This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32025R0258
Commission Regulation (EU) 2025/258 of 7 February 2025 amending Regulation (EU) 2017/2400 as regards the determination of the CO2 emissions and fuel consumption of medium and heavy lorries and heavy buses and the inclusion of vehicles running on hydrogen and other new technologies and amending Regulation (EU) No 582/2011 as regards the applicable rules on the determination of CO2 emissions and fuel consumption in order to obtain an extension to an EU type-approval
Verordening (EU) 2025/258 van de Commissie van 7 februari 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2400 wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van middelzware en zware vrachtwagens en zware bussen en de opname van voertuigen op waterstof en andere nieuwe technologieën betreft, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 582/2011 wat betreft de toepasselijke regels voor de vaststelling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik om een uitbreiding van een EU-typegoedkeuring te verkrijgen
Verordening (EU) 2025/258 van de Commissie van 7 februari 2025 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2400 wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van middelzware en zware vrachtwagens en zware bussen en de opname van voertuigen op waterstof en andere nieuwe technologieën betreft, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 582/2011 wat betreft de toepasselijke regels voor de vaststelling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik om een uitbreiding van een EU-typegoedkeuring te verkrijgen
C/2025/746
PB L, 2025/258, 20.2.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/258/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2025/258 |
20.2.2025 |
VERORDENING (EU) 2025/258 VAN DE COMMISSIE
van 7 februari 2025
tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2400 wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van middelzware en zware vrachtwagens en zware bussen en de opname van voertuigen op waterstof en andere nieuwe technologieën betreft, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 582/2011 wat betreft de toepasselijke regels voor de vaststelling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik om een uitbreiding van een EU-typegoedkeuring te verkrijgen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (1), en met name artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 4, punt e),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie (2) is een gemeenschappelijke methode ingevoerd om de prestaties van in de Unie in de handel gebrachte zware bedrijfsvoertuigen te vergelijken wat hun CO2-emissies en brandstofverbruik betreft. In die verordening zijn bepalingen opgenomen voor de certificering van onderdelen die van invloed zijn op de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen, is een simulatietool ingevoerd om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van die voertuigen te bepalen en op te geven, en zijn onder meer voorschriften vastgesteld voor de controle van de conformiteit van de certificering van de onderdelen en de conformiteit van het gebruik van de simulatietool door de instanties van de lidstaten en de fabrikanten. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) 2022/1379 van de Commissie (3) is het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2017/2400 uitgebreid tot middelzware vrachtwagens en zware bussen en zijn nieuwe technologieën toegevoegd, zoals hybride en puur elektrische voertuigen, dualfuelvoertuigen en terugwinning van afvalwarmte. |
|
(3) |
Aangezien er momenteel nog meer nieuwe technologieën worden ontwikkeld die in de toekomst op de markt kunnen komen, moeten er eisen voor dergelijke nieuwe technologieën worden vastgesteld. Tot dergelijke nieuwe technologieën behoren voertuigen die op waterstof rijden, efficiënte wieluiteinden, voertuigen die worden aangedreven door verschillende onafhankelijk van elkaar werkende aandrijvingen of voertuigen die tijdens het rijden kunnen worden opgeladen. |
|
(4) |
Aangezien het op het moment van certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden onduidelijk kan zijn of een voertuig een bedrijfsvoertuig zal zijn of niet, moeten alle simulaties voor voertuigen in de betreffende groepen voor alle opdrachtprofielen worden gesimuleerd. De correcte toewijzing van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden moet dus plaatsvinden aan de hand van de registratiestatus van het voertuig. |
|
(5) |
Aangezien het uitrusten van voertuigen met efficiënte wieluiteinden een positief effect heeft op de CO2-emissies, wordt er een nieuwe procedure geïntroduceerd voor de certificering van efficiënte wieluiteinden om ervoor te zorgen dat hun hoge rendement tot uitdrukking komt in de bepaling van de CO2- en brandstofverbruikswaarden. |
|
(6) |
De procedure voor het bepalen van de luchtweerstand van voertuigen moet worden versterkt om de herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid te verbeteren, en om de testlast te verminderen en ervoor te zorgen dat eigenschappen die de aerodynamica verbeteren, doeltreffend kunnen worden gecertificeerd, moet de procedure worden aangevuld met een nieuw proces dat is gebaseerd op simulatie op basis van de numerieke stromingsleer. |
|
(7) |
Aangezien de procedure voor controletests op de weg een belangrijk instrument is gebleken om de berekeningen van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van middelzware en zware vrachtwagens te controleren, moet deze ook worden toegepast op zware bussen, met bepaalde aanpassingen om rekening te houden met de complexiteit van de productie van dergelijke voertuigen, die in veel gevallen uit meerdere fasen bestaat. |
|
(8) |
Aangezien deze verordening van toepassing zal zijn op nieuwe technologieën, met name voor middelzware vrachtwagens, moet worden voorkomen dat er tegenstrijdigheden ontstaan tussen Verordening (EU) 2017/2400 en de wereldwijd geharmoniseerde testprocedures voor lichte bedrijfsvoertuigen wat betreft de verplichtingen ter bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik, zoals voorgeschreven in Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (4). Verordening (EU) nr. 582/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd om te voorkomen dat er voor middelzware vrachtwagens twee verschillende testregelingen bestaan voor het bepalen van de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden. |
|
(9) |
Teneinde de lidstaten, de nationale instanties en de marktdeelnemers voldoende tijd te geven zich op de toepassing van de bij deze verordening ingevoerde regels voor te bereiden, moet de datum van toepassing ervan worden uitgesteld. |
|
(10) |
Teneinde een spoedige toepassing van de verordening mogelijk te maken, met name voor technologieën die bij deze wijziging voor het eerst binnen het toepassingsgebied vallen, moet het mogelijk zijn om vanaf de inwerkingtreding van de verordening een licentie voor het gebruik van de simulatietool en een certificering voor onderdelen te verkrijgen in overeenstemming met Verordening (EU) 2017/2400, zoals gewijzigd bij deze verordening. |
|
(11) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het technisch comité motorvoertuigen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Aan artikel 15, lid 1, wordt het volgende streepje toegevoegd:
|
|
5) |
Aan artikel 16, lid 2, wordt het volgende streepje toegevoegd:
|
|
6) |
Aan artikel 17, lid 2, wordt het volgende streepje toegevoegd:
|
|
7) |
In artikel 18, lid 1, wordt aan de eerste alinea het volgende streepje toegevoegd:
|
|
8) |
In artikel 22, punt 1, wordt de tweede alinea als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
Artikel 24 wordt vervangen door: “Artikel 24 Toepassing van de voorschriften Onverminderd artikel 10, lid 3, van deze verordening beschouwen de lidstaten, wanneer de in artikel 9 van deze verordening bedoelde verplichtingen niet zijn nagekomen, de certificaten van overeenstemming voor voertuigen met typegoedkeuring als niet langer geldig voor de doeleinden van artikel 48 van Verordening (EU) 2018/858, en verbieden zij voor voertuigen met typegoedkeuring en individueel goedgekeurde voertuigen de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van voertuigen van de groepen 1s, 1, 2, 3, 4, 5, 9, 10, 11, 12, 16, 31 tot en met 40, 53 en 54.” |
|
10) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
|
11) |
Bijlage III wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening. |
|
12) |
Bijlage IV wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening. |
|
13) |
Bijlage V wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IV bij deze verordening. |
|
14) |
Bijlage VI wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage V bij deze verordening. |
|
15) |
De tekst in bijlage VI bij deze verordening wordt ingevoegd als bijlage VII bis. |
|
16) |
Bijlage VIII wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VII bij deze verordening. |
|
17) |
Bijlage IX wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage VIII bij deze verordening. |
|
18) |
Bijlage X bis wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage IX bij deze verordening. |
|
19) |
Bijlage X ter wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage X bij deze verordening. |
Artikel 2
Artikel 3 van Verordening (EU) nr. 582/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In lid 1, tweede alinea, wordt de tweede zin geschrapt. |
|
2) |
Lid 3 wordt vervangen door: “3. Teneinde een uitbreiding van de EU-typegoedkeuring te verkrijgen voor een voertuig met betrekking tot emissies waarvoor op grond van deze verordening typegoedkeuring is verleend en met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg maar niet meer dan 2 610 kg, voldoet de fabrikant aan de voorschriften in punt 5 van bijlage VIII, tenzij de CO2-emissiewaarden en de brandstofverbruikswaarden voor dergelijke voertuigen worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400.” |
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2026.
Punt 21 van bijlage X is van toepassing met ingang van 1 maart 2025.
Onverminderd de tweede en de derde alinea mogen goedkeuringsinstanties vanaf 12 maart 2025 niet weigeren de certificering van CO2-emissies en brandstofverbruikseigenschappen van de onderdelen te verlenen overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400, zoals gewijzigd bij deze verordening. Vanaf 12 maart 2025 mogen de lidstaten de registratie, het in de handel brengen en het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig niet verbieden wanneer dat voertuig voldoet aan Verordening (EU) 2017/2400 en Verordening (EU) nr. 582/2011, zoals gewijzigd bij deze verordening, indien een fabrikant daarom verzoekt.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 februari 2025.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/595/oj.
(2) Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie van 12 december 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2400/oj).
(3) Verordening (EU) 2022/1379 van de Commissie van 5 juli 2022 tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2400 wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van middelzware en zware vrachtwagens en zware bussen betreft en tot invoering van elektrische voertuigen en andere nieuwe technologieën (PB L 212 van 12.8.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/1379/oj).
(4) Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van de bijlagen I en III bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 167 van 25.6.2011, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/582/oj).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 1.1 wordt tabel 1 vervangen door: “Tabel 1 Voertuiggroepen voor zware vrachtwagens
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
Punt 2.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) EMS — Europees modulair systeem
(*2) In deze voertuigklassen worden trekkers beschouwd als enkelvoudige vrachtwagens, maar met een specifiek ledig gewicht van de trekker
BIJLAGE II
Bijlage III bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 2 worden de volgende punten toegevoegd:
|
|
2) |
In punt 3, eerste alinea, wordt de eerste zin vervangen door: “In de tabellen 1 tot en met 17 worden de reeksen inputparameters gespecificeerd die met betrekking tot de kenmerken van het voertuig moeten worden verstrekt.”. |
|
3) |
Tabel 1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Tabel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Tabel 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
Tabel 3a wordt als volgt gewijzigd:
|
|
7) |
Tabel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
8) |
Tabel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
Tabel 6 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
10) |
Tabel 7 wordt vervangen door: “Tabel 7 Algemene inputparameters voor HEV’s, PEV’s en FCHV’s
|
|
11) |
Tabel 8 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
12) |
In tabel 9 wordt na de inleidende alinea de volgende alinea toegevoegd: “Afzonderlijke vermelding voor elke afzonderlijke aandrijflijn in het geval van meer dan één mechanisch onafhankelijke aandrijflijn overeenkomstig punt 10.1.4.”. |
|
13) |
Tabel 10 wordt vervangen door: “Tabel 10 Inputparameters per REESS (Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is)
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
14) |
De volgende tabel wordt ingevoegd na tabel 11: “Tabel 11a Inputparameters per brandstofcelsysteem (Alleen van toepassing indien het onderdeel in het voertuig aanwezig is) Een of twee verschillende brandstofcelsystemen, waarbij in elk systeem maximaal drie identieke eenheden kunnen zijn geïnstalleerd.
|
|||||||||||||||||||||||||
|
15) |
punt 6 wordt vervangen door:
|
|
16) |
punt 6.2 wordt vervangen door:
|
|
17) |
punt 10 wordt vervangen door:
|
|
18) |
Aan punt 10.1.1wordt de volgende alinea toegevoegd: “in het geval van een FCHV:
|
|
19) |
In punt 10.1.2 wordt de eerste alinea vervangen door: “Wanneer de configuratie van de aandrijflijn van het voertuig overeenkomstig punt 10.1.1 “P”, “S”, “F” of “E” is, wordt de positie van de EM die is geïnstalleerd in de aandrijflijn van het voertuig bepaald volgens de definities in tabel 14.”. |
|
20) |
Tabel 14 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
In tabel 15 wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
|
22) |
Het volgende punt wordt ingevoegd na tabel 15:
|
|
23) |
De volgende tabel wordt ingevoegd na punt 10.1.4.: “Tabel 15a Geldige input voor aandrijflijnarchitectuur in de simulatietool
|
|
24) |
Na punt 11.5 worden de volgende punten toegevoegd:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
25) |
In aanhangsel 1 wordt tabel 1 als volgt gewijzigd:
|
(1) Verordening (EU) 2024/1257 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, met betrekking tot hun emissies en de duurzaamheid van batterijen (Euro 7), tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EU) nr. 582/2011, (EU) 2017/1151 en (EU) 2017/2400 van de Commissie en Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1362 van de Commissie (PB L, 2024/1257, 8.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1257/oj).
(2) “normaal gebruik van het voertuig” sluit elke significante gebruiksbeperking uit (bv. noodloopmodus wordt niet beschouwd als normaal gebruik van het voertuig).”.
(3) “Ja” (d.w.z. asonderdeel aanwezig) alleen indien beide parameters “DifferentialIncluded” en “DesignTypeWheelMotor” op “false” zijn ingesteld”.
(*1) Bij de opgegeven waarden voor fusable wordt ervan uitgegaan dat de tank is voorzien van een intern verwarmingssysteem dat wordt geactiveerd zodra de minimumdruk wordt bereikt. Als de tank niet is voorzien van een dergelijk verwarmingssysteem, past de fabrikant, na goedkeuring door de goedkeuringsinstantie, een lagere waarde voor fusable toe.”
BIJLAGE III
Bijlage IV bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan punt 2 wordt het volgende subpunt toegevoegd:
|
|
2) |
Punt 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE IV
Bijlage V bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan punt 3.1.2 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Indien een motor van de CO2-familie, gedefinieerd overeenkomstig aanhangsel 3, wordt geïnstalleerd in een voertuig dat is uitgerust met een voorziening aan boord voor de bewaking en registratie van het brandstof- en/of energieverbruik en de kilometerstand van motorvoertuigen, overeenkomstig de vereisten bedoeld in artikel 5 quater, punt b), van Verordening (EG) nr. 595/2009, wordt de testmotor met deze voorziening aan boord uitgerust”. |
|
2) |
In punt 3.1.6.2 wordt de titel van de tabel “Tabel 1” vervangen door “Tabel 1a”. |
|
3) |
Punt 3.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
In punt 3.2.1, eerste alinea, wordt de tweede zin vervangen door: “Een van de twee referentiebrandstoffen is altijd B7 of B100 en de andere referentiebrandstof is G25, GR, lpg-brandstof B of waterstof.”. |
|
5) |
In tabel 2 wordt in punt 3.5 de rij “Brandstofmassadebiet voor gasvormige brandstoffen” vervangen door:
|
|
6) |
In punt 4.3.3.1 wordt de alinea vervangen door: “Naast het bepaalde in bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49, worden het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa en de in punt 4.3.5.3, 5), a), vermelde gegevens met toepassing van de WHTC-test geregistreerd.”. |
|
7) |
In punt 4.3.4.1 wordt de alinea vervangen door: “Naast het bepaalde in bijlage 4 bij VN-Reglement nr. 49, worden het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa en de in punt 4.3.5.3, 5), a), vermelde gegevens met toepassing van de WHSC-test geregistreerd.”. |
|
8) |
In punt 4.3.5.3 wordt in de eerste alinea het volgende subpunt toegevoegd na subpunt 4):
|
|
9) |
In tabel 4 in punt 5.3.3.1 worden de volgende vermeldingen toegevoegd:
|
|
10) |
In punt 6.1.9 wordt de volgende tekst toegevoegd: “In het geval van een dieselmotor die overeenkomstig punt 3.2 met een referentiebrandstof van type B100 wordt getest, is “Diesel B100 CI” de input voor de motorvoorbewerkingstool”. |
|
11) |
In aanhangsel 2 wordt deel 1 als volgt gewijzigd:
|
|
12) |
In aanhangsel 3 worden na punt 1.10.1 de volgende punten ingevoegd:
|
|
13) |
Aanhangsel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
14) |
In tabel 1a in aanhangsel 7 wordt de rij “FuelType” vervangen door:
|
BIJLAGE V
Bijlage VI bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 4.1.7.2 na punt 4.2.7.1 wordt vervangen door:
|
|
2) |
Na punt 6.1.2.1 wordt het volgende punt toegevoegd:
|
|
3) |
In punt 7.6 wordt de tweede zin vervangen door: “Per familie moet slechts één transmissie worden getest.”. |
|
4) |
In punt 7.10 wordt de eerste zin vervangen door: “Niettegenstaande punt 7.6 moeten, als het resultaat van een overeenkomstig punt 8 uitgevoerde test hoger is dan dat van de test van punt 8.1.3, nog eens drie eenheden van hetzelfde type worden getest.”. |
|
5) |
In aanhangsel 9 wordt het tweede onderdeel, “Afslapunt”, vervangen door: “Afslapunt:
μ(v0) = 1,8/vs ”. |
|
6) |
In tabel 1 in aanhangsel 12 wordt in de kolom “Beschrijving/referentie” in de rij “DifferentialIncluded” de volgende tekst toegevoegd: “Deze inputparameter is alleen vereist voor voertuigen met voorwielaandrijving.”. |
BIJLAGE VI
BIJLAGE VII BIS
Certificeringsprocedure voor het testen van wieluiteinden
1. Inleiding en definities
1.1. Inleiding
In deze bijlage wordt de certificeringsprocedure met betrekking tot de wrijvingsverliezen van wieluiteinden voor toepassingen op niet-aangedreven as beschreven. De certificering van wieluiteinden op aangedreven assen maakt deel uit van de in bijlage VII vastgelegde procedure.
Als alternatief voor de certificering van wieluiteinden kunnen de in punt 6 beschreven standaardwrijvingsverliezen van wieluiteinden worden toegepast om de voertuigspecifieke CO2-emissies te bepalen.
1.2. Definities
Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:
|
1) |
“wiellager”: de lagers die worden gebruikt om één wieluiteinde in een voertuig te ondersteunen; |
|
2) |
“wieluiteinde”: het geheel van onderdelen waarmee de verbinding tussen het wiel en de as tot stand wordt gebracht, met inbegrip van de wiellagers, dichtingen en smeermiddelen, de wielnaaf als deze aanwezig is, en alle overige onderdelen die relevant zijn voor de rotatiewrijving, terwijl de remschijf en wielflens er niet noodzakelijkerwijs deel van hoeven uitmaken; |
|
3) |
“radiale belasting”: de belasting die op het wieluiteinde wordt uitgeoefend, loodrecht en verticaal op de as van het wiel; |
|
4) |
“axiale belasting”: de belasting die op het wieluiteinde wordt uitgeoefend in de richting van de as, rekening houdend met de dynamische wielstraal; |
|
5) |
“positie van de belastingslijn”: de positie op het wieluiteinde waarlangs de radiale belasting wordt uitgeoefend; |
|
6) |
“fabrikant van het wieluiteinde”: de rechtspersoon die het wieluiteinde vervaardigt; |
|
7) |
“familie van wieluiteinden”: door de fabrikant bepaalde groep wieluiteinden die door hun ontwerp overeenkomstig punt 2.3 soortgelijke ontwerpkenmerken en CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen hebben; |
|
8) |
“klant”: de rechtspersoon die het voertuig of de as waarin het wieluiteinde is gemonteerd, verkoopt; |
|
9) |
“testinstantie”: de rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het testen van het wieluiteinde, hetzij de fabrikant van het wieluiteinde, hetzij een derde partij; |
|
10) |
“afdichting”: het deel van het wiellager dat moet verhinderen dat deeltjes of vloeistoffen in het wiellager binnendringen en dat er lekkage van smeermiddel plaatsvindt; |
|
11) |
“speling”: de totale afstand waarover de ene lagerring ten opzichte van de andere lagerring in axiale richting kan bewegen; |
|
12) |
“voorspanning”: de negatieve speling in het wiellager tijdens bedrijf; |
|
13) |
“binnenring”: de ring of ringen van de wiellagers met een kleinere diameter dan de buitenring; |
|
14) |
“buitenring”: de ring of ringen van de wiellagers met een grotere diameter dan de binnenring; |
|
15) |
“meting”: de meting van wrijvingsverliezen in het wieluiteinde, uitgedrukt als een wrijvingskoppel in Nm; |
|
16) |
“nominale lagerbelasting”: de in de specificaties van het wiellager gedefinieerde maximale ontwerpbelasting; |
|
17) |
“steekcirkeldiameter”: de afstand in een wiellager tussen het geometrische middelpunt van twee rolelementen wanneer de twee rolelementen diametraal tegenover elkaar liggen; |
|
18) |
“inloopprocedure”: de procedure waarbij een ongebruikt wieluiteinde onder belasting wordt geconditioneerd om het in een toestand te brengen die representatief is voor de omstandigheden tijdens het gebruik. |
2. Algemene voorschriften
2.1. Selectie van wieluiteinde
De voor de controle van de wrijvingsverliesmetingen gebruikte wieluiteinden zijn nieuw.
De wieluiteinden komen exact overeen met de specificaties voor de wieluiteinden, met de wieluiteinden die zijn bedoeld voor seriële productie en die worden gebruikt in de toepassingen van de klant.
Deze specificaties omvatten, onder andere, de afmetingen, de materialen, de kwaliteit en de behandeling van de oppervlakken, het aantal rollen, de afdichting, het type, de kwaliteit en de hoeveelheid smeermiddel en alle andere kenmerken die relevant zijn voor de wrijving van het wieluiteinde.
2.2. Aantal te testen wieluiteinden
Ten behoeve van de CO2-certificering van een familie van wieluiteinden worden ten minste vier verschillende wieluiteinden van de ouder van de familie wieluiteinden getest volgens de in de punten 3 en 4 beschreven procedures, waarbij voor elk uiteinde dezelfde toerental- en belastingsdoelstappen worden gebruikt.
2.3. Parameters die een familie van wieluiteinden definiëren
De volgende criteria zijn voor alle leden van een familie van wieluiteinden gelijk:
|
— |
aantal rolelementen; |
|
— |
diameter van de rolelementen binnen ± 0,5 mm (loodrecht en in het midden van de lange as gemeten); |
|
— |
lengte van de rolelementen binnen ± 1 mm (gemeten langs de lange as); |
|
— |
steekcirkeldiameter binnen ± 1 mm; |
|
— |
aantal rijen: |
|
— |
contacthoek van de buitenring met de rolelementen met ± 1 graad; |
|
— |
type smeermiddel: olie of vet; |
|
— |
positie van de belastingslijn (in het geval dat de ouder van de familie niet wordt getest op de in figuur 2 aangegeven positie). |
2.4. Keuze van de ouder van de familie van wieluiteinden
De ouder van een familie van wieluiteinden is het lid met de hoogste wrijving.
Als een familie bestaat uit meer dan één lid, rechtvaardigt de testinstantie de keuze van de ouder van de familie aan de hand van de eigenschappen van de onderdelen.
De nominale lagerbelasting voor de familie is de hoogste nominale lagerbelasting van alle leden van de familie.
Voor elk lid van de familie verstrekt de testinstantie kwantificeerbare gegevens over:
|
— |
de prestaties van de afdichtingen (bv. wrijvingsverliezen); |
|
— |
de prestaties van de smering (olie of vet) (bv. viscositeit); |
|
— |
de voorspanning/speling (bv. maximum en minimum). |
De goedkeuringsinstantie kan de testinstantie verzoeken om een aanvullende rechtvaardiging te geven, onder meer door middel van simulaties of berekeningen, wanneer zij van oordeel is dat de in de vierde alinea genoemde eigenschappen voldoende zijn om de keuze van de familie te rechtvaardigen.
2.5. Inlopen
De testinstantie past op de wieluiteinden een inloopprocedure toe.
Voor de inloopprocedure wordt dezelfde testopstelling gebruikt en gelden dezelfde eisen als voor de metingen van wrijvingsverliezen.
2.5.1. Inloopprocedure
De inloopprocedure bestaat uit vier opeenvolgende fasen.
Tijdens de eerste fase draait het wieluiteinde gedurende 60 ± 2 minuten rechtsom met een constant toerental van 300 min-1 en een radiale belasting die overeenkomt met 50 % van de nominale lagerbelasting.
Tijdens de tweede fase draait het wieluiteinde gedurende 60 ± 2 minuten linksom met een constant toerental van 300 min-1 en een radiale belasting die overeenkomt met 50 % van de nominale lagerbelasting.
Tijdens de derde fase draait het wieluiteinde gedurende 660 ± 2 minuten rechtsom met een constant toerental van 500 min-1 en een radiale belasting die overeenkomt met 100 % van de nominale lagerbelasting.
Tijdens de vierde fase draait het wieluiteinde gedurende 660 ± 2 minuten linksom met een constant toerental van 500 min-1 en een radiale belasting die overeenkomt met 100 % van de nominale lagerbelasting.
De testinstantie documenteert gedurende de inloopprocedure de looptijd, het toerental, de radiale belasting en de lagertemperatuur en verstrekt hierover een rapport aan de goedkeuringsinstantie.
2.6. Smeermiddel
2.6.1. Vereisten smeermiddel
Wat type, kwaliteit en kwantiteit betreft, moet het smeermiddel exact overeenkomen met de specificaties, zoals bedoeld voor seriële productie en in de toepassingen van de klant.
Als de fabrikant van het wieluiteinde geen smeermiddel bij het wiellager levert, moet de klant de nodige informatie verstrekken over het smeermiddel dat in de uiteindelijke toepassing zal worden gebruikt om het wieluiteinde nauwkeurig te kunnen testen.
2.6.2. Smeermiddel op oliebasis
Als het smeermiddel op olie is gebaseerd, moet de oliehoeveelheid in het lager voldoen aan de specificaties van de as. Als er geen specificatie is, geldt de voor de as meetkundig maximaal mogelijke oliehoeveelheid.
2.7. Speling tijdens bedrijf/voorspanning
Als de speling tijdens bedrijf/de voorspanning van het lager kan worden aangepast, moet de speling/voorspanning die wordt gebruikt voor het testen van het wiellager, worden ingesteld op het rekenkundig gemiddelde van het in de specificaties gedefinieerde bereik voor speling/voorspanning, binnen een tolerantie van ± 20 μm.
2.8. Afdichtingen
De afdichtingen die worden gebruikt voor het testen van het wieluiteinde, moeten exact overeenkomen met de specificaties zoals bedoeld voor seriële productie en zoals gebruikt in de toepassingen van de klant.
Als de fabrikant van het wieluiteinde geen afdichtingen bij het wieluiteinde levert, moet de klant de nodige informatie verstrekken over de afdichtingen die in de uiteindelijke toepassing zullen worden gebruikt om het wieluiteinde nauwkeurig te kunnen testen.
3. Testprocedure voor wieluiteinden
3.1. Testvoorwaarden
3.1.1. Omgevingstemperatuur
De temperatuur in de meetcel moet op 25 °C ± 10 °C worden gehouden. De omgevingstemperatuur moet worden gemeten op een afstand van 1 m van de buitenring van het wiellager en in het testrapport worden gedocumenteerd. Het betreft een doeltemperatuur voor de testinstantie, en systematische afwijkingen tussen de tests zijn niet toegestaan.
3.1.2. Wiellagertemperatuur
De wiellagertemperatuur wordt gemeten aan de binnenzijde van de binnenring aan de binnenzijde van het voertuig. Tijdens de metingen wordt de wiellagertemperatuur op maximaal 60 °C gehouden. Daartoe kan luchtkoeling worden toegepast in overeenstemming met punt 3.3.5.
3.2. Testopstelling
De vereiste testopstelling is afgebeeld in Figure 1.
Figuur 1
Vereenvoudigd schema van de testopstelling
3.2.1. Installatie van koppel-, belastings-, temperatuur- en toerentalmeters
Er worden koppelmeters geïnstalleerd om de wrijvingsverliezen in het wieluiteinde te meten, en zodanig dat parasitaire effecten tot een minimum worden beperkt.
Er wordt een toerentalmeter geïnstalleerd om de omwentelingssnelheid van het wieluiteinde te meten.
Er wordt een temperatuurmeter geïnstalleerd om de temperatuur aan de binnenzijde van de binnenring aan de binnenzijde van het voertuig te meten.
Er wordt een belastingsmeter geïnstalleerd om de op het wieluiteinde uitgeoefende radiale belasting te meten.
3.2.2. Testopstelling
De testopstelling bestaat uit een elektrische machine die wordt gebruikt om een omwentelingssnelheid op het wieluiteinde uit te oefenen, en uit een inrichting waarmee een radiale belasting op het wieluiteinde kan worden uitgeoefend.
Het wieluiteinde wordt zodanig geïnstalleerd dat de buitenring van het wiellager ronddraait en wordt gebruikt voor toerentalregeling, zonder dat de binnenring meedraait.
Tandwielen en koppelingen tussen de elektrische machine en het wieluiteinde zijn toegestaan, mits zij de meetresultaten niet beïnvloeden.
3.2.3. Meetapparatuur
De voorzieningen van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van IATF 16949, de ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale (internationale) normen.
De in de punten 3.2.3.1 tot en met 3.2.3.4 vastgestelde meetnauwkeurigheden hebben betrekking op de volledige meetketen, met inbegrip van sensoren en andere veroorzakers van onnauwkeurige metingen. De gespecificeerde toleranties voor onzekerheid worden niet gebruikt voor systematische afwijkingen wanneer meetinstrumenten met een hogere nauwkeurigheid worden toegepast.
3.2.3.1. Wrijvingskoppel
De onzekerheid van de koppelmeting voor het meten van het wrijvingskoppel van het wieluiteinde mag niet meer dan ± 0,2 Nm bedragen.
In het geval van een grotere onzekerheid worden de metingen berekend overeenkomstig punt 3.4.6.
3.2.3.2. Radiale belasting
De onzekerheid van de belastingsmeting voor het meten van de op het wieluiteinde uitgeoefende radiale belasting bedraagt niet meer dan ± 1 kN.
Als de radiale belasting wordt toegepast als een massa, moet deze worden omgezet door middel van de gravitatieconstante van 9,81 N/kg.
3.2.3.3. Toerental
De onzekerheid van de toerentalmeting voor de meting van het toerental van het wieluiteinde mag niet meer dan ± 2,5 min-–1 bedragen.
3.2.3.4. Temperaturen
De onzekerheid van de temperatuurmeting voor de meting van de omgevingstemperatuur mag niet meer dan ± 2 °C bedragen.
De onzekerheid van de temperatuurmeting voor de meting van de wiellagertemperatuur mag niet meer dan ± 2 °C bedragen.
3.2.4. Meetsignalen en gegevensregistratie
De volgende signalen worden geregistreerd om de wrijvingskoppelverliezen te berekenen:
|
a) |
ingangstoerental [min–1]; |
|
b) |
wrijvingskoppel wieluiteinde [Nm]; |
|
c) |
toegepaste radiale belasting [kN]; |
|
d) |
lagertemperatuur [°C]; |
|
e) |
omgevingstemperatuur [°C]. |
De sensoren hebben ten minste de volgende bemonsteringsfrequenties:
|
a) |
wrijvingskoppel: 300 Hz |
|
b) |
toerental: 100 Hz |
|
c) |
temperaturen: 10 Hz |
|
d) |
belasting: 10 Hz |
De ruwe gegevens van het wrijvingskoppel worden gefilterd door een geschikt laagdoorlaatfilter zoals een Butterworth-filter van de tweede orde met een grensfrequentie van 0,1 Hz. Met instemming van de goedkeuringsinstantie mogen de overige signalen worden gefilterd. Aliasing moet worden voorkomen.
De ruwe gegevens mogen niet worden gerapporteerd.
3.3. Testprocedure
Om het koppelverliesdiagram voor een wieluiteinde te bepalen, worden de rasterpunten van het wrijvingskoppelverliesdiagram gemeten overeenkomstig punt 3.4.
De meting van een rasterpunt mag alleen worden herhaald als dit technisch gerechtvaardigd is, zoals het niet (goed) werken van een meetsensor. Deze herhaling wordt in het testrapport gedocumenteerd. De gehele test van één monster van het wieluiteinde, vanaf het begin van de inloop tot de voltooiing van het laatste rasterpunt, moet worden uitgevoerd binnen ten hoogste 55 uur, anders is de test van het monster ongeldig.
3.3.1. Bereik radiale belasting
Metingen voor het wrijvingsverliesdiagram moeten worden uitgevoerd met radiale belastingen die overeenkomen met 25 %, 50 % en 100 % van de nominale lagerbelasting.
De doelbelastingen moeten door de testinstantie samen met de werkelijk gemeten belasting worden gerapporteerd.
3.3.2. Radiale positie van de belastingslijn
De radiale belasting moet op het wieluiteinde in het midden worden uitgeoefend, zodat de positie van de belastingslijn zich binnen ± 0,5 mm in het midden van het wiellager bevindt. Het middelpunt van het wiellager wordt gedefinieerd als het midden van de buitenste posities van de binnenste ringen van het wiellager (zie figuur 2).
Figuur 2
Bepaling van de positie van de belastingslijn
Op verzoek van de fabrikant en met goedkeuring van de goedkeuringsinstantie mag er een positie van de belastingslijn buiten het midden van het lager worden gekozen. In dat geval moet de fabrikant bewijzen dat deze positie van de belastingslijn overeenkomt met de toepassing van het wieluiteinde.
3.3.3. Axiale belasting
Bij de metingen die in dit punt aan de orde komen, wordt geen axiale belasting op de wieluiteinden uitgeoefend.
3.3.4. Toerentalbereik
Het wieluiteinde wordt getest op 250 en 500 min-1. Alle toerentalpunten moeten rechtsom en linksom worden gemeten overeenkomstig de testvolgorde in punt 3.4.1. De resultaten kunnen eventueel worden gerapporteerd als de gemiddelde rechtsom en linksom gemeten waarden.
3.3.5. Koelen en verwarmen
Het wieluiteinde mag met lucht worden gekoeld met behulp van een ventilator die gebruikmaakt van omgevingslucht met de in punt 3.1.1 gedefinieerde omgevingstemperatuur. Andere externe koeling of verwarming is niet toegestaan. In het geval dat luchtkoeling wordt gebruikt, moet voor alle geteste wieluiteinden op alle rasterpunten dezelfde koelingstoestand worden toegepast.
3.4. Diagrammen met wrijvingskoppelverliesmetingen
3.4.1. Testvolgorde
De toe te passen testvolgorde is afhankelijk van de meetconfiguratie van de testopstelling.
Als er sprake is van een meetconfiguratie waarbij de radiale belasting en het wrijvingskoppel beide afzonderlijk worden bepaald door een speciale koppelmeter, moeten de wieluiteinden worden getest volgens de in punt 3.4.1.1 beschreven testprocedure A.
Als er sprake is van een meetconfiguratie waarbij de radiale belasting en het wrijvingskoppel gelijktijdig worden bepaald door dezelfde koppelmeter, moeten de wieluiteinden worden getest volgens de in punt 3.4.1.2 beschreven testprocedure B.
Als de testinstantie niet op basis van de in de tweede en derde alinea bedoelde functiebeschrijvingen kan beoordelen welke testvolgorde moet worden toegepast, wordt testvolgorde A toegepast.
3.4.1.1. Testvolgorde A
De wrijvingsmetingen van de rasterpunten gaan van de hoogste radiale belasting naar de laagste radiale belasting, terwijl bij elke belastingsstap eerst het hoogste en vervolgens het laagste toerental wordt getest. Zodra het rasterpunt bij de laagste belasting en het laagste toerental is gemeten, wordt de draairichting aan het wieluiteinde omgekeerd en wordt de eerder beschreven volgorde herhaald.
De testvolgorde wordt schematisch weergegeven in figuur 3.
Figuur 3
Schema testvolgorde A
3.4.1.2. Testvolgorde B
De wrijvingsmetingen van de rasterpunten beginnen bij de hoogste radiale belasting en het hoogste toerental. Vervolgens wordt de draairichting omgekeerd en wordt hetzelfde belastings-/toerentalpunt gemeten. Bij dezelfde belasting wordt de draairichting nog eens omgekeerd en wordt de wrijving gemeten bij een lager toerental. Ook dit belastings-/toerentalpunt wordt in beide draairichtingen gemeten. De hierboven beschreven volgorde wordt herhaald voor de instellingen van 50 % en 25 % radiale belasting.
De testvolgorde wordt schematisch weergegeven in figuur 4.
Figuur 4
Schema testvolgorde B
3.4.2. Stabilisatie en meetduur
Voor elk rasterpunt houdt de testinstantie een stabilisatieperiode van 117 ± 2 minuten aan alvorens de meting te starten. Bovendien worden de volgende stabilisatieperioden toegepast:
|
— |
Voor testvolgorde A: Vóór het eerste rasterpunt en vóór het zevende rasterpunt (nadat de draairichting is omgekeerd) moet de stabilisatieperiode met 60 ± 2 minuten worden verlengd. De stabilisatietijden worden aangegeven in figuur 3. |
|
— |
Voor testvolgorde B: Vóór het eerste rasterpunt moet de stabilisatieperiode met 60 ± 2 minuten worden verlengd. Vóór het vijfde en het negende rasterpunt moet de stabilisatieperiode met 30 ± 2 minuten worden verlengd. De stabilisatietijden worden aangegeven in figuur 4. |
De wrijving voor elk afzonderlijk rasterpunt wordt gemeten gedurende de laatste 180 seconden van de desbetreffende fase op constant toerental. Mocht tijdens de laatste 180 seconden van het rasterpunt niet aan het in punt 3.4.3 beschreven stabilisatiecriterium worden voldaan, dan mag de meting worden verricht vanaf het eerste eerdere ononderbroken segment van 180 seconden waarin wel aan het stabilisatiecriterium werd voldaan.
Indien de testopstelling is uitgerust met een ondersteuning van het wieluiteinde door middel van een steunlager, dat tijdens de meting van elk rasterpunt in beide richtingen moet ronddraaien, moet de wrijving worden gemeten gedurende de laatste 180 seconden van de omwenteling van het steunlager rechtsom en gedurende de laatste 180 seconden van de omwenteling van het steunlager linksom.
3.4.3. Stabilisatiecriterium
Aan het stabilisatiecriterium wordt voldaan wanneer de standaardafwijking van het wrijvingskoppel tijdens de meting niet meer bedraagt dan 15 % van de gemiddelde waarde of 0,4 Nm, al naargelang welke waarde de hoogste is.
3.4.4. Bepaling van het gemiddelde voor rasterpunten
Voor elk afzonderlijk monster wordt voor elk rasterpunt van alle geregistreerde waarden gedurende de meetduur het rekenkundig gemiddelde genomen. Vervolgens worden de rekenkundige gemiddelden van hetzelfde rasterpunt over alle monsters gemiddeld tot één rekenkundig gemiddelde per rasterpunt.
3.4.5. Validering van de meting
Voor elk rasterpunt:
|
— |
wijkt het toerental van het wieluiteinde vóór middeling niet meer dan ± 5 min-1 van de ingestelde waarde af; |
|
— |
wijkt de radiale belasting vóór middeling niet meer dan ± 2 kN van de ingestelde waarde af; |
|
— |
systematische afwijkingen van de ingestelde waarden zijn niet toegestaan. |
Als niet aan de hierboven vermelde criteria wordt voldaan, is de meting van het betreffende rasterpunt ongeldig. In dit geval moet de meting voor de gehele betrokken toerental- en belastingsstap worden herhaald en moet de reden voor het ongeldig verklaren van het rasterpunt in het testrapport worden vermeld. Als de herhaalde meting geldig is, worden de gegevens geconsolideerd.
3.4.6. Beoordeling van de totale onzekerheid van het koppelverlies
Indien de onzekerheden over het gemeten wrijvingskoppel onder de in punt 3.2.3.1 vastgestelde grens liggen, wordt het gerapporteerde wrijvingskoppelverlies geacht gelijk te zijn aan de gemeten wrijvingskoppelverliezen.
Indien de onzekerheid groter is, moet het onzekere deel dat de grenswaarde overschrijdt, bij de gemeten wrijvingskoppelverliezen worden opgeteld.
Het uiteindelijke wrijvingskoppelverlies van het wieluiteinde bij een bepaald toerental en een bepaalde belasting wordt daarom als volgt berekend:
waarbij:
|
— |
Treported het berekende wrijvingskoppelverlies bij een bepaald toerental en bepaalde belasting is dat is opgegeven voor de CO2-certificering van wieluiteinden [Nm]; |
|
— |
Tmeasured het gemeten wrijvingskoppelverlies is volgens punt 3.4.4 bij een gegeven toerental en belasting [Nm]; |
|
— |
Ut de absolute waarde is van de koppelonzekerheid (> 0), uitgedrukt in Nm; |
|
— |
Ulimit 0,2 Nm is. |
3.5. Berekening van de wrijvingswaarde voor certificering
Voor de berekening van de uiteindelijke wrijvingswaarde voor het wieluiteinde worden de rasterpunten van het diagram met het gerapporteerde koppelverlies eerst gemiddeld voor alle monsters van het wieluiteinde overeenkomstig punt 0, indien van toepassing gecorrigeerd overeenkomstig punt 3.4.6, en vervolgens gewogen overeenkomstig tabel 1 voor toepassingen met niet-aangedreven wieluiteinden.
Tabel 1
Wegingsfactoren voor toepassingen met niet-aangedreven assen
|
|
250 min-1 |
500 min-1 |
|
Belasting 25 % |
0,4 % |
2,4 % |
|
Belasting 50 % |
7,9 % |
35,3 % |
|
Belasting 100 % |
9,5 % |
44,5 % |
3.6. Opgave van de gecertificeerde wrijvingswaarde
De fabrikant van het wieluiteinde mag de in punt 3.5 berekende gewogen gemiddelde wrijving opgeven als de gecertificeerde waarde voor de familie van wieluiteinden. Als alternatief heeft de fabrikant van het wieluiteinde de mogelijkheid om een hogere wrijvingswaarde op te geven. De opgegeven wrijvingswaarde wordt afgerond op één decimaal.
4. Conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofeigenschappen
Elk overeenkomstig deze bijlage gecertificeerd type wieluiteinde moet zodanig worden gefabriceerd dat het in overeenstemming is met het goedgekeurde type zoals beschreven in het certificaat en de bijlagen daarbij. De procedures voor de waarborging van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen moeten in overeenstemming zijn met het bepaalde in artikel 31 van Verordening (EU) 2018/858.
De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd aan de hand van de beschrijving in aanhangsel 1 en de in dit punt beschreven specifieke voorwaarden.
De fabrikant van het wieluiteinde test ten minste om de twee jaar vanaf de datum van certificering van de ouder van de familie het in Table 2 aangegeven aantal families van wieluiteinden. Het aantal te testen families van wieluiteinden is afhankelijk van de productievolumes van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de conformiteit van de productie moet worden getest.
Er moeten ten minste twee wieluiteinden van hetzelfde familielid worden getest.
Tabel 2
Steekproefgrootte conformiteitstests
|
Productieaantal |
Aantal te testen families van wieluiteinden |
|
0 -100 000 |
2 |
|
100 001 -150 000 |
3 |
|
150 001 -250 000 |
4 |
|
250 001 en meer |
5 |
5. Productieconformiteitstests
Voor tests betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen past de fabrikant van het wieluiteinde dezelfde procedure toe als de in punt 3 beschreven procedure, met inbegrip van de inloopprocedure en de validatiecriteria.
5.1. Beoordeling van de test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen
Een test betreffende de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is doorstaan wanneer de gewogen gemiddelde wrijvingswaarde in de conformiteitstest lager is dan of gelijk is aan de opgegeven wrijvingswaarde voor de familie van wieluiteinden, met een toegestane tolerantiemarge van +10 %.
Als de test van de conformiteit van de productie niet wordt doorstaan, moeten drie extra wieluiteinden volgens dezelfde procedure worden getest. Van de geregistreerde waarden van alle geteste uiteinden, met inbegrip van de drie extra wieluiteinden, wordt voor elk rasterpunt het rekenkundig gemiddelde genomen. Als de test van de conformiteit van de productie wederom niet wordt doorstaan, zijn de bepalingen van artikel 23 van toepassing.
Als een familielid een hogere wrijving blijkt te hebben dan de ouder van de familie, wordt het familielid ingedeeld in een andere familie van wieluiteinden en is een nieuwe certificering vereist.
6. Standaardwrijvingskoppelverlies
Het standaardwrijvingsverlies voor niet-aangedreven assen bedraagt 4,8 Nm.
Aanhangsel 1
MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VAN EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM
Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)
CERTIFICAAT VOOR CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN FAMILIE VAN WIELUITEINDEN
|
Mededeling betreffende de:
|
Stempel instantie |
van een certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een familie van wieluiteinden overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie. Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij …
Certificeringsnummer:
Hash:
Reden van de uitbreiding:
|
1 |
Doorhalen wat niet van toepassing is |
AFDELING I
|
1. |
Merk (handelsnaam van de fabrikant): |
|
2. |
Type: |
|
3. |
Naam en adres van de fabrikant: |
|
4. |
Naam en adres van de assemblagefabriek(en): |
|
5. |
Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: |
AFDELING II
|
1. |
Eventuele aanvullende informatie: zie addendum |
|
2. |
Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests: |
|
3. |
Datum van het testrapport: |
|
4. |
Nummer van het testrapport: |
|
5. |
Eventuele opmerkingen: zie addendum |
|
6. |
Plaats |
|
7. |
Datum |
|
8. |
Handtekening |
Bijlagen:
|
1. |
Inlichtingenformulier |
|
2. |
Testrapport |
Aanhangsel 2
INLICHTINGENFORMULIER WIELUITEINDEN
|
Inlichtingenformulier nr.: … |
Afgifte: … Datum van afgifte: … Datum van wijziging: … |
krachtens …
Type en familie van wieluiteinden (indien van toepassing): …
ALGEMEEN
|
1. |
Naam en adres van de fabrikant: |
|
2. |
Merk (handelsnaam van de fabrikant): |
|
3. |
Type wieluiteinde: |
|
4. |
Astype: |
|
5. |
Familie van wieluiteinden (indien van toepassing): |
|
6. |
Handelsnaam of -namen (indien van toepassing): |
|
7. |
Naam en adres van de assemblagefabriek(en): |
|
8. |
Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant: |
DEEL 1
Essentiële eigenschappen van het (ouder)wieluiteinde en de typen wieluiteinden binnen een familie van wieluiteinden
|
Specifieke kenmerken van wieluiteinde |
Ouderwieluiteinde |
Lid van familie |
||
|
#1 |
#2 |
#3 |
||
|
Aantal rolelementen |
… |
… |
… |
… |
|
Diameter rolelementen |
… |
… |
… |
… |
|
Lengte rolelementen |
… |
… |
… |
… |
|
Steekcirkeldiameter |
… |
… |
… |
… |
|
Aantal rijen |
… |
… |
… |
… |
|
Contacthoek van de buitenring met de rolelementen |
… |
… |
… |
… |
|
Type smeermiddel |
… |
… |
… |
… |
|
Positie belastingslijn |
… |
… |
… |
… |
|
Nominale belasting |
… |
… |
… |
… |
LIJST VAN BIJLAGEN
|
Nr. |
Beschrijving |
Datum van afgifte |
|
1 |
Prestaties afdichting |
… |
|
2 |
Prestaties smeermiddel |
… |
|
3 |
Voorspannings- of spelingbereik |
… |
|
4 |
Overzicht van onderdeelnummers voor onderdelen van wieluiteinden |
… |
BIJLAGE VII
Bijlage VIII bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan punt 2 wordt het volgende subpunt toegevoegd:
|
|
2) |
Punt 3 wordt vervangen door:
|
|
3) |
In punt 3.2.2 wordt de eerste zin vervangen door:
|
|
4) |
In punt 3.2.5 worden de subpunten i) en ii) vervangen door:
|
|
5) |
Punt 3.3.1.7 wordt vervangen door:
|
|
6) |
Na punt 3.3.1.8 wordt het volgende punt ingevoegd:
|
|
7) |
punt 3.5.2 wordt vervangen door:
|
|
8) |
In punt 3.5.3.1, vii), wordt het tweede streepje vervangen door:
|
|
9) |
In punt 3.5.3.4 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Indien op enig moment tijdens de in dit punt en in punt 3.5.3.5 beschreven testonderdelen de mechanische bedrijfsrem wordt gebruikt, wordt de hele test ongeldig verklaard. Als specifieke voertuiginstellingen vereist zijn om te waarborgen dat de bedrijfsrem tijdens deze onderdelen niet wordt geactiveerd, verstrekt de fabrikant de details van die instellingen op verzoek aan de goedkeuringsinstantie, de Commissie, de markttoezichtautoriteit of een derde partij die voldoet aan de voorschriften van Verordening (EU) 2022/163, om te waarborgen dat de test onafhankelijk van de fabrikant kan worden gereproduceerd.”. |
|
10) |
Punt 3.5.3.5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 3.5.3.8 wordt vervangen door:
Daarbij moet aan dezelfde bepalingen worden voldaan als bij de eerste test met lage snelheid.”. |
|
12) |
Punt 3.11 wordt geschrapt. |
|
13) |
In tabel 5 in punt 3.9 wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
|
14) |
In aanhangsel 1, afdeling II, wordt de laatste alinea “Informatiepakket. Testrapport.” vervangen door:
|
|
15) |
Aan aanhangsel 2, deel 1, wordt de volgende afdeling toegevoegd: “Bijlage 2 bij inlichtingenformulier “ Informatie over de toepassing van de CFD-methode (indien van toepassing)
|
|
16) |
Aanhangsel 5 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
17) |
Aanhangsel 6 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
18) |
In aanhangsel 9 wordt tabel 1 als volgt gewijzigd:
|
|
19) |
Na aanhangsel 9 worden de volgende aanhangsels ingevoegd: “Aanhangsel 10 Goedkeuring van de CFD-methode
Aanhangsel 11 MODEL VAN EEN LICENTIE VOOR DE TOEPASSING VAN EEN CFD-METHODE VOOR DE BEPALING VAN DE LUCHTWEERSTAND Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm) LICENTIE VOOR DE TOEPASSING VAN EEN CFD-METHODE VOOR DE BEPALING VAN DE LUCHTWEERSTAND
van de licentie om een CFD-methode toe te passen voor de bepaling van de luchtweerstand overeenkomstig bijlage VIII bij Verordening (EU) 2017/2400. Nummer van de licentie voor de toepassing van de CFD-methode (volgens het nummeringssysteem in punt 2 van aanhangsel 8, met uitzondering van de extra letter bij deel 3 “P”, die is vervangen door “CFD”): Reden voor de weigering/intrekking: AFDELING I
AFDELING II
Bijlagen (voor elke voertuigconfiguratie A en B)
Testrapporten voor elke geldige test met constante snelheid.. |
(1) 1schrappen indien niet van toepassing
BIJLAGE VIII
Bijlage IX bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
In punt 3.3.2 wordt in tabel 7 in de rij “Alternator”, in de subrij “Alternatortechnologie”, in de kolom “Toelichting”, de laatste zin vervangen door:
|
|
3) |
In punt 3.4.1.2 wordt in tabel 10 de kolom “Compressorkoppeling (P311)” vervangen door:
|
|
4) |
In punt 3.5.2 wordt tabel 14 als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Punt 3.6 wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE IX
Bijlage X bis bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 1 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door: “Deze bijlage bevat de voorschriften voor de controletestprocedure waarmee de CO2-emissies van nieuwe zware voertuigen worden gecontroleerd. De controletestprocedure bestaat uit een test op de weg om de CO2-emissies van nieuwe voertuigen na productie te controleren. Deze procedure wordt uitgevoerd door de voertuigfabrikant en wordt gecontroleerd door de goedkeuringsinstantie die de licentie voor het gebruik van de simulatietool heeft verleend. In het geval van zware bussen moet de controletestprocedure worden uitgevoerd door de primairevoertuigfabrikant. Tijdens de controletestprocedure worden het koppel en het toerental bij de aangedreven wielen, het motortoerental, het brandstofverbruik, de verontreinigende emissies en de andere in punt 6.1.6 genoemde relevante parameters gemeten. De gemeten gegevens worden gebruikt als input voor de simulatietool, die gebruikmaakt van inputgegevens en inputinformatie betreffende het voertuig afkomstig van de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het voertuig. Voor de simulatie van de controletestprocedure worden het momentaan gemeten wielkoppel, het toerental van de wielen en het motortoerental gebruikt als input. Om de controletestprocedure te doorstaan, moeten de CO2-emissies berekend op basis van het gemeten brandstofverbruik binnen de in punt 7 vastgestelde toleranties liggen in vergelijking met de middels de controlegegevensreeks gesimuleerde CO2-emissies. Figuur 1 toont een schematische afbeelding van de methode van de controletestprocedure. De evaluatiestappen die door de simulatietool worden uitgevoerd bij de simulatie van de controletestprocedure, worden beschreven in aanhangsel 1 van deze bijlage.”. |
|
2) |
In punt 2 wordt punt (4) vervangen door:
|
|
3) |
punt 3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
In punt 4 wordt de eerste alinea vervangen door: “Elk voertuig dat de controletest ondergaat, moet zich in een toestand bevinden die overeenkomt met de toestand waarin het voertuig in de handel wordt gebracht. Veranderingen in hardware, zoals smeermiddelen, of in software, zoals ondersteunende regeleenheden, zijn niet toegestaan. De banden mogen worden vervangen door meetbanden met een diameter van niet meer dan ± 10 % van de diameter van de oorspronkelijke band.”. |
|
5) |
Aan punt 5.6 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Voor zware bussen moet de status van de compressor van het pneumatische systeem worden geregistreerd. Fasen waarin perslucht aan het reservoir wordt toegevoerd, moeten in de meetgegevens worden geëtiketteerd overeenkomstig de bepalingen van tabel 4 van deze bijlage. De toestand van de compressor wordt gemonitord door middel van registratie van de systeemdruk of door middel van beschikbare CAN-signalen.”. |
|
6) |
In punt 5.7, tweede streepje, de formule, wordt de vermelding “β” vervangen door:
|
|
7) |
In punt 5.9 wordt in tabel 2 de rij “Wielkoppel” vervangen door:
|
|
8) |
Na punt 5.11 worden de volgende punten ingevoegd:
|
|
9) |
Aan punt 6.1.1 wordt de volgende alinea toegevoegd: “In het geval van zware bussen stelt de primairevoertuigfabrikant de inputinformatie en inputgegevens ter beschikking, alsmede het dossier van de fabrikant, en stelt de fabrikant van het voltooide voertuig het voertuiginformatiedossier en het klanteninformatiedossier ter beschikking.”. |
|
10) |
Punt 6.1.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 6.1.1.2 wordt vervangen door:
|
|
12) |
Aan punt 6.1.4.1 wordt de volgende alinea toegevoegd: “Zware bussen van de in tabellen 4, 5 en 6 van bijlage I gedefinieerde voertuiggroepen worden getest met de definitieve carrosserieën van het complete of voltooide voertuig.”. |
|
13) |
In punt 6.1.4.2 wordt de tweede alinea vervangen door: “Voor zware vrachtwagens van de groepen 1s, 1, 2 en 3, voor middelzware vrachtwagens en voor zware bussen bevindt de lading zich in een bereik tussen 55 % en 75 % van het maximaal toegestane gewicht overeenkomstig Richtlijn 96/53/EG voor het specifieke voertuig of de specifieke voertuigcombinatie.”. |
|
14) |
Punt 6.1.4.4 wordt vervangen door:
|
|
15) |
In punt 6.1.5.5 worden de volgende alinea’s toegevoegd: “Indien het voertuig is uitgerust met extra verwarming op brandstof, wordt alleen het brandstofverbruik van de verbrandingsmotor gemeten. Indien van toepassing begint de registratie van de signalen van de totale massa van het voertuig en van de signalen van het brandstofverbruik van de motor, zoals bepaald door het OBFCM-apparaat, ten laatste zodra de meting van het brandstofverbruik is begonnen, en eindigt deze samen met de meting van het brandstofverbruik. De levensduurwaarden van de kilometerstand en het totale brandstofverbruik, zoals bepaald door het OBFCM-apparaat, worden geregistreerd aan het begin van de brandstofverbruiksmeting en aan het einde van de brandstofverbruiksmeting met het OBFCM-apparaat.”. |
|
16) |
Punt 6.1.5.7 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
17) |
Punt 6.1.6, tabel 4, wordt als volgt gewijzigd:
|
|
18) |
Na punt 6.1.6 wordt het volgende punt ingevoegd:
|
|
19) |
Punt 7.1 wordt vervangen door:
|
|
20) |
In punt 7.2.1 wordt na de eerste alinea de volgende alinea ingevoegd: “Voor zware bussen worden ook het voertuiginformatiedossier en het klanteninformatiedossier van het voltooide voertuig gecontroleerd.”. |
|
21) |
Punt 7.3 wordt vervangen door:
|
|
22) |
Punt 8.1.1 wordt vervangen door:
(14) Voor zware bussen alleen primairevoertuigfabrikant”." |
|
23) |
Punt 8.2.3 wordt vervangen door:
|
|
24) |
Na punt 8.13.14.7 wordt het volgende punt toegevoegd:
|
|
25) |
Na punt 8.13.14.7 worden de volgende punten ingevoegd:
|
|
26) |
In aanhangsel 1, deel A, wordt punt 3 vervangen door:
geval b) elektrisch aangedreven motorkoelventilatoren: Pfan(t) = P el(t) . 1,43
Bij voertuigen waarvan de motor tijdens de controletest wordt gestopt en gestart, worden voor het vermogensverbruik van hulpapparatuur en voor de energie om de motor opnieuw te starten, soortgelijke correcties toegepast als die welke in de opgavemodus van de simulatietool worden toegepast. De simulatie van het momentane brandstofverbruik van de motor FCsim(t) wordt voor elk tijdsinterval van 0,5 seconde als volgt uitgevoerd:
Het door de simulatietool berekende specifieke brandstofverbruik op de testbank BBSFCm-c, zoals toegepast in punt 7.2.2 voor de berekening van de CVTP-factor, wordt als volgt berekend:
waarbij:
In het geval van dualfuelmotoren wordt de BSFCsim voor beide brandstoffen afzonderlijk bepaald”. |
(14) Voor zware bussen alleen primairevoertuigfabrikant”.”
(1) “Niet-lineariteit” is de maximale afwijking tussen ideale en werkelijke uitgangssignaalkenmerken voor een gemeten waarde in een specifiek meetbereik.
(2) “Herhaalbaarheid” is de mate waarin de resultaten van achtereenvolgende, onder dezelfde meetomstandigheden uitgevoerde metingen van dezelfde gemeten waarde met elkaar overeenstemmen.”.
BIJLAGE X
Bijlage X ter bij Verordening (EU) 2017/2400 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In punt 2 worden de volgende punten toegevoegd:
|
|
2) |
In punt 3.1 worden in tabel 1 de volgende rijen ingevoegd na de rij “Koppel”:
|
|
3) |
In punt 3.1 wordt in tabel 1 na de eerste rij “Temperatuur” de volgende rij ingevoegd:
|
|
4) |
Na punt 3.2 worden de volgende punten ingevoegd:
|
|
5) |
Aan punt 4.1.3 wordt de volgende alinea toegevoegd: “De spanning voor onbeperkt bedrijfsvermogen moet een representatief spanningsbereik zijn dat typisch wordt toegepast in echte voertuigen en hoeft niet noodzakelijkerwijs de technisch toegestane minimum-/maximumingangsspanning naar de UUT te weerspiegelen, en mag geen extreme grenstoestanden weerspiegelen wanneer de operationele capaciteiten van de UUT worden beperkt door voertuigbeheersing op hoog niveau die geen deel uitmaakt van de feitelijke UUT-besturingslogica (bv. vermindering van het beschikbare aandrijfkoppel van de UUT als gevolg van beperkingen in het REESS van het voertuig).”. |
|
6) |
Na punt 4.1.8.4 wordt het volgende punt ingevoegd:
|
|
7) |
Punt 4.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
8) |
In punt 4.2.2.1 wordt de tweede zin vervangen door: “Die opgave moet afzonderlijk worden gedaan voor elke voorwaartse versnelling van een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen, gemeten overeenkomstig punt 4.2.2, en ook voor elk van de twee spanningsniveaus Vmin,Test en Vmax,Test.”. |
|
9) |
Punt 4.2.6.2 wordt vervangen door:
|
|
10) |
Punt 4.2.6.2.1 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
11) |
Punt 4.2.6.2.2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
12) |
Het volgende punt wordt ingevoerd na punt 4.2.6.2.2:
|
|
13) |
In punt 4.2.6.4 wordt de zesde alinea vervangen door: “Alle bedrijfspunten moeten gedurende een bedrijfstijd van ten minste vijf seconden worden vastgehouden. Tijdens deze bedrijfstijd wordt het toerental van de UUT op het toerentalinstelpunt gehouden, met een tolerantie van ± 1 % of, als dat meer is, 20 min-1. Aanvullend daarop moet gedurende die bedrijfstijd, met uitzondering van het hoogste en het laagste koppelinstelpunt bij elk toerentalinstelpunt, het gemiddelde koppel op het koppelinstelpunt worden gehouden binnen een tolerantie van ± 1 % van de waarde van het koppelinstelpunt of ± 5 Nm (± 2 % van de waarde van het koppelinstelpunt of ± 20 Nm indien de UUT een IEPC is met een versnellingsbak en/of een differentieel), afhankelijk van welke waarde hoger is.”. |
|
14) |
Aan punt 4.3.2 wordt de volgende alinea toegevoegd: “In het geval van een IEPC met een versnellingsbak met meerdere versnellingen waarbij de koppelbegrenzingen voor elke voorwaartse versnelling zijn bepaald overeenkomstig punt 4.2.2, c), moet de manipulatiestap voor elke voorwaartse versnelling afzonderlijk worden uitgevoerd.”. |
|
15) |
Punt 4.3.3 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
16) |
Punt 4.3.4 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
17) |
Na punt 6.4.1 worden de volgende punten ingevoegd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
18) |
Aanhangsel 7 wordt vervangen door: “Aanhangsel 7 Inlichtingenformulier voor FCS
van een certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een elektrische-machinesysteem IEPC / IHPC van type 1 / accusysteem / condensatorsysteem overeenkomstig / FCS / Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie. Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals van toepassing op [datum] Certificeringsnummer: Hash: Reden van de uitbreiding:
krachtens … FCS-type/-familie (indien van toepassing):
DEEL 1 ESSENTIËLE EIGENSCHAPPEN VAN (OUDER-)FCS EN FCS-TYPEN BINNEN EEN FCS-FAMILIE
LIJST VAN BIJLAGEN
Bijlage 1 bij Inlichtingenformulier FCS Informatie over de omstandigheden van de FCS-test:
Bijlage 2 bij Inlichtingenformulier FCS Grensvoorwaarden voor werking van FCS in voertuigen volgens de verklaring van de fabrikant: Deze tabel wordt door de fabrikant aangenomen/ingevuld aan de hand van zijn bedrijfsspecificatie voor de werking van het FCS in een voertuig. De specificaties in de volgende tabel zijn verplicht:
Bijlage 3 bij Inlichtingenformulier FCS Tabel 1 Informatie over de resultaten van de FCS-certificeringstest in de vorm van rekenkundige gemiddelden
Toelichtingen op de tabel in bijlage 3 bij het Inlichtingenformulier FCS De posities van de sensoren zijn op schematische wijze aangeduid in figuur 5. Alle waarden, met uitzondering van duur, ARS en REE, zijn rekenkundig gemiddelden op elk OP, bepaald over de analysetijd, tanlys, gedefinieerd overeenkomstig punt 7.3.4.4 (d.w.z. vóór de middelingsstap van oplopend en aflopend). Voor de SCOP wordt het middelingstijdsbestek gedefinieerd door dezelfde tijdsbesteklengte als voor de analysetijd en bevindt het zich net vóór de overgang naar het volgende OP01a. De minimale precisievereisten voor sensoren worden aangegeven door middel van een type-indeling in de betreffende kolom in tabel 2. De volgende typen worden onderscheiden, waarbij type I de hoogste precisie heeft en type III de laagste:
Als dezelfde waarde door meerdere sensoren wordt gemeten, worden alleen de door de sensor met de hoogste precisie bepaalde cijfers vastgelegd. Als de kolom met opmerkingen de aanduidingen “indien van toepassing”/“indien toegankelijk” bevat, hoeven er geen aanvullende sensoren te worden gemonteerd. Tabel 2 Nauwkeurigheidsvereisten van sensoren
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
19) |
Aanhangsel 8 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
20) |
Aanhangsel 9 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
21) |
Aanhangsel 10 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
22) |
Aanhangsel 11 wordt vervangen door: “Aanhangsel 11 Standaardwaarden voor FCS De volgende stappen worden uitgevoerd om de inputgegevens voor het FCS te genereren op basis van standaardwaarden:
|
|
23) |
Aan aanhangsel 12 worden de volgende punten toegevoegd:
|
|
24) |
Aan aanhangsel 13 worden de volgende punten toegevoegd:
|
|
25) |
In aanhangsel 14, punt 1.4, tabel 1, wordt de volgende rij ingevoegd na rij “B”:
|
|
26) |
Aanhangsel 15 wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) Als het volumedebiet wordt gemeten, moet de nauwkeurigheid worden overgedragen als de nauwkeurigheid van de massadebietmeting.”.
(1) De brandstofindex van waterstof wordt bepaald door het in de tabel vermelde totaal aan andere gassen dan waterstof, uitgedrukt in mol %, van 100 mol % af te trekken.
(2) Bij totale koolwaterstoffen behalve methaan zijn zuurstofhoudende organische soorten inbegrepen.
(3) De som van de gemeten CO, HCHO en HCOOH mag niet groter zijn dan 0,2 μmol/mol.
(4) Als minimum omvatten totale zwavelverbindingen H2S, COS, CS2 en mercaptanen, die doorgaans in aardgas worden aangetroffen.
(5) De testmethode moet worden gedocumenteerd. In ISO 21087 gedefinieerde testmethoden genieten de voorkeur.
(6) De analyse van specifieke, van het productieproces afhankelijke verontreinigingen is niet vereist. Voertuigfabrikanten moeten de verantwoordelijke instantie de redenen voor deze vrijstelling inzake de specifieke verontreinigingen meedelen.
(*2) geen nadere uitsplitsing
(7) 1) maakt geen deel uit van de gecertificeerde energiebalans; ontbrekende BoPC wordt verrekend volgens de methoden in punt 7.5
(8) 2) volgens de specificatie van de fabrikant, die een met de reële situatie vergelijkbare werking moet waarborgen
(9) 3) indien van toepassing/gemonteerd op FCS respectievelijk voertuig
(10) 4) er zijn alleen aanpassingen toegestaan om zelfstandige werking mogelijk te maken
(11) 5) integratie van items is facultatief
(12) 6) kan deel uitmaken van TMS dan wel WTS
(13) 1schrappen indien niet van toepassing
(*3) Indien van toepassing
(*4) Overeenkomstig punt 7.2.1 en tabel 9 van deze bijlage
(*5) opgegeven door de FCSS-fabrikant
(*6) De controle van de conformiteit van productie wordt in het eerste jaar uitgevoerd.
(*7) Alleen brandstofcelsystemen waarop deze verordening van toepassing is en waarvoor geen standaardwaarden zijn gebruikt overeenkomstig aanhangsel 11 worden meegeteld.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2025/258/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)