EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32023R1542

Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (Voor de EER relevante tekst)

PE/2/2023/REV/1

PB L 191 van 28.7.2023, p. 1–117 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 18/07/2024

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/1542/oj

28.7.2023   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 191/1


VERORDENING (EU) 2023/1542 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 juli 2023

inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114 en artikel 192, lid 1, met betrekking tot de artikelen 54 tot en met 76 van deze verordening,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De mededeling van de Commissie van 11 december 2019 over “De Europese Green Deal” (de “Europese Green Deal”) is de groeistrategie van Europa die de Unie moet omvormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een moderne, hulpbronnenefficiënte en concurrerende economie, waar vanaf 2050 netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten en de economische groei is losgekoppeld van het gebruik van hulpbronnen. Een verschuiving van het gebruik van fossiele brandstoffen in voertuigen naar elektromobiliteit is een van de voorwaarden om tussen nu en 2050 klimaatneutraliteit te kunnen bereiken. Teneinde ervoor te zorgen dat het productbeleid van de Unie bijdraagt aan het wereldwijd verlagen van de koolstofemissies, moet erop worden toegezien dat in de Unie op de markt gebrachte en verkochte producten op duurzame wijze worden verkregen en gefabriceerd.

(2)

Batterijen zijn een belangrijke bron van energie en een van de essentiële middelen die duurzame ontwikkeling, groene mobiliteit, schone energie en klimaatneutraliteit mogelijk maken. De verwachting is dat de vraag naar batterijen de komende jaren snel zal toenemen, met name voor elektrische wegvoertuigen en lichte vervoermiddelen die voor hun aandrijving gebruikmaken van tractiebatterijen, waardoor de markt voor batterijen op mondiaal niveau aan strategisch belang wint. De aanzienlijke wetenschappelijke en technische vooruitgang op het gebied van batterijtechnologie zal worden voortgezet. Gezien het strategische belang van batterijen is het, om alle betrokken marktdeelnemers rechtszekerheid te bieden en discriminatie, handelsbelemmeringen en verstoringen op de batterijmarkt te voorkomen, noodzakelijk om regels op te stellen over de duurzaamheid, de prestaties, de veiligheid, de inzameling en de recycling van, en een tweede leven voor, batterijen, alsook regels over informatie over batterijen voor eindgebruikers en marktdeelnemers. Het is noodzakelijk een geharmoniseerd regelgevingskader te creëren voor de gehele levenscyclus van batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht.

(3)

Tevens is het noodzakelijk het Unierecht betreffende het beheer van afgedankte batterijen te actualiseren en maatregelen te nemen om het milieu en de menselijke gezondheid te beschermen door de nadelige effecten van het ontstaan en het beheer van afval te voorkomen of te verminderen, de impact van het gebruik van hulpbronnen te verminderen en de hulpbronnenefficiëntie te verbeteren. Die maatregelen zijn van cruciaal belang voor de transitie naar een circulaire en klimaatneutrale economie en een gifvrij milieu, en voor het concurrentievermogen en de strategische autonomie van de Unie op lange termijn. Ze kunnen belangrijke economische kansen creëren door de synergieën tussen de circulaire economie en het beleid op het gebied van energie, klimaat, vervoer, industrie en onderzoek te vergroten, het milieu te beschermen en de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.

(4)

Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft geleid tot betere milieuprestaties van batterijen en enige gemeenschappelijke regels en verplichtingen voor marktdeelnemers, met name door middel van geharmoniseerde regels voor het gehalte aan zware metalen en de etikettering van batterijen en regels en doelstellingen voor het beheer van alle afgedankte batterijen, op basis van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

(5)

De in 2019 ingediende verslagen van de Commissie over de uitvoering, het effect en de evaluatie van Richtlijn 2006/66/EG brachten niet alleen de resultaten, maar ook de beperkingen van die richtlijn aan het licht, met name tegen de achtergrond van een fundamenteel gewijzigde context die wordt gekenmerkt door het strategische belang van batterijen en het toegenomen gebruik ervan.

(6)

De mededeling van de Commissie van 17 mei 2018 getiteld “Europa in beweging — Duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, geconnecteerd en schoon” omvat het strategisch actieplan voor batterijen. Dat actieplan voorziet in maatregelen ter ondersteuning van de inspanningen om in Europa een waardeketen voor batterijen op te bouwen, die de winning, de duurzame levering en verwerking van grondstoffen, duurzame materialen voor batterijen, de fabricage van cellen alsook hergebruik en recycling van batterijen omvat.

(7)

In de Europese Green Deal heeft de Commissie bevestigd dat zij vastbesloten is het strategisch actieplan voor batterijen uit te voeren en verklaard dat zij wetgeving zou voorstellen voor een veilige, circulaire en duurzame waardeketen voor alle batterijen, ook om de groeiende markt voor elektrische voertuigen te bevoorraden.

(8)

In zijn conclusies van 4 oktober 2019 over “Meer circulariteit — Transitie naar een duurzame samenleving” heeft de Raad onder meer opgeroepen tot een coherent beleid ter ondersteuning van de ontwikkeling van technologieën die de duurzaamheid en de circulariteit van batterijen verbeteren om de overgang naar elektromobiliteit te begeleiden. Voorts riep de Raad op tot een dringende herziening van Richtlijn 2006/66/EG, waarbij ook naar de daarin bedoelde batterijmaterialen wordt gekeken en waarin met name specifieke vereisten voor lithium en kobalt moeten worden overwogen, alsook een mechanisme dat het mogelijk maakt de richtlijn aan te passen aan toekomstige veranderingen in de batterijtechnologie.

(9)

In de mededeling van de Commissie van 11 maart 2020 over “Een nieuw actieplan voor een circulaire economie — Voor een schoner en concurrerender Europa” staat dat in het voorstel voor een nieuw regelgevingskader voor batterijen regels met betrekking tot gerecycled materiaal en maatregelen ter verbetering van de inzamelings- en recyclingpercentages van alle batterijen zullen worden overwogen, om de terugwinning van waardevolle materialen te waarborgen en de consument een leidraad te bieden; ook zal worden bezien of het gebruik van niet-oplaadbare batterijen kan worden afgebouwd wanneer er alternatieven voorhanden zijn. Voorts wordt gesteld dat de eisen inzake duurzaamheid en transparantie in acht zullen worden genomen, waarbij rekening zal worden gehouden met de koolstofvoetafdruk van de batterijfabricage, de ethische winning van grondstoffen en de voorzieningszekerheid, om het hergebruik, de herbestemming en de recycling van batterijen te vergemakkelijken.

(10)

Om de volledige levenscyclus te bestrijken van alle batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten geharmoniseerde productvereisten en handelsvoorschriften worden vastgesteld, met inbegrip van conformiteitsbeoordelingsprocedures, alsook voorschriften om de eindfase van de levenscyclus van batterijen volledig aan te pakken. Voorschriften voor de eindfase van de levenscyclus zijn nodig om de milieugevolgen van de batterijen aan te pakken en met name om de totstandbrenging van recyclingmarkten voor batterijen en markten voor secundaire grondstoffen uit afgedankte batterijen te ondersteunen. Om in één rechtsinstrument de beoogde doelstellingen inzake het aanpakken van de gehele levenscyclus van een batterij te bereiken en tegelijk handelsbelemmeringen en concurrentieverstoringen te vermijden en de integriteit van de interne markt te waarborgen, moeten de regels waarin de eisen voor batterijen worden vastgelegd, voor alle marktdeelnemers in de hele Unie eenvormig worden toegepast en mogen ze geen ruimte laten voor een uiteenlopende uitvoering door de lidstaten. Richtlijn 2006/66/EG moet daarom worden vervangen door een verordening.

(11)

Deze verordening moet van toepassing zijn op alle categorieën batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, ongeacht of zij in de Unie zijn geproduceerd of zijn ingevoerd. Ze moet van toepassing zijn ongeacht of een batterij is ingebouwd in apparaten, in lichte vervoermiddelen of in andere voertuigen of anderszins aan producten is toegevoegd, dan wel of een batterij afzonderlijk in de Unie in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen. Deze verordening moet van toepassing zijn ongeacht of een batterij specifiek voor een product is ontworpen of algemeen gebruikt wordt en ongeacht of zij in een product is verwerkt of samen met of afzonderlijk van een product wordt geleverd waarin de batterij gebruikt zal worden. Het in de handel brengen wordt geacht plaats te vinden wanneer de batterij voor het eerst op de markt van de Unie is aangeboden, doordat ze door de fabrikant of importeur is geleverd voor distributie, consumptie of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling. Batterijen die vóór de datum van toepassing van de desbetreffende voorschriften van deze verordening in de Unie in voorraad zijn genomen door distributeurs, waaronder detailhandelaars, groothandelaars en verkoopafdelingen van fabrikanten, hoeven dus niet aan die voorschriften te voldoen.

(12)

Deze verordening moet nadelige effecten van batterijen voor het milieu voorkomen en verminderen, en zorgen voor een veilige en duurzame batterijwaardeketen voor alle batterijen, rekening houdend met bijvoorbeeld de koolstofvoetafdruk van de batterijfabricage, de ethische winning van grondstoffen en de voorzieningszekerheid, en het vergemakkelijken van hergebruik, herbestemming en recycling. Met deze verordening moet worden gestreefd naar betere milieuprestaties van batterijen en van de activiteiten van alle marktdeelnemers die betrokken zijn bij de levenscyclus van batterijen, zoals producenten, distributeurs en eindgebruikers, en met name die marktdeelnemers die rechtstreeks betrokken zijn bij de verwerking en recycling van afgedankte batterijen. Dergelijke maatregelen zullen helpen te zorgen voor de overgang naar een circulaire economie en het concurrentievermogen van de Unie op lange termijn en moeten bijdragen tot de efficiënte werking van de interne markt, met inachtneming van een hoog niveau van milieubescherming. Deze verordening moet er ook op gericht zijn de nadelige effecten van het genereren en het beheer van afgedankte batterijen op de menselijke gezondheid en het milieu te voorkomen en te verminderen, het gebruik van hulpbronnen te doen afnemen en de praktische toepassing van de afvalhiërarchie te bevorderen. Ter voorkoming van verschillen die het vrije verkeer van batterijen belemmeren, door in de gehele interne markt eenvormige verplichtingen en vereisten vast te stellen, is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bijgevolg de passende rechtsgrondslag voor deze verordening. Voor zover deze verordening specifieke regels voor het beheer van afgedankte batterijen bevat, is de passende rechtsgrondslag, wat die specifieke regels betreft, artikel 192, lid 1, VWEU.

(13)

Voor producten die in de handel worden gebracht als batterijpakken, d.w.z. batterijen of groepen cellen die onderling zijn verbonden of voorzien zijn van een buitenverpakking zodat ze één volledige, gebruiksklare eenheid voor eindgebruikers of in toepassingen vormen en niet zijn bedoeld om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend en die voldoen aan de definitie van batterijen, of voor batterijcellen die voldoen aan de definitie van batterijen, moeten de voorschriften gelden die van toepassing zijn op batterijen.

(14)

Batterijen die met een “doe-het-zelf-kit” met algemeen beschikbare gereedschappen door de eindgebruiker gebruiksklaar kunnen worden gemaakt, moeten voor de toepassing van deze verordening als batterijen worden beschouwd. De marktdeelnemer die dergelijke kits in de handel brengt, moet onder deze verordening vallen.

(15)

Binnen het ruime toepassingsgebied van deze verordening is het passend een onderscheid te maken tussen verschillende categorieën batterijen naargelang het ontwerp en het gebruik ervan, los van de chemische samenstelling van de batterijen. De indeling in draagbare batterijen enerzijds en industriële batterijen en autobatterijen anderzijds uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG moet verder worden ontwikkeld om beter aan te sluiten bij nieuwe ontwikkelingen in het gebruik van batterijen. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van elektrische voertuigen en die uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG onder de categorie industriële batterijen vallen, vormen een groot en groeiend deel van de markt door de snelle toename van het aantal elektrische wegvoertuigen. Het is daarom passend om batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van wegvoertuigen in te delen als een nieuwe afzonderlijke categorie van batterijen voor elektrische voertuigen. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van lichte vervoermiddelen, zoals e-bikes en e-scooters, waren niet als een afzonderlijke categorie batterijen ingedeeld onder Richtlijn 2006/66/EG. Dergelijke batterijen maken vanwege het toenemende gebruik ervan in duurzame stedelijke vervoermiddelen evenwel een aanzienlijk deel van de markt uit. Het is daarom passend die batterijen in te delen als een nieuwe afzonderlijke categorie batterijen, namelijk batterijen voor lichte vervoermiddelen. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van andere vervoermiddelen, onder meer voor het spoorvervoer, de scheepvaart en de luchtvaart of voor niet voor de weg bestemde machines, blijven onder de categorie van de industriële batterijen uit hoofde van deze verordening vallen. De categorie industriële batterijen behoort tot een grote groep batterijen die bedoeld zijn voor gebruik tijdens industriële activiteiten, in communicatie-infrastructuur, bij landbouwactiviteiten of voor de opwekking en distributie van elektrische energie. Batterijen die na een voorbereiding voor herbestemming of na een herbestemming een industriële bestemming krijgen, hoewel zij oorspronkelijk voor een ander gebruik waren ontworpen, moeten als industriële batterijen uit hoofde van deze verordening worden beschouwd. Naast die niet-uitputtende lijst met voorbeelden moeten alle batterijen die meer dan 5 kg wegen en die uit hoofde van deze verordening niet onder enige andere categorie vallen, worden beschouwd als industriële batterijen. Batterijen voor de opslag van energie in particuliere of huiselijke omgevingen moeten voor de toepassing van deze verordening als industriële batterijen worden beschouwd. Batterijen die worden gebruikt voor de aandrijving van voertuigen op wielen die als speelgoed in de zin van Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) worden beschouwd, mogen voor de toepassing van deze verordening niet worden aangemerkt als batterijen voor lichte vervoermiddelen, maar moeten als draagbare batterijen worden beschouwd.

(16)

Na voor het eerst in de Unie in de handel te zijn gebracht of in gebruik genomen, kan een batterij worden onderworpen aan hergebruik, herbestemming, herfabricage, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming. Conform het Uniekader voor productregulering moet voor de toepassing van deze verordening een gebruikte batterij, dat wil zeggen een batterij die aan hergebruik werd onderworpen, worden geacht reeds in de handel te zijn gebracht toen zij voor het eerst voor gebruik of distributie op de markt werd aangeboden. Omgekeerd worden batterijen die zijn onderworpen aan voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming of herfabricage, geacht opnieuw in de handel te zijn gebracht en moeten zij derhalve aan deze verordening voldoen. Daarnaast wordt, conform het Uniekader voor productregulering, een gebruikte batterij die uit een derde land is ingevoerd, geacht in de handel te worden gebracht wanneer zij voor het eerst de Unie binnenkomt. Daarom moet een uit een derde land ingevoerde batterij die is onderworpen aan hergebruik, herbestemming, herfabricage, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming, aan deze verordening voldoen.

(17)

Herfabricage omvat een breed scala aan technische handelingen die op batterijen of afgedankte batterijen kunnen worden verricht. In het geval van afgedankte batterijen kan herfabricage worden beschouwd als een voorbereiding voor hergebruik of een voorbereiding voor herbestemming. Derhalve moet in deze verordening niet worden voorzien in een specifieke regeling inzake de herfabricage van afgedankte batterijen die verschilt van de regeling inzake de voorbereiding voor hergebruik of de voorbereiding voor herbestemming van afgedankte batterijen. In het geval van gebruikte batterijen heeft de herfabricage tot doel de oorspronkelijke prestaties van een batterij te herstellen. In die zin kan herfabricage worden gezien als een extreem geval van hergebruik, waarbij de cellen en modules van de batterij worden gedemonteerd en beoordeeld, en een bepaalde hoeveelheid van die cellen en modules wordt vervangen. Om herfabricage te onderscheiden van louter hergebruik, moet het herstellen van de batterijcapaciteit tot ten minste 90 % van de oorspronkelijke nominale batterijcapaciteit worden beschouwd als herfabricage, en vergt dat een specifieke regeling.

(18)

Indien de eindgebruiker een consument is, en de batterij is onderworpen aan een voorbereiding voor hergebruik, een voorbereiding voor herbestemming, een herbestemming of een herfabricage, moet die batterij vallen onder een koopovereenkomst die voldoet aan Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad (5). De vereisten van die richtlijn hebben met name betrekking op de conformiteit van het product, de aansprakelijkheid van de verkoper (inclusief de mogelijkheid van een kortere aansprakelijkheids- of verjaringstermijn), de bewijslast, remedies voor conformiteitsgebrek, reparatie of vervanging van de goederen, en commerciële garanties.

(19)

Batterijen moeten zo worden ontworpen en gefabriceerd dat de prestaties, duurzaamheid en veiligheid ervan optimaal zijn en de ecologische voetafdruk tot een minimum wordt beperkt. Er moeten specifieke duurzaamheidsvereisten worden vastgesteld voor oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen, aangezien die batterijen het marktsegment vormen dat naar verwachting de komende jaren het sterkst zal groeien.

(20)

Met het oog op de veiligheid van batterijen voor elektrische voertuigen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen vereist de blijvende geldigheid van de EU-typegoedkeuring voor voertuigen van de categorieën M, N en O overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad (6) dat een batterij die is gerepareerd of vervangen, aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften blijft voldoen. Indien er veiligheidsaspecten zijn gewijzigd, zijn er verdere inspecties of tests nodig om te verifiëren of nog steeds wordt voldaan aan de vereisten waarop de bestaande EU-typegoedkeuring is gebaseerd.

(21)

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 12 mei 2021 getiteld “Route naar een gezonde planeet voor iedereen — EU-actieplan: Verontreiniging van lucht, water en bodem naar nul” moet het EU-beleid gebaseerd zijn op het beginsel dat preventieve maatregelen aan de bron moeten worden genomen. In haar mededeling van 14 oktober 2020 getiteld “Strategie voor duurzame chemische stoffen — Op weg naar een gifvrij milieu” (de strategie voor duurzame chemische stoffen”), onderstreept de Commissie dat Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (7) en Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (8) moeten worden versterkt als de hoekstenen van de Unie voor het reguleren van chemische stoffen in de Unie, en moeten worden aangevuld met samenhangende benaderingen voor het beoordelen en beheren van chemische stoffen in de bestaande sectorale wetgeving. Het gebruik van gevaarlijke stoffen in batterijen moet derhalve eerst aan de bron worden beperkt om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen en de aanwezigheid van dergelijke stoffen in het afval te beheren. Deze verordening moet een aanvulling vormen op Verordening (EG) nr. 1907/2006 en Verordening (EG) nr. 1272/2008 en moet het mogelijk maken risicobeheersmaatregelen vast te stellen met betrekking tot stoffen, ook in de afvalfase.

(22)

Naast de in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 vastgelegde beperkingen, moeten beperkingen worden vastgesteld voor de aanwezigheid van kwik, cadmium en lood in bepaalde categorieën batterijen. Batterijen die worden gebruikt in voertuigen die in aanmerking komen voor een vrijstelling uit hoofde van bijlage II bij Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) moeten worden uitgesloten van het verbod op het bevatten van cadmium. Met het oog op verdere beperkingen voor stoffen die in batterijen aanwezig zijn of bij de fabricage ervan worden gebruikt, is het passend om tot bezorgdheid aanleiding gevende stoffen, die in de strategie voor duurzame chemische stoffen worden omschreven als stoffen met een chronisch effect op de menselijke gezondheid of het milieu, zoals stoffen op de lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk in bijlage XIV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 te worden opgenomen en in bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, maar ook stoffen die recycling tot veilige en hoogwaardige secundaire grondstoffen bemoeilijken, in kaart te brengen bij de evaluatie van stoffen die is gepland in het gezamenlijk actieplan voor de beoordeling in het kader van Reach, dat werd gepubliceerd op de website van het bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”).

(23)

Teneinde ervoor te zorgen dat stoffen die bij gebruik in batterijen of bij aanwezigheid in afgedankte batterijen een onaanvaardbaar risico voor de menselijke gezondheid of voor het milieu vormen, naar behoren kunnen worden aangepakt, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van beperkingen voor stoffen in batterijen.

(24)

De beoordelingsprocedure voor de vaststelling van nieuwe en de wijziging van de huidige beperkingen voor stoffen in batterijen en afgedankte batterijen moet volledig worden afgestemd op Verordening (EG) nr. 1907/2006. Om een doeltreffende besluitvorming, coördinatie en beheer van de gerelateerde technische, wetenschappelijke en administratieve aspecten van deze verordening te waarborgen, moet het Agentschap specifieke taken uitvoeren met betrekking tot de beoordeling van de risico’s van stoffen bij de fabricage en het gebruik van batterijen, alsook van de risico’s die zich kunnen voordoen na de eindfase van de levenscyclus van batterijen, alsook de beoordeling van de sociaaleconomische elementen en de analyse van alternatieven, overeenkomstig de desbetreffende richtsnoeren van het Agentschap. Bijgevolg moeten het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse van het Agentschap de uitvoering van bepaalde taken die bij deze verordening aan het Agentschap worden toevertrouwd, vergemakkelijken.

(25)

Om ervoor te zorgen dat deze verordening coherent is met toekomstige wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1907/2006 of ander toekomstig Unierecht betreffende duurzaamheidscriteria voor gevaarlijke stoffen en chemische stoffen, moet de Commissie beoordelen of een wijziging van de artikelen 6, 86, 87 en 88 van deze verordening vereist is. Waar passend moet de Commissie wijzigingen in deze verordening voorstellen in een toekomstige verordening tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 of in ander toekomstig Unierecht betreffende duurzaamheidscriteria voor gevaarlijke stoffen en chemische stoffen.

(26)

Ter bevordering van een duurzaam Europees economisch model moet de Commissie, waar nodig, voorstellen indienen tot wijziging van de bepalingen van deze verordening inzake beperkingen voor stoffen in batterijen en in afgedankte batterijen, alsook tot invoering van een uitvoerverbod voor batterijen die niet aan dergelijke beperkingen voldoen.

(27)

Het verwachte grootschalige gebruik van batterijen in sectoren als mobiliteit en energieopslag moet de koolstofemissies omlaag brengen. Om die mogelijkheden maximaal te benutten, moet de koolstofvoetafdruk gedurende de gehele levenscyclus evenwel laag zijn. Volgens de regels voor de ecologische voetafdruk van een productcategorie voor oplaadbare batterijen met een hoog specifiek vermogen voor mobiele toepassingen is klimaatverandering de op één na hoogste gerelateerde effectcategorie voor batterijen na de ontginning en het gebruik van mineralen en metalen. Oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, batterijen voor lichte voertuigen en batterijen voor elektrische voertuigen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten daarom vergezeld gaan van een specifieke koolstofvoetafdrukverklaring. De harmonisatie van de technische regels voor de berekening van de koolstofvoetafdruk voor alle in de Unie in de handel gebrachte oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, batterijen voor lichte voertuigen en batterijen voor elektrische voertuigen, is een eerste vereiste voor het invoeren van een verplichte koolstofvoetafdrukverklaring en vervolgens voor het vaststellen van koolstofvoetafdrukprestatieklassen, zodat batterijen met een lagere algemene koolstofvoetafdruk in kaart kunnen worden gebracht. De verwachting is dat vereisten met betrekking tot informatie en duidelijke etikettering inzake de koolstofvoetafdruk van batterijen op zich niet zullen leiden tot de gedragsverandering die nodig is om de doelstelling van de Unie te verwezenlijken, namelijk het koolstofvrij maken van de sectoren mobiliteit en energieopslag overeenkomstig de internationaal overeengekomen doelstellingen inzake klimaatverandering. Er moeten derhalve maximale koolstofdrempelwaarden worden ingevoerd in aanvulling op een specifieke effectbeoordeling voor het vaststellen van die waarden. Bij het voorstellen van maximale drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk moet de Commissie onder meer rekening houden met de relatieve verdeling van de waarden van de koolstofvoetafdruk van in de handel gebrachte batterijen, de mate van voortgang bij het terugdringen van de koolstofvoetafdruk van in de Unie in de handel gebrachte batterijen, en de effectieve en potentiële bijdrage van die maatregel aan de verwezenlijking van de doelstelling van de Unie om tussen nu en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, alsook met haar doelstelling inzake duurzame mobiliteit. Teneinde transparantie inzake de koolstofvoetafdruk van batterijen te waarborgen en, ongeacht de plaats van productie, een verschuiving richting batterijen met een lagere koolstofvoetafdruk teweeg te brengen op de markt van de Unie, is het gerechtvaardigd de vereisten met betrekking tot de koolstofvoetafdruk geleidelijk en cumulatief aan te scherpen. De koolstofemissies die gedurende de levenscyclus van batterijen als gevolg van die vereisten worden vermeden, zullen een bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen van de Unie, met name die om tussen nu en uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken. Dat kan op het niveau van de Unie en op nationaal niveau ook bijdragen tot andere beleidsmaatregelen die een milieuvriendelijkere productie van batterijen bevorderen, bijvoorbeeld door middel van stimulansen of criteria met betrekking tot groene overheidsopdrachten.

(28)

De maximale drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus moeten toekomstbestendig zijn. Derhalve moet de Commissie bij het vaststellen van een gedelegeerde handeling tot bepaling van de maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus rekening houden met de beste beschikbare fabricage- en productieprocessen en erop toezien dat de door haar gekozen technische criteria consistent zijn met de doelstelling van deze verordening om ervoor te zorgen dat batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid, van de veiligheid van personen, en van eigendommen en het milieu bieden.

(29)

Bepaalde stoffen in batterijen, zoals kobalt, lood, lithium of nikkel, worden verkregen uit schaarse hulpbronnen, die in de Unie niet gemakkelijk beschikbaar zijn, en sommige worden door de Commissie als kritieke grondstoffen beschouwd. Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 5 mei 2021 getiteld “Actualisering van de nieuwe industriestrategie van 2020: een sterkere eengemaakte markt tot stand brengen voor het herstel van Europa” moet de Unie haar strategische autonomie versterken en haar veerkracht vergroten ter voorbereiding op mogelijke onderbrekingen in de levering als gevolg van gezondheids- en andere crises. Het verbeteren van de circulariteit en het efficiënt gebruik van hulpbronnen, met meer recycling en terugwinning van die grondstoffen, zal bijdragen aan het bereiken van dat doel.

(30)

Een intensiever gebruik van teruggewonnen grondstoffen zou de ontwikkeling van de circulaire economie ondersteunen, een hulpbronnenefficiënter gebruik van grondstoffen mogelijk maken en tegelijkertijd de afhankelijkheid van de Unie van grondstoffen uit derde landen verminderen. Voor batterijen is dat met name relevant voor kobalt, lood, lithium en nikkel. Daarom moet de terugwinning van die materialen uit afval worden gestimuleerd, door het stellen van eisen voor het gehalte aan gerecycled materiaal in batterijen die kobalt, lood, lithium en nikkel in de actieve materialen bevatten. Met deze verordening moeten derhalve verplichte doelstellingen voor gerecycled materiaal worden vastgesteld voor kobalt, lood, lithium en nikkel, die uiterlijk in 2031 moeten worden verwezenlijkt. Voor kobalt, lithium en nikkel moeten uiterlijk in 2036 hogere streefwaarden worden vastgesteld. Bij alle doelstellingen moet rekening worden gehouden met de beschikbaarheid van afval waaruit dergelijke materialen kunnen worden teruggewonnen, de technische haalbaarheid van de betrokken terugwinnings- en fabricageprocessen en de tijd die de marktdeelnemers nodig hebben om hun toeleverings- en fabricageprocessen aan te passen. Daarom moet de eis met betrekking tot gerecycled materiaal beperkt worden tot het bekendmaken van informatie over het gerecycled materiaal voordat dergelijke verplichte doelstellingen gaan gelden. Fabricageafval van batterijen is waarschijnlijk de voornaamste bron van secundaire grondstoffen voor de batterijfabricage als gevolg van de toename van de batterijproductie en moet aan dezelfde recyclingprocessen worden onderworpen als afval na consumptie. Daarom moet fabricageafval van batterijen worden meegerekend in de doelstellingen voor gerecycled materiaal, teneinde de ontwikkeling van de noodzakelijke recyclinginfrastructuur te versnellen. Bijproducten van de batterijfabricage die worden hergebruikt in het productieproces, zoals fabricageresten, vormen geen afval als zodanig en mogen derhalve niet worden meegerekend in de doelstellingen voor gerecycled materiaal.

(31)

Teneinde rekening te houden met het risico van schaarste van kobalt, lood, lithium en nikkel en om de beschikbaarheid van die grondstoffen te beoordelen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de doelstellingen voor het minimumgehalte aan gerecycled kobalt, lood, lithium of nikkel in actieve materialen in batterijen.

(32)

Teneinde rekening te houden met wijzigingen in batterijtechnologieën die van invloed zijn op de soorten materialen die kunnen worden teruggewonnen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met verdere grondstoffen en respectieve doelstellingen in de lijst van minimumgehaltes aan gerecycled materiaal in actieve materialen in batterijen.

(33)

Teneinde ervoor te zorgen dat de berekeningen en verificaties van het procentuele aandeel teruggewonnen kobalt, lood, lithium en nikkel nauwkeurig en betrouwbaar is en dat er meer rechtszekerheid is, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door het vaststellen van de methode voor de berekening en verificatie van het procentuele aandeel kobalt, lithium of nikkel dat in actieve materialen aanwezig is en dat uit productieafval van batterijen of afval na consumptie teruggewonnen werd en het procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat uit afval teruggewonnen werd, en van het model voor de technische documentatie inzake die procentuele aandelen, voor elk batterijmodel per jaar en per fabricagefaciliteit. Het hergebruik van materialen, zoals materialen die het resultaat zijn van herbewerking of hervermaling tijdens het batterijfabricageproces of die resten van dat fabricageproces vormen en die kunnen worden teruggewonnen binnen het proces waardoor het materiaal is gegenereerd, moet van die methode worden uitgesloten.

(34)

Batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten duurzaam zijn en zeer goed presteren. Daarom moeten er prestatie- en duurzaamheidsparameters worden vastgesteld voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik evenals voor oplaadbare industriële batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen. De informele VN/ECE-werkgroep voor elektrische voertuigen en het milieu heeft duurzaamheidsvereisten voor in elektrische voertuigen ingebouwde batterijen ontwikkeld, die in de Unie van toepassing zullen zijn krachtens een toekomstige verordening betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, met betrekking tot hun emissies en de duurzaamheid van batterijen (Euro 7) (de “Euro 7-verordening”). Daarom moeten in deze verordening alleen informatievereisten voor de prestaties en duurzaamheid van batterijen voor elektrische voertuigen worden vastgelegd. Aan de andere kant worden ten aanzien van batterijen voor energieopslag de bestaande meetmethoden voor het testen van de prestaties en de duurzaamheid van batterijen onvoldoende nauwkeurig en representatief geacht om de invoering van minimumvereisten mogelijk te maken. De invoering van minimumvereisten met betrekking tot prestaties en duurzaamheid voor dergelijke batterijen moet samengaan met adequate geharmoniseerde normen of adequate gemeenschappelijke specificaties.

(35)

Om de milieueffecten van batterijen tijdens hun levenscyclus te beperken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de prestatie- en duurzaamheidsparameters voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik en voor oplaadbare industriële batterijen en van het vaststellen van minimumwaarden voor die parameters. In die gedelegeerde handelingen moet ook worden bepaald hoe die minimumwaarden van toepassing zullen zijn op batterijen die een herfabricage ondergingen.

(36)

Teneinde ervoor te zorgen dat de Unieregels betreffende elektrochemische prestaties en duurzaamheid voor batterijen voor elektrische voertuigen in overeenstemming zijn met de technische specificaties van de informele VN/ECE-werkgroep voor elektrische voertuigen en het milieu en met het oog op de technische en wetenschappelijke vooruitgang moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de prestatie- en duurzaamheidsparameters voor batterijen voor elektrische voertuigen. Voor de minimumwaarden van die parameters voor batterijen voor elektrische voertuigen die zijn ingebouwd in motorvoertuigen, moeten minimumprestatievereisten worden vastgesteld door middel van een toekomstige Euro 7-verordening, op basis van de minimumprestatievereisten die zijn vastgelegd in mondiaal technisch reglement nr. 22 van de Verenigde Naties (VN) betreffende de duurzaamheid van accu’s in elektrische voertuigen.

(37)

Sommige niet-oplaadbare batterijen voor algemeen gebruik kunnen inefficiënt zijn wat betreft het gebruik van hulpbronnen en energie. Er moeten objectieve vereisten met betrekking tot de prestaties en duurzaamheid van dergelijke batterijen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat er minder niet-oplaadbare draagbare batterijen met geringe prestaties voor algemeen gebruik in de handel worden gebracht, met name wanneer op basis van een levenscyclusanalyse zou blijken dat het gebruik van oplaadbare batterijen als alternatief tot algemene milieuvoordelen zou leiden. Wat in mobiele telefoons en tablets ingebouwde batterijen betreft, is het passend prestatie- en duurzaamheidsvereisten vast te stellen door middel van een toekomstige verordening inzake ecologisch ontwerp betreffende mobiele telefoons en tablets, en Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie (10) inzake computers en computerservers te actualiseren. Voor andere draagbare batterijen die zijn ingebouwd in andere apparaten, zoals tuingereedschap of draadloos elektrisch gereedschap, moet de mogelijkheid om minimumprestatie- en duurzaamheidsvereisten vast te stellen, worden opgenomen in desbetreffende productspecifieke rechtshandelingen, zoals uitvoeringshandelingen uit hoofde van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad (11), of in andere rechtshandelingen van de Unie.

(38)

Om te garanderen dat draagbare batterijen die in apparaten zijn ingebouwd, gescheiden worden ingezameld, verwerkt en hoogwaardig worden gerecycled zodra die apparaten worden afgedankt, zijn bepalingen nodig om ervoor te zorgen dat die batterijen van dergelijke apparaten kunnen worden afgezonderd en kunnen worden vervangen. De veiligheid van de consument moet, overeenkomstig het Unierecht en met name de veiligheidsnormen van de Unie, worden gegarandeerd bij het afzonderen van draagbare batterijen van, of het vervangen van draagbare batterijen, in een apparaat. Een draagbare batterij moet als af te zonderen door de eindgebruiker worden beschouwd indien ze met behulp van in de handel verkrijgbaar gereedschap kan worden afgezonderd, zonder dat er gespecialiseerd gereedschap — tenzij dat gratis wordt verstrekt —, door eigendomsrechten beschermd gereedschap, thermische energie of oplosmiddelen nodig zijn om ze te demonteren. In de handel verkrijgbaar gereedschap wordt beschouwd als gereedschap dat in de handel wordt aangeboden aan alle eindgebruikers zonder dat zij een bewijs van eigendomsrechten moeten leveren, en dat zij zonder beperking, met uitzondering van gezondheids- of veiligheidsgerelateerde beperkingen, kunnen gebruiken. Bij de toepassing van de algemene bepalingen van deze verordening moeten de veiligheids- en onderhoudsvoorschriften voor professionele apparaten voor medische beeldvorming en radiotherapie als gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad (12) en voor medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad (13) onverlet worden gelaten; die algemene bepalingen kunnen worden aangevuld met voorschriften voor specifieke producten die door batterijen worden gevoed in het kader van uitvoeringsmaatregelen uit hoofde van Richtlijn 2009/125/EG. Indien in ander Unierecht om veiligheidsredenen specifiekere eisen worden gesteld aan het afzonderen van batterijen van producten, zoals speelgoed, moeten die specifieke regels van toepassing zijn.

(39)

Teneinde de veiligheid voor eindgebruikers te waarborgen, moet in deze verordening worden voorzien in een beperkte afwijking voor draagbare batterijen van de voorschriften inzake de mogelijkheid tot afzondering en vervanging die zijn vastgesteld voor draagbare batterijen betreffende apparaten met ingebouwde draagbare batterijen, die specifiek zijn ontworpen om, voor het grootste deel van het actieve gebruik ervan, hoofdzakelijk te worden gebruikt in een omgeving die regelmatig aan opspattend water, waterstromen of onderdompeling wordt blootgesteld en die afwasbaar of spoelbaar zijn. Die afwijking mag alleen van toepassing zijn indien het niet mogelijk is om door herontwerp van het apparaat te zorgen voor de veiligheid van de eindgebruiker en voor het veilige verdere gebruik van het apparaat nadat de eindgebruiker de instructies voor het afzonderen en vervangen van de batterij correct heeft gevolgd. Indien de afwijking van toepassing is, moet het product zodanig worden ontworpen dat de batterij uitsluitend door onafhankelijke beroepsbeoefenaars — en niet door eindgebruikers — kan worden afgezonderd en vervangen.

(40)

Wat gerepareerde batterijen voor elektrische voertuigen en gerepareerde start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen betreft, zijn de veiligheidsvoorschriften van Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad (14) van toepassing op voertuigen met een typegoedkeuring van de categorieën M, N en O en op voor die voertuigen ontworpen en gebouwde batterijen. Het is belangrijk dat, indien die batterijen worden gerepareerd, de veiligheid ervan kan worden beoordeeld aan de hand van daaraan aangepaste niet-destructieve tests. Voor gerepareerde batterijen voor lichte vervoermiddelen zal de Commissie, voortbouwend op de ervaringen met veiligheidsvoorschriften op nationaal en lokaal niveau, voorschriften voor de veiligheid van middelen voor micromobiliteit opstellen, zoals aangekondigd in de mededeling van de Commissie van 14 december 2021 over “Het nieuwe EU-kader voor stedelijke mobiliteit”. Voor andere gerepareerde batterijen die bestemd zijn voor consumenten of waarschijnlijk door hen zullen worden gebruikt, zijn de voorschriften van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (15) van toepassing.

(41)

De interoperabiliteit van laders voor specifieke categorieën batterijen kan leiden tot de vermindering van onnodig afval en onnodige kosten voor consumenten en andere eindgebruikers. Daarom moeten batterijen voor lichte vervoermiddelen en in specifieke categorieën elektrische en elektronische apparatuur ingebouwde oplaadbare batterijen kunnen worden opgeladen met gemeenschappelijke laders die interoperabiliteit binnen elke categorie batterijen mogelijk maken. In deze verordening moet derhalve worden vereist dat de Commissie beoordeelt hoe geharmoniseerde normen kunnen worden ingevoerd voor gemeenschappelijke laders voor die categorieën batterijen, met uitzondering van laders voor categorieën en klassen van radioapparatuur uit hoofde van Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad (16).

(42)

Start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen en batterijen voor elektrische voertuigen die in motorvoertuigen zijn ingebouwd, moeten door onafhankelijke beroepsbeoefenaars kunnen worden afgezonderd en vervangen. Het is passend een herziening van Richtlijn 2000/53/EG te overwegen om ervoor te zorgen dat die batterijen kunnen worden afgezonderd, vervangen en gedemonteerd, onder meer wat betreft verbindings-, bevestigings- en vergrendelingselementen. Met het oog op het ontwerp, de fabricage en de reparatie van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen en batterijen voor elektrische voertuigen moeten fabrikanten de relevante informatie uit het boorddiagnosesysteem van een voertuig en de reparatie- en onderhoudsinformatie van een voertuig op niet-discriminerende basis verstrekken aan alle belanghebbende fabrikanten, installateurs en reparateurs van uitrusting voor voertuigen van de categorieën M, N en O, zoals bepaald in Verordening (EU) 2018/858. Voorts moet de Commissie de ontwikkeling aanmoedigen van normen voor ontwerp- en assemblagetechnieken die het onderhoud, de reparatie en de herbestemming van batterijen en batterijpakken vergemakkelijken.

(43)

Betrouwbare batterijen zijn van fundamenteel belang voor de werking en de veiligheid van veel producten, apparaten en diensten. Daarom moeten de batterijen zo worden ontworpen en gefabriceerd dat ze geen risico vormen voor de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, voor eigendommen of het milieu. Dat is met name relevant voor batterijsystemen voor stationaire energieopslag, die momenteel niet onder ander Unierecht vallen. Daarom moeten voor die batterijen parameters worden vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden bij de veiligheidstests en die moeten worden aangevuld met toepasselijke normen van de Europese normalisatieorganisaties.

(44)

Batterijen moeten van een etiket worden voorzien om de eindgebruikers transparante, betrouwbare en duidelijke informatie over batterijen en afgedankte batterijen te verschaffen. Die informatie zou eindgebruikers in staat stellen weloverwogen beslissingen te nemen bij de aankoop en het afdanken van batterijen, en afvalverwerkers in staat stellen de afgedankte batterijen op de juiste manier te verwerken. De etikettering op batterijen moet alle noodzakelijke informatie over hun belangrijkste kenmerken bevatten, waaronder hun capaciteit en de hoeveelheid die ze van bepaalde gevaarlijke stoffen bevatten. Om ervoor te zorgen dat de informatie na verloop van tijd beschikbaar blijft, moet die ook beschikbaar worden gesteld door middel van QR-codes die op batterijen worden gedrukt of gegraveerd of die worden aangebracht op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen, waarbij de richtsnoeren van ISO/IEC-norm 18004:2015 in acht moeten worden genomen. De QR-code moet toegang geven tot het productpaspoort van de batterij. De etiketten en de QR-codes moeten toegankelijk zijn voor personen met een handicap, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad (17).

(45)

Het opnemen op het batterij-etiket van informatie over de prestaties van batterijen is van essentieel belang om ervoor te zorgen dat de eindgebruikers, vooral consumenten, voordat zij hun aankoop doen naar behoren geïnformeerd worden en in het bijzonder dat zij een gemeenschappelijke basis hebben om verschillende batterijen te vergelijken. Niet-oplaadbare draagbare batterijen voor algemeen gebruik moeten derhalve worden gemarkeerd met een etiket met de vermelding “niet-oplaadbaar” en met de informatie over de minimale gemiddelde levensduur bij gebruik in specifieke toepassingen. Bovendien is het belangrijk om eindgebruikers te informeren over manieren om zich op passende wijze van afgedankte batterijen te ontdoen.

(46)

Voor batterijsystemen voor stationaire energieopslag, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen die voorzien zijn van een batterijmanagementsysteem, moeten de eindgebruiker of namens die eindgebruiker optredende derden te allen tijde op basis van de in het batterijmanagementsysteem opgeslagen gegevens de conditie en de verwachte levensduur van de batterijen kunnen vaststellen. Er moet te allen tijde read-onlytoegang tot die gegevens worden verleend aan de persoon die de batterij heeft gekocht, of aan een derde die namens die persoon optreedt, om de restwaarde van de batterij te beoordelen, de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming of herfabricage van de batterij te vergemakkelijken of de batterij ter beschikking te stellen van onafhankelijke aankoopgroeperingen, als gedefinieerd in Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad (18), die virtuele elektriciteitscentrales in elektriciteitsnetten exploiteren. Daarom moeten de gegevens actueel zijn. Ze moeten ten minste dagelijks worden bijgewerkt, en frequenter indien dat nodig is voor een specifiek doel. Technische specificaties die voortvloeien uit de werkzaamheden van de informele VN/ECE-werkgroep voor elektrische voertuigen en het milieu inzake de toegang tot gegevens in elektrische voertuigen, moeten als benchmark voor de conditie en de verwachte levensduur van batterijen voor elektrische voertuigen worden beschouwd. Die voorschriften moeten van toepassing zijn in aanvulling op het Unierecht inzake de typegoedkeuring van voertuigen, dat het passende rechtskader vormt voor, onder andere, slimme oplaadfuncties zoals oplaadfuncties tussen voertuigen en het elektriciteitsnet, voertuigen en lading, voertuigen onderling, voertuigen en powerbanks en voertuigen en gebouwen.

(47)

Een aantal productspecifieke eisen uit hoofde van deze verordening, waaronder prestaties, duurzaamheid, herbestemming en veiligheid, moet worden gemeten met behulp van betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare methoden waarbij algemeen erkende geavanceerde metingen, normen en berekeningsmethoden in acht worden genomen. Om handelsbelemmeringen op de interne markt te voorkomen, moeten de normen worden geharmoniseerd op het niveau van de Unie. Die methoden en normen moeten, voor zover mogelijk, rekening houden met het werkelijke gebruik van batterijen, een afspiegeling zijn van het gemiddelde consumentengedrag en robuust zijn om opzettelijke en onopzettelijke ontwijking te ontmoedigen. Zodra een verwijzing naar een dergelijke norm is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (19), moeten batterijen die aan die norm voldoen, worden geacht in overeenstemming te zijn met die productspecifieke eisen uit hoofde van deze verordening, mits de minimumwaarden die voor die productspecifieke eisen zijn vastgesteld, worden bereikt. Om enerzijds dubbele technische specificaties te voorkomen en anderzijds de efficiëntie te maximaliseren en rekening te houden met de hoogste niveaus van deskundigheid en geavanceerde kennis, moet de Commissie ernaar streven een of meer Europese normalisatieorganisaties te verzoeken een norm op te stellen indien er geen norm bestaat. Indien bij de toepassing van productspecifieke eisen nog geen normen zijn gepubliceerd, of indien het antwoord van de betreffende Europese normalisatieorganisatie onbevredigend is, moet de Commissie, in uitzonderlijke en gerechtvaardigde gevallen en na overleg met de belanghebbenden, door middel van uitvoeringshandelingen gemeenschappelijke specificaties vaststellen. De naleving van die specificaties moet ook tot het vermoeden van conformiteit leiden. In gevallen waarin de gemeenschappelijke specificaties in een later stadium tekortkomingen blijken te vertonen, moet de Commissie de betrokken gemeenschappelijke specificaties bij uitvoeringshandeling wijzigen of intrekken. Gemeenschappelijke specificaties moeten binnen een redelijke termijn worden ingetrokken zodra de referenties van de geharmoniseerde normen in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt, zodat fabrikanten rekening kunnen houden met de wijzigingen.

(48)

Actieve betrokkenheid bij de werkzaamheden van internationale normalisatiecomités is een belangrijke strategische voorwaarde om toekomstige batterijtechnologieën in de handel te brengen. De Europese betrokkenheid was bij een aantal van die comités minder effectief dan zij had kunnen zijn. De Europese betrokkenheid moet worden verbeterd om de stem van de Unie in de mondiale normalisatie te versterken, ook met het oog op verbetering van het concurrentievermogen van bedrijven in de Unie, vermindering van de afhankelijkheden van de Unie en bescherming van de belangen, beleidsdoelstellingen en waarden van de Unie. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten de Europese benadering van internationale normalisatie monitoren en coördineren. In geharmoniseerde normen ter aanvulling van de uitvoering van deze verordening moet rekening worden gehouden met bestaande internationale normen, met name op IEC- en ISO-niveau.

(49)

De Commissie moet zorgen voor consistentie met betrekking tot geharmoniseerde normen en gemeenschappelijke specificaties uit hoofde van deze verordening, onder meer bij de evaluatie van Verordening (EU) nr. 1025/2012.

(50)

Om met het oog op marktoezicht effectief toegang te hebben tot informatie, om aanpassing aan nieuwe technologieën door te voeren en om veerkracht te garanderen in het geval van wereldwijde crises, zoals de COVID-19-pandemie, moet het mogelijk zijn online met één enkele EU-conformiteitsverklaring informatie te verstrekken over de conformiteit met alle handelingen van de Unie die van toepassing zijn op batterijen.

(51)

In Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (20) zijn voorschriften vastgelegd voor de accreditatie van conformiteitsbeoordelingsinstanties, wordt een kader geboden voor het markttoezicht op en voor de controle van producten uit derde landen, en worden de algemene beginselen van de CE-markering vastgelegd. Die verordening moet van toepassing zijn op batterijen die onder deze verordening vallen, om ervoor te zorgen dat producten die profiteren van het vrije verkeer van goederen binnen de Unie voldoen aan eisen die een hoog beschermingsniveau bieden voor algemene belangen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen en het milieu.

(52)

Om marktdeelnemers in staat te stellen aan te tonen dat, en de bevoegde autoriteiten in staat te stellen te controleren of, op de markt aangeboden batterijen aan deze verordening voldoen, moet worden voorzien in conformiteitsbeoordelingsprocedures. Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (21) stelt modules voor conformiteitsbeoordelingsprocedures vast, gaande van de minst tot de meest stringente procedure, afhankelijk van de hoogte van het risico en het vereiste veiligheidsniveau. Overeenkomstig dat besluit dienen, wanneer een conformiteitsbeoordeling moet worden verricht, de voor die beoordeling toe te passen procedures uit die modules gekozen te worden. Er zijn krachtige conformiteitsbeoordelingsprocedures nodig om ervoor te zorgen dat batterijen voldoen aan de nieuwe en complexe vereisten inzake koolstofvoetafdruk en gerecyclede inhoud, en aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid van deze verordening.

(53)

De CE-markering op een batterij geeft aan dat die batterij in overeenstemming is met deze verordening. De algemene beginselen voor de CE-markering en het verband ervan met andere markeringen zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 765/2008. Die beginselen moeten ook van toepassing zijn op de CE-markering op batterijen. Om ervoor te zorgen dat de batterijen worden opgeslagen, gebruikt en afgedankt op een manier die veilig is met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, moeten specifieke regels worden vastgesteld voor het aanbrengen van de CE-markering voor batterijen.

(54)

Voor de in deze verordening beschreven conformiteitsbeoordelingsprocedures is de tussenkomst van conformiteitsbeoordelingsinstanties vereist. Om een eenvormige toepassing van de bepalingen van deze verordening te waarborgen, moeten die instanties door de autoriteiten van de lidstaat bij de Commissie worden aangemeld.

(55)

Gezien de nieuwheid en de complexiteit van de duurzaamheids-, prestatie-, veiligheids-, etiketterings- en informatievereisten voor batterijen uit hoofde van deze verordening en om te zorgen voor een consistent kwaliteitsniveau van de conformiteitsbeoordeling van batterijen, moeten vereisten worden vastgesteld voor de aanmeldende autoriteiten die betrokken zijn bij de beoordeling en aanmelding van en het toezicht op conformiteitsbeoordelingsinstanties die zijn aangemeld bij de Commissie, en die daardoor aangemelde instanties worden. Met name moet ervoor worden gezorgd dat de aanmeldende autoriteit objectief en onpartijdig is met betrekking tot haar activiteiten en over voldoende technisch bekwaam personeel beschikt voor het vervullen van haar taken. Voorts moeten de aanmeldende autoriteiten worden verplicht de vertrouwelijkheid van de verkregen informatie te waarborgen, maar moeten zij desondanks informatie over aangemelde instanties kunnen uitwisselen met de nationale autoriteiten, de aanmeldende autoriteiten van andere lidstaten en de Commissie om consistentie in de conformiteitsbeoordeling te waarborgen.

(56)

Het is van essentieel belang dat alle aangemelde instanties hun taken op hetzelfde niveau en onder dezelfde voorwaarden van eerlijke concurrentie en autonomie uitvoeren. Daarom moeten in deze verordening eisen worden vastgelegd voor conformiteitsbeoordelingsinstanties die aangemeld wensen te worden om conformiteitsbeoordelingsactiviteiten te verrichten. Die eisen moeten van toepassing blijven als voorwaarde voor het actueel houden van de bevoegdheid van de aangemelde instantie. Om haar autonomie te waarborgen, moeten de aangemelde instantie en het personeel dat zij in dienst heeft, onafhankelijk blijven van de marktdeelnemers in de waardeketen van de batterijen en van andere bedrijven, met inbegrip van brancheorganisaties en moeder- en dochterondernemingen. De aangemelde instantie moet haar onafhankelijkheid gedocumenteerd aantonen en die documentatie aan de aanmeldende autoriteit overleggen. De aangemelde instanties moeten voor roulatie zorgen van het personeel dat verschillende conformiteitsbeoordelingstaken verricht.

(57)

Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat de batterij voldoet aan de criteria die in geharmoniseerde normen zijn vastgelegd, moet de batterij worden geacht te voldoen aan de overeenkomstige eisen van deze verordening.

(58)

Conformiteitsbeoordelingsinstanties besteden vaak onderdelen van hun activiteiten in verband met de conformiteitsbeoordeling uit of doen een beroep op een dochteronderneming. Bepaalde activiteiten en besluitvormingsprocessen, zowel met betrekking tot de conformiteitsbeoordeling van batterijen als met betrekking tot andere activiteiten binnen de aangemelde instantie, mogen echter uitsluitend door de aangemelde instantie zelf worden uitgevoerd, teneinde haar onafhankelijkheid en autonomie te waarborgen. Om het beschermingsniveau te kunnen waarborgen dat nodig is voor batterijen die in de Unie in de handel worden gebracht, moeten bij de conformiteitsbeoordeling betrokken onderaannemers en dochterondernemingen bij de uitvoering van conformiteitsbeoordelingstaken uit hoofde van deze verordening bovendien aan dezelfde eisen voldoen als aangemelde instanties.

(59)

Aangezien de door de aangemelde instanties in een lidstaat aangeboden diensten betrekking kunnen hebben op batterijen die in de hele Unie op de markt worden aangeboden, is het passend de andere lidstaten en de Commissie in de gelegenheid te stellen om bezwaar te maken tegen een aangemelde instantie. De Commissie kan tijdens haar onderzoek het advies inwinnen van een Unietestfaciliteit die is aangewezen overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad (22). Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om de aanmeldende autoriteit te verzoeken corrigerende maatregelen te nemen wanneer een aangemelde instantie niet of niet meer aan de eisen van deze verordening voldoet.

(60)

Om de conformiteitsbeoordelingsprocedure, de certificering en uiteindelijk de markttoegang te vergemakkelijken en te versnellen en gezien de nieuwheid en complexiteit van de in deze verordening bepaalde duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings- en informatievereisten voor batterijen is het van cruciaal belang dat aangemelde instanties voortdurend toegang hebben tot alle benodigde testapparatuur en testfaciliteiten en dat zij de procedures toepassen zonder een onnodige last voor de marktdeelnemers te creëren. Om dezelfde redenen, en om de gelijke behandeling van marktdeelnemers te waarborgen, moeten aangemelde instanties de conformiteitsbeoordelingsprocedures consistent toepassen.

(61)

Alvorens een definitief besluit te nemen over de vraag of aan een batterij een certificaat van conformiteit kan worden toegekend, moet de marktdeelnemer die een batterij in de handel wil brengen, eenmaal de gelegenheid krijgen aanvullende documentatie over de batterij in te dienen.

(62)

De Commissie moet passende coördinatie en samenwerking tussen aangemelde instanties mogelijk maken.

(63)

De verplichtingen voor marktdeelnemers in verband met het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen moeten worden vastgelegd. Voor de toepassing van deze verordening moet onder “marktdeelnemer” worden verstaan: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur, de distributeur, de fulfilmentdienstverlener of een andere natuurlijke of rechtspersoon die onderworpen is aan verplichtingen in verband met de fabricage van batterijen, of het op de markt aanbieden, in de handel brengen of in gebruik nemen daarvan. Voor de toepassing van deze verordening moeten onder “batterijen” ook batterijen worden begrepen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd.

(64)

Het is passend erin te voorzien dat de eisen voor batterijen die in gebruik worden genomen zonder vooraf in de handel te zijn gebracht, dezelfde moeten zijn als voor batterijen die in de handel worden gebracht voordat zij in gebruik worden genomen. Dat betreft bijvoorbeeld batterijen voor eigen gebruik door de fabrikant, of batterijen die, gezien hun kenmerken, alleen ter plekke op hun eindbestemming kunnen worden gemonteerd en getest. Om te voorkomen dat de conformiteit van eenzelfde product tweemaal moet worden aangetoond, mogen batterijen die in de handel worden gebracht, evenwel niet aan dezelfde eisen worden onderworpen wanneer zij in gebruik worden genomen.

(65)

Marktdeelnemers moeten, met betrekking tot hun respectieve rol in de toeleveringsketen, ervoor verantwoordelijk zijn dat batterijen voldoen aan de eisen van deze verordening, teneinde een hoog niveau van bescherming van algemene belangen te waarborgen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen en de bescherming van eigendommen en het milieu.

(66)

Alle marktdeelnemers die actief zijn in de toeleverings- en distributieketen, moeten passende maatregelen nemen om te waarborgen dat zij uitsluitend batterijen op de markt aanbieden die in overeenstemming zijn met deze verordening. Er moet worden voorzien in een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van elke marktdeelnemer in de toeleverings- en distributieketen.

(67)

Het ligt voor de hand dat de fabrikant, door het beschikken over uitvoerige kennis van het ontwerp- en productieproces, het best geplaatst is om de conformiteitsbeoordelingsprocedure uit te voeren. De conformiteitsbeoordeling moet daarom uitsluitend een verplichting van de fabrikant blijven.

(68)

De fabrikant moet voldoende gedetailleerde informatie verstrekken over het beoogde gebruik van de batterij, zodat die correct en veilig in de handel kan worden gebracht, in gebruik kan worden genomen en kan worden gebruikt en zodat afvalbeheer mogelijk is, met inbegrip van een eventuele herbestemming.

(69)

Om de communicatie tussen marktdeelnemers, markttoezichtautoriteiten en eindgebruikers te vergemakkelijken, moeten marktdeelnemers als onderdeel van hun contactgegevens een postadres, en indien beschikbaar, een e-mailadres en een websiteadres vermelden.

(70)

De interne markt moet zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor alle marktdeelnemers en bescherming tegen oneerlijke mededinging. Daartoe moet de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie inzake batterijen worden versterkt. Goede samenwerking tussen marktdeelnemers en de markttoezichtautoriteiten is een essentieel aspect van een dergelijke versterkte handhaving, aangezien er daardoor onmiddellijk kan worden opgetreden en corrigerende maatregelen kunnen worden genomen. Het is belangrijk dat er een in de Unie gevestigde marktdeelnemer is tot wie de markttoezichtautoriteiten zich kunnen richten als zij vragen hebben of informatie wensen over de conformiteit van een batterij met de harmonisatiewetgeving van de Unie, en die met de markttoezichtautoriteiten kan samenwerken om ervoor te zorgen dat er onmiddellijk corrigerende maatregelen worden genomen om gevallen van non-conformiteit te verhelpen. De marktdeelnemers die die taken moeten uitvoeren, zijn de fabrikant, of de importeur wanneer de fabrikant niet in de Unie is gevestigd, of een daartoe door de fabrikant aangewezen gemachtigde, of een in de Unie gevestigde fulfilmentdienstverlener voor door die laatste afgehandelde batterijen wanneer er geen andere marktdeelnemer in de Unie is gevestigd.

(71)

Er moet worden gewaarborgd dat batterijen uit derde landen die de markt van de Unie binnenkomen, voldoen aan de eisen van deze verordening en ander toepasselijk Unierecht, ongeacht of zij als zelfstandige batterijen worden ingevoerd of in producten zijn ingebouwd of daaraan zijn toegevoegd, en met name dat fabrikanten passende conformiteitsbeoordelingsprocedures met betrekking tot die batterijen hebben uitgevoerd. Daarom moet worden bepaald dat importeurs ervoor moeten zorgen dat de batterijen die zij in de handel brengen en in gebruik nemen, aan de eisen van deze verordening voldoen en dat de CE-markering op batterijen en de door de fabrikanten opgestelde documentatie beschikbaar zijn voor inspectie door de nationale autoriteiten, ongeacht of het batterijen betreft die als nieuw of als gebruikt zijn geïmporteerd dan wel batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd.

(72)

Bij het in de handel brengen of in gebruik nemen van een batterij moet elke importeur op de batterij de naam, de geregistreerde handelsnaam of het geregistreerd merk en het postadres, en indien beschikbaar, het e-mailadres en websiteadres, van de importeur vermelden. Indien de afmetingen van de batterij te klein zijn om er die informatie op aan te brengen, of indien de importeur de verpakking zou moeten openen om de naam, de geregistreerde handelsnaam of het geregistreerd merk en de andere contactgegevens van de importeur aan te brengen, moet in uitzonderingen worden voorzien. In die uitzonderlijke gevallen moet de importeur de informatie in een bij de batterij gevoegd document of op een andere onmiddellijk toegankelijke manier verstrekken. Indien er een verpakking is, moet de importeur de informatie daarop aanbrengen.

(73)

Indien een distributeur een batterij pas op de markt aanbiedt nadat die door de fabrikant of de importeur in de handel is gebracht of in gebruik is genomen, moet de distributeur de nodige zorgvuldigheid betrachten om ervoor te zorgen dat de behandeling van de batterij door de distributeur geen nadelige gevolgen heeft voor de naleving van de eisen van deze verordening.

(74)

Elke importeur of distributeur die een batterij in de handel brengt of in gebruik neemt onder de eigen naam of het eigen merk van de importeur of distributeur of die een batterij zo wijzigt dat de naleving van de eisen van deze verordening in het gedrang kan komen of dat het gebruiksdoel van een reeds in de handel gebrachte batterij wordt gewijzigd, moet worden beschouwd als de fabrikant en moet de in deze verordening bepaalde verplichtingen van de fabrikant overnemen.

(75)

Omdat distributeurs, importeurs en fulfilmentdienstverleners dicht bij de markt staan, moeten zij worden betrokken bij de markttoezichttaken van de nationale autoriteiten en moeten zij klaar zijn om actief medewerking te verlenen en die autoriteiten alle nodige informatie over de betrokken batterij te verstrekken.

(76)

Door de traceerbaarheid van een batterij in de hele toeleveringsketen te garanderen, wordt het markttoezicht eenvoudiger en efficiënter, en biedt het de consument transparantie. Een efficiënt traceringssysteem vergemakkelijkt de taak van de markttoezichtautoriteiten om marktdeelnemers op te sporen die niet-conforme batterijen in de handel hebben gebracht, op de markt hebben aangeboden of in gebruik hebben genomen. Marktdeelnemers moeten daarom worden verplicht de informatie over hun transacties met batterijen gedurende een bepaalde periode te bewaren, ook in elektronische vorm.

(77)

De winning en verwerking van, en de handel in, natuurlijke mineralen zijn van essentieel belang voor het verkrijgen van de grondstoffen die nodig zijn voor de productie van batterijen. Batterijfabrikanten kunnen, ongeacht hun positie, hun invloed op leveranciers en hun geografische locatie, onbedoeld een aandeel hebben in de nadelige effecten in de toeleveringsketen van mineralen. Voor sommige grondstoffen is meer dan de helft van de mondiale productie bestemd voor gebruik in batterijtoepassingen. Zo is op mondiaal niveau ruim 50 % van de vraag naar kobalt en ruim 60 % van de vraag naar lithium bestemd voor de productie van batterijen. Circa 8 % van de mondiale productie van natuurlijk grafiet en 6 % van de mondiale productie van nikkel is bestemd voor de fabricage van batterijen.

(78)

Slechts enkele landen leveren de grondstoffen die bij de fabricage van batterijen worden gebruikt en in sommige gevallen kunnen de lage bestuurlijke normen in die landen de sociale en milieuproblemen verergeren. De ontginning en de raffinage van zowel kobalt als nikkel brengen een groot aantal sociale en milieurisico’s met zich mee. Hoewel de sociale en milieueffecten met betrekking tot natuurlijk grafiet minder ernstig zijn, kan de ontginning ervan ernstige gevolgen hebben voor de gezondheid en het milieu, aangezien die voornamelijk plaatsvindt in het kader van ambachtelijke en kleinschalige activiteiten, en grotendeels in informeel verband. In combinatie met het gebrek aan regelmatig bijgewerkte plannen bij de sluiting van mijnen en sanering kan dat leiden tot de vernietiging van ecosystemen en bodems. De verwachte toename van het gebruik van lithium voor de fabricage van batterijen zal de winnings- en raffinageactiviteiten waarschijnlijk verder onder druk zetten. Daarom is het passend dat lithium wordt opgenomen in de verplichtingen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen. De verwachte enorme stijging in de vraag naar batterijen in de Unie mag niet leiden tot een toename van dergelijke milieu- en sociale risico’s.

(79)

Een aantal van de grondstoffen die bij de fabricage van batterijen worden gebruikt, zoals kobalt, lithium en natuurlijk grafiet, worden als kritieke grondstoffen voor de Unie beschouwd, zoals de Commissie heeft aangegeven in haar mededeling van 3 september 2020 getiteld “Veerkracht op het gebied van kritieke grondstoffen: de weg naar een grotere voorzieningszekerheid en duurzaamheid uitstippelen”, en de duurzame winning ervan is vereist voor de goede werking van het ecosysteem voor batterijen in de Unie.

(80)

Marktdeelnemers in de batterijtoeleveringsketen ondernemen nu al vrijwillige acties die erop gericht zijn de toepassing van praktijken voor duurzame winning te bevorderen, met inbegrip van het “Initiative for Responsible Mining Assurance”, het “Responsible Minerals Initiative” en het “Cobalt Industry Responsible Assessment Framework”. Het is evenwel niet zeker dat vrijwillige acties voor het opstellen van regelingen inzake passende zorgvuldigheid zullen garanderen dat alle marktdeelnemers die batterijen in de Unie in de handel brengen, zich aan dezelfde reeks minimumvoorschriften zullen houden.

(81)

In de Unie zijn algemene eisen inzake passende zorgvuldigheid in verband met bepaalde mineralen en metalen ingevoerd bij Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad (23). Die verordening heeft echter geen betrekking op de mineralen en materialen die worden gebruikt voor de productie van batterijen.

(82)

Met het oog op de verwachte exponentiële stijging van de vraag naar batterijen in de Unie moeten marktdeelnemers die een batterij in de Unie in de handel brengen derhalve een beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen opzetten. Er moeten derhalve vereisten in deze verordening worden vastgesteld voor het aanpakken van de sociale en milieurisico’s in verband met de winning, de verwerking en de verhandeling van bepaalde grondstoffen en secundaire grondstoffen voor de fabricage van batterijen. Dat beleid moet gelden ten aanzien van alle exploitanten in de toeleveringsketen en hun dochterondernemingen en onderaannemers die bepaalde grondstoffen en secundaire grondstoffen winnen, verwerken en verhandelen.

(83)

De marktdeelnemer die een risicogebaseerd beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen invoert, moet dat baseren op internationaal erkende normen en beginselen inzake passende zorgvuldigheid, zoals die welke zijn vervat in de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, de Tien Principes van het Global Compact van de Verenigde Naties, de “Guidelines for Social Life Cycle Assessment of Products” van het Milieuprogramma van de Verenigde Naties (United Nations Environment programme — UNEP), de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid, de richtlijnen van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen en de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Die normen en beginselen die elke marktdeelnemer moet afstemmen op zijn specifieke context en omstandigheden, weerspiegelen een gemeenschappelijk inzicht onder overheden en belanghebbenden. Wat de winning en verwerking van, en de handel in, natuurlijke mineralen die worden gebruikt voor de productie van batterijen betreft, vormen de OESO-richtsnoeren voor passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden een internationaal erkende norm voor het aanpakken van de specifieke risico’s van grove mensenrechtenschendingen, en een weerspiegeling van de jarenlange inspanning van overheden en belanghebbenden om goede praktijken op dat gebied vast te stellen.

(84)

Volgens de normen en beginselen van de VN, de IAO en de OESO is passende zorgvuldigheid een permanent, proactief en reactief proces op basis waarvan bedrijven kunnen waarborgen dat zij de mensenrechten en het milieu eerbiedigen en niet bijdragen aan conflicten. Een risicogebaseerd beleid inzake passende zorgvuldigheid behelst de maatregelen die bedrijven moeten nemen om de nadelige effecten die samengaan met hun activiteiten of beslissingen inzake het betrekken van grondstoffen, te bepalen, te voorkomen, te beperken of anderszins aan te pakken. Marktdeelnemers moeten geïnformeerd, effectief en zinvol overleg plegen met getroffen gemeenschappen. Bedrijven kunnen de risico’s als gevolg van hun activiteiten en betrekkingen beoordelen en risicobeperkende maatregelen vaststellen, die erin kunnen bestaan dat aanvullende informatie wordt gevraagd, dat wordt onderhandeld om de situatie recht te zetten, of dat de samenwerking met leveranciers wordt geschorst of verbroken, overeenkomstig de relevante normen uit hoofde van het nationaal en internationaal recht, aanbevelingen van internationale organisaties met betrekking tot maatschappelijk verantwoord ondernemen, door de overheid gesteunde instrumenten, vrijwillige initiatieven vanuit de particuliere sector, alsook het interne beleid en de interne systemen van de betreffende bedrijven. Aan de hand van die benadering kan het beleid inzake passende zorgvuldigheid worden afgestemd op het volume van de activiteiten van het bedrijf of de verhoudingen binnen de toeleveringsketen.

(85)

Hoewel regelingen van de particuliere sector inzake passende zorgvuldigheid marktdeelnemers kunnen steunen bij het vervullen van hun verplichtingen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen overeenkomstig de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten, moeten de markdeelnemers individueel verantwoordelijk zijn voor het nakomen van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in deze verordening.

(86)

Er moet een verplicht beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen worden vastgesteld of gewijzigd dat in ieder geval de meest gangbare sociale en milieurisicocategorieën omvat. Dat beleid moet enerzijds betrekking hebben op de huidige en te verwachten gevolgen voor sociale kwesties, met name de mensenrechten, de menselijke gezondheid en de veiligheid van personen, alsook de rechten met betrekking tot de veiligheid en de gezondheid op het werk, en de arbeidsrechten, en anderzijds op de huidige en te verwachten gevolgen voor het milieu, met name voor het watergebruik, de bodembescherming, de luchtverontreiniging, de klimaatverandering en de biodiversiteit, alsook op de bescherming van het gemeenschapsleven.

(87)

Wat de categorieën van sociale risico’s betreft, moet beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen gericht zijn op de risico’s ten aanzien van de bescherming van de mensenrechten, met inbegrip van de menselijke gezondheid, het gemeenschapsleven, waaronder dat van inheemse volken, de bescherming van kinderen en de gendergelijkheid, overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten. Het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen moet informatie bevatten over de manier waarop de marktdeelnemer een bijdrage heeft geleverd aan het voorkomen van mensenrechtenschendingen en over de bestaande instrumenten in de bedrijfsstructuur die de marktdeelnemer hanteert ter bestrijding van corruptie en omkoping. Het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen moet voorts de juiste uitvoering waarborgen van de regels van de fundamentele verdragen van de IAO zoals vermeld in bijlage I bij de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid.

(88)

Mensenrechtenschendingen komen veel voor in grondstofrijke conflict- en hoogrisicogebieden. Daarom verdienen die gebieden specifieke aandacht in het beleid van marktdeelnemers van passende zorgvuldigheid inzake batterijen. Verordening (EU) 2017/821 bevat bepalingen betreffende een indicatieve, niet-uitputtende, regelmatig bijgewerkte lijst van conflict- en hoogrisicogebieden. Die lijst is ook relevant voor de uitvoering van de bepalingen van deze verordening betreffende passende zorgvuldigheid inzake batterijen.

(89)

Wat de milieurisicocategorieën betreft, moet beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen gericht zijn op de risico’s ten aanzien van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit, overeenkomstig het Verdrag inzake biologische diversiteit, waarin ook rekening wordt gehouden met lokale gemeenschappen en de bescherming en ontwikkeling ervan. Beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen moet ook gericht zijn op de risico’s ten aanzien van klimaatverandering, in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs (24), die op 12 december 2015 is aangenomen uit hoofde van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (de “VN-Overeenkomst van Parijs”), alsook op onder andere internationale milieuverdragen vallende milieurisico’s.

(90)

De verplichtingen ten aanzien van passende zorgvuldigheid inzake batterijen met betrekking tot de identificatie en beperking van sociale en milieurisico’s die samengaan met het gebruik van grondstoffen die worden gebruikt bij de fabricage van batterijen, moeten bijdragen aan de uitvoering van UNEP-resolutie 4/19 inzake de governance van minerale bronnen, waarin de belangrijke bijdrage van de mijnbouwsector aan de verwezenlijking van de Agenda 2030 en de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling wordt erkend.

(91)

Andere rechtshandelingen van de Unie waarin vereisten betreffende passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen zijn vastgelegd, zijn op batterijen van toepassing voor zover er in deze verordening geen specifieke bepalingen zijn met dezelfde doelstelling, van dezelfde aard en met hetzelfde effect die kunnen worden aangepast in het licht van toekomstige wetswijzigingen. Die rechtshandelingen zouden betrekking kunnen hebben op de burgerlijke aansprakelijkheid van ondernemingen voor schade als gevolg van het feit dat zij niet aan de vereisten inzake passende zorgvuldigheid voldoen. Indien de gevolgen op het gebied van de burgerlijke aansprakelijkheid van de in deze verordening vervatte verplichtingen ten aanzien van passende zorgvuldigheid inzake batterijen niet of niet voldoende worden geregeld in die rechtshandelingen, moet het mogelijk zijn ze op nationaal niveau te regelen.

(92)

Voor een aanpassing aan de ontwikkelingen in de waardeketen van batterijen, met inbegrip van veranderingen in de reikwijdte en aard van de sociale en milieurisico’s ter zake, en aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang op het gebied van batterijen en de chemische samenstelling van batterijen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de lijst van grondstoffen en risicocategorieën, de lijst van internationale instrumenten en de verplichtingen ten aanzien van passende zorgvuldigheid inzake batterijen.

(93)

Om de gelijkwaardigheid van de door overheden, brancheorganisaties en groeperingen van belanghebbende organisaties ontwikkelde regelingen inzake passende zorgvuldigheid vast te stellen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

(94)

Om de regelingen inzake passende zorgvuldigheid juist, degelijk en samenhangend te kunnen evalueren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met de criteria en de methode om te bepalen of de regelingen inzake passende zorgvuldigheid marktdeelnemers in staat stellen aan de eisen inzake passende zorgvuldigheid van deze verordening te voldoen.

(95)

Geharmoniseerde regels voor afvalstoffenbeheer zijn noodzakelijk om te waarborgen dat producenten en andere marktdeelnemers in alle lidstaten aan dezelfde regels worden onderworpen bij het uitvoeren van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen en om voor een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu in de hele Unie te zorgen. Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid kan bijdragen tot vermindering van het totale gebruik van hulpbronnen, met name door het genereren van afgedankte batterijen en de nadelige effecten van het beheer van afgedankte batterijen te beperken. Maximaliseren van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en ervoor zorgen dat alle ingezamelde afgedankte batterijen worden gerecycled door middel van processen die gemeenschappelijke minimale recyclingrendementen bereiken, zijn noodzakelijk om hoge niveaus van materiaalterugwinning te bereiken. In haar evaluatie van Richtlijn 2006/66/EG heeft de Commissie geconstateerd dat een van de tekortkomingen van die richtlijn is dat de bepalingen ervan te weinig gedetailleerd zijn, wat leidt tot een ongelijke uitvoering, aanzienlijke belemmeringen voor de werking van de recyclingmarkten en suboptimale niveaus van recycling. Bijgevolg zouden nadere en geharmoniseerde voorschriften voorkomen dat de markt voor de inzameling, verwerking en recycling van afgedankte batterijen wordt verstoord, en zorgen voor een gelijke uitvoering van de voorschriften in de hele Unie. Ook zou de kwaliteit van de door de marktdeelnemers verleende afvalbeheerdiensten zo verder worden geharmoniseerd en zou de werking van de markt voor secundaire grondstoffen worden vergemakkelijkt.

(96)

Om ervoor te zorgen dat de verplichtingen uit hoofde van deze verordening worden nagekomen en om de naleving van deze verordening door producenten en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid te monitoren en te verifiëren, moeten de lidstaten een of meer bevoegde autoriteiten aanwijzen.

(97)

Deze verordening bouwt voort op de regels voor afvalbeheer en de algemene beginselen van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (25), die moeten worden aangepast aan de specifieke aard van afgedankte batterijen. Om de inzameling van afgedankte batterijen zo efficiënt mogelijk te organiseren, is het van belang dat dat zowel dicht bij de plaats waar de batterijen worden verkocht als dicht bij de eindgebruiker gebeurt. Afgedankte batterijen moeten gescheiden van andere afvalstromen, zoals metaal, papier en karton, glas, kunststof, hout, textiel en bioafval, worden ingezameld. Ook moet het mogelijk zijn afgedankte batterijen samen met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en met autowrakken in te zamelen via nationale inzamelingssystemen die zijn opgezet op basis van Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad (26) respectievelijk Richtlijn 2000/53/EG. Hoewel Richtlijn 2006/66/EG specifieke regels voor batterijen bevat, is er behoefte aan een coherente en complementaire aanpak, die voortbouwt op de bestaande structuren voor afvalbeheer en die verder harmoniseert. Bijgevolg, en om de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid met betrekking tot het afvalbeheer daadwerkelijk in uitvoering te brengen, moeten er verplichtingen worden vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waar de batterijen voor het eerst op de markt worden aangeboden.

(98)

Om na te gaan of producenten hun verplichtingen nakomen met betrekking tot de afvalverwerking van de voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt aangeboden batterijen, is het noodzakelijk dat in elke lidstaat een register wordt ingesteld en beheerd door de bevoegde autoriteit. De informatie in het register moet toegankelijk zijn voor de entiteiten die betrokken zijn bij het nagaan of de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid in acht wordt genomen en wordt gehandhaafd. Dat register moet hetzelfde kunnen zijn als het op grond van Richtlijn 2006/66/EG ingestelde nationale register. Van producenten moet worden vereist dat zij zich registreren zodat de bevoegde autoriteiten over de nodige informatie beschikken om na te gaan of producenten hun verplichtingen nakomen. De registratievereisten moeten in de hele Unie worden vereenvoudigd.

(99)

In het geval van door de overheid beheerde organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, zijn, aangezien zij geen mandaat hebben van de vertegenwoordigde producent, de voorschriften van deze verordening betreffende dergelijke mandaten niet van toepassing.

(100)

Gezien het beginsel dat de vervuiler betaalt, is het passend producenten verplichtingen op te leggen met betrekking tot het beheer van afgedankte batterijen. In dat verband moet onder producenten worden verstaan elke fabrikant, importeur of distributeur die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, onder meer door middel van overeenkomsten op afstand zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7), van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad (27), op commerciële basis voor het eerst een batterij levert voor distributie of gebruik, ook wanneer die is ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, op het grondgebied van een lidstaat.

(101)

De producenten moeten uitgebreide producentenverantwoordelijkheid dragen voor het beheer van hun batterijen in de eindfase van de levenscyclus. Daarom moeten zij de kosten financieren van de inzameling, de verwerking en de recycling van alle ingezamelde batterijen, het onderzoek naar de samenstelling van het ingezamelde gemengde stedelijk afval, de rapportage over batterijen en afgedankte batterijen, en de informatieverstrekking aan eindgebruikers en afvalverwerkers over batterijen en passend hergebruik en beheer van afgedankte batterijen. De nieuwe regels inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid uit hoofde van deze verordening zijn bedoeld om voor een hoog niveau van milieu- en gezondheidsbescherming in de Unie te zorgen door de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen te maximaliseren en door ervoor te zorgen dat alle ingezamelde batterijen worden gerecycled via processen met hoge percentages recyclingrendement en materiaalterugwinning gelet op de technische en wetenschappelijke vooruitgang. De verplichtingen in verband met uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moeten gelden voor alle vormen van levering, met inbegrip van verkoop op afstand. De producenten moeten in staat zijn die verplichtingen gezamenlijk uit te voeren, via organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die namens hen de verantwoordelijkheid nemen. De producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid moeten worden gemachtigd en zij moeten aantonen dat zij over de financiële middelen beschikken om de kosten van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid te dekken. Bij het vaststellen van administratieve en procedurele regels voor de machtiging van producenten voor individuele naleving en van organisaties voor producentenverantwoordelijkheid voor collectieve naleving moeten de lidstaten een onderscheid kunnen maken tussen processen voor individuele producenten en processen voor organisaties voor producentenverantwoordelijkheid teneinde de administratieve lasten voor individuele producenten te beperken. In dat verband moet het mogelijk zijn om overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG afgegeven vergunningen voor de toepassing van deze verordening als een machtiging te beschouwen. Om verstoring van de interne markt te voorkomen en eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de regeling van de financiële bijdragen die de producenten aan de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid betalen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend. Afvalverwerkers die de inzameling en verwerking overeenkomstig deze verordening uitvoeren, moeten overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG door de producenten van de betrokken batterijen of door organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die namens hen optreden worden onderworpen aan een selectieprocedure. Wanneer de afvalverwerking plaatsvindt in een andere lidstaat dan die waarin een batterij voor het eerst op de markt wordt aangeboden, moeten de producenten de kosten dekken van de afvalverwerkers in de lidstaat waar de afvalverwerking plaatsvindt. Bij de bespreking van mogelijke voorstellen voor wetgevingshandelingen van de Unie inzake autowrakken en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur moet de instelling van een grensoverschrijdend mechanisme voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte batterijen, ook wanneer ze zijn ingebouwd in voertuigen of apparaten, tussen de betrokken marktdeelnemers aan de orde worden gesteld. Voorts moet worden overwogen nog andere maatregelen vast te stellen, zoals informatiebeheer en verificatie-instrumenten, waaronder — waar passend — gemachtigden voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, afvalverwerkers, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, digitale productpaspoorten en producentenregisters, en nationale voertuigregistratiesystemen wanneer het batterijen voor elektrische voertuigen betreft.

(102)

De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid moet ook gelden voor marktdeelnemers die een batterij in de handel brengen die het resultaat is van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming of herfabricage. Daarom mag de marktdeelnemer die de batterij oorspronkelijk in de handel heeft gebracht, geen extra kosten dragen die het gevolg kunnen zijn van het afvalbeheer dat voortvloeit uit het latere leven van die batterij. Marktdeelnemers die onder uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vallen, moeten een kostendelingsmechanisme kunnen instellen op basis van de toerekening van de werkelijke afvalbeheerkosten.

(103)

Deze verordening is een lex specialis in relatie tot Richtlijn 2008/98/EG voor de minimumeisen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid inzake inzamelings- en recyclingdoelstellingen, terugname door distributeurs en tweede leven. De lidstaten moeten worden verplicht de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid vast te stellen waarin deze verordening voorziet, in overeenstemming met Richtlijn 2008/98/EG en met het nationale recht tot omzetting van die richtlijn. Wanneer deze verordening niet voorziet in volledige harmonisatie in hoofdstuk VIII, moeten de lidstaten bovendien aanvullende maatregelen kunnen nemen met betrekking tot die specifieke onderwerpen, mits die nadere regelgeving in overeenstemming is met Richtlijn 2008/98/EG en aansluit op de nationale omzettingswetgeving van die richtlijn en op deze verordening.

(104)

In deze verordening moet worden bepaald hoe de traceerbaarheid van de in Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad (28) vastgelegde verplichtingen van handelaren moet worden toegepast op onlineplatforms waarop consumenten overeenkomsten op afstand kunnen sluiten met producenten die batterijen aanbieden, waaronder batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, en op consumenten die zich in de Unie bevinden wat betreft de op grond van deze verordening opgezette producentenregisters. Voor de toepassing van deze verordening moet iedere producent die door middel van overeenkomsten op afstand rechtstreeks aan consumenten die zich in een lidstaat bevinden batterijen aanbiedt, waaronder batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, worden beschouwd als een handelaar als gedefinieerd in Verordening (EU) 2022/2065. Op grond van die verordening moeten aanbieders van onlineplatforms die binnen het toepassingsgebied van afdeling 4 van hoofdstuk III ervan vallen en die consumenten de mogelijkheid bieden overeenkomsten op afstand te sluiten met producenten, van die producenten informatie verkrijgen over het producentenregister waarin zij staan geregistreerd, alsook hun registratienummer en een zelfcertificering waardoor zij zich ertoe verbinden te voldoen aan de in deze verordening vastgelegde voorschriften inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. De uitvoering van de regels inzake de traceerbaarheid van handelaren voor de onlineverkoop van batterijen is onderhevig aan de in Verordening (EU) 2022/2065 vastgelegde handhavingsregels.

(105)

Om de hoogwaardige recycling in de toeleveringsketen van batterijen te waarborgen, de toepassing van hoogwaardige secundaire grondstoffen te stimuleren en het milieu te beschermen, moeten afgedankte batterijen op grote schaal worden ingezameld en gerecycled. De inzameling van afgedankte batterijen is een fundamentele cruciale stap voor de terugwinning van waardevolle materialen in batterijen door middel van recycling en voor het behoud van de toeleveringsketen van batterijen binnen de Unie, waardoor de strategische autonomie van de Unie in die sector wordt verhoogd. Dergelijke recycling vergemakkelijkt derhalve ook de toegang tot de teruggewonnen materialen die verder kunnen worden gebruikt voor de fabricage van nieuwe producten.

(106)

De producenten moeten verantwoordelijk zijn voor de financiering en de organisatie van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen. Zij moeten dat doen door een terugname- en inzamelingsnetwerk en daarmee verband houdende voorlichtingscampagnes op te zetten die het volledige grondgebied van elke lidstaat bestrijken. Een dergelijk netwerk moet zich dicht bij de eindgebruiker bevinden en mag zich niet alleen richten op gebieden waar en batterijen waarvan de inzameling winstgevend is. Het inzamelingsnetwerk moet bestaan uit distributeurs, erkende verwerkingsinrichtingen van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en afgedankte voertuigen en openbare voorzieningen, en, op vrijwillige basis, andere marktdeelnemers, zoals overheden en scholen. Teneinde de doeltreffendheid van het inzamelingsnetwerk en de voorlichtingscampagnes daarvoor te controleren en te verbeteren, moeten er regelmatig samenstellingsenquêtes worden gehouden, ten minste op NUTS 2-niveau, zoals bepaald in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (29), op gemengd stedelijk afval en ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur om de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen daarin te bepalen.

(107)

Afgedankte batterijen moeten samen met afgedankte elektrische en elektronische apparatuur kunnen worden ingezameld via nationale inzamelingssystemen die zijn opgezet op basis van Richtlijn 2012/19/EU en samen met autowrakken overeenkomstig Richtlijn 2000/53/EG. In die gevallen moeten de batterijen, als verplichte minimale verwerkingsvereiste, van de ingezamelde afgedankte apparaten en autowrakken worden afgezonderd. Na afzondering van de ingezamelde afgedankte apparaten en autowrakken moeten op de batterijen de vereisten van deze verordening van toepassing zijn. Dergelijke afgedankte batterijen moeten met name worden meegeteld voor het bereiken van de inzamelingsdoelstelling voor die batterijcategorie en de in deze verordening vastgelegde verwerkings- en recyclingvoorschriften moeten erop van toepassing zijn.

(108)

Gezien de milieueffecten en het verlies van materialen door afgedankte batterijen die niet gescheiden worden ingezameld en daarom niet op een milieuverantwoorde manier worden behandeld, moet de uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG vastgestelde inzamelingsdoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen van toepassing blijven en geleidelijk aan worden verhoogd. Gezien de huidige stijging van de verkoop van batterijen voor lichte vervoermiddelen en aangezien zij een langere levensduur hebben dan draagbare batterijen, is het passend voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen een aparte inzamelingsdoelstelling vast te stellen, die losstaat van de inzamelingsdoelstelling voor afgedankte draagbare batterijen. Vanwege de verwachte ontwikkeling van de markt voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en draagbare batterijen en de stijging van hun verwachte levensduur, moet de methode voor het berekenen en controleren van inzamelingsdoelstellingen worden geëvalueerd zodat het daadwerkelijke volume afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen en afgedankte draagbare batterijen dat beschikbaar is voor inzameling, beter vastgesteld kan worden. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om die methode te wijzigen en om de inzamelingsdoelstellingen dienovereenkomstig te wijzigen. Het is van cruciaal belang dat een nieuwe “Beschikbaar voor inzameling”-methode het milieuambitieniveau van de huidige methode wat betreft de inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen en afgedankte draagbare batterijen aanhoudt of verhoogt. Op basis van een studie van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek over alternatieve inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen komt een inzamelingsdoelstelling voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen van 51 % uiterlijk op 31 december 2028 en van 61 % uiterlijk op 31 december 2031 — berekend op basis van de hoeveelheden in een lidstaat op de markt aangeboden batterijen voor lichte vervoermiddelen — naar schatting overeen met een inzamelingsdoelstelling voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen van 79 % uiterlijk op 31 december 2028 en van 85 % uiterlijk op 31 december 2031, berekend op basis van de in een lidstaat voor inzameling beschikbare hoeveelheden batterijen voor lichte vervoermiddelen. De inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen moeten worden geëvalueerd. Bij een dergelijke evaluatie moet kunnen worden bekeken of het mogelijk is twee subcategorieën draagbare batterijen in te voeren: oplaadbare en niet-oplaadbare, met aparte inzamelingspercentages. De Commissie moet ter begeleiding van die evaluaties een rapport opstellen.

(109)

Teneinde de inzameling te maximaliseren en de veiligheidsrisico’s te verminderen, moet de Commissie de haalbaarheid en de potentiële voordelen van een statiegeldsysteem voor batterijen, en dan met name voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik, beoordelen. In die beoordeling moeten nationale en geharmoniseerde statiegeldsystemen voor de hele Unie in overweging worden genomen.

(110)

Het inzamelingspercentage van afgedankte draagbare batterijen moet ook in de toekomst worden berekend op basis van de gemiddelde jaaromzet in de voorgaande jaren, zodat de doelstellingen in verhouding staan tot het niveau van het batterijverbruik in een lidstaat. Om zo goed mogelijk rekening te houden met veranderingen in wat onder de categorie draagbare batterijen valt, alsook met wijzigingen in de levensduur en de consumptiepatronen van batterijen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de methode voor de berekening en controle van het inzamelingspercentage van afgedankte draagbare batterijen, alsook van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen.

(111)

De verplichting voor de lidstaten om maatregelen te nemen zodat producenten en, indien aangesteld, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen halen, weerspiegelt het algemene beginsel dat de lidstaten de doeltreffendheid van het Unierecht moeten verzekeren.

(112)

Alle afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen moeten worden ingezameld. Daartoe moeten de producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen worden verplicht om alle afgedankte batterijen van hun respectieve categorie kosteloos terug te nemen van de eindgebruikers. Er moeten uitvoerige rapportageverplichtingen worden vastgesteld voor alle producenten, afvalverwerkers en afvalstoffenhouders die betrokken zijn bij de inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen.

(113)

Gezien de afvalhiërarchie zoals vastgesteld bij Richtlijn 2008/98/EG, waarin prioriteit wordt gegeven aan preventie, voorbereiding voor hergebruik en recycling, en in overeenstemming met Richtlijn 2008/98/EG en Richtlijn 1999/31/EG van de Raad (30), mogen ingezamelde afgedankte batterijen niet worden verwijderd noch mag er energie uit worden teruggewonnen.

(114)

Alle vergunde inrichtingen voor verwerking van batterijen moeten voldoen aan minimumeisen om nadelige effecten voor het milieu en de menselijke gezondheid te voorkomen en een hoog terugwinningsniveau van de in de batterijen aanwezige materialen mogelijk te maken. Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (31) regelt een aantal industriële activiteiten op het gebied van de verwerking van afgedankte batterijen, waarvoor die richtlijn voorziet in specifieke vergunningsvoorschriften en controles die de beste beschikbare technieken weerspiegelen. Wanneer industriële activiteiten in verband met de verwerking en recycling van batterijen niet onder Richtlijn 2010/75/EU vallen, moeten marktdeelnemers in ieder geval worden verplicht de beste beschikbare technieken, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10, van die richtlijn, en de specifieke voorschriften van deze verordening toe te passen. De eisen van deze verordening inzake de verwerking en recycling van batterijen moeten door de Commissie waar nodig worden aangepast in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang en opkomende nieuwe technologieën op het gebied van afvalbeheer. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van die eisen.

(115)

Er moeten doelstellingen inzake het rendement van recyclingprocessen en materiaalterugwinning worden vastgesteld, om een hoogwaardige materiaalterugwinning voor de batterij-industrie te waarborgen en tegelijkertijd te zorgen voor duidelijke en gemeenschappelijke regels voor recyclers en om verstoring van de concurrentie of andere belemmeringen voor het ordelijk functioneren van de interne markt voor secundaire grondstoffen uit afgedankte batterijen te voorkomen. Als maatstaf voor de totale hoeveelheid gerecyclede materialen moeten voor lood-zuurbatterijen, nikkel-cadmium batterijen, lithiumbatterijen en andere batterijen doelstellingen inzake recyclingrendement worden vastgesteld. Er moeten ook doelstellingen inzake materiaalterugwinning worden vastgesteld voor kobalt, lood, lithium en nikkel, teneinde een hoog percentage van materiaalterugwinning in de hele Unie te bereiken. De in Verordening (EU) nr. 493/2012 van de Commissie (32) vastgelegde regels voor de berekening van en de rapportage over het recyclingrendement moeten van toepassing blijven. Teneinde ervoor te zorgen dat de berekeningen en controles van recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages nauwkeurig en betrouwbaar zijn en dat er meer rechtszekerheid is, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met de methode voor de berekening en controle van recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages in de recyclingprocessen voor batterijen, en met het model voor de documentatie inzake recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages en inzake bestemming en opbrengst van de uiteindelijke outputfracties, overeenkomstig deel A van bijlage XII. De Commissie moet ook Verordening (EU) nr. 493/2012 evalueren om naar behoren rekening te houden met de technologische ontwikkelingen en veranderingen in industriële terugwinningsprocessen, om het toepassingsgebied ervan uit te breiden tot bestaande en nieuwe doelstellingen en om instrumenten aan te reiken voor de karakterisering van tussenproducten. Verwerkingsinrichtingen moeten worden aangemoedigd om gecertificeerde milieubeheersystemen in te voeren in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad (33).

(116)

Het mag enkel mogelijk zijn om de verwerking van afgedankte batterijen buiten de betrokken lidstaat waar het afval is ingezameld of buiten de Unie uit te voeren wanneer de overbrenging van afgedankte batterijen in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (34) en Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie (35) en wanneer de verwerking voldoet aan de eisen die voor dat soort afval gelden, overeenkomstig de indeling ervan in Beschikking 2000/532/EG van de Commissie (36). Die beschikking moet worden herzien om rekening te houden met alle chemische samenstellingen van batterijen, met name de codes voor afgedankte lithiumbatterijen, teneinde een correcte sortering van en de rapportage over dergelijke afgedankte batterijen mogelijk te maken. Deze verordening laat de mogelijke indeling van afgedankte batterijen als gevaarlijke afvalstoffen uit hoofde van Richtlijn 2008/98/EG onverlet. Om te worden meegeteld voor de recyclingrendementen en -doelstellingen, moet, wanneer een dergelijke verwerking buiten de Unie plaatsvindt, de afvalverwerker namens welke die wordt uitgevoerd, worden verplicht aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar die afgedankte batterijen werden ingezameld over die verwerking te rapporteren en te bewijzen dat de verwerking is uitgevoerd onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die uit hoofde van deze verordening en die stroken met ander Unierecht met betrekking tot de menselijke gezondheid en milieubescherming. Om vast te stellen wat de vereisten zijn om een dergelijke verwerking als gelijkwaardig te beschouwen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening door nadere regels vast te stellen met criteria voor de beoordeling van gelijkwaardige voorwaarden.

(117)

Wanneer afgedankte batterijen uit de Unie worden uitgevoerd voor voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of recycling, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten effectief gebruikmaken van de bevoegdheden waarin Verordening (EG) nr. 1013/2006 voorziet om schriftelijke bewijzen voor te schrijven om na te gaan of aan de eisen van deze verordening wordt voldaan.

(118)

Industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen die niet meer geschikt zijn voor het oorspronkelijke doel waarvoor ze zijn gefabriceerd, moeten als batterijen voor stationaire energieopslag voor een ander doel kunnen worden gebruikt. Er ontstaat een markt voor gebruikte industriële batterijen en gebruikte batterijen voor elektrische voertuigen en teneinde de praktische uitvoering van de afvalhiërarchie te ondersteunen, moeten er derhalve specifieke regels worden vastgesteld om een verantwoorde herbestemming van gebruikte batterijen mogelijk te maken, waarbij het voorzorgsbeginsel in acht wordt genomen en de gebruiksveiligheid voor de eindgebruikers wordt gewaarborgd. De conditie en de beschikbare capaciteit van dergelijke gebruikte batterijen moeten worden beoordeeld om na te gaan of ze geschikt zijn voor een ander doel dan het oorspronkelijke doel. Batterijen die geschikt worden bevonden voor een ander doel dan hun oorspronkelijke doel, moeten idealiter worden herbestemd. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de vereisten waaraan afgedankte industriële batterijen, afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen moeten voldoen om niet langer als afval te worden beschouwd, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

(119)

Producenten en distributeurs moeten actief worden betrokken bij het verstrekken van informatie aan eindgebruikers met betrekking tot de verplichte gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en de beschikbaarheid van inzamelingssystemen. Zij moeten eindgebruikers ook voorlichten over de belangrijke rol die eindgebruikers spelen om te zorgen voor een uit milieuoogpunt optimaal beheer van afgedankte batterijen. Producenten en distributeurs moeten gebruikmaken van actuele informatietechnologie om alle eindgebruikers informatie te verstrekken en te rapporteren over batterijen. De informatie moet worden verstrekt via de traditionele wegen, zoals buitenreclame, op posters en via campagnes op sociale media, of via innovatievere middelen, zoals de elektronische toegang tot websites via QR-codes die op de batterij zijn aangebracht. De informatie moet overeenkomstig Richtlijn (EU) 2019/882 toegankelijk zijn voor personen met een handicap.

(120)

Om de controle op de nakoming, en de doeltreffendheid, van de verplichtingen inzake de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen te kunnen controleren, moeten marktdeelnemers rapporteren aan de bevoegde autoriteiten. Producenten van batterijen en afvalverwerkers die afgedankte batterijen inzamelen, moeten voor elk kalenderjaar, in voorkomend geval, de gegevens over verkochte batterijen en ingezamelde afgedankte batterijen melden. Wat de verwerking betreft, moeten afvalverwerkers, respectievelijk recyclers, verplicht worden te rapporteren.

(121)

Voor elk kalenderjaar moeten de lidstaten de Commissie informatie verstrekken over het aantal batterijen dat op hun grondgebied is geleverd en het aantal ingezamelde afgedankte batterijen, per categorie en per chemische samenstelling. Wat afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen betreft, moeten de gegevens afzonderlijk worden gerapporteerd, waardoor de respectieve inzamelingsdoelstellingen kunnen worden aangepast, rekening houdend met het marktaandeel van die batterijen en hun specifieke doel en kenmerken. Die informatie moet elektronisch worden verstrekt en vergezeld gaan van een kwaliteitscontrolerapport. Om eenvormige voorwaarden voor de rapportage over die gegevens en informatie aan de Commissie, alsook voor de controlemethoden, te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

(122)

Voor elk kalenderjaar moeten de lidstaten aan de Commissie rapporteren over de behaalde recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages, rekening houdend met alle afzonderlijke stappen van het recyclingproces en de outputfracties.

(123)

Om de transparantie in de toeleverings- en waardeketen voor alle belanghebbenden te vergroten, moet worden voorzien in een batterijpaspoort dat de uitwisseling van informatie maximaliseert, het traceren van batterijen mogelijk maakt en informatie verschaft over de koolstofintensiteit van hun fabricageprocessen, over de herkomst van de gebruikte materialen, over het eventuele gebruik van hernieuwbare materialen zoals uit lignine geproduceerd materiaal ter vervanging van grafiet, over de batterijsamenstelling, met inbegrip van grondstoffen en gevaarlijke chemische stoffen, over reparatie, herbestemming en ontmanteling, en over de verwerkings-, recycling- en terugwinningsprocessen die aan het einde van hun levensduur op de batterijen kunnen worden toegepast. Het batterijpaspoort moet het publiek informatie verstrekken over in de handel gebrachte batterijen en de duurzaamheidsvereisten ervan. Het moet bedrijven die zich bezighouden met herfabricage, exploitanten van batterijen voor hergebruik en recyclers actuele informatie verstrekken voor de omgang met batterijen, en specifieke marktdeelnemers op maat gesneden informatie verstrekken, onder meer over de conditie van batterijen. Het batterijpaspoort moet de markttoezichtautoriteiten kunnen ondersteunen bij de vervulling van hun taken uit hoofde van deze verordening, maar het mag de verantwoordelijkheden van markttoezichtautoriteiten, die de in batterijpaspoorten verstrekte informatie in lijn met Verordening (EU) 2019/1020 moeten controleren, niet vervangen of wijzigen.

(124)

Bepaalde informatie in het batterijpaspoort mag niet openbaar zijn, zoals gevoelige commerciële informatie waartoe slechts een beperkt aantal personen met een gerechtvaardigd belang toegang moeten hebben. Dat geldt voor informatie over ontmanteling, met inbegrip van veiligheid, en gedetailleerde informatie met betrekking tot de batterijsamenstelling, die fundamenteel is voor reparateurs, bedrijven die zich bezighouden met herfabricage, exploitanten van batterijen voor hergebruik en recyclers. Het geldt ook voor informatie met betrekking tot afzonderlijke batterijen, die fundamenteel is voor de kopers van de batterij of hun vertegenwoordigers teneinde de batterij ter beschikking te stellen aan onafhankelijke aankoopgroeperingen of energiemarktdeelnemers, om de restwaarde of resterende levensduur voor verder gebruik van de batterij te beoordelen, en de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming of de herfabricage van de batterij te faciliteren. Resultaten van testrapporten mogen uitsluitend toegankelijk zijn voor aangemelde instanties, markttoezichtautoriteiten en de Commissie.

(125)

Het batterijpaspoort moet marktdeelnemers in staat stellen de informatie en gegevens over de afzonderlijke in de handel gebrachte batterijen op een efficiëntere manier te verzamelen en te hergebruiken en beter geïnformeerde keuzes te maken bij hun planningsactiviteiten. Zodra de batterij in de handel wordt gebracht, kan het in sommige gevallen wellicht praktischer zijn dat een andere rechtspersoon, zoals een voertuigfabrikant, de informatie in het paspoort bijwerkt. Daarom moeten de marktdeelnemers die de batterij in de handel brengen, andere marktdeelnemers schriftelijk kunnen machtigen om namens hen op te treden. De verantwoordelijkheid voor de naleving van de bepalingen voor het batterijpaspoort moet berusten bij de marktdeelnemer die de batterij in de handel brengt. Om eenvormige voorwaarden voor de invoering van het batterijpaspoort te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend.

(126)

Om ervoor te zorgen dat het batterijpaspoort flexibel, dynamisch en marktgestuurd is en mee evolueert met bedrijfsmodellen, markten en innovatie, moet het zijn gebaseerd op een gedecentraliseerd gegevenssysteem dat wordt opgezet en onderhouden door de marktdeelnemers. Om een doeltreffende uitrol van het batterijpaspoort te waarborgen, moeten het technische ontwerp, de gegevensvereisten en de werking van het batterijpaspoort voldoen aan een reeks essentiële technische vereisten. Die vereisten moeten samen worden ontwikkeld met die voor digitale productpaspoorten die gelden krachtens ander Unierecht wat betreft ecologisch ontwerp voor duurzame producten. Teneinde de doeltreffende uitvoering van die essentiële vereisten te waarborgen, moeten op basis van de beginselen van de Connecting Europe Facility van de Europese Commissie voor het eDelivery-netwerk technische specificaties worden vastgesteld, hetzij in de vorm van geharmoniseerde normen waarvan de verwijzingen in het Publicatieblad van de Europese Unie worden gepubliceerd, hetzij — als alternatief — in de vorm van door de Commissie vastgestelde gemeenschappelijke specificaties. Het technische ontwerp moet ervoor zorgen dat de gegevens in het batterijpaspoort beveiligd zijn op een manier dat de privacyregels in acht worden genomen.

(127)

Verordening (EU) 2019/1020 bevat de algemene voorschriften voor markttoezicht en controle op producten die in de handel in de Unie worden gebracht of de markt van de Unie binnenkomen vanuit derde landen. Om ervoor te zorgen dat batterijen die vallen onder het vrije verkeer van goederen voldoen aan eisen die een hoog beschermingsniveau bieden voor algemene belangen, zoals de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, de bescherming van eigendommen en het milieu, en om te waarborgen dat de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, met name wat betreft het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, volledig kunnen worden gehandhaafd, moet Verordening (EU) 2019/1020 ook van toepassing zijn op batterijen en marktdeelnemers die onder deze verordening vallen. Daarom moet bijlage I bij Verordening (EU) 2019/1020 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(128)

Verordening (EU) 2019/1020 verplicht markttoezichtautoriteiten ertoe de kenmerken van producten op toereikende schaal en op passende wijze te controleren. Die verordening verleent de Commissie bevoegdheden om uitvoeringshandelingen vast te stellen teneinde voor bepaalde producten of categorieën producten de eenvormige voorwaarden voor controles, criteria voor het bepalen van de frequentie van de controles en het aantal monsters dat moet worden gecontroleerd, vast te stellen. Indien aan de voorwaarden van Verordening (EU) 2019/1020 is voldaan, is die bevoegdheidsverlening ook van toepassing op de batterijen die onder deze verordening vallen.

(129)

Bij Verordening (EU) 2019/1020 zijn nieuwe instrumenten in het leven geroepen om de conformiteit en het markttoezicht te verbeteren, die ook relevant zijn voor batterijen. Overeenkomstig die verordening kan de Commissie een overheidstestfaciliteit van een lidstaat aanwijzen als Unietestfaciliteit voor specifieke productcategorieën of voor specifieke risico’s in verband met een productcategorie. De Commissie moet de batterijen die onder deze verordening vallen, opnemen in haar volgende oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor het aanwijzen van Unietestfaciliteiten op grond van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1267 van de Commissie (37). In Verordening (EU) 2019/1020 is ook bepaald dat markttoezichtautoriteiten gezamenlijke activiteiten kunnen uitvoeren met andere autoriteiten of organisaties die marktdeelnemers of eindgebruikers vertegenwoordigen, teneinde de conformiteit te bevorderen, non-conformiteit op te sporen, het bewustzijn te vergroten en richtsnoeren over specifieke categorieën producten te verstrekken. In die mogelijkheid moet ook worden voorzien met betrekking tot de vereisten van deze verordening. In dat verband zouden de lidstaten of markttoezichtautoriteiten kunnen onderzoeken of kenniscentra voor batterijen kunnen worden opgericht.

(130)

Batterijen mogen uitsluitend in de handel worden gebracht als ze geen risico vormen voor de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu wanneer ze worden opgeslagen en gebruikt voor het beoogde doel, of onder gebruiksomstandigheden die redelijkerwijs kunnen worden voorzien, dat wil zeggen wanneer die gebruiksomstandigheden kunnen voortvloeien uit rechtmatig en gemakkelijk voorspelbaar menselijk gedrag.

(131)

Er moet een procedure bestaan om belanghebbende partijen te informeren over de maatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot batterijen die een risico voor de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu vormen. Die procedure moet ook de markttoezichtautoriteiten in de lidstaten in staat stellen om, samen met de betrokken marktdeelnemers, in een vroeg stadium tegen dergelijke batterijen op te treden. Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om te bepalen of nationale maatregelen met betrekking tot niet-conforme batterijen al dan niet gerechtvaardigd zijn.

(132)

Markttoezichtautoriteiten moeten marktdeelnemers kunnen voorschrijven corrigerende maatregelen te nemen wanneer wordt geconstateerd dat een batterij niet aan de eisen van deze verordening voldoet of dat een marktdeelnemer een inbreuk heeft gemaakt op de regels inzake het in de handel brengen of op de markt aanbieden van een batterij, de regels inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering en informatie, of de passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen.

(133)

Overheidsopdrachten spelen een belangrijke rol bij het verminderen van de effecten van menselijke activiteiten op het milieu en bij het stimuleren van de markttransformatie naar duurzamere producten. Aanbestedende diensten zoals gedefinieerd in Richtlijnen 2014/24/EU (38) en 2014/25/EU (39) van het Europees Parlement en de Raad, en aanbestedende instanties zoals gedefinieerd in Richtlijn 2014/25/EU moeten bij de aankoop van batterijen of producten die batterijen bevatten rekening houden met de milieueffecten en ervoor zorgen dat de marktdeelnemers de sociale en milieu-eisen daadwerkelijk in acht nemen, om de markt voor schone en energie-efficiënte mobiliteit en energieopslag te bevorderen en te stimuleren en aldus bij te dragen aan de doelstellingen van het milieu-, klimaat- en energiebeleid van de Unie.

(134)

Bij de vaststelling van gedelegeerde handelingen uit hoofde van deze verordening is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (40). Om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad met name alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(135)

De uitvoeringsbevoegdheden die bij deze verordening aan de Commissie worden toegekend en die geen betrekking hebben op de vaststelling of maatregelen van de lidstaten ten aanzien van niet-conforme batterijen al dan niet gerechtvaardigd zijn, moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (41).

(136)

De raadplegingsprocedure moet worden gevolgd voor de vaststelling van een uitvoeringshandeling in situaties waarin de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet aan de aanmeldingseisen voldoet, teneinde de aanmeldende autoriteit te verzoeken de nodige corrigerende maatregelen te nemen, alsook, zo nodig, de aanmelding in te trekken.

(137)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen om te bepalen of een nationale maatregel die is genomen met betrekking tot een batterij die conform is en een risico vormt, al dan niet gerechtvaardigd is wanneer in naar behoren gemotiveerde gevallen met betrekking tot de bescherming van de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, of de bescherming van eigendommen of het milieu, dwingende redenen van urgentie dat vereisen.

(138)

De lidstaten moeten regels vaststellen voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en ervoor zorgen dat die regels worden uitgevoerd. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Wanneer sancties worden opgelegd, is het belangrijk terdege rekening te houden met de aard, de ernst, de omvang, de opzet en de herhaling van de inbreuk en met de mate van medewerking van de voor de inbreuk verantwoordelijk geachte natuurlijke of rechtspersoon met de bevoegde autoriteit. Sancties moeten worden opgelegd overeenkomstig het Unie- en het nationale recht, met inbegrip van de toepasselijke procedurele waarborgen en de beginselen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(139)

Gezien de noodzaak om een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen en rekening te houden met nieuwe ontwikkelingen op basis van wetenschappelijke feiten, moet de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport overleggen betreffende de toepassing van deze verordening en de effecten ervan voor het milieu en de werking van de interne markt. De Commissie moet in haar rapport een evaluatie opnemen van de bepalingen inzake duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings- en informatiecriteria, van de maatregelen voor het beheer van afgedankte batterijen en van de vereisten inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen. Waar passend moet het rapport vergezeld gaan van een voorstel tot wijziging van de desbetreffende bepalingen van deze verordening.

(140)

Marktdeelnemers moeten voldoende tijd krijgen om aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen en de lidstaten moeten de nodige administratieve infrastructuur voor de toepassing ervan opzetten. De toepassing van deze verordening moet daarom worden uitgesteld tot een datum waarop die voorbereidingen redelijkerwijs kunnen worden afgerond.

(141)

Teneinde de lidstaten in de gelegenheid te stellen het uit hoofde van Richtlijn 2006/66/EG opgezette register van producenten aan te passen en de nodige bestuursmaatregelen te treffen met betrekking tot de organisatie van de vergunningsprocedures door de bevoegde autoriteiten, met waarborging van de continuïteit voor marktdeelnemers, moet Richtlijn 2006/66/EG met ingang van 18 augustus 2025 worden ingetrokken. De verplichtingen uit hoofde van die richtlijn inzake de monitoring van en de rapportage over het inzamelingspercentage van draagbare batterijen moeten tot en met 31 december 2023 van kracht blijven, en de daaraan gerelateerde verplichtingen inzake de doorgifte van gegevens aan de Commissie tot en met 30 juni 2025, de verplichtingen uit hoofde van die richtlijn inzake de monitoring van en de rapportage over de recyclingrendementen van de recyclingprocessen tot en met 31 december 2025, en de daaraan gerelateerde verplichtingen inzake de doorgifte van gegevens aan de Commissie tot en met 30 juni 2027, teneinde de continuïteit te waarborgen totdat de nieuwe berekeningsregels en rapportageformats door de Commissie uit hoofde van deze verordening zijn vastgesteld.

(142)

Het is belangrijk dat bij de uitvoering van deze verordening rekening wordt gehouden met de ecologische, sociale en economische gevolgen. Om een gelijk speelveld te waarborgen, is het daarenboven belangrijk dat bij de uitvoering van deze verordening in dezelfde mate rekening wordt gehouden met alle relevante beschikbare technologieën, mits die technologieën het mogelijk maken dat batterijen volledig voldoen aan alle toepasselijke vereisten van deze verordening. Daarnaast mogen marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s, ook het midden- en kleinbedrijf of mkb genoemd), niet te maken krijgen met buitensporige administratieve lasten.

(143)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk bijdragen aan de werking van de interne markt en de nadelige effecten van batterijen en afgedankte batterijen voorkomen en terugdringen ter wille van een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen en het milieu, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar gezien de noodzaak van harmonisatie beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen vaststellen, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Algemene bepalingen

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden eisen vastgesteld inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie om het in de handel brengen of in gebruik nemen van batterijen in de Unie toe te staan. Daarnaast worden minimumeisen vastgesteld voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, voor de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen en voor rapportage.

2.   Bij deze verordening worden verplichtingen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen opgelegd aan marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen. Daarnaast worden eisen inzake groene overheidsopdrachten vastgesteld die gelden bij de inkoop van batterijen of producten waarin batterijen zijn ingebouwd.

3.   Deze verordening is van toepassing op alle categorieën batterijen, namelijk draagbare batterijen, start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen, batterijen voor elektrische voertuigen en industriële batterijen, ongeacht hun vorm, volume, gewicht, ontwerp, materiaalsamenstelling, chemische samenstelling, gebruik of doel. Zij is ook van toepassing op batterijen die zijn ingebouwd in of zijn toegevoegd aan producten of die specifiek zijn ontworpen om te worden ingebouwd in of toegevoegd aan producten.

Voor de toepassing van hoofdstuk II worden in de handel gebrachte batterijen, wanneer zij in meer dan één categorie kunnen worden ondergebracht, geacht te vallen onder de categorie waarop de strengste eisen van toepassing zijn.

4.   Indien batterijcellen of batterijmodules voor eindgebruik op de markt worden aangeboden zonder dat zij in een groter batterijpak of in batterijen zijn opgenomen of daartoe zijn samengesteld, worden zij geacht in de handel te zijn gebracht als batterijen die onder het toepassingsgebied van deze verordening vallen en zijn daarop de eisen van toepassing die gelden voor de meest soortgelijke batterijcategorie. Indien die batterijcellen of batterijmodules in meer dan één categorie kunnen worden ondergebracht, worden zij geacht te vallen onder de categorie waarop de strengste eisen van toepassing zijn.

5.   Deze verordening is niet van toepassing op batterijen die zijn ingebouwd in, of specifiek zijn ontworpen om te worden ingebouwd in:

a)

apparatuur die wordt aangewend in samenhang met de bescherming van wezenlijke belangen in verband met de veiligheid van de lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal, met uitzondering van producten die niet voor specifieke militaire doeleinden zijn bestemd, en

b)

apparatuur bestemd om de ruimte ingestuurd te worden.

6.   De hoofdstukken III en VIII van deze verordening zijn niet van toepassing op apparatuur die specifiek is ontworpen voor de veiligheid van kerninstallaties, zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad (42).

Artikel 2

Doelstellingen

De doelstellingen van deze verordening zijn het bijdragen tot de efficiënte werking van de interne markt en tegelijkertijd het voorkomen en beperken van de nadelige effecten van batterijen voor het milieu, en het beschermen van het milieu en de menselijke gezondheid door de nadelige effecten van het ontstaan en het beheer van afgedankte batterijen te voorkomen en te beperken.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“batterij”: elk toestel dat door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie levert, met interne of externe opslag, en dat bestaat uit een of meer niet-oplaadbare of oplaadbare batterijcellen, -modules of -pakken, en omvat ook een batterij die is voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd;

2)

“batterijpak”: een set batterijcellen of -modules die onderling verbonden zijn of voorzien zijn van een buitenverpakking, om een volledige eenheid te vormen die niet bedoeld is om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend;

3)

“batterijmodule”: een set batterijcellen die onderling verbonden zijn of voorzien zijn van een buitenverpakking, om de cellen te beschermen tegen externe factoren, en die bedoeld is om afzonderlijk of in combinatie met andere modules te worden gebruikt;

4)

“batterijcel”: de functionele basiseenheid in een batterij die een samenstelling is van elektroden, elektrolyt, een behuizing, aansluitingen en, indien van toepassing, separatoren, en die de actieve materialen bevat waarvan de reactie elektrische energie opwekt;

5)

“actief materiaal”: materiaal dat chemisch reageert om elektrische energie op te wekken wanneer de batterijcel ontlaadt of om elektrische energie op te slaan wanneer de batterij wordt opgeladen;

6)

“niet-oplaadbare batterij”: een batterij die niet is ontworpen om elektrisch te worden opgeladen;

7)

“oplaadbare batterij”: een batterij die is ontworpen om elektrisch te worden opgeladen;

8)

“batterij met externe opslag”: een batterij die specifiek is ontworpen opdat de energie ervan uitsluitend wordt opgeslagen in één of meer aangesloten externe voorzieningen;

9)

“draagbare batterij”: een batterij die is afgedicht, niet meer dan 5 kg weegt, niet specifiek is ontworpen voor industrieel gebruik en die geen batterij voor een elektrisch voertuig, geen licht vervoermiddel en geen start-, verlichtings- en ontstekingsbatterij is;

10)

“draagbare batterij voor algemeen gebruik”: draagbare batterij, al dan niet oplaadbaar, die specifiek is ontworpen om interoperabel te zijn, in een van de volgende meest gebruikelijke modellen: 4,5 Volt (3R12), knoopcel, D, C, AA, AAA, AAAA, A23, 9 Volt (PP3);

11)

“batterij voor lichte vervoermiddelen”: batterij die afgedicht is, niet meer dan 25 kg weegt, en specifiek ontworpen is om elektrische stroom te leveren voor de aandrijving van een voertuig op wielen dat uitsluitend door een elektromotor of door een combinatie van motor en menselijke kracht kan worden aangedreven, waaronder voertuigen van categorie L waarvoor typegoedkeuring is verleend in de zin van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad (43), en die geen batterij voor een elektrisch voertuig is;

12)

“start-, verlichtings- en ontstekingsbatterij”: een batterij die specifiek is ontworpen om elektrische stroom te leveren voor het starten, de verlichting of de ontsteking, en die ook kan worden gebruikt voor hulp- of reservefuncties in voertuigen, andere vervoermiddelen of machines;

13)

“industriële batterij”: een batterij die specifiek is ontworpen voor industrieel gebruik of bestemd is voor industrieel gebruik na te zijn voorbereid voor herbestemming of na te zijn herbestemd, of elke andere batterij die meer dan 5 kg weegt en geen batterij voor elektrische voertuigen, batterij voor lichte vervoermiddelen of start-, verlichtings- en ontstekingsbatterij is;

14)

“batterij voor elektrische voertuigen”: batterij die specifiek is ontworpen om elektrische stroom te leveren voor de aandrijving van hybride of elektrische voertuigen van categorie L waarvoor typegoedkeuring is verleend in de zin van Verordening (EU) nr. 168/2013 en meer dan 25 kg weegt of die specifiek ontworpen is de elektrische stroom te leveren voor de aandrijving van hybride of elektrische voertuigen van de categorieën M, N en O zoals bepaald in Verordening (EU) 2018/858;

15)

“batterijsysteem voor stationaire energieopslag”: industriële batterij met interne opslag die specifiek is ontworpen om elektrische energie van het elektriciteitsnet op te slaan en aan het elektriciteitsnet te leveren, of om elektrische energie op te slaan voor de eindgebruiker en aan de eindgebruiker te leveren, ongeacht waar of door wie de batterij wordt gebruikt;

16)

“in de handel brengen”: het voor het eerst op de markt van de Unie aanbieden van een batterij;

17)

“op de markt aanbieden”: het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een batterij met het oog op distributie of gebruik op de markt van de Unie;

18)

“in gebruik nemen”: het eerste gebruik, voor het beoogde doel, van een batterij in de Unie, zonder voordien in de handel te zijn gebracht;

19)

“batterijmodel”: versie van een batterij waarvan alle exemplaren dezelfde technische kenmerken vertonen die van belang zijn voor de in deze verordening vastgelegde eisen inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, markering en informatie, en die dezelfde modelaanduiding dragen;

20)

“batterij die een risico vormt”: batterij die nadelige effecten kan hebben op de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu, in een mate die verder gaat dan wat redelijk en aanvaardbaar wordt geacht in verhouding tot het beoogde gebruik van de batterij of bij normale of redelijkerwijs voorzienbare gebruiksomstandigheden van de betrokken batterij, met inbegrip van de gebruiksduur, en, indien van toepassing, tot de ingebruikneming, installatie en onderhoudseisen ervan;

21)

“koolstofvoetafdruk”: de som van broeikasgasemissies en verwijderingen van broeikasgassen in een productsysteem, uitgedrukt in equivalenten koolstofdioxide en gebaseerd op een onderzoek naar de milieuvoetafdruk van producten (Product Environmental Footprint — PEF), waarbij alleen gebruik wordt gemaakt van de effectcategorie klimaatverandering;

22)

“marktdeelnemer”: de fabrikant, de gemachtigde, de importeur, de distributeur of de fulfilmentdienstverlener of een andere natuurlijke of rechtspersoon voor wie verplichtingen gelden ten aanzien van de fabricage, de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming of de herfabricage van batterijen, het op de markt aanbieden of in de handel brengen van batterijen, ook online, of de ingebruikneming van batterijen overeenkomstig deze verordening;

23)

“onafhankelijke marktdeelnemer”: natuurlijke of rechtspersoon die onafhankelijk is van de fabrikant en de producent en die direct of indirect betrokken is bij de reparatie, het onderhoud of de herbestemming van batterijen, met inbegrip van afvalverwerkers, reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, gereedschap of reserveonderdelen, alsook uitgevers van technische informatie, organisaties die keurings- en testdiensten aanbieden, organisaties die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van apparatuur voor door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuigen;

24)

“QR-code”: een machineleesbare matrixcode die aan informatie over een batterijmodel is gekoppeld, zoals op grond van deze verordening is vereist;

25)

“batterijbeheersysteem”: elektronisch toestel dat de elektrische en thermische functies van een batterij regelt of beheert teneinde de veiligheid, prestaties en levensduur ervan te waarborgen, dat de gegevens voor de parameters voor het bepalen van de conditie en de verwachte levensduur van de batterij, zoals vastgelegd in bijlage VII, beheert en opslaat en dat communiceert met het voertuig, lichte vervoermiddel of apparaat waarin de batterij is ingebouwd, of met een openbare of particuliere oplaadinfrastructuur;

26)

“apparaat”: elektrische of elektronische apparatuur, zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2012/19/EU, die geheel of gedeeltelijk door een batterij wordt gevoed of kan worden gevoed;

27)

“laadniveau”: de beschikbare energie in een batterij, uitgedrukt als percentage van haar nominale capaciteit als aangegeven door de fabrikant;

28)

“conditie”: een maatstaf voor de algemene toestand van een oplaadbare batterij en het vermogen ervan om de gespecificeerde prestaties te leveren in vergelijking met de oorspronkelijke toestand;

29)

“voorbereiding voor hergebruik”: het voorbereiden voor hergebruik zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 16, van Richtlijn 2008/98/EG;

30)

“voorbereiding voor herbestemming”: een handeling waarmee een afgedankte batterij of onderdelen daarvan worden voorbereid om te worden gebruikt voor een ander doel of een andere toepassing dan die waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen;

31)

“herbestemming”: een handeling die tot gevolg heeft dat een batterij die geen afgedankte batterij is, of onderdelen daarvan, worden gebruikt voor een ander doel of een andere toepassing dan die waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen;

32)

“herfabricage”: een technische handeling die wordt uitgevoerd op een gebruikte batterij, waaronder de demontage en beoordeling van alle batterijcellen en -modules ervan, en het gebruik van een bepaald aantal nieuwe, gebruikte of uit afvalstoffen teruggewonnen batterijcellen en -modules, of andere batterijonderdelen, om de batterijcapaciteit te herstellen tot ten minste 90 % van de oorspronkelijke nominale batterijcapaciteit, en waarbij de conditie van alle afzonderlijke batterijcellen onderling niet meer dan 3 % verschilt, en die ertoe leidt dat de batterij wordt gebruikt voor hetzelfde doel of dezelfde toepassing als die waarvoor de batterij oorspronkelijk is ontworpen;

33)

“fabrikant”: een natuurlijke of rechtspersoon die een batterij fabriceert of een batterij laat ontwerpen of fabriceren en die onder eigen naam of merk verhandelt of voor eigen gebruik in gebruik neemt;

34)

“technische specificaties”: een document dat technische eisen voorschrijft waaraan een product, proces of dienst moet voldoen;

35)

“geharmoniseerde norm”: een norm zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), c), van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

36)

“CE-markering”: een markering waarmee een fabrikant aangeeft dat de batterij in overeenstemming is met de toepasselijke eisen van de harmonisatiewetgeving van de Unie die in het aanbrengen ervan voorziet;

37)

“accreditatie”: accreditatie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 10, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

38)

“nationale accreditatie-instantie”: een nationale accreditatie-instantie zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008;

39)

“conformiteitsbeoordeling”: het proces waarin wordt aangetoond of voldaan is aan de in deze verordening vastgelegde eisen inzake duurzaamheid, veiligheid, etikettering, informatie en passende zorgvuldigheid;

40)

“conformiteitsbeoordelingsinstantie”: een instantie die conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uitvoert, waaronder ijken, testen, certificeren en inspecteren;

41)

“aangemelde instantie”: een conformiteitsbeoordelingsinstantie die overeenkomstig hoofdstuk V is aangemeld;

42)

“passende zorgvuldigheid inzake batterijen”: de verplichtingen van een marktdeelnemer met betrekking tot zijn of haar beheersysteem, risicobeheer, externe verificaties en toezicht door aangemelde instanties en de bekendmaking van informatie met het oog op het vaststellen, voorkomen en aanpakken van huidige en potentiële maatschappelijke en milieurisico’s in verband met de aankoop, verwerking en verhandeling van de voor de fabricage van batterijen benodigde grondstoffen en secundaire grondstoffen, ook door leveranciers in de keten en hun dochterondernemingen of onderaannemers;

43)

“dochteronderneming”: een rechtspersoon via welke de activiteiten worden uitgevoerd van een gecontroleerde onderneming in de zin van artikel 2, lid 1, punt f), van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad (44);

44)

“moederonderneming”: onderneming met een of meer dochterondernemingen onder haar zeggenschap;

45)

“conflict- en hoogrisicogebieden”: conflict- en hoogrisicogebieden zoals gedefinieerd in artikel 2, punt f), van Verordening (EU) 2017/821;

46)

“overeenkomst op afstand”: overeenkomst op afstand zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 7, van Richtlijn 2011/83/EU;

47)

“producent”: een fabrikant, importeur of distributeur, of een andere natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, onder meer door middel van overeenkomsten op afstand:

a)

gevestigd is in een lidstaat en onder eigen naam of merk batterijen fabriceert, of batterijen laat ontwerpen of fabriceren en die voor het eerst onder eigen naam of merk op het grondgebied van die lidstaat levert, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, ofwel

b)

gevestigd is in een lidstaat en op het grondgebied van die lidstaat onder eigen naam of merk door anderen gefabriceerde batterijen doorverkoopt, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, en waarop de naam of het merk van die andere fabrikanten niet voorkomt, ofwel

c)

gevestigd is in een lidstaat en voor het eerst in die lidstaat beroepsmatig batterijen van een andere lidstaat of van een derde land levert, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, ofwel

d)

via overeenkomsten op afstand batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, rechtstreeks aan eindgebruikers, al dan niet particuliere huishoudens, in een lidstaat verkoopt, en die in een andere lidstaat of in een derde land is gevestigd;

48)

“gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid”: een natuurlijke of rechtspersoon die is gevestigd in een lidstaat waarin de producent batterijen in de handel brengt maar waarin die niet is gevestigd, en die door de producent overeenkomstig artikel 8 bis, lid 5, derde alinea, van Richtlijn 2008/98/EG is aangewezen om de verplichtingen van die producent uit hoofde van hoofdstuk VIII van deze verordening na te komen;

49)

“organisatie voor producentenverantwoordelijkheid”: een rechtspersoon die de nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid financieel of financieel en operationeel organiseert namens meerdere producenten;

50)

“afgedankte batterij”: een batterij die een afvalstof zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/98/EG is;

51)

“fabricageafval van batterijen”: materialen of voorwerpen die tijdens het fabricageproces van batterijen worden afgestoten, die in hetzelfde proces niet kunnen worden hergebruikt en moeten worden gerecycled;

52)

“gevaarlijke stof”: een stof die is ingedeeld als gevaarlijk op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

53)

“verwerking”: elke handeling die wordt verricht met afgedankte batterijen nadat die zijn overgedragen aan een inrichting voor sortering, voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, voorbereiding voor recycling of recycling;

54)

“voorbereiding voor recycling”: de verwerking van afgedankte batterijen voorafgaand aan elk recyclingproces, waaronder onder meer het opslaan, manipuleren en ontmantelen van batterijpakken of het scheiden van fracties die geen onderdeel zijn van de batterij zelf;

55)

“vrijwillige-inzamelingspunten”: alle non-profit, commerciële of andere economische ondernemingen of overheidsorganen die op eigen initiatief betrokken zijn bij de gescheiden inzameling van afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die zij of andere eindgebruikers genereren, voordat die afgedankte batterijen voor verdere verwerking aan producenten, aan organisaties voor producentenverantwoordelijkheid of aan afvalverwerkers worden bezorgd;

56)

“afvalverwerker”: een natuurlijke of rechtspersoon die beroepshalve betrokken is bij de gescheiden inzameling of verwerking van afgedankte batterijen;

57)

“vergunde inrichting”: een inrichting of onderneming die overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG een vergunning heeft om afgedankte batterijen te verwerken;

58)

“recycler”: een natuurlijke of rechtspersoon die recycling verricht in een vergunde inrichting;

59)

“levensduur van een batterij”: periode die begint wanneer de batterij wordt gefabriceerd en eindigt wanneer de batterij als afval wordt beschouwd;

60)

“recyclingrendement”: de verhouding, uitgedrukt in een percentage, die in verband met een recyclingproces wordt verkregen door de massa van de outputfracties die het resultaat zijn van het recyclageproces, te delen door de massa van de inputfractie van de afgedankte batterijen;

61)

“harmonisatiewetgeving van de Unie”: alle wetgeving van de Unie die de voorwaarden voor het verhandelen van producten harmoniseert;

62)

“nationale autoriteit”: een goedkeuringsautoriteit of een andere autoriteit die in een lidstaat betrokken is bij en verantwoordelijk is voor markttoezicht met betrekking tot batterijen;

63)

“gemachtigde”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door de fabrikant is gemachtigd om namens hem of haar specifieke taken te vervullen in verband met de verplichtingen van de fabrikant uit hoofde van de hoofdstukken IV en VI;

64)

“importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een batterij uit een derde land in de handel brengt;

65)

“distributeur”: een andere natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur, die een batterij op de markt aanbiedt;

66)

“unieke identificatiecode”: een unieke reeks karakters ter identificatie van batterijen, waarmee ook een weblink naar het batterijpaspoort kan worden geactiveerd;

67)

“onlineplatform”: een onlineplatform zoals gedefinieerd in artikel 3, punt i), van Verordening (EU) 2022/2065;

68)

“elektriciteitsmarktdeelnemer”: een marktdeelnemer zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 25, van Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad (45).

2.   Naast de in lid 1 vermelde definities zijn de volgende definities van toepassing:

a)

“afvalstof”, “afvalstoffenhouder”, “afvalstoffenbeheer”, “preventie”, “inzameling”, “gescheiden inzameling”, “regeling voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid”, “hergebruik” en “recycling”, zoals die zijn vastgelegd in artikel 3 van Richtlijn 2008/98/EG;

b)

“markttoezicht”, “markttoezichtautoriteit”, “fulfilmentdienstverlener”, “corrigerende maatregel”, “eindgebruiker”, “terugroepen” en “uit de handel nemen”, alsook “risico” in verband met de eisen van de hoofdstukken I, IV, VI, VII en IX van en bijlagen V, VIII en XIII bij deze verordening, zoals die zijn vastgelegd in artikel 3 van Verordening (EU) 2019/1020;

c)

“onafhankelijke aankoopgroepering” en “energieopslag”, zoals die zijn vastgelegd in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/944.

Artikel 4

Vrij verkeer

1.   De lidstaten kunnen het aanbieden of het in gebruik nemen van batterijen die aan deze verordening voldoen niet verbieden, beperken of belemmeren om redenen die verband houden met de duurzaamheids-, veiligheids-, etiketterings- en informatievereisten voor batterijen die onder de toepassing van deze verordening vallen.

2.   De lidstaten verhinderen niet dat op handelsbeurzen, tentoonstellingen, bij demonstraties of soortgelijke evenementen batterijen worden getoond die niet aan deze verordening voldoen, op voorwaarde dat een zichtbaar bord duidelijk aangeeft dat die batterijen niet aan deze verordening voldoen en niet op de markt mogen worden aangeboden of in gebruik mogen worden genomen voordat zij in overeenstemming met deze verordening zijn gebracht. Tijdens demonstraties van dergelijke batterijen neemt de betrokken marktdeelnemer passende maatregelen om de veiligheid van personen te waarborgen.

Artikel 5

Vereisten ten aanzien van duurzaamheid, veiligheid, etikettering en informatie voor batterijen

1.   Batterijen mogen alleen in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen als zij voldoen aan:

a)

de in de artikelen 6 tot en met 10 en artikel 12 vastgelegde duurzaamheids- en veiligheidseisen, en

b)

de in hoofdstuk III vastgelegde etiketterings- en informatievereisten.

2.   Voor aspecten die niet onder de hoofdstukken II en III vallen, geldt voor op grond van lid 1 in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterijen dat zij geen risico voor de menselijke gezondheid, de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu mogen vormen.

HOOFDSTUK II

Duurzaamheids- en veiligheidseisen

Artikel 6

Beperkingen voor stoffen

1.   Naast de beperkingen die zijn vastgelegd in bijlage XVII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 en in artikel 4, lid 2, punt a), van Richtlijn 2000/53/EG mogen batterijen geen stoffen bevatten waarvoor in bijlage I bij deze verordening een beperking is opgenomen, tenzij er voldaan is aan de voorwaarden van die beperking.

2.   Indien als gevolg van het gebruik van een stof bij de fabricage van batterijen, of als gevolg van de aanwezigheid van een stof in de batterijen bij het in de handel brengen ervan, of tijdens de daaropvolgende fasen van de levenscyclus, waaronder tijdens herbestemming of verwerking van afgedankte batterijen, voor de menselijke gezondheid of het milieu een niet afdoend beheersbaar onaanvaardbaar risico bestaat dat op het niveau van de Unie moet worden aangepakt, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast om de beperkingen van bijlage I op grond van de procedure van de artikelen 86, 87 en 88 te wijzigen.

3.   Op grond van lid 2 van dit artikel vastgestelde beperkingen zijn niet van toepassing op het gebruik van een stof voor wetenschappelijk onderzoek en wetenschappelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 23), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, die betrekking hebben op batterijen.

4.   Indien een op grond van lid 2 van dit artikel vastgestelde beperking niet van toepassing is op onderzoek en ontwikkeling gericht op producten en procedés, zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 22), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, worden die vrijstelling en de maximumhoeveelheid vrijgestelde stof in bijlage I bij deze verordening gespecificeerd.

5.   De Commissie stelt, bijgestaan door het uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 opgerichte Europees Agentschap voor chemische stoffen (“het Agentschap”), uiterlijk op 31 december 2027 een rapport op over zorgwekkende stoffen — dit zijn stoffen met een nadelig effect op de gezondheid van de mens of het milieu, of die het recyclen tot veilige en hoogwaardige secundaire grondstoffen belemmeren —, die in batterijen aanwezig zijn of bij hun fabricage worden gebruikt. De Commissie legt dat rapport voor aan het Europees Parlement en de Raad, licht haar bevindingen daarin toe en beraadt zich op de passende vervolgmaatregelen, waaronder het vaststellen van gedelegeerde handelingen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 7

Koolstofvoetafdruk van batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen

1.   Voor batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor lichte vervoermiddelen, wordt voor elk batterijmodel per fabricagefaciliteit een koolstofvoetafdrukverklaring opgesteld overeenkomstig de in de vierde alinea bedoelde uitvoeringshandeling, met daarin ten minste de volgende informatie:

a)

administratieve informatie over de fabrikant;

b)

informatie over het batterijmodel;

c)

informatie over de geografische locatie van de fabricagefaciliteit van de batterij;

d)

de koolstofvoetafdruk van de batterij, berekend als kg koolstofdioxide-equivalent per kWh van de totale hoeveelheid energie die de batterij tijdens haar verwachte levensduur levert;

e)

de koolstofvoetafdruk van de batterij, gedifferentieerd volgens levenscyclusfase, zoals beschreven in punt 4 van bijlage II;

f)

het identificatienummer van de EU-conformiteitsverklaring van de batterij;

g)

een weblink die toegang geeft tot een openbare versie van het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de in de punten d) en e) bedoelde waarden voor de koolstofvoetafdruk.

De koolstofvoetafdrukverklaring geldt met ingang van:

a)

18 februari 2025 of, indien dat later is, twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor elektrische voertuigen;

b)

18 februari 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag;

c)

18 augustus 2028 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor lichte vervoermiddelen;

d)

18 augustus 2030 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag.

De koolstofvoetafdrukverklaring vergezelt de batterij totdat de verklaring beschikbaar wordt via de in artikel 13, lid 6, bedoelde QR-code.

Uiterlijk op 18 februari 2024 voor batterijen voor elektrische voertuigen, 18 februari 2025 voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met externe opslag, 18 februari 2027 voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en 18 februari 2029 voor industriële batterijen met externe opslag, stelt de Commissie de volgende handelingen vast:

a)

een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van de methode voor de berekening en verificatie van de in de eerste alinea, punt d), bedoelde totale koolstofvoetafdruk van de batterij, in overeenstemming met de essentiële elementen in bijlage II;

b)

een uitvoeringshandeling tot vaststelling van het model voor de in de eerste alinea bedoelde koolstofvoetafdrukverklaring. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor lichte vervoermiddelen worden voorzien van een opvallend, duidelijk leesbaar en onuitwisbaar etiket met daarop de in lid 1, eerste alinea, punt d), bedoelde koolstofvoetafdruk van de batterij en de verklaring van de koolstofvoetafdrukprestatieklasse van het desbetreffende batterijmodel per fabricagefaciliteit.

Voor de in de eerste alinea genoemde batterijen blijkt uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat de verklaarde koolstofvoetafdruk en de daarmee samenhangende indeling in een koolstofvoetafdrukprestatieklasse zijn berekend volgens de methode die is vastgelegd in de door de Commissie op grond van lid 1, vierde alinea, punt a), en de vierde alinea, punt a), van dit lid vastgestelde gedelegeerde handelingen.

De in de eerste alinea gestelde eisen inzake de koolstofvoetafdrukprestatieklasse gelden met ingang van:

a)

18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor elektrische voertuigen;

b)

18 augustus 2027 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag;

c)

18 februari 2030 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor batterijen voor lichte vervoermiddelen;

d)

18 februari 2032 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling of van de uitvoeringshandeling, als bedoeld in respectievelijk punt a) en punt b) van de vierde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag.

Uiterlijk op 18 februari 2025 voor batterijen voor elektrische voertuigen, 18 augustus 2026 voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag, 18 augustus 2028 voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en 18 augustus 2030 voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag stelt de Commissie de volgende handelingen vast:

a)

een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde koolstofvoetafdrukprestatieklassen. Bij de voorbereiding van die gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de voorwaarden van punt 8 van bijlage II;

b)

een uitvoeringshandeling tot vaststelling van de modellen voor de in de eerste alinea bedoelde etikettering en het model voor de in die alinea bedoelde verklaring inzake de koolstofvoetafdrukprestatieklasse. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De Commissie beoordeelt om de drie jaar het aantal prestatieklassen en de bijbehorende drempelwaarden overeenkomstig de voorwaarden van punt 8 van bijlage II, en stelt waar passend gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast om het aantal prestatieklassen en de bijbehorende drempelwaarden zodanig te wijzigen dat ze representatief blijven voor de realiteit en de verwachte ontwikkelingen op de markt.

3.   Voor batterijen voor elektrische voertuigen, oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor lichte vervoermiddelen blijkt uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat per fabricagefaciliteit de aangegeven waarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus voor het desbetreffende batterijmodel onder de maximale drempelwaarde ligt die is vastgelegd in de op grond van de derde alinea vastgestelde gedelegeerde handeling.

De in de eerste alinea vermelde eis inzake een maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus geldt met ingang van:

a)

18 februari 2028 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor batterijen voor elektrische voertuigen;

b)

18 februari 2029 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met uitsluitend externe opslag;

c)

18 augustus 2031 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor batterijen voor lichte vervoermiddelen;

d)

18 augustus 2033 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling als bedoeld in de derde alinea, voor oplaadbare industriële batterijen met externe opslag.

Uiterlijk op 18 augustus 2026 voor batterijen voor elektrische voertuigen, 18 februari 2028 voor oplaadbare industriële batterijen, behalve die met externe opslag, 18 februari 2030 voor batterijen voor lichte vervoermiddelen en 18 februari 2032 voor industriële batterijen met externe opslag stelt de Commissie ter aanvulling van deze verordening een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast waarin de in de eerste alinea bedoelde maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus wordt vastgelegd. Bij de voorbereiding van die gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de toepasselijke voorwaarden van punt 9 van bijlage II.

De invoering van een maximale drempelwaarde voor de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus leidt zo nodig tot een herindeling van de in lid 2 bedoelde koolstofvoetafdrukprestatieklassen.

4.   Uiterlijk op 31 december 2030 evalueert de Commissie of het haalbaar is de eisen van dit artikel uit te breiden tot draagbare batterijen, en de eis van lid 3 tot oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van ten hoogste 2 kWh. Daartoe dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in en beraadt zij zich op het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen.

5.   De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien de batterij vóór die handeling reeds in de handel was gebracht of in gebruik was genomen.

Artikel 8

Gehalte aan gerecycled materiaal in industriële batterijen, batterijen voor elektrische voertuigen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen

1.   Met ingang van 18 augustus 2028 of, indien dat later is, 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in de derde alinea bedoelde gedelegeerde handeling, gaan industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, batterijen voor elektrische voertuigen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten, vergezeld van documentatie met informatie over het procentuele aandeel kobalt, lithium of nikkel dat in de actieve materialen aanwezig is en dat uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen werd teruggewonnen, en het procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat uit afval werd teruggewonnen, voor elk batterijmodel, per jaar en per fabricagefaciliteit.

De eerste alinea is met ingang van 18 augustus 2033 van toepassing op batterijen voor lichte vervoermiddelen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten.

Uiterlijk op 18 augustus 2026 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast ter aanvulling van deze verordening, voor de in de eerste en tweede alinea bedoelde batterijen, met de methode voor de berekening en verificatie van het procentuele aandeel kobalt, lithium of nikkel dat in de actieve materialen aanwezig is en dat uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen werd teruggewonnen, en van het procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat uit afval werd teruggewonnen, en met het model voor de documentatie.

2.   Met ingang van 18 augustus 2031 blijkt voor industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, batterijen voor elektrische voertuigen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten, uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat die batterijen, voor elk batterijmodel per jaar en per fabricagefaciliteit, in de actieve materialen het volgende minimale procentuele aandeel van respectievelijk kobalt, lithium of nikkel bevat dat werd teruggewonnen uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen, alsook het volgende minimale procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat werd teruggewonnen uit afval:

a)

16 % kobalt;

b)

85 % lood;

c)

6 % lithium;

d)

6 % nikkel.

3.   Met ingang van 18 augustus 2036 blijkt voor industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, batterijen voor elektrische voertuigen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen die kobalt, lood, lithium of nikkel in de actieve materialen bevatten, uit de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie dat die batterijen, voor elk batterijmodel per jaar en per fabricagefaciliteit, in de actieve materialen het volgende minimale procentuele aandeel van respectievelijk kobalt, lithium of nikkel bevat dat werd teruggewonnen uit fabricageafval van batterijen of uit afval na consumptie van batterijen, alsook het volgende minimale procentuele aandeel lood dat in de batterij aanwezig is en dat werd teruggewonnen uit afval:

a)

26 % kobalt;

b)

85 % lood;

c)

12 % lithium;

d)

15 % nikkel.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien de batterij vóór die handeling reeds in de handel was gebracht of in gebruik was genomen.

5.   Na de datum van inwerkingtreding van de uit hoofde van lid 1 vastgestelde gedelegeerde handeling en uiterlijk op 31 december 2028 beoordeelt de Commissie of op basis van de bestaande beschikbaarheid, en de voor 2030 en 2035 voorspelde beschikbaarheid, van uit afval teruggewonnen kobalt, lood, lithium of nikkel, of op basis van het gebrek daaraan en gelet op de technische en wetenschappelijke vooruitgang, het passend is de in de leden 2 en 3 vastgelegde doelstellingen te herzien.

Indien zulks op basis van de uit hoofde van de eerste alinea gemaakte beoordeling of vanwege andere ingrijpende veranderingen in batterijtechnologieën met gevolgen voor het type teruggewonnen materialen gerechtvaardigd en passend is, stelt de Commissie uiterlijk op 18 augustus 2029 een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast om de in de leden 2 en 3 vastgelegde doelstellingen te wijzigen.

6.   Indien gerechtvaardigd en passend vanwege marktontwikkelingen in verband met de chemische samenstellingen van batterijen met gevolgen voor het soort materialen dat kan worden teruggewonnen, is de Commissie bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om deze verordening te wijzigen door aan de leden 2 en 3 van dit artikel, andere materialen toe te voegen dan kobalt, lood, lithium en nikkel, met hun specifieke minimumgehalten aan gerecycled materiaal.

Artikel 9

Prestatie- en duurzaamheidseisen voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik

1.   Uiterlijk op 18 augustus 2028 of, indien dat later is, 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 2 bedoelde gedelegeerde handeling, voldoen draagbare batterijen voor algemeen gebruik, met uitzondering van knoopcellen, aan de minimumwaarden voor de elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters van bijlage III zoals vastgelegd in de op grond van lid 2 vastgestelde gedelegeerde handeling.

2.   Uiterlijk op 18 augustus 2027 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van verplichte minimumwaarden voor de in bijlage III vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik, met uitzondering van knoopcellen.

De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om de in de eerste alinea bedoelde minimumwaarden te wijzigen of elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters toe te voegen aan de in bijlage III vastgelegde parameters in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

Bij de voorbereiding van de in de eerste alinea bedoelde gedelegeerde handeling houdt de Commissie rekening met de noodzaak om de milieueffecten van draagbare batterijen voor algemeen gebruik tijdens de levenscyclus te verminderen, onder meer door de hulpbronnenefficiëntie ervan te vergroten, en houdt zij rekening met de desbetreffende internationale normen en etiketteringsregelingen.

De Commissie zorgt er ook voor dat de bepalingen van de in de eerste alinea genoemde gedelegeerde handeling geen significant nadelig effect hebben op de veiligheid en werking van die batterijen of de apparaten, op lichte vervoermiddelen of andere voertuigen waarin die batterijen zijn ingebouwd, op de betaalbaarheid en de kosten voor eindgebruikers en op het concurrentievermogen van de sector.

3.   Uiterlijk op 31 december 2030 beoordeelt de Commissie de haalbaarheid van maatregelen om niet-oplaadbare draagbare batterijen voor algemeen gebruik geleidelijk uit te bannen met het oog op het minimaliseren van de milieueffecten ervan, op basis van de levenscyclusanalysemethode en betaalbare alternatieven voor eindgebruikers. Daartoe dient de Commissie een rapport in bij het Europees Parlement en de Raad en beraadt zij zich over het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen voor de geleidelijke uitbanning of voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp.

Artikel 10

Prestatie- en duurzaamheidseisen voor oplaadbare industriële batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen

1.   Met ingang van 18 augustus 2024 gaan oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor elektrische voertuigen vergezeld van een document waarin waarden zijn opgegeven voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters.

Voor de in de eerste alinea bedoelde batterijen bevat de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie een toelichting op de technische specificaties, normen en voorwaarden die zijn gebruikt om de waarden voor de elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters te meten, te berekenen of te ramen. Die toelichting omvat ten minste de in bijlage IV, deel B, vastgelegde elementen.

2.   Met ingang van 18 augustus 2027 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 5, eerste alinea, bedoelde gedelegeerde handeling, voldoen industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, aan de minimumwaarden die in de door de Commissie op grond van lid 5, eerste alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling zijn opgenomen voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters.

3.   Met ingang van 18 augustus 2028 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 5, tweede alinea, bedoelde gedelegeerde handeling, voldoen batterijen voor lichte vervoermiddelen aan de minimumwaarden die in de door de Commissie op grond van lid 5, tweede alinea, vastgestelde gedelegeerde handeling zijn opgenomen voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters.

4.   De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien de marktdeelnemer die die batterijen in de handel brengt of in gebruik neemt, aantoont dat de batterijen, voordat ze dergelijke handelingen ondergaan, in de handel zijn gebracht of in gebruik zijn genomen vóór de data waarop die verplichtingen overeenkomstig die leden van toepassing worden.

5.   Uiterlijk op 18 februari 2026 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast om deze verordening aan te vullen met minimumwaarden voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters waaraan oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, moeten voldoen.

Uiterlijk op 18 februari 2027 stelt de Commissie een gedelegeerde handeling overeenkomstig artikel 89 vast om deze verordening aan te vullen met de vaststelling van minimumwaarden voor de in bijlage IV, deel A, vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters waaraan batterijen voor lichte vervoermiddelen moeten voldoen.

Bij de voorbereiding van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de noodzaak om de milieueffecten van oplaadbare industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh, behalve die met uitsluitend externe opslag, en van batterijen voor lichte vervoermiddelen, te beperken en zorgt zij ervoor dat de daarin vastgelegde voorschriften geen significant nadelig effect hebben op de werking van die batterijen of de apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen waarin ze zijn ingebouwd, voor de betaalbaarheid ervan en voor het concurrentievermogen van de sector.

6.   De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om de in bijlage IV vastgelegde elektrochemische prestatie- en duurzaamheidsparameters te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen en de technische en wetenschappelijke vooruitgang, ook, met name, met betrekking tot de technische specificaties van de informele VN/ECE-werkgroep inzake elektrische voertuigen en het milieu.

Artikel 11

Mogelijkheid tot afzondering en vervanging van draagbare batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen

1.   Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde draagbare batterijen in de handel brengt, zorgt ervoor dat de eindgebruiker die batterijen gemakkelijk en op elk moment tijdens de levensduur van het product kan afzonderen en vervangen. Die verplichting is uitsluitend van toepassing op volledige batterijen en niet op afzonderlijke cellen of andere onderdelen van dergelijke batterijen.

Een draagbare batterij wordt geacht gemakkelijk te kunnen worden afgezonderd indien ze met in de handel verkrijgbare instrumenten van een product kan worden afgezonderd zonder dat daarvoor gespecialiseerd gereedschap — tenzij dat gratis bij het product wordt geleverd —, door eigendomsrechten beschermd gereedschap, thermische energie of oplosmiddelen om het product te demonteren nodig zijn.

Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde draagbare batterijen in de handel brengt, zorgt ervoor dat die producten vergezeld gaan van instructies en veiligheidsinformatie voor het gebruik, de afzondering en de vervanging van de batterijen. Die instructies en veiligheidsinformatie worden permanent online beschikbaar gesteld op een openbare website, en zijn voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen.

Dit lid geldt onverminderd specifieke bepalingen over de mogelijkheid tot afzondering en vervanging van draagbare batterijen door eindgebruikers die een hoger beschermingsniveau garanderen voor het milieu en de menselijke gezondheid, en die zijn vastgelegd in Unierecht over elektrische en elektronische apparatuur zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 1, punt a), van Richtlijn 2012/19/EU.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de volgende producten waarin batterijen zijn ingebouwd zodanig worden ontworpen dat de batterij uitsluitend door onafhankelijke beroepsbeoefenaars kan worden afgezonderd en vervangen:

a)

apparaten die specifiek zijn ontworpen om hoofdzakelijk te worden gebruikt in een omgeving die regelmatig aan opspattend water, waterstromen of onderdompeling wordt blootgesteld en die bedoeld zijn afwasbaar of spoelbaar te zijn;

b)

professioneel medisch beeldmateriaal en instrumentarium voor radiotherapie, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2017/745, en medische hulpmiddelen bestemd voor in-vitrodiagnostiek zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2), van Verordening (EU) 2017/746.

De in punt a) vastgelegde afwijking is alleen van toepassing indien deze nodig is om de veiligheid van de gebruiker en het apparaat te garanderen.

3.   De in lid 1 vastgelegde verplichtingen zijn niet van toepassing indien continuïteit van de stroomvoorziening noodzakelijk is en een permanente verbinding tussen het product en de respectieve draagbare batterij vereist is om redenen van veiligheid van de gebruiker of het apparaat of, bij producten waarmee hoofdzakelijk gegevens worden verzameld en verstrekt, om redenen inzake gegevensintegriteit.

4.   De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen teneinde lid 2 van dit artikel te wijzigen door meer producten vrij te stellen van in lid 1 van dit artikel opgenomen eisen inzake de mogelijkheid tot afzondering en vervanging. Dergelijke gedelegeerde handelingen worden uitsluitend vastgesteld op basis van marktontwikkelingen en technische en wetenschappelijke vooruitgang, en voor zover er gegronde bezorgdheid bestaat over de veiligheid van eindgebruikers die de draagbare batterij afzonderen of vervangen, dan wel in gevallen waar het risico bestaat dat het afzonderen of vervangen door eindgebruikers een inbreuk zou kunnen vormen op veiligheidsvoorschriften van het toepasselijke Unierecht.

5.   Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde batterijen voor lichte vervoermiddelen in de handel brengt, zorgt ervoor dat een onafhankelijke beroepsbeoefenaar die batterijen, ook de afzonderlijke batterijcellen van een batterijpak, gemakkelijk en op elk moment tijdens de levensduur van het product kan afzonderen en vervangen.

6.   Voor de toepassing van de leden 1 en 5 wordt een draagbare batterij of een batterij voor een licht vervoermiddel geacht gemakkelijk vervangbaar te zijn wanneer die, nadat ze van een apparaat of een licht vervoermiddel is afgezonderd, vervangen kan worden door een andere compatibele batterij zonder dat dat de werking, de prestaties of de veiligheid van dat apparaat of dat licht vervoermiddel aantast.

7.   Een natuurlijke of rechtspersoon die producten met ingebouwde draagbare batterijen of batterijen voor lichte vervoermiddelen in de handel brengt, zorgt ervoor dat die batterijen voor onafhankelijke beroepsbeoefenaars en eindgebruikers minstens vijf jaar nadat de laatste unit van het apparatuurmodel op de markt is gebracht, tegen een redelijke en niet-discriminerende prijs beschikbaar zijn als reserveonderdelen voor de apparatuur die ze aandrijven.

8.   Software wordt niet gebruikt om de vervanging van een draagbare batterij of batterij voor lichte vervoermiddelen, of de hoofdbestanddelen daarvan, door een andere compatibele batterij of hoofdbestanddeel te verhinderen.

9.   De Commissie maakt richtsnoeren bekend om de geharmoniseerde toepassing van dit artikel te vergemakkelijken.

Artikel 12

Veiligheid van stationaire batterijsystemen voor energieopslag

1.   Stationaire batterijsystemen voor energieopslag die in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen, zijn veilig tijdens hun normale werking en gebruik.

2.   Uiterlijk op 18 augustus 2024 geldt voor de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie het volgende:

a)

zij toont aan dat de batterijsystemen voor stationaire energieopslag voldoen aan lid 1 en bevat bewijsmateriaal dat die systemen succesvol zijn getest op de in bijlage V vastgelegde veiligheidsparameters, waartoe geavanceerde testmethoden moeten worden ingezet. De veiligheidsparameters zijn slechts van toepassing voor zover een overeenkomstig risico van het desbetreffende specifieke batterijsysteem voor stationaire energieopslag zich voordoet wanneer het onder de door de fabrikant beoogde omstandigheden wordt gebruikt;

b)

zij bevat een beoordeling van mogelijke veiligheidsrisico’s van het batterijsysteem voor stationaire energieopslag die niet in bijlage V zijn opgenomen;

c)

zij bevat bewijs dat de in punt b) bedoelde risico’s met succes zijn beperkt en getest; geavanceerde testmethoden worden voor dergelijke testen gebruikt;

d)

zij bevat instructies om de mogelijke gevolgen van geconstateerde risico’s, bijvoorbeeld een brand of een explosie, te verkleinen.

De technische documentatie wordt geëvalueerd indien een batterij wordt voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, geherfabriceerd of herbestemd.

3.   De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 89 vast te stellen om de in bijlage V vastgelegde veiligheidsparameters te wijzigen in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

HOOFDSTUK III

Etiketterings-, markerings- en informatievereisten

Artikel 13

Etikettering en markering van batterijen

1.   Met ingang van 18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 10 bedoelde uitvoeringshandeling, worden batterijen voorzien van een etiket met de in bijlage VI, deel A, vastgelegde algemene informatie over batterijen.

2.   Met ingang van 18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 10 bedoelde uitvoeringshandeling, worden oplaadbare draagbare batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen en start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen voorzien van een etiket met informatie over hun capaciteit.

3.   Met ingang van 18 augustus 2026 of, indien dat later is, 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 10 bedoelde uitvoeringshandeling, worden niet-oplaadbare draagbare batterijen voorzien van een etiket met informatie over de minimale gemiddelde levensduur bij gebruik in specifieke toepassingen en van een etiket met de vermelding “niet-oplaadbaar”.

4.   Met ingang van 18 augustus 2025 worden alle batterijen gemarkeerd met het symbool voor gescheiden inzameling van batterijen (“symbool voor gescheiden inzameling”), zoals afgebeeld in bijlage VI, deel B.

Het symbool voor gescheiden inzameling beslaat ten minste 3 % van de oppervlakte van de grootste zijde van de batterij, tot maximaal 5 × 5 cm.

Bij cilindrische batterijcellen beslaat het symbool voor gescheiden inzameling ten minste 1,5 % van de oppervlakte van de batterij, tot maximaal 5 × 5 cm.

Indien de afmetingen van de batterij dusdanig zijn dat het symbool voor gescheiden inzameling kleiner zou zijn dan 0,47 × 0,47 cm, hoeft de batterij niet met dat symbool te worden gemarkeerd. In plaats daarvan wordt op de verpakking een symbool voor gescheiden inzameling afgedrukt met een afmeting van ten minste 1 × 1 cm.

5.   Alle batterijen die meer dan 0,002 % cadmium of meer dan 0,004 % lood bevatten, worden gemarkeerd met het chemische symbool voor het betrokken metaal: Cd of Pb.

Het desbetreffende chemische symbool ter aanduiding van het gehalte aan zware metalen wordt afgedrukt onder het symbool voor gescheiden inzameling en beslaat een oppervlakte van ten minste een kwart van de grootte van dat symbool.

6.   Met ingang van 18 februari 2027 worden alle batterijen gemarkeerd met een QR-code, zoals beschreven in bijlage VI, deel C. De QR-code geeft toegang tot:

a)

voor batterijen voor lichte vervoermiddelen, industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en batterijen voor elektrische voertuigen, het batterijpaspoort in overeenstemming met artikel 77;

b)

voor andere batterijen, de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bedoelde toepasselijke informatie, de in artikel 18 bedoelde conformiteitsverklaring, het in artikel 52, lid 3, bedoelde rapport en de in artikel 74, lid 1, punten a) tot en met f), bepaalde informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen;

c)

voor start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, de hoeveelheid kobalt, lood, lithium of nikkel die wordt teruggewonnen uit afvalstoffen en die aanwezig is in de actieve materialen in de batterij, berekend overeenkomstig artikel 8.

Die informatie is volledig, actueel en nauwkeurig.

7.   De in de leden 1 tot en met 6 bedoelde etiketten en QR-code worden zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de batterij gedrukt of daarin gegraveerd. Wanneer dat vanwege de aard en de afmetingen van de batterij niet mogelijk of niet gegrond is, worden de etiketten en de QR-code aangebracht op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening teneinde te voorzien in alternatieve soorten slimme etiketten voor gebruik in plaats van of in aanvulling op de QR-code, met het oog op de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

9.   Batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, worden voorzien van nieuwe etiketten of gemarkeerd met markeringen overeenkomstig dit artikel, die informatie bevatten over de statuswijziging ervan overeenkomstig punt 4 van bijlage XIII, welke kan worden geraadpleegd via de QR-code.

10.   De Commissie stelt uiterlijk op 18 augustus 2025 uitvoeringshandelingen vast met het oog op de vaststelling van geharmoniseerde specificaties voor de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde etiketteringsvereisten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 14

Informatie over de conditie en de verwachte levensduur van batterijen

1.   Met ingang van 18 augustus 2024 bevat het batterijbeheersysteem van batterijsystemen voor stationaire energieopslag, batterijen voor lichte vervoermiddelen en batterijen voor elektrische voertuigen actuele gegevens voor de parameters voor het bepalen van de conditie en de verwachte levensduur van batterijen, zoals vermeld in bijlage VII.

2.   Read-only toegang tot de gegevens voor de in bijlage VII vermelde parameters via het in lid 1 bedoelde batterijbeheersysteem wordt te allen tijde, met inachtneming van de intellectuele-eigendomsrechten van de batterijfabrikant, op niet-discriminerende wijze verleend aan de natuurlijke of rechtspersoon die de batterij rechtmatig heeft aangekocht, met inbegrip van onafhankelijke marktdeelnemers of afvalverwerkers, of derden die namens hen optreden, met het oog op:

a)

het door middel van energieopslag ter beschikking stellen van de batterij aan onafhankelijke aankoopgroeperingen of elektriciteitsmarktdeelnemers;

b)

het beoordelen van de restwaarde of de resterende levensduur van de batterij en de mogelijkheid voor verder gebruik op basis van de beoordeling van de conditie van de batterij;

c)

het vergemakkelijken van het voorbereiden voor hergebruik, het voorbereiden voor herbestemming, het herbestemmen of het herfabriceren van de batterij.

3.   Het batterijbeheersysteem omvat een functie voor het resetten van de software voor het geval dat marktdeelnemers die batterijen voorbereiden voor hergebruik, voorbereiden voor herbestemming, herbestemmen of herfabriceren, software voor een ander batterijbeheersysteem moeten uploaden. Indien de software-resetfunctie wordt gebruikt, wordt de fabrikant van de oorspronkelijke batterij niet aansprakelijk gesteld voor iedere aantasting van de veiligheid of de werking van de batterij die kan worden toegeschreven aan na het in de handel brengen van die batterij geüploade software van het batterijbeheersysteem.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast te stellen om de in bijlage VII vermelde parameters voor het bepalen van de conditie en de verwachte levensduur van batterijen te wijzigen in het licht van de marktontwikkelingen en de technische en wetenschappelijke vooruitgang en om te zorgen voor synergie met de parameters van mondiaal technisch reglement nr. 22 van de VN betreffende de duurzaamheid van accu’s in elektrische voertuigen, met inachtneming van de intellectuele-eigendomsrechten van de batterijfabrikant.

5.   De bepalingen van dit artikel zijn van toepassing naast de bepalingen van het Unierecht inzake de typegoedkeuring van voertuigen.

HOOFDSTUK IV

Conformiteit van batterijen

Artikel 15

Vermoeden van conformiteit van batterijen

1.   Met het oog op de naleving en de controle op de naleving van de eisen voor batterijen, die zijn vastgelegd in de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78 worden er tests, metingen en berekeningen verricht volgens betrouwbare, nauwkeurige en reproduceerbare methoden, waarbij rekening wordt gehouden met algemeen erkende geavanceerde methoden en waarvan de resultaten worden geacht weinig onzeker te zijn, met inbegrip van methoden die zijn opgenomen in normen waarvoor referenties voor dat doel in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.

2.   Geharmoniseerde normen simuleren zo veel mogelijk het werkelijke gebruik, met behoud van standaardtests.

3.   Batterijen die in overeenstemming zijn met geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, waarvoor referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de eisen van de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78, voor zover die eisen onder dergelijke geharmoniseerde normen of onderdelen daarvan vallen, en, indien van toepassing, voor zover de voor die eisen op grond van de artikelen 9 en 10 vastgestelde minimumwaarden worden bereikt.

Artikel 16

Gemeenschappelijke specificaties

1.   In uitzonderlijke gevallen kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen ter bepaling van gemeenschappelijk specificaties voor de eisen van de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78 of voor de tests bedoeld in artikel 15, lid 1, indien:

a)

die eisen of tests niet vallen onder geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, waarvoor referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt;

b)

de Commissie een of meer Europese normalisatieorganisaties heeft verzocht een geharmoniseerde norm voor die eisen of tests op te stellen, en

c)

ten minste een van de volgende voorwaarden is vervuld:

i)

het verzoek van de Commissie is door geen van de Europese normalisatieorganisaties aanvaard;

ii)

de Commissie constateert onnodige vertragingen bij de vaststelling van de geharmoniseerde normen waarvoor een verzoek is ingediend, of

iii)

een Europese normalisatieorganisatie heeft een norm opgesteld die niet volledig overeenstemt met het verzoek van de Commissie.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Bij het opstellen van de ontwerpuitvoeringshandeling tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificaties neemt de Commissie de standpunten van de betrokken instanties of van de deskundigengroep in aanmerking en raadpleegt zij alle belanghebbenden naar behoren.

2.   Batterijen die in overeenstemming zijn met gemeenschappelijke specificaties of onderdelen daarvan, worden geacht in overeenstemming te zijn met de eisen van de artikelen 9, 10, 12, 13, 14 en 78, voor zover die eisen onder dergelijke gemeenschappelijke specificaties of onderdelen daarvan vallen en, indien van toepassing, voor zover de voor die eisen op grond van de artikelen 9 en 10 vastgestelde minimumwaarden worden bereikt.

3.   Wanneer er door een Europese normalisatieorganisatie een geharmoniseerde norm wordt vastgesteld en aan de Commissie wordt voorgesteld met het oog op bekendmaking van de referentie daarvan in het Publicatieblad van de Europese Unie, beoordeelt de Commissie de geharmoniseerde norm in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1025/2012. Wanneer de referentie van een geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, trekt de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen, of delen daarvan die dezelfde in lid 1 bedoelde eisen of tests betreffen, in.

Artikel 17

Conformiteitsbeoordelingsprocedures

1.   De conformiteitsbeoordeling van batterijen ten aanzien van de eisen van de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14 wordt uitgevoerd volgens een van de volgende procedures:

a)

voor in serie gefabriceerde batterijen:

i)

“Module A — Interne productiecontrole, beschreven in bijlage VIII, deel A, of

ii)

“Module D1 — Kwaliteitsborging van het productieproces”, beschreven in bijlage VIII, deel B;

b)

voor niet in serie gefabriceerde batterijen:

i)

“Module A — Interne productiecontrole, beschreven in bijlage VIII, deel A, of

ii)

“Module G — Conformiteit op basis van eenheidskeuring”, beschreven in bijlage VIII, deel C.

2.   De conformiteitsbeoordeling van batterijen ten aanzien van de eisen van de artikelen 7 en 8 wordt uitgevoerd volgens een van de volgende procedures:

a)

“Module D1 — Kwaliteitsborging van het productieproces”, beschreven in bijlage VIII, deel B, voor in serie gefabriceerde batterijen, of

b)

“Module G — Conformiteit op basis van eenheidskeuring”, beschreven in bijlage VIII, deel C, voor niet in serie gefabriceerde batterijen.

3.   Een extra conformiteitsbeoordeling van batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, geschiedt volgens “Module A — Interne productiecontrole”, beschreven in bijlage VIII, deel A, met inachtneming van de eisen van de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14.

4.   De dossiers en de correspondentie betreffende de procedures voor conformiteitsbeoordeling van de batterijen worden opgesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat waar de aangemelde instantie die de conformiteitsbeoordelingsprocedures uitvoert, gevestigd is, of in een of meer talen die door die instantie wordt of worden aanvaard.

Artikel 18

EU-conformiteitsverklaring

1.   In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld dat is aangetoond dat is voldaan aan de eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14.

2.   De EU-conformiteitsverklaring heeft de in bijlage IX beschreven modelstructuur, bevat de in de betreffende modules van bijlage VIII vermelde elementen en wordt actueel gehouden. Zij wordt vertaald in de taal of talen die vereist zijn door de lidstaat waar de batterij in de handel wordt gebracht, op de markt wordt aangeboden of in gebruik wordt genomen. Ze wordt in elektronische vorm opgesteld en op verzoek op papier verstrekt.

3.   Indien voor een batterij krachtens meer dan één Uniehandeling een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt met betrekking tot al die Uniehandelingen één EU-conformiteitsverklaring opgesteld. In die verklaring worden de betrokken Uniehandelingen en de publicatiereferenties daarvan vermeld.

4.   Door de EU-conformiteitsverklaring op te stellen, neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid op zich dat de batterij voldoet aan de eisen van deze verordening.

5.   Onverminderd lid 3 kan één enkele EU-conformiteitsverklaring bestaan uit één of meer afzonderlijke EU-conformiteitsverklaringen die reeds in overeenstemming met een andere handeling of andere handelingen van de Unie zijn opgesteld, zulks om de administratieve lasten voor marktdeelnemers te verminderen.

Artikel 19

Algemene beginselen van de CE-markering

Voor de CE-markering gelden de algemene beginselen van artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

Artikel 20

Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering

1.   De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op de batterij aangebracht. Indien dat vanwege de aard van de batterij niet mogelijk of niet opportuun is, wordt de markering aangebracht op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen.

2.   De CE-markering wordt aangebracht voordat de batterij in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen.

3.   De CE-markering wordt gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien zulks vereist is uit hoofde van bijlage VIII. Dat identificatienummer wordt door de aangemelde instantie zelf aangebracht of volgens haar instructies door de fabrikant of diens gemachtigde.

4.   De CE-markering en het in lid 3 bedoelde identificatienummer kunnen, indien van toepassing, worden gevolgd door pictogrammen of andere markeringen die wijzen op een bijzonder risico of gebruik of op een gevaar in verband met het gebruik, de opslag, de behandeling of het vervoer van de batterij.

5.   De lidstaten bouwen voort op bestaande mechanismen om te zorgen voor een correcte toepassing van de voorschriften voor de CE-markering en nemen passende maatregelen in geval van oneigenlijk gebruik van die markering.

HOOFDSTUK V

Aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties

Artikel 21

Aanmelding

De lidstaten melden de conformiteitsbeoordelingsinstanties die bevoegd zijn om krachtens deze verordening conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten, aan bij de Commissie en de andere lidstaten.

Artikel 22

Aanmeldende autoriteiten

1.   De lidstaten wijzen een aanmeldende autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de instelling en uitvoering van de nodige procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op de aangemelde instanties, met inbegrip van de naleving van artikel 27.

2.   De lidstaten kunnen de beoordeling en het toezicht bedoeld in lid 1 laten uitvoeren door een nationale accreditatie-instantie, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 765/2008 en overeenkomstig de bepalingen van die verordening.

3.   Indien de aanmeldende autoriteit de beoordeling, de aanmelding of het toezicht bedoeld in lid 1 van dit artikel delegeert of op andere wijze toevertrouwt aan een instantie die geen overheidsinstantie is, is die instantie een rechtspersoon, voldoet zij mutatis mutandis aan de eisen van artikel 23 en heeft zij maatregelen getroffen om de aansprakelijkheid die het gevolg is van haar activiteiten te dekken.

4.   De aanmeldende autoriteit is volledig verantwoordelijk voor de taken die de in lid 3 genoemde instantie verricht.

Artikel 23

Eisen voor aanmeldende autoriteiten

1.   Een aanmeldende autoriteit wordt zodanig opgericht dat er zich geen belangenconflicten met conformiteitsbeoordelingsinstanties voordoen.

2.   Een aanmeldende autoriteit wordt zodanig georganiseerd en functioneert zodanig dat de objectiviteit en onpartijdigheid van haar activiteiten gewaarborgd zijn.

3.   Een aanmeldende autoriteit wordt zodanig georganiseerd dat elk besluit in verband met de aanmelding van een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt genomen door bekwame personen die niet de beoordeling hebben verricht van de conformiteitsbeoordelingsinstanties die een aanvraag tot aanmelding overeenkomstig artikel 28 hebben ingediend.

4.   Een aanmeldende autoriteit verricht geen activiteiten die worden uitgevoerd door conformiteitsbeoordelingsinstanties, noch biedt zij zulke activiteiten aan, en verleent geen adviesdiensten op commerciële basis of in concurrentie.

5.   Een aanmeldende autoriteit waarborgt dat de verkregen informatie vertrouwelijk wordt behandeld. Zij wisselt echter informatie over aangemelde instanties uit met de Commissie en met de aanmeldende autoriteiten van andere lidstaten en andere relevante nationale autoriteiten.

6.   Een aanmeldende autoriteit beschikt over een voldoende aantal bekwame personeelsleden en over voldoende financiële middelen om haar taken naar behoren uit te voeren.

Artikel 24

Informatieverplichting voor aanmeldende autoriteiten

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van hun procedures voor de beoordeling en aanmelding van conformiteitsbeoordelingsinstanties en voor het toezicht op de aangemelde instanties, en van alle wijzigingen daarvan.

De Commissie maakt die informatie openbaar.

Artikel 25

Eisen voor aangemelde instanties

1.   Om te kunnen worden aangemeld moeten conformiteitsbeoordelingsinstanties aan de eisen van de leden 2 tot en met 11 voldoen.

2.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt opgericht uit hoofde van het nationale recht van een lidstaat en heeft rechtspersoonlijkheid.

3.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is een derde partij die onafhankelijk is van de bedrijfswereld en, wat betreft de batterijen die zij beoordeelt, in het bijzonder van batterijfabrikanten, handelspartners van batterijfabrikanten, investeerders met aandelen in de fabricagefaciliteiten van batterijfabrikanten, en van andere aangemelde instanties en de brancheorganisaties en moeder- of dochterondernemingen van de aangemelde instanties.

4.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier, importeur, distributeur, installateur, koper, eigenaar, gebruiker of onderhouder van de door hen beoordeelde batterijen, noch de vertegenwoordiger van een van die partijen. Dat verbod belet echter niet dat beoordeelde batterijen voor activiteiten van de conformiteitsbeoordelingsinstantie of voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, zijn niet rechtstreeks of als vertegenwoordiger van de betrokken partijen betrokken bij het ontwerpen, fabriceren, verhandelen, importeren, distribueren, installeren, gebruiken of onderhouden van die batterijen. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld, in het gedrang zouden kunnen brengen. Dat geldt met name voor adviesdiensten.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie zorgt ervoor dat de activiteiten van haar moeder- of zusterondernemingen, dochterondernemingen of onderaannemers geen afbreuk doen aan de vertrouwelijkheid, objectiviteit of onpartijdigheid van haar conformiteitsbeoordelingsactiviteiten.

5.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie en haar personeel voeren de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun conformiteitsbeoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, met name van personen of groepen personen die belang hebben bij de resultaten van die activiteiten.

6.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie is in staat alle conformiteitsbeoordelingsactiviteiten te verrichten die haar in bijlage VIII zijn toegewezen, alsook periodieke audits overeenkomstig artikel 48, lid 2, en externe verificatie overeenkomstig artikel 51, waarvoor zij is aangemeld, ongeacht of die taken door de conformiteitsbeoordelingsinstantie zelf of namens haar of onder haar verantwoordelijkheid worden verricht.

De conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt te allen tijde en voor elke in bijlage VIII vermelde conformiteitsbeoordelingsprocedure, voor elke periodieke audit overeenkomstig artikel 48, lid 2, en voor elke externe verificatie overeenkomstig artikel 51, alsook voor de batterijen waarvoor zij is aangemeld, over:

a)

het nodige personeel met de nodige technische kennis en voldoende relevante ervaring om de conformiteitsbeoordelingstaken te verrichten;

b)

de nodige beschrijvingen van de procedures voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordeling, waarbij de transparantie en de reproduceerbaarheid van die procedures worden gewaarborgd;

c)

een passend beleid en geschikte procedures om een onderscheid te maken tussen activiteiten die zij als aangemelde instantie verricht, en andere taken;

d)

de nodige procedures om bij de uitoefening van haar conformiteitsbeoordelingstaken naar behoren rekening te houden met de omvang van een onderneming, de sector waarin die actief is, haar structuur, de relatieve complexiteit van de batterijtechnologie in kwestie en het massa- of seriële karakter van het productieproces.

Een conformiteitsbeoordelingsinstantie beschikt over de middelen die nodig zijn om de technische en administratieve taken in verband met haar conformiteitsbeoordelingsactiviteiten op passende wijze uit te voeren en heeft toegang tot alle vereiste informatie, testapparatuur of -faciliteiten. Dat omvat de vaststelling van en het toezicht op interne procedures, het algemene beleid, gedragscodes of andere interne voorschriften, de toewijzing van personeel aan specifieke taken, en conformiteitsbeoordelingsbesluiten, zonder dat dat aan een onderaannemer of een dochteronderneming wordt gedelegeerd.

7.   Het voor de uitvoering van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten verantwoordelijke personeel beschikt over:

a)

een gedegen technische en beroepsopleiding die alle relevante conformiteitsbeoordelingsactiviteiten omvat waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie is aangemeld;

b)

voldoende kennis van de eisen inzake de beoordelingen die het verricht en adequate bevoegdheden om die beoordelingen uit te voeren;

c)

voldoende kennis over en inzicht in de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 en in de artikelen 48 tot en met 52 neergelegde eisen en verplichtingen, de in artikel 15 bedoelde toepasselijke geharmoniseerde normen en de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, en de toepasselijke bepalingen van de harmonisatiewetgeving van de Unie en van het nationale recht;

d)

de bekwaamheid om certificaten, dossiers en rapporten op te stellen die aantonen dat conformiteitsbeoordelingen zijn verricht.

8.   De onpartijdigheid van een conformiteitsbeoordelingsinstantie, haar hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, wordt gewaarborgd.

De beloning van de hoogste leidinggevenden en het personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, hangt niet af van het aantal uitgevoerde conformiteitsbeoordelingen of van de resultaten daarvan.

9.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie sluit een aansprakelijkheidsverzekering af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van het nationale recht van de aanmeldende lidstaat door de staat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

10.   Het personeel van een conformiteitsbeoordelingsinstantie is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de verrichting van de conformiteitsbeoordelingstaken overeenkomstig bijlage VIII, periodieke audits overeenkomstig artikel 48, lid 2, of externe verificatie overeenkomstig artikel 51, behalve ten opzichte van de bevoegde aanmeldende autoriteit en de nationale autoriteiten van de lidstaat waarin de werkzaamheden plaatsvinden. Eigendomsrechten worden beschermd.

11.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie neemt deel aan, of zorgt ervoor dat haar personeel dat de conformiteitsbeoordelingstaken verricht, op de hoogte is van, de desbetreffende normalisatieactiviteiten en de activiteiten van de sectorale coördinatiegroep van aangemelde instanties die is opgericht op grond van artikel 37, en hanteert de door die groep genomen administratieve beslissingen en geproduceerde documenten als algemene richtsnoeren.

Artikel 26

Vermoeden van conformiteit van aangemelde instanties

Wanneer een conformiteitsbeoordelingsinstantie aantoont dat zij voldoet aan de criteria in de ter zake doende geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, waarvoor referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, wordt zij geacht aan de eisen van artikel 25 te voldoen voor zover de toepasselijke geharmoniseerde normen die eisen dekken.

Artikel 27

Dochterondernemingen van en uitbesteding door aangemelde instanties

1.   Wanneer de aangemelde instantie specifieke taken in verband met de conformiteitsbeoordeling uitbesteedt of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt zij dat de onderaannemer of dochteronderneming aan de eisen van artikel 25 voldoet, en brengt zij de aanmeldende autoriteit daarvan op de hoogte.

2.   Een aangemelde instantie neemt de volledige verantwoordelijkheid op zich voor de taken die worden verricht door onderaannemers of dochterondernemingen.

3.   Een aangemelde instantie mag uitsluitend met instemming van de klant activiteiten uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.

4.   Een aangemelde instantie houdt alle ter zake dienende documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of dochteronderneming en over de door hen uit hoofde van artikel 48, lid 2 en artikel 51 en uit hoofde van bijlage VIII uitgevoerde werkzaamheden ter beschikking van de aanmeldende autoriteit.

Artikel 28

Verzoek om aanmelding

1.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie dient een verzoek tot aanmelding in bij de aanmeldende autoriteit van de lidstaat waar zij gevestigd is.

2.   Het verzoek tot aanmelding gaat vergezeld van een beschrijving van de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, van de in bijlage VIII beschreven conformiteitsbeoordelingsmodule(s) of van de procedures van artikel 48, lid 2, en artikel 51, en van de batterijen waarvoor de conformiteitsbeoordelingsinstantie verklaart bevoegd te zijn, evenals een accreditatiecertificaat, indien van toepassing, dat is afgegeven door een nationale accreditatie-instantie, waarin wordt verklaard dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie voldoet aan de eisen van artikel 25.

3.   Indien de betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie geen accreditatiecertificaat in de zin van lid 2 van dit artikel kan overleggen, verschaft zij de aanmeldende autoriteit alle bewijsstukken die nodig zijn om haar conformiteit met de eisen van artikel 25 te verifiëren en te erkennen en daar geregeld toezicht op te houden, met inbegrip van passende documentatie waaruit blijkt dat de conformiteitsbeoordelingsinstantie onafhankelijk is in de zin van artikel 25, lid 3.

Artikel 29

Aanmeldingsprocedure

1.   Een aanmeldende autoriteit meldt uitsluitend conformiteitsbeoordelingsinstanties aan die aan de eisen van artikel 25 voldoen.

2.   De aanmeldende autoriteit stelt de Commissie en de aanmeldende autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van elke in lid 1 bedoelde conformiteitsbeoordelingsinstantie door middel van het door de Commissie ontwikkelde en beheerde elektronische aanmeldingssysteem.

3.   Bij de aanmelding worden de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten, de conformiteitsbeoordelingsmodule(s) of de procedures van artikel 48, lid 2, en artikel 51, en de desbetreffende categorieën batterijen en de relevante bekwaamheidsattesten uitvoerig beschreven.

4.   Indien een aanmelding niet gebaseerd is op een accreditatiecertificaat als bedoeld in artikel 28, lid 2, verschaft de aanmeldende autoriteit de Commissie en de andere lidstaten de bewijsstukken waaruit de bekwaamheid van de conformiteitsbeoordelingsinstantie blijkt, evenals de regeling die waarborgt dat die instantie regelmatig wordt gecontroleerd en zal blijven voldoen aan de eisen van artikel 25.

5.   De betrokken conformiteitsbeoordelingsinstantie verricht de activiteiten van een aangemelde instantie alleen als de Commissie en de andere lidstaten binnen twee weken na de aanmelding indien een accreditatiecertificaat in de zin van artikel 28, lid 2, wordt gebruikt, en binnen twee maanden na de aanmelding indien de in lid 4 van dit artikel bedoelde bewijsstukken worden gebruikt, geen bezwaren hebben ingediend. Uitsluitend een dergelijke conformiteitsbeoordelingsinstantie wordt voor de toepassing van deze verordening als een aangemelde instantie beschouwd.

6.   De aanmeldende autoriteit stelt de Commissie en de andere lidstaten in kennis van alle latere wijzigingen van de in lid 2 bedoelde aanmelding.

Artikel 30

Identificatienummers en lijsten van aangemelde instanties

1.   De Commissie kent aan elke aangemelde instantie een identificatienummer toe. Zij kent per instantie slechts één nummer toe, ook als de instantie uit hoofde van diverse Uniehandelingen is aangemeld.

2.   De Commissie maakt een lijst van uit hoofde van deze verordening aangemelde instanties openbaar en houdt die bij, onder vermelding van de toegekende identificatienummers en de conformiteitsbeoordelingsactiviteiten waarvoor zij zijn aangemeld.

Artikel 31

Wijzigingen van de aanmelding

1.   Indien een aanmeldende autoriteit heeft geconstateerd of vernomen dat een aangemelde instantie niet meer aan de eisen van artikel 25 voldoet of haar verplichtingen niet nakomt, wordt de aanmelding door de aanmeldende autoriteit beperkt, geschorst of ingetrokken afhankelijk van de ernst van het niet naleven van die eisen of verplichtingen. Zij brengt de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte.

2.   Wanneer een aanmelding op grond van lid 1 wordt beperkt, geschorst of ingetrokken, of wanneer een aangemelde instantie haar activiteiten heeft gestaakt, doet de aanmeldende autoriteit het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die instantie hetzij door een andere aangemelde instantie worden behandeld, hetzij aan de verantwoordelijke aanmeldende autoriteiten en markttoezichtautoriteiten op hun verzoek ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 32

Betwisting van de bekwaamheid van aangemelde instanties

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of met name door marktdeelnemers en andere relevante belanghebbenden in kennis wordt gesteld van een twijfel over de bekwaamheid van een aangemelde instantie of over de vraag of een aangemelde instantie nog aan de voor haar toepasselijke eisen voldoet en haar verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De aanmeldende autoriteit verstrekt de Commissie op verzoek alle informatie over de grondslag van de aanmelding of het op peil houden van de bekwaamheid van de betrokken aangemelde instantie.

3.   Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

4.   Indien de Commissie vaststelt dat een aangemelde instantie niet of niet meer aan de aanmeldingseisen voldoet, stelt zij een uitvoeringshandeling vast waarin de aanmeldende lidstaat wordt verplicht om de nodige corrigerende maatregelen te nemen, alsook, zo nodig de aanmelding in te trekken. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 74, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure vastgesteld.

Artikel 33

Operationele verplichtingen van aangemelde instanties

1.   Een aangemelde instantie voert conformiteitsbeoordelingen uit volgens de conformiteitsbeoordelingsprocedures van artikel 48, lid 2, artikel 51 of bijlage VIII, zoals bepaald door het toepassingsgebied van de aanmelding overeenkomstig artikel 29.

2.   Een aangemelde instantie voert conformiteitsbeoordelingen op evenredige wijze uit, waarbij zij marktdeelnemers niet onnodig belast en naar behoren rekening houdt met de omvang van de onderneming, de sector waarin de onderneming actief is, haar structuur, de relatieve complexiteit van de te beoordelen batterij en het massa- of seriële karakter van het productieproces. De aangemelde instantie eerbiedigt hoe dan ook de striktheid en het beschermingsniveau die nodig zijn opdat de batterij en de marktdeelnemers voldoen aan deze verordening.

3.   Indien een aangemelde instantie vaststelt dat niet is voldaan aan de toepasselijke eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13, 14, 49 en 50, de in artikel 15 bedoelde overeenkomstige geharmoniseerde normen, de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of andere technische specificaties, vereist zij van de fabrikant of andere betrokken marktdeelnemer dat die passende corrigerende maatregelen neemt om te anticiperen op een tweede, definitieve conformiteitsbeoordeling, tenzij de tekortkomingen niet kunnen worden verholpen. Indien de tekortkomingen niet kunnen worden verholpen, geeft de aanmeldende instantie het conformiteitscertificaat of het goedkeuringsbesluit niet af.

4.   Indien een aangemelde instantie bij het toezicht op de conformiteit na de afgifte van een goedkeuringsbesluit vaststelt dat niet langer aan de eisen wordt voldaan, vereist zij van de fabrikant of de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemer, naargelang het geval, dat die passende corrigerende maatregelen neemt, en schorst zij het goedkeuringsbesluit zo nodig of trekt zij het zo nodig in.

5.   Indien er geen corrigerende maatregelen als bedoeld in lid 4 worden genomen of die niet het vereiste effect hebben, wordt het goedkeuringsbesluit door de aangemelde instantie naargelang het geval beperkt, geschorst of ingetrokken.

Artikel 34

Beroep tegen besluiten van aangemelde instanties

De lidstaten voorzien in een beroepsprocedure tegen de besluiten van de aangemelde instanties.

Artikel 35

Informatieverplichting voor aangemelde instanties

1.   Een aangemelde instantie brengt de aanmeldende autoriteit op de hoogte van:

a)

elke weigering, beperking, schorsing of intrekking van conformiteitscertificaten of goedkeuringsbesluiten;

b)

alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor haar aanmelding;

c)

informatieverzoeken over haar conformiteitsbeoordelingsactiviteiten die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangt;

d)

op verzoek, de binnen de werkingssfeer van haar aanmelding verrichte conformiteitsbeoordelingsactiviteiten en andere activiteiten, waaronder grensoverschrijdende activiteiten en uitbesteding.

2.   Een aangemelde instantie verstrekt andere aangemelde instanties die soortgelijke conformiteitsbeoordelingsactiviteiten voor dezelfde categorieën batterijen verrichten, relevante informatie over kwesties in verband met:

a)

negatieve en, op verzoek, positieve conformiteitsbeoordelingen, en

b)

elke beperking, schorsing of intrekking van een goedkeuringsbesluit;

Artikel 36

Uitwisseling van ervaringen en goede praktijken

De Commissie organiseert de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken tussen de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het aanmeldingsbeleid.

Artikel 37

Coördinatie van aangemelde instanties

De Commissie zorgt voor passende coördinatie en samenwerking tussen aangemelde instanties in de vorm van een sectorale coördinatiegroep van aangemelde instanties.

Aangemelde instanties nemen rechtstreeks of via aangestelde vertegenwoordigers aan de werkzaamheden van de sectorale coördinatiegroep deel.

HOOFDSTUK VI

Andere verplichtingen van marktdeelnemers dan die welke worden bepaald in de hoofdstukken VII en VIII

Artikel 38

Verplichtingen van fabrikanten

1.   Wanneer fabrikanten een batterij in de handel brengen of in gebruik nemen, ook voor eigen gebruik, zorgen zij ervoor dat de batterij:

a)

is ontworpen en gefabriceerd in overeenstemming met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12 en 14, en vergezeld gaat van duidelijke, begrijpelijke en leesbare instructies en veiligheidsinformatie in één of meer talen die eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij in de handel zal worden gebracht of in gebruik zal worden genomen, en

b)

is gemarkeerd en geëtiketteerd overeenkomstig artikel 13.

2.   Voordat zij een batterij in de handel brengen of in gebruik nemen, stellen fabrikanten de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie op en voeren zij de in artikel 17 bedoelde relevante conformiteitsbeoordelingsprocedure uit of laten zij die uitvoeren.

3.   Wanneer met de in artikel 17 bedoelde conformiteitsbeoordelingsprocedure is aangetoond dat de batterij aan de toepasselijke eisen voldoet, stellen fabrikanten een EU-conformiteitsverklaring op overeenkomstig artikel 18 en brengen zij de CE-markering aan in overeenstemming met de artikelen 19 en 20.

4.   Fabrikanten houden de in bijlage IX bedoelde technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende tien jaar na het in de handel brengen of het in gebruik nemen van de batterij ter beschikking van de nationale autoriteiten.

5.   Fabrikanten zorgen ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van een batterij die in serie wordt geproduceerd met deze verordening te blijven waarborgen. Daarbij houden de fabrikanten naar behoren rekening met veranderingen in het productieproces, in het ontwerp of de kenmerken van de batterij en met veranderingen in de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen, de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties of andere technische specificaties waarnaar in de conformiteitsverklaring van de batterij is verwezen of aan de hand waarvan de conformiteit van de batterij wordt gecontroleerd.

6.   Fabrikanten zorgen ervoor dat batterijen die zij in de handel brengen, voorzien zijn van een identificatie van het model en een partij- of serienummer, of van een productnummer of een ander identificatiemiddel. Indien dat door de omvang of aard van de batterij niet mogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking of in een bij de batterij gevoegd document vermeld.

7.   Importeurs vermelden op de batterij hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk, hun postadres, met vermelding van één enkel contactpunt, en indien beschikbaar, het webadres en e-mailadres. Indien dat niet mogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking of in een bij de batterij gevoegd document vermeld. Die contactgegevens worden gesteld in één of meer talen die eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij in de handel zal worden gebracht of in gebruik zal worden genomen, en zijn duidelijk, begrijpelijk en leesbaar.

8.   Fabrikanten bieden toegang tot de gegevens voor de in bijlage VII opgenomen parameters in het in artikel 14, lid 1, bedoelde batterijbeheersysteem, in overeenstemming met de eisen van dat artikel.

9.   Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij niet conform een of meer van de toepasselijke eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 is, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om de batterij conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen fabrikanten, indien de batterij een risico vertoont, de markttoezichtautoriteit van de lidstaat waar zij de batterij op de markt hebben aangeboden daarvan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

10.   Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan die nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om aan te tonen dat de batterij voldoet aan de eisen van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14, in één of meer talen die die nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Die informatie en documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt. Op verzoek van de nationale autoriteit verlenen fabrikanten medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico’s van de door hen in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij weg te nemen.

11.   Marktdeelnemers die overgaan tot voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming of herfabricage, en een batterij die een van die handelingen heeft ondergaan, in de handel brengen of in gebruik nemen, worden voor de toepassing van deze verordening als fabrikanten beschouwd.

Artikel 39

Verplichtingen van leveranciers van batterijcellen en batterijmodules

Leveranciers van batterijcellen en batterijmodules verstrekken de nodige informatie en documentatie om aan de eisen van deze verordening te voldoen wanneer zij de batterijcellen of -modules aan een fabrikant leveren. Die informatie en documentatie worden kosteloos verstrekt.

Artikel 40

Verplichtingen van gemachtigden

1.   Een fabrikant mag door middel van een schriftelijk mandaat een gemachtigde aanwijzen.

Het mandaat van de gemachtigde is enkel geldig wanneer het schriftelijk door de gemachtigde is aanvaard.

2.   De verplichtingen uit hoofde van artikel 38, lid 1, en de artikelen 48 tot en met 52 en de verplichting om technische documentatie op te stellen maken geen deel uit van het mandaat van de gemachtigde.

3.   Een gemachtigde voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het van de fabrikant ontvangen mandaat. De gemachtigde beschikt over de passende middelen om de in het mandaat gespecificeerde taken uit te voeren. De gemachtigde legt op verzoek een kopie van het mandaat aan de markttoezichtautoriteit over in een taal van de Unie die door die markttoezichtautoriteit wordt bepaald. Het mandaat omvat ten minste te volgende taken:

a)

de EU-conformiteitsverklaring, de technische documentatie, het verificatierapport en het goedkeuringsbesluit bedoeld in artikel 51, lid 2, en de in artikel 48, lid 2, bedoelde auditrapporten gedurende een periode van 10 jaar nadat de batterij in de handel is gebracht of in gebruik is genomen ter beschikking houden van de nationale autoriteiten;

b)

een nationale autoriteit ingevolge een met redenen omkleed verzoek alle nodige informatie en documentatie verstrekken om aan te tonen dat een batterij aan de eisen voldoet. Die informatie en de documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt;

c)

op verzoek van de nationale autoriteiten medewerking verlenen aan eventuele maatregelen ter uitschakeling van de risico’s van batterijen die onder het mandaat van de gemachtigde vallen.

4.   Indien de batterij een risico vertoont, stelt de gemachtigde de markttoezichtautoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis.

Artikel 41

Verplichtingen van importeurs

1.   Importeurs brengen uitsluitend batterijen in de handel die voldoen aan de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14.

2.   Alvorens een batterij in de handel te brengen, controleren importeurs of:

a)

de in bijlage VIII bedoelde EU-conformiteitsverklaring en technische documentatie zijn opgesteld en of de fabrikant de desbetreffende conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld in artikel 17 heeft uitgevoerd;

b)

de batterij is voorzien van de in artikel 19 bedoelde CE-markering en is gemarkeerd en geëtiketteerd overeenkomstig artikel 13;

c)

de batterij vergezeld gaat van de op grond van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vereiste documenten en van de instructies en veiligheidsinformatie in één of meer talen die eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt wordt aangeboden, en

d)

de fabrikant voldoet aan de eisen van artikel 38, leden 6 en 7.

Indien een importeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een batterij niet in overeenstemming is met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14, brengt die de batterij uitsluitend in de handel nadat zij daarmee in overeenstemming is gebracht. Bovendien brengt de importeur, indien de batterij een risico vertoont, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten daarvan op de hoogte, met een gedetailleerde beschrijving van de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.

3.   Importeurs vermelden op de batterij hun naam, hun geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk, het postadres, met vermelding van één enkel contactpunt, en indien beschikbaar, het webadres en e-mailadres. Indien dat niet mogelijk is, wordt de vereiste informatie op de verpakking of in een bij de batterij gevoegd document vermeld. De contactgegevens worden gesteld in één of meer talen die gemakkelijk kunnen worden begrepen door eindgebruikers, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt wordt aangeboden, en zijn duidelijk, begrijpelijk en leesbaar.

4.   Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een batterij verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de overeenstemming van de batterij met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 niet in het gedrang komt.

5.   Indien dat gelet op de risico’s van een batterij passend wordt geacht, voeren importeurs met het oog op de bescherming van de menselijke gezondheid en de veiligheid van de consumenten, steekproeven uit op de op de markt gebrachte batterijen, onderzoeken zij klachten, non-conforme batterijen en teruggeroepen batterijen en houden zij daarvan zo nodig een register bij, en houden zij de distributeurs op de hoogte van dat toezicht.

6.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebrachte batterij niet conform de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 is, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om de batterij conform te maken of, naargelang het geval, uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen importeurs, indien de batterij een risico vertoont, de markttoezichtautoriteit van de lidstaat waar zij de batterij op de markt hebben aangeboden daarvan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

7.   Importeurs houden gedurende een periode van 10 jaar nadat de batterij in de handel is gebracht een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de nationale autoriteiten en zorgen ervoor dat de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten wordt verstrekt.

8.   Importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan die nationale autoriteit alle benodigde informatie en documentatie om aan te tonen dat de batterij voldoet aan de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14, in één of meer talen die die nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Die informatie en de documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt. Op verzoek van de nationale autoriteit verlenen importeurs medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico’s van de door hen in de handel gebrachte batterijen weg te nemen.

Artikel 42

Verplichtingen van distributeurs

1.   Distributeurs die een batterij op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de eisen van deze verordening.

2.   Alvorens een batterij op de markt aan te bieden, controleren distributeurs of:

a)

de producent in het in artikel 55 bedoelde producentenregister staat geregistreerd;

b)

de batterij is voorzien van de in artikel 19 bedoelde CE-markering en is gemarkeerd en geëtiketteerd overeenkomstig artikel 13;

c)

de batterij vergezeld gaat van de op grond van de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vereiste documenten en van instructies en veiligheidsinformatie in één of meer talen die eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt wordt aangeboden of in gebruik wordt genomen, en

d)

de fabrikant en de importeur aan de eisen van respectievelijk artikel 38, leden 6 en 7, en artikel 41, lid 3, hebben voldaan.

3.   Indien een distributeur van mening is of redenen heeft om aan te nemen dat een batterij niet conform de artikelen 6 tot en met 10 of artikel 12, 13 of 14 is, brengt die de batterij uitsluitend in de handel nadat zij conform is gemaakt. Indien de batterij een risico vertoont, brengt de distributeur bovendien de fabrikant of de importeur, evenals de markttoezichtautoriteiten daarvan op de hoogte.

4.   Distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een batterij verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de overeenstemming van de batterij met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 niet in het gedrang komt.

5.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden in batterij niet conform de artikelen 6 tot en met 10 of artikel 12, 13 of 14 is, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om de batterij conform te maken of, naargelang het geval, uit de handel te nemen of terug te roepen. Bovendien brengen distributeurs, indien de batterij een risico vertoont, de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waar zij de batterij op de markt hebben aangeboden daarvan onmiddellijk op de hoogte, met een gedetailleerde beschrijving van in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen.

6.   Distributeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan die nationale autoriteit alle benodigde informatie en de documentatie om aan te tonen dat de batterij voldoet aan de artikelen 6 tot en met 10en de artikelen 12, 13 en 14, in één of meer talen die die nationale autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Die informatie en de documentatie worden elektronisch of, op verzoek, op papier verstrekt. Op verzoek van de nationale autoriteit verlenen distributeurs medewerking aan alle maatregelen die worden genomen om de risico’s van de door hen op de markt aangeboden batterijen weg te nemen.

Artikel 43

Verplichtingen van fulfilmentdienstverleners

Fulfilmentdienstverleners zorgen voor de batterijen die zij behandelen voor zodanige opslag-, verpakkings-, adresserings- en verzendingsomstandigheden dat de overeenstemming van de batterij met de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 niet in het gedrang komt.

Onverminderd de in dit hoofdstuk vastgelegde verplichtingen van de betrokken marktdeelnemers, voeren fulfilmentdienstverleners naast de in de eerste alinea bedoelde eis ook de in artikel 40, lid 3, punt c), en artikel 40, lid 4, vermelde taken uit.

Artikel 44

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt beschouwd als fabrikant voor de toepassing van deze verordening en is onderworpen aan de verplichtingen van een fabrikant uit hoofde van artikel 38 in een of meer van de volgende gevallen:

a)

een batterij wordt onder de naam of merk van de importeur of distributeur in de handel gebracht of in gebruik genomen;

b)

een reeds in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij wordt zodanig gewijzigd door die importeur of distributeur dat de conformiteit met de desbetreffende eisen van deze verordening in het gedrang zou kunnen komen, of

c)

het gebruiksdoel van een al in de handel gebrachte of in gebruik genomen batterij wordt door die importeur of distributeur gewijzigd.

Artikel 45

Verplichtingen van marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen

1.   Marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen, zorgen ervoor dat het onderzoek, het testen van de prestaties, het verpakken en overbrengen van die batterijen en van de onderdelen van dergelijke batterijen waarop enige van die handelingen zijn verricht, volgens passende kwaliteitsborgings- en veiligheidsinstructies verlopen.

2.   Marktdeelnemers die batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, in de handel brengen of in gebruik nemen, zorgen ervoor dat de batterij voldoet aan de eisen van deze verordening en aan alle toepasselijke beschermingseisen met betrekking tot het product, het milieu en de menselijke gezondheid en aan de veiligheidseisen inzake het vervoer ervan zoals vastgelegd in ander Unierecht, en houden er rekening mee dat de batterij als gevolg van die handelingen binnen een andere categorie batterijen zou kunnen vallen. Voor herfabricagehandelingen leggen die marktdeelnemers op verzoek de nodige documentatie aan de markttoezichtautoriteiten over om aan te tonen dat de batterij herfabricage in overeenstemming met deze verordening heeft ondergaan.

Artikel 46

Identificatie van marktdeelnemers

1.   Op verzoek van een nationale autoriteit verstrekken marktdeelnemers de volgende informatie aan de markttoezichtautoriteiten:

a)

de identiteit van elke marktdeelnemer die een batterij aan hen heeft geleverd;

b)

de identiteit van elke marktdeelnemer aan wie zij een batterij hebben geleverd, met inbegrip van het aantal en de precieze modellen.

2.   Marktdeelnemers zorgen ervoor dat zij de in lid 1 bedoelde informatie kunnen verstrekken gedurende tien jaar nadat de batterij aan hen is geleverd en gedurende tien jaar nadat zij de batterij hebben geleverd.

HOOFDSTUK VII

Verplichtingen van marktdeelnemers wat betreft beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

Artikel 47

Toepassingsgebied van dit hoofdstuk

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op marktdeelnemers met een netto-omzet van minder dan 40 miljoen EUR in het boekjaar dat aan het afgelopen boekjaar voorafging, en die geen deel uitmaken van een uit moeder- en dochterondernemingen bestaande groep die op geconsolideerde basis de limiet van 40 miljoen EUR overschrijdt.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, indien dergelijke batterijen reeds vóór die handelingen in de handel waren gebracht of in gebruik waren genomen.

Dit hoofdstuk geldt onverminderd de bepalingen van het Unierecht betreffende verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid met betrekking tot mineralen en metalen van oorsprong uit conflict- en hoogrisicogebieden.

Artikel 48

Beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

1.   Met ingang van 18 augustus 2025 voldoen marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen of in gebruik nemen, aan de in de leden 2 en 3 van dit artikel, en in de artikelen 49, 50 en 52 neergelegde verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid, en zetten zij daartoe beleidsmaatregelen van passende zorgvuldigheid inzake batterijen op en voeren die uit.

2.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers laten hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen door een aangemelde instantie overeenkomstig artikel 51 verifiëren (“externe verificatie”) en regelmatig door die aangemelde instantie controleren om te waarborgen dat het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen wordt gehandhaafd en toegepast overeenkomstig de artikelen 49, 50 en 52. De aangemelde instantie verstrekt de gecontroleerde marktdeelnemer een auditrapport.

3.   De in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers houden gedurende tien jaar nadat de laatste batterij die uit hoofde van het toepasselijke beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen is gefabriceerd, in de handel is gebracht, documentatie bij waaruit blijkt dat zij voldoen aan de in de artikelen 49, 50 en 52 neergelegde verplichtingen, met inbegrip van het verificatierapport en het goedkeuringsbesluit bedoeld in artikel 51, en de auditrapporten bedoeld in lid 2 van dit artikel.

4.   Onverminderd de individuele verantwoordelijkheid van marktdeelnemers voor hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, kunnen de in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers met het oog op de naleving van de in de artikelen 48, 49, 50 en 52 neergelegde eisen met andere marktdeelnemers samenwerken, inclusief via de uit hoofde van deze verordening erkende regelingen inzake passende zorgvuldigheid.

5.   Uiterlijk op 18 februari 2025 maakt de Commissie richtsnoeren bekend met betrekking tot de toepassing van de in de artikelen 49 en 50 neergelegde eisen inzake passende zorgvuldigheid wat betreft de in bijlage X, punt 2, bedoelde risico’s, en met name in overeenstemming met de in bijlage X, punten 3 en 4, bedoelde internationale instrumenten.

6.   Om marktdeelnemers informatie en ondersteuning te bieden bij het nakomen van de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid uit hoofde van deze verordening, kunnen de lidstaten afzonderlijk of gezamenlijk specifieke websites, platforms of portalen opzetten en exploiteren.

7.   De Commissie kan de in lid 6 bedoelde steunmaatregelen van de lidstaten aanvullen door voort te bouwen op bestaande maatregelen van de Unie ter ondersteuning van passende zorgvuldigheid in de Unie en in derde landen, en kan met nieuwe maatregelen komen om marktdeelnemers te helpen aan hun verplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen.

8.   De Commissie beoordeelt regelmatig of de lijst van grondstoffen en risicocategorieën in bijlage X moet worden bijgewerkt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)

de lijst van grondstoffen in bijlage X, punt 1, en de lijst van risicocategorieën in bijlage X, punt 2, te wijzigen in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang bij de fabricage en chemische samenstelling van batterijen, alsook in het licht van wijzigingen van Verordening (EU) 2017/821;

b)

de lijst van internationale instrumenten in bijlage X, punt 3, te wijzigen overeenkomstig de ontwikkelingen in de relevante internationale fora met betrekking tot normen in verband met beleid inzake passende zorgvuldigheid en bescherming van het milieu en sociale rechten;

c)

de in de artikelen 49 en 50 vastgelegde verplichtingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde marktdeelnemers te wijzigen in het licht van wijzigingen van Verordening (EU) 2017/821, en de lijst van internationaal erkende instrumenten inzake passende zorgvuldigheid in bijlage X, punt 4, te wijzigen.

Artikel 49

Beheersysteem van de marktdeelnemer

1.   Alle in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers:

a)

stellen een bedrijfsbeleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen vast met betrekking tot de in bijlage X, punt 1, vermelde grondstoffen en de bijbehorende sociale en milieurisicocategorieën vermeld in bijlage X, punt 2, en delen dat beleid duidelijk mee aan leveranciers en het publiek;

b)

nemen in hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen normen op die in overeenstemming zijn met de normen die zijn vastgelegd in de internationaal erkende instrumenten inzake passende zorgvuldigheid die zijn opgenomen in bijlage X, punt 4;

c)

zorgen ervoor dat hun interne beheersystemen zo zijn gestructureerd dat hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen wordt ondersteund door hun hoogste leidinggevenden verantwoordelijk te maken voor het toezicht op hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, en houden gedurende ten minste tien jaar gegevens bij van die beheersystemen;

d)

stellen een systeem van controles en transparantie ten aanzien van de toeleveringsketen in en hanteren dat systeem, waaronder een bewakingsketen of traceerbaarheidssysteem waarmee upstream-marktdeelnemers in de toeleveringsketen kunnen worden geïdentificeerd;

e)

verwerken hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, met inbegrip van hun maatregelen op het gebied van risicobeheer, in contracten en overeenkomsten met leveranciers, en

f)

stellen een klachtenmechanisme, met inbegrip van een systeem voor vroegtijdige waarschuwing voor en bewustmaking van risico’s en een herstelmechanisme, in of voorzien in dergelijke mechanismen door middel van samenwerkingsovereenkomsten met andere marktdeelnemers of organisaties of door het gemakkelijker te maken een beroep te doen op een externe deskundige of organisatie, zoals een Europese Ombudsman; dergelijke mechanismen zijn gebaseerd op de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten.

2.   Het in lid 1, punt d), bedoelde systeem wordt ondersteund door documentatie die ten minste de volgende informatie bevat:

a)

een beschrijving van de grondstof, met inbegrip van de handelsnaam en de soort;

b)

de naam en het adres van de leverancier die de in de batterijen aanwezige grondstof heeft geleverd aan de marktdeelnemer die de batterijen met de betrokken grondstof in de handel brengt;

c)

het land van oorsprong van de grondstof en de markttransacties vanaf de winning van de grondstof tot de levering ervan aan de marktdeelnemer die de batterij in de handel brengt, met inbegrip van de transacties van de onmiddellijke leverancier;

d)

de hoeveelheden van de grondstof die aanwezig zijn in de batterij die in de handel wordt gebracht, uitgedrukt als percentage of gewicht;

e)

de externe verificatierapporten die zijn uitgebracht door een aangemelde instantie met betrekking tot de in artikel 50, lid 3, bedoelde leveranciers;

f)

indien de in punt e) bedoelde rapporten niet beschikbaar zijn en bij een grondstof van oorsprong uit een conflictgebied of een hoogrisicogebied, aanvullende informatie overeenkomstig de specifieke aanbevelingen voor upstream-marktdeelnemers, als beschreven in het OESO-richtsnoer inzake passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden, indien relevant, zoals de mijn van oorsprong, de plaatsen waar de grondstof wordt geconsolideerd, verhandeld en verwerkt, en belastingen, vergoedingen en royalty’s worden betaald.

De in punt e) van de eerste alinea bedoelde externe verificatierapporten worden door de in artikel 50, lid 3, bedoelde leveranciers beschikbaar gesteld aan de downstream-marktdeelnemers in de toeleveringsketen.

Artikel 50

Verplichtingen inzake risicobeheer

1.   De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers:

a)

identificeren en beoordelen het risico van nadelige effecten in hun toeleveringsketen, dat verband houdt met de in bijlage X, punt 2, vermelde risicocategorieën in het kader van hun beheersplan, mede op basis van de op grond van artikel 49 verstrekte informatie en alle andere relevante informatie die hetzij openbaar is, hetzij door belanghebbenden is verstrekt, aan de hand van hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen;

b)

ontwerpen en hanteren een strategie om in te spelen op de vastgestelde risico’s zodat nadelige effecten worden voorkomen, beperkt en anderszins aangepakt door:

i)

het rapporteren van de bevindingen van hun risicobeoordeling aan hun overeenkomstig artikel 49, lid 1, punt c), aangewezen hoogste leidinggevenden;

ii)

het vaststellen van risicobeheersmaatregelen die in overeenstemming zijn met de in bijlage X, punt 4, vermelde internationaal erkende instrumenten inzake passende zorgvuldigheid, rekening houdend met hun vermogen om invloed uit te oefenen, en zo nodig actie te ondernemen om druk uit te oefenen, op leveranciers, ook hun dochterondernemingen en onderaannemers, die het vastgestelde risico het meest doeltreffend kunnen voorkomen of beperken;

iii)

het ontwerpen en hanteren van een risicobeheersplan, het toezien op en volgen van de resultaten van risicobeperkende inspanningen, het rapporteren aan hun overeenkomstig artikel 49, lid 1, punt c), aangewezen hoogste leidinggevenden en, na mislukte pogingen tot risicobeperking, het overwegen om de relatie met een leverancier of diens dochteronderneming of onderaannemer tijdelijk stop te zetten of te verbreken, op basis van de desbetreffende, in artikel 49, lid 1, punt e), bedoelde contracten en overeenkomsten;

iv)

het uitvoeren van aanvullende situatie- en risicobeoordelingen voor risico’s die beperkt moeten worden of nadat de omstandigheden gewijzigd zijn.

2.   Wanneer de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers risicobeperkende maatregelen nemen terwijl zij de handel voortzetten of tijdelijk schorsen, overleggen zij met leveranciers en de betrokken belanghebbenden, waaronder lokale en nationale overheidsinstanties, internationale of maatschappelijke organisaties en betrokken derden zoals lokale gemeenschappen, alvorens een strategie voor meetbare risicobeperking vast te stellen in het in lid 1, punt b), iii), van dit artikel bedoelde risicobeheersplan.

3.   De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers bepalen en beoordelen de waarschijnlijkheid van nadelige effecten in de in bijlage X, punt 2, vermelde risicocategorieën in hun toeleveringsketen. Die marktdeelnemers stellen de risico’s in hun toeleveringsketen vast en beoordelen die in het kader van hun eigen risicobeheersystemen. Die marktdeelnemers voeren via een aangemelde instantie overeenkomstig artikel 51 externe verificaties van hun eigen passende-zorgvuldigheidsketens uit. Die marktdeelnemers kunnen gebruikmaken van de externe verificatierapporten die op grond van artikel 51, lid 2, door een dergelijke aangemelde instantie zijn uitgebracht met betrekking tot beleidsmaatregelen betreffende passende zorgvuldigheid inzake batterijen dat overeenkomstig dit hoofdstuk wordt uitgevoerd door leveranciers in die keten. Die marktdeelnemers mogen ook die externe verificatierapporten gebruiken om, naargelang het geval, de praktijken inzake passende zorgvuldigheid van die leveranciers te beoordelen.

4.   De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers rapporteren de bevindingen van de in lid 3 van dit artikel bedoelde risicobeoordeling aan hun overeenkomstig artikel 49, lid 1, punt c), verantwoordelijk gemaakte hoogste leidinggevenden en voeren de in lid 1, punt b), van dit artikel bedoelde strategie uit.

Artikel 51

Externe verificatie van het beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

1.   De aangemelde instantie verricht externe verificaties. Dergelijke externe verificaties:

a)

hebben betrekking op alle activiteiten, processen en systemen die marktdeelnemers gebruiken bij het voldoen aan hun verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid overeenkomstig de artikelen 49, 50 en 52;

b)

hebben tot doel vast te stellen dat de praktijken van passende zorgvuldigheid van marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen, overeenstemmen met de artikelen 49, 50 en 52;

c)

omvatten waar nodig controles bij ondernemingen en vergaring van informatie van belanghebbenden;

d)

vermelden gebieden waarop de marktdeelnemers die batterijen in de handel brengen, hun praktijken van passende zorgvuldigheid zouden kunnen verbeteren;

e)

zijn in overeenstemming met de beginselen van onafhankelijkheid, bekwaamheid en verantwoordingsplicht zoals vastgelegd in het OESO-richtsnoer inzake passende zorgvuldigheid voor verantwoorde toeleveringsketens van mineralen uit conflict- en hoogrisicogebieden.

2.   De aangemelde instantie brengt een verificatierapport uit over de overeenkomstig lid 1 van dit artikel verrichte activiteiten en de resultaten daarvan. Indien het in artikel 48 bedoelde beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen aan de in de artikelen 49, 50 en 52 neergelegde verplichtingen voldoet, vaardigt de aangemelde instantie een goedkeuringsbesluit uit.

Artikel 52

Bekendmaking van informatie over beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen

1.   De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers stellen het in artikel 51 bedoelde verificatierapport en goedkeuringsbesluit, de in artikel 48, lid 2, bedoelde auditrapporten en het beschikbare bewijs van naleving van een door de Commissie overeenkomstig artikel 53 erkende regeling inzake passende zorgvuldigheid op verzoek ter beschikking van markttoezichtautoriteiten of nationale autoriteiten van de lidstaten.

2.   De in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers stellen alle relevante informatie die zij hebben verzameld en bewaard op grond van hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen, ter beschikking van hun onmiddellijke downstreamafnemers, een en ander met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en andere concurrentiekwesties.

3.   Jaarlijks evalueren de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers hun beleid van passende zorgvuldigheid inzake batterijen en brengen zij er een openbaar rapport over uit, ook op het internet. Dat rapport bevat, in een voor eindgebruikers gemakkelijk te begrijpen vorm waarbij duidelijk is om welke batterijen het gaat, gegevens en informatie over de maatregelen die de marktdeelnemers hebben genomen om te voldoen aan de eisen van de artikelen 49 en 50, waaronder bevindingen inzake aanzienlijke nadelige effecten in de risicocategorieën in bijlage X, punt 2, en de manier waarop die gevolgen zijn aangepakt, alsook een samenvatting van de overeenkomstig artikel 51 uitgevoerde externe verificaties, met inbegrip van de naam van de aangemelde instantie, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en andere concurrentiekwesties. In dat rapport wordt indien relevant ook ingegaan op de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden met betrekking tot de winning, verwerking en verhandeling van de in batterijen aanwezige grondstoffen.

4.   Indien de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers kunnen aantonen dat de in bijlage X, punt 1, vermelde grondstoffen die in de batterij aanwezig zijn, zijn verkregen uit recycling, maken zij hun conclusies voldoende gedetailleerd openbaar, met inachtneming van de vertrouwelijkheid van bedrijfsinformatie en andere concurrentiekwesties.

Artikel 53

Erkenning van regelingen inzake passende zorgvuldigheid

1.   regeringen, brancheorganisaties en groeperingen van belanghebbende organisaties die regelingen inzake passende zorgvuldigheid hebben ontwikkeld en daarop toezicht houden (“regelinghouders”), kunnen een aanvraag indienen om hun regelingen inzake passende zorgvuldigheid door de Commissie te laten erkennen. De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen om te bepalen welke informatie-eisen de aanvraag voor erkenning moet bevatten. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Wanneer de Commissie, op basis van het bewijs dat, en de informatie die, op grond van lid 1 van dit artikel werd verstrekt, vaststelt dat de in dat lid bedoelde regeling inzake passende zorgvuldigheid marktdeelnemers in staat stelt aan de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 te voldoen, stelt zij een uitvoeringshandeling vast waarbij die regeling erkend wordt als zijnde gelijkwaardig met de eisen van deze verordening. Het Centrum voor maatschappelijk verantwoord ondernemen van de OESO wordt geraadpleegd alvorens die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Bij het bepalen of een regeling inzake passende zorgvuldigheid wordt erkend, houdt de Commissie rekening met de verschillende sectorale praktijken die die regeling inhoudt, evenals met de risicogebaseerde benadering en methode die in die regeling worden gebruikt om risico’s te bepalen.

3.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast met de criteria en de methode volgens welke zij overeenkomstig lid 2 van dit artikel bepaalt of marktdeelnemers op grond van regelingen inzake passende zorgvuldigheid aan de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 kunnen voldoen. Ook gaat de Commissie waar passend regelmatig na of erkende regelingen inzake passende zorgvuldigheid nog steeds voldoen aan de criteria op basis waarvan een besluit is genomen op grond van lid 2 van dit artikel een gelijkwaardigheidserkenning te verlenen.

4.   De houder van een regeling inzake passende zorgvuldigheid waarvoor overeenkomstig lid 2 een gelijkwaardigheidserkenning is verleend, stelt de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging of actualisering van die regeling. De Commissie beoordeelt of die wijzigingen of actualiseringen gevolgen hebben voor de gelijkwaardigheidserkenning van die regeling en neemt de nodige maatregelen.

5.   Indien er bewijs is van herhaalde of significante gevallen waarbij marktdeelnemers die een overeenkomstig lid 2 van dit artikel erkende regeling toepassen, niet voldoen aan de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52, gaat de Commissie in overleg met de houder van de erkende regeling inzake passende zorgvuldigheid na of die gevallen op lacunes in de regeling wijzen.

6.   Indien de Commissie vaststelt dat er sprake is van niet-naleving van de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 of van lacunes in een erkende regeling inzake passende zorgvuldigheid, kan zij de regelinghouder een passende termijn toekennen om corrigerende maatregelen te treffen.

7.   Indien de regelinghouder de nodige corrigerende maatregelen niet treft of weigert te treffen en indien de Commissie heeft vastgesteld dat de in lid 6 van dit artikel bedoelde niet-naleving of lacunes de in artikel 48, lid 1, bedoelde marktdeelnemers die de regeling toepassen, beletten om de eisen van de artikelen 48, 49, 50 en 52 na te leven, of indien herhaalde of significante gevallen van niet-naleving door marktdeelnemers die een regeling toepassen te wijten zijn aan lacunes in de regeling, stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarbij de gelijkwaardigheidserkenning van de regeling wordt ingetrokken. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

8.   De Commissie stelt een register van erkende regelingen inzake passende zorgvuldigheid op en houdt dat bij. Dat register wordt op internet openbaar gemaakt.

HOOFDSTUK VIII

Beheer van afgedankte batterijen

Artikel 54

Bevoegde autoriteit

1.   De lidstaten wijzen een of meer bevoegde autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk, met name voor het toezicht op en de controle van de naleving door producenten en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid van hun verplichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk.

2.   Elke lidstaat kan ook een van de in lid 1 bedoelde bevoegde autoriteiten aanwijzen als contactpunt voor de communicatie met de Commissie op grond van lid 4.

3.   De lidstaten stellen de bijzonderheden van de organisatie en activiteiten van de bevoegde autoriteit of autoriteiten vast, met inbegrip van de administratieve en procedurele regels voor:

a)

de registratie van de producenten overeenkomstig artikel 55;

b)

de goedkeuring van de producenten en de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 58;

c)

het toezicht op de uitvoering van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 57;

d)

het verzamelen van gegevens over batterijen en afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 75;

e)

het beschikbaar stellen van informatie overeenkomstig artikel 76.

4.   Uiterlijk op 18 november 2025 stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de namen en adressen van de op grond van lid 1 aangewezen bevoegde autoriteiten. De lidstaten stellen de Commissie zonder onnodige vertraging in kennis van elke wijziging in de naam of het adres van die bevoegde autoriteiten.

Artikel 55

Producentenregister

1.   De lidstaten stellen een producentenregister op teneinde te controleren of producenten de verplichtingen van dit hoofdstuk naleven.

2.   Producenten registreren zich in het in lid 1 bedoelde register. Daartoe dienen zij in elke lidstaat waar zij een batterij voor het eerst op de markt aanbieden een registratieaanvraag in.

Producenten dienen de registratieaanvraag in via het in lid 9, punt a), bedoelde elektronische systeem voor gegevensverwerking.

Producenten bieden alleen batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, aan op de markt van een lidstaat, indien zij of, bij machtiging, hun gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, zijn geregistreerd in die lidstaat.

3.   De registratieaanvraag bevat de volgende informatie:

a)

de naam, en (indien beschikbaar) de merknamen waaronder de producent in de lidstaat activiteiten ontplooit, en het adres van de producent, met inbegrip van postcode en plaatsnaam, straatnaam en nummer, land, telefoonnummer, in voorkomend geval web- en e-mailadres, met vermelding van één enkel contactpunt;

b)

de nationale identificatiecode van de producent, met inbegrip van het handelsregisternummer of een gelijkwaardig officieel registratienummer, en het Europese of nationale fiscale identificatienummer;

c)

de categorie of categorieën batterijen die de producent voor het eerst op de markt wil aanbieden op het grondgebied van een lidstaat, te weten draagbare batterijen, industriële batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen, batterijen voor elektrische voertuigen of start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, en hun chemische samenstelling;

d)

informatie over hoe de producent zijn of haar in artikel 56 neergelegde verantwoordelijkheden nakomt en voldoet aan de eisen uit hoofde van respectievelijk de artikelen 59, 60 en 61:

i)

voor draagbare batterijen of batterijen voor lichte vervoermiddelen wordt aan de eisen in punt d) voldaan door het verstrekken van:

schriftelijke informatie over de maatregelen die de producent heeft getroffen om de in artikel 56 neergelegde verplichtingen inzake producentenverantwoordelijkheid na te komen, de getroffen maatregelen om de in artikel 59, lid 1, of artikel 60, lid 1, neergelegde verplichtingen inzake gescheiden inzameling na te komen met betrekking tot de hoeveelheid batterijen die de producent in de lidstaat op de markt aanbiedt, en over welk systeem is opgezet om ervoor te zorgen dat de aan de bevoegde autoriteiten gerapporteerde gegevens betrouwbaar zijn;

waar van toepassing, de naam en contactgegevens van de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid die door de producent is aangesteld om de verplichtingen van de producent inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 57, leden 1 en 2 na te komen, met inbegrip van postcode en plaatsnaam, straatnaam en nummer, land, telefoonnummer, web- en e-mailadres en nationale identificatiecode, evenals het handelsregisternummer of een gelijkwaardig officieel registratienummer en het Europese of nationale fiscale identificatienummer van de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, en het mandaat van de vertegenwoordigde producent;

ii)

voor start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen wordt aan de eisen in punt d) voldaan door het verstrekken van:

schriftelijke informatie over de maatregelen die de producent heeft getroffen om de in artikel 56 neergelegde verplichtingen inzake producentenverantwoordelijkheid na te komen, de getroffen maatregelen om de in artikel 61, lid 1, neergelegde verplichtingen inzake inzameling na te komen met betrekking tot de hoeveelheid batterijen die de producent in de lidstaat op de markt aanbiedt en over welk systeem is opgezet om ervoor te zorgen dat de aan de bevoegde autoriteiten gerapporteerde gegevens betrouwbaar zijn;

waar van toepassing, de naam en contactgegevens van de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid die door de producent is aangesteld om de verplichtingen van de producent inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 57, leden 1 en 2 na te komen, met inbegrip van postcode en plaatsnaam, straatnaam en nummer, land, telefoonnummer, web- en e-mailadres en de nationale identificatiecode, evenals het handelsregisternummer of een gelijkwaardig officieel registratienummer en het Europese of nationale fiscale identificatienummer van de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, en het mandaat van de vertegenwoordigde producent.

e)

een verklaring van de producent of, in voorkomend geval, van de gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid die is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw is.

4.   Onverminderd lid 3 van dit artikel wordt de in punt d) van dat lid bedoelde informatie verstrekt ofwel in de registratieaanvraag uit hoofde van lid 3 van dit artikel, ofwel in de aanvraag om goedkeuring uit hoofde van artikel 58. Een dergelijke aanvraag om goedkeuring bevat ten minste informatie over de afzonderlijke of collectieve nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

5.   De lidstaten kunnen al naargelang het geval aanvullende informatie of documenten vragen om het producentenregister efficiënt te gebruiken.

6.   Indien een producent overeenkomstig artikel 57, lid 1, een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid heeft aangesteld, zijn de verplichtingen uit hoofde van dit artikel van overeenkomstige toepassing op die organisatie, tenzij anders is bepaald door de lidstaat.

7.   Aan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel kan namens de producent worden voldaan door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

Indien aan de verplichtingen uit hoofde van dit artikel namens een producent wordt voldaan door een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die meer dan één producent vertegenwoordigt, vermeldt die gemachtigde naast de uit hoofde van lid 3 vereiste informatie de naam en de contactgegevens voor elke van de vertegenwoordigde producenten afzonderlijk.

8.   De lidstaten kunnen besluiten dat de registratieprocedure op grond van dit artikel en de goedkeuringsprocedure op grond van artikel 58 één enkele procedure vormen, mits de aanvraag voldoet aan de eisen van de leden 3 tot en met 7 van dit artikel.

9.   De bevoegde autoriteit:

a)

stelt op zijn website informatie beschikbaar over het aanvraagproces via een elektronisch systeem voor gegevensverwerking;

b)

keurt registraties goed en kent een registratienummer toe binnen een termijn van hoogstens twaalf weken nadat alle op grond van de leden 2 en 3 vereiste informatie is verstrekt.

10.   De bevoegde autoriteit:

a)

kan bepalingen vaststellen ten aanzien van de eisen en het registratieproces, zonder materiële eisen toe te voegen aan de in de leden 2 en 3 vastgelegde eisen;

b)

kan producenten een evenredige, op kosten gebaseerde vergoeding aanrekenen voor de verwerking van de in lid 2 bedoelde aanvragen.

11.   De bevoegde autoriteit kan de registratie van de producent weigeren of intrekken indien de in lid 3 bedoelde informatie en de daarbij horende bewijsstukken niet zijn verstrekt of ontoereikend zijn, of indien de producent niet langer voldoet aan de eisen van lid 3, punt d).

De bevoegde autoriteit trekt de registratie van de producent in wanneer die niet langer bestaat.

12.   De producent of, in voorkomend geval, de gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid of de namens de producenten die die vertegenwoordigt aangestelde organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, stelt de bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging in kennis bij wijziging van de gegevens in het register en van de definitieve stopzetting van het op de markt aanbieden van in het register vermelde batterijen op het grondgebied van de lidstaat.

13.   Indien de informatie in het producentenregister niet openbaar toegankelijk is, waarborgen de lidstaten dat aanbieders van onlineplatforms die consumenten in staat stellen overeenkomsten op afstand met producenten te sluiten, gratis toegang tot de informatie in het register krijgen.

Artikel 56

Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

1.   Producenten hebben uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor batterijen die zij voor het eerst op de markt aanbieden op het grondgebied van een lidstaat. Die producenten moeten voldoen aan de eisen van de artikelen 8 en 8 bis van Richtlijn 2008/98/EG en de eisen van dit hoofdstuk.

2.   Een marktdeelnemer die een batterij die is voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, voor het eerst op de markt aanbiedt op het grondgebied van een lidstaat, wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als de producent van die batterij en krijgt een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

3.   Een producent zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 47), d), stelt in elke lidstaat waar hij of zij batterijen verkoopt een gemachtigde voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan. Die aanstelling geschiedt bij schriftelijk mandaat.

4.   De door de producent te betalen financiële bijdragen dienen ter dekking van de volgende kosten voor de producten die de producent in de betrokken lidstaat op de markt aanbiedt:

a)

de kosten van de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen en de daaropvolgende overbrenging en verwerking ervan, rekening houdend met de eventuele inkomsten uit de voorbereiding voor hergebruik of de voorbereiding voor herbestemming, of uit de waarde van secundaire grondstoffen uit de gerecyclede afgedankte batterijen;

b)

de kosten van het verrichten van een onderzoek naar de samenstelling van de ingezamelde stromen gemengd stedelijk afval overeenkomstig artikel 69, lid 5;

c)

de kosten van het verstrekken van informatie over de preventie en het beheer van afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 74;

d)

de kosten van het verzamelen van gegevens en het rapporteren daarvan aan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 75.

5.   In het geval van het aanbieden van batterijen die zijn voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, kunnen zowel de producenten van de oorspronkelijke batterijen als de producenten van de batterijen die als gevolg van die handelingen in de handel worden gebracht, een kostendelingsmechanisme, dat is gebaseerd op de daadwerkelijke toekenning van kosten aan de verschillende producenten, instellen en aanpassen, voor de in lid 4, punten a), c) en d) bedoelde kosten.

Indien een in lid 2 bedoelde batterij onder meer dan één uitgebreide producentenverantwoordelijkheid valt, draagt de producent die de batterij voor het eerst in de handel brengt, geen extra kosten als gevolg van een dergelijk kostendelingsmechanisme.

De Commissie faciliteert de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten met betrekking tot dergelijke kostendelingsmechanismen.

Artikel 57

Organisatie voor producentenverantwoordelijkheid

1.   Producenten kunnen een overeenkomstig artikel 58 gemachtigde organisatie voor producentenverantwoordelijkheid aanstellen om namens hen de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om het aanstellen van een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid verplicht te stellen. Dergelijke maatregelen worden gerechtvaardigd op basis van de specifieke kenmerken van een bepaalde categorie batterijen die in de handel worden gebracht en de daarmee verband houdende afvalbeheerkenmerken.

2.   Indien de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid collectief worden vervuld, zorgen organisaties voor producentenverantwoordelijkheid voor een gelijke behandeling van producenten, ongeacht hun herkomst of omvang, zonder dat zij een onevenredige last met zich brengen voor producenten van kleine hoeveelheden batterijen, waaronder ook kleine en middelgrote ondernemingen. Zij zorgen er ook voor dat de financiële bijdragen die de producenten aan hen betalen:

a)

worden gedifferentieerd overeenkomstig artikel 8 bis, lid 4, punt b), van Richtlijn 2008/98/EG en ten minste op basis van de batterijcategorie en de chemische samenstelling van de batterij, indien passend rekening houdend met de oplaadbaarheid, het gehalte aan gerecycled materiaal bij de fabricage van batterijen en de vraag of de batterijen waren voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming, herbestemd of geherfabriceerd, en hun koolstofvoetafdruk, en

b)

worden gecorrigeerd om rekening te houden met eventuele inkomsten die zijn verworven door de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid uit de voorbereiding voor hergebruik of de voorbereiding voor herbestemming of uit de waarde van secundaire grondstoffen die werden teruggewonnen uit de gerecyclede afgedankte batterijen.

3.   Indien in een lidstaat meerdere organisaties voor producentenverantwoordelijkheid gemachtigd zijn om namens producenten de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid na te komen, verzekeren zij dat de activiteiten die zijn bedoeld in artikel 59, lid 1, artikel 60, lid 1 en artikel 61, lid 1, op het gehele grondgebied van de lidstaat zijn afgedekt. De lidstaten wijzen een bevoegde autoriteit aan of stellen een onafhankelijke derde aan om erop toe te zien dat de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid hun verplichtingen op gecoördineerde wijze nakomen.

4.   Organisaties voor producentenverantwoordelijkheid waarborgen het vertrouwelijke karakter van de gegevens in hun bezit in geval van door eigendomsrechten beschermde informatie of rechtstreeks aan individuele producenten of hun gemachtigden voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid toe te schrijven informatie.

5.   Naast de in artikel 8 bis, lid 3, punt e), van Richtlijn 2008/98/EG bedoelde informatie, publiceren organisaties voor producentenverantwoordelijkheid ten minste elk jaar op hun website, onverminderd de vertrouwelijkheid van commerciële en industriële gegevens, informatie over het door de producenten die de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid hebben aangesteld behaalde percentage gescheiden inzameling van afgedankte batterijen, de door hen behaalde recyclingrendementen en de door hen behaalde niveaus van materiaalterugwinning.

6.   Naast de in lid 5 bedoelde informatie, maken organisaties voor producentenverantwoordelijkheid informatie openbaar over de selectieprocedure voor afvalverwerkers die overeenkomstig lid 8 is gekozen.

7.   Wanneer dat nodig is om verstoring van de interne markt te voorkomen, is de Commissie gemachtigd een uitvoeringshandeling vast te stellen om criteria voor de toepassing van lid 2, punt a), van dit artikel te bepalen. Die uitvoeringshandeling behelst geen precieze vaststelling van de bijdragen en wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

8.   Afvalverwerkers worden onderworpen aan een niet-discriminerende selectieprocedure, op basis van transparante gunningscriteria, die wordt uitgevoerd door producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid en die geen onevenredige last met zich brengt voor kleine en middelgrote ondernemingen.

Artikel 58

Goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid

1.   Producenten die de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid individueel nakomen en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die zijn aangesteld om die verplichtingen collectief na te komen, vragen een goedkeuring inzake de nakoming van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid aan bij de bevoegde autoriteit.

2.   De goedkeuring wordt slechts verleend indien:

a)

is aangetoond dat er is voldaan aan de in artikel 8 bis, lid 3, punten a) tot en met d), van Richtlijn 2008/98/EG genoemde eisen, en de door de producent of organisatie voor producentenverantwoordelijkheid getroffen maatregelen volstaan om aan de verplichtingen van dit hoofdstuk te voldoen met betrekking tot de hoeveelheid batterijen die voor het eerst op het grondgebied van een lidstaat op de markt wordt aangeboden door de producent of producenten namens welke de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid optreedt, en

b)

met bewijsstukken is aangetoond dat aan de eisen van artikel 59, leden 1 en 2, of de eisen van artikel 60, leden 1, 2 en 4, is voldaan en dat alle nodige regelingen zijn ingevoerd om ten minste de respectievelijk in artikel 59, lid 3, en artikel 60, lid 3, bedoelde inzamelingsdoelstellingen te kunnen behalen en op duurzame wijze in stand te houden.

3.   De lidstaten nemen in hun maatregelen tot vaststelling van administratieve en procedurele regels als bedoeld in artikel 54, lid 3, punt b), de details op van de goedkeuringsprocedure, die kan verschillen afhankelijk van het feit of het een individuele of collectieve nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid betreft, alsook de modaliteiten voor de controle van de naleving door producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, met inbegrip van de daartoe door producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid te verstrekken informatie. De goedkeuringsprocedure omvat eisen inzake de controle van de regelingen die zijn ingevoerd om de naleving van de eisen van artikel 59, leden 1 en 2, en artikel 60, leden 1, 2 en 4, te waarborgen, en termijnen voor de controle, die niet langer mogen zijn dan twaalf weken na de indiening van een volledig aanvraagdossier. De controle kan worden verricht door een onafhankelijke deskundige, die een controlerapport over het resultaat van de controle opstelt.

4.   De producent of organisatie voor producentenverantwoordelijkheid stelt de bevoegde autoriteit zonder onnodige vertraging in kennis van wijzigingen van de informatie in de goedkeuring, van wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden van de goedkeuring of van de definitieve stopzetting van activiteiten.

5.   Het in artikel 8 bis, lid 3, punt d), van Richtlijn 2008/98/EG bepaalde mechanisme voor zelfcontrole wordt regelmatig, en ten minste om de drie jaar, en op verzoek van de bevoegde autoriteit, uitgevoerd om na te gaan of nog steeds wordt voldaan aan de bepalingen in dat punt, alsook aan de in lid 2 van dit artikel bedoelde voorwaarden voor de goedkeuring. De producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid dient op verzoek een zelfcontrolerapport en, indien nodig, het ontwerpplan met corrigerende maatregelen in bij de bevoegde autoriteit. Onverminderd de bevoegdheden uit hoofde van lid 6 van dit artikel kan de bevoegde autoriteit opmerkingen maken bij het zelfcontrolerapport en het ontwerpplan met corrigerende maatregelen, en maakt zij dergelijke eventuele opmerkingen kenbaar aan de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid. De producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid stelt op basis van die opmerkingen het plan met corrigerende maatregelen op.

6.   De bevoegde autoriteit kan besluiten de goedkeuring in te trekken indien de in artikel 59, lid 3, of artikel 60, lid 3, vastgelegde inzamelingsdoelstellingen niet worden gehaald of de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid niet langer voldoet aan de eisen inzake de organisatie van de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen of nalatig is bij het rapporteren aan de bevoegde autoriteit of verzuimt die in kennis te stellen van wijzigingen die betrekking hebben op de voorwaarden voor de goedkeuring, of de activiteiten heeft gestaakt.

7.   Een producent, in geval van individuele nakoming van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, en organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, in geval van collectieve nakoming van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, bieden een garantie ter dekking van de kosten in verband met afvalbeheeractiviteiten die door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid verschuldigd zijn in geval van niet-naleving van de verplichtingen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, onder meer in geval van definitieve stopzetting van hun activiteiten of insolventie. De lidstaten kunnen aanvullende eisen stellen betreffende die garantie. In het geval van een door de overheid beheerde organisatie voor producentenverantwoordelijkheid mag die garantie anders dan door de organisatie zelf worden verstrekt en kan zij de vorm aannemen van een uit producentenbijdragen gefinancierd overheidsfonds, waarvoor de lidstaat die de organisatie beheert gezamenlijk en hoofdelijk aansprakelijk is.

Artikel 59

Inzameling van afgedankte draagbare batterijen

1.   Producenten van draagbare batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat alle afgedankte draagbare batterijen, ongeacht hun aard, chemische samenstelling, conditie, merk of oorsprong, gescheiden worden ingezameld op het grondgebied van een lidstaat waar zij draagbare batterijen voor het eerst op de markt aanbieden. Daartoe:

a)

stellen zij een terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte draagbare batterijen in;

b)

bieden zij de in lid 2, punt a), bedoelde entiteiten de kosteloze inzameling van afgedankte draagbare batterijen aan en voorzien zij in de inzameling van afgedankte draagbare batterijen van alle entiteiten die van dat aanbod gebruik hebben gemaakt (“aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen”);

c)

voorzien zij in de nodige praktische regelingen voor de inzameling en het vervoer van afgedankte draagbare batterijen naar de aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen, met inbegrip van de kosteloze verstrekking van geschikte recipiënten voor inzameling en vervoer die voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (46);

d)

zamelen zij kosteloos de bij de aangesloten inzamelpunten ingezamelde afgedankte draagbare batterijen in met een frequentie die evenredig is aan het bestreken gebied en aan het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte draagbare batterijen die gewoonlijk via de aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen worden ingezameld;

e)

zamelen zij kosteloos afgedankte draagbare batterijen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd, in met een frequentie die in verhouding staat tot het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte draagbare batterijen;

f)

zorgen zij ervoor dat de bij de aangesloten inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen ingezamelde afgedankte draagbare batterijen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd, vervolgens overeenkomstig artikel 70 in een vergunde inrichting worden verwerkt door een afvalverwerker.

2.   Producenten van draagbare batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat het terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte draagbare batterijen:

a)

bestaat uit inzamelpunten die door hen worden opgezet in samenwerking met één of meer van de volgende partijen:

i)

distributeurs overeenkomstig artikel 62;

ii)

inrichtingen voor de verwerking van autowrakken die onderworpen zijn aan Richtlijn 2000/53/EG;

iii)

overheidsinstanties, of derden die namens hen instaan voor het afvalbeheer, overeenkomstig artikel 66;

iv)

vrijwillige-inzamelpunten overeenkomstig artikel 67;

v)

inrichtingen voor de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die onderworpen zijn aan Richtlijn 2012/19/EU, en

b)

het volledige grondgebied van de lidstaat bestrijkt, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte draagbare batterijen, de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers, en niet beperkt is tot gebieden waar de inzameling en het daaropvolgende beheer van afgedankte draagbare batterijen winstgevend is.

3.   Producenten van draagbare batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid halen en handhaven op duurzame wijze ten minste de volgende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen:

a)

45 % uiterlijk op 31 december 2023;

b)

63 % uiterlijk op 31 december 2027;

c)

73 % uiterlijk op 31 december 2030.

Producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid berekenen het in dit lid bedoelde inzamelingspercentage overeenkomstig bijlage XI.

4.   Eindgebruikers kunnen zich ontdoen van afgedankte draagbare batterijen via de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten zonder dat zij daarvoor hoeven te betalen of verplicht kunnen worden om een nieuwe batterij te kopen of deze te hebben gekocht bij de producenten die de inzamelpunten hebben opgezet.

5.   Overeenkomstig lid 2, punten a), i), iii) en iv), opgezette inzamelpunten zijn niet onderworpen aan de registratie- of vergunningsvoorschriften van Richtlijn 2008/98/EG.

6.   Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die aan de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde inzamelpunten voorschrijven dat zij uitsluitend afgedankte draagbare batterijen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.

7.   Gezien de verwachte ontwikkeling van de markt en de verwachte verlenging van de levensduur van oplaadbare draagbare batterijen, en om een beter beeld te krijgen van het daadwerkelijke volume afgedankte draagbare batterijen, is de Commissie bevoegd om uiterlijk op 18 augustus 2027 overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage XI uiteengezette methode voor de berekening van het inzamelingspercentage van draagbare batterijen te wijzigen, alsook om de in lid 3 van dit artikel vastgelegde inzamelingsdoelstelling te wijzigen teneinde die aan de nieuwe methode aan te passen en tegelijkertijd vergelijkbare ambities en tijdschema’s te handhaven.

Artikel 60

Inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

1.   Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat alle afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, ongeacht hun chemische samenstelling, conditie, merk of oorsprong, gescheiden worden ingezameld op het grondgebied van een lidstaat waar zij batterijen voor het eerst op de markt aanbieden. Daartoe:

a)

stellen zij een terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen in;

b)

bieden zij de in lid 2, punt a), bedoelde entiteiten de kosteloze inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen aan en voorzien zij in de inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen van alle entiteiten die van dat aanbod gebruik hebben gemaakt (“aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen”);

c)

voorzien zij in de nodige praktische regelingen voor de inzameling en het vervoer van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen naar de aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen, met inbegrip van de kosteloze verstrekking van geschikte recipiënten voor inzameling en vervoer die voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2008/68/EG;

d)

zamelen zij kosteloos de bij de aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen in, met een frequentie die evenredig is aan het bestreken gebied en aan het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die gewoonlijk bij die inzamelpunten worden ingezameld;

e)

zamelen zij kosteloos de afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd in, met een frequentie die in verhouding staat tot het volume en het potentiële gevaar van de afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen;

f)

zorgen zij ervoor dat de bij de aangesloten inzamelpunten voor batterijen voor lichte vervoermiddelen ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur zijn afgezonderd, vervolgens overeenkomstig artikel 70 in een vergunde inrichting worden verwerkt door een afvalverwerker.

2.   Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zorgen ervoor dat het terugname- en inzamelingssysteem voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen:

a)

bestaat uit inzamelpunten die door hen worden opgezet in samenwerking met één of meer van de volgende partijen:

i)

distributeurs overeenkomstig artikel 62;

ii)

inrichtingen voor de verwerking van autowrakken die onderworpen zijn aan Richtlijn 2000/53/EG;

iii)

overheidsinstanties, of derden die namens hen instaan voor het afvalbeheer, overeenkomstig artikel 66;

iv)

vrijwillige-inzamelpunten overeenkomstig artikel 67;

v)

inrichtingen voor de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die onderworpen zijn aan Richtlijn 2012/19/EU, en

b)

het volledige grondgebied van de lidstaat bestrijkt, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers, en niet beperkt is tot gebieden waar de inzameling en het daaropvolgende beheer van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen winstgevend is.

3.   Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid halen en handhaven op duurzame wijze ten minste de volgende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen:

a)

51 % uiterlijk op 31 december 2028;

b)

61 % uiterlijk op 31 december 2031.

Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid berekenen het in dit lid bedoelde inzamelingspercentage overeenkomstig bijlage XI.

4.   Producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid:

a)

zetten de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten op met geschikte inzamelingsinfrastructuur voor de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die voldoen aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, en dekken de noodzakelijke door die inzamelpunten in verband met de terugnameactiviteiten gemaakte kosten. De recipiënten voor de inzameling en tijdelijke opslag van dergelijke afgedankte batterijen bij de inzamelpunten zijn toereikend gelet op het volume en het potentiële gevaar van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die naar verwachting via die inzamelpunten zullen worden ingezameld;

b)

zamelen afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen in bij de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten met een frequentie die in verhouding staat tot de opslagcapaciteit van de infrastructuur voor gescheiden inzameling en het volume en het potentiële gevaar van afgedankte batterijen die gewoonlijk via die inzamelpunten worden ingezameld, en

c)

voorzien in de levering van de bij de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde inzamelpunten ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen aan vergunde inrichtingen voor verwerking overeenkomstig de artikelen 70 en 73.

5.   Eindgebruikers kunnen zich ontdoen van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen via de in lid 2, punt a), bedoelde inzamelpunten zonder dat zij daarvoor hoeven te betalen of verplicht kunnen worden om een nieuwe batterij te kopen of deze te hebben gekocht te hebben gekocht bij de producenten die de inzamelpunten hebben opgezet.

6.   Overeenkomstig lid 2, punten a), i), iii) en iv), opgezette inzamelpunten zijn niet onderworpen aan de registratie- of vergunningsvoorschriften van Richtlijn 2008/98/EG.

7.   Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die aan de in lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde inzamelpunten voorschrijven dat zij uitsluitend afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.

8.   Gezien de verwachte ontwikkeling van de markt en de verwachte verlenging van de levensduur van oplaadbare batterijen voor lichte vervoermiddelen, en om een beter beeld te krijgen van het daadwerkelijke volume afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, is de Commissie bevoegd om uiterlijk op 18 augustus 2027 overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in bijlage XI uiteengezette methode voor de berekening van het inzamelingspercentage van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen te wijzigen, alsook om de in lid 3 van dit artikel vastgelegde inzamelingsdoelstelling te wijzigen teneinde die aan de nieuwe methode aan te passen en tegelijkertijd vergelijkbare ambities en tijdschema’s te handhaven.

Artikel 61

Inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen

1.   Producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid nemen alle afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen ongeacht hun aard, chemische samenstelling, conditie, merk of oorsprong van de respectieve categorie die zij op het grondgebied van die lidstaat voor het eerst op de markt hebben aangeboden kosteloos terug, zonder verplichting voor de eindgebruiker om een nieuwe batterij te kopen of om de batterij bij hen te hebben gekocht, en zorgen ervoor dat die gescheiden worden ingezameld. Daartoe aanvaarden zij de terugname van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen van eindgebruikers of van terugname- en inzamelingssystemen met inzamelpunten die zijn opgezet in samenwerking met:

a)

distributeurs van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen overeenkomstig artikel 62, lid 1;

b)

marktdeelnemers die start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen herfabriceren of herbestemmen;

c)

inrichtingen voor de verwerking van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken als bedoeld in artikel 65 voor afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die uit hun activiteiten voortkomen;

d)

overheidsinstanties, of derden die namens hen instaan voor het afvalbeheer, overeenkomstig artikel 66.

Lidstaten kunnen maatregelen vaststellen die voorschrijven dat de in de eerste alinea, punten a) tot en met d), bedoelde entiteiten uitsluitend afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen mogen inzamelen indien zij een contract hebben gesloten met de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, met organisaties voor producentenverantwoordelijkheid.

Indien afgedankte industriële batterijen eerst ter plaatse moeten worden ontmanteld bij particuliere, niet-commerciële gebruikers, mag de verplichting van de producent om die afgedankte batterijen terug te nemen er niet toe leiden dat de kosten in verband met de ontmanteling en inzameling van die afgedankte batterijen door die gebruikers worden gedragen.

2.   Overeenkomstig lid 1 ingevoerde terugnameregelingen bestrijken het volledige grondgebied van een lidstaat, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen en de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers, en zijn niet beperkt tot gebieden waar de inzameling en het daaropvolgende beheer van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen winstgevend is.

3.   Producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid:

a)

voorzien in de in lid 1 bedoelde terugname- en inzamelingssystemen met geschikte inzamelingsinfrastructuur voor de gescheiden inzameling van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voldoen aan de toepasselijke veiligheidsvoorschriften, en dekken de noodzakelijke door die terugname- en inzamelingssystemen in verband met de terugnameactiviteiten gemaakte kosten. De recipiënten voor inzameling en tijdelijke opslag van dergelijke afgedankte batterijen bij de terugname en inzamelingssystemen zijn toereikend gelet op het volume en het potentiële gevaar van afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die naar verwachting via die inzamelpunten zullen worden ingezameld;

b)

zamelen afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen in bij de in lid 1 bedoelde terugname- en inzamelingssystemen met een frequentie die in verhouding staat tot de opslagcapaciteit van de infrastructuur voor gescheiden inzameling en het volume en het potentiële gevaar van afgedankte batterijen die gewoonlijk via die terugname- en inzamelingssystemen worden ingezameld, en

c)

voorzien in de levering van de bij eindgebruikers en bij de in lid 1 van dit artikel bedoelde terugname- en inzamelingssystemen ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen aan vergunde inrichtingen voor verwerking overeenkomstig de artikelen 70 en 73.

4.   De in lid 1, punten a) tot en met d), van dit artikel bedoelde entiteiten kunnen ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers overhandigen met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70. In die gevallen wordt geacht aan de verplichting van producenten op grond van lid 3, punt c), van dit artikel te zijn voldaan.

Artikel 62

Verplichtingen van distributeurs

1.   Distributeurs nemen afgedankte batterijen kosteloos terug van de eindgebruiker, zonder de eindgebruiker te verplichten om een nieuwe batterij te kopen of gekocht te hebben, ongeacht de chemische samenstelling, het merk of de oorsprong van de batterijen, op de volgende wijze:

a)

afgedankte draagbare batterijen: bij of in de onmiddellijke nabijheid van het verkooppunt van de distributeur;

b)

afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen: bij of in de onmiddellijke nabijheid van het verkooppunt van de distributeur.

2.   De terugnameverplichting van lid 1:

a)

is niet van toepassing op afgedankte producten die batterijen bevatten;

b)

is beperkt tot de categorieën afgedankte batterijen die de distributeur als batterijen in aanbieding heeft en, voor afgedankte draagbare batterijen, tot de hoeveelheid die niet-professionele eindgebruikers gewoonlijk verwijderen.

3.   Distributeurs overhandigen afgedankte batterijen die zij hebben teruggenomen aan de producenten of de organisaties voor producentenverantwoordelijkheid die overeenkomstig respectievelijk de artikelen 59, 60 en 61 verantwoordelijk zijn voor de inzameling van die afgedankte batterijen of aan een overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerker met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70.

4.   De verplichtingen uit hoofde van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op distributeurs die via overeenkomsten op afstand batterijen leveren aan eindgebruikers. Die distributeurs voorzien in een voldoende aantal inzamelpunten die het volledige grondgebied van een lidstaat bestrijken, rekening houdend met de bevolkingsgrootte en -dichtheid, het verwachte volume aan afgedankte draagbare batterijen, afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen, en de toegankelijkheid en nabijheid voor eindgebruikers van de inzamelpunten waar zij batterijen kunnen inleveren.

5.   In het geval van verkoop met levering bieden distributeurs aan om afgedankte draagbare batterijen, afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen, afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen kosteloos terug te nemen bij het punt van levering aan de eindgebruiker of bij een lokaal inzamelpunt. De eindgebruiker wordt bij het bestellen van de batterij in kennis gesteld van de terugnameregelingen voor afgedankte batterijen.

6.   Met het oog op de naleving van artikel 30, lid 1, punten d) en e), van Verordening (EU) 2022/2065 zorgen onder het toepassingsgebied van afdeling 4 van hoofdstuk III van die verordening vallende onlineplatforms die consumenten de mogelijkheid bieden overeenkomsten op afstand te sluiten met producenten, ervoor dat zij de volgende informatie hebben ontvangen van producenten die batterijen aanbieden, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, aan consumenten die gevestigd zijn in de Unie:

a)

details over het in artikel 55 bedoelde producentenregister en het (de) registratienummer(s) van de producent in dat register;

b)

een zelfcertificering door de producent waardoor de producent zich ertoe verbindt alleen batterijen, met inbegrip van batterijen die zijn ingebouwd in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen, aan te bieden waarvoor aan de in artikel 56, leden 1 tot en met 4, artikel 57, lid 1 en artikel 58, leden 1, 2 en 7 bedoelde eisen inzake uitgebreide producentenverantwoordelijkheid is voldaan.

Artikel 63

Statiegeldsystemen voor batterijen

Uiterlijk op 31 december 2027 beoordeelt de Commissie de haalbaarheid en de potentiële voordelen van een statiegeldsysteem voor batterijen, met name voor draagbare batterijen voor algemeen gebruik. Daartoe dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in en beraadt zij zich over het treffen van passende maatregelen, met inbegrip van de vaststelling van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 64

Verplichtingen van eindgebruikers

1.   Eindgebruikers ontdoen zich van afgedankte batterijen gescheiden van andere afvalstromen, waaronder het gemengd stedelijk afval.

2.   Eindgebruikers ontdoen zich van afgedankte batterijen in daartoe aangewezen inzamelpunten voor gescheiden inzameling die zijn opgezet door, of in overeenstemming met de specifieke regelingen afgesproken met, de producent of een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, in overeenstemming met de artikelen 59, 60 en 61.

Artikel 65

Verplichtingen van exploitanten van verwerkingsinrichtingen

1.   Exploitanten van verwerkingsinrichtingen die onderworpen zijn aan Richtlijn 2000/53/EG of Richtlijn 2012/19/EU overhandigen afgedankte batterijen die voortkomen uit de verwerking van autowrakken of afgedankte elektrische en elektronische apparatuur aan producenten van de desbetreffende categorie batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid of aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70 van deze verordening.

2.   De exploitanten van de in lid 1 bedoelde verwerkingsinrichtingen houden een register van die overhandigingen bij.

Artikel 66

Deelname van overheidsinstanties voor afvalbeheer

1.   Afgedankte batterijen afkomstig van particuliere, niet-commerciële eindgebruikers mogen worden afgedankt in door overheidsinstanties voor afvalbeheer opgezette afzonderlijke inzamelpunten.

2.   Overheidsinstanties voor afvalbeheer zorgen ervoor dat ingezamelde afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 70 worden verwerkt door:

a)

overhandiging ervan aan producenten van de desbetreffende categorie batterijen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, aan organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers, of

b)

zelf in te staan voor de verwerking van de ingezamelde afgedankte batterijen overeenkomstig artikel 68, lid 2.

Artikel 67

Deelname van vrijwillige-inzamelpunten

1.   Vrijwillige-inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen overhandigen ingezamelde afgedankte draagbare batterijen aan de producenten van draagbare batterijen of aan derden die namens hen optreden, waaronder organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers, met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70.

2.   Vrijwillige-inzamelpunten voor afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen overhandigen ingezamelde afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen aan de producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of aan derden die namens hen optreden, waaronder organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerkers, met het oog op de verwerking ervan overeenkomstig artikel 70.

Artikel 68

Beperkingen inzake de overhandiging van afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

1.   De lidstaten kunnen beperkingen opleggen aan het vermogen van distributeurs, exploitanten van afvalverwerkingsinrichtingen als bedoeld in artikel 65, overheidsinstanties voor afvalbeheer als bedoeld in artikel 66 en vrijwillige-inzamelpunten als bedoeld in artikel 67 om ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen over te dragen aan producenten of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, of aan een afvalverwerker om de verwerking overeenkomstig artikel 70 uit te voeren. De lidstaten zorgen ervoor dat dergelijke beperkingen geen nadelig effect hebben op de inzamelings- en recyclingsystemen.

2.   De lidstaten kunnen ook maatregelen vaststellen die de in artikel 66 bedoelde overheidsinstanties voor afvalbeheer toelaten zelf in te staan voor de verwerking overeenkomstig artikel 70.

Artikel 69

Verplichtingen voor de lidstaten betreffende inzamelingsdoelstellingen voor afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid de in artikel 59, lid 3, eerste alinea, punten a), b), en c), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte draagbare batterijen en de in artikel 60, lid 3, eerste alinea, punten a) en b), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen behalen.

2.   De lidstaten monitoren met name regelmatig, en minstens jaarlijks, de inzamelingspercentages van de producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid om na te gaan of zij passende maatregelen hebben genomen om de in artikel 59, lid 3, eerste alinea, punten a), b), en c), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte draagbare batterijen en de in artikel 60, lid 3, eerste alinea, punten a) en b), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen te behalen. Een dergelijke monitoring wordt met name gebaseerd op de informatie die overeenkomstig artikel 75 aan de bevoegde autoriteiten is gerapporteerd en bestaat uit de controle van die informatie, van de vraag of de producent de in bijlage XI vastgelegde berekeningsmethode heeft nageleefd, en de resultaten van het in lid 5 van dit artikel bedoelde samenstellingsonderzoek en andere informatie waarover de lidstaat beschikt.

3.   Indien een lidstaat op basis van de in lid 2 van dit artikel bedoelde monitoring vaststelt dat een producent of, indien zij is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, een organisatie voor producentenverantwoordelijkheid geen passende maatregelen heeft genomen om de in artikel 59, lid 3, eerste alinea, punten a), b), en c), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte draagbare batterijen en de in artikel 60, lid 3, eerste alinea, punten a) en b), vastgelegde inzamelingsdoelstellingen ten aanzien van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen te behalen, verzoekt de bevoegde autoriteit van die lidstaat die producent of organisatie voor producentenverantwoordelijkheid passende corrigerende maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de in die artikelen vastgelegde inzamelingsdoelstellingen kunnen worden behaald.

4.   Onverminderd het mechanisme voor zelfcontrole dat is bedoeld in artikel 58, lid 5, legt de producent of, indien zij is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid ten laatste drie maanden na het in lid 3 van dit artikel bedoelde verzoek van de bevoegde autoriteit een ontwerpplan met corrigerende maatregelen voor aan de bevoegde autoriteit. De bevoegde autoriteit mag opmerkingen over het ontwerpplan formuleren en zij deelt eventuele opmerkingen ten laatste één maand na ontvangst van het ontwerpplan met corrigerende maatregelen mee aan de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid.

Indien de bevoegde autoriteit haar opmerkingen over het ontwerpplan met corrigerende maatregelen meedeelt, stelt de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid ten laatste één maand na ontvangst van die opmerkingen, en rekening houdend met die opmerkingen, het plan met corrigerende maatregelen op, en voert het plan dienovereenkomstig uit.

De inhoud van het plan met corrigerende maatregelen en de naleving ervan door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid worden meegenomen in de beoordeling of nog steeds aan de voorwaarden voor de in artikel 55 vastgelegde registratie en, waar van toepassing, voor de in artikel 58 vastgelegde goedkeuring wordt voldaan.

5.   Uiterlijk op 1 januari 2026 en daarna elke vijf jaar verrichten de lidstaten een onderzoek naar de samenstelling van ingezamelde stromen gemengd stedelijk afval en afgedankte elektrische en elektronische apparatuur voor het voorgaande kalenderjaar om het aandeel afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen daarin te bepalen. Op basis van die onderzoeken kunnen de bevoegde autoriteiten de producenten van draagbare batterijen, de producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, de respectieve organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, voorschrijven corrigerende maatregelen te nemen om hun netwerk van aangesloten inzamelpunten uit te breiden en voorlichtingscampagnes te voeren overeenkomstig artikel 74, lid 1.

Artikel 70

Verwerking

1.   Ingezamelde afgedankte batterijen mogen niet worden verwijderd of aan een energieterugwinningshandeling worden onderworpen.

2.   Onverminderd Richtlijn 2010/75/EU zorgen vergunde inrichtingen ervoor dat de verwerking voor afgedankte batterijen ten minste voldoet aan deel A van bijlage XII bij deze verordening en strookt met de beste beschikbare technieken zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 10, van Richtlijn 2010/75/EU.

3.   Batterijen die worden ingezameld terwijl zij nog steeds zijn ingebouwd in een afgedankt apparaat, een afgedankt licht vervoermiddel of een autowrak, worden van dat apparaat, afgedankt licht vervoermiddel of autowrak afgezonderd overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2000/53/EG of Richtlijn 2012/19/EU, naargelang wat van toepassing is.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de in deel A van bijlage XII vastgelegde voorschriften voor de verwerking van afgedankte batterijen te wijzigen gelet op de technische en wetenschappelijke vooruitgang en opkomende nieuwe technologieën op het gebied van afvalbeheer.

5.   De lidstaten kunnen stimuleringsregelingen invoeren voor marktdeelnemers die hogere percentages behalen dan de respectievelijk in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendementen en materiaalterugwinning.

Artikel 71

Doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning

1.   Alle vergunde inrichtingen zorgen ervoor dat alle afgedankte batterijen die hun worden aangeboden, worden aanvaard en worden voorbereid voor hergebruik, voorbereid voor herbestemming of gerecycled.

2.   Recyclers zorgen ervoor dat recycling de doelstellingen voor recyclingrendement en de doelstellingen voor materiaalterugwinning haalt die zijn vastgelegd in respectievelijk deel B en deel C van bijlage XII.

3.   De recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages worden berekend overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in een op grond van lid 4 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling.

4.   Uiterlijk op 18 februari 2025 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast om deze verordening aan te vullen met de methode voor de berekening en de controle van de recyclingrendements- en materiaalterugwinningspercentages overeenkomstig deel A van bijlage XII, en het model voor de documentatie.

5.   Uiterlijk op 18 augustus 2026 en vervolgens ten minste om de vijf jaar beoordeelt de Commissie of het, als gevolg van marktontwikkelingen, met name met betrekking tot batterijtechnologieën met gevolgen voor het type teruggewonnen materialen en de bestaande en voorspelde beschikbaarheid van kobalt, koper, lood, lithium of nikkel of het ontbreken daarvan, en in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang, passend is de in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning te herzien. De Commissie is bevoegd om, indien gerechtvaardigd en passend op basis van die beoordeling, overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast te stellen tot wijziging van de in de delen B en C van bijlage XII vastgelegde doelstellingen voor recyclingrendement en materiaalterugwinning.

6.   De Commissie is bevoegd om, waar passend als gevolg van marktontwikkelingen met gevolgen voor het type teruggewonnen materialen en in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang, waaronder opkomende nieuwe technologieën op het gebied van afvalbeheer, overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deel C van bijlage XII door toevoeging van materialen met specifieke doelstellingen voor materiaalterugwinning per specifiek materiaal, en van deel B van bijlage XII door toevoeging van chemische samenstellingen van batterijen met specifieke doelstellingen voor recyclingrendement.

Artikel 72

Overbrenging van afgedankte batterijen

1.   De verwerking mag buiten de betrokken lidstaat of buiten de Unie gebeuren voor zover de overbrenging van afgedankte batterijen, of fracties daarvan, voldoet aan de Verordeningen (EG) nr. 1013/2006 en (EG) nr. 1418/2007.

2.   Om een onderscheid te maken tussen gebruikte batterijen en afgedankte batterijen, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de overbrenging van gebruikte batterijen waarvan wordt vermoed dat zij afgedankte batterijen zijn, controleren op overeenstemming met de minimumeisen van bijlage XIV en dergelijke overbrengingen dienovereenkomstig monitoren.

Wanneer de bevoegde autoriteiten van een lidstaat vaststellen dat een voorgenomen overbrenging van gebruikte batterijen uit afgedankte batterijen bestaat, kunnen de kosten van de nodige analysen, inspecties en opslag van de gebruikte batterijen waarvan wordt vermoed dat zij afval zijn, in rekening worden gebracht aan de producenten van de desbetreffende categorie batterijen, aan derden die in hun naam handelen of aan andere personen die de overbrenging regelen. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de minimumeisen van bijlage XIV, met name inzake de conditie, om een onderscheid te maken tussen de overbrenging van gebruikte batterijen en van afgedankte batterijen.

3.   Afgedankte batterijen, of fracties daarvan, die overeenkomstig lid 1 van dit artikel uit de Unie worden uitgevoerd, tellen alleen mee voor de naleving van de in de artikelen 70 en 71 vastgelegde verplichtingen, rendementen en doelstellingen indien de exporteur van de afgedankte batterijen, of fracties daarvan, door de bevoegde autoriteit van bestemming goedgekeurde bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat de verwerking heeft plaatsgevonden onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening gestelde voorwaarden en in overeenstemming met ander Unierecht inzake de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 een gedelegeerde handeling vast te stellen met nadere regels ter aanvulling van die in lid 3 van dit artikel, door de criteria voor de beoordeling van gelijkwaardige voorwaarden vast te stellen.

Artikel 73

Voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming van afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen

1.   Teneinde te documenteren dat een afgedankte batterij voor lichte vervoermiddelen, een afgedankte industriële batterij en een afgedankte batterij voor elektrische voertuigen, na voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming, niet langer afval is, toont de houder van de batterij op verzoek van een bevoegde autoriteit het volgende aan:

a)

een bewijs van de in een lidstaat uitgevoerde beoordeling of test van de conditie van de batterij, in de vorm van een kopie van het document waarin wordt bevestigd dat de batterij de prestaties die relevant zijn voor het gebruik ervan na voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming kan leveren;

b)

het verdere gebruik van de batterij na voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming, gedocumenteerd door middel van een factuur of overeenkomst voor de verkoop of eigendomsoverdracht van de batterij;

c)

bewijs van passende bescherming tegen beschadiging tijdens het vervoer en het in- en uitladen, onder meer door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.

2.   De in lid 1, punt a), bedoelde informatie wordt onder gelijke voorwaarden beschikbaar gesteld voor eindgebruikers en derden die namens hen optreden, als onderdeel van de documentatie waarvan de in lid 1 bedoelde batterij vergezeld gaat wanneer zij in de handel wordt gebracht of in gebruik wordt genomen.

3.   De informatieverstrekking overeenkomstig de leden 1 en 2 laat verplichtingen met het oog op de bescherming van de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie op grond van het desbetreffende Unie- en nationale recht onverlet.

4.   De Commissie is bevoegd een uitvoeringshandeling vast te stellen teneinde nadere technische en verificatievoorschriften vast te stellen waaraan afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, afgedankte industriële batterijen of afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen moeten voldoen om niet langer als afval te worden beschouwd. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 74

Informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen

1.   Naast de informatie bedoeld in artikel 8 bis, lid 2, van Richtlijn 2008/98/EG, stellen producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid de volgende informatie over het voorkomen en beheren van afgedankte batterijen ter beschikking van eindgebruikers en distributeurs met betrekking tot de categorieën batterijen die de producenten op het grondgebied van een lidstaat leveren:

a)

de rol van eindgebruikers in het bijdragen aan afvalpreventie, onder meer door middel van informatie over goede praktijken en aanbevelingen voor het gebruik van batterijen die erop gericht zijn de levensduur van de batterijen te verlengen, en de mogelijkheden inzake hergebruik, voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming, herbestemming en herfabricage;

b)

de rol van eindgebruikers in de gescheiden inzameling van afgedankte batterijen overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van artikel 64, teneinde de verwerking van afgedankte batterijen mogelijk te maken;

c)

de gescheiden inzameling, de terugname- en inzamelpunten, de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming en de verwerking die voor afgedankte batterijen ter beschikking staan;

d)

de nodige veiligheidsinstructies voor de behandeling van afgedankte batterijen, onder meer met betrekking tot de risico’s van batterijen die lithium bevatten en de omgang met dergelijke batterijen;

e)

de betekenis van de etiketten en symbolen die overeenkomstig artikel 13 op batterijen zijn aangebracht of op hun verpakking of op de bij de batterijen ingesloten documenten staan gedrukt, en

f)

de effecten van stoffen, met name gevaarlijke stoffen, in batterijen op het milieu en op de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, met inbegrip van de effecten vanwege ongepaste verwijdering van afgedankte batterijen, bijvoorbeeld als zwerfvuil of als ongesorteerd stedelijk afval.

Die informatie:

a)

wordt voor elk batterijmodel regelmatig beschikbaar gesteld vanaf het moment waarop het betrokken batterijmodel voor het eerst in een lidstaat op de markt wordt aangeboden, en wel ten minste op een zichtbare manier bij het verkooppunt en via onlineplatforms;

b)

wordt verstrekt in een taal of talen die de eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen en die wordt of worden bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt zal worden aangeboden.

2.   Producenten stellen informatie over de veiligheids- en beschermingsmaatregelen voor de opslag en inzameling van afgedankte batterijen, ook met betrekking tot de veiligheid op het werk, beschikbaar voor distributeurs en marktdeelnemers als bedoeld in de artikelen 62, 65 en 66 en voor andere afvalverwerkers die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking uitvoeren.

3.   Vanaf het tijdstip waarop een batterij op het grondgebied van een lidstaat wordt geleverd, stellen producenten de volgende informatie voor het specifieke batterijmodel met betrekking tot de correcte en milieuverantwoorde behandeling van afgedankte batterijen, op verzoek, gratis en elektronisch, beschikbaar voor afvalverwerkers die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking uitvoeren, voor zover die afvalverwerkers die informatie nodig hebben om hun activiteiten te kunnen uitvoeren:

a)

de processen om lichte vervoermiddelen, voertuigen en apparaten zodanig te ontmantelen dat de ingebouwde batterijen kunnen worden afgezonderd;

b)

de veiligheids- en beschermingsmaatregelen, ook ten aanzien van veiligheid op het werk en brandveiligheid, die gelden voor de processen voor de opslag, het vervoer en de verwerking van afgedankte batterijen.

In de in de eerste alinea, punten a) en b), bedoelde informatie worden de onderdelen en materialen geïdentificeerd, alsook waar alle gevaarlijke stoffen in een batterij zich bevinden, voor zover dat voor de marktdeelnemers die activiteiten op het gebied van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking uitvoeren noodzakelijk is om aan de eisen van deze verordening te voldoen.

Die informatie wordt verstrekt in een taal of talen die de in de eerste alinea vermelde marktdeelnemers gemakkelijk kunnen begrijpen, zoals bepaald door de lidstaat waar de batterij op de markt zal worden aangeboden.

4.   Distributeurs die batterijen leveren aan eindgebruikers verstrekken permanent de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie in hun verkooppunten op een gemakkelijk toegankelijke en duidelijk zichtbare wijze aan de eindgebruikers van de batterijen, en verstrekken tevens informatie over hoe de eindgebruikers afgedankte batterijen kosteloos kunnen inleveren bij de respectieve inzamelpunten die bij de verkooppunten of namens een onlineplatform zijn opgezet. Die verplichting is beperkt tot de categorieën batterijen die de distributeur of detailhandelaar als nieuwe batterijen in zijn aanbod heeft of had.

Distributeurs verstrekken de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie ook wanneer zij hun producten via onlineplatforms verkopen, zodat consumenten overeenkomsten op afstand met handelaren kunnen sluiten.

5.   De kosten die uit hoofde van artikel 56, lid 4, punten a) tot en met d), door de producent worden gedragen, worden afzonderlijk aan de eindgebruiker aangegeven bij het verkooppunt waar een nieuwe batterij wordt verkocht.

6.   Producenten van de desbetreffende categorie batterijen of organisaties voor producentenverantwoordelijkheid zetten bewustmakingscampagnes op en bieden stimulansen om eindgebruikers aan te moedigen zich van afgedankte batterijen te ontdoen op een wijze die strookt met de overeenkomstig lid 1 beschikbaar gestelde informatie aan eindgebruikers over de preventie en het beheer van afgedankte batterijen.

7.   Wanneer informatie uit hoofde van dit artikel openbaar beschikbaar wordt gesteld voor eindgebruikers, wordt de vertrouwelijkheid van commercieel gevoelige informatie volgens het desbetreffende nationale en Unierecht beschermd.

Artikel 75

Minimumeisen voor rapportage aan de bevoegde autoriteiten

1.   Producenten van draagbare batterijen en producenten van batterijen voor lichte vervoermiddelen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid rapporteren voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit ten minste de volgende informatie, naargelang de chemische samenstelling en categorieën batterijen en afgedankte batterijen:

a)

de hoeveelheid draagbare batterijen en batterijen voor lichte vervoermiddelen die voor het eerst op de markt werd aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met uitzondering van batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht;

b)

de hoeveelheid draagbare batterijen voor algemeen gebruik die voor het eerst op de markt werd aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met uitzondering van draagbare batterijen voor algemeen gebruik die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht;

c)

de hoeveelheid afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die is ingezameld overeenkomstig artikel 59 respectievelijk 60;

d)

het inzamelingspercentage dat werd bereikt door de producent of de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid voor afgedankte draagbare batterijen of afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen;

e)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen;

f)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die naar derde landen is uitgevoerd voor verwerking, voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming;

g)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen die voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen.

Wanneer afgedankte draagbare batterijen of afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen door andere afvalverwerkers dan producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, door organisaties voor producentenverantwoordelijkheid worden ingezameld bij distributeurs of andere inzamelpunten voor afgedankte draagbare batterijen of afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, rapporteren zij voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit de hoeveelheid ingezamelde afgedankte draagbare batterijen en afgedankte batterijen voor lichte vervoermiddelen, naargelang de chemische samenstelling ervan.

2.   Producenten van start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid rapporteren voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit de volgende informatie, naargelang de chemische samenstelling en de categorieën afgedankte batterijen:

a)

de hoeveelheid start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen die voor het eerst op de markt werden aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met uitzondering van batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht;

b)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen;

c)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen;

d)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die naar derde landen is uitgevoerd voor voorbereiding voor hergebruik, voor voorbereiding voor herbestemming of voor verwerking.

3.   Wanneer afvalverwerkers afgedankte batterijen inzamelen bij distributeurs of andere inzamelpunten voor afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen of bij eindgebruikers, rapporteren zij voor elk kalenderjaar aan de bevoegde autoriteit de volgende informatie, naargelang de chemische samenstelling en de categorieën afgedankte batterijen:

a)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen;

b)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen;

c)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die voor verwerking is geleverd aan vergunde inrichtingen;

d)

de hoeveelheid ingezamelde afgedankte start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, afgedankte industriële batterijen en afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die naar derde landen is uitgevoerd voor voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of verwerking.

4.   De in lid 1, punten a) tot en met g), van dit artikel bedoelde informatie omvat tevens informatie over in voertuigen en apparaten ingebouwde batterijen en over afgedankte batterijen die overeenkomstig artikel 65 van die voertuigen en apparaten zijn afgezonderd.

5.   Afvalverwerkers die instaan voor de verwerking en recyclers rapporteren voor elk kalenderjaar en per lidstaat waar de afgedankte batterijen zijn ingezameld, de volgende informatie aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de afgedankte batterijen worden verwerkt:

a)

de hoeveelheid afgedankte batterijen die zij hebben ontvangen voor verwerking;

b)

de hoeveelheid afgedankte batterijen die een proces van voorbereiding voor hergebruik, voorbereiding voor herbestemming of recycling begint te ondergaan;

c)

gegevens betreffende de recyclingrendementen voor afgedankte batterijen, de materiaalterugwinning uit afgedankte batterijen en de bestemming en de opbrengst van de uiteindelijke outputfracties.

De rapportage over de recyclingrendementen en de materiaalterugwinning behelst alle afzonderlijke stappen van de recycling en alle outputfracties die daarbij geproduceerd worden. Als recyclingoperaties in meer dan één inrichting worden uitgevoerd, is de eerste recycler verantwoordelijk voor het verzamelen van die informatie en het rapporteren van die informatie aan de bevoegde autoriteiten.

De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verwerking van afgedankte batterijen plaatsvindt, verstrekt de in dit lid bedoelde informatie aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de batterijen zijn ingezameld, indien die verschillend zijn.

Afgedankte batterijen die naar een andere lidstaat worden overgebracht met het oog op verwerking in die andere lidstaat, worden opgenomen in de gegevens over de recyclingrendementen en de materiaalterugwinning, en worden meegeteld voor de verwezenlijking van de in bijlage XII vastgelegde doelstellingen door de lidstaat waar dat afval is ingezameld.

6.   Wanneer andere dan de in lid 5 bedoelde afvalstoffenhouders batterijen uitvoeren voor verwerking, rapporteren zij de gegevens over de hoeveelheid gescheiden ingezamelde afgedankte batterijen die werd uitgevoerd voor verwerking en de in lid 5, punten b) en c), bedoelde gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar zij zijn gevestigd.

7.   Producenten of, indien zij zijn aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, organisaties voor producentenverantwoordelijkheid, afvalverwerkers en afvalstoffenhouders als bedoeld in dit artikel, rapporteren binnen zes maanden na afloop van het rapportagejaar waarvoor de gegevens zijn verzameld. De eerste rapportageperiode bestrijkt het eerste volledige kalenderjaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling tot vaststelling van het model voor rapportage aan de Commissie overeenkomstig artikel 76, lid 5.

8.   De bevoegde autoriteiten zetten een elektronisch systeem op waarlangs gegevens aan hen worden gerapporteerd en zij specificeren welke modellen moeten worden gebruikt.

9.   De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten toestaan om alle aanvullende informatie te vragen die nodig is om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens te waarborgen.

Artikel 76

Rapportage aan de Commissie

1.   De lidstaten maken voor elk kalenderjaar in geaggregeerde vorm en volgens het model dat werd vastgesteld door de Commissie in een op grond van lid 5 vastgestelde uitvoeringshandeling, de volgende gegevens over draagbare batterijen, batterijen voor lichte vervoermiddelen, start-, verlichtings- en ontstekingsbatterijen, industriële batterijen en batterijen voor elektrische voertuigen openbaar naargelang de categorieën batterijen en de chemische samenstelling ervan:

a)

de hoeveelheid batterijen die voor het eerst op de markt werd aangeboden op het grondgebied van een lidstaat, met inbegrip van in apparaten, voertuigen of industriële producten ingebouwde batterijen maar met uitzondering van batterijen die het grondgebied van die lidstaat dat jaar hebben verlaten, voordat zij aan eindgebruikers werden verkocht;

b)

de hoeveelheid overeenkomstig de artikelen 59, 60 en 61 ingezamelde afgedankte batterijen en de op basis van de in bijlage XI vastgelegde methode berekende inzamelingspercentages;

c)

de hoeveelheid afgedankte industriële batterijen en de hoeveelheid afgedankte batterijen voor elektrische voertuigen die is ingezameld en voor voorbereiding voor hergebruik of voorbereiding voor herbestemming is geleverd aan vergunde inrichtingen;

d)

de waarden voor de bereikte recyclingrendementen als bedoeld in deel B van bijlage XII en de waarden voor de bereikte materiaalterugwinning als bedoeld in deel C van bijlage XII, met betrekking tot de in die lidstaat ingezamelde batterijen.

De lidstaten stellen die gegevens ter beschikking binnen 18 maanden na afloop van het rapportagejaar waarvoor zij zijn verzameld. Zij maken die gegevens elektronisch openbaar volgens het door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde model, met behulp van vlot toegankelijke gegevensdiensten. De gegevens zijn machineleesbaar, sorteerbaar en doorzoekbaar en eerbiedigen open normen voor gebruik door derden. De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte wanneer de in de eerste alinea bedoelde gegevens beschikbaar zijn gesteld.

De eerste rapportageperiode bestrijkt het eerste volledige kalenderjaar na de inwerkingtreding van de uitvoeringshandeling tot vaststelling van het model voor rapportage aan de Commissie overeenkomstig lid 5.

Als aanvulling op de verplichtingen uit hoofde van de Richtlijnen 2000/53/EG en 2012/19/EU hebben de in lid 1, eerste alinea, punten a) tot en met d), van dit artikel bedoelde gegevens tevens betrekking op in voertuigen en apparaten ingebouwde batterijen en op afgedankte batterijen die overeenkomstig artikel 65 van die voertuigen en apparaten zijn afgezonderd.

2.   De rapportage over de recyclingrendementen en de materiaalterugwinning als bedoeld in lid 1, eerste alinea, punt d), behelst alle afzonderlijke stappen van de recycling en alle outputfracties die daarbij geproduceerd worden.

3.   De overeenkomstig dit artikel door de lidstaten beschikbaar gestelde gegevens gaan vergezeld van een kwaliteitscontrolerapport dat moet worden ingediend volgens het door de Commissie overeenkomstig lid 5 vastgestelde model.

4.   De Commissie verzamelt en evalueert de informatie die overeenkomstig dit artikel beschikbaar wordt gesteld. De Commissie maakt een rapport bekend waarin de manier waarop de verzameling van de gegevens wordt georganiseerd, de gegevensbronnen en de in de lidstaten gebruikte methode, alsook de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van die gegevens worden beoordeeld. Die beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Het rapport wordt opgesteld uiterlijk zes maanden na de eerste rapportage over de gegevens door de lidstaten en vervolgens om de vier jaar.

5.   De Commissie stelt uiterlijk op 18 augustus 2025 uitvoeringshandelingen vast betreffende het model voor de gegevens en informatie die aan de Commissie moeten worden gerapporteerd, evenals evaluatiemethoden en operationele omstandigheden met betrekking tot de inzameling en verwerking van afgedankte batterijen, voor de toepassing van de leden 1 en 4 van dit artikel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK IX

Digitaal batterijpaspoort

Artikel 77

Batterijpaspoort

1.   Met ingang van 18 februari 2027 beschikken alle batterijen voor lichte vervoermiddelen, alle industriële batterijen met een capaciteit van meer dan 2 kWh en alle batterijen voor elektrische voertuigen die in de handel worden gebracht of in gebruik worden genomen over een elektronisch dossier (“batterijpaspoort”).

2.   Het batterijpaspoort bevat informatie over het batterijmodel en specifieke informatie over de afzonderlijke batterij, met inbegrip van informatie die het gevolg is van het gebruik ervan, zoals vermeld in bijlage XIII.

Het batterijpaspoort bevat:

a)

informatie die toegankelijk is voor het grote publiek overeenkomstig punt 1 van bijlage XIII;

b)

informatie die uitsluitend toegankelijk is voor aangemelde instanties, markttoezichtautoriteiten en de Commissie overeenkomstig de punten 2 en 3 van bijlage XIII, en

c)

informatie die uitsluitend toegankelijk is voor natuurlijke of rechtspersonen met een gerechtvaardigd belang bij de toegang tot en de verwerking van die informatie voor de in de punten a) en b) van de derde alinea bedoelde doeleinden, overeenkomstig de punten 2 en 4 van bijlage XIII.

De doeleinden inzake de toegang tot en de verwerking van de informatie, als bedoeld in punt c) van de tweede alinea:

a)

betreffen de ontmanteling van de batterij, met inbegrip van de veiligheidsmaatregelen die daarbij moeten worden genomen, en de nadere samenstelling van het batterijmodel, en zijn van essentieel belang voor reparateurs, bedrijven die zich bezighouden met herfabricage, exploitanten van batterijen voor hergebruik en recyclers om hun respectieve economische activiteiten uit te voeren overeenkomstig deze verordening, of

b)

zijn, in het geval van afzonderlijke batterijen, van essentieel belang voor de koper van de batterij of voor partijen die handelen namens de koper, om de afzonderlijke batterij ter beschikking te stellen van onafhankelijke aankoopgroeperingen of energiemarktdeelnemers.

De in de tweede alinea bedoelde informatie wordt opgenomen in het batterijpaspoort voor zover die van toepassing is op de categorie of subcategorie van de betrokken batterij.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage XIII te wijzigen wat betreft de in het batterijpaspoort op te nemen informatie in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang.

3.   Het batterijpaspoort is toegankelijk via de in artikel 13, lid 6, bedoelde QR-code, die gekoppeld is aan een unieke identificatiecode die de marktdeelnemer die de batterij in de handel brengt, aan de batterij toewijst.

De QR-code en de unieke identificatiecode voldoen aan de ISO/IEC-normen 15459-1:2014, 15459-2:2015, 15459-3:2014, 15459-4:2014, 15459-5:2014 en 15459-6:2014, of het equivalent daarvan.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de tweede alinea van dit lid te wijzigen in het licht van de technische en wetenschappelijke vooruitgang door de in die alinea vermelde normen te vervangen of andere Europese of internationale normen toe te voegen waaraan de QR-code en de unieke identificatiecode moeten voldoen.

4.   De marktdeelnemers die de batterij in de handel brengen, zorgen ervoor dat de in het batterijpaspoort opgenomen informatie nauwkeurig, volledig en actueel is. Zij kunnen andere marktdeelnemers een schriftelijke machtiging geven om namens hen op te treden.

5.   Alle in het batterijpaspoort opgenomen informatie is gebaseerd op open normen en is in een interoperabel format, kan via een open interoperabel gegevensuitwisselingsnetwerk zonder afhankelijkheid van één aanbieder worden doorgegeven, en is machineleesbaar, gestructureerd en doorzoekbaar, overeenkomstig de in artikel 78 vastgelegde essentiële vereisten.

6.   De toegang tot de in het batterijpaspoort opgenomen informatie wordt gereguleerd in overeenstemming met de in artikel 78 vastgelegde essentiële vereisten.

7.   Voor een batterij die een voorbereiding voor hergebruik, een voorbereiding voor herbestemming, een herbestemming of een herfabricage heeft ondergaan, wordt de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van lid 4 van dit artikel overgedragen aan de marktdeelnemer die de batterij in de handel heeft gebracht of in gebruik heeft genomen. Die batterij krijgt een nieuw batterijpaspoort dat is gekoppeld aan het batterijpaspoort of de batterijpaspoorten van de oorspronkelijke batterij of batterijen.

Wanneer de status van een batterij verandert naar die van een afgedankte batterij, wordt de verantwoordelijkheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van lid 4 van dit artikel overgedragen aan de producent, aan, indien zij is aangesteld overeenkomstig artikel 57, lid 1, de organisatie voor producentenverantwoordelijkheid, of aan de overeenkomstig artikel 57, lid 8, geselecteerde afvalverwerker.

8.   Een batterijpaspoort komt te vervallen nadat de batterij is gerecycled.

9.   Uiterlijk op 18 augustus 2026 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast waarin wordt bepaald welke personen moeten worden beschouwd als personen met een gerechtvaardigd belang als bedoeld in respectievelijk de punten 2 en 4 van bijlage XIII voor de toepassing van lid 2, punt c), van dit artikel, tot welke in die punten vermelde informatie zij toegang hebben, en in welke mate zij die informatie kunnen downloaden, delen, openbaar maken en hergebruiken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De criteria ter bepaling van de in lid 2, punt c), bedoelde personen en van de mate waarin zij de in de punten 2 en 4 van bijlage XIII bedoelde informatie kunnen downloaden, delen, openbaar maken en hergebruiken, zijn de volgende:

a)

de noodzaak om over die informatie te beschikken om de status en de restwaarde van de batterij en de geschiktheid ervan voor verder gebruik te beoordelen;

b)

de noodzaak om over die informatie te beschikken voor de voorbereiding voor hergebruik, de voorbereiding voor herbestemming, de herbestemming, de herfabricage of de recycling van de batterij, of voor het kiezen tussen die handelingen;

c)

de noodzaak om ervoor te zorgen dat de toegang tot en de verwerking van commercieel gevoelige informatie in het batterijpaspoort beperkt blijft tot het overeenkomstig het toepasselijke Unierecht noodzakelijke minimum.

Artikel 78

Technisch ontwerp en werking van het batterijpaspoort

Het technisch ontwerp en de werking van het batterijpaspoort voldoen aan de volgende essentiële vereisten:

a)

het batterijpaspoort is volledig interoperabel met andere door het Unierecht vereiste digitale productpaspoorten wat betreft ecologisch ontwerp met betrekking tot de technische, semantische en organisatorische aspecten van eind-tot-eindcommunicatie en doorgifte van gegevens;

b)

de toegang van consumenten, marktdeelnemers en andere betrokken actoren tot het batterijpaspoort is kosteloos en gebaseerd op hun respectieve toegangsrechten zoals bepaald in bijlage XIII en in de op grond van artikel 77, lid 9, vastgestelde uitvoeringshandeling;

c)

de in het batterijpaspoort opgenomen gegevens worden opgeslagen door de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 77, lid 4 of lid 7, of door marktdeelnemers die gemachtigd zijn om namens hen op te treden;

d)

indien de in het batterijpaspoort opgenomen gegevens worden opgeslagen of anderszins worden verwerkt door marktdeelnemers die gemachtigd zijn om op te treden namens de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 77, lid 4 of lid 7, mogen die marktdeelnemers die gegevens geheel noch gedeeltelijk verkopen, hergebruiken of verwerken voor andere doeleinden dan hetgeen noodzakelijk is voor het verlenen van de desbetreffende opslag- of verwerkingsdiensten;

e)

het batterijpaspoort blijft beschikbaar nadat de marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van artikel 77, lid 4 of lid 7, ophoudt te bestaan of niet langer actief is in de Unie;

f)

het recht op toegang tot en toevoeging, wijziging of actualisering van informatie in het batterijpaspoort is beperkt op basis van de toegangsrechten zoals bepaald in bijlage XIII en in de op grond van artikel 77, lid 9, vastgestelde uitvoeringshandeling;

g)

de authenticatie, betrouwbaarheid en integriteit van de gegevens worden gewaarborgd;

h)

het batterijpaspoort is zodanig dat een hoog niveau van beveiliging en privacy wordt gewaarborgd en fraude wordt voorkomen.

HOOFDSTUK X

Markttoezicht van de Unie en vrijwaringsprocedure van de Unie

Artikel 79

Procedure op nationaal niveau voor batterijen die een risico vormen

1.   Onverminderd artikel 19 van Verordening (EU) 2019/1020 voeren de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat, wanneer zij voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een batterij die onder deze verordening valt een risico vormt voor de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen, eigendommen of het milieu, een beoordeling van de betrokken batterij uit in het licht van alle relevante in deze verordening vastgelegde eisen.

Wanneer de markttoezichtautoriteiten bij de in de eerste alinea bedoelde beoordeling vaststellen dat de batterij niet aan de eisen van deze verordening voldoet (“non-conforme batterij”), vereisen zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer, binnen een door de markttoezichtautoriteiten voorgeschreven redelijke termijn die evenredig is met de aard van het risico, alle passende corrigerende maatregelen te nemen om de batterij met die eisen conform te maken, uit de handel te nemen of terug te roepen.

De markttoezichtautoriteiten brengen de desbetreffende aangemelde instantie daarvan op de hoogte.

2.   De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben vereist.

3.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden genomen ten aanzien van alle non-conforme batterijen die de marktdeelnemer in de Unie op de markt heeft aangeboden.

4.   Wanneer de desbetreffende marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markt aanbieden van de non-conforme batterijen te verbieden of te beperken, dan wel die batterijen in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.

De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van die maatregelen op de hoogte.

5.   De in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om de non-conforme batterij te identificeren en om de oorsprong van de batterij, de aard van de vermeende non-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de desbetreffende marktdeelnemer worden aangevoerd. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)

de batterij is niet conform de artikelen 6 tot en met 10 of artikel 12, 13 of 14;

b)

een tekortkoming in de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen;

c)

een tekortkoming in de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties.

6.   De andere lidstaten dan die welke de procedure uit hoofde van dit artikel in gang heeft gezet, brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de non-conformiteit van de batterij, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.

7.   Indien binnen drie maanden na de ontvangst van de in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie geen enkele lidstaat noch de Commissie bezwaar heeft ingebracht tegen een voorlopige maatregel van de markttoezichtautoriteiten, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van de niet-conforme batterij onverwijld de passende beperkende maatregelen worden genomen, zoals het uit de handel nemen van de niet-conforme batterij.

Artikel 80

Vrijwaringsprocedure van de Unie

1.   Indien na voltooiing van de procedure in artikel 79, leden 4, 6 en 7, bezwaren worden ingebracht tegen een maatregel van de markttoezichtautoriteiten of de Commissie van oordeel is dat de nationale maatregel in strijd is met het Unierecht, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en beoordeelt zij de nationale maatregel. De Commissie streeft ernaar die beoordeling binnen een maand te voltooien.

Op basis van de resultaten van die evaluatie stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin wordt bepaald of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie richt de in lid 1, tweede alinea, bedoelde uitvoeringshandeling tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.

Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om de non-conforme batterij uit de handel te nemen, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis.

Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat die maatregel in.

3.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de niet-conformiteit van de batterij wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen als bedoeld in artikel 15 van deze verordening, past de Commissie de in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 bedoelde procedure toe.

4.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de non-conformiteit van de batterij wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de gemeenschappelijke specificaties als bedoeld in artikel 16, stelt de Commissie onverwijld een uitvoeringshandeling vast tot wijziging of intrekking van de betrokken gemeenschappelijke specificaties. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 81

Conforme batterijen die een risico vormen

1.   Een lidstaat die na uitvoering van een beoordeling uit hoofde van artikel 79, lid 1, vaststelt dat een batterij die weliswaar conform de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 is, maar toch een risico vormt voor de menselijke gezondheid of de veiligheid van personen of voor de bescherming van eigendommen of het milieu (“conforme batterij die een risico vormt”), vereist onverwijld van de betrokken marktdeelnemer, binnen een door de markttoezichtautoriteiten voorgeschreven redelijke termijn die evenredig is met de aard van het risico, alle passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de niet-conforme batterij die een risico vormt, dat risico niet meer vormt wanneer zij op de markt wordt aangeboden, of om de batterij uit de handel te nemen of terug te roepen.

2.   Marktdeelnemers zorgen ervoor dat alle door hen genomen corrigerende maatregelen worden toegepast op alle door hen in de Unie op de markt aangeboden conforme batterijen die een risico vormen.

3.   Wanneer de in lid 1 bedoelde situatie zich voordoet, brengt de lidstaat de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte. Die mededeling omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om conforme batterijen die een risico vormen te identificeren en om de oorsprong en de toeleveringsketen van dergelijke batterijen, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.

4.   De Commissie treedt onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en beoordeelt de nationale maatregelen die zijn genomen. Aan de hand van de uitkomsten van die beoordeling stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin zij bepaalt of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is, en zo nodig passende maatregelen voorstelt. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 90, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie met betrekking tot de bescherming van de menselijke gezondheid en de veiligheid van personen en met betrekking tot de bescherming van eigendommen of het milieu stelt de Commissie een onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandeling vast overeenkomstig de in artikel 90, lid 4, bedoelde procedure.

6.   De Commissie richt de in de leden 4 en 5 bedoelde uitvoeringshandeling tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.

Artikel 82

Gezamenlijke activiteiten

Markttoezichtautoriteiten kunnen gezamenlijke activiteiten uitvoeren met organisaties die marktdeelnemers of eindgebruikers vertegenwoordigen. Dergelijke gezamenlijke activiteiten kunnen slaan op het opzetten van kenniscentra voor batterijen door de lidstaten of markttoezichtautoriteiten, teneinde de conformiteit te bevorderen, non-conformiteit op te sporen, het bewustzijn te vergroten en richtsnoeren te verstrekken over de eisen van deze verordening, overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2019/1020.

Artikel 83

Formele non-conformiteit

1.   Onverminderd artikel 79 geldt dat wanneer een lidstaat tot een van de onderstaande bevindingen komt, hij van de betrokken marktdeelnemer vereist dat die een einde maakt aan de non-conformiteit:

a)

de CE-markering is in strijd met artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of met artikel 20 van deze verordening aangebracht;

b)

de CE-markering is niet aangebracht;

c)

het identificatienummer van de aangemelde instantie, indien dat vereist is uit hoofde van bijlage VIII, is in strijd met artikel 20 aangebracht of is niet aangebracht;

d)

de EU-conformiteitsverklaring is niet of niet correct opgesteld;

e)

de in bijlage VIII bedoelde technische documentatie is niet beschikbaar of niet volledig;

f)

de in artikel 38, lid 7, of artikel 41, lid 3, bedoelde informatie ontbreekt, is verkeerd of onvolledig;

g)

er is niet voldaan aan enige andere administratieve eis van artikel 38 of 41.

2.   Indien de in lid 1 bedoelde non-conformiteit voortduurt, neemt de betrokken lidstaat alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden van de batterij te beperken of te verbieden, of om ervoor te zorgen dat de batterij uit de handel wordt genomen of wordt teruggeroepen.

Artikel 84

Non-conformiteit met de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid

1.   Indien een lidstaat oordeelt dat een marktdeelnemer niet voldoet aan de verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid zoals vastgelegd in de artikelen 48, 49 en 50, schrijft hij de betrokken marktdeelnemer voor een einde te maken aan die non-conformiteit.

2.   Indien de in lid 1 bedoelde non-conformiteit voortduurt en er geen andere doeltreffende manier is om een einde te maken aan de non-conformiteit, neemt de betrokken lidstaat alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden van op de markt aangeboden batterijen door de in lid 1 bedoelde marktdeelnemer te beperken of te verbieden, en bij een ernstige non-conformiteit ervoor te zorgen dat de batterijen uit de handel worden genomen of worden teruggeroepen.

HOOFDSTUK XI

Groene overheidsopdrachten en procedure voor de wijziging van beperkingen voor stoffen

Artikel 85

Groene overheidsopdrachten

1.   Aanbestedende diensten zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU of artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU, of aanbestedende instanties zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU houden bij de aankoop van batterijen of producten die batterijen bevatten in situaties die onder die richtlijnen vallen rekening met de milieueffecten van die batterijen gedurende hun levenscyclus om ervoor te zorgen dat dergelijke effecten van tot een minimum worden beperkt.

2.   Met ingang van twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van de in lid 3 van dit artikel bedoelde eerste gedelegeerde handeling tot vaststelling van gunningscriteria voor aanbestedingsprocedures, wordt aan de in lid 1 van dit artikel vastgelegde verplichting voldaan door de toepassing van die gunningscriteria. Aanbestedingsprocedures die door aanbestedende diensten of aanbestedende instanties worden uitgeschreven voor de aankoop van batterijen of van producten die batterijen bevatten, en die binnen het toepassingsgebied van de artikelen 7 tot en met 10 vallen, verwijzen in hun technische specificaties en gunningscriteria naar die eerste gedelegeerde handeling om te waarborgen dat die batterijen of die producten die batterijen bevatten, worden aangekocht met aanzienlijk lagere milieueffecten gedurende hun levenscyclus.

3.   Twaalf maanden na de vaststelling van de laatste gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 7, lid 2, vierde alinea, punt a), artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 5, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 89 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen door gunningscriteria vast te stellen voor aanbestedingsprocedures voor batterijen of voor producten die batterijen bevatten, op basis van de in de artikelen 7 tot en met 10 vastgelegde duurzaamheidseisen.

Artikel 86

Procedure inzake beperkingen voor stoffen

1.   Indien de Commissie van oordeel is dat het gebruik van een stof bij de fabricage van batterijen of de aanwezigheid van een stof in de batterijen wanneer zij in de handel worden gebracht of tijdens de latere fasen van de levenscyclus, onder meer tijdens de herbestemming of de verwerking van afgedankte batterijen, een risico vormt voor de menselijke gezondheid of voor het milieu dat niet afdoende wordt beheerst en dat op Unieniveau moet worden aangepakt, verzoekt zij het Agentschap een beperkingsdossier conform de eisen van bijlage XV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 samen te stellen. Het beperkingsdossier bevat een sociaal-economische beoordeling, met inbegrip van een analyse van alternatieven.

2.   Indien uit het door het Agentschap op grond van lid 1 van dit artikel samengestelde beperkingsdossier blijkt dat er maatregelen op Unieniveau nodig zijn, bovenop de reeds bestaande maatregelen, stelt het Agentschap binnen twaalf maanden na ontvangst van het in dat lid bedoelde verzoek van de Commissie beperkingen voor teneinde de in de leden 4 tot en met 9 van dit artikel en in de artikelen 87 en 88 beschreven procedure op gang te brengen.

3.   Indien een lidstaat van oordeel is dat het gebruik van een stof bij de fabricage van batterijen of de aanwezigheid van een stof in de batterijen wanneer zij in de handel worden gebracht of tijdens de latere fasen van de levenscyclus, onder meer tijdens de herbestemming of de verwerking van afgedankte batterijen, een risico vormt voor de menselijke gezondheid of voor het milieu dat niet afdoende wordt beheerst en dat op Unieniveau moet worden aangepakt, verzoekt hij het Agentschap een beperkingsdossier samen te stellen. De lidstaat stelt een beperkingsdossier samen. Het beperkingsdossier bevat een sociaal-economische beoordeling, met inbegrip van een analyse van alternatieven.

Als uit het beperkingsdossier blijkt dat er maatregelen op Unieniveau nodig zijn, bovenop de reeds bestaande maatregelen, zendt de lidstaat het dossier in de in bijlage XV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 beschreven indeling naar het Agentschap teneinde de in de leden 4 tot en met 9 van dit artikel, en de artikelen 87 en 88 beschreven procedure op gang te brengen.

4.   Voor de doeleinden van het beperkingsdossier en het beperkingsproces houden het Agentschap of de lidstaten rekening met alle dossiers, chemische veiligheidsrapporten en risicobeoordelingen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bij het Agentschap of een lidstaat zijn ingediend. Het Agentschap of de lidstaten houden ook rekening met alle beschikbare informatie en vermelden alle relevante risicobeoordelingen die uit hoofde van ander Unierecht zijn ingediend en die de gehele levenscyclus, waaronder de afvalfase, van de in de batterij gebruikte stof bestrijken. Andere organen die uit hoofde van het Unierecht zijn opgericht en een soortgelijke taak verrichten, verstrekken het Agentschap of de betrokken lidstaat daartoe op verzoek informatie.

5.   Op de toegang tot informatie waarover het Agentschap beschikt bij het verrichten van de in artikel 6 van deze verordening en in dit artikel beschreven taken, is artikel 118 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van toepassing.

6.   Het Agentschap houdt een lijst bij van stoffen waarvoor het Agentschap of een lidstaat een beperkingsdossier uit hoofde van dit artikel gepland heeft of aan het samenstellen is.

7.   Het Comité risicobeoordelingen, ingesteld op grond van artikel 76, lid 1, punt c), van Verordening (EG) nr. 1907/2006, en het Comité sociaaleconomische analyse, ingesteld op grond van artikel 76, lid 1, punt d), van die verordening, controleren of het ingediende beperkingsdossier voldoet aan de voorschriften van bijlage XV bij die verordening. Binnen 30 dagen na ontvangst van het dossier deelt het respectieve comité het Agentschap of de lidstaat die beperkingen voorstelt, mee of het dossier met die voorschriften overeenstemt. Indien het dossier daarmee niet overeenstemt, worden het Agentschap of de lidstaat binnen 45 dagen na ontvangst schriftelijk de redenen meegedeeld. Het Agentschap of de lidstaat brengt het dossier binnen 60 dagen na ontvangst van de redenen van het respectieve comité in overeenstemming met de voorschriften; anders wordt de procedure uit hoofde van dit artikel beëindigd.

8.   Het Agentschap maakt onverwijld het voornemen van de Commissie of van een lidstaat bekend om de procedure inzake beperkingen op een stof uit hoofde van dit artikel in te leiden, en stelt de betrokken belanghebbenden daarvan op de hoogte.

9.   Het Agentschap maakt het beperkingsdossier onverwijld openbaar op zijn website, inclusief de op grond van de leden 2 en 3 van dit artikel voorgestelde beperkingen, met duidelijke vermelding van de publicatiedatum. Het Agentschap roept alle betrokken belanghebbenden op binnen vier maanden na de publicatiedatum individueel of gezamenlijk het volgende in te dienen:

a)

opmerkingen bij het beperkingsdossier en de voorgestelde beperkingen;

b)

een sociaal-economische analyse van de voorgestelde beperkingen, met inbegrip van een analyse van de alternatieven, of informatie die tot dergelijke analyse kan bijdragen, waarbij de voor- en nadelen van de voorgestelde beperkingen worden onderzocht. De analyse voldoet aan de voorschriften van bijlage XVI bij Verordening (EG) nr. 1907/2006.

10.   De in artikel 6, lid 2, bedoelde gedelegeerde handelingen worden vastgesteld binnen negen maanden na de ontvangst van het advies van het in artikel 87, lid 2, bedoelde Comité sociaaleconomische analyse van het Agentschap. Indien het Comité sociaaleconomische analyse geen advies uitbrengt binnen de in artikel 87, lid 2 of lid 5, al naargelang het geval, gestelde termijn, houdt de Commissie rekening met de sociaal-economische gevolgen van de beperking alsook met de beschikbaarheid van alternatieven voor de stof en stelt zij binnen de in artikel 87, lid 2, gestelde termijn een gedelegeerde handeling vast.

11.   Indien in de ontwerpwijziging van bijlage I wordt afgeweken van het oorspronkelijke voorstel inzake het beperkingsdossier, dat is opgesteld op grond van de in dit artikel en in de artikelen 87 en 88 vastgelegde procedure, of geen rekening wordt gehouden met de adviezen van het Agentschap, voegt de Commissie een gedetailleerde uiteenzetting van de redenen voor de afwijkingen bij.

Artikel 87

Advies van de comités van het Agentschap

1.   Binnen twaalf maanden na de in artikel 86, lid 9, bedoelde publicatiedatum brengt het Comité risicobeoordeling op basis van zijn beoordeling van de toepasselijke delen van het beperkingsdossier advies uit over de vraag of de voorgestelde beperkingen geschikt zijn om het risico voor de menselijke gezondheid of voor het milieu terug te dringen. In dat advies wordt rekening gehouden met het beperkingsdossier dat door het Agentschap op verzoek van de Commissie of door de lidstaat is samengesteld, en met de opmerkingen van de belanghebbende partijen als bedoeld in artikel 86, lid 9, punt a).

2.   Binnen 15 maanden na de in artikel 86, lid 9, bedoelde publicatiedatum brengt het Comité sociaaleconomische analyse op basis van zijn beoordeling van de toepasselijke delen van het beperkingsdossier en de sociaal-economische gevolgen advies uit over de voorgestelde beperkingen. Daaraan voorafgaand stelt het een ontwerpadvies op over de voorgestelde beperkingen en de sociaal-economische gevolgen ervan, waarbij rekening wordt gehouden met de eventuele analyses en informatie als bedoeld in artikel 86, lid 9, punt b).

3.   Het Agentschap publiceert het ontwerpadvies van het Comité sociaaleconomische analyse onverwijld op zijn website en roept belanghebbende partijen ertoe op uiterlijk binnen 60 dagen na de bekendmaking van het ontwerpadvies opmerkingen ter zake in te dienen.

4.   Het Comité sociaaleconomische analyse keurt onverwijld zijn advies goed, waarbij het, indien passend, rekening houdt met de nadere opmerkingen die binnen de in lid 3 van dit artikel gestelde termijn zijn ontvangen. In dat advies wordt rekening gehouden met de uit hoofde van artikel 86, lid 9, punt b), en lid 3 van dit artikel ingediende opmerkingen van belanghebbende partijen.

5.   Indien het advies van het Comité risicobeoordeling aanzienlijk afwijkt van de in het beperkingsdossier voorgestelde beperkingen, verlengt het Agentschap de termijn voor het advies van het Comité sociaaleconomische analyse met maximaal 90 dagen.

6.   Wanneer het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse een advies uitbrengen op grond van de leden 1 en 2 van dit artikel, maken zij gebruik van rapporteurs uit hoofde van artikel 87 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 en in overeenstemming met de daarin bepaalde voorwaarden.

Artikel 88

Voorlegging van een advies aan de Commissie

1.   Het Agentschap dient de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse over beperkingen die worden voorgesteld op grond van artikel 86 onverwijld bij de Commissie in. Indien de adviezen van het Comité risicobeoordeling en het Comité sociaaleconomische analyse aanzienlijk afwijken van de voorgestelde beperkingen, dient het Agentschap bij de Commissie een toelichting in met een nadere verklaring voor de redenen voor die verschillen. Indien een van de of beide comités niet binnen de in artikel 87, leden 1 en 2, respectievelijk, gestelde termijn advies uitbrengen, stelt het Agentschap de Commissie daarvan op de hoogte, met vermelding van de redenen.

2.   Het Agentschap publiceert de adviezen van de twee comités onverwijld op zijn website.

3.   Het Agentschap verstrekt de Commissie of een lidstaat op verzoek alle documenten en bewijzen die het heeft ontvangen of overwogen.

HOOFDSTUK XII

Gedelegeerde bevoegdheden en comitéprocedure

Artikel 89

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De bevoegdheid om de in artikel 6, lid 2, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 5 en 6, artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 8, artikel 14, lid 4, artikel 48, lid 8, artikel 53, lid 3, artikel 59, lid 7, artikel 60, lid 8, artikel 70, lid 4, artikel 71, leden 4, 5 en 6, artikel 72, lid 4, artikel 77, leden 2 en 3, en artikel 85, lid 3, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 17 augustus 2023. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen die verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 2, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 5 en 6, artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 8, artikel 14, lid 4, artikel 48, lid 8, artikel 53, lid 3, artikel 59, lid 7, artikel 60, lid 8, artikel 70, lid 4, artikel 71, leden 4, 5en 6, artikel 72, lid 4, artikel 77, leden 2 en 3, en artikel 85, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een op grond van artikel 6, lid 2, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, leden 1 en 5, artikel 9, lid 2, artikel 10, leden 5 en 6, artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 3, artikel 13, lid 8, artikel 14, lid 4, artikel 48, lid 8, artikel 53, lid 3, artikel 59, lid 7, artikel 60, lid 8, artikel 70, lid 4, artikel 71, leden 4, 5 en 6, artikel 72, lid 4, artikel 77, leden 2 en 3, en artikel 85, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 90

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG ingestelde comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) Nr. 182/2011, gelezen in samenhang met artikel 5 van die verordening, van toepassing.

HOOFDSTUK XIII

Wijzigingen

Artikel 91

Wijzigingen van Verordening (EU) 2019/1020

Verordening (EU) 2019/1020 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 4, lid 5, wordt de tekst “(EU) 2016/42535 en (EU) 2016/42636” vervangen door:

“(EU) 2016/425 (*1), (EU) 2016/426 (*2) en (EU) 2023/1542 (*3)

(*1)  Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (PB L 81 van 31.3.2016, blz. 51)."

(*2)  Verordening (EU) 2016/426 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende gasverbrandingstoestellen en tot intrekking van Richtlijn 2009/142/EG (PB L 81 van 31.3.2016, blz. 99)."

(*3)  Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1).”."

2)

In bijlage I wordt punt 21 van de lijst van harmonisatiewetgeving van de Unie vervangen door:

“21.

Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2023 inzake batterijen en afgedankte batterijen, tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG en Verordening (EU) 2019/1020 en tot intrekking van Richtlijn 2006/66/EG (PB L 191 van 28.7.2023, blz. 1);”.

Artikel 92

Wijziging van Richtlijn 2008/98/EG

Aan artikel 8 bis, lid 7, van Richtlijn 2008/98/EG wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Voor batterijen als gedefinieerd in artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) 2023/1542 van het Europees Parlement en de Raad (*4) nemen de lidstaten maatregelen om ervoor te zorgen dat de regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid die vóór 4 juli 2018 zijn vastgesteld, uiterlijk op 18 augustus 2025 aan dit artikel voldoen.

HOOFDSTUK XIV

Slotbepalingen

Artikel 93

Sancties

Uiterlijk op 18 augustus 2025 stellen de lidstaten voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld van die voorschriften en maatregelen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen daarvan mee.

Artikel 94

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 30 juni 2031 evalueert de Commissie de uitvoering van deze verordening en de effecten ervan op het milieu, de gezondheid van de mens en de werking van de interne markt, stelt ze een verslag daarover op, en legt ze dat voor aan het Europees Parlement en de Raad.

2.   Met inachtneming van de technische vooruitgang en de in de lidstaten opgedane praktijkervaring neemt de Commissie in haar verslag een evaluatie op van de volgende aspecten van deze verordening:

a)

de lijst van de algemene modellen die onder de definitie van draagbare batterijen voor algemeen gebruik vallen;

b)

de in hoofdstuk II vastgelegde duurzaamheids- en veiligheidseisen, met inbegrip van de eventuele noodzaak om een uitvoerverbod in te stellen op batterijen die niet voldoen aan de in bijlage I vastgelegde beperkingen;

c)

de in hoofdstuk III vastgelegde etiketterings- en informatievereisten;

d)

de in de artikelen 48 tot en met 53 vastgelegde eisen voor passende zorgvuldigheid inzake batterijen;

e)

de in hoofdstuk VIII vastgelegde maatregelen met betrekking tot het beheer van afgedankte batterijen, met inbegrip van de mogelijkheid om twee subcategorieën draagbare batterijen te introduceren, namelijk oplaadbare en niet-oplaadbare draagbare batterijen, met doelstellingen voor gescheiden inzameling, en om een doelstelling voor gescheiden inzameling van draagbare batterijen voor algemeen gebruik te introduceren;

f)

de maatregelen met betrekking tot het in hoofdstuk IX beschreven batterijpaspoort;

g)

inbreuken en de doeltreffendheid, evenredigheid en afschrikkende werking van sancties als bedoeld in artikel 93;

h)

de analyse van het effect van deze verordening op het concurrentievermogen van, en op de investeringen in, de batterijensector, en op de administratieve last die het gevolg is van deze verordening.

Indien nodig gaat het in lid 1 bedoelde verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de desbetreffende bepalingen van deze verordening.

3.   Rekening houdend met de herziening van Verordening (EG) nr. 1907/2006 maakt de Commissie in haar verslag een specifieke evaluatie van de noodzaak van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van de artikelen 6, 86, 87 en 88 van deze verordening.

4.   De Commissie beoordeelt of hoofdstuk VII moet worden gewijzigd in het licht van de eventuele vaststelling van wetgevingshandelingen van de Unie met voorschriften inzake duurzame corporate governance en passende zorgvuldigheid, met inbegrip van verplichtingen voor ondernemingen met betrekking tot negatieve effecten op de mensenrechten en op het milieu van hun eigen activiteiten, de activiteiten van hun dochterondernemingen en bijkantoren, en hun activiteiten van de waardeketen.

Uiterlijk twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van een wetgevingshandeling zoals bedoeld in de eerste alinea, of uiterlijk op 30 juni 2031 indien dat eerder is, publiceert de Commissie een verslag met de resultaten van die beoordeling. De Commissie voegt waar passend bij haar verslag een wetgevingsvoorstel tot wijziging van hoofdstuk VII.

5.   Uiterlijk op 30 juni 2031 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor waarin de haalbaarheid en de technische gevolgen worden beoordeeld van het verruimen van het toepassingsgebied van de definitie van “batterij voor lichte vervoermiddelen” in artikel 3, punt 11), met name door batterijen voor andere voertuigen dan voertuigen op wielen op te nemen. Dat verslag gaat, waar passend, vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

6.   Uiterlijk op 1 januari 2025 beoordeelt de Commissie hoe geharmoniseerde normen voor een universele oplader het best kunnen worden ingevoerd voor respectievelijk oplaadbare batterijen voor lichte vervoermiddelen en oplaadbare batterijen die zijn ingebouwd in specifieke categorieën elektrische en elektronische apparatuur die onder Richtlijn 2012/19/EU vallen. Opladers voor categorieën en klassen radioapparatuur uit hoofde van artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2014/53/EU zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van die beoordeling.

Artikel 95

Intrekking en overgangsbepalingen

Richtlijn 2006/66/EG wordt met ingang van 18 augustus 2025 ingetrokken.

Evenwel blijven de volgende bepalingen van toepassing zoals hieronder beschreven:

a)

artikel 11 tot en met 18 februari 2027;

b)

artikel 12, leden 4 en 5, tot en met 31 december 2025, behalve ten aanzien van de bepaling betreffende de doorgifte van gegevens aan de Commissie, die tot en met 30 juni 2027 van toepassing blijft.

c)

artikel 21, lid 2, tot en met 18 augustus 2026.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 96

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 18 februari 2024, met uitzondering van wat in de tweede alinea beschreven staat en andersluidende bepalingen van deze verordening.

De volgende bepalingen zijn als volgt van toepassing:

a)

artikel 11 is van toepassing met ingang van 18 februari 2027;

b)

artikel 17 en hoofdstuk VI zijn van toepassing met ingang van 18 augustus 2024, met uitzondering van artikel 17, lid 2, dat van toepassing is met ingang van twaalf maanden na de datum van de eerste bekendmaking van de in artikel 30, lid 2, bedoelde lijst;

c)

hoofdstuk VIII is van toepassing met ingang van 18 augustus 2025.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 12 juli 2023.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

P. NAVARRO RÍOS


(1)  PB C 220 van 9.6.2021, blz. 128.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 juni 2023 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 juni 2023.

(3)  Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de veiligheid van speelgoed (PB L 170 van 30.6.2009, blz. 1).

(5)  Richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG (PB L 136 van 22.5.2019, blz. 28).

(6)  Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken (PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34).

(10)  Verordening (EU) nr. 617/2013 van de Commissie van 26 juni 2013 houdende uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de eisen inzake ecologisch ontwerp voor computers en computerservers (PB L 175 van 27.6.2013, blz. 13).

(11)  Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10).

(12)  Verordening (EU) 2017/745 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen, tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG, Verordening (EG) nr. 178/2002 en Verordening (EG) nr. 1223/2009, en tot intrekking van Richtlijnen 90/385/EEG en 93/42/EEG van de Raad (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) 2017/746 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek en tot intrekking van Richtlijn 98/79/EG en Besluit 2010/227/EU van de Commissie (PB L 117 van 5.5.2017, blz. 176).

(14)  Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees Parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (PB L 325 van 16.12.2019, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4).

(16)  Richtlijn 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van radioapparatuur en tot intrekking van Richtlijn 1999/5/EG (PB L 153 van 22.5.2014, blz. 62).

(17)  Richtlijn (EU) 2019/882 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten (PB L 151 van 7.6.2019, blz. 70).

(18)  Richtlijn (EU) 2019/944 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 125).

(19)  Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).

(20)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).

(21)  Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).

(22)  Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende markttoezicht en conformiteit van producten en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011 (PB L 169 van 25.6.2019, blz. 1).

(23)  Verordening (EU) 2017/821 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot vaststelling van verplichtingen inzake passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen voor Unie-importeurs van tin, tantaal en wolfraam, de overeenkomstige ertsen, en goud uit conflict- en hoogrisicogebieden (PB L 130 van 19.5.2017, blz. 1).

(24)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(25)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(26)  Richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA) (PB L 197 van 24.7.2012, blz. 38).

(27)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).

(28)  Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1).

(29)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).

(30)  Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).

(31)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(32)  Verordening (EU) nr. 493/2012 van de Commissie van 11 juni 2012 houdende nadere bepalingen voor de berekening van de recyclingrendementen van de recyclingprocessen van afgedankte batterijen en accu’s, overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 151 van 12.6.2012, blz. 9).

(33)  Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).

(34)  Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen. (PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1).

(35)  Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is (PB L 316 van 4.12.2007, blz. 6).

(36)  Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, punt a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).

(37)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1267 van de Commissie van 20 juli 2022 tot nadere bepaling van de procedures voor de aanwijzing van Unietestfaciliteiten ten behoeve van het markttoezicht en de controle van de productconformiteit overeenkomstig Verordening (EU) 2019/1020 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 192 van 21.7.2022, blz. 21).

(38)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

(39)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(40)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(41)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(42)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18).

(43)  Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 52).

(44)  Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).

(45)  Verordening (EU) 2019/943 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 betreffende de interne markt voor elektriciteit (PB L 158 van 14.6.2019, blz. 54).

(46)  Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).


BIJLAGE I

BEPERKING VOOR STOFFEN

Kolom 1

Benaming van de stof of de groepen van stoffen

Kolom 2

Beperkingsvoorwaarden

1.

Kwik

CAS-nr. 7439-97-6

EG-nr. 231-106-7 en de verbindingen daarvan

Batterijen, ongeacht of zij in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen zijn ingebouwd, mogen maximaal 0,0005 gewichtsprocent kwik bevatten (uitgedrukt in metallisch kwik).

2.

Cadmium

CAS-nr. 7440-43-9

EG-nr. 231-152-8 en de verbindingen daarvan

Draagbare batterijen, ongeacht of zij in apparaten, lichte vervoermiddelen of andere voertuigen zijn ingebouwd, mogen maximaal 0,002 gewichtsprocent cadmium bevatten (uitgedrukt in metallisch cadmium)

3.

Lood

CAS-nr. 7439-92-1

EG-nr. 231-100-4 en de verbindingen daarvan

1.

Met ingang van 18 augustus 2024 mogen draagbare batterijen, ongeacht of zij in apparaten zijn ingebouwd, maximaal 0,01 gewichtsprocent lood bevatten (uitgedrukt in metallisch lood).

2.

De in punt 1 bedoelde beperking is pas van toepassing op draagbare zink-luchtknoopcellen met ingang van 18 augustus 2028.


BIJLAGE II

KOOLSTOFVOETAFDRUK

1.   Reikwijdte

Deze bijlage bevat essentiële elementen over de methode voor de berekening van de koolstofvoetafdruk.

De methode voor de berekening en verificatie van de koolstofvoetafdruk die moet worden vastgesteld door middel van een op grond van artikel 7 vastgestelde gedelegeerde handeling, bouwt voort op de in deze bijlage opgenomen essentiële elementen, voldoet aan de recentste versie van de door de Commissie ontwikkelde methode voor de milieuvoetafdruk van producten (Product Environmental Footprint — PEF) en de desbetreffende regels voor de milieuvoetafdruk van een productcategorie (Product Environmental Footprint Category Rules — PEFCR’s), en is in overeenstemming met de internationale overeenkomsten en technische/wetenschappelijke vorderingen op het gebied van levenscyclusanalyse.

De berekening van de koolstofvoetafdruk gedurende de levenscyclus is gebaseerd op de materiaalstaat, de energie en de hulpstoffen die in een specifieke fabricagefaciliteit worden gebruikt voor het produceren van een specifiek batterijmodel. Met name de elektronische componenten, bijvoorbeeld de batterijmanagement- en veiligheidssystemen, en de kathodematerialen moeten nauwkeurig worden geïdentificeerd aangezien die verantwoordelijk kunnen zijn voor de belangrijkste bijdrage aan de koolstofvoetafdruk van de batterij.

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

a)

“activiteitsgegevens”: gegevens die betrekking hebben op de processen die samengaan met het modelleren van de levenscyclusinventarisaties (LCI), waarbij de samengevoegde LCI-resultaten van de procesketens die de activiteiten van een proces vertegenwoordigen, worden vermenigvuldigd met de bijbehorende activiteitsgegevens en vervolgens gecombineerd om de koolstofvoetafdruk van het betreffende proces te berekenen;

b)

“materiaalstaat”: de lijst van grondstoffen, delen van samenstellen, tussenproducten, subcomponenten en onderdelen, en de daarvan benodigde hoeveelheden voor de fabricage van de batterij;

c)

“bedrijfsspecifieke gegevens”: de direct bij een of meer inrichtingen gemeten of verzamelde gegevens (locatiespecifieke gegevens) die representatief zijn voor de activiteiten van het bedrijf; ook “primaire gegevens” genoemd;

d)

“functionele eenheid”: de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de functies, diensten, of beide, van de batterij;

e)

“levenscyclus”: de reeks van opeenvolgende en onderling verbonden fasen van een productsysteem, van de verwerving van grondstoffen of de opwekking uit natuurlijke hulpbronnen tot de definitieve verwijdering (ISO 14040:2006 of een gelijkwaardige norm);

f)

“levenscyclusinventarisatie (LCI)”: de verzameling elementaire, afval- en productstromen in een gegevensverzameling voor de levenscyclusinventarisatie;

g)

“gegevensverzameling voor de levenscyclusinventarisatie (LCI)”: een document of bestand met informatie over de levenscyclus van een bepaald product of een andere referentiebron, bijvoorbeeld de website of het proces, met beschrijvende metagegevens en kwantitatieve levenscyclusinventarisatiegegevens, die een gegevensverzameling over een eenheidsproces, een deels samengevoegde of een geheel samengevoegde gegevensverzameling zouden kunnen omvatten;

h)

“referentiestroom”: de maat van de outputs van processen in een gegeven productsysteem die vereist is om de door de functionele eenheid uitgedrukte functie te vervullen (naar ISO 14040:2006 of een gelijkwaardige norm);

i)

“secundaire gegevens”: gegevens die niet rechtstreeks zijn verzameld uit, of gemeten aan de hand van, een specifiek proces, of binnen de toeleveringsketen van het bedrijf, of geschat door dat bedrijf, maar die afkomstig zijn van een levencyclusinventarisdatabank van een derde partij of een andere bron; die gegevens bestrijken onder meer gemiddelde sectorgegevens, bijvoorbeeld gepubliceerde productiegegevens, overheidsstatistieken en gegevens van bedrijfsverenigingen, alsook literatuuronderzoek, technische studies en octrooien, en kunnen ook gebaseerd zijn op financiële gegevens, en proxy-gegevens en andere generieke gegevens bevatten; het kan ook gaan om primaire gegevens die een horizontale samenvoegingsstap doorlopen;

j)

“systeemgrens”: de aspecten die worden opgenomen in of worden uitgesloten van de levenscyclusfase.

Daarnaast bevatten de geharmoniseerde regels voor de berekening van de koolstofvoetafdruk van batterijen aanvullende definities die nodig zijn voor de interpretatie ervan.

3.   Functionele eenheid en referentiestroom

De functionele eenheid is vastgesteld als 1 kWh (kilowattuur) van de totale energie die tijdens de levensduur van de batterij door het batterijsysteem wordt geleverd, uitgedrukt in kWh. De totale energie is gebaseerd op het aantal cycli vermenigvuldigd met de hoeveelheid geleverde energie per cyclus.

De referentiestroom is het batterijgewicht dat nodig is om een specifieke functie te vervullen en wordt gemeten in kilogram batterij per kWh van de totale hoeveelheid energie die de batterij tijdens haar levensduur levert. Alle kwantitatieve input- en outputgegevens die door de fabrikant worden verzameld voor het bepalen van de koolstofvoetafdruk, worden aan de hand van de referentiestroom berekend.

In afwijking van de eerste alinea wordt voor back-upbatterijen die als primaire functie hebben om de continuïteit van een stroombron te waarborgen, de functionele eenheid gedefinieerd als de mogelijkheid om op elk moment gedurende de levensduur van de batterij één kWmin (kilowattminuut) reservevermogen te leveren. Zo ook is de referentiestroom voor back-upbatterijen het batterijgewicht dat nodig is om de desbetreffende functie te vervullen en wordt gemeten in kilogram batterij per kWmin back-upvermogen gedeeld door de levensduur van de batterij in jaren. Alle kwantitatieve input- en outputgegevens die door fabrikanten van back-upbatterijen worden verzameld voor het bepalen van de koolstofvoetafdruk, worden aan de hand van die referentiestroom berekend.

In uitzonderlijke gevallen, zoals voor batterijen voor hybride niet-plug-invoertuigen, kan in de methode een andere functionele eenheid worden bepaald.

4.   Systeemgrens

De volgende levenscyclusfasen en de daarbij betrokken processen vallen binnen de systeemgrenzen:

Levenscyclusfase

Betrokken processen

Verwerving en voorbewerking van grondstoffen

Dit omvat de winning en andere relevante verwerving, voorbewerking en het vervoer van actieve materialen, tot aan de fabricage van de batterijcellen en batterijcomponenten (actieve materialen, separator, elektrolyt, behuizingen, actieve en passieve batterijcomponenten), en de elektrische of elektronische componenten).

Vervaardiging van het hoofdproduct

Assemblage van batterijcellen en assemblage van batterijen met de batterijcellen en de elektrische of elektronische componenten

Distributie

Vervoer naar het verkooppunt

Recycling aan het einde van de levensduur

Inzameling, demontage en recycling

De volgende bij de levenscyclusfasen betrokken processen vallen niet binnen de systeemgrenzen:

de fabricage van apparatuur voor de assemblage en recycling van batterijen, aangezien de koolstofvoetafdruk volgens de PEFCR’s voor oplaadbare batterijen met een hoog specifiek vermogen voor mobiele toepassingen te verwaarlozen is;

het assemblageproces van batterijen waarbij gebruik wordt gemaakt van systeemonderdelen van de fabrikant van de originele uitrusting (original equipment manufacturer — OEM); dit proces valt grotendeels samen met de mechanische assemblage en behoort tot de OEM-uitrusting of wordt uitgevoerd aan de voertuigassemblagelijn; het verbruik van energie en materiaal voor dat specifiek proces is verwaarloosbaar in vergelijking met het fabricageproces van OEM-onderdelen.

De gebruiksfase wordt niet meegenomen bij de berekening van de koolstofvoetafdruk over de gehele levenscyclus aangezien fabrikanten daar geen rechtstreekse invloed op kunnen uitoefenen, tenzij wordt aangetoond dat zij in de ontwerpfase keuzen maken als gevolg waarvan zij alsnog een niet te verwaarlozen bijdrage aan de koolstofvoetafdruk leveren.

5.   Het gebruik van bedrijfsspecifieke en secundaire gegevensverzamelingen

Vanwege het hoge aantal batterijcomponenten en de complexiteit van de fabricageprocessen, beperkt de marktdeelnemer, voor zover gerechtvaardigd, het gebruik van bedrijfsspecifieke gegevens tot de analyse van processen en componenten van de batterijspecifieke onderdelen.

Met name de activiteitsgegevens die betrekking hebben op de anode, de kathode, de elektrolyt, de separator en de behuizing verwijzen naar een specifiek batterijmodel dat in een specifieke fabricagefaciliteit is geproduceerd. Zo worden er dus geen gestandaardiseerde activiteitsgegevens gebruikt. De batterijspecifieke activiteitsgegevens worden gebruikt in combinatie met de desbetreffende secundaire gegevensverzamelingen conform de PEF).

Aangezien de koolstofvoetafdrukverklaring specifiek verwijst naar een bepaald batterijmodel dat in een bepaalde fabricagefaciliteit is geproduceerd, is het niet toegestaan steekproeven te nemen van gegevens die zijn verzameld in andere fabricagefaciliteiten die hetzelfde batterijmodel produceren.

In het geval van een wijziging van de materiaalstaat of de energiemix die voor het produceren van een batterijmodel wordt gebruikt, wordt de koolstofvoetafdruk voor dat batterijmodel opnieuw berekend.

De middels een gedelegeerde handeling als bedoeld in artikel 7, lid 1, vast te stellen geharmoniseerde regels omvatten de gedetailleerde modellering van de volgende levenscyclusfasen:

verwerving en voorbewerking van grondstoffen;

productie;

distributie;

eigen elektriciteitsproductie;

einde van de levenscyclus.

6.   Koolstofvoetafdruk-effectbeoordeling

De koolstofvoetafdruk van een batterij wordt berekend aan de hand van de levenscyclus-effectbeoordeling in de categorie “klimaatverandering” conform de aanbeveling in het verslag uit 2019 van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek, getiteld “Suggestions for updating the Product Environmental Footprint (PEF) method”.

De resultaten worden als karakteriseringsresultaten weergegeven zonder normalisatie en weging. De lijst van te gebruiken karakteriseringsfactoren vindt u op het European Platform on Life Cycle Assessment (LCA).

7.   Compensaties

Compensaties worden berekend ten opzichte van een referentiepunt dat het hypothetische scenario vertegenwoordigt voor wat de emissies zouden zijn geweest zonder de mitigatiemaatregelen die de compensaties genereren.

Compensaties worden niet opgenomen in de koolstofvoetafdrukverklaring, maar mogen wel apart worden vermeld als aanvullende milieu-informatie en voor communicatiedoeleinden worden gebruikt.

8.   Koolstofvoetafdrukprestatieklassen

Afhankelijk van de verdeling van de waarden in de koolstofvoetafdrukverklaringen voor in de handel gebrachte batterijen en met het oog op het mogelijk maken van marktdifferentiatie van in artikel 7, lid 1, bedoelde categorieën batterijen, wordt er een zinvol aantal prestatieklassen vastgesteld, waarbij categorie A de beste klasse is met de laagste koolstofvoetafdruk gedurende de gehele levenscyclus.

Bij de vaststelling van de drempelwaarde voor iedere prestatieklasse, evenals de bandbreedte van elke prestatieklasse, wordt uitgegaan van de verdeling van de geleverde prestaties van de in artikel 7, lid 1, bedoelde categorieën batterijen die in de voorgaande drie jaar in de handel zijn gebracht, de verwachte technologische vorderingen en andere technische factoren.

9.   Maximale koolstofdrempelwaarden

Op basis van de gegevens die aan de hand van de koolstofvoetafdrukverklaringen zijn verzameld en de relatieve distributie van de koolstofvoetafdrukprestatieklassen van de in de handel gebrachte batterijmodellen, en rekening houdend met de wetenschappelijke en technische vooruitgang op dat gebied, stelt de Commissie maximale drempelwaarden vast voor de koolstofvoetafdruk tijdens de levensduur van in artikel 7, lid 1, bedoelde categorieën batterijen, na uitvoering van een specifieke effectbeoordeling om die drempelwaarden te bepalen.

Bij het voorstellen van de in de eerste alinea bedoelde maximale drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk tijdens de levensduur houdt de Commissie rekening met de relatieve verdeling van de waarden van de koolstofvoetafdruk van in de handel gebrachte batterijen, de mate van voortgang bij het terugdringen van de koolstofvoetafdruk van in de handel gebrachte batterijen, en de daadwerkelijke en potentiële bijdrage van die drempelwaarden voor de koolstofvoetafdruk tijdens de levensduur aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie om tegen 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, alsook met haar doelstellingen inzake duurzame mobiliteit.


BIJLAGE III

ELEKTROCHEMISCHE PRESTATIE- EN DUURZAAMHEIDSPARAMETERS VAN DRAAGBARE BATTERIJEN VOOR ALGEMEEN GEBRUIK

Deel A

Parameters voor niet-oplaadbare batterijen

1.

Minimale gemiddelde duur: de minimale gemiddelde duur van ontlading die een steekproef van batterijen haalt bij gebruik onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheidsgraad.

2.

Vertraagde ontlading: de relatieve afname van de minimale gemiddelde duur, met de oorspronkelijk gemeten minimale gemiddelde duur als referentiepunt, na een bepaalde periode en onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheidsgraad.

3.

Lekbestendigheid: bestendigheid tegen het onbedoeld vrijkomen van elektrolyt, gas of andere materialen.

Deel B

Parameters voor oplaadbare batterijen

1.

Nominale capaciteit: de capaciteitswaarde van een batterij, onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, en aangegeven door de fabrikant.

2.

Ladingcapaciteitsretentie (1): de capaciteit die een batterij kan leveren nadat ze onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, gedurende een bepaalde tijd is opgeslagen, zonder dat ze wordt opgeladen en uitgedrukt als percentage van de nominale capaciteit.

3.

Ladingcapaciteitsherstel: de capaciteit die een batterij kan leveren nadat ze onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, gedurende een bepaalde tijd is opgeslagen, en daarna is opgeladen en uitgedrukt als percentage van de nominale capaciteit.

4.

Cyclusvastheid: het aantal laad- en ontladingscycli dat een batterij onder specifieke omstandigheden, zoals temperatuur en relatieve vochtigheid, kan ondergaan voordat de capaciteit onder een gespecificeerde fractie van de nominale capaciteit daalt.

5.

Lekbestendigheid: bestendigheid tegen het onbedoeld vrijkomen van elektrolyt, gas of andere materialen.

(1)  IEC vermeldt lading en capaciteit. Beide vertegenwoordigen dezelfde fysieke hoeveelheid (lading); het enige verschil is dat lading wordt uitgedrukt in C = A*s, en capaciteit in A*h. In de praktijk wordt vooral capaciteit gebruikt.


BIJLAGE IV

VEREISTEN MET BETREKKING TOT DE ELEKTROCHEMISCHE PRESTATIES EN DE DUURZAAMHEID VAN BATTERIJEN VOOR LICHTE VERVOERMIDDELEN, INDUSTRIËLE BATTERIJEN MET EEN CAPACITEIT VAN MEER DAN 2 KWH EN BATTERIJEN VOOR ELEKTRISCHE VOERTUIGEN

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1)

“Nominale capaciteit”: het totale aantal ampère-uren (Ah) dat een volledig opgeladen batterij kan leveren onder referentieomstandigheden.

2)

“Capaciteitsverlies”: de afname die zich in de loop van de tijd en als gevolg van gebruik voordoet van de hoeveelheid lading die een batterij op basis van de nominale spanning kan leveren ten opzichte van de oorspronkelijke nominale capaciteit.

3)

“Vermogen”: de hoeveelheid energie die een batterij gedurende een bepaalde periode onder referentieomstandigheden kan leveren.

4)

“Vermogensverlies”: de afname die zich in de loop van de tijd en als gevolg van gebruik voordoet van de hoeveelheid vermogen die een batterij op basis van de nominale spanning kan leveren.

5)

“Interne weerstand”: de weerstand die de elektrische stroom binnen een cel of een batterij ondervindt onder referentieomstandigheden. Die bestaat uit twee componenten, namelijk de elektrische weerstand en de ionische weerstand. De som van beide is de totale effectieve weerstand, met inbegrip van de inductieve/capacitieve eigenschappen.

6)

“Round-tripefficiëntie”: de verhouding tussen de netto-energieopbrengst van een batterij tijdens een ontlaadcyclustest en de hoeveelheid energie die nodig is om het oorspronkelijke laadniveau te herstellen met behulp van een standaardoplaadbeurt.

Deel A

Parameters met betrekking tot elektrochemische prestaties en duurzaamheid:

1.

nominale capaciteit (in Ah) en capaciteitsverlies (in %);

2.

vermogen (in W) en vermogensverlies (in %);

3.

interne weerstand (in Ω) en toename van de interne weerstand (in %);

4.

indien van toepassing, round-tripefficiëntie en verlies daarvan (in %);

5.

de verwachte levensduur van de batterij onder de referentieomstandigheden waar de batterij voor is ontworpen, uitgedrukt in cycli, behalve voor niet-cyclische toepassingen, en kalenderjaren.

Deel B

Elementen ter toelichting van de metingen ten behoeve van de in deel A vermelde parameters

1.

toegepaste ontlaadsnelheid en laadsnelheid;

2.

verhouding tussen het nominale batterijvermogen (W) en de energie van de batterij (Wh);

3.

ontladingsdiepte tijdens de ontladingscyclustest;

4.

vermogen van 80 % bij een laadstatus van 20 %;

5.

alle met de gemeten parameters uitgevoerde berekeningen, indien van toepassing.

BIJLAGE V

VEILIGHEIDSPARAMETERS

1.   Thermische schokwisseltest

Het doel van deze test is de veranderingen van de staat van de batterij te beoordelen als gevolg van het krimpen en uitzetten van celcomponenten bij blootstelling aan extreme temperaturen en plotselinge temperatuurveranderingen, alsook de mogelijke gevolgen van dergelijke veranderingen. Tijdens een thermische schokwisseltest wordt de batterij blootgesteld aan twee temperatuuruitersten waarbij elk uiterste gedurende een bepaalde tijd wordt aangehouden.

2.   Externe beveiliging tegen kortsluiting

Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij te beoordelen bij een externe kortsluiting. De test kan de activering van de kortsluitbeveiliging beoordelen alsook de mate waarin de cellen bestand zijn tegen de spanning, zonder dat zich een gevaarlijke situatie voordoet (zoals thermische wegloop (thermal runaway), explosies, brand). De belangrijkste risicofactoren zijn warmteontwikkeling op celniveau en elektrische vonkvorming, die het schakelsysteem of de isolatieweerstand kunnen aantasten.

3.   Overlaadbeveiliging

Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij bij overladen te beoordelen. De belangrijkste veiligheidsrisico’s die zich voordoen bij het overbeladen zijn de ontleding van de elektrolyt, de kathode en de anode, exothermische ontleding van de vaste elektrolytlaag, beschadiging van de separator en afzetting van lithiummetaal, waardoor er zelfverhitting in de batterij kan ontstaan en thermische wegloop. De factoren die van invloed zijn op de resultaten van de test omvatten ten minste de laadcapaciteit en het uiteindelijk behaalde laadniveau. De beveiliging kan bestaan uit een spanningsregelaar (onderbreking bij overschrijding van de maximale laadspanning) of laadstroomregelaar (onderbreking bij overschrijding van de maximale laadstroom).

4.   Overontlaadbeveiliging

Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij bij overontlading te beoordelen. Veiligheidsrisico’s die samengaan met overontlading bestaan onder meer uit ompolen met oxidatie van de stroomcollector aan de anode tot gevolg (koper) en afzettingen op de kathode. Zelfs een geringe mate van overontlading kan tot de vorming van dendrieten en uiteindelijk tot kortsluiting leiden.

5.   Beveiliging tegen te hoge temperaturen

Deze test heeft tot doel de gevolgen van het uitvallen van de temperatuurregeling te beoordelen alsook de uitval van andere beveiligingsfuncties bij interne oververhitting tijdens het gebruik.

6.   Bescherming tegen thermische kettingreactie (thermal propagation)

Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij bij een thermische kettingreactie te beoordelen. Thermische wegloop in één cel kan een kettingreactie veroorzaken binnen de hele batterij die uit talrijke cellen kan bestaan. Dat kan ernstige gevolgen hebben, onder meer in de vorm van het vrijkomen van grote hoeveelheden gas. De test is mede gebaseerd op de tests die in ontwikkeling zijn voor vervoerstoepassingen door ISO en het mondiaal technisch reglement van de VN.

7.   Mechanische schade als gevolg van externe invloeden

Voor deze tests worden één of meer situaties nagebootst om na te gaan in welke mate een batterij blijft werken voor het doel waarvoor ze is ontworpen wanneer de batterij per ongeluk aan mechanische belasting wordt blootgesteld. Als criteria voor het nabootsen van die situaties geldt dat realistische gebruiksscenario’s moeten worden gebruikt.

8.   Interne kortsluiting

Het doel van deze test is de veiligheidsprestaties van de batterij te beoordelen bij een interne kortsluiting. Het zich voordoen van interne kortsluitingen, een van de grootste punten van zorg voor fabrikanten van batterijen, kan leiden tot het vrijkomen van gassen, thermische wegloop, en vonkvorming waardoor de uit de cel vrijgekomen dampen van het elektrolyt kunnen ontbranden. Dergelijke interne kortsluitingen kunnen worden veroorzaakt door fabricagefouten, de aanwezigheid van onzuiverheden in de cellen of de dendritische afzetting van lithium, en zijn de oorzaak van de meeste veiligheidsincidenten op het terrein. Er zijn verschillende scenario’s mogelijk waarin interne kortsluiting een rol speelt (zoals het elektrisch contact van de kathode/anode, de aluminium stroomcollector/koperen stroomcollector, de aluminium stroomcollector/anode) die ieder een andere contactweerstand hebben.

9.   Thermische blootstelling

Tijdens deze test wordt de batterij blootgesteld aan verhoogde temperaturen (bij IEC 62619 is dit een temperatuur van 85 °C) die exotherme ontleding en thermische wegloop in de cel tot gevolg kunnen hebben.

10.   Brandtest

Het explosiegevaar wordt beoordeeld door de batterij aan vuur bloot te stellen.

11.   Vrijkomen van gassen

Batterijen kunnen aanzienlijke hoeveelheden potentieel gevaarlijk materiaal bevatten, zoals licht ontvlambare elektrolyten, corrosieve en toxische componenten. Bij blootstelling aan bepaalde omstandigheden kan de integriteit van de batterij in gevaar komen, waarbij gevaarlijke gassen kunnen vrijkomen. Daarom is het belangrijk om de uitstoot van gassen uit stoffen, die tijdens tests uit de batterij vrijkomen, te identificeren: voor alle veiligheidsparameters onder de punten 1 tot en met 10 geldt dat naar behoren rekening wordt gehouden met het risico op het vrijkomen van giftige gassen uit niet-waterige elektrolyten.


BIJLAGE VI

ETIKETTERINGS-, MARKERINGS- EN INFORMATIEVEREISTEN

Deel A: Algemene informatie over batterijen

Het batterij-etiket bevat de volgende informatie over de batterij:

1.

informatie betreffende de identiteit van de fabrikant overeenkomstig artikel 38, lid 7;

2.

de categorie van de batterij en informatie ter identificatie van de batterij overeenkomstig artikel 38, lid 6;

3.

de plaats van fabricage (geografische locatie van een fabricagefaciliteit van batterijen);

4.

de datum van fabricage (maand en jaar);

5.

het gewicht;

6.

de capaciteit;

7.

de chemische samenstelling;

8.

andere in de batterij aanwezige gevaarlijke stoffen dan kwik, cadmium of lood;

9.

bruikbaar blusmiddel;

10.

in de batterij aanwezige kritieke grondstoffen met een concentratie van meer dan 0,1 gewichtsprocent.

Deel B: Symbool voor de gescheiden inzameling van batterijen

Image 1

Deel C: QR-code

De QR-code heeft een hoog contrast ten opzichte van de achtergrondkleur en is van een zodanige afmeting dat de code goed leesbaar is met algemeen beschikbare QR-lezers, zoals de lezers in draagbare toestellen.


BIJLAGE VII

PARAMETERS VOOR HET BEPALEN VAN DE CONDITIE EN VERWACHTE LEVENSDUUR VAN BATTERIJEN

Deel A

Parameters voor het bepalen van de conditie van batterijen voor elektrische voertuigen, batterijsystemen voor stationaire energieopslag en batterijen voor lichte vervoermiddelen:

Voor batterijen voor elektrische voertuigen:

staat van gecertificeerde energie (State of Certified Energy — SOCE).

Voor batterijsystemen voor stationaire energieopslag en batterijen voor lichte vervoermiddelen:

1.

de resterende capaciteit;

2.

waar mogelijk, het resterend vermogen;

3.

waar mogelijk, de resterende round-tripefficiëntie;

4.

de evolutie van zelfontlaadsnelheden;

5.

waar mogelijk, de weerstand in ohm.

Deel B

Parameters voor het bepalen van de verwachte levensduur van batterijsystemen voor stationaire energieopslag en batterijen voor lichte vervoermiddelen:

1.

de datum van fabricage van de batterij en, waar passend, de datum van ingebruikneming;

2.

het energierendement;

3.

het capaciteitsrendement;

4.

het traceren van schadelijke voorvallen, zoals het aantal diepe ontladingen, de tijd die is doorgebracht bij extreme temperaturen, de mate waarin is opgeladen bij extreme temperaturen;

5.

het aantal volledig gelijkwaardige ontladingscycli.


BIJLAGE VIII

CONFORMITEITSBEOORDELINGSPROCEDURES

Deel A

MODULE A — INTERNE PRODUCTIECONTROLE

1.   Beschrijving van de module

Met “interne productiecontrole” wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3 en 4 nakomt en op eigen uitsluitende verantwoordelijkheid garandeert en verklaart dat de betrokken batterijen aan de in de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen voldoen.

2.   Technische documentatie

De fabrikant stelt de technische documentatie op. Aan de hand van die documentatie moet kunnen worden beoordeeld of de batterij aan de in punt 1 bedoelde eisen voldoet; die documentatie omvat een adequate analyse en beoordeling van de risico’s.

In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van de batterij. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:

a)

een algemene beschrijving van de batterij en van het beoogde gebruik;

b)

de conceptuele ontwerp- en fabricagetekeningen en schema’s van componenten, delen van samenstellen en circuits;

c)

de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van de in punt b) bedoelde tekeningen en schema’s en van de werking van de batterij;

d)

een model van het overeenkomstig artikel 13 vereiste etiket;

e)

een lijst met de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast, waarbij wordt aangegeven welke delen zijn toegepast, een lijst met de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast, waarbij wordt aangegeven welke delen zijn toegepast, en een lijst met andere relevante technische specificaties die voor meet- of berekeningsdoeleinden zijn toegepast;

f)

indien de in punt e) bedoelde geharmoniseerde normen en gemeenschappelijke specificaties niet zijn toegepast of niet beschikbaar zijn, een beschrijving van de oplossingen die zijn vastgesteld om te voldoen aan de in de artikelen 6, 9, 10, 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen of om te controleren of de batterijen aan die eisen voldoen;

g)

de resultaten van gemaakte ontwerpberekeningen en van de uitgevoerde onderzoeken, en de gebruikte technische of schriftelijke bewijsstukken, en

h)

de testverslagen.

3.   Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces en het toezicht daarop ervoor zorgt dat de batterijen in overeenstemming zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de in punt 1 bedoelde toepasselijke eisen.

4.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

De fabrikant brengt de CE-markering aan op elke afzonderlijke batterij die voldoet aan de in punt 1 bedoelde toepasselijke eisen, of, indien dat vanwege de aard van de batterij niet mogelijk of niet opportuun is, op de verpakking en op de documenten die de batterij vergezellen.

De fabrikant stelt overeenkomstig artikel 18 voor ieder batterijmodel een EU-conformiteitsverklaring op en houdt die verklaring, samen met de technische documentatie, tot tien jaar na het in de handel brengen van de laatste batterij van het betreffende model ter beschikking van de nationale autoriteiten. In de EU-conformiteitsverklaring wordt het desbetreffende batterijmodel beschreven.

Een kopie van de EU-conformiteitsverklaring moet op verzoek aan de nationale autoriteiten worden verstrekt.

5.   Gemachtigde van de fabrikant

De in de punt 4 vervatte verplichtingen van de fabrikant kunnen namens de fabrikant en onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant worden vervuld door de gemachtigde van de fabrikant, op voorwaarde dat die verplichtingen in het mandaat zijn gespecificeerd.

Deel B

MODULE D1 — KWALITEITSBORGING VAN HET PRODUCTIEPROCES

1.   Beschrijving van de module

Met kwaliteitsborging van het productieproces wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 4 en 7 nakomt en op eigen uitsluitende verantwoordelijkheid, onverminderd de verplichtingen van andere marktdeelnemers overeenkomstig deze verordening, garandeert en verklaart dat de betrokken batterijen voldoen aan de in de artikelen 7 en 8 vastgelegde toepasselijke eisen, of, naar keuze van de fabrikant, aan alle toepasselijke eisen vastgelegd in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14.

2.   Technische documentatie

De fabrikant stelt de technische documentatie op. Aan de hand van de technische documentatie moet kunnen worden beoordeeld of de batterij aan de in punt 1 bedoelde relevante eisen voldoet; zij omvat een adequate analyse en beoordeling van de risico’s.

In de technische documentatie worden de toepasselijke eisen vermeld; zij heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van de batterij. De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:

a)

een algemene beschrijving van de batterij en van het beoogde gebruik;

b)

de conceptuele ontwerp- en fabricagetekeningen en schema’s van componenten, delen van samenstellen en circuits;

c)

de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van de in punt b) bedoelde tekeningen en schema’s en van de werking van de batterij;

d)

een model van het overeenkomstig artikel 13 vereiste etiket;

e)

een lijst van de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen, de in artikel 16 bedoelde gemeenschappelijke specificaties, of beide, die zijn toegepast en, in geval van gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen, gemeenschappelijke specificaties, of beide, een vermelding van de delen die zijn toegepast;

f)

een lijst met andere relevante technische specificaties die voor meet- of berekeningsdoeleinden zijn gebruikt en beschrijvingen van de oplossingen die zijn gekozen om aan de in de artikelen 6 tot en met 10 en de artikelen 12, 13 en 14 vastgelegde toepasselijke eisen te voldoen of om te controleren of batterijen aan die eisen voldoen indien geharmoniseerde normen, gemeenschappelijke specificaties, of beide, niet zijn toegepast of niet beschikbaar zijn;

g)

de resultaten van gemaakte ontwerpberekeningen en van de uitgevoerde onderzoeken, en de gebruikte technische of schriftelijke bewijsstukken;

h)

een onderzoek dat ten grondslag ligt aan de in artikel 7, lid 1, bedoelde waarden voor de koolstofvoetafdruk en de in artikel 7, lid 2, bedoelde koolstofvoetafdrukprestatieklasse, met daarin de berekeningen die zijn gemaakt volgens de methode die is uiteengezet in de op grond van artikel 7, lid 1, vierde alinea, punt a), vastgestelde gedelegeerde handeling en de bewijzen en informatie op basis waarvan de inputgegevens voor die bereken