This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52001PC0349
Amended proposal for a Regulation of the European Parliament and of the Council on the animal-health requirements applicable to non-commercial movement of pet animals (presented by the Commission pursuant to Article 250 (2) of the EC-Treaty)
Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)
Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)
/* COM/2001/0349 def. - COD 2000/0221 */
PB C 270E van 25.9.2001, pp. 109–118
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) /* COM/2001/0349 def. - COD 2000/0221 */
Publicatieblad Nr. 270 E van 25/09/2001 blz. 0109 - 0118
Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) TOELICHTING Op 19.9.2000 heeft de Commissie het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (COM(2000)529-C5-0477/2000-2000/0221(COD)) ingediend voor goedkeuring via de medebeslissingsprocedure van artikel 251 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Op 3 mei 2001 heeft het Europees Parlement een aantal amendementen goedgekeurd in eerste lezing. Bij die gelegenheid heeft de Commissie haar standpunt ten aanzien van elk amendement kenbaar gemaakt, en zij heeft daarbij aangegeven welke amendementen voor haar aanvaardbaar zijn en welke niet. In het licht van de bovengenoemde ontwikkelingen heeft de Commissie dit gewijzigd voorstel opgesteld. De meeste wijzigingen zijn amendementen ter verduidelijking of ter invoering van verplichtingen voor de Commissie of voor de lidstaten die geen ingrijpende gevolgen hebben voor de algemene doelstellingen van het voorstel. Het amendement van artikel 3 is wel significant aangezien na een overgangsperiode van 8 jaar de tatoeage niet meer als identificatiemiddel voor honden en katten wordt erkend maar elektronische identificatie de enige nog aanvaarde methode wordt. Dit amendement kan tot problemen leiden in een aantal lidstaten waar nog steeds tatoeage wordt toegepast. Toch wordt ervan uitgegaan dat een overgangsperiode van 8 jaar moet volstaan om probleemloos op de nieuwe microchiptechnologie over te schakelen, aangezien die technologie beter aanvaardbaar is uit een oogpunt van het welzijn van de dieren en geen aanleiding geeft tot technische problemen. 2000/0221(COD) Gewijzigd voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 37 en artikel 152, lid 4, onder b), Gezien het voorstel van de Commissie [1], [1] PB C Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité [2], [2] PB C Gezien het advies van het Comité van de Regio's [3], [3] PB C Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [4], [4] PB C Overwegende hetgeen volgt: (1) De veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren tussen de lidstaten en uit derde landen moeten worden geharmoniseerd en dit doel kan alleen met op communautair niveau vastgestelde maatregelen worden bereikt. (2) Deze verordening heeft betrekking op het verkeer van dieren die onder bijlage I bij het Verdrag vallen. Sommige van de bepalingen van deze verordening, met name die betreffende rabiës, beogen de bescherming van de volksgezondheid terwijl andere alleen de gezondheid van dieren betreffen. Derhalve dienen artikel 37 en artikel 152, lid 4, onder b), van het Verdrag als rechtsgrond te worden genomen. (3) Wat rabiës betreft, is de situatie op het gehele grondgebied van de Gemeenschap de laatste tien jaar opvallend verbeterd, doordat in de gebieden waar zich bij de vossenpopulatie de rabiësepidemie voordeed die sinds de jaren zestig het noordoosten van Europa heeft geteisterd, programma's van orale vaccinatie bij vossen zijn toegepast. (4) Deze verbetering heeft het Verenigd Koninkrijk en Zweden ertoe gebracht de decennia lang toegepaste quarantaine van zes maanden op te geven en te vervangen door een minder strenge regeling die een vergelijkbaar veiligheidsniveau biedt. (5) Rabiës bij als gezelschapsdier gehouden carnivoren komt nu op het grondgebied van de Gemeenschap vooral voor bij dieren van oorsprong uit derde landen waar rabiës van het stedelijke type nog steeds endemisch is. (6) De veterinairrechtelijke voorschriften die tot nog toe door de lidstaten algemeen werden toegepast voor het binnenbrengen van als gezelschapsdier gehouden carnivoren uit derde landen, moeten dus worden aangescherpt. (7) Op de voorschriften inzake de controles bij het binnenbrengen op het grondgebied van de Gemeenschap dienen echter uitzonderingen te worden gemaakt voor het niet-commerciële verkeer uit derde landen of gebieden die uit gezondheidsoogpunt tot hetzelfde geografische geheel als de Gemeenschap behoren. (8) Met de in deze verordening vervatte maatregelen wordt gestreefd naar een voldoende bescherming tegen de betrokken gezondheidsrisico's. Zij vormen geen ongerechtvaardigde belemmering van het onder de verordening vallende verkeer daar zij gegrond zijn op de conclusies van hierover geraadpleegde groepen deskundigen, en met name op het verslag van het Wetenschappelijk Veterinair Comité van 16 september 1997. (9) Er moet ook een juridische regeling met veterinairrechtelijke voorschriften worden vastgesteld voor het niet-commerciële verkeer van diersoorten die niet gevoelig zijn voor rabiës of die uit epidemiologisch oogpunt niet significant zijn ten aanzien van rabiës. (10) De onderhavige verordening geldt onverminderd de bepalingen die op grond van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer [5], laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1476/1999 van de Commissie [6] zijn vastgesteld. [5] PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1. [6] PB L 171 van 7.7.1999, blz. 5. (11) Daar de nodige maatregelen ter uitvoering van deze verordening maatregelen van algemene strekking zijn in de zin van artikel 2 van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden [7], dienen deze maatregelen volgens de regelgevingsprocedure van artikel 5 van genoemd besluit te worden vastgesteld. [7] PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. (12) De Commissie moet worden verzocht een overzicht op te stellen van de vigerende wetgeving voor de handel in dieren die behoren tot de in bijlage I, deel A, genoemde soorten, teneinde die voorschriften af te stemmen op de bepalingen van deze verordening, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD: Artikel 1 Bij deze verordening worden de veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld waaraan het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren moet voldoen, alsmede de regels betreffende de controle van dat verkeer. Artikel 2 Deze verordening is van toepassing op het verkeer tussen lidstaten of uit derde landen van dieren van de in bijlage I genoemde soorten die door hun eigenaar of door een natuurlijke persoon die er tijdens het vervoer voor verantwoordelijk is, worden begeleid, en die niet voor verkoop of voor een eigendomsoverdracht bestemd zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 4, tweede alinea. Zij is van toepassing onverminderd de bepalingen die op grond van Verordening (EG) nr. 338/97 zijn vastgesteld. Artikel 3 De dieren van de in bijlage I, deel A, vermelde soorten worden gedurende een overgangsperiode van acht jaar, te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze verordening, geacht te zijn geïdentificeerd indien zij: a) een duidelijk leesbare tatoeage dragen, b) een elektronisch identificatiesysteem (transponder) dragen. Wanneer, in het onder b) bedoelde geval, de transponder niet aan ISO-norm 11784 of aan bijlage A van ISO-norm 11785 voldoet, moet de voor het dier verantwoordelijke persoon bij elke controle de voor het lezen van de transponder vereiste middelen verstrekken. De lidstaten die eisen dat dieren die hun grondgebied binnenkomen en die niet in quarantaine gaan, worden geïdentificeerd via alternatief b, mogen dit tijdens de overgangsperiode blijven doen. Na bovengenoemde overgangsperiode wordt uitsluitend alternatief b) aanvaard als middel om een dier te identificeren. Artikel 4 Het verkeer van dieren van de in bijlage I, deel B, genoemde soorten tussen lidstaten of uit de in bijlage II, deel B, genoemde derde landen of gebieden is aan geen veterinairrechtelijke voorschriften onderworpen. De voorschriften voor het verkeer tussen lidstaten van gezelschapsdieren van niet in bijlage I genoemde soorten, worden volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld. De voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van dieren van de in bijlage I, deel B, genoemde soorten van herkomst uit niet in bijlage II, deel B, genoemde derde landen, alsmede het model voor het begeleidend certificaat worden volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld. Artikel 5 Dieren van de in bijlage I, deel A, genoemde soorten die tussen lidstaten worden vervoerd of uit een in bijlage II, deel B, genoemd derde land afkomstig zijn, moeten aan de in bijlage III, onder A, vermelde voorschriften voldoen. Ook de jongen van de in bijlage I, deel A, genoemde diersoorten moeten aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voldoen en mogen derhalve niet worden vervoerd voordat ze de leeftijd hebben bereikt waarop zij kunnen worden ingeënt en vervolgens, indien de voorschriften zulks eisen, titratie van antilichamen kan plaatsvinden. Wanneer de lidstaat van bestemming voorkomt op de lijst in bijlage II, deel A, kunnen de in bijlage III, deel B, vastgestelde aanvullende voorwaarden worden opgelegd. In afwijking van het bepaalde in de tweede alinea, kunnen de op de lijst in bijlage II, deel A, vermelde lidstaten van bestemming vrijstelling van elke voorwaarde met betrekking tot rabiës verlenen voor niet-commercieel verkeer van dieren van herkomst uit een op dezelfde lijst voorkomende lidstaat of uit een derde land dat op de lijst in bijlage II, deel B, afdeling 1, voorkomt. Zij stellen de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis. Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie kan, wanneer dit gezien de situatie met betrekking tot rabiës in een lidstaat of in een in bijlage II, deel B, genoemd derde land gerechtvaardigd is, volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde procedure een besluit worden genomen om ervoor te zorgen dat dieren van de in bijlage I, deel A, genoemde soorten uit die lidstaat of dat derde land aan de in artikel 6 vastgestelde voorwaarden voldoen. Artikel 6 Dieren van de in bijlage I, deel A, vermelde soorten uit derde landen die niet in bijlage II, deel B, zijn opgenomen, moeten aan de in bijlage III, deel C, vastgestelde voorwaarden voldoen. Wanneer zij in eerste instantie in de Gemeenschap zijn binnengekomen via een lidstaat die niet is opgenomen in bijlage II, deel A, mogen zij vervolgens uitsluitend een in bijlage II, deel A, opgenomen lidstaat worden binnengebracht indien zij voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in bijlage III, deel B, en dus niet vroeger dan zes maanden nadat door een dierenarts die door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat is erkend, een titratie van antilichamen is uitgevoerd op een monster. Wanneer zij echter rechtstreeks op het grondgebied van een op de lijst van bijlage II, deel A, voorkomende lidstaat worden binnengebracht, kunnen zij in quarantaine worden geplaatst volgens voorschriften die worden vastgesteld door de betrokken lidstaat, die de Commissie daarvan in kennis stelt. Artikel 7 Wanneer de voorschriften die gelden voor onder deze verordening vallend verkeer, een titratie van antilichamen tegen rabiës voorschrijven, moet die test worden uitgevoerd door een op grond van Beschikking 2000/258/EG van de Raad [8] erkend laboratorium. [8] PB L 79 van 30.3.2000, blz. 40. Artikel 8 De lidstaten kunnen in verband met een bijzondere situatie ten aanzien van een ziekte waarvoor in deze verordening geen bepalingen zijn vastgesteld, tot drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening bij de Commissie een verzoek indienen om aanvullende garanties ten aanzien van op hun grondgebied binnengebrachte gezelschapsdieren. Dit verzoek gaat vergezeld van een verslag over de situatie met betrekking tot de betrokken ziekte, waarin wordt aangetoond dat aanvullende garanties nodig zijn om te voorkomen dat die ziekte wordt binnengebracht. De in dit artikel bedoelde aanvullende garanties worden, na raadpleging van het Wetenschappelijk Veterinair Comité, vastgesteld volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde procedure. De op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze verordening geldende nationale maatregelen kunnen worden gehandhaafd in afwachting van de vaststelling van de in dit artikel bedoelde aanvullende garanties. Op verzoek van een lidstaat of op initiatief van de Commissie kan, wanneer dit in verband met een bijzondere situatie gerechtvaardigd is, volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde procedure een besluit worden genomen tot vaststelling van maatregelen ter voorkoming van eventuele aan die situatie verbonden risico's. Artikel 9 Voor het verkeer van dieren van de in bijlage I, deel A, genoemde soorten kunnen volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde procedure andere eisen dan die van deze verordening worden vastgesteld. De modellen voor het certificaat dat de dieren van de in bijlage I, deel A, genoemde soorten moet vergezellen bij verkeer in de zin van deze verordening, worden door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 17, lid 2. Artikel 10 1. Om rekening te houden met de ontwikkelingen, op het grondgebied van de Gemeenschap, van de situatie met betrekking tot de ziekten, met name rabiës, bij de in deze verordening bedoelde soorten, kunnen de bijlagen bij deze verordening volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde procedure worden gewijzigd. 2. Wanneer in bijlage II, deel B, een derde land wordt opgenomen, moet rekening worden gehouden met: a) de structuur en de organisatie van zijn veterinaire diensten, b) zijn status ten aanzien van rabiës, c) de wetgeving inzake de invoer van carnivoren, d) de geldende voorschriften betreffende het op de markt brengen van vaccins tegen rabiës (lijst van toegestane vaccins). Artikel 11 De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat gezelschapsdieren uit andere derde landen dan die welke in bijlage II, deel B, Afdeling 1, zijn vermeld, bij het binnenbrengen op het grondgebied van de Gemeenschap door de bevoegde autoriteit van de plaats van binnenkomst op het grondgebied van de Gemeenschap worden gecontroleerd. De lidstaten wijzen de met deze controles belaste autoriteit aan. Zij stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis. Artikel 12 Elke lidstaat stelt een lijst op van de in artikel 11 bedoelde plaatsen van binnenkomst en deelt deze mee aan de andere lidstaten en de Commissie. Op de plaatsen van binnenkomst moeten geschikte ruimten voorhanden zijn om er de in deze verordening bedoelde dieren zo nodig, met name wanneer zij niet op het grondgebied van de Gemeenschap mogen worden binnengebracht, in onder te brengen totdat zij worden teruggezonden of totdat een ander administratief besluit wordt genomen. Artikel 13 De voor het verkeer van gezelschapsdieren verantwoordelijke autoriteiten in de lidstaten verstrekken duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie aan het publiek over de gezondheidseisen die van toepassing zijn voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren tussen lidstaten. Zij zorgen er ook voor dat het grenspersoneel volledig geïnformeerd is en in staat is om deze verordening ten uitvoer te leggen. Artikel 14 Bij elk verkeer moet de voor het dier verantwoordelijke persoon de met de controle belaste autoriteiten een veterinair certificaat kunnen overleggen waaruit blijkt dat het dier aan de voor het betrokken verkeer geldende voorwaarden voldoet. Wanneer uit die controles blijkt dat het dier niet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften voldoet, besluit de bevoegde autoriteit: a) hetzij het dier terug te zenden; b) hetzij het dier in quarantaine te plaatsen gedurende de tijd die nodig is om aan de gezondheidsvoorschriften te voldoen; c) hetzij, in laatste instantie, het dier af te maken wanneer terugzending of quarantaine onmogelijk zijn. Artikel 15 De uitvoeringsbepalingen die nodig zijn ter bescherming van de volksgezondheid, worden volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld. Eventuele andere uitvoeringsbepalingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld. Artikel 16 De overgangsbepalingen die nodig zijn ter bescherming van de volksgezondheid worden volgens de in artikel 17, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld. Eventuele andere overgangsbepalingen worden volgens de in artikel 17, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld. Artikel 17 1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 1 van Besluit 68/361/EEG van de Raad [9] ingestelde Permanent Veterinair Comité. [9] PB L 255 van 18.10.1968, blz. 23. 2. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 7 van dat besluit. 3. In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is de regelgevingsprocedure van artikel 5 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van de artikelen 7 en 8 van dat besluit. 4. De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op één maand vastgesteld. Artikel 18 Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2002. Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, op Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitster De voorzitter BIJLAGE I DIERSOORTEN DEEL A Hond Kat DEEL B Spinachtigen en insecten, vissen, amfibieën, reptielen, vogels: alle soorten Zoogdieren: fret, konijn, cavia, hamster BIJLAGE II LIJST VAN LANDEN EN GEBIEDEN DEEL A Zweden Ierland Verenigd Koninkrijk DEEL B Afdeling 1 Andorra IJsland Liechtenstein Monaco Noorwegen San Marino Zwitserland Vaticaanstad Eiland Man, Kanaaleilanden Afdeling 2 BIJLAGE III VETERINAIRE VOORWAARDEN DEEL A De dieren gaan vergezeld van een certificaat dat door een door de bevoegde autoriteit daartoe aangewezen dierenarts is afgegeven, en waarin wordt verklaard dat een vaccin tegen rabiës is toegediend: - aan een overeenkomstig artikel 3 geïdentificeerd dier, - meer dan een maand en minder dan een jaar geleden, in het geval van een eerste vaccinatie die bij een dier moet worden verricht zodra het drie maanden oud is; - minder dan een jaar geleden, in het geval van een herhalingsvaccinatie, - met een geïnactiveerd vaccin met ten minste één antigeeneenheid per dosis WHO-norm). DEEL B Afgezien van het certificaat betreffende de vaccinatie tegen rabiës overeenkomstig het bepaalde in deel A, gaan de dieren ook vergezeld van een certificaat waarin wordt verklaard dat: - een titer van neutraliserende antilichamen van ten minste 0,5 IE/ml is vastgesteld bij een monster dat is genomen: - meer dan zes maanden vóór de verplaatsing en - meer dan dertig dagen na de daaraan voorafgaande vaccinatie. De bemonstering voor de titrering van antilichamen en de daaraan voorafgaande vaccinatie moeten zijn verricht door een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of van een in bijlage II, deel B, vermeld derde land daartoe aangewezen dierenarts. DEEL C De dieren gaan vergezeld van een certificaat dat door een door een officiële veterinaire dienst daartoe aangewezen dierenarts is afgegeven en waarin wordt verklaard dat: a) overeenkomstig de voorschriften van deel A een vaccin tegen rabiës is toegediend; b) een titer van neutraliserende antilichamen van ten minste 0,5 IE/ml is vastgesteld bij een monster dat door een erkende dierenarts is genomen: - meer dan zes maanden vóór de verplaatsing en - meer dan dertig dagen na de daaraan voorafgaande vaccinatie..