Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52001PC0296

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

/* COM/2001/0296 def. - COD 1998/0315 */

PB C 240E van 28.8.2001, pp. 133–145 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

52001PC0296

Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend) /* COM/2001/0296 def. - COD 1998/0315 */

Publicatieblad Nr. 240 E van 28/08/2001 blz. 0133 - 0145


Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (door de Commissie overeenkomstig artikel 250, lid 2 van het EG-verdrag ingediend)

TOELICHTING

1. INLEIDING

Op 11 november 1998 heeft de Commissie een voorstel goedgekeurd voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap ( [1]). Dat voorstel is op 17 november 1998 aan het Europees Parlement en de Raad toegezonden.

[1] COM(1998) 612, PB C 2 van 5.1.1999, blz. 3.

Het Europees Parlement verstrekte op 14 april 1999 zijn advies in eerste lezing ( [2]). Ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam is de rechtsgrondslag van het voorstel van de Commissie (artikel 2, lid 2, van de overeenkomst betreffende de sociale politiek, gehecht aan het protocol betreffende de sociale politiek, bijlage bij het Verdrag betreffende de Europese Unie) gewijzigd: het voorstel valt voortaan onder artikel 137, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Op 16 september 1999 bevestigde het Europees Parlement als eerste lezing in het kader van de medebeslissingsprocedure het op 14 april 1999 goedgekeurde advies.

[2] PB C 219 van 30.7.1999, blz. 223.

Op 7 juli 1999 bracht het Economisch en Sociaal Comité zijn advies over het voorstel van de Commissie uit ( [3]). Het Comité van de Regio's bracht op zijn beurt zijn advies uit op 13 december 2000.

[3] PB C 258 van 10.9.1999, blz. 24.

De verschillende instanties van de Raad vatten in juni 2000 de bespreking aan van het voorstel van de Commissie en van de door het Parlement in eerste lezing voorgestelde amendementen.

2. AMENDEMENTEN

Het gewijzigde voorstel van de Commissie bevat drie soorten amendementen: de amendementen die het automatische gevolg zijn van de verandering van de rechtsgrondslag, de amendementen die een aantal amendementen van het Europees Parlement die de Commissie relevant vindt in de tekst verwerken, en tot slot de amendementen die voortvloeien uit de ontwikkeling van de debatten in de Raad, voor zover de Commissie met die wijzigingen kan instemmen.

Amendementen die het gevolg zijn van de verandering van de rechtsgrondslag:

Op verschillende plaatsen in de tekst zijn de verwijzingen naar artikel 2, lid 2, van de overeenkomst betreffende de sociale politiek, gehecht aan het protocol betreffende de sociale politiek, bijlage bij het Verdrag betreffende de Europese Unie vervangen door verwijzingen naar artikel 137, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Ook zijn andere wijzigingen aangebracht die onvermijdelijk uit deze verandering voortvloeien.

Door het Europees Parlement voorgestelde amendementen

De Commissie kan instemmen met alle hierna volgende amendementen, die blijken bij te dragen tot het verbeteren van de oorspronkelijk door de Commissie ingediende tekst, zonder afbreuk te doen aan de politieke haalbaarheid ervan, rekening houdend met de standpunten die de lidstaten reeds in de Raad hebben ingenomen:

* de amendementen nrs. 2, 9 en 25 (afschaffing van de speciale drempel van 100 werknemers voor de informatie en raadpleging van de werknemers over de ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de onderneming): zie 19e overweging en de artikelen 3 en 4;

* de amendementen nrs. 3, 6 en 32 (niet-verlagingsclausule): zie artikel 9, lid 4;

* amendement nr. 7 (verwijzing naar minimumvereisten): zie artikel 1, lid 1;

* amendement nr. 10 (verwijzing naar nationale wetgeving en praktijk voor de definitie van werkgever): zie artikel 2, punt c);

* amendement nr. 13, eerste deel (definitie van raadpleging): zie artikel 2, punt g);

* amendement nr. 16, gedeeltelijk (het bepalen door de lidstaten van het niveau waarop informatie en raadpleging moeten worden georganiseerd): zie artikel 3, lid 1 en artikel 4, lid 1.

Een aantal andere amendementen blijkt reeds in overeenstemming te zijn met de geest van de tekst en dient bijgevolg niet expliciet in de richtlijn te worden vermeld. Dat is het geval voor de volgende amendementen:

* amendement nr. 1 (verwijzing naar permanente educatie, innovatie en de toetreding van de werknemers tot nieuwe vormen van arbeidsorganisatie);

* amendement nr. 37 (beperking van het aan de werkgever toegekende recht om de vertrouwelijkheid of de inhouding van bijzonder gevoelige informatie te eisen);

* amendement nr. 5 (verwijzing naar voor de werknemers gunstiger bepalingen);

* de amendementen nrs. 8 en 43 (de verplichting om de door de voorgestelde richtlijn vastgestelde minimumvereisten te respecteren);

* amendement nr. 11 (het permanente, vast benoemde en onafhankelijke karakter van de werknemersvertegenwoordiging);

* amendement nr. 13, derde deel (verduidelijkingen over het instrumentele karakter van de informatie met betrekking tot de raadpleging);

* de amendementen nrs. 22 en 23 (niet-exhaustieve lijst van beslissingen die het voorwerp moeten uitmaken van informatie en raadpleging);

* amendement nr. 26 (het recht voor werknemersvertegenwoordigers om een beroep te doen op deskundigen);

* amendement nr. 28 (verduidelijkingen inzake de bescherming van de werknemersvertegenwoordigers);

* amendement nr. 35 (het opnemen van de kwestie van de drempels bij de onderwerpen die in het kader van het heronderzoek van de richtlijn moeten worden behandeld).

De Commissie kan in dit stadium evenwel niet instemmen met de andere amendementen die het Parlement voorstelt en die naar haar mening het bereiken van overeenstemming of van een voldoende meerderheid in de Raad kunnen bemoeilijken. Daarbij is de Commissie zich bewust van de rol van bemiddelaar die ze in het kader van de medebeslissingsprocedure tussen de twee takken van de communautaire wetgevende macht moet vervullen. Dat is het geval voor de volgende amendementen:

* de amendementen nrs. 4 en 15 ("Tendenzschutz");

* amendement nr. 41 (definitie van sociale partners);

* amendement nr. 13, tweede en vierde deel (verwijzing naar de fase van de planning in het kader van de definitie van de raadpleging en naar de verplichting om te streven naar een akkoord over alle kwesties die het voorwerp van de informatie en de raadpleging uitmaken);

* amendement nr. 17 (bevordering van de sociale dialoog in de kleine en middelgrote ondernemingen);

* de amendementen nrs. 20 en 43 (beperking van de autonomie van de partijen in het kader van de akkoorden);

* amendement nr. 21 (raadpleging over de economische en financiële ontwikkeling van de onderneming);

* amendement nr. 24 (verlenging van de raadpleging in bijzonder ernstige gevallen);

* amendement nr. 27 (opheffing van het recht voor de werkgever om bijzonder gevoelige informatie achter te houden);

* amendement nr. 29 (uitbreiding van het begrip ernstige schending van de verplichtingen inzake informatie en raadpleging);

* amendement nr. 33 (toepassing van de richtlijn in de overheidssector);

* amendement nr. 34 (verplichting voor de lidstaten om bij de omzetting van de richtlijn de sociale partners te raadplegen).

Amendementen die voortvloeien uit de debatten in de Raad

De laatste tekst die door de Raad is besproken, bevat een aantal wijzigingen in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel en in vergelijking met de amendementen van het Parlement, waarmee de Commissie zonder meer kan instemmen. De meeste amendementen blijken trouwens verenigbaar te zijn met de wens van het Parlement om via dit nieuwe communautaire rechtsinstrument een passende en doeltreffende werknemersinformatie- en -raadplegingspraktijk te bevorderen in de ondernemingen in de Europese Gemeenschap. Een aantal van die wijzigingen beantwoorden bovendien aan de door de lidstaten geuite bezorgdheid met betrekking tot hun specifieke nationale situaties. Daarbij komt de hoofddoelstelling van de voorgestelde richtlijn niet in gevaar.

De Commissie besluit dan ook het merendeel van die wijzigingen in haar gewijzigd voorstel op te nemen.

Er is evenwel één belangrijke uitzondering op deze tegemoetkoming aan de wensen van de Raad: de Commissie kan in deze fase niet instemmen met de afschaffing zonder meer van artikel 7, lid 3, van haar oorspronkelijke voorstel (sancties in geval van ernstige schending van de verplichtingen inzake informatie en raadpleging). Ze blijft op dat punt bijgevolg bij haar oorspronkelijke voorstel (zie artikel 8, lid 3).

Gewijzigd voorstel voor een RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD tot instelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 137, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie, [4]

[4] PB C 2 van 5.1.1999, blz. 3.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité, [5]

[5] PB C 258 van 10.9.1999, blz. 24.

Gezien het advies van het Comité van de Regio's, [6]

[6] 14.12.2000.

Overeenkomstig de procedure van artikel 251, [7]

[7] Het advies van het Europees Parlement is bekendgemaakt in PB C 219 van 30.7.1999, blz. 223.

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Overeenkomstig artikel 136 van het Verdrag stellen de Gemeenschap en de lidstaten zich met name de bevordering van de sociale dialoog ten doel .

(2) In punt 17 van het gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden is onder meer bepaald dat "de voorlichting, de raadpleging en de inspraak van de werkenden op gepaste wijze moeten worden ontwikkeld, rekening houdende met de in de verschillende lidstaten geldende gebruiken".

(3) De Commissie heeft de sociale partners op communautair niveau geraadpleegd over de mogelijke richting van communautair optreden op het gebied van de informatie en raadpleging van de werknemers in ondernemingen in de Europese Gemeenschap.

(4) De Commissie, na deze raadpleging van mening dat communautair optreden raadzaam was, heeft de sociale partners over de inhoud van het bedoelde voorstel opnieuw geraadpleegd en deze hebben de Commissie hun advies doen toekomen.

(5) De sociale partners hebben de Commissie, na afloop van deze tweede raadplegingsfase, niet in kennis gesteld van hun wens een begin te maken met het proces dat tot een overeenkomst zou kunnen leiden.

(6) Het bestaan, op communautair en nationaal niveau, van wettelijke kaders gericht op het verzekeren van de actieve betrokkenheid van de werknemers bij de sturing van de onderneming en bij beslissingen die hen aangaan, heeft in bepaalde gevallen niet kunnen verhinderen dat er beslissingen met ingrijpende gevolgen voor werknemers zijn genomen en bekendgemaakt zonder dat er passende procedures inzake de informatie en de raadpleging waren ingesteld.

(7) De sociale dialoog en het wederzijds vertrouwen binnen de ondernemingen dienen te worden verbeterd, teneinde het anticiperen op risico's te bevorderen, de flexibiliteit van de organisatie van het werk te bevorderen en de toegang van de werknemers tot opleidingsmogelijkheden binnen de onderneming te verzekeren in een kader van zekerheid, de bewustmaking van werknemers ten aanzien van de noodzaak van aanpassing te stimuleren, de bereidheid van de werknemers om deel te nemen aan maatregelen en acties ter verbetering van hun inzetbaarheid te vergroten, de betrokkenheid van de werknemers bij de plannen voor de toekomst van de onderneming te bevorderen, en het concurrentievermogen daarvan te versterken.

(8) Het is in het bijzonder van belang de informatie en raadpleging te bevorderen en te intensiveren over de situatie en de vermoedelijke evolutie van de werkgelegenheid in de onderneming, alsmede, wanneer uit de evaluatie door de werkgever blijkt dat de werkgelegenheid in het bedrijf bedreigd kan worden, over eventuele geplande anticiperende maatregelen, met name inzake de opleiding en de ontwikkeling van de vaardigheden van de werknemers, teneinde de negatieve effecten te voorkomen of de gevolgen ervan te verzachten, en de inzetbaarheid en het aanpassingsvermogen van de mogelijk door deze ontwikkeling getroffen werknemers te verbeteren.

(9) Tijdige informatie en raadpleging is een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen van de processen van herstructurering en aanpassing van de ondernemingen aan de nieuwe omstandigheden als gevolg van de mondialisering van de economie, met name door de ontwikkeling van nieuwe vormen van organisatie van werk.

(10) De Europese Gemeenschap heeft een werkgelegenheidsstrategie bepaald , welke ze ten uitvoer legt, die gebaseerd is op de kernbegrippen "anticipatie", "preventie" en "inzetbaarheid", die een centrale rol moeten spelen in alle vormen van overheidsbeleid die de werkgelegenheid zouden kunnen bevorderen, alsook in het ondernemingsbeleid, door een intensievere sociale dialoog met het oog op het vergemakkelijken van veranderingen die verenigbaar zijn met de prioritaire doelstelling van de werkgelegenheid.

(11) De interne markt dient zich harmonieus te ontwikkelen, met instandhouding van de essentiële waarden waarop onze samenlevingen zijn gebaseerd, met name door alle burgers te laten delen in de resultaten van de economische ontwikkeling.

(12) De derde fase van de economische en monetaire unie zal leiden tot intensivering en versnelling van de concurrentiedruk op Europees niveau, hetgeen begeleidende sociale maatregelen op nationaal niveau vereist.

(13) De bestaande wettelijke kaders op communautair en nationaal niveau inzake de informatie en de raadpleging van de werknemers zijn vaak vooral gericht op het achteraf regelen van veranderingsprocessen, houden geen rekening met de economische factoren bij beslissingen, en bevorderen het anticiperen op de ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen ondernemingen en de risicopreventie niet werkelijk .

(14) Deze politieke, economische, sociale en juridische ontwikkelingen maken een aanpassing van het bestaande wettelijke kader noodzakelijk dat voorziet in de praktische en juridische instrumenten die de uitoefening van het recht op informatie en raadpleging mogelijk maken.

(15) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale systemen in het kader waarvan de concrete uitoefening van dit recht een collectieve uiting van de wil van de houders van het recht inhoudt.

(16) Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de systemen die voorzien in mechanismen voor de rechtstreekse betrokkenheid van werknemers, mits de werknemers er in elk geval voor kunnen kiezen om hun recht op informatie en raadpleging via hun vertegenwoordigers uit te oefenen.

(17) Overeenkomstig de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit zoals bedoeld in artikel 5 van het Verdrag kunnen de in het voorafgaande genoemde doelstellingen van de geplande actie door de lidstaten niet in voldoende mate verwezenlijkt worden, aangezien het gaat om het vaststellen van een algemeen kader voor de informatie en de raadpleging van de werknemers dat is aangepast aan de hierboven beschreven nieuwe Europese context. Maar gezien de omvang en de effecten van de geplande actie zullen deze doelstellingen beter gerealiseerd kunnen worden door actie op communautair niveau, door middel van minimumvoorschriften die in de gehele Europese Gemeenschap geldig zijn. Deze richtlijn beperkt zich tot het voor de verwezenlijking van deze doelstellingen noodzakelijke minimum.

(18) Dit algemeen kader dient gericht te zijn op de vaststelling van minimumvoorschriften die voor de gehele Europese Gemeenschap gelden en belet niet dat de lidstaten voorzien in bepalingen die gunstiger zijn voor de werknemers.

(19) Dit algemene kader mag geen administratieve, financiële of juridische lasten met zich meebrengen die de oprichting en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen zouden kunnen belemmeren. Daartoe lijkt het dienstig, de werkingssfeer van deze richtlijn, naar keuze van de lidstaten, te beperken tot ondernemingen met 50 of meer werknemers of vestigingen met 20 of meer werknemers.

(20) Het communautaire kader dient op dit terrein de lasten voor de ondernemingen tot het onvermijdelijke minimum te beperken, en dient tegelijkertijd de effectieve uitoefening van de rechten te waarborgen.

(21) Het doel van deze richtlijn dient te worden bereikt dat de beginselen en definities van en de regelingen voor de informatie en de raadpleging omvat, dat door de lidstaten ingevuld en aan de nationale omstandigheden aangepast zal moeten worden; hierbij kan aan de sociale partners eventueel een centrale rol worden toebedeeld, zodat zij vrijelijk, door middel van akkoorden, regelingen inzake informatie en de raadpleging kunnen treffen die beter aansluiten bij hun behoeften en wensen.

(22) Sommige bijzondere regels in bepaalde nationale wetgevingen betreffende de informatie en raadpleging van de werknemers, ten behoeve van ondernemingen die politieke, confessionele, caritatieve, educatieve, wetenschappelijke of kunstzinnige doeleinden nastreven, of doeleinden op het gebied van informatieverstrekking, voorlichting of meningsuiting, of die ten dienste staan van beroepsorganisaties, dienen onverlet te blijven.

(23) Ondernemingen dienen beschermd te worden tegen het bekend worden van bepaalde bijzonder gevoelige informatie.

(24) De werkgever moet kunnen afzien van informatie en raadpleging wanneer die de onderneming ernstig zouden schaden, of wanneer hij onmiddellijk gevolg moet geven aan een bevel van een regelgevende of toezichthoudende instantie.

(25) Informatie en raadpleging impliceren rechten en verplichtingen voor de sociale partners op het niveau van de onderneming.

(26) Het is noodzakelijk om op communautair niveau de juridische consequenties vast te leggen van beslissingen die zijn genomen in een context van ernstige schending van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, onverminderd de algemene verplichtingen van de lidstaten op dit gebied.

(27) Deze richtlijn is ook van toepassing op de materie die wordt behandeld in Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag [8] en in Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen daarvan [9]

[8] PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16. Deze richtlijn codificeert Richtlijn 75/129/EG van de Raad van 17 februari 1975 (PB L 48 van 22.2.1975, blz. 29) en Richtlijn 92/56/EG van de Raad van 24 juni 1992 (PB L 245 van 26.8.1992, blz. 3).

[9] PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16. Deze richtlijn codificeert Richtlijn 77/187/EG van de Raad van 14 februari 1997 (PB l 61 van 5.3.1977, blz. 26) en Richtlijn 98/50/EG van de Raad van 29 juni 1998 (PB L 61 van 5.3.1977, blz. 26 en PB L 201 van 17.7.1998, blz. 88), waarbij de richtlijn was gewijzigd.

(28) Andersoortige rechten inzake de informatie en de raadpleging van werknemers, met inbegrip van de rechten die voortvloeien uit Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers [10] en uit Richtlijn 97/74/EG van de Raad van 15 december 1997 ( [11]), die deze richtlijn uitbreidt tot het Verenigd Koninkrijk, dienen door deze richtlijn onverlet te worden gelaten.

[10] PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.

[11] PB L 10 van 16.1.1998, blz. 23.

(29) De uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn mag geen rechtvaardiging vormen voor een verlaging van het algemene beschermingsniveau van de werknemers op de onder deze richtlijn vallende gebieden;

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en beginselen

1. Met deze richtlijn wordt beoogd een algemeen kader van minimumvoorschriften inzake het recht op informatie en raadpleging van de werknemers in de ondernemingen in de Europese Gemeenschap in te stellen.

2. De regelingen inzake informatie en raadpleging worden op zodanig wijze ingevuld en uitgevoerd dat de nuttige werking ervan gewaarborgd is.

3. Bij het vaststellen en uitvoeren van de procedures inzake informatie en raadpleging werken de werkgever en de werknemersvertegenwoordigers samen, met inachtneming van hun wederzijdse rechten en verplichtingen, rekening houdende met de belangen van zowel de onderneming als de werknemers.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "ondernemingen": openbare of particuliere ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen, al dan niet met winstoogmerk, die gevestigd zijn op het grondgebied van lidstaten van de Europese Gemeenschap ;

b) "vestiging": bedrijfszetel die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid van een onderneming vormt en waar op duurzame basis een economische activiteit wordt uitgeoefend met menselijke en materiële hulpbronnen;

c) "werkgever": de natuurlijke of rechtspersoon die partij is in arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen met werknemers, overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk;

d) "werknemer": iedere persoon die in de lidstaat in kwestie krachtens de nationale arbeidswetgeving en conform de nationale praktijk bescherming geniet als werknemer;

e) "werknemersvertegenwoordigers": de werknemersvertegenwoordigers overeenkomstig de nationale wetgeving en/of gebruiken;

d) f) "informatie": het door de werkgever aan de werknemersvertegenwoordigers verstrekken van gegevens, zodat zij kennis kunnen nemen van het betrokken onderwerp en het kunnen bestuderen;

e) g) "raadpleging": de gedachtewisseling en de totstandbrenging van een dialoog tussen de werknemersvertegenwoordigers en de werkgever.

Artikel 3

Werkingssfeer

1. Deze richtlijn is naar keuze van de lidstaten van toepassing:

- op ondernemingen die in een lidstaat ten minste 50 werknemers in dienst hebben, of

- op vestigingen die in een lidstaat ten minste 20 werknemers in dienst hebben.

De lidstaten bepalen op welke wijze de minimumaantallen werknemers worden berekend.

2. De lidstaten kunnen, met inachtneming van de in deze richtlijn aangegeven beginselen en doelstellingen, voorzien in bijzondere bepalingen betreffende ondernemingen die politieke, confessionele, caritatieve, educatieve, wetenschappelijke of kunstzinnige doeleinden nastreven, of doeleinden op het gebied van informatie of opinievorming, of die ten dienste staan van beroepsorganisaties, op voorwaarde dat dergelijke bijzondere bepalingen op de datum van goedkeuring van deze richtlijn reeds bestaan in de nationale wetgeving.

Artikel 4

Vorm van de informatie en de raadpleging

1. Met inachtneming van de beginselen van artikel 1 en onverminderd bepalingen en/of praktijken in de lidstaten die gunstiger zijn voor de werknemers, bepalen de lidstaten de regelingen voor de uitoefening van het recht op informatie en raadpleging van de werknemers op het passende niveau, overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 hieronder.

2. De informatie en de raadpleging heeft betrekking op:

a) informatie over de recente en vermoedelijke ontwikkeling van de activiteiten van de onderneming, en van haar economische en financiële toestand;

b) informatie en raadpleging over de toestand, de structuur en de vermoedelijke ontwikkeling van de werkgelegenheid binnen de onderneming, alsmede over de eventuele geplande anticiperende maatregelen met name in geval van bedreiging van de werkgelegenheid;

c) informatie en raadpleging over beslissingen die zouden kunnen leiden tot ingrijpende veranderingen met betrekking tot de organisatie van het werk of de arbeidsovereenkomsten, met inbegrip van de beslissingen bedoeld in de in artikel 9, lid 1, genoemde bepalingen van het Gemeenschapsrecht.

3. De informatie geschiedt op een tijdstip, op een wijze en met een inhoud die passend zijn om het de werknemersvertegenwoordigers met name mogelijk te maken een adequate studie te verrichten en in voorkomend geval de raadpleging voor te bereiden.

4. Raadpleging geschiedt:

- op een tijdstip, met middelen en met een inhoud die passend zijn;

- op het relevante niveau van directie en vertegenwoordiging, afhankelijk van het te bespreken onderwerp;

- op basis van de door de werkgever te verstrekken gegevens en het advies dat de werknemersvertegenwoordigers het recht hebben uit te brengen;

- op zodanige wijze dat de werknemersvertegenwoordigers met de werkgever kunnen vergaderen en een met redenen omkleed antwoord op hun eventuele advies kunnen krijgen;

- teneinde tot een akkoord te komen over de in lid 2, onder c), bedoelde beslissingen die tot de bevoegdheden van de werkgever behoren.

Artikel 5

Uit een akkoord voortvloeiende informatie en raadpleging

De lidstaten kunnen het de sociale partners op het passende niveau, met inbegrip van het niveau van de onderneming of de vestiging, toevertrouwen om vrijelijk, op eender welk tijdstip, via onderhandelingen de regelingen inzake de informatie en raadpleging van de werknemers in een akkoord vast te leggen. Onverminderd de in artikel 1 genoemde beginselen en binnen door de lidstaten vastgestelde voorwaarden en beperkingen, kunnen deze akkoorden bepalingen bevatten die afwijken van het bepaalde in artikel 4.

Artikel 6

Vertrouwelijke informatie

1. De lidstaten bepalen dat, onder de bij of krachtens de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden en beperkingen, de werknemersvertegenwoordigers, alsmede de deskundigen die hen eventueel bijstaan, de informatie die hen nadrukkelijk als vertrouwelijk is verstrekt, in het legitieme belang van de onderneming niet aan derden bekend mogen maken, met uitzondering van werknemers die aan een geheimhoudingsplicht gebonden zijn. Deze verplichting blijft ook gelden na verstrijking van hun mandaat, ongeacht waar zij zich bevinden.

2. De lidstaten bepalen dat, in specifieke gevallen en onder de bij of krachtens de nationale wetgeving vastgestelde voorwaarden en beperkingen, de werkgever niet verplicht is informatie bekend te maken, of raadplegingen te beginnen, indien de betreffende informatie van dien aard is dat op grond van objectieve criteria moet worden aangenomen dat het bekend worden ervan de betrokken onderneming ernstig in haar functioneren zou belemmeren, dan wel zou schaden.

3. Onverminderd de bestaande nationale procedures voorzien de lidstaten in administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures wanneer de werkgever, conform de voorgaande leden, geheimhouding eist of de informatie niet verstrekt. Zij kunnen tevens voorzien in procedures om de vertrouwelijkheid van de betrokken informatie veilig te stellen.

Artikel 7

Bescherming van de werknemersvertegenwoordigers

De werknemersvertegenwoordigers genieten bij het verrichten van hun taak voldoende bescherming en waarborgen om de taken die hen zijn toevertrouwd naar behoren te kunnen vervullen.

Artikel 8

Bescherming van rechten

1. De lidstaten treffen passende maatregelen voor het geval deze richtlijn door werkgevers of de werknemersvertegenwoordigers niet wordt nageleefd; in het bijzonder zien zij erop toe dat er administratieve of gerechtelijke procedures bestaan om de in deze richtlijn opgenomen verplichtingen te doen naleven.

2. De lidstaten voorzien in passende sancties bij overtreding van de bepalingen van deze richtlijn door werkgevers of werknemersvertegenwoordigers. Deze sancties dienen doelmatig en naar verhouding te zijn en een afschrikkende werking te hebben.

3. De lidstaten bepalen dat in geval van een ernstige schending door een werkgever van zijn verplichtingen inzake informatie en raadpleging over beslissingen als bedoeld in artikel 4, lid 2, punt c), die rechtstreekse en onmiddellijke gevolgen zouden hebben in de zin van ingrijpende wijzigingen of verbrekingen van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, deze beslissingen geen juridische gevolgen hebben voor deze arbeidsovereenkomsten en arbeidsverhoudingen van de betrokken werknemers. Dit blijft zo zolang de werkgever niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan, of, indien dat niet meer mogelijk is, geen passende schadeloosstelling heeft plaatsgevonden overeenkomstig door de lidstaten te bepalen modaliteiten en procedures.

De bepalingen in de voorafgaande alinea zijn ook van toepassing op overeenkomstige verplichtingen uit hoofde van de in artikel 5 bedoelde akkoorden.

Als ernstige schending in de zin van de vorige alinea's worden beschouwd:

a) het volledig achterwege laten van informatie en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers, voorafgaande aan het nemen of openbaar maken van de beslissing;

b) het achterhouden van informatie of het verstrekken van onjuiste informatie, met als gevolg dat het recht op informatie en raadpleging in de praktijk wordt ontkracht.

Artikel 9

Verband van deze richtlijn met andere communautaire en nationale bepalingen

1. Deze richtlijn vormt het algemene kader voor de informatie en de raadpleging van de werknemers in de ondernemingen van de Europese Gemeenschap. De richtlijn is ook van toepassing in het kader van de procedures voor informatie en de raadpleging bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 98/59/EG en artikel 7 van Richtlijn 2001/23/EG van de Raad.

2. Deze richtlijn laat de bepalingen die zijn genomen overeenkomstig Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 24 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers onverlet, alsook Richtlijn 97/74/EG van de Raad van 15 december 1997 die deze richtlijn tot het Verenigd Koninkrijk uitbreidt.

3. Deze richtlijn laat de krachtens de nationale wetgevingen bestaande rechten van de werknemers inzake informatieverstrekking, raadpleging en participatie onverlet.

4. De toepassing van deze richtlijn vormt geen afdoelde rechtvaardiging voor een achteruitgang ten opzichte van de bestaande situatie in de lidstaten of het algemene beschermingsniveau van de werknemers op de onder deze richtlijn vallende gebieden.

Artikel 10

Omzetting van de richtlijn

1. De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om uiterlijk op . . . ( drie jaar na goedkeuring van de richtlijn) aan deze richtlijn te voldoen, of dragen er zorg voor dat de sociale partners via overeenkomsten de nodige bepalingen in werking doen treden, waarbij de lidstaten alle nodige maatregelen dienen te treffen opdat de sociale partners te allen tijde voor de op grond van deze richtlijn vereiste resultaten kunnen instaan. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

2. Wanneer de lidstaten deze bepalingen vaststellen, wordt daarin naar deze richtlijn verwezen, dan wel wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 11

Heronderzoek door de Commissie

Uiterlijk op . . . (vijf jaar na goedkeuring van de richtlijn), onderwerpt de Commissie, in overleg met de lidstaten en de sociale partners op communautair niveau, de wijze van toepassing van de richtlijn aan een heronderzoek, teneinde zo nodig de Raad de nodige wijzigingen voor te stellen.

Artikel 12

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, op

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitster De Voorzitter

Top