Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 51999AC0458

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG van de Raad en 97/7/EG en 98/27/EG"

PB C 169 van 16.6.1999, p. 43 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

51999AC0458

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG van de Raad en 97/7/EG en 98/27/EG"

Publicatieblad Nr. C 169 van 16/06/1999 blz. 0043


Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG van de Raad en 97/7/EG en 98/27/EG"

(1999/C 169/15)

Op 18 december 1998 heeft de Raad besloten, overeenkomstig artikel 100 A van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, het Economisch en Sociaal Comité te raadplegen over het voornoemde voorstel.

De Afdeling "Interne markt, productie en consumptie", die met de voorbereiding van de desbetreffende werkzaamheden werd belast, heeft op 15 april 1999 haar advies opgesteld. Rapporteur was de heer Ataíde Ferreira.

Het Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn 363e zitting (vergadering van 29 april 1999) het volgende advies uitgebracht, dat met 78 stemmen vóór en 47 stemmen tegen, bij 9 onthoudingen, is goedgekeurd.

1. Inleiding

1.1. De Commissie vond het al lang noodzakelijk om de verkoop op afstand van financiële diensten op communautair niveau te regelen. Zowel de Europese Commissie als het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité hebben dit onderwerp bij tal van gelegenheden ter sprake gebracht, maar wegens omstandigheden werd de verkoop op afstand van financiële diensten buiten beschouwing gelaten in Richtlijn 97/7/EG van 20 mei 1997 betreffende de verkoop op afstand in het algemeen(1).

1.2. Het Comité heeft in feite altijd voor communautaire regelgeving op dit gebied gepleit en was in zekere zin één van de eersten om een voorstel in die richting te doen.

1.2.1. In zijn advies over de voltooiing van de interne markt en consumentenbescherming(2) van 26 september 1991 vestigde het Comité al de aandacht op de "moeilijkheden die consumenten ondervinden bij banktransacties naar een ander EG-land"(3).

1.2.2. En in het vervolg op dit advies(4) stelde het Comité vast dat op dit terrein "beslist gemeenschappelijke voorschriften ter bescherming van de consument" moesten worden uitgevaardigd en constateerde het "met genoegen" dat "de Commissie hem onlangs een richtlijnvoorstel over op afstand gesloten overeenkomsten voor advies" had voorgelegd.

1.2.3. Later, in zijn advies over het Groenboek van de Commissie met betrekking tot financiële diensten(5), onderstreepte het Comité dat "met name voor op afstand verkochte financiële diensten een regeling dient te worden getroffen die gelijkwaardig is aan die van de horizontale richtlijn betreffende afstandverkoop", maar op de specifieke kenmerken van de financiële diensten is afgestemd. Voorts moet "de verkoop van financiële diensten via de televisie aan stringente regels worden onderworpen, vooral als dergelijke transacties het werk zijn van niet-erkende tussenpersonen".

1.3. Er zijn tal van redenen om zo snel mogelijk werk te maken van communautaire regelgeving op dit vlak: de op handen zijnde invoering van de euro als gemeenschappelijke Europese munt, de razendsnelle ontwikkeling van alle technieken en instrumenten van de informatiemaatschappij, en de globalisering van de economie, die de grenzen tussen landen, binnen en zelfs buiten de Europese Unie, steeds meer doet vervagen.

1.4. Al deze factoren verklaren waarom er steeds vaker een beroep wordt - en moet worden - gedaan op vormen van verkoop op afstand, waarbij de partijen van een grensoverschrijdende transactie, zelfs in het geval van consumentenzaken, elkaar niet ontmoeten. De wereld van de financiële dienstverlening, die aan de basis ligt van dit soort transacties en waarlangs deze noodzakelijkerwijs verlopen, is nu al - en dat zal in de toekomst om de eerder vermelde redenen nog meer het geval zijn - een terrein waarop vraag en aanbod elkaar treffen, onderhandelingen worden gevoerd en overeenkomsten worden gesloten zonder dat er op enig moment sprake is van de gelijktijdige fysieke aanwezigheid van de partijen en, steeds vaker, zelfs zonder materiële ondersteuning van de transacties.

1.5. Het voorstel beoogt de algehele harmonisering van de verkoop van financiële diensten aan de consument.

1.6. Het specifieke en immateriële karakter van financiële diensten, hun uitgesproken complexiteit en hun belang voor de consument rechtvaardigen niet alleen bijzondere bepalingen - die dus geen kopie van de algemene regels voor verkoop op afstand zijn - maar ook een hoge mate van consumentenbescherming op de betrokken terreinen.

1.7. Gezien het specifieke karakter van financiële diensten enerzijds en de bijzondere kenmerken van de procedures bij de verkoop op afstand anderzijds, worden in het voorstel een aantal doelstellingen geformuleerd die gerealiseerd moeten worden en als volgt kunnen worden samengevat:

1.7.1. De consument moet de mogelijkheid hebben:

a) de overeenkomst te bestuderen alvorens ermee in te stemmen;

b) de aanbiedingen te vergelijken alvorens zijn keuze te maken;

c) de overeenkomst te herroepen wanneer hij die gesloten heeft zonder kennis te hebben kunnen nemen van de voorwaarden of wanneer de leverancier hem niet voldoende bedenktijd heeft gegeven.

1.7.2. De leverancier van diensten moet de mogelijkheid hebben:

a) zijn financiële producten en/of diensten onbelemmerd door middel van een afstandsverkoopmethode te koop aan te bieden;

b) ten volle te profiteren van de openstelling van de grenzen in de interne markt en met name van de nieuwe mogelijkheden die de elektronische handel biedt;

c) op afstand overeenkomsten met consumenten te sluiten.

1.8. Om deze doelstellingen te verwezenlijken voorziet het voorstel in de volgende richtsnoeren:

a) de consument moet kennis kunnen nemen van de voorwaarden van zijn overeenkomst alvorens die te ondertekenen;

b) er moet een bedenktijd gelden om de consument in de gelegenheid te stellen de overeenkomst te bestuderen en te overdenken, en de aanbieding met andere te vergelijken;

c) indien niet aan de bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, beschikt de consument over een herroepingsrecht waarop hij gedurende een redelijke termijn een beroep kan doen;

d) consumenten hebben het recht duidelijk geïnformeerd te worden over de bovenvermelde rechten;

e) ongevraagde mededelingen en het leveren van financiële diensten waar de consument niet vooraf uitdrukkelijk om heeft verzocht zijn verboden;

f) al deze rechten zijn opeisbaar, en handelspraktijken die tegen de voorschriften indruisen, moeten streng worden bestraft;

g) de lidstaten moeten passende en doeltreffende klacht- en verhaalprocedures opstellen met het oog op de beslechting van geschillen tussen leveranciers en consumenten, met name in het kader van Richtlijn 98/27/EG van 19 mei 1998 (doen staken van inbreuken);

h) de bewijslast met betrekking tot de naleving van verplichtingen inzake de voorlichting, vrije keuze en instemming van de consument bij de sluiting en uitvoering van de overeenkomst rust op de leverancier.

2. Algemene opmerkingen

2.1. Het Comité is van mening dat maatregelen ter harmonisering van de verkoop op afstand van financiële diensten dringend geboden zijn en is ingenomen met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn op dit gebied (COM(1998) 468 def. van 14.10.1998). Het is echter jammer dat het voorstel zo laat komt.

2.2. Hoewel het Comité zich bewust is van het feit dat de omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving enige problemen kan veroorzaken voor de organisatie en werking van de betrokken financiële instellingen, verwacht het dat de introductie van de gemeenschappelijke munt op 1 januari 1999 de uitvoering van de noodzakelijke aanpassingsmaatregelen een stuk vlotter zal doen verlopen. Het Comité pleit er dan ook voor de termijn van drie jaar voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn (30 juni 2002 volgens artikel 17, lid 1) met één jaar te vervroegen tot 30 juni 2001.

2.3. Het Comité vindt het een goede zaak dat het onderhavige voorstel voor een richtlijn niet alleen van toepassing is op de verkoop op afstand van de in de richtlijn omschreven financiële diensten - waarbij andere aspecten, zoals met name de inhoud van deze diensten, uitdrukkelijk buiten beschouwing worden gelaten omdat die onder de bestaande Gemeenschapswetgeving blijven vallen - maar ook op transacties waarbij de tegenpartij van de leverancier "iedere (...) natuurlijke persoon die bij overeenkomsten in de zin van deze richtlijn handelt voor doeleinden die buiten zijn bedrijfs- of beroepsactiviteit vallen" is [art. 2, sub d)].

2.3.1. Het Comité is echter van oordeel dat de Commissie het met dit richtlijnvoorstel beoogde doel alleen zal bereiken indien het toepassingsgebied beperkt blijft tot situaties waarin bij de verkoop van financiële diensten uitsluitend gebruik wordt gemaakt van technieken voor communicatie op afstand. Dit moet duidelijk blijken uit de definitie van "overeenkomst op afstand" [art. 2, sub a)].

2.3.2. Onderhavige en andere richtlijnen met betrekking tot consumentenbescherming mogen elkaar niet overlappen en moeten op elkaar worden afgestemd.

2.4. In het voorstel voor een richtlijn wordt als rechtsgrondslag, behalve de artikelen 57, lid 2, en 66, alleen artikel 100 A betreffende de totstandbrenging van de interne markt genoemd.

Ondanks het feit dat de genoemde artikelen voorafgegaan worden door het woord "inzonderheid" en dat in de eerste overweging aan artikel 129 A van het Verdrag wordt gerefereerd, is het Comité van mening dat meteen in de eerste alinea van de preambule uitdrukkelijk naar artikel 129, lid 3, sub b) van het Verdrag van Amsterdam, moet worden verwezen.

2.5. Volgens het Comité zou de Commissie trouwens een belangrijke conclusie uit deze verwijzing moeten trekken, nl. dat er - zoals in Richtlijn 97/7/EG - een "minimumclausule" moet worden ingelast waarin het bepaalde in artikel 129 A lid 5 van het Verdrag wordt verwoord en uit hoofde waarvan de lidstaten maatregelen voor een hogere graad van bescherming mogen treffen, mits deze verenigbaar zijn met de communautaire regelgeving ter zake en onverminderd het feit dat deze richtlijn de consumentenbescherming naar een hoger niveau tilt.

2.6. Het Comité stemt ermee in dat het toepassingsgebied van de richtlijn wordt beperkt tot financiële diensten "in het kader van een door de leverancier georganiseerd systeem voor verkoop of dienstverlening op afstand" [art. 2, sub a)]. Daarmee worden eenmalige of toevallige transacties van diegenen die niet over een dergelijk systeem beschikken uitgesloten.

Het Comité vindt echter dat hier, ter wille van de rechtszekerheid, niet alleen nauwkeurig moet worden omschreven wat in het kader van deze richtlijn moet worden verstaan onder "georganiseerd systeem", maar ook moet worden aangegeven wanneer transacties niet meer als "eenmalig" of "toevallig" kunnen worden bestempeld en de leverancier kan worden verplicht een "georganiseerd systeem" voor de verkoop of levering van diensten op afstand op te zetten.

2.7. Voorts constateert het Comité dat het voorstel voor een richtlijn niet definieert wat onder "op een oneerlijke manier ertoe zijn aangezet" moet worden verstaan (art. 4, lid 2).

Aangezien het om een onrechtmatige praktijk gaat, is het logisch dat de omschrijving daarvan bij wet is vastgelegd; met name in het geval van een richtlijn die naar totale harmonisering streeft is het immers onvoorstelbaar dat op zo'n belangrijk onderdeel als dit, dat verstrekkende gevolgen heeft op het gebied van het herroepingsrecht en het ontvangen van een schadevergoeding, de communautaire wetgeving geen nauwkeurige omschrijving geeft van wat precies onder "iemand op oneerlijke wijze aanzetten tot het sluiten van een overeenkomst" wordt verstaan.

2.7.1. Het Comité pleit er dan ook vurig voor om, niet alleen om redenen van rechtsgeldigheid maar ook ter wille van de rechtsgelijkheid en -zekerheid, de invulling van het begrip "iemand op oneerlijke wijze aanzetten tot het sluiten van een overeenkomst" niet over te laten aan de lidstaten zelf, maar in de richtlijn nauwkeurig te definiëren wat hieronder wordt verstaan.

2.7.2. Ook vindt het Comité dat moet worden overwogen het veelvuldig door elkaar halen van publicitaire en propagandistische aspecten enerzijds en contractuele bepalingen anderzijds, die strikt moeten worden gescheiden, ook onder dit begrip te doen vallen.

2.8. Het Comité is voorts van mening dat het begrip "duurzame drager" nader moet worden gepreciseerd en dat de definitie ervan meer technische uitleg moet bevatten en dieper op de materie moet ingaan. Daarvoor kan te rade worden gegaan bij vorige adviezen van het ESC, zoals het advies over elektronische handtekeningen(6), het advies over het veilige gebruik van Internet(7) of het (ontwerp-)advies inzake bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel op de interne markt(8).

2.9. Wat het herroepingsrecht betreft, geeft het voorstel voor een richtlijn niet duidelijk aan of de mededeling van de consument aan de leverancier wordt geacht te zijn uitgebracht op het moment van ontvangst door de leverancier en, zo ja, of de leverancier de mededeling moet hebben ontvangen vóórdat de voor het herroepingsrecht geldende termijn afloopt of dat het volstaat dat de mededeling binnen die termijn moet zijn uitgebracht, ook al wordt deze pas later ontvangen (art. 4, leden 1, 2 en 3).

Aangezien er soms interpretatieverschillen bestaan tussen de lidstaten ten aanzien van gelijke gevallen (er zijn zelfs gevallen bekend van verschillende gerechtelijke uitspraken), vindt het Comité dat expliciet moet worden aangegeven hoe moet worden medegedeeld dat gebruik wordt gemaakt van het herroepingsrecht, zodat eventuele interpretatieverschillen in de kiem worden gesmoord.

2.10. Ten aanzien van de aard en de lengte van de termijnen die in de diverse bepalingen van het voorstel worden vastgesteld, is het Comité van mening dat de termijn voor de uitoefening van het herroepingsrecht (14 of 30 dagen, cfr. art. 4, lid 1 en 2) geen vaststaand gegeven is, maar een minimumnorm moet zijn die door de lidstaten kan worden verlengd, mocht zulks noodzakelijk zijn ter bescherming van de consument.

2.11. Het Comité vindt overigens dat de termijn in het voorstel nader moet worden gespecificeerd in de zin dat moet worden aangegeven of het om kalenderdagen of werkdagen - dus geen zon- en feestdagen - gaat, en hoe wordt geteld indien de laatste dag van de termijn op een zon- of feestdag valt.

2.12. Het Comité is voorts van oordeel dat de uitdrukkingen "zo spoedig mogelijk" of "zo snel mogelijk" die in de verschillende bepalingen worden gebruikt (art. 5, lid 1 en 3; art. 8, lid 1; art. 11, lid 2, tweede alinea), steeds nader moeten worden gespecificeerd in de zin dat er een maximumtermijn wordt vermeld (b.v. "doch binnen 48 uur" of "na uiterlijk 5 dagen") om misverstanden en onzekerheid te vermijden.

2.13. Het is echter van wezenlijk belang dat de consument vertrouwen en toegang tot informatie heeft, en tevens beschikt over eenvoudige, goedkope en buitengerechtelijke verhaalmogelijkheden in geval van een geschil met een dienstverlener uit een andere lidstaat.

2.13.1. Daarom dienen Commissie en lidstaten snel te zorgen voor grensoverschrijdende beslechtingsmogelijkheden voor de consument, bijvoorbeeld via een netwerk van organisaties voor consumentenbescherming of ombudslieden, die als bemiddelaar of arbiter kunnen optreden.

3. Bijzondere opmerkingen

3.1. Artikel 1, lid 1: Aangezien het "nader tot elkaar brengen" van wetgeving en het "harmoniseren" van wetgeving niet hetzelfde is, stelt het Comité voor in dit artikel te spreken van "de wettelijke bepalingen te harmoniseren", daar de Commissie een "totale harmonisatie" in gedachten heeft(9).

3.2. Artikel 1, lid 2: Aangezien het moeilijk is onderscheid te maken tussen "één overeenkomst" of "opeenvolgende overeenkomsten", is het Comité van mening dat in de richtlijn beter kan worden gesproken van "iedere aparte, nieuwe overeenkomst".

3.3. Artikel 2, sub a): In de definitie van "overeenkomsten op afstand" dient vóór "gebruik gemaakt wordt" het woord "uitsluitend" te worden toegevoegd.

3.4. Artikel 3: De formulering van dit artikel dient te worden aangepast.

3.4.1. Aan lid 1 moet een alinea worden toegevoegd, die luidt als volgt: "Voordat de consument heeft ingestemd met de overeenkomst mag deze door de leverancier tot geen enkele betaling, in welke vorm dan ook, worden verplicht."

3.4.2. In lid 3 moeten de woorden "met uitdrukkelijke instemming van de consument" worden geschrapt (noot van de vertaler: overige wijzigingen niet van toepassing op de Nederlandse tekst).

3.5. Artikel 4: Dit artikel moet als volgt worden gewijzigd:

3.5.1. Lid 1, eerste alinea: "verstrekt" te vervangen door "dient te verstrekken".

3.5.2. Niet van toepassing op de Nederlandse tekst.

Lid 1, sub a) is niet van toepassing op de Nederlandse tekst;

Bij lid 1, sub b) moet ook worden gedacht aan de levensverzekeringen met onmiddellijke ingang, omdat het herroepingsrecht in dit geval wederrechtelijk zou zijn.

3.5.3. Het Comité is van mening dat in de preambule van de richtlijn expliciet moet worden verwezen naar "vermogensbeheer en beleggingsadvies met betrekking tot de onder 5 en 7 van de bijlage vermelde financiële diensten", zonder dat deze echter worden toegevoegd aan de lijst van uitzonderingen op het herroepingsrecht. Hoewel overeenkomsten inzake het persoonlijk beheer van financiële producten volgens de algemene bepalingen steeds kunnen worden herroepen, is het herroepingsrecht niet van toepassing op overeenkomsten die betrekking hebben op de onder de punten 5 en 7 van de bijlage genoemde financiële producten.

3.6. Artikel 3, lid 3 en artikel 4, lid 1, vierde alinea: het Comité is van mening dat de verwijzing naar de punten 5 en 7 van de bijlage limitatief kan zijn indien een en ander algemener wordt geformuleerd, nl. "alle financiële diensten als genoemd in de punten 5 en 7 van de bijlage waarop het recht van bedenktijd of van herroeping om praktische redenen niet van toepassing kan zijn".

3.7. Artikel 7: Evenals in zijn vorige advies(10) is het Comité van mening dat het de lidstaten vrijstaat om in voorkomend geval voor te schrijven dat de mededeling schriftelijk geschiedt(11), aangezien de zogeheten "duurzame drager" onvoldoende garanties biedt wat betreft betrouwbaarheid en veiligheid.

3.7.1. Indien het niet mogelijk is tot een sluitende en allesomvattende definitie van "duurzame drager" te komen, moet volgens het Comité verplicht worden gesteld dat de mededeling die op een duurzame drager, doch zonder ontvangstbevestiging, is overgebracht, binnen een redelijke termijn (8 dagen) schriftelijk wordt bevestigd, met dien verstande dat de mededeling wordt geacht te zijn ontvangen op het moment van verzending per duurzame drager, tenzij de consument kan bewijzen dat hij deze niet heeft ontvangen. In het laatste geval wordt de mededeling pas geacht te zijn ontvangen op het moment van ontvangst van de schriftelijke mededeling.

3.8. Artikel 9: Wijziging niet van toepassing op de Nederlandse tekst.

3.8.1. Artikel 9 lid 1: Wijziging niet van toepassing op de Nederlandse tekst.

3.9. Artikel 10: Het Comité is van mening dat het niet aan de lidstaten moet worden overgelaten voor een van de systemen in lid 2 van artikel 10 te kiezen.

Het Comité is voorts van oordeel dat duidelijk en onomwonden moet worden gekozen voor de optie in lid 2, sub a) van dit artikel, d.w.z. dat mededelingen niet zijn toegestaan behalve met toestemming van de betrokken consumenten.

3.10. Artikel 11, lid 2: De passage over de sancties in geval van inbreuken op de bepalingen van de artikelen 6 en 10 moet in een apart artikel worden opgenomen.

3.11. Artikel 11, lid 3: het begrip "nauwe band" moet in artikel 2 nader worden toegelicht volgens het voorbeeld van de desbetreffende uitdrukking "nauwere betrekking" in het Akkoord van Rome. Het zal de wetgever niet zijn ontgaan dat een uniforme terminologie voordelen biedt: er is al te veel begripsverwarring in andere teksten, bijvoorbeeld artikel 6 van Richtlijn 93/13/EEG van 5 april (oneerlijke bedingen).

3.12. Artikel 12: het Comité is van mening dat de Commissie, onverminderd het bepaalde in de Akkoorden van Brussel en Lugano, de mogelijkheid in overweging zou moeten nemen om een bepaling over de bevoegdheid van de rechterlijke instanties op te nemen, zodat in het geval van een grensoverschrijdend conflict de consument de keuze heeft of hij de zaak aan een rechterlijke instantie in zijn eigen land voorlegt of aan een instantie in het land van de tegenpartij; gerechtelijke acties tegen de consument, daarentegen, moeten in het land van herkomst van de consument worden ondernomen.

3.13. Het Comité is, ten slotte, van mening dat de richtlijn een bepaling moet bevatten waarin wordt gesteld dat de toepassing van deze richtlijn aan een periodieke evaluatie moet worden onderworpen, zoals die in tal van communautaire richtlijnen is opgenomen(12).

Brussel, 29 april 1999.

De voorzitter

van het Economisch en Sociaal Comité

B. RANGONI MACHIAVELLI

(1) Het besluit om de verkoop op afstand van financiële diensten niet onder deze richtlijn te doen vallen werd genomen door de Raad van ministers voor consumentenzaken van 17 mei 1995.

(2) PB C 339 van 31.12.1991, blz. 6.

(3) In de belangrijke studie van de hand van E. Balate, P. Dejemeppe en M. Goyens, die aan het advies is gehecht, werd reeds de aandacht gevestigd op het ontbreken van dwingende regelgeving voor financiële dienstverlening, met name voor transacties in een ander EG-land; daarom werd het voorstel voor een richtlijn betreffende op afstand gesloten contracten, waaronder ook financiële diensten werden begrepen, toegejuicht als "een belangrijke stap voorwaarts".

(4) PB C 19 van 25.1.1993.

(5) PB C 56 van 24.2.1997.

(6) PB C 40 van 15.2.1999.

(7) PB C 214 van 10.7.1998.

(8) CES 457 van 29.4.1999.

(9) In de toelichting wordt over "harmoniseren" gesproken, terwijl in artikel 1 de term "nader tot elkaar brengen" wordt gebruikt. Dit zijn echter verschillende begrippen, zoals blijkt uit: Filali Osman, "Codification, Unification, Harmonisation du Droit en Europe" en Antoine Jeammaud, "Unification, Uniformisation, Harmonisation: de quoi s'agit-il?" in "Vers un Code Européen de la Consommation", blz. 11 en 35 (Bruylant, 1998).

(10) PB C 40 van 15.2.1999.

(11) De verschillende taalversies van het voorstel lopen op dit punt uiteen.

(12) Zoals bijvoorbeeld in artikel 26 van Richtlijn 89/552/EEG van 3 oktober 1989: "Uiterlijk aan het einde van het vijfde jaar na de datum van vaststelling van de onderhavige richtlijn, en vervolgens om de twee jaar, dient de Commissie bij het Europese Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de wijze waarop deze richtlijn ten uitvoer wordt gelegd en doet zij zo nodig bijkomende voorstellen om de richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen op omroepgebied."

BIJLAGE

bij het advies van het Economisch en Sociaal Comité

Tijdens de stemming over de wijzigingsvoorstellen werden de volgende passages uit het advies van de Afdeling door de Voltallige Vergadering geschrapt, maar minstens een kwart van de leden stemde vóór het behoud van de tekst in kwestie:

Paragraaf 2.2

"Het Comité verzoekt de aanbieders van financiële diensten dan ook de bepalingen van de richtlijn, die uiterlijk 30 juni 2002 van kracht worden, vrijwillig en zo snel mogelijk in acht te nemen."

Uitslag van de stemming

Vóór: 74, tegen: 43, onthoudingen: 8.

Paragraaf 2.8

"Gezien de voorgeschreven uitvoerige voorinformatie en ruime bedenktijd, alsook de hoge herfinancieringskosten van de aanbieder acht het Comité de voorgestelde termijnen voor uitoefening van het herroepingsrecht lang genoeg en vindt het dat deze in alle lidstaten moeten worden ingevoerd."

Uitslag van de stemming

Vóór: 75, tegen: 48, onthoudingen: 5.

Paragraaf 2.11

"De interne markt vereist dat dienstverleners kunnen opereren op basis van het oorsprongsbeginsel (controle in het land van vestiging) en niet worden geconfronteerd met vijftien verschillende nationale rechtstelsels. Het laatste werkt slechts marktfragmentatie, alsook hogere kosten en prijzen in de hand en beperkt de keuzevrijheid voor de consument."

Uitslag van de stemming

Vóór: 71, tegen: 59, onthoudingen: 2.

Top