Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001PC0592

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

/* COM/2001/0592 def. - COD 2000/0325 */

PB C 362E van 18.12.2001, pp. 255–362 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52001PC0592

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) /* COM/2001/0592 def. - COD 2000/0325 */

Publicatieblad Nr. 362 E van 18/12/2001 blz. 0255 - 0362


Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

1. Tijdens de plenaire zitting van 14 juni 2001 heeft het Europees Parlement onder voorbehoud van een aantal amendementen zijn goedkeuring gehecht aan het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer. Het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's hebben eveneens positief gereageerd op dit wetgevingsvoorstel.

Het Europees Parlement gaat akkoord met de hoofdlijnen van het voorstel van de Commissie.

Door het Europees Parlement zijn verscheidene amendementen voorgesteld. Op basis van deze amendementen stelt de Commissie voor een aantal nieuwe elementen in de oorspronkelijke tekst op te nemen.

2. De Commissie is bereid de suggesties en amendementen over te nemen die gericht zijn op verbetering en verduidelijking van de huidige tekst van het voorstel. De Commissie erkent met name de meerwaarde van de amendementen waarbij verbeteringen worden voorgesteld van bepaalde onderdelen van de richtlijn:

* Uitbreiding van de verplichting voor schepen die een haven van een lidstaat aandoen of onder de vlag van een lidstaat varen om deel te nemen aan verkeersbegeleidingsdiensten waarvan het bevoegdheidsgebied verder reikt dan dat van het betrokken land.

* De eis dat de apparatuur en walinstallaties waarmee de uit hoofde van de richtlijn vereiste informatie wordt behandeld, in staat is deze informatie door te geven aan andere kustwachtcentra in de diverse lidstaten.

* De verplichting dat schepen moeten zijn voorzien van een black-box (reisdatarecorder) wordt aangevuld met de verplichting om bij het onderzoek naar een ongeval op zee gebruik te maken van de gegevens uit de black-box.

* Het idee van een aanbeveling aan alle schepen in een bepaald gebied om de haven niet te verlaten bij uitzonderlijk slechte weersomstandigheden, alsmede de uitbreiding van deze maatregelen in het belang van de veiligheid van de bemanning en de passagiers.

* Uitbreiding van het concept vluchthavens, waar ook andere toevluchtsoorden onder kunnen vallen, en de verplichting voor de lidstaten om de Commissie volgens een bepaald tijdschema in kennis te stellen van plannen op dit gebied.

* Een grondige evaluatie van de uitvoering van de richtlijn, met name om de doelmatigheid van het ingevoerde systeem te beoordelen en zonodig verbeteringen van de richtlijn voor te stellen. De Commissie heeft het door het Parlement voorgestelde tijdschema evenwel gewijzigd, daar de ervaring leert dat tussen de toepassingsdatum van een richtlijn en een dergelijke evaluatie voldoende tijd moet liggen om een volledig inzicht te krijgen in de praktische aspecten van de tenuitvoerlegging. Bovendien worden in de richtlijn verschillende implementatietermijnen genoemd, met name wat betreft het verplicht uitrusten van schepen met AIS- en VDR-systemen (voor de laatste 1 januari 2008). Om rekening te houden met de geleidelijke uitvoering van de richtlijn is een beoordeling in twee fasen noodzakelijk. Omwille van de duidelijkheid heeft de Commissie bovendien de lange en gedetailleerde bepalingen met betrekking tot de beoordeling van de richtlijn ondergebracht in een nieuwe bijlage VI.

De Raad heeft met zijn gemeenschappelijke oriëntatie van 28 juni 2001 een aantal wijzigingen op het voorstel van de Commissie goedgekeurd, die qua doelstelling in dezelfde lijn lagen als die welke het Parlement in eerste lezing heeft voorgesteld. Bij de aanvaarding van de amendementen van het Parlement heeft de Commissie derhalve ook rekening gehouden met soortgelijke wijzigingen die de Raad had voorgesteld, teneinde het bereiken van overeenstemming tussen de instellingen over de voorgestelde richtlijn te vergemakkelijken.

3. De Commissie kan evenwel niet akkoord gaan met een aantal andere door het Parlement voorgestelde wijzigingen van de richtlijn, met name om de volgende redenen:

* Bepaalde amendementen zijn overbodig in de context van de voorgestelde richtlijn:

- de Commissie is het ermee eens dat de kwetsbaarheid van de Oostzee moet worden erkend en dat tot de IMO een verzoek moet worden gericht om dit gebied onder een meldingssysteem te laten vallen; dit moet echter worden bereikt via de in artikel 20, onder c), genoemde uitbreiding van de dekking van het Europese verkeersbegeleidingssysteem;

- het amendement waarbij wordt voorgesteld om gevaarlijke en verontreinigende goederen vervoerende schepen op volle zee te verplichten informatie mee te delen aan kustwachtcentra die een verplicht meldingssysteem gebruiken; dit komt in de nieuwe redactie van het gewijzigde voorstel aan de orde in artikel 5;

- het voorstel inzake de richtsnoeren voor vluchthavens heeft betrekking op een continu proces in de IMO, waarvoor geen speciale bepaling in de richtlijn behoeft te worden opgenomen.

* Sommige amendementen hebben betrekking op bijzonder ingewikkelde kwesties; zoals de vergoeding van de kosten van het opvangen van schepen in nood of de verplichte verzekering voor het aandoen van een haven in noodgevallen. Volgens de Commissie is het prematuur een dergelijke bepaling in de richtlijn op te nemen zonder een zorgvuldige beoordeling van de juridische en praktische implicaties.

* Het beschikbaar stellen van gespecialiseerde uitrusting, zoals krachtige zeesleepboten, in het kader van maatregelen bij slecht weer, en het voorstel om operaties zoals bunkering van schepen in kustwateren te beperken, moeten per geval worden beoordeeld op basis van de behoeften in een specifiek zeegebied en moeten daarom niet als algemene verplichting in de richtlijn worden opgenomen. Ook de verplichting voor lidstaten om vluchthavens uit te rusten met sleepboten en scheepsreparatie-infrastructuur kan niet los worden gezien van de lokale situatie; dit aspect moet door de lidstaten zelf worden behandeld in het kader van de plannen voor het opvangen van schepen in nood.

* De Commissie is van oordeel dat het niet wenselijk is om de volgende wijzigingen in het richtlijnvoorstel aan te brengen:

- het aangeven van de bunkercapaciteit, aangezien dit de bevoegde instanties op het land geen exacte indicatie geeft van de hoeveelheid bunkerolie die werkelijk in het schip aanwezig is;

- de verplichting om een bijgewerkt rapport van de classificeerder te verstrekken aan kustwachtstations die deel uitmaken van een verplicht meldingssysteem is praktisch niet uitvoerbaar; dergelijke informatie zou bij een ongeval praktisch gezien weinig waarde hebben;

- het aangeven van de ijswaardigheid valt niet onder het toepassingsgebied van de voorgestelde richtlijn;

- de wijzigingen die leiden tot een vroegere inwerkingtreding van het verplicht gebruik van automatische identificatiesystemen (AIS) zouden onnodige juridische en praktische complicaties met zich meebrengen. Het in bijlage II van de voorgestelde richtlijn genoemde tijdschema is op internationaal niveau overeengekomen en de Commissie streeft ernaar dit schema uniform toe te passen in de gehele Gemeenschap en uit te breiden tot schepen in het binnenlands verkeer.

4. Over de belangrijke kwestie van het inbouwen van black-boxes (VDR's) in bestaande vrachtschepen (die gebouwd zijn vóór 1 juli 2002) is uitgebreid besproken in het Europees Parlement en in de Raad. De Commissie Regionaal Beleid, Vervoer en Toerisme van het Europees Parlement heeft een amendement aangenomen om de installatie van een eenvoudige versie van de VDR op bestaande vrachtschepen mogelijk te maken, op basis van internationaal overeengekomen specificaties. De Commissie erkent dat de installatie van een vereenvoudigde VDR op dergelijke vaartuigen aanvaardbaar is, als een dergelijk apparaat alle noodzakelijke informatie voor een onderzoek naar een ongeval kan verzamelen en opslaan. De Commissie kan evenwel niet aanvaarden dat deze verplichting geheel afhankelijk zou zijn van een besluit van de IMO, en derhalve heeft zij dit deel van het amendement verworpen (zoals het Europees Parlement in eerste lezing ook heeft gedaan).

Rekening houdend met deze ontwikkelingen in het Europees Parlement en met de gemeenschappelijke oriëntatie die de Raad op de vergadering van 28 juni 2001 is overeengekomen, stelt de Commissie, naast de wijzigingen op de voorgestelde richtlijn die voortvloeien uit de amendementen van het Parlement, een wijziging voor van bijlage II, teneinde het uitgangspunt dat alle schepen moeten worden uitgerust met een VDR, zoals beoogd werd met het oorspronkelijke voorstel, in overeenstemming te brengen met de noodzaak om het risico te vermijden dat wordt vooruitgelopen op de goedkeuring van een dergelijke bepaling in het kader van de IMO.

De voorgestelde veranderingen in verband met VDR's bevatten twee hoofdelementen:

- een nieuw lid in artikel 8, waarbij de strekking van de voorgestelde maatregel wordt uitgebreid tot het daadwerkelijk gebruik van de gegevens die met VDR's zijn verzameld. De invoering van een verplichting om de gegevens bij een ongeluk op zee beschikbaar te stellen aan de betrokken lidstaat, en de verplichting voor de lidstaten om gebruik te maken van de verzamelde gegevens bij het onderzoek naar een ongeval en de resultaten van het onderzoek bekend te maken, zullen het effect van de verplichte VDR, zoals de Commissie die in haar oorspronkelijke voorstel heeft voorgesteld, nog aanzienlijk versterken.

- een wijziging van de bepalingen van bijlage II, waarmee recht wordt gedaan aan de belangrijke rol van de IMO bij de goedkeuring van normen inzake het uitrusten van bestaande vrachtschepen met VDR's; hierbij wordt wel aangegeven dat bij ontstentenis van een besluit in het kader van de IMO, alle bestaande vrachtschepen die EU-havens aandoen vanaf de in het oorspronkelijke Commissievoorstel genoemde datums (2007 en 2008), een VDR aan boord moeten hebben.

Overeenkomstig artikel 250, lid 2, wijzigt de Commissie derhalve haar voorstel.

2000/0325 (COD)

Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD betreffende de invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie [1],

[1] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2],

[2] PB C [...] van [...], blz. [...].

Gezien het advies van het Comité van de Regio's [3],

[3] PB C [...] van [...], blz. [...].

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [4],

[4] PB C [...] van [...], blz. [...].

Overwegende hetgeen volgt:

(1) In haar mededeling van 24 februari 1993 betreffende een gemeenschappelijk beleid inzake de veiligheid op zee wordt als een van de doelstellingen die op communautair niveau moet worden bereikt genoemd de invoering van een systeem van verplichte informatie, waardoor de lidstaten snel toegang krijgen tot alle belangrijke informatie over de verplaatsingen van schepen die gevaarlijke en verontreinigende stoffen vervoeren en over de juiste aard van die ladingen.

(2) Bij Richtlijn 93/75/EEG [5] van 13 september 1993 is een systeem ingevoerd dat de bevoegde instanties moet informeren over de schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren naar of vanuit havens in de Gemeenschap, alsmede over incidenten op zee. Volgens artikel 13 van deze richtlijn zal de Commissie met nieuwe voorstellen komen voor de invoering van uitgebreider meldingssystemen voor de Gemeenschap die ook op langs de kusten van de lidstaten varende schepen gericht kunnen zijn.

[5] PB L 247 van 5.10.1993, blz. 19.

(3) In de resolutie van de Raad van 8 juni 1993 [6] betreffende een gemeenschappelijk beleid inzake de veiligheid op zee wordt erkend dat de invoering van een vollediger informatiesysteem een van de voornaamste doelstellingen van het Gemeenschapsbeleid is.

[6] PB C 271 van 7.10.1993, blz. 1

(4) De invoering van een communautair monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer zal bijdragen tot voorkoming van ongevallen en verontreiniging van de zee en tot beperking van de gevolgen daarvan voor het milieu, de economie en de gezondheid van de plaatselijke bevolking. Het efficiënt verloop van het zeeverkeer, en met name een efficiënte afhandeling van de schepen in de havens, hangt ook af van een tijdige aankondiging van de aankomst van die schepen.

(5) Er zijn een aantal systemen van verplichte melding van schepen geïnstalleerd langs de Europese kusten, overeenkomstig de door de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) goedgekeurde desbetreffende voorschriften. Men dient zich ervan te vergewissen dat de op doorvaart zijnde schepen zich houden aan de in het kader van deze systemen geldende meldplicht. De meldingen van deze schepen aan de kustautoriteiten moeten ten minste bepaalde gegevens omvatten, zoals het aantal opvarenden, de lading en de bunkerbrandstof, die boven een bepaalde hoeveelheid een ernstig verontreinigingsrisico kan betekenen.

(6) Er zijn ook zeeverkeersbegeleidings- en routeringssystemen opgezet die een belangrijke rol spelen bij de voorkoming van ongevallen en verontreiniging in bepaalde zeegebieden, die overvol zijn of gevaarlijk voor de scheepvaart. Het is noodzakelijk dat de schepen gebruik maken van de zeeverkeersbegeleidingsdiensten en zich houden aan de regels die gelden voor de door de IMO goedgekeurde routeringssystemen.

(7) Er is grote technologische vooruitgang geboekt op het gebied van boordapparatuur die automatische identificatie van schepen (AIS-systemen) met het oog op een betere monitoring mogelijk maakt, alsmede de registratie van reisgegevens (VDR-systemen of "black boxes") om het onderzoek na ongevallen of bijna-ongevallen te vergemakkelijken. In verband met het belang daarvan in het kader van de ontwikkeling van een beleid ter voorkoming van ongevallen op zee moet de aanwezigheid van deze apparatuur aan boord van schepen, die op nationale en internationale reizen havens in de Gemeenschap aandoen, verplicht worden gesteld.

(8) AIS- en reisdatarecordersystemen aan boord zijn op zich niet voldoende om ongevallen te voorkomen; het opleidingsniveau en de bekwaamheid van het personeel aan boord van een schip is van even groot belang. De lidstaten moeten er bovendien voor zorgen dat het personeel aan wal, met name de verkeersbegeleidingsdiensten, kustwachtcentra en reddingsdiensten voldoende bemand zijn en behoorlijk opgeleid.

(9) Nauwkeurige kennis van de gevaarlijke of verontreinigende goederen die zich aan boord van schepen bevinden en van andere relevante veiligheidsgerelateerde informatie, zoals gegevens in verband met incidenten op zee, zijn van essentieel belang voor de voorbereiding en doeltreffendheid van acties in geval van vervuiling of kans op vervuiling van de zee. De schepen die op weg zijn naar of afkomstig zijn uit de lidstaten moeten deze informatie verstrekken aan de bevoegde instanties of de havenautoriteiten in die lidstaten. Schepen die geen haven in de Gemeenschap aandoen moeten informatie over de hoeveelheid en het soort gevaarlijke goederen die zij vervoeren alsmede andere veiligheidsgerelateerde informatie toesturen aan de meldingssystemen die door de kustautoriteiten van de lidstaten worden gebruikt.

(10) (9) Om de soms grote hoeveelheden informatie met betrekking tot de lading gemakkelijker te kunnen versturen en benutten moet zij in elektronische vorm aan de bevoegde instantie of de betrokken havenautoriteit worden verstrekt. Wanneer de EDI-protocollen worden gebruikt, dienen alleen maar de in de richtlijn vermelde formaten te worden gebruikt, om ongewenste verspreiding van incompatibele standaards te voorkomen. Om dezelfde redenen moet de informatie-uitwisseling tussen de bevoegde instanties van de lidstaten in elektronische vorm gebeuren.

(11) (10) De lijndiensten tussen havens van een lidstaat of van meerdere lidstaten moeten kunnen worden vrijgesteld van de verplichting van melding bij iedere reis, wanneer de betrokken maatschappijen naar tevredenheid van de lidstaten interne procedures hebben ingevoerd waardoor het zonder vertraging doorgeven van de door de richtlijn voorgeschreven informatie gewaarborgd is.

(12) Wanneer een lidstaat van oordeel is dat in het geval van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee bepaalde schepen een ernstig risico betekenen voor het milieu of het leven en de veiligheid van bemanning en passagiers, kan hij de nodige maatregelen nemen, met inbegrip van een uitvaarverbod, om te verhinderen dat dergelijke schepen uitvaren, totdat de toestand weer normaal is. Voorts kunnen lidstaten schepen in het betrokken gebied aanbevelen niet uit te varen. In het kader van zijn beoordelingsbevoegdheid moet de lidstaat ervan uitgaan dat er sprake is van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee, wanneer in het betrokken gebied windkracht 10 op de schaal van Beaufort met bijbehorende toestand van de zee zijn vastgesteld.

(13) Bepaalde schepen vormen door hun gedrag of de staat waarin zij verkeren een potentieel gevaar voor de veiligheid van de scheepvaart en het milieu. De lidstaten moeten deze schepen bijzonder scherp in het oog houden, passende maatregelen nemen overeenkomstig het internationaal recht om een verdere verhoging van die risico's te voorkomen, en de relevante informatie die zij over schepen hebben doorsturen naar de overige betrokken lidstaten.

(14) De lidstaten moeten zich wapenen tegen de risico's voor de veiligheid op zee, de plaatselijke bevolking en het mariene en kustmilieu die het gevolg kunnen zijn van bepaalde situaties op zee en de aanwezigheid van in zee drijvende vlekken verontreinigende stoffen of stukgoederen. Daarom moeten de kapiteins van schepen de kustautoriteiten deze voorvallen melden en daarbij alle passende informatie verstrekken.

(15) Bij een incident of ongeval op zee, draagt een volledige samenwerking tussen de bij het transport betrokken partijen aanzienlijk bij tot de doeltreffendheid van het optreden van de bevoegde instanties.

(16) Indien er bij een ongeval op zee geen vluchthavens, beschutte zones of ankerplaatsen beschikbaar zijn, kan dit ernstige gevolgen hebben. Derhalve moeten de lidstaten plannen opstellen om in nood verkerende schepen onder zo goed mogelijke omstandigheden in hun havens of een andere beschutte plaats langs de kust te ontvangen, indien de situatie dit vereist.

(17) De doeltreffendheid van de richtlijn is sterk afhankelijk van een strenge controle door de lidstaten op de uitvoering daarvan. Daarom moeten de lidstaten zich door middel van passende controles vergewissen van de bevredigende werking van de in het kader van de richtlijn tot stand gebracht communicatieverbindingen. Er moeten ook sancties met een afschrikwekkend effect worden ingesteld om ervoor te zorgen dat aan de in de richtlijn voorziene plicht om zich te melden of om bepaalde apparatuur aan boord te hebben door de betrokken partijen wordt voldaan.

(18) Er moet een kader worden geschapen voor samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie om de tenuitvoerlegging van het monitoring-, controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer te verbeteren, middels ontwikkeling van goede communicatieverbindingen tussen de autoriteiten en de havens van de lidstaten. Voorts moet de dekking van het systeem voor identificatie en monitoring van schepen worden aangevuld in die zeegebieden van de Gemeenschap waar die nog onvoldoende is. Bovendien moeten informatiebeheercentra worden opgericht in de zeegebieden van de Gemeenschap om de uitwisseling of het delen van relevante gegevens met betrekking tot de monitoring van het verkeer en de uitvoering van de richtlijn te vergemakkelijken. De verwezenlijking van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart als voorzien in Verordening ../../EG zal bijdragen tot de realisering van deze doelstellingen.

(19) Met het oog op de doeltreffende toepassing van deze richtlijn is ondersteuning van de Commissie door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten noodzakelijk. Aangezien de voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn benodigde maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [7], dienen deze maatregelen te worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure van artikel 5 van genoemd besluit.

[7] PB L 184 van 17.1999, blz. 23.

(20) . Rekening houdend met de ontwikkeling van de internationale instrumenten en de bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn opgedane ervaring, kan het nodig zijn om bepaalde bepalingen van deze richtlijn te wijzigen. Deze wijzigingen kunnen ook worden voorgesteld op basis van een gedetailleerd onderzoek naar de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

(21) De bepalingen van Richtlijn 93/75/EEG zijn in deze richtlijn aanmerkelijk aangescherpt, uitgebreid en gewijzigd. Derhalve dient Richtlijn 93/75/EEG te worden afgeschaft.

(22) Gezien het subsidiariteitsbeginsel is een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad het geschikte rechtsmiddel, omdat dit een kader schept voor de verplichte en uniforme toepassing door de lidstaten van in deze richtlijn voorziene plichten en procedures en tegelijkertijd iedere lidstaat vrijlaat in de keuze van de wijze van toepassing die het best past bij zijn nationaal stelsel,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstelling

Doelstelling van deze richtlijn is de instelling in de Gemeenschap van een monitoring-, controle- en informatiesysteem ter verhoging van de veiligheid en efficiency van het zeeverkeer en ter verbetering van de voorkoming van verontreiniging door schepen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is van toepassing op schepen van 300 bruto ton of meer,

2. Onverminderd het bepaalde in lid 1 is deze richtlijn niet van toepassing op:

a) oorlogschepen, hulpoorlogsschepen of andere schepen die aan een lidstaat toebehoren of door hen worden geëxploiteerd en gebruikt voor een niet-commerciële openbare dienst;

b) vissersschepen met een lengte van minder dan 45 meter en plezierboten;

c) bunkerbrandstof minder dan 5.000 ton, scheepsvoorraden en scheepsuitrusting.

Artikel 3 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "exploitanten", de reders of beheerders van het schip;

b) "agent", iedere persoon die opdracht of toestemming heeft om de informatie namens de exploitant van het schip te verstrekken;

c) "scheepsbevrachter", iedere persoon door wie, namens wie of ten behoeve van wie een overeenkomst voor het vervoer van goederen over zee is gesloten met een vervoerder;

d) "maatschappij", de maatschappij als bedoeld in voorschrift 1, paragraaf 2, van hoofdstuk IX van het SOLAS-verdrag ;

e) "schip", ieder zeegaand schip of vaartuig;

f) "gevaarlijke goederen":

- goederen als omschreven in de IMDG-code,

- vloeistoffen als omschreven in hoofdstuk 17 van de IBC-code,

- vloeibaar gas als omschreven in hoofdstuk 19 van de IGC-code,

- vaste stoffen als bedoeld in aanhangsel B van de BC-code.

Inbegrepen zijn ook de goederen voor het vervoer waarvan passende voorwaarden zijn voorgeschreven overeenkomstig paragraaf 1.1.3 van de IBC-code of paragraaf 1.1.6 van de IGC-code.

g) "verontreinigende goederen":

- koolwaterstoffen als omschreven in bijlage I van het MARPOL-verdrag,

- schadelijke vloeistoffen als omschreven in bijlage 2 van het MARPOL-verdrag,

- schadelijke stoffen als omschreven in bijlage 3 van het MARPOL-verdrag;

h) "vervoermiddelen": een voertuig voor goederenvervoer over de weg, een wagon voor goederenvervoer per spoor, een container, een tankwagen, een tankwagon of een mobiele tank.

i) "relevante internationale instrumenten": de volgende instrumenten, zoals die gelden op de datum van aanneming van deze richtlijn :

- "MARPOL": het internationaal verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973 en het bijbehorende protocol van 1978;

- " SOLAS": het internationaal verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, met bijbehorende protocollen en wijzigingen;

- het internationaal verdrag van 1969 inzake het meten van schepen;

- het internationaal verdrag van 1969 inzake het optreden in volle zee bij ongevallen die leiden of kunnen leiden tot verontreiniging met koolwaterstoffen, en het protocol inzake het optreden in volle zee in gevallen van verontreiniging door andere stoffen dan olie;

- "ISM-code": de International Safety Management Code;

- "IMDG-code": de internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee;

- "IBC-code": de internationale IMO-code voor de bouw en de uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren;

- "IGC-code": de internationale IMO-code voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gas in bulk vervoeren;

- "BC-code": de IMO-code met praktische voorschriften voor de veiligheid van het vervoer van lading;

- "INF-code": de IMO-code met veiligheidsvoorschriften voor het vervoer van bestraalde spijtstof, plutonium en hoogradioactief afval in vaten aan boord van schepen;

- "Resolutie A 851 (20) van de IMO», Resolutie 851 (20) van de Internationale Maritieme Organisatie, getiteld: General principles for ship reporting systems and ship reporting requirements, including guidelines for reporting incidents involving dangerous goods, harmful substances and/or marine pollutants »;

j) « adres »: naam en communicatieverbindingen via welke indien nodig contact kan worden gelegd met de exploitant, de agent, de havenautoriteit, de bevoegde instantie of iedere andere gemachtigde persoon of organisatie die beschikt over gedetailleerde gegevens betreffende de lading van het schip.

k) « bevoegde instanties », de instanties en organisaties die door de lidstaten gemachtigd zijn tot ontvangst en terbeschikkingstelling van de uit hoofde van deze richtlijn medegedeelde informatie;

l) « havenautoriteiten », de havenautoriteiten die door de lidstaten gemachtigd zijn tot ontvangst en terbeschikkingstelling van de uit hoofde van deze richtlijn medegedeelde informatie;

m) « kustwachtcentrum» : de zeeverkeersbegeleidingsdienst, de voor een door de IMO goedgekeurd systeem van verplichte melding verantwoordelijke walinstallatie, of de met de coördinatie van zoek- of reddingsoperaties of bestrijding van verontreiniging van de zee belaste organisatie die door de lidstaten uit hoofde van deze richtlijn is aangewezen

n) "vluchtplaats " : een haven, een deel van een haven of een andere veilige aanlegplaats of ankerplaats of enig ander beschut gebied dat door een lidstaat is aangewezen voor het opvangen van schepen in nood.

TITEL I - Signalering en monitoring van schepen in de europese wateren

Artikel 4 Melding voorafgaande aan het binnenlopen van een haven in de Gemeenschap

De lidstaten nemen de nodige maatregelen, opdat de aankomst van ieder schip met een in de Gemeenschap gelegen haven als bestemming bij de havenautoriteit wordt aangekondigd

a) minstens 48 uur voor aankomst, indien de aanleghaven bekend is, of

b) zodra de aanleghaven bekend is, indien deze informatie minder dan 48 uur voor aankomst beschikbaar is, of

c) uiterlijk wanneer het schip de vorige haven verlaat, indien de trajectduur minder dan 48 uur bedraagt.

Artikel 5 Deelname aan systemen van verplichte melding

1. De betrokken lidstaat ziet erop toe en neemt de nodige en passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alle schepen die het gebied binnenvaren van een systeem van verplichte melding dat is goedgekeurd door IMO overeenkomstig reglement 11, hoofdstuk V van SOLAS en dat door een of meer staten, waaronder ten minste één lidstaat, wordt gebruikt, overeenkomstig de toepasselijke richtsnoeren en criteria van de IMO, dat systeem naleven bij het melden van de vereiste informatie, onafhankelijk van de aanvullende informatie die door de lidstaat wordt gevraagd overeenkomstig IMO-resolutie A.851(20).

2. De meldingen van schepen omvatten minstens de in bijlage I-1 bedoelde gegevens.

Artikel 5bis Automatische identificatiesystemen

1. Schepen die een haven in de Gemeenschap aandoen moeten, volgens het in bijlage II-1 aangegeven tijdschema, worden uitgerust met een automatisch identificatiesysteem dat voldoet aan de door de IMO ontwikkelde prestatienormen en in staat is tot verzending van de in bijlage I-2 bedoelde gegevens.

2. De lidstaten zien erop toe dat ze, binnen termijnen die in overeenstemming zijn met het van bijlage II-1 bedoelde tijdschema, de beschikking krijgen over apparatuur en walinstallaties waarmee de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen worden ontvangen en gebruikt.

Artikel 6 Artikel 6 Gebruik van scheepsrouteringssystemen

1. De lidstaten zien erop toe en nemen alle nodige en passende maatregelen om ervoor te zorgen dat alle schepen die het gebied van een verplicht scheepsrouteringssysteem binnenvaren dat door de IMO overeenkomstig reglement 10, hoofdstuk V van SOLAS is goedgekeurd en door een of meer staten, waaronder ten minste één lidstaat, wordt gebruikt, het systeem gebruiken overeenkomstig de toepasselijke richtsnoeren en criteria van de IMO.

2. Wanneer de lidstaten onder eigen verantwoordelijkheid een scheepsrouteringssysteem toepassen dat niet door de IMO is goedgekeurd, houden zij daarbij zoveel mogelijk rekening met de richtsnoeren en criteria van de IMO en maken zij alle nodige informatie voor een veilig en doelmatig gebruik van het scheepsrouteringssysteem bekend.

Artikel 6bis Monitoring van de naleving door schepen van de zeeverkeersbegeleiding

De lidstaten zien erop toe en nemen alle nodige en passende maatregelen om ervoor te zorgen dat:

1. schepen die het dekkingsgebied van een zeeverkeersbegeleidingssysteem (VTS) binnenvaren dat door een of meer staten, waaronder ten minste één lidstaat, binnen hun territoriale wateren en op basis van de richtsnoeren van de IMO wordt gebruikt, deelnemen en zich houden aan de regels van de betrokken VTS.

2. schepen die onder de vlag van een lidstaat varen of schepen die onderweg zijn naar een haven van een lidstaat van de Gemeenschap en die het dekkingsgebied van een dergelijk VTS binnenvaren, dat buiten de territoriale wateren van een lidstaat en op basis van de richtsnoeren van de IMO wordt gebruikt, zich houden aan de regels van het betrokken VTS.

3. schepen die onder de vlag van een derde land varen en niet onderweg zijn naar een haven van een lidstaat van de Gemeenschap en die een VTS-gebied buiten de territoriale wateren van een lidstaat binnenvaren, houden zich waar mogelijk aan de regels van dat VTS. Lidstaten melden aan de betrokken vlaggenstaat elke duidelijke ernstige schending van deze regels in een dergelijk VTS-gebied.

Artikel 7

Infrastructuur voor meldingssystemen voor schepen, scheepsrouteringssystemen en zeeverkeersbegeleidingssysteem

1. De lidstaten nemen alle nodige en passende maatregelen om ervoor te zorgen dat ze geleidelijk en binnen termijnen die in overeenstemming zijn met het van bijlage II-1 bedoelde tijdschema de beschikking krijgen over apparatuur en walinstallaties waarmee de AIS-gegevens kunnen worden ontvangen en gebruikt, rekening houdend met een voldoende groot bereik voor het doorzenden van de meldingen.

2. Het opzetten van de nodige apparatuur en walinstallaties voor de uitvoering van deze richtlijn moet eind 2007 zijn voltooid. De lidstaten zien erop toe dat de apparatuur voor het doorsturen en de uitwisselen van de informatie naar en tussen de nationale systemen uiterlijk een jaar daarna operationeel is.

Artikel 8 Reisdatarecorders (black boxes)

1. Schepen die een in de Gemeenschap gelegen haven binnenlopen moeten van een reisdatarecorder (black box) voorzien worden overeenkomstig de bepalingen van bijlage II£2. De eventueel aan ro£ro£schepen of hogesnelheidspassagiersvaartuigen op grond van artikel 4, lid 1, onder d) van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad [8] verleende ontheffingen eindigen bij de inwerkingtreding van deze richtlijn.

[8] PB L 138 van 1.6.1999, blz. 1.

Met een reisdatarecorder moeten de relevante gegevens over positie, bewegingen, fysieke toestand, besturing en regeling van het betreffende schip veilig kunnen worden bewaard en gebruikt, en bij een onderzoek naar een ongeval op zee ter beschikking worden gesteld van de betrokken lidstaat.

2. In het geval van een onderzoek naar een ongeval op zee in een gebied dat onder de rechtsmacht van een lidstaat staat, worden de overeenkomstig lid 1 verzamelde gegevens beschikbaar gesteld aan de betrokken lidstaat. De lidstaten zien erop toe dat deze gegevens worden gebruikt bij het onderzoek en worden geanalyseerd in samenhang met de relevante onderzoekstatistieken. De lidstaten zorgen ervoor dat de resultaten van het onderzoek zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek worden gepubliceerd.

Titel II - Mededeling welke gevaarlijke of verontreinigende goederen zich aan boord van schepen bevinden(Hazmat)

Artikel 9 Plichten van de scheepsbevrachter

Gevaarlijke of verontreinigende goederen mogen slechts worden aangeboden voor vervoer of aan boord worden genomen van een schip in een haven van een lidstaat, wanneer aan de kapitein of de exploitant een aangifte is verstrekt met de correcte technische benamingen van de gevaarlijke of verontreinigende goederen, eventueel van de VN-nummers, de gevarenklasse en de hoeveelheden van die goederen en wanneer zij in andere containers dan tanks worden vervoerd de identificatienummers daarvan.

De scheepsbevrachter dient de bij deze richtlijn voorgeschreven aangifte te verstrekken aan de kapitein of de exploitant en ervoor te zorgen dat de voor vervoer aangeboden vracht werkelijk die is welke overeenkomstig de eerste alinea is aangegeven.

Artikel 10

Mededeling door de schepen die gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoeren

1. De agent of de kapitein van een gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoerend schip dat een in een lidstaat gelegen haven verlaat deelt ten laatste op het moment van afvaart van het schip de in bijlage III bedoelde gegevens mee aan de door die lidstaat aangewezen bevoegde instantie.

2 De exploitant, agent of kapitein van een gevaarlijke of verontreinigende goederen vervoerend schip dat van een buiten de Gemeenschap gelegen haven komt en op weg is naar een in de Gemeenschap gelegen haven of naar een ankerplaats in de territoriale wateren van een lidstaat deelt uiterlijk bij de afvaart uit de haven van bevrachting of zodra de haven of ankerplaat van bestemming bekend is, indien deze informatie op het moment van de afvaart nog niet beschikbaar is, de in bijlage III bedoelde gegevens mede aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de eerste haven of ankerplaats van bestemming is gelegen.

3. De lidstaten mogen een procedure invoeren volgens welke de exploitant, de agent of de kapitein van het schip als bedoeld in de voorgaande leden de in bijlage III genoemde gegevens mag mededelen aan de havenautoriteit van de haven van vertrek of bestemming in de Gemeenschap, naar gelang van het geval.

Door invoering van deze procedure moet worden gewaarborgd dat de bevoegde instantie op ieder gewenst moment toegang heeft tot de in bijlage III bedoelde gegevens. Daarom bewaart de bevoegde havenautoriteit de gegevens als bedoeld in bijlage III gedurende voldoende lange tijd, zodat ze in geval van een ongeval of incident op zee gebruikt kunnen worden. De havenautoriteit neemt de nodige maatregelen om 24 uur per dag genoemde gegevens zonder vertraging in elektronische vorm aan de bevoegde instantie te kunnen verstrekken, indien deze dit vraagt.

4. De exploitant, de agent of de kapitein van het schip moet de in punt 5 van bijlage III bedoelde gegevens met betrekking tot de lading in elektronische vorm aan de havenautoriteit of de bevoegde instantie verstrekken. Wanneer voor de datatransmissie EDI-berichten worden gebruikt, moeten de in bijlage IV bedoelde formaten van EDIFACT-berichten worden gebruikt.

Artikel 11 Geïnformatiseerde gegevensuitwisseling tussen de lidstaten

De lidstaten werken samen, ten einde te zorgen voor onderlinge koppeling en interoperabiliteit van de nationale systemen die worden gebruikt voor het beheer van de in bijlage III bedoelde informatie.

De voor de toepassing van de vorige alinea ingevoerde communicatiesystemen moeten de volgende eigenschappen hebben:

- de uitwisseling van gegevens moet in elektronische vorm gebeuren en de ontvangst en verwerking van de overeenkomstig artikel 10 verstuurde berichten mogelijk maken;

- met het systeem moet 24 uur per dag informatie kunnen worden verstuurd;

- iedere lidstaat moet in staat zijn om onverwijld de informatie over het schip en zijn gevaarlijke of verontreinigende lading kunnen verstrekken aan de bevoegde instantie van een andere lidstaat, wanneer die daarom vraagt.

Artikel 12 Vrijstellingen

1. De lidstaten mogen de nationale lijndiensten tussen op hun grondgebied gelegen havens vrijstellen van de verplichting van artikel 10, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

- de maatschappij die de hierboven bedoelde lijndiensten onderhoudt stelt een lijst op van de betrokken schepen en houdt deze bij, en geeft deze door aan de betrokken bevoegde instantie,

- Iedere keer dat het traject wordt afgelegd worden de in bijlage III vermelde gegevens ter beschikking gehouden van de bevoegde instantie, indien deze dit vraagt. De maatschappij moet een intern systeem opzetten dat ervoor zorgt dat genoemde gegevens 24 uur per dag in elektronische vorm overeenkomstig artikel 10, lid 2, onmiddellijk nadat hierom is gevraagd aan de bevoegde instantie kunnen worden toegestuurd.

2. De lidstaten controleren regelmatig of aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan. Wanneer aan minstens een van deze voorwaarden niet meer wordt voldaan, trekken de lidstaten de vrijstelling voor de betrokken maatschappij onverwijld in.

3. De lidstaten delen aan de Commissie de lijst van maatschappijen en schepen mede die zijn vrijgesteld op grond van dit artikel, alsmede elke bijwerking van deze lijst.

4. Wanneer twee of meer lidstaten betrokken zijn bij een internationale lijndienst die door eenzelfde maatschappij wordt onderhouden, kunnen zij samenwerken bij de verlening van vrijstelling aan de betrokken maatschappij overeenkomstig de eisen van dit artikel.

TITEL III - monitoring van risicoschepen en optreden bij incidenten en ongevallen op zee

Artikel 13 Schepen die een potentieel gevaar vormen voor de scheepvaart

1. Als een potentieel gevaar voor de scheepvaart of een bedreiging voor het milieu in de zin van deze richtlijn worden beschouwd de schepen waarop onderstaande criteria van toepassing zijn :

- schepen die het slachtoffer zijn van ongevallen of incidenten op zee als bedoeld in artikel 14;

- schepen die in gebreke zijn gebleven ten aanzien van de door deze richtlijn voorgeschreven verplichte mededelingen;

- schepen die de regels van de routeringsystemen en de onder de verantwoordelijkheid van een lidstaat vallende verkeersbegeleidingsystemen hebben overtreden;

- schepen waartegen bewijzen of sterke vermoedens bestaan van moedwillige lozing van olie of andere inbreuken op het Marpol-verdrag in de wateren onder de jurisdictie van een lidstaat;

- schepen waaraan de toegang tot de havens van de Gemeenschap is geweigerd of waarover een rapport is uitgebracht of een melding van een lidstaat is verricht overeenkomstig bijlage I-1 van Richtlijn 95/21/EG.

2. Kustwachtcentra die beschikken over relevante informatie met betrekking tot de in lid 1 bedoelde schepen delen deze mede aan de betrokken kustwachtcentra van de overige lidstaten langs de door het schip te volgen route.

3. Onverminderd artikel 15, nemen de lidstaten, in overeenstemming met het internationaal recht, passende maatregelen tegen de in lid 1 bedoelde schepen die zij geïdentificeerd hebben of gesignaleerd zijn door andere lidstaten, ter voorkoming of beperking van gevaar voor de veiligheid of het milieu op zee. Zij verrichten, onder met Richtlijn 95/21/EG verenigbare voorwaarden, iedere controle of ondernemen iedere actie die zij passend achten om vast te stellen of er sprake is van schendingen van de bepalingen van deze richtlijn of de desbetreffende regels van de geldende internationale verdragen. Eventueel informeren zij de lidstaat die hen informatie krachtens lid 2 heeft verstrekt van de resultaten van de ondernomen actie.

Artikel 14 Signalering van incidenten en ongevallen op zee

1. Om voorkoming of beperking van ieder groot risico voor de veiligheid op zee en de veiligheid van personen of milieu mogelijk te maken is de kapitein van ieder schip dat vaart in de territoriale wateren, de exclusieve economische zone of in volle zee voor de kust van een lidstaat verplicht tot onmiddellijke melding aan het geografisch bevoegde kustwachtcentrum van :

- ieder incident of ongeval dat afbreuk doet aan de veiligheid van het schip, zoals een aanvaring, stranding, averij, een defect of storing, binnenstromend water of schuivende lading, alle gebreken aan de romp of verzwakkingen van de constructie,

- ieder incident of ongeval dat de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengt, zoals gebreken die de manoeuvreerbaarheid of zeewaardigheid van het schip kunnen aantasten, alle gebreken aan het voortstuwingssysteem of de stuurinrichting, de stroomopwekkingsinstallatie, de navigatie- of communicatie apparatuur,

- elke situatie die tot verontreiniging van de wateren en de kust van een lidstaat kan leiden, zoals lozing of de kans op lozing van verontreinigende stoffen in zee, alsmede iedere vlek van verontreinigende stoffen, in zee drijvende containers of stukgoederen die worden waargenomen.

2. Bij de melding krachtens lid 1 worden ten minste de volgende gegevens verstrekt: identiteit van het schip, positie, haven van vertrek, haven van bestemming, het adres waar informatie over de gevaarlijke of verontreinigende goederen aan boord kan worden verkregen, aantal opvarenden, bijzonderheden over het incident en alle relevante informatie als bedoeld in IMO-resolutie A.851(20).

Artikel 15 Maatregelen in geval van uitzonderlijk slecht weer

1. Wanneer een lidstaat in geval van uitzonderlijk slecht weer en ruwe zee van oordeel is dat:

a) een bepaald schip een ernstige bedreiging vormt voor de veiligheid van mensenlevens op zee, of een gevaar vormt wegens dreigende verontreiniging van zijn scheepvaartgebieden of kustzones dan wel de scheepvaartgebieden of kustzones van andere landen, kan hij de nodige maatregelen nemen, met inbegrip van een uitvaarverbod, totdat is vastgesteld dat er geen gevaar meer bestaat voor mensenlevens en/of het milieu;

b) het vertrek van schepen een veiligheids- of verontreinigingsrisico kan vormen, kan hij schepen aanbevelen de havens in de betroken gebieden niet te verlaten.

2. De kapitein stelt de maatschappij in kennis van de nodige maatregelen en aanbevelingen zoals bedoeld in lid 1. Deze aanbevelingen doen evenwel geen afbreuk aan de bevoegdheid van de kapitein om zelf een beslissing te nemen op basis van zijn/haar professionele oordeel, overeenkomstig de bepalingen van SOLAS.

3. De in lid 1 bedoelde maatregelen en aanbevelingen zijn gebaseerd op de toestand van de zee en een weerbericht van een gekwalificeerde en door de lidstaat erkende meteorologische informatiedienst.

Artikel 16 Maatregelen met betrekking tot incidenten of ongevallen op zee

1. In geval van incidenten of ongevallen op zee als bedoeld in artikel 14, nemen de lidstaten, in overeenstemming met het internationaal recht, alle passende maatregelen om de veiligheid op zee, de veiligheid van personen of de bescherming van het mariene en kustmilieu te verzekeren.

Bijlage V geeft een niet-limitatieve opsomming van de maatregelen die de lidstaten kunnen nemen krachtens dit artikel.

2. De exploitant, de kapitein van het schip en de eigenaar van de gevaarlijke en verontreinigende goederen aan boord zijn verplicht om aan de bevoegde nationale instanties, die dit vragen, hun volle medewerking te geven, teneinde de gevolgen van een incident of een ongeval op zee tot een minimum te beperken.

3. De kapitein van een schip waarop de bepalingen van de International Safety Management Code (ISM-Code) van toepassing zijn licht de maatschappij in over ieder ongeval of incident dat zich op zee heeft voorgedaan. Zodra de maatschappij van een dergelijke situatie op de hoogte is gesteld, moet zij contact opnemen met en zich ter beschikking houden van het bevoegde kustwachtcentrum, voorzover dat nodig is.

Artikel 17 Vlucht

Na overleg met de betrokken partijen stellen de lidstaten, rekening houdend met de desbetreffende richtsnoeren van de IMO, plannen op om schepen in nood op te vangen die zich in de onder hun rechtsmacht vallende wateren bevinden. Deze plannen omvatten de nodige regelingen en procedures om er, rekening houdend met de operationele en milieubeperkingen, voor te zorgen dat schepen in nood onverwijld naar een vluchtplaats kunnen gaan als de bevoegde instantie daar toestemming voor heeft gegeven.

De plannen voor opvang van schepen in nood worden op aanvraag ter beschikking gesteld. De lidstaten informeren de Commissie binnen 12 maanden na inwerkingtreding van deze richtlijn over de maatregelen die zij krachtens voorgaande alinea genomen hebben.

Artikel 18 Informering van de betrokken partijen

1. Indien nodig signaleert de bevoegde kustautoriteit van de betrokken lidstaat per radio in de betrokken sectoren ieder overeenkomstig artikel 14, lid 1, gemeld incident en geeft informatie over de aanwezigheid van ieder schip dat een bedreiging vormt voor de scheepvaart.

2 De bevoegde instanties die over de overeenkomstig de artikelen 10 en 14 medegedeelde informatie beschikken nemen passende maatregelen om genoemde informatie te allen tijde te kunnen verstrekken, wanneer de bevoegde instantie van een andere lidstaat daarom om veiligheidsredenen vraagt.

3. Een lidstaat waarvan de bevoegde instanties op grond van deze richtlijn of op een andere wijze in kennis worden gesteld van feiten die een risico of een verhoogd risico voor bepaalde zee- en kustgebieden van een andere lidstaat betekenen, neemt passende maatregelen om iedere betrokken lidstaat hiervan zo spoedig mogelijk in kennis te stellen en hem te raadplegen over de te ondernemen acties. Eventueel werken de lidstaten samen bij de planning van een gemeenschappelijke actie.

Iedere lidstaat neemt de nodige maatregelen om de meldingen waartoe de schepen op grond van artikel 14 verplicht zijn ten volle te benutten.

TITEL IV - Begeleidende maatregelen

Artikel 19 Aanwijzing en bekendmaking van de lijst van bevoegde instanties

1. Iedere lidstaat wijst de bevoegde instanties, de havenautoriteiten en de kustwacht centra aan waaraan de door deze richtlijn voorgeschreven meldingen moeten worden gericht.

2. Iedere lidstaat zorgt dat de maritieme sector op passende wijze, met name door middel van nautische publicaties, wordt geïnformeerd over de op grond van lid 1 aangewezen instanties en centra, eventueel met vermelding van hun geografisch bevoegdheidsgebied, en over de procedures die voor het meedelen van de door de richtlijn voorgeschreven informatie zijn vastgesteld, en werkt deze informatie regelmatig bij.

3. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de lijst van krachtens lid 1 aangewezen instanties en van de bijwerkingen.

Artikel 20 Samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie

1. De lidstaten en de Commissie werken samen bij de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

a) Optimalisering van het gebruik van de uit hoofde van deze richtlijn meegedeelde informatie, met inbegrip van de ontwikkeling van passende telematicaverbindingen tussen de kustwachtcentra en de havenautoriteiten voor de uitwisseling van gegevens met betrekking tot de bewegingen van schepen en hun verwachte aankomst in de havens, alsmede over hun lading.

b) Ontwikkeling van en verhoging van de doeltreffendheid van de telematicaverbindingen tussen de kustwachtcentra van de lidstaten om een beter beeld van het verkeer te krijgen, de schepen op doorvaart langs de Europese kusten beter te kunnen volgen, en om de van de onderweg zijnde schepen geëiste meldingen zoveel mogelijk te harmoniseren en te vereenvoudigen.

c) Uitbreiding van de dekking van het Europese monitoring- controle- en informatiesysteem voor het zeeverkeer, teneinde de identificatie en monitoring van de in Europese wateren varende schepen te verbeteren. Met het oog daarop werken de lidstaten en de Commissie samen bij de invoering van systemen van verplichte melding, verplichte verkeersbegeleiding en, eventueel, passende routeringsystemen voor het verkeer, die ze ter goedkeuring aan de IMO willen voorleggen.

2. Het bij Verordening ../../EG opgerichte Europees Agentschap voor de veiligheid van de zeevaart draagt bij tot verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

- vergemakkelijking van de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie met het oog op de verwezenlijking van de in lid 1 vermelde doelstellingen;

- bevordering van de samenwerking tussen de aan de betrokken zeegebieden grenzende kuststaten op de onder deze richtlijn vallende gebieden;

- verbetering van de voorlichting van de zeevaartsector over de eisen en procedures waarin deze richtlijn voorziet;

- verzamelen en ter beschikking van belangstellenden stellen van de lijst van bevoegde instanties die krachtens artikel 19 zijn aangewezen, relevante gegevens over ondernemingen die krachtens artikel 12 zijn vrijgesteld, schepen die een potentieel gevaar voor de scheepvaart vormen als bedoeld in artikel 13, alsmede alle dienstige informatie met het oog op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn;

- ontwikkeling en gebruik van elk informatiesysteem dat nodig is om onder de bovenstaande streepjes vermelde doelstellingen te bereiken;

- oprichting van regionale centra voor het beheer van de krachtens deze richtlijn verzamelde en gebruikte informatie, met name om ervoor te zorgen dat de verkeersomstandigheden in gebieden met een hoge verkeersdichtheid of gebieden die gevaarlijk zijn voor de scheepvaart, optimaal zijn.

Artikel 21 Vertrouwelijkheid van informatie

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om de vertrouwelijkheid te waarborgen van de informatie die hun krachtens deze richtlijn wordt toegezonden; zij gebruiken deze informatie uitsluitend ten behoeve van de veiligheid op zee en de voorkoming van verontreiniging door schepen.

Artikel 22 Controle op de tenuitvoerlegging van de richtlijn en sancties

1. De lidstaten voeren regelmatige controles en onaangekondigde controles uit om de werking van de ten behoeve van de richtlijn geïnstalleerde telematicasystemen te controleren en met name te controleren of zij geschikt zijn om zonder vertraging 24 uur per dag de krachtens de artikelen 10 en 12 meegedeelde informatie te ontvangen of te verzenden.

2. De lidstaten nemen in hun interne recht geldelijke sancties op tegen exploitanten, agenten, bevrachters, eigenaars van lading en kapiteins van schepen voor het geval de bepalingen van deze richtlijn worden overtreden.

De in de vorige alinea bedoelde geldelijke sancties worden vastgesteld op een niveau dat hoog genoeg is om een ieder ervan te weerhouden een overtreding te begaan dan wel hierin te volharden.

3. Onverminderd andere maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van de richtlijn, moet het stelsel van geldelijke sancties dat door de lidstaten wordt ingesteld, met name van toepassing zijn op de volgende inbreuken op de richtlijn:

- achterwege laten van de voorafgaande melding bij het binnenlopen in een haven als bedoeld in artikel 4;

- achterwege laten van een melding aan een systeem van verplichte melding als bedoeld in artikel 5;

- overtreding van de regels van een routeringssysteem of niet opvolging van de instructies van een door een lidstaat aangewezen verkeersbegeleidingssysteem , als bedoeld in de artikelen 6 en 6 bis;

- ontbreken of slecht functioneren van een automatisch identificatiesysteem aan boord van het schip of van de reisdatarecorder, als bedoeld in artikel 5 bis en artikel 8;

- ontbreken van de verklaring, of een onjuiste verklaring, van de bevrachter, als bedoeld in artikel 9;

- overtreding van de meldingsverplichtingen als bedoeld in de artikelen 10 en 12;

- achterwege laten van de melding van een incident, ongeval of andere situatie op zee als bedoeld in artikel 14;

- uitvaren uit een haven in strijd met artikel 15;

- nalaten samen te werken met de nationale instanties om de gevolgen van een ongeval op zee te minimaliseren, overeenkomstig artikel 16.

4. De lidstaten stellen de vlaggenstaat en elke andere betrokken staat onverwijld in kennis van de maatregelen die zij krachtens de artikelen 13 en 16 en krachtens lid 2 van dit artikel treffen tegen schepen die niet onder hun vlag varen.

5. Wanneer een lidstaat bij een ongeval of een incident op zee als bedoeld in artikel 16 vaststelt dat de maatschappij niet in staat is geweest contact met het schip of de bevoegde operationele instanties op te nemen of te onderhouden, stelt hij de staat die het ISM-certificaat heeft afgegeven of in naam waarvan het ISM-certificaat is afgegeven, daarvan in kennis.

Wanneer de tekortkoming zo ernstig is dat er sprake is van een ernstig gebrek aan conformiteit wat de werking van het veiligheidsbeheersysteem van de maatschappij betreft, trekt de lidstaat die de conformiteitsverklaring of het veiligheidsbeheerscertificaat aan het schip heeft afgegeven, de ISM-certificatie van de betrokken maatschappij onmiddellijk in.

Artikel 22 bis Evaluatie

De Commissie beoordeelt de evaluatie van deze richtlijn overeenkomstig het tijdschema en de bepalingen van bijlage VI.

Slotbepalingen

Artikel 23 Wijzigingsprocedure

De procedure van artikel 24 kan worden gevolgd om:

- in het kader van deze richtlijn wijzigingen toe te passen die van kracht worden in het kader van de relevante nationale instrumenten als vermeld in artikel 2, onder i);

- de in de bijlagen beschreven verplichtingen en procedures te wijzigen op grond van de met deze richtlijn opgedane ervaring.

Artikel 24 Regelgevend comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

3. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn bedraagt drie maanden.

Artikel 25

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 2002 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van de bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 26

Richtlijn 93/75/EEG van de Raad wordt vierentwintig maanden na de vaststelling van deze richtlijn ingetrokken.

Artikel 27

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 28

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op [...]

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Door de in titel I bedoelde schepen meegedeelde informatie

1. Informatie krachtens artikel 5

- A - Identificatie van het schip (naam, roepnaam, IMO-identificatienummer of MMSI-nummer)

- C of D: Positie

- G - Haven van vertrek

- I - Haven van bestemming en verwachte aankomsttijd

- P - Lading en, als er gevaarlijke goederen aan boord zijn, hoeveelheid en IMO-klasse

- W - Totaal aantal opvarenden

- X - Diversen:

- Adres voor het doorgeven van gegevens over de lading

- Kenmerken (zwaar, licht) en geschat volume van de bunkerbrandstof voor schepen die meer dan 5.000 ton bunkerbrandstof meevoeren.

2. Informatie krachtens artikel 5 bis

- Identificatie van het schip (naam, roepnaam, IMO-identificatienummer of MMSI-nummer)

- Scheepstype

- Positie, koers, snelheid en navigatieomstandigheden

- Haven van vertrek, haven van bestemming en verwachte aankomsttijd

- Aanwezigheid van gevaarlijke goederen aan boord: ja/neen

- Zo ja, adres voor het doorgeven van gegevens over de lading.

3. Wanneer veranderingen optreden in de krachtens deze bijlage meegedeelde informatie, stelt de kapitein van het schip de betrokken kustautoriteit daarvan onmiddellijk in kennis.

BIJLAGE II

Voorschriften voor de boorduitrusting

I - Automatische identificatiesystemen (AIS)

1. Schepen gebouwd vóór of na 1 juli 2002

Passagiersschepen, ongeacht hun omvang, en alle op of na 1 juli 2002 gebouwde schepen van 300 bruto ton of meer, die een haven in de Gemeenschap aandoen, moeten aan de uitrustingsplicht als bedoeld in artikel 7 voldoen.

2. Schepen gebouwd vóór 1 juli 2002

Vóór 1 juli 2002 gebouwde schepen, die een haven in de Gemeenschap aandoen, moeten aan de uitrustingsplicht als bedoeld in artikel 7 voldoen volgens onderstaand tijdschema:

- passagiersschepen: uiterlijk 1 juli 2003 ;

- tankschepen: uiterlijk bij de eerste inspectie van de veiligheidsuitrusting na 1 juli 2003;

- andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 50.000 bruto ton of meer: uiterlijk 1 juli 2004;

- andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 10.000 bruto ton of meer, maar minder dan 50.000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2005;

- andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 3.000 bruto ton en meer, maar minder dan 10.000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2006;

- andere schepen dan passagiersschepen en tankschepen van 300 bruto ton of meer, maar minder dan 3.000 bruto ton: uiterlijk 1 juli 2007.

II - Reisdatarecorder ("black box")

Schepen van de onderstaande categorieën moeten wanneer zij een haven van een lidstaat van de Gemeenschap aandoen, zijn uitgerust met een reisdatarecordersysteemdat voldoet aan de prestatienormen van IMO-resolutie A 861(20) en aan de testnormen die zijn neergelegd in norm nr. 61996 van de Internationale Elektrotechnische Commissie (IEC):

- passagiersschepen die zijn gebouwd op of na 1 juli 2002, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn.

- ro-ro-passagiersschepen die zijn gebouwd vòòr 1 juli 2002, uiterlijk op de datum van de eerste inspectie op of na 1 juli 2002;

- andere passagiersschepen dan ro-ro-passagiersschepen die zijn gebouwd vóór 1 juli 2002, uiterlijk op 1 januari 2004,

- andere schepen dan passagiersschepen van 3.000 bruto ton of meer die zijn gebouwd op of na 1 juli 2002, uiterlijk op de datum van inwerkingtreding van de richtlijn.

Schepen van de volgende categorieën die zijn gebouwd vòòr 1 juli 2002 moeten, wanneer zij een haven in een lidstaat van de Gemeenschap aandoen, zijn uitgerust met een reisdatarecordersysteem dat voldoet aan de toepasselijke normen van de IMO:

- vrachtschepen van 20.000 bruto ton of meer, uiterlijk op de door de IMO vastgestelde datum, of, bij ontstentenis van een besluit van de IMO, uiterlijk op 1 januari 2007,

- vrachtschepen van 3.000 bruto ton en meer maar minder dan 20.000 bruto ton, uiterlijk op de door de IMO vastgestelde datum, of, bij ontstentenis van een besluit van de IMO, uiterlijk op 1 januari 2008.

De lidstaten kunnen passagiersschepen die uitsluitend worden gebruikt voor binnenlandse reizen in zeegebieden die niet onder klasse A als bedoeld in artikel 4 van Richtlijn 98/18/EC vallen, vrijstellen van de verplichtingen inzake de reisdatarecorder krachtens deze richtlijn.

BIJLAGE III

Krachtens artikel 10 mee te delen informatie

1 Identificatie van het schip (naam, roepnaam en indien van toepassing IMO-identificatienummer).

2 Haven van bestemming.

3 Tijd van afvaart van een schip dat een haven in een lidstaat verlaat (artikel 10, lid 1).

4 Vermoedelijke aankomsttijd in de haven van bestemming of bij het loodsstation, overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde instantie, en vermoedelijke tijd van afvaart uit die haven (artikel 10, lid 2).

5 Nauwkeurige technische aanduiding van de gevaarlijke of verontreinigende goederen, nummers van de Verenigde Naties (VN) indien van toepassing, IMO-risicoklassen overeenkomstig de IMDG-, IBC- en IGC-code en in voorkomend geval de categorie van het schip volgens de INF-code, de hoeveelheden van de betrokken goederen en hun plaats aan boord en, indien zij worden vervoerd in andere transportmiddelen dan tanks, de identificatienummers daarvan.

6 De bevestiging dat aan boord een lijst, manifest of laadplan aanwezig is waarin de gevaarlijke of verontreinigende goederen aan boord van het schip, alsmede hun plaats, gedetailleerd zijn aangegeven.

7 Adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen.

BIJLAGE IV Elektronische EDIFACT-berichten

De in artikel 10, lid 4, bedoelde EDIFACT-berichten zijn:

- MOTREQ ("Vessel Data Request"): boodschap die wordt verzonden wanneer informatie vereist is over een bepaald schip en de gevaarlijke of verontreinigende goederen aan boord;

- APERAK ("Application Acknowledgement"): boodschap die aangeeft dat gegevens over het betrokken schip beschikbaar zijn en zullen worden verzonden dan wel niet beschikbaar zijn;

- VESDEP ("Vessel Movement Data"): boodschap waarin nadere informatie wordt verstrekt over de reis van het betrokken schip;

- IFTDGN ("Hazardous Cargo Data"): boodschap waarin nadere gegevens worden verstrekt over de aard van de gevaarlijke of verontreinigende lading die wordt vervoerd;

- BAPLIE ("Bayplan"): boodschap die informatie bevat over de plaats van de goederen aan boord van het schip.

BIJLAGE V

Maatregelen die de lidstaten kunnen nemen in geval van risico voor de veiligheid op zee en het milieu (ingevolge artikel 16, lid 1)

Wanneer de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat naar aanleiding van een incident of omstandigheden als beschreven in artikel 14, die gevolgen hebben voor een schip dat tot het toepassingsgebied van deze richtlijn behoort, in het kader van het internationale recht van mening is dat het noodzakelijk is een ernstige en onmiddellijke bedreiging van zijn kust of de daaraan verbonden belangen, de veiligheid van andere schepen en hun bemanningen en passagiers of van personen aan de wal af te wenden, te verminderen of weg te nemen, of om het zeemilieu te beschermen, kan die autoriteit onder andere:

- de bewegingen van het schip beperken of het schip gelasten een bepaalde koers te volgen. Deze eis laat de verantwoordelijkheid van de kapitein voor de veiligheid bij de besturing van het schip onverlet,

- de kapitein van het schip gelasten een einde te maken aan de bedreiging van het milieu of de veiligheid op zee,

- een evaluatieteam op het schip plaatsen om de omvang van het risico vast te stellen, de kapitein bij te staan bij het zoeken naar een oplossing voor de situatie en het bevoegde kustwachtstation daarvan op de hoogte te houden,

- de kapitein gelasten een vluchthaven aan de kust binnen te lopen in geval van onmiddellijk gevaar, of

- gelasten dat het schip wordt geloodst of gesleept.

BIJLAGE VI Evaluatie van de uitvoering van de richtlijn

1. Overeenkomstig artikel 22 bis verstrekken de lidstaten, binnen zes maanden na een schriftelijk verzoek daartoe van de Commissie, aan de Commissie alle nodige gegevens om een adequate evaluatie van de richtlijn mogelijk te maken.

2. Op basis van de in lid 1 bedoelde gegevens brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van de richtlijn, met inbegrip van een evaluatie van het communautaire meldings- en informatiesysteem voor schepen. In het verslag moeten ook mogelijke maatregelen op het niveau van de Gemeenschap, en eventueel ook op internationaal niveau, worden beschreven waarmee het communautaire meldings- en informatiesysteem voor schepen kan worden verbeterd en uitgebreid. In het verslag moet onder andere het volgende worden onderzocht:

- of vooruitgang noodzakelijk of wenselijk is met betrekking tot internationaal toepasselijke normen en specificaties inzake automatische identificatiesystemen als bedoeld in artikel 5 bis, en de implementatie daarvan, meer in het bijzonder wat AIS-informatie en de reikwijdte van deze instrumenten betreft,

- of de lidstaten de nodige apparatuur en walinstallaties hebben geïnstalleerd en daadwerkelijk in staat zijn om informatie uit te wisselen overeenkomstig de richtlijn,

- of de maatregelen van artikel 17 voldoende zijn om schepen in nood te kunnen opvangen in de door de lidstaten aangewezen vluchtplaatsten, of het netwerk van vluchtplaatsen in de Gemeenschap moet worden verbeterd en of er behoefte is aan andere maatregelen om het bestaande systeem aan te vullen of te verbeteren,

- of de relevante bepalingen van de richtlijn op doelmatige wijze zijn toegepast bij incidenten en ongevallen op zee en ertoe hebben bijgedragen dat de betrokken instanties beter konden reageren, en of scheepsexploitanten en -kapiteins zich onder dergelijke omstandigheden aan de voorschriften hebben gehouden om contact en een goede samenwerking met de instanties aan wal en de scheepvaartmaatschappijen tot stand te brengen en te onderhouden.

- of de in de richtlijn genoemde inspecties, controles en sancties in de gehele Gemeenschap op doelmatige en uniforme wijze worden toegepast.

3. De in lid 2 bedoelde evaluatie wordt uitgevoerd volgens onderstaand tijdschema:

(1) Tussentijds verslag :

(a) verstrekking van informatie aan de Commissie door de lidstaten, overeenkomstig lid 1: uiterlijk drie jaar na de in artikel 25 genoemde datum,

(b) tussentijds verslag aan het Europees Parlement en de Raad: uiterlijk zes maanden na ontvangst van de rapportage van de lidstaten als bedoeld onder a).

(2) Volledig verslag :

(a) verstrekking van informatie aan de Commissie door de lidstaten, overeenkomstig lid 1: uiterlijk op 31 december 2009,

(b) volledig verslag aan het Europees Parlement en de Raad, eventueel vergezeld van het ontwerp van te nemen maatregelen: uiterlijk op 1 juli 2010.

Top