hoger zijn dan het overeenkomstige nationale belastingniveau; b) voor zover tijdens een overbrenging uit een andere lidstaat naar Frankrijk van energieproducten ingevolge een accijnsschorsingsregeling in Frankrijk een onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of wordt geacht te hebben plaatsgevonden in de zin van artikel 10 van Richtlijn 2008/118/EG die met de verschuldigdheid van accijns gepaard gaat, mag de persoon die voor de betaling zekerheid heeft gesteld in overeenstemming met artikel 18 van die richtlijn niet aansprakelijk worden gesteld voor het betalen van het verschil tussen het door een regionale overheid toegepaste belastingniveau en het nationale niveau, tenzij die persoon heeft deelgenomen aan de onregelmatigheid of de overtreding. 3. Portugal kan op in het autonome gebied der Azoren en het autonome gebied Madeira verbruikte energieproducten en elektriciteit lagere niveaus van algemene energieverbruiksbelasting toepassen dan de bij deze richtlijn vastgestelde minimumbelastingniveaus, als compensatie voor de vervoerskosten die uit het insulaire karakter en de geografische versnippering van deze gebieden voortvloeien. 4. Griekenland kan op gasolie gebruikt voor voortbeweging en op benzine die worden verbruikt in de departementen Lesbos, Chios, Samos, de Dodekanesos en de Cycladen, alsmede op de volgende eilanden in de Egeïsche Zee: Thassos, de noordelijke Sporaden, Samothraki en Skiros, niveaus van algemene energieverbruiksbelasting toepassen die tot 0,6 EUR per GJ lager zijn dan de bij deze richtlijn vastgestelde minimumtarieven. 5. Bulgarije, Tsjechië, Estland, Letland, Litouwen, Hongarije, Polen, Roemenië en Slowakije mogen, voor gebruik waarvan sprake in de artikelen 8 en 9, een overgangstermijn tot 1 januari 2021 toepassen om CO2-gerelateerde belasting in te voeren. Indien de Unie beslist dat de niveaus van broeikasgasemissies tegen 2020 met meer dan 20% worden verminderd ten opzichte van de in 1990 bereikte niveaus, onderzoekt de Commissie de toepassing van deze overgangstermijnen en dient zij in voorkomend geval een voorstel in met het oog op de verkorting ervan en/of de wijziging van de minimumniveaus van CO2-gerelateerde belasting zoals beschreven in bijlage I." 66. De artikelen 18 bis en 18 ter worden geschrapt. 67. Artikel 20 wordt vervangen door: "Artikel 20 1. Alleen de volgende energieproducten zijn onderworpen aan de bepalingen van de hoofdstukken III en IV van Richtlijn 2008/118/EG: a) producten van de GN-codes 1507 tot en met 1518, indien deze zijn bestemd om als verwarmings- of motorbrandstof te worden gebruikt; b) producten van de GN-codes 2707 10, 2707 20, 2707 30 en 2707 50; c) producten van de GN-codes 2710 11 tot en met 2710 19 69. Voor producten van de GN-codes 2710 11 21, 2710 11 25 en 2710 19 29 zijn echter de hoofdstukken III en IV van Richtlijn 2008/118/EG uitsluitend van toepassing op commercieel bulkverkeer; d) producten van GN-code 2711 (met uitzondering van 2711 11, 2711 21 en 2711 29); e) producten van GN-code 2901 10; f) producten van de GN-codes 2902 20, 2902 30, 2902 41, 2902 42, 2902 43 en 2902 44; g) producten van GN-code 2905 11 00 die niet van synthetische oorsprong zijn, indien deze zijn bestemd voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof; h) producten van de GN-codes 2909 19 10 en 3824 90 91; i) producten van de GN-codes 2207, 2208 90 91 en 2208 90 99 indien deze bestemd zijn voor gebruik als verwarmings- of motorbrandstof en indien zij gedenatureerd zijn overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 92/83/EG; j) producten van de GN-codes 2909 19 90, 3823 19 90 en 3824 90 97, indien deze bestemd zijn om als verwarmingsbrandstof of motorbrandstof te worden gebruikt; k) producten van GN-code 3811. 2. De lidstaten kunnen uit hoofde van bilaterale overeenkomsten voor sommige of alle in lid 1 van dit artikel bedoelde producten sommige of alle bepalingen van de hoofdstukken III en IV van Richtlijn 2008/118/EG buiten toepassing laten, voor zover deze producten niet onder de artikelen 7, 8 en 9 van deze richtlijn vallen. Dergelijke overeenkomsten hebben geen gevolgen voor de lidstaten die er geen partij bij zijn. Al deze bilaterale overeenkomsten worden gemeld aan de Commissie, die de andere lidstaten op de hoogte stelt." 68. Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd: a) in lid 1 wordt "Richtlijn 92/12/EEG" vervangen door "Richtlijn 2008/118/EG"; b) lid 2 wordt geschrapt; c) in de eerste en vierde alinea van lid 5 wordt "Voor de toepassing van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 92/12/EEG" vervangen door "Voor de toepassing van de artikelen 2 en 7 van Richtlijn 2008/118/EG". 69. In artikel 24 wordt lid 2 vervangen door: "2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder 'normale reservoirs': - de door de fabrikant of door een derde blijvend in of aan een motorvoertuig aangebrachte reservoirs die volgens de registratiedocumenten of het keuringbewijs van het voertuig aan de toepasselijke technische en veiligheidseisen voldoen en waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt, zowel voor de voortbeweging van het voertuig als, in voorkomend geval, de werking van koelsystemen en andere systemen tijdens het vervoer. Als normale reservoirs gelden ook gasreservoirs die zijn aangepast voor gebruik in voertuigen en die het rechtstreeks verbruik van gas als brandstof mogelijk maken, alsmede de reservoirs die zijn aangesloten op andere systemen waarmee die voertuigen eventueel zijn uitgerust; - de door de fabrikant of een derde blijvend in of aan een container voor speciale doeleinden aangebrachte reservoirs die volgens de registratiedocumenten van de container aan de toepasselijke technische en veiligheidseisen voldoen en waarvan de blijvende inrichting het rechtstreeks verbruik van brandstof mogelijk maakt voor de werking tijdens het vervoer van koelsystemen en andere systemen waarmee containers voor speciale doeleinden zijn uitgerust. Onder 'container voor speciale doeleinden' wordt verstaan elke container die is uitgerust met aangepaste koelsystemen, systemen voor zuurstoftoevoer, thermische isolatiesystemen of andere systemen." 70. Artikel 27 wordt vervangen door: " Artikel 27 Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie 1. De bevoegdheid tot vaststelling van de in artikel 2, lid 5, bedoelde gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend voor onbepaalde tijd. 2. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, stelt zij de Raad daarvan in kennis. 3. De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend onder de in de artikelen 27 bis en 27 ter gestelde voorwaarden." 71. De volgende artikelen 27 bis, 27 ter en 27 quater worden ingevoegd: "Artikel 27 bis Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie 1. De in artikel 2, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door de Raad worden ingetrokken. 2. Voor zover de Raad een interne procedure over een besluit tot intrekking van de bevoegdheidsdelegatie is begonnen, streeft hij ernaar de Commissie binnen een redelijke termijn voordat het definitieve besluit wordt genomen, hiervan op de hoogte te brengen onder vermelding van de gedelegeerde bevoegdheden die mogelijk worden ingetrokken en de eventuele redenen daarvoor. 3. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheden die in het besluit worden vermeld. Het besluit treedt onmiddellijk in werking of op een latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het laat de geldigheid van de reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. Het wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie . Artikel 27 ter Bezwaar tegen gedelegeerde handelingen 1. De Raad kan binnen een termijn van [drie] maanden na de datum van kennisgeving bezwaar maken tegen de gedelegeerde handeling. 2. Indien bij het verstrijken van deze termijn de Raad geen bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, wordt deze bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en treedt zij in werking op de daarin vermelde datum. Indien de Raad de Commissie heeft medegedeeld voornemens te zijn om geen bezwaar te maken, kan de gedelegeerde handeling voor het verstrijken van de termijn worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in werking treden. 3. Indien de Raad bezwaar maakt tegen een gedelegeerde handeling, treedt deze niet in werking. De Raad vermeldt de redenen voor het bezwaar maken tegen de gedelegeerde handeling. Artikel 27 quater Informatie aan het Europees Parlement De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de door haar vastgestelde gedelegeerde handelingen, de mogelijke bezwaren die daartegen worden gemaakt of de intrekking van de bevoegdheidsdelegatie door de Raad." 72. Artikel 29 wordt vervangen door: "Artikel 29 Om de vijf jaar en voor het eerst eind 2015 legt de Commissie aan de Raad een verslag over de toepassing van deze richtlijn en, in voorkomend geval, een voorstel voor de wijziging ervan voor. In het verslag van de Commissie worden onder meer het minimumniveau van CO2-gerelateerde belasting, het effect van innovatie en de technologische ontwikkelingen, met name ten aanzien van energie-efficiëntie, het gebruik van elektriciteit in het vervoer en de rechtvaardiging voor de vrijstellingen en verlagingen die in deze richtlijn zijn neergelegd, waaronder voor brandstof die voor de lucht- en zeevaart wordt gebruikt, onderzocht. In het verslag wordt rekening gehouden met de goede werking van de interne markt, de reële waarde van de minimumniveaus van belasting en de bredere doelstellingen van het Verdrag. In ieder geval zal de lijst van bedrijfstakken of deeltakken die worden geacht te zijn blootgesteld aan een significant CO2-weglekrisico voor de toepassing van artikel 14 bis van deze richtlijn regelmatig worden getoetst, met name rekening houdend met de beschikbaarheid van bekend wordend bewijs." 73. Bijlage I wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn. 74. De bijlagen II en III worden geschrapt. Artikel 2 1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 december 2012 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn. Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 januari 2013. Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. 2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. Artikel 3 Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie . Artikel 4 Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten. Gedaan te Brussel, Voor de Raad De voorzitter BIJLAGE "BIJLAGE I A. – Vanaf 1 januari 2013 op motorbrandstoffen toepasselijke minimumbelastingniveaus voor de toepassing van artikel 7 CO2-gerelateerde belasting | Algemene energieverbruiksbelasting | Algemene energieverbruiksbelasting | Algemene energieverbruiksbelasting | 1 januari 2013 | 1 januari 2013 | 1 januari 2015 | 1 januari 2018 | Benzine GN-codes 2710 11 31, 2710 11 41, 2710 11 45, 2710 11 49, 2710 11 51 en 2710 11 59 | 20 euro/t CO2 | 9,6 euro/GJ | 9,6 euro/GJ | 9,6 euro/GJ | Gasolie GN-codes 2710 19 41 tot en met 2710 19 49 | 20 euro/t CO2 | 8,2 euro/GJ | 8,8 euro/GJ | 9,6 euro/GJ | Kerosine GN-codes 2710 19 21 en 2710 19 25 | 20 euro/t CO2 | 8,6 euro/GJ | 9,2 euro/GJ | 9,6 euro/GJ | Lpg GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00 | 20 euro/t CO2 | 1,5 euro/GJ | 5,5 euro/GJ | 9,6 euro/GJ | Aardgas GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00 | 20 euro/t CO2 | 1,5 euro/GJ | 5,5 euro/GJ | 9,6 euro/GJ | B. – Minimumbelastingniveaus die vanaf 1 januari 2013 toepasselijk zijn op motorbrandstoffen welke voor de in artikel 8, lid 2, genoemde doeleinden worden gebruikt CO2-gerelateerde belasting | Algemene energieverbruiksbelasting | Gasolie GN-codes 2710 19 41 tot en met 2710 19 49 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Kerosine GN-codes 2710 19 21 en 2710 19 25 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Lpg GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Aardgas GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | C. – Vanaf 1 januari 2013 op verwarmingsbrandstoffen toepasselijke minimumbelastingniveaus CO2-gerelateerde belasting | Algemene energieverbruiksbelasting | Gasolie GN-codes 2710 19 41 tot en met 2710 19 49 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Zware stookolie GN-codes 2710 19 61 tot en met 2710 19 69 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Kerosine GN-codes 2710 19 21 en 2710 19 25 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Lpg GN-codes 2711 12 11 tot en met 2711 19 00 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Aardgas GN-codes 2711 11 00 en 2711 21 00 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | Kolen en cokes GN-codes 2701, 2702 en 2704 | 20 euro/t CO2 | 0,15 euro/GJ | D. – Vanaf 1 januari 2013 op elektriciteit toepasselijke minimumbelastingniveaus CO2-gerelateerde belasting | Algemene energieverbruiksbelasting | Elektriciteit GN-code 2716 | 0,15 euro/GJ" | FINANCIEEL MEMORANDUM VOOR VOORSTELLEN KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF Benaming van het voorstel/initiatief Toetsing van Richtlijn 2003/96/EG Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur[22] 14 05 Belastingbeleid Aard van het voorstel/initiatief X Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie ( Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie[23] ( Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie ( Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie Doelstellingen De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie Duurzame groei – voor een hulpbronnenefficiënte, groenere en meer concurrerende economie (Europa 2020) Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteiten Specifieke doelstelling nr. 3 Ontwikkelen van nieuwe belastinginitiatieven en -acties om de verwezenlijking van de EU-beleidsdoelstellingen (bijvoorbeeld op het gebied van milieu- en energiebeleid) te ondersteunen Betrokken AMB/ABB-activiteit(en) Titel 14 Belastingen en douane-unie; ABB 05 Belastingbeleid Verwachte resulta(a)t(en) en gevolg(en) Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen. Samenhang van de energiebelastingrichtlijn met de prioriteiten van de Europa 2020-strategie en samenhang met de regeling voor de emissiehandel (ETS) Schrappen van milieuonvriendelijke prikkels in de huidige richtlijn; keuze voor positieve prikkels ten voordele van bijvoorbeeld biobrandstoffen. Bijdrage aan de vermindering van CO2-emissies, de verhoging van de werkgelegenheid en de economische groei. Consistente behandeling van energiebronnen in de energiebelastingrichtlijn en derhalve het gelijkleggen van de lat voor de verschillende energieverbruikers. Resultaat- en effectindicatoren Vermeld de indicatoren aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is uitgevoerd. CO2-prijssignaal voor sectoren die buiten de regeling voor de emissiehandel (ETS) vallen. Reëel impliciet belastingtarief inzake energie (IBT inzake energie) Motivering van het voorstel/initiatief Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien De EU heeft voor zichzelf een reeks veeleisende, juridisch bindende klimaatveranderings- en energiestreefcijfers vastgesteld die tegen 2020 moeten worden bereikt. Deze worden in het kader van de Europa 2020-strategie ingevuld als de prioriteit geven aan duurzame groei en een hulpbronnenefficiëntere, groenere en meer concurrerende economie. Toegevoegde waarde van de deelname van de EU Klimaatverandering en energie zijn vraagstukken van Europese omvang. Gecoördineerde actie is essentieel om de op deze gebieden gemeenschappelijk vastgestelde doelen te bereiken. Ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan n.v.t. Samenhang en eventuele synergie met andere relevante instrumenten Het voorstel stelt een kader in voor het gebruik van CO2-belasting op gebieden waar de EU ETS niet van toepassing is, ter aanvulling van het door de ETS ingestelde koolstofprijssignaal. Overlappingen tussen beide instrumenten worden vermeden om voor consistentie met de EU ETS te zorgen en op kosteneffectieve wijze verliezen te voorkomen. Het voorstel draagt bij tot het verwezenlijken van de Europa 2020-strategie. Met name stelt het de lidstaten in staat tot optimalisatie van het potentieel van het belastingstelsel voor het bevorderen van duurzame economische groei, het stimuleren van werkgelegenheid en investeringen en het bijdragen tot het voldoen aan bredere sociale en milieudoelstellingen. Duur van de actie en van de financiële gevolgen Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de EU. ( Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur - ( Voorstel/initiatief is van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ - ( Financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ ( Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur - Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ, - gevolgd door een volledige uitvoering. Beheersvorm(en)[24] Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de EU. ( Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie ( Indirect gecentraliseerd beheer door uitvoeringstaken te delegeren aan: - ( uitvoerende agentschappen - ( door de Gemeenschappen opgerichte organen[25] - ( nationale publiekrechtelijke organen of organen met een openbaredienstverleningstaak - ( personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd en die worden genoemd in het betrokken basisbesluit in de zin van artikel 49 van het Financieel Reglement ( Gedeeld beheer met lidstaten ( Gedecentraliseerd beheer met derde landen ( Gezamenlijk beheer met internationale organisaties (geef aan welke) Verstrek, indien meer dan één beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder "Opmerkingen". Opmerkingen BEHEERSMAATREGELEN Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de EU-begroting. Regels inzake het toezicht en de verslagen Vermeld frequentie en voorwaarden. Beheers- en controlesysteem Geconstateerde risico's Controlemiddel(en Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen. GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de EU.[pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic][pic] [1] PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51. [2] SEC(2008) 85 vol. II, blz. 51 en volgende. [3] Richtl3[pic]n 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de ijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32). [4] Europese Raad van 13-14 maart 2008, conclusies van het voorzitterschap (7652/1/08 rev.1, 20.5.2008). [5] Groenboek over marktconforme instrumenten voor milieu- en gerelateerde beleidsdoelstellingen (COM(2007) 140 van 28.3. 2007). [6] Beschikking 2007/589/EG van de Commissie van 18 juli 2007 tot vaststelling van richtsnoeren voor de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 229 van 31.8.2007, blz. 1). [7] Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad (PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64). [8] Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16). [9] COM(2007) 52 van 13.3.2007. [10] PB L … van …, blz. … [11] PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12. [12] PB C … van …, blz. … [13] PB C … van …, blz. … [14] PB C … van …, blz. … [15] PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51. [16] PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136. [17] PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32. [18] PB L 229 van 31.8.2007, blz. 1. [19] PB L 114 van 27.4.2006, blz. 64. [20] PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16. [21] PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12. [22] ABM: activiteitsgestuurd beheer – ABB: activiteitsgestuurde begroting. [23] Zoals bedoeld in artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel Reglement. [24] Nadere informatie over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement zijn te vinden op de website BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html [25] In de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement.