This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32023D2749
Commission Implementing Decision (EU) 2023/2749 of 11 December 2023 establishing the best available techniques (BAT) conclusions, under Directive 2010/75/EU of the European Parliament and of the Council on industrial emissions, for slaughterhouses, animal by-products and/or edible co-products industries (notified under document C(2023) 8434)
Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2749 van de Commissie van 11 december 2023 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies, voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 8434)
Uitvoeringsbesluit (EU) 2023/2749 van de Commissie van 11 december 2023 tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies, voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 8434)
C/2023/8434
PB L, 2023/2749, 18.12.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2023/2749/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force: This act has been changed. Current consolidated version:
18/12/2023
|
Publicatieblad |
NL Serie L |
|
2023/2749 |
18.12.2023 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2023/2749 VAN DE COMMISSIE
van 11 december 2023
tot vaststelling van BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies, voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2023) 8434)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (1), en met name artikel 13, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
BBT-conclusies vormen de referentie voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties die vallen onder hoofdstuk II van Richtlijn 2010/75/EU. De bevoegde autoriteiten moeten emissiegrenswaarden vaststellen die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de emissieniveaus die met de beste beschikbare technieken zijn geassocieerd, zoals vastgesteld in de BBT-conclusies. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU, heeft het bij besluit van de Commissie van 16 mei 2011 (2) opgerichte forum, dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken industrietakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, op 22 mei 2023 zijn advies over de voorgestelde inhoud van het BBT-referentiedocument voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten bij de Commissie ingediend. Dat advies is publiek toegankelijk (3). |
|
(3) |
In de BBT-conclusies die in de bijlage bij dit besluit worden uiteengezet, is rekening gehouden met het advies van het forum omtrent de voorgestelde inhoud van het BBT-referentiedocument. Zij bevatten de belangrijkste bestanddelen van het BBT-referentiedocument. |
|
(4) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De BBT-conclusies voor slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten zoals in de bijlage uiteengezet, zijn aangenomen.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 11 december 2023.
Voor de Commissie
Virginijus SINKEVIČIUS
Lid van de Commissie
(1) PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.
(2) Besluit van de Commissie van 16 mei 2011 tot oprichting van een forum voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (PB C 146 van 17.5.2011, blz. 3).
(3) https://circabc.europa.eu/ui/group/06f33a94-9829-4eee-b187-21bb783a0fbf/library/e07eada3-2935-4ef4-b6d7-b7150f75e520?p=1&n=10&sort=modified_DESC
BIJLAGE
BBT-CONCLUSIES VOOR SLACHTHUIZEN EN VERWERKERS VAN DIERLIJKE BIJPRODUCTEN EN/OF EETBARE NEVENPRODUCTEN
TOEPASSINGSGEBIED
Deze BBT-conclusies hebben betrekking op de volgende in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU omschreven activiteiten:
|
6.4. |
a) De exploitatie van slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag karkassen. |
|
6.5. |
De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag. |
|
6.11. |
Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG van de Raad (1) vallende zelfstandig geëxploiteerde behandeling van afvalwater, mits de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de onder deze BBT-conclusies vallende activiteiten. |
Deze BBT-conclusies hebben ook betrekking op:
|
— |
de verwerking van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten (zoals rendering, vetsmelten, verwerking van veren, vismeel- en visolieproductie, bloedverwerking en vervaardiging van gelatine) die vallen onder de beschrijving van de activiteit in punt 6.4, b), i), en/of punt 6.5 van bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU; |
|
— |
de verbranding van vlees- en beendermeel en/of dierlijk vet; |
|
— |
de verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen (afkomstig van de activiteiten die onder deze BBT-conclusies vallen), met inbegrip van niet-condenseerbare gassen; |
|
— |
de verbranding van karkassen, wanneer deze activiteit rechtstreeks verband houdt met de activiteiten die onder deze BBT-conclusies vallen; |
|
— |
de conservering van huiden en vellen, wanneer deze activiteit rechtstreeks verband houdt met de activiteiten die onder deze BBT-conclusies vallen; |
|
— |
de behandeling van darmen en ingewanden; |
|
— |
compostering en anaerobe vergisting, voor zover deze activiteiten rechtstreeks verband houden met de activiteiten die onder deze BBT-conclusies vallen; |
|
— |
de gecombineerde behandeling van afvalwater van andere bronnen, mits de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de activiteiten die onder deze BBT-conclusies vallen en die afvalwaterbehandeling niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG valt. |
Deze BBT-conclusies hebben geen betrekking op:
|
— |
stookinstallaties ter plaatse die niet onder de bovenstaande punten vallen en die hete gassen opwekken die niet worden gebruikt voor het via direct contact verwarmen, drogen of anderszins behandelen van voorwerpen of materialen. Deze activiteit valt mogelijk onder de BBT-conclusies voor grote verbrandingsinstallaties (LCP) of onder Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad (2); |
|
— |
de productie van levensmiddelen na het opdelen van karkassen van slachtdieren in standaard deelstukken en het versnijden van pluimvee. Dit kan worden behandeld in de BBT-conclusies voor de voedingsmiddelen-, drank- en melkindustrie (FDM); |
|
— |
het storten van afval. Deze activiteit wordt behandeld in Richtlijn 1999/31/EG van de Raad (3). Met name de ondergrondse permanente en langdurige opslag (≥ 1 jaar voor verwijdering, ≥ 3 jaar voor terugwinning) vallen onder Richtlijn 1999/31/EG. |
Andere BBT-conclusies en -referentiedocumenten die relevant kunnen zijn voor de activiteiten waarop deze BBT-conclusies betrekking hebben, zijn onder meer de BBT-conclusies voor:
|
— |
grote stookinstallaties (LCP — Large Combustion Plants); |
|
— |
voedingsmiddelen-, dranken-, en zuivelindustrie (FDM — Food, Drink and Milk Industries); |
|
— |
gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector (CWW — Common Waste Water and Waste Gas Treatment/Management Systems in the Chemical Sector); |
|
— |
afvalbehandeling (WT — Waste Treatment); |
|
— |
afvalverbranding (WI — Waste Incineration); |
|
— |
looien van huiden en vellen (TAN — Tanning of Hides and Skins); |
|
— |
monitoring van emissies naar lucht en water afkomstig van installaties die onder de richtlijn industriële emissies vallen (ROM — Reference Report on Monitoring of Emissions from IED Installations); |
|
— |
economische aspecten en cross-media-effecten (ECM — Economics and Cross-Media Effects); |
|
— |
emissies uit opslag (EFS — Emissions from Storage); |
|
— |
energie-efficiëntie (ENE); |
|
— |
industriële koelsystemen (ICS — Industrial Cooling Systems). |
Deze BBT-conclusies gelden onverminderd andere relevante wetgeving, bijvoorbeeld inzake hygiëne, voedsel- en voederveiligheid, dierenwelzijn, bioveiligheid, energie-efficiëntie (“energie-efficiëntie eerst”-beginsel).
DEFINITIES
Voor de toepassing van deze BBT-conclusies zijn de volgende definities van toepassing.
|
Algemene termen |
|||||
|
Gebruikte term |
Definitie |
||||
|
Dierlijke bijproducten |
Zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (4) |
||||
|
Geleide emissies |
Emissies van verontreinigende stoffen naar lucht via kanalen, leidingen, schoorstenen enz. Emissies afkomstig van biofilters die van boven open zijn, maken hier ook deel van uit. |
||||
|
Directe lozing |
Lozing in een ontvangend waterlichaam zonder verdere stroomafwaartse afvalwaterbehandeling. |
||||
|
Eetbare nevenproducten |
Voor menselijke consumptie bestemde nevenproducten van levensmiddelenkwaliteit. |
||||
|
Bestaande installatie |
Een installatie die geen nieuwe installatie is. |
||||
|
FDM-activiteiten |
Activiteiten die vallen onder de BBT-conclusies voor de voedingsmiddelen-, drank- en melkindustrie. |
||||
|
FDM-producten |
Producten die verband houden met activiteiten die vallen onder de BBT-conclusies voor de voedingsmiddelen-, drank- en melkindustrie. |
||||
|
Gevaarlijke stof |
Gevaarlijke stof als gedefinieerd in artikel 3, punt 18, van Richtlijn 2010/75/EU. |
||||
|
Indirecte lozing |
Een lozing die geen directe lozing is. |
||||
|
Nieuwe installatie |
Een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na de publicatie van deze BBT-conclusies of een volledige vervanging van een installatie na de publicatie van deze BBT-conclusies. |
||||
|
Gevoelige receptor |
Zones die speciale bescherming behoeven, zoals:
|
||||
|
Zeer zorgwekkende stoffen |
Stoffen die voldoen aan de criteria van artikel 57 van de Reach-verordening (Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5)) en in de kandidaatslijst van zeer zorgwekkende stoffen voor autorisatie zijn opgenomen. |
||||
|
Verontreinigende stoffen en parameters |
|
|
Gebruikte term |
Definitie |
|
AOX |
Adsorbeerbare organische halogeenverbindingen, uitgedrukt als Cl, met inbegrip van adsorbeerbare organisch gebonden chloor, broom en jodium. |
|
As, Cd, Co, Cr, Cu, Mn, Ni, Pb, Sb, Tl, V |
Arseen, cadmium, kobalt, chroom, koper, mangaan, nikkel, lood, antimoon, thallium en vanadium. |
|
Biochemisch zuurstofverbruik (BZVn) |
De hoeveelheid zuurstof die nodig is voor de biochemische oxidatie van het organisch materiaal tot koolstofdioxide in n dagen (waarbij n doorgaans 5 of 7 is). Het BZV is een indicator voor de massaconcentratie van biologisch afbreekbare organische verbindingen. |
|
Chemisch zuurstofverbruik (CZV) |
De hoeveelheid zuurstof die nodig is voor de algehele chemische oxidatie van organisch materiaal tot koolstofdioxide met behulp van dichromaat. Het CZV is een indicator voor de massaconcentratie van organische verbindingen. |
|
CO |
Koolstofmonoxide. |
|
Koper (Cu) |
Koper, uitgedrukt als Cu, met inbegrip van alle anorganische en organische koperverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden. |
|
Stof |
Totaal aan vaste deeltjes (in lucht). |
|
HCl |
Alle anorganische gasvormige chloorverbindingen, uitgedrukt als HCl. |
|
HF |
Alle anorganische gasvormige fluorverbindingen, uitgedrukt als HF. |
|
Hg |
De som van kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als Hg. |
|
H2S |
Waterstofsulfide. |
|
Geurconcentratie |
Aantal Europese geureenheden (ouE — European Odour Units) in een kubieke meter gas onder standaardomstandigheden voor olfactometrie overeenkomstig EN 13725. |
|
NOX |
De som van stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt als NO2. |
|
PCDD/F |
Polychloordibenzo-p-dioxinen en -furanen. |
|
SOX |
De som van zwaveldioxide (SO2), zwaveltrioxide (SO3) en aerosolen van zwavelzuur, uitgedrukt als SO2. |
|
Totaal aan stikstof (Totaal N) |
De totale hoeveelheid stikstof, uitgedrukt als N, met inbegrip van vrije ammoniak en ammonium (NH4-N), nitrietstiktof (NO2-N), nitraatstikstof (NO3-N) en organisch gebonden stikstof. |
|
Totaal aan organische koolstof (TOC) |
De totale hoeveelheid organische koolstof (in water), uitgedrukt als C, met inbegrip van alle organische verbindingen. |
|
Totaal aan fosfor (Totaal P) |
Totaal aan fosfor, uitgedrukt als P, met inbegrip van alle anorganische en organische fosforverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden. |
|
Totale hoeveelheid zwevende deeltjes (TSS) |
Massaconcentratie van alle zwevende deeltjes (in water), gemeten door middel van filtratie door glasvezelfilters en gravimetrie. |
|
Totaal aan vluchtige organische koolstof (TVOC) |
Totaal aan vluchtige organische koolstof (in de lucht), uitgedrukt als C. |
|
Zink (Zn) |
Zink, uitgedrukt als Zn, met inbegrip van alle anorganische en organische zinkverbindingen, opgelost of aan deeltjes gebonden. |
AFKORTINGEN
Voor de toepassing van deze BBT-conclusies worden de volgende afkortingen gebruikt.
|
Afkorting |
Definitie |
|
CIP |
Cleaning-in-place (reiniging in situ) |
|
CMS |
Beheersysteem voor chemische stoffen (Chemicals Management System) |
|
EMS |
Milieubeheersysteem (Environmental Management System) |
|
FDM |
Voedingsmiddelen, dranken en melk (Food, Drink and Milk) |
|
RIE |
Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) |
|
OTNOC |
Andere dan normale bedrijfsomstandigheden (other than normal operating conditions) |
|
SA. |
Slachthuizen en verwerkers van dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten (Slaughterhouses, animal by-products and/or edible co-products industries) |
ALGEMENE OVERWEGINGEN
Beste beschikbare technieken
De technieken die in deze BBT-conclusies worden opgesomd en beschreven, zijn prescriptief noch limitatief. Er mogen andere technieken worden gebruikt die ten minste een gelijkwaardig niveau van milieubescherming garanderen.
Tenzij anders aangegeven, zijn BBT-conclusies algemeen toepasbaar.
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor emissies naar water
De BBT-GEN’s voor emissies naar water in deze BBT-conclusies hebben betrekking op concentraties (massa uitgestoten stoffen per volume water) uitgedrukt in mg/l.
De met de BBT-GEN’s geassocieerde middelingstijden hebben betrekking op een van de volgende gevallen:
|
— |
in geval van continue lozingen, daggemiddelden, d.w.z. op 24 uur-debietsproportionele mengmonsters; |
|
— |
in geval van batchlozingen, gemiddelde waarden tijdens de duur van de lozing, genomen als debietsproportionele mengmonsters of, indien het effluent correct gemengd en homogeen is, als een steekproefmonster vóór de lozing. |
Tijdsproportionele mengmonsters kunnen worden gebruikt op voorwaarde dat een toereikende stabiliteit van het debiet is aangetoond. Als alternatief mogen steekproefmonsters worden genomen, op voorwaarde dat het effluent correct gemengd en homogeen is.
Voor het totaal aan organische koolstof (TOC), het totaal aan stikstof (TN) en het chemisch zuurstofverbruik (CZV) is de berekening van de gemiddelde verwijderingsefficiëntie zoals bedoeld in deze BBT-conclusies (zie tabel 1.1), gebaseerd op de influent- en effluentbelasting van de afvalwaterzuiveringsinstallatie.
De BBT-GEN’s zijn van toepassing op het punt waar de emissie de installatie verlaat.
Met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) en indicatieve emissieniveaus voor geleide emissies naar lucht
De met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor geleide emissies naar lucht in deze BBT-conclusies hebben betrekking op concentratieniveaus (hoeveelheid uitgestoten stof per volume afgas) onder de volgende standaardomstandigheden: droog gas met een temperatuur van 273,15 K (of nat gas met een temperatuur van 293 K in geval van geurconcentratie) en een druk van 101,3 kPa, zonder deze te corrigeren voor een referentiezuurstofgehalte, uitgedrukt in mg/Nm3 of ouE/m3
Voor de middelingstijden van BBT-GEN’s en het indicatieve emissieniveau voor geleide emissies naar lucht geldt de volgende definitie.
|
Type meting |
Middelingstijd |
Definitie |
|
Periodiek |
Gemiddelde van de bemonsteringsperiode |
Gemiddelde waarde van drie opeenvolgende bemonsteringen/metingen van ten minste 30 minuten elk (6). |
Wanneer de afgassen uit twee of meer bronnen (bv. drogers) via een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten, zijn het BBT-GEN en het indicatieve emissieniveau van toepassing op de gecombineerde uitstoot via de schoorsteen.
Indicatieve emissieniveaus voor verliezen aan koelmiddel
De indicatieve emissieniveaus voor verliezen aan koelmiddel hebben betrekking op een voortschrijdend gemiddelde over drie jaar van jaarlijkse verliezen. De jaarlijkse verliezen worden uitgedrukt als percentage (%) van de totale hoeveelheid koelmiddel in het koelsysteem (of de koelsystemen). Het jaarlijks verlies van een specifiek koelmiddel is gelijk aan de hoeveelheid van dat koelmiddel dat wordt gebruikt om het koelsysteem (of de koelsystemen) bij te vullen.
Andere met de beste beschikbare technieken geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s)
BBT-GMPN’s voor specifieke lozing van afvalwater
De milieuprestatieniveaus in verband met specifieke lozing van afvalwater hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule:
waarbij
|
lozing afvalwater |
: |
de totale hoeveelheid afvalwater is dat door de betrokken specifieke processen is geloosd (directe lozing, indirecte lozing en/of verspreiding op het land), uitgedrukt in m3/jaar, exclusief koelwater en afstromend water dat afzonderlijk wordt geloosd; |
||||
|
activiteitsgraad |
: |
de totale hoeveelheid verwerkte producten of grondstoffen is, uitgedrukt in:
|
Het karkasgewicht hangt af van de betrokken diersoort, en bedraagt
|
— |
bij varkens: het koudgewicht van het gehele of overlangs in twee helften gesneden lichaam van een geslacht dier, uitgebloed en ontdaan van de ingewanden, na verwijdering van de tong, het haar, de hoeven, de geslachtsorganen, het buikvet, de nieren en het middenrif; |
|
— |
bij rundvee: het gewicht van het koude lichaam van het geslachte dier nadat het is onthuid, uitgebloed en ontdaan van de ingewanden en na verwijdering van de uitwendige geslachtsdelen, ledematen, kop, staart, nieren, het niervet en de uier; |
|
— |
bij kippen: het gewicht van het koude lichaam van het geslachte dier nadat het is uitgebloed, geplukt en van de ingewanden ontdaan. Het gewicht omvat slachtafval (ingewanden). |
BBT-GMPN’s voor specifiek netto-energieverbruik
De milieuprestatieniveaus in verband met specifiek netto-energieverbruik hebben betrekking op jaargemiddelden en worden berekend met de volgende formule:
waarbij
|
netto-eindenergieverbruik |
: |
de totale hoeveelheid door de installatie (in de vorm van warmte en elektriciteit) verbruikte energie is (exclusief de teruggewonnen energie), uitgedrukt in kWh/jaar; |
||||
|
activiteitsgraad |
: |
de totale hoeveelheid verwerkte producten of grondstoffen is, uitgedrukt in:
|
Het karkasgewicht hangt af van de betrokken diersoort (zie algemene overwegingen voor BBT-GMPN’s voor specifieke lozingen van afvalwater).
Tenzij anders vermeld, mag bij de berekening van het energieverbruik van slachthuizen rekening worden gehouden met de door FDM-activiteiten verbruikte energie.
1.1. Algemene BBT-conclusies
1.1.1. Algehele milieuprestaties
|
BBT 1. |
De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is het opstellen en uitvoeren van een milieubeheersysteem waarin alle volgende elementen zijn opgenomen:
|
Opmerking
Bij Verordening (EG) nr. 1221/2009 is het milieubeheer- en milieuauditsysteem van de Europese Unie (EMAS) vastgesteld, een voorbeeld van een milieubeheersysteem dat in overeenstemming is met deze BBT.
Toepasbaarheid
De mate van gedetailleerdheid en formalisering van het milieubeheersysteem zal in de regel afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie, en alle mogelijke milieueffecten ervan.
|
BBT 2. |
De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, bestaat erin om als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) een inventaris van de inputs en outputs op te stellen, bij te houden en regelmatig te herzien (ook wanneer er zich een belangrijke wijziging voordoet), waarin alle volgende elementen zijn opgenomen:
|
Toepasbaarheid
De mate van gedetailleerdheid en formalisering van de inventaris zal in de regel afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan.
|
BBT 3. |
De BBT om de algehele milieuprestaties te verbeteren, is het opstellen en uitvoeren van een beheersysteem voor chemische stoffen (CMS) dat deel uitmaakt van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) en waarin alle volgende elementen zijn opgenomen:
|
Toepasbaarheid
De mate van gedetailleerdheid en formalisering van het CMS zal in de regel afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie.
|
BBT 4. |
De BBT om de frequentie van OTNOC en de emissies tijdens OTNOC te verminderen, is het opstellen en uitvoeren van een risicogebaseerd OTNOC-beheersplan als onderdeel van het milieubeheersplan (zie BBT 1), dat alle volgende elementen omvat:
|
Toepasbaarheid
De mate van gedetailleerdheid en formalisering van het OTNOC-beheersplan zal in de regel afhangen van de aard, omvang en complexiteit van de installatie en alle mogelijke milieueffecten ervan.
1.1.2. Monitoring
|
BBT 5. |
Voor afvalwaterstromen die zijn vastgesteld in de inventaris van inputs en outputs (zie BBT 2), is de BBT de monitoring van de belangrijkste procesparameters (bv. continue monitoring van debiet, pH en temperatuur van het afvalwater) op cruciale locaties (bv. aan de inlaat en/of uitlaat van de voorbehandeling van het afvalwater, aan de inlaat van de eindbehandeling van het afvalwater, op het punt waar de emissie de installatie verlaat). |
|
BBT 6. |
De BBT is om ten minste eenmaal per jaar het volgende te monitoren:
|
Beschrijving
Monitoring omvat bij voorkeur directe metingen. Berekeningen of registratie, bv. met behulp van geschikte meters of facturen, kunnen ook worden gebruikt. De monitoring wordt uitgevoerd op installatieniveau (en kan worden uitgesplitst naar het meest geschikte procesniveau) en houdt rekening met alle belangrijke veranderingen in de processen.
|
BBT 7. |
De BBT is de monitoring van de emissies naar water met ten minste de onderstaande frequentie en overeenkomstig de EN-normen. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is toepassing van ISO-, nationale, of andere internationale normen die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd de BBT.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
BBT 8. |
De BBT is om geleide emissies naar lucht met ten minste de onderstaande frequentie en overeenkomstig de EN-normen te monitoren. Indien er geen EN-normen beschikbaar zijn, is toepassing van ISO-, nationale, of andere internationale normen die garanderen dat er gegevens van gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden aangeleverd de BBT.
|
1.1.3. Energie-efficiëntie
|
BBT 9. |
De BBT om de energie-efficiëntie te verhogen, is om beide onderstaande technieken te gebruiken.
Verdere sectorspecifieke technieken om de energie-efficiëntie te verbeteren, zijn opgenomen in de punten 1.2.1 en 1.3.1 van deze BBT-conclusies. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.1.4. Waterverbruik en de productie van afvalwater
|
BBT 10. |
De BBT om het waterverbruik en de hoeveelheid geproduceerd afvalwater te verminderen, is het gebruik van zowel de onderstaande technieken a) en b) als een geschikte combinatie van de technieken c) tot en met k).
Verdere sectorspecifieke technieken om het waterverbruik en de hoeveelheid geproduceerd afvalwater te verminderen, worden beschreven in de punten 1.2.2 en 1.3.2 van deze BBT-conclusies. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.1.5. Schadelijke stoffen
|
BBT 11. |
Ter voorkoming of, wanneer dat niet mogelijk is, beperking van het gebruik van schadelijke stoffen bij reiniging en ontsmetting, is de BBT om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
||||||||||||||||
1.1.6. Efficiënt gebruik van hulpbronnen
|
BBT 12. |
De BBT om de hulpbronnen efficiënter te gebruiken, is de toepassing van beide technieken a) en b), indien passend in combinatie met een of beide van de onderstaande technieken c) en d).
|
||||||||||||||||||||
1.1.7. Emissies naar water
|
BBT 13. |
De BBT om ongecontroleerde emissies naar water te voorkomen, is het bieden van een passende bufferopslagcapaciteit voor geproduceerd afvalwater. |
Beschrijving
De passende bufferopslagcapaciteit wordt bepaald door middel van een risicobeoordeling (waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de verontreinigende stof(fen), de effecten van deze verontreinigende stoffen op de verdere behandeling van afvalwater, het ontvangende milieu, de hoeveelheid geproduceerd afvalwater enz.).
Een buffertank is doorgaans ontworpen om de hoeveelheden afvalwater op te slaan die tijdens meerdere piekuren worden geproduceerd.
Het afvalwater uit deze bufferopslag wordt pas geloosd nadat passende maatregelen zijn genomen (bv. monitoring, behandeling, hergebruik).
Toepasbaarheid
Voor bestaande installaties is de techniek mogelijk niet toepasbaar door een gebrek aan ruimte en/of door de indeling van het systeem voor de inzameling van afvalwater.
|
BBT 14. |
De BBT om emissies naar water te verminderen, is de toepassing van een geschikte combinatie van de onderstaande technieken.
Tabel 1.1 Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor directe lozingen
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 7. Tabel 1.2 Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor indirecte lozingen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 7.
1.1.8. Emissies naar lucht
|
BBT 15. |
De BBT om de emissies naar lucht van CO, stof, NOX en SOX afkomstig van de verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen, te verminderen, is de toepassing van de onderstaande techniek a) en één of een geschikte combinatie van de onderstaande technieken b), c) en d).
Tabel 1.3 Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor geleide emissies van stof, NOX en SOX afkomstig van de verbranding in thermische oxidatoren van onaangenaam geurende gassen, waaronder niet-condenseerbare gassen naar lucht
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 8. Tabel 1.4 Indicatief emissieniveau voor geleide CO-emissies afkomstig van de verbranding in thermische oxidatoren van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen naar lucht
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 8. |
1.1.9. Geluid
|
BBT 16. |
Om geluidsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de BBT het opzetten, uitvoeren en regelmatig evalueren van een geluidsbeheerplan, als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1), dat alle volgende elementen omvat:
|
Toepasbaarheid
De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geluidshinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.
|
BBT 17. |
De BBT om geluidsemissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.1.10. Geur
|
BBT 18. |
De BBT om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is om als onderdeel van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) een geurbeheersplan op te zetten, uit te voeren en regelmatig te evalueren dat alle volgende elementen omvat:
|
Toepasbaarheid
De toepasbaarheid is beperkt tot gevallen waarin geurhinder bij gevoelige receptoren wordt verwacht of zich heeft voorgedaan.
|
BBT 19. |
De BBT om geuremissies te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is de toepassing van een passende combinatie van de onderstaande technieken.
De BBT-GEN’s voor geleide emissies naar lucht van geur zijn vermeld in tabellen 1.10 en 1.11. |
||||||||||||||||||||||||
1.1.11. Gebruik van koelmiddelen
|
BBT 20. |
De BBT om van het koelen en invriezen afkomstige emissies van stoffen die de ozonlaag aantasten en stoffen met een hoog aardopwarmingsvermogen te voorkomen, is het gebruik van koelmiddelen die de ozonlaag niet kunnen aantasten en die een laag aardopwarmingsvermogen hebben. |
Beschrijving
Geschikte koelmiddelen zijn bijvoorbeeld water, koolstofdioxide, propaan en ammoniak.
1.2. BBT-conclusies voor slachthuizen
De BBT-conclusies in dit punt zijn van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.1.
1.2.1. Energie-efficiëntie
|
BBT 21. |
De BBT om de energie-efficiëntie te verhogen, is de toepassing van beide technieken van BBT 9, in combinatie met beide onderstaande technieken.
Tabel 1.5 Met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s) voor specifiek netto-energieverbruik in slachthuizen
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 6. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.2.2. Waterverbruik en de productie van afvalwater
|
BBT 22. |
De BBT om het waterverbruik en de hoeveelheid geproduceerd afvalwater te verminderen, is de toepassing van zowel techniek a) als b) van BBT 10, samen met een geschikte combinatie van de technieken c) tot en met k) van BBT 10 en van de volgende technieken.
Tabel 1.6 Met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s) voor specifieke lozing van afvalwater
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 6. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.2.3. Gebruik van koelmiddelen
|
BBT 23. |
De BBT om verliezen aan koelmiddel te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te verminderen, is toepassing van techniek a) samen met techniek b) of c), of alle drie.
Tabel 1.7 Indicatief emissieniveau voor verliezen aan koelmiddel
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 6. |
|||||||||||||||||||
1.3. BBT-conclusies voor installaties die dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten verwerken
De BBT-conclusies in dit punt zijn van toepassing in aanvulling op de algemene BBT-conclusies in punt 1.1.
1.3.1. Energie-efficiëntie
|
BBT 24. |
De BBT om de energie-efficiëntie te verhogen, is de toepassing van beide technieken van BBT 9, indien passend in combinatie met meertrapsverdampers.
Beschrijving Meertrapsverdampers worden gebruikt om water te verwijderen uit vloeibare mengsels die bijvoorbeeld ontstaan bij het vetsmelten, de rendering en bij de vismeel- en visolieproductie. Stoom wordt ingebracht in een reeks opeenvolgende vaten waarin telkens een lagere temperatuur en druk heerst dan in het voorgaande vat. Tabel 1.8 Met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s) voor specifiek netto-energieverbruik in installaties die dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten verwerken
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 6. |
1.3.2. Waterverbruik en de productie van afvalwater
De hieronder vermelde milieuprestatieniveaus voor specifieke lozing van afvalwater houden verband met de algemene BBT-conclusies in punt 1.1.4.
Tabel 1.9
Met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (BBT-GMPN’s) voor specifieke lozing van afvalwater
|
Type installatie/proces(sen) |
Eenheid |
Specifieke lozing van afvalwater (jaargemiddelde) |
|
Rendering, vetsmelten, verwerking van bloed en/of veren |
m3/ton grondstof |
0,2 -1,55 |
|
Vismeel- en visolieproductie |
0,20 -1,25 (41) |
|
|
Vervaardiging van gelatine |
16,5 -27 (42) |
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 6.
1.3.3. Emissies naar lucht
|
BBT 25. |
De BBT om emissies van organische verbindingen en onaangenaam geurende verbindingen, met inbegrip van H2S en NH3, naar lucht te verminderen, is om één of een combinatie van de onderstaande technieken te gebruiken.
Tabel 1.10 Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor geleide emissies naar lucht van geur, organische verbindingen, NH3 en H2S afkomstig van rendering, vetsmelten en verwerking van bloed en/of veren
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 8. Tabel 1.11 Met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) voor geleide emissies naar lucht van geur, organische verbindingen en NH3 afkomstig van vismeel- en visolieproductie
De bijbehorende monitoring is beschreven in BBT 8. |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1.4. Beschrijving van technieken
1.4.1. Emissies naar water
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Actiefslibproces |
Een biologisch proces waarbij de micro-organismen in het afvalwater gesuspendeerd blijven en het hele mengsel mechanisch wordt belucht. Het actiefslibmengsel wordt naar een scheidingsinstallatie gestuurd, waarvandaan het slib wordt teruggevoerd naar de beluchtingstank. |
|
Aerobe lagune |
Een ondiepe aarden bekken voor de biologische behandeling van afvalwater, waarvan de inhoud periodiek wordt gemengd zodat zuurstof in de vloeistof terecht kan komen door diffusie vanuit de lucht. |
|
Anaeroob contactproces |
Een anaeroob proces waarbij afvalwater wordt gemengd met gerecycled slib en vervolgens in een afgesloten reactor wordt vergist. Het mengsel van water en slib wordt extern gescheiden. |
|
Chemische oxidatie (bv. met ozon) |
Chemische oxidatie is de omzetting, door andere chemische oxiderende stoffen dan zuurstof/lucht of bacteriën, van verontreinigende stoffen in soortgelijke verbindingen die minder schadelijk of gevaarlijk zijn en/of in organische bestanddelen met kortere ketens die gemakkelijker of biologisch afbreekbaar zijn. Ozon is een voorbeeld van een chemisch oxiderende stof die hiervoor wordt gebruikt. |
|
Coagulatie en flocculatie |
Coagulatie en flocculatie worden gebruikt om zwevende deeltjes van afvalwater te scheiden en worden vaak in achtereenvolgende stappen uitgevoerd. Coagulatie wordt uitgevoerd door toevoeging van coaguleermiddelen met een lading die tegengesteld is aan die van de zwevende deeltjes. Flocculatie wordt uitgevoerd door polymeren toe te voegen, zodat de botsingen van kleine vlokjes ervoor zorgen dat deze zich met elkaar verbinden zodat grotere vlokken ontstaan. |
|
Egalisatie |
Het in balans brengen van stromen en belastingen van verontreinigende stoffen door middel van tanks of andere beheertechnieken. |
|
Verbeterde biologische verwijdering van fosfor |
Een combinatie van aerobe en anaerobe behandeling om selectief de bacteriegemeenschap in het actieve slib te verrijken met polyfosfaataccumulerende micro-organismen. Deze micro-organismen nemen meer fosfor op dan nodig is om normaal te kunnen groeien. |
|
Filtratie |
De scheiding van vaste stoffen uit afvalwater door dat water door een poreus medium te laten lopen, bv. zandfiltratie, microfiltratie en ultrafiltratie. |
|
Flotatie |
De scheiding van vaste of vloeibare deeltjes uit afvalwater door ze aan fijne gasbelletjes, meestal lucht, te laten hechten. De drijvende deeltjes verzamelen zich aan het wateroppervlak en worden met afschuimers verzameld. |
|
Membraanbioreactor |
Een combinatie van actief-slibbehandeling en membraanfiltratie. Er worden twee varianten toegepast: a) een extern recirculatiecircuit tussen de actief-slibtank en de membraanmodule, en b) onderdompeling van de membraanmodule in de beluchte actief-slibtank, waar het effluent wordt gefilterd door een hollevezelmembraan, waarbij de biomassa in de tank achterblijft. |
|
Neutralisatie |
De pH van afvalwater op een neutraal niveau (ongeveer 7) brengen door toevoeging van chemicaliën. Doorgaans wordt natriumhydroxide (NaOH) of calciumhydroxide (Ca(OH)2) gebruikt om de pH te verhogen, en wordt zwavelzuur (H2SO4), zoutzuur (HCl) of koolstofdioxide (CO2) gebruikt om de pH te verlagen. Tijdens de neutralisatie kan precipitatie van sommige stoffen optreden. |
|
Nitrificatie en/of denitrificatie |
Een proces van twee stappen dat doorgaans wordt geïntegreerd in installaties voor de biologische behandeling van afvalwater. De eerste stap is de aerobe nitrificatie waarbij micro-organismen ammonium (NH4 +) oxideren tot het tussenproduct nitriet (NO2 -), dat vervolgens verder wordt geoxideerd tot nitraat (NO3 -). In de daaropvolgende stap van anoxische denitrificatie wordt nitraat door micro-organismen chemisch gereduceerd tot stikstofgas. |
|
Terugwinning van fosfor als struviet |
Fosfor in afvalwaterstromen wordt teruggewonnen door precipitatie in de vorm van struviet (magnesiumammoniumfosfaat). |
|
Precipitatie |
De omzetting van opgeloste verontreinigende stoffen in onoplosbare verbindingen door toevoeging van chemische neerslagmiddelen. De gevormde vaste neerslag wordt vervolgens gescheiden door middel van sedimentatie, luchtflotatie of filtratie. Polyvalente metaalionen (bv. calcium, aluminium, ijzer) worden gebruikt voor de precipitatie van fosfor. |
|
Sedimentatie |
De scheiding van zwevende deeltjes door bezinking onder invloed van de zwaartekracht. |
1.4.2. Emissies naar lucht
|
Techniek |
Beschrijving |
|
Adsorptie |
Organische verbindingen worden uit een afgasstroom verwijderd door retentie op een vast oppervlak (doorgaans actieve kool). |
|
Doekfilter |
Doek- of doekenfilters bestaan uit poreus geweven of gevilt weefsel waardoor gassen stromen om deeltjes te verwijderen. Bij het gebruik van een doekfilter moet een stof worden geselecteerd die geschikt is voor de kenmerken van het afgas en de maximale bedrijfstemperatuur. |
|
Biofilter |
De afgasstroom wordt geleid door een bed van organisch materiaal (zoals turf, heide, compost, wortels, boomschors, naaldhout en verschillende combinaties daarvan) of een inert materiaal (zoals klei, actieve kool en polyurethaan), waar deze door van nature voorkomende micro-organismen biologisch wordt geoxideerd tot kooldioxide, water, anorganische zouten en biomassa. Een biofilter wordt ontworpen op basis van het (de) type(n) afvalinput. Er wordt gekozen voor een bedmateriaal dat bijvoorbeeld qua watervasthoudend vermogen, bulkdichtheid, porositeit en structurele integriteit, geschikt is. Ook belangrijk zijn een geschikte hoogte en oppervlakte van het filterbed. De biofilter is aangesloten op een geschikt ventilatie- en luchtcirculatiesysteem om een gelijkmatige luchtverdeling door het bed en een voldoende verblijftijd van het afgas in het bed te garanderen. Biofilters kunnen worden onderverdeeld in open en gesloten biofilters. |
|
Biowasser |
Een gepakte kolomfilter met inert dragermateriaal dat gewoonlijk door sproeiwater continu vochtig wordt gehouden. De luchtverontreinigende stoffen worden opgevangen in de vloeibare fase en vervolgens door micro-organismen op de filterelementen afgebroken. |
|
Verbranding in een stoomketel van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen |
Onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen, worden in een stoomketel in de installatie verbrand. |
|
Condensatie |
De verwijdering van de dampen van organische en anorganische verbindingen afkomstig van een procesafgas- of afgasstroom door de temperatuur ervan te verlagen tot onder het dauwpunt, zodat de dampen vloeibaar worden. |
|
Thermische oxidatie |
De oxidatie van brandbare gassen en geurstoffen in een afgasstroom door het mengsel van verontreinigende stoffen samen met lucht of zuurstof in een verbrandingskamer tot boven de zelfontbrandingstemperatuur te verwarmen en lang genoeg op een hoge temperatuur te houden om volledige verbranding tot koolstofdioxide en water tot stand te brengen. |
|
Natte gaswasser |
De verwijdering van verontreinigende gassen of deeltjes uit een gasstroom via stofoverdracht naar een vloeibaar oplosmiddel, vaak water of een waterige oplossing. Hierbij kunnen chemische reacties optreden (bv. in een zure of alkalische gaswasser). In bepaalde gevallen kunnen de verbindingen worden teruggewonnen uit het oplosmiddel. |
1.4.3. Gebruik van koelmiddelen
|
Beheerplan voor de koeling |
Een beheerplan voor de koeling maakt deel uit van het milieubeheersysteem (zie BBT 1) en omvat:
|
(1) Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40).
(2) Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1).
(3) Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 182 van 16.7.1999, blz. 1).
(4) PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.
(5) Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
(6) Voor parameters waarvoor vanwege beperkingen op het gebied van bemonstering of analyse een bemonstering/meting van 30 minuten niet geschikt is, kan een representatievere bemonsterings-/meetprocedure worden toegepast (bv. voor de geurconcentratie).
(001) In het geval van batchlozingen die minder vaak plaatsvinden dan de minimale monitoringfrequentie, wordt de monitoring eenmaal per batch uitgevoerd.
(002) In het geval van een indirecte lozing mag de monitoringfrequentie worden verlaagd tot eenmaal per jaar voor Cu en Zn en eenmaal per zes maanden voor AOX en Cl- indien de stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallatie ontworpen en passend uitgerust is om de betrokken verontreinigende stoffen te verminderen.
(003) De monitoring is alleen van toepassing wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de in BBT 2 vermelde inventaris van inputs en outputs is aangemerkt als relevant in de afvalwaterstroom.
(004) Indien is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn, mag de minimale monitoringfrequentie verlaagd worden tot eenmaal per zes maanden.
(005) De monitoring is alleen van toepassing bij directe lozing.
(006) Ofwel CZV, ofwel TOC wordt gemonitord. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen nodig zijn.
(007) Indien is aangetoond dat de emissieniveaus voldoende stabiel zijn, mag de minimale monitoringfrequentie verlaagd worden tot eenmaal per maand.
(7) Voor zover mogelijk worden de metingen uitgevoerd bij de hoogste verwachte emissietoestand onder normale bedrijfsomstandigheden.
(8) De monitoring is alleen van toepassing wanneer H2S op basis van de in BBT 2 vermelde inventaris van inputs en outputs is aangemerkt als relevant in de afgasstroom.
(9) Dit omvat de verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen.
(10) De monitoring is alleen van toepassing wanneer de geur op basis van de in BBT 2 vermelde inventaris van inputs en outputs is aangemerkt als relevant in de afgasstroom.
(11) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(12) Zie punt 1.4.1 voor een beschrijving van de technieken.
(13) De middelingstijden zijn gedefinieerd in de algemene overwegingen.
(14) Er geldt geen BBT-GEN voor het biochemisch zuurstofverbruik (BZV). Ter indicatie: het jaarlijkse gemiddelde BZV5-niveau in het effluent afkomstig van een installatie voor de biologische behandeling van afvalwater zal over het algemeen ≤ 20 mg/l zijn.
(15) Het BBT-GEN voor CZV of het BBT-GEN voor TOC is van toepassing. Het BBT-GEN voor het TOC is de voorkeursoptie omdat bij TOC-monitoring geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt.
(16) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan hoger zijn en maximaal 120 mg/l bedragen voor installaties die dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten verwerken, maar alleen als het gemiddelde CZV-verwijderingsrendement per jaar of over de productieperiode ≥ 95 % bedraagt.
(17) Het BBT-GEN-bereik is mogelijk niet van toepassing op lozingen van zeewater afkomstig van de productie van vismeel en visolie.
(18) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan hoger zijn en maximaal 40 mg/l bedragen voor installaties die dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten verwerken, maar alleen als het gemiddelde TOC-verwijderingsrendement per jaar of over de productieperiode ≥ 95 % bedraagt.
(19) De ondergrens van het BBT-GEN-bereik wordt gewoonlijk bereikt bij gebruik van filtratie (bv. zandfiltratie, microfiltratie, ultrafiltratie).
(20) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan hoger zijn en maximaal 40 mg/l bedragen bij de productie van gelatine.
(21) Het BBT-GEN is mogelijk niet van toepassing wanneer de temperatuur van het afvalwater gedurende langere perioden laag is (bv. lager dan 12 °C).
(22) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan hoger zijn en maximaal 40 mg/l bedragen voor installaties die dierlijke bijproducten en/of eetbare nevenproducten verwerken, maar alleen als het gemiddelde verwijderingsrendement voor het totaal aan stikstof per jaar of over de productieperiode ≥ 90 % bedraagt.
(23) Het BBT-GEN is alleen van toepassing wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de in BBT 2 vermelde inventaris van inputs en outputs is aangemerkt als relevant in de afvalwaterstroom.
(24) Het BBT-GEN is alleen van toepassing op slachthuizen.
(25) De middelingstijden zijn gedefinieerd in de algemene overwegingen.
(26) De BBT-GEN’s zijn mogelijk niet van toepassing indien de stroomafwaartse afvalwaterzuiveringsinstallatie ontworpen en passend uitgerust is om de betrokken verontreinigende stoffen te verminderen, op voorwaarde dat dit niet tot een hoger niveau van verontreiniging van het milieu leidt.
(27) Het BBT-GEN is alleen van toepassing wanneer de betrokken stof/parameter op basis van de in BBT 2 vermelde inventaris van inputs en outputs is aangemerkt als relevant in de afvalwaterstroom.
(28) Het BBT-GEN is alleen van toepassing op slachthuizen.
(29) Het BBT-GEN-bereik is alleen van toepassing wanneer uitsluitend aardgas als brandstof wordt gebruikt.
(30) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan hoger zijn en maximaal 350 mg/Nm3 bedragen bij recuperatieve thermische oxidatoren.
(31) Hetzij de BBT-GMPN uitgedrukt in kWh/ton karkassen, hetzij de BBT-GMPN uitgedrukt in kWh/dier is van toepassing.
(32) De BBT-GMPN’s verwijzen naar het slachten van uitsluitend de betrokken dieren.
(33) De bovengrens van het BBT-GMPN-bereik kan hoger zijn en maximaal 415 kWh/ton karkassen bedragen als het specifieke netto-energieverbruik de door FDM-activiteiten verbruikte energie omvat.
(34) De bovengrens van het BBT-GMPN-bereik kan hoger zijn en maximaal 150 kWh/dier bedragen als het specifieke netto-energieverbruik de door FDM-activiteiten verbruikte energie omvat.
(35) Het BBT--GMPN-bereik is mogelijk niet toepasbaar op installaties die meer dan 50 % gemaksproducten produceren (d.w.z. vleesproducten die verder worden verwerkt dan alleen in stukken snijden, bv. gemarineerde producten, worst) als percentage van het totale gewicht van de FDM-producten.
(36) Hetzij de BBT-GMPN uitgedrukt in m3/ton karkassen, hetzij de BBT-GMPN uitgedrukt in m3/dier is van toepassing.
(37) De BBT-GMPN’s verwijzen naar het slachten van uitsluitend de betrokken dieren.
(38) De bovengrens van het BBT-GMPN-bereik kan hoger zijn en maximaal 5,25 m3/ton karkassen bedragen als de specifieke lozing het door FDM-activiteiten verbruikte afvalwater omvat.
(39) De bovengrens van het BBT-GMPN-bereik kan hoger zijn en maximaal 2,45 m3/dier bedragen als de specifieke lozing het door FDM-activiteiten verbruikte afvalwater omvat.
(40) De BBT-GMPN is van toepassing op installaties die uitsluitend varkenshuid als grondstof gebruiken.
(41) Het BBT-GMPN-bereik is mogelijk niet van toepassing op lozingen van zeewater afkomstig van de productie van vismeel en visolie.
(42) De BBT-GMPN is van toepassing op installaties die uitsluitend varkenshuid als grondstof gebruiken.
(43) Het BBT-GEN-bereik is mogelijk niet van toepassing in het geval van verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen als:
|
— |
de verbrandingstemperatuur is voldoende hoog (doorgaans tussen 750 en 850 °C) met voldoende verblijftijd (doorgaans tussen 1 en 2 seconden), en |
|
— |
het geurverwijderingsrendement bedraagt ≥ 99 %, of, als alternatief, als er in de behandelde afgassen geen procesgeur waarneembaar is. |
(44) In het geval van de verwijderingstechniek(en) andere dan de verbranding van onaangenaam geurende gassen kan de bovengrens van het BBT-GEN-bereik hoger zijn, tot maximaal 3 000 ouE/m3, als het verwijderingsrendement ≥ 92 % bedraagt, of er in de behandelde afgassen geen procesgeur waarneembaar is.
(45) De bovengrens van het BBT-GEN-bereik kan hoger zijn en maximaal 7 mg/Nm3 bedragen in het geval van verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen.
(46) Het BBT-GEN-bereik is alleen van toepassing wanneer H2S op basis van de in BBT 2 vermelde inventaris van inputs en outputs is aangemerkt als relevant in de afgasstroom.
(47) Het BBT-GEN-bereik is mogelijk niet van toepassing in het geval van verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen als:
|
— |
de verbrandingstemperatuur is voldoende hoog (doorgaans tussen 750 en 850 °C) met voldoende verblijftijd (doorgaans tussen 1 en 2 seconden), en |
|
— |
het geurverwijderingsrendement bedraagt ≥ 99 %, of, als alternatief, er in de behandelde afgassen geen procesgeur waarneembaar is. |
(48) Het BBT-GEN is alleen van toepassing op de verbranding (bv. in thermische oxidatoren of stoomketels) van onaangenaam geurende gassen, met inbegrip van niet-condenseerbare gassen.
ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2023/2749/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)