Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017R0787

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/787 van de Commissie van 8 mei 2017 tot vaststelling van een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor zeebrasem in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan

C/2017/2906

PB L 119 van 9.5.2017, pp. 4–6 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2017/787/oj

9.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 119/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/787 VAN DE COMMISSIE

van 8 mei 2017

tot vaststelling van een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor zeebrasem in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (1), en met name artikel 45, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) voorziet in maatregelen voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van biologische rijkdommen van de zee, zoals de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte, die is gedefinieerd als de grootte van een levende mariene aquatische soort, rekening houdend met de leeftijd, waaronder beperkingen of stimulansen gelden om de vangst door middel van visserijactiviteiten te vermijden.

(2)

Krachtens artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moet in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid ernaar worden gestreefd dat de levende biologische rijkdommen van de zee zo worden geëxploiteerd dat de populaties van de gevangen soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

(3)

Overeenkomstig artikel 45, lid 1, van Verordening (EG) nr. 850/98 kan de Commissie in aanvulling op of in afwijking van die verordening alle nodige maatregelen nemen indien de instandhouding van bestanden van mariene organismen onmiddellijk optreden vergt. Bijlage XII bij die verordening vermeldt de minimuminstandhoudingsreferentiegrootten van mariene organismen. Momenteel bevat die bijlage geen minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo).

(4)

Rode zeebrasem (hierna „zeebrasem” genoemd) is een langlevende, laat geslachtsrijpe en traag groeiende diepzeesoort die een lage productiviteit heeft en kwetsbaar is voor exploitatie; de soort komt voor in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Uit taggegevens blijkt dat zeebrasem over een groot gebied verspreid is. De soort trekt heen en weer tussen de Middellandse Zee en de Atlantische Oceaan. Om biologische en beheersmatige redenen wordt de populatie in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan door de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) onderverdeeld in drie verschillende componenten, die voorkomen in: a) de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII, b) ICES-deelgebied IX en aangrenzende gebieden, en c) ICES-deelgebied X (Azoren).

(5)

Volgens het meest recente ICES-advies voor zeebrasem in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII, dat dateert van juni 2016 (hierna „het meest recente ICES-advies” genoemd) (3), is het bestand ernstig uitgeput, waardoor voor het eerst wordt aanbevolen de totale toegestane vangsten (TAC's) op nul vast te stellen. ICES wijst erop dat de vangsten van zeebrasem in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII op 1 à 2 % van het historische niveau van de jaren zestig en zeventig liggen. Op basis van de resultaten van de drie op de monitoring van deze visserij gerichte onderzoeken met bodemtrawls in Frankrijk, Spanje en Ierland meldt ICES dat tijdens die wetenschappelijke onderzoeken nauwelijks zeebrasem is gevangen, wat de beoordeling dat de paaibiomassa van het bestand erg gering is, kracht bijzet. Met het oog op het herstel van het bestand beveelt ICES daarom aan de sterfte met alle mogelijke middelen te verminderen (3). Voorts benadrukt ICES dat het van belang is met spoed beheersmaatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren in te voeren en met name een minimumaanlandingsmaat vast te stellen om te vermijden dat kleine vissen worden gevangen.

(6)

Op grond van het meest recente ICES-advies voor zeebrasem in ICES-deelgebied IX is het wenselijk de vangsten voor 2017 met 13 % en voor 2018 met nog eens 14 % te verlagen (4). ICES heeft vastgesteld dat de vangsten sinds 2009 duidelijk lager liggen dan de TAC's en tussen 2009 en 2015 van 718 tot 152 ton zijn teruggevallen (5). ICES wijst er eveneens op dat het verspreidingsgebied van de bestanden zich uitstrekt tot buiten deelgebied IX en dat de vangstgegevens onvolledig zijn.

(7)

Op grond van het meest recente ICES-advies voor zeebrasem in ICES-deelgebied X is het wenselijk de vangsten voor 2017 met 12 % te verlagen en voor 2018 met nog eens 12 %. In ICES-deelgebied X liggen de vangsten van zeebrasem op ongeveer twee derde van het niveau van 2009 en voorgaande jaren. In april 2015 heeft het WTECV erop gewezen dat zowel de zeebrasemvangsten als de vangsten per inspanningseenheid in de voorbije jaren zijn gedaald, wat betekent dat de bevisbare biomassa van zeebrasem eveneens is afgenomen en de bestaande maatregelen dus niet doeltreffend genoeg zijn om die afname te voorkomen.

(8)

ICES beveelt de vaststelling aan van een beheersplan voor het hele verspreidingsgebied van het bestand, inclusief de aangrenzende gebieden van de Cecaf (Visserijcommissie voor het centraaloostelijk deel van de Atlantische Oceaan) en de GFCM (Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee), met name omdat veel zeebrasem uit het bestand van gebied IX wordt gevangen in aangrenzende gebieden die niet onder de huidige TAC vallen en waarover bestandsinformatie ontbreekt. ICES beveelt de invoering aan van beheersmaatregelen die een evenwichtige exploitatieverdeling over jongere en oudere vis waarborgen, wat kan worden bereikt door een minimumaanlandingsmaat vast te stellen.

(9)

Uit de bovenvermelde recente ontwikkelingen blijkt dat het zeebrasembestand door overbevissing en een gebrek aan afdoende beheersmaatregelen ernstig is uitgeput in de ICES-deelgebieden VI, VII en VIII en tot een laag niveau is gedaald in de ICES-deelgebieden IX en X.

(10)

In het licht van het voorgaande zijn er duidelijk aanwijzingen dat de zeebrasembestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan overbevist zijn en in alle gebieden dreigen in te storten indien niet onmiddellijk wordt opgetreden om jonge exemplaren te beschermen.

(11)

Tot dusver heeft de Unie de zeebrasemsterfte trachten te verminderen met onder meer TAC's (sinds 2003) en de invoering van een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van 33 cm voor het Middellandse Zeegebied bij Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad (6) inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee op basis van wetenschappelijk advies (7). In Verordening (EG) nr. 850/98 zijn minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor bepaalde mariene organismen in andere gebieden, waaronder de Atlantische Oceaan, maar nog geen minimummaat voor Atlantische zeebrasem vastgesteld.

(12)

Uit wetenschappelijk advies blijkt dat Atlantische zeebrasem in de gebieden VI, VII, VIII, IX en X bij een maat tussen 33 en 36 cm geslachtsrijp wordt. Om uit te maken of de maatregel evenredig is, en met name of een minimummaat van 33 cm voor het bestand moet gelden, heeft de Commissie zich gebogen over het wetenschappelijke advies en rekening gehouden met de noodzaak tot samenhang met het gemeenschappelijk visserijbeleid en met de doelstelling om teruggooi geleidelijk uit te bannen. Uit het wetenschappelijke advies blijkt dat bij een maat van 33 cm 75 % van de mannelijke zeebrasem en 25 % van de vrouwelijke zeebrasem geslachtsrijp worden (8). 33 cm is bijgevolg de maat waarbij zeebrasem zich kan voortplanten en kan zorgen voor de aanvulling van het bestand. Bovendien zou een minimummaat van 36 cm leiden tot teruggooi van zeebrasem en dus niet stroken met de doelstelling om teruggooi geleidelijk uit te bannen.

(13)

Bovendien is de minimummaat voor zeebrasem in de Middellandse Zee momenteel 33 cm. Aangezien zeebrasem heen en weer trekt tussen de Middellandse Zee en het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, is het voor de doeltreffendheid van de maatregelen noodzakelijk dat in alle verspreidingsgebieden van het bestand dezelfde mate van bescherming wordt geboden. Zo wordt ook een verkeerde rapportage vermeden. Indien zeebrasem kleiner dan 33 cm zou mogen worden gevangen en aangeland, zou dat de voortplantingscapaciteit van het bestand negatief beïnvloeden en de instandhouding van de bestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan ernstig in gevaar brengen.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen hebben betrekking op de instandhouding van uitputbare visbestanden. Zij hebben ten doel overbevissing van zeebrasembestanden te vermijden en die bestanden te herstellen tot veilige biologische niveaus. De minimummaat van 33 cm voor die bestanden geldt voor Unieproducten en voor geïmporteerde producten, ongeacht de oorsprong ervan. De maatregelen zullen worden toegepast in samenhang met instandhoudingsmaatregelen van de Unie die erop gericht zijn soortgelijke problemen aan te pakken, waaronder de maatregelen van Verordening (EU) nr. 1367/2014 van de Raad (9).

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 850/98 en ter aanvulling van bijlage XII bij die verordening geldt een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte van 33 cm voor zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in de gebieden 1 tot en met 5 als omschreven in artikel 2 van die verordening.

Artikel 2

De Commissie beoordeelt vóór eind 2018 of de bij deze verordening ingevoerde maatregelen nog noodzakelijk zijn.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  ICES-advies van 3 juni 2016, 9.3.43 — zeebrasem in de deelgebieden 6, 7 en 8.

(4)  ICES-advies van 3 juni 2016, 9.3.41 — zeebrasem in deelgebied 9.

(5)  ICES WGDEEP, verslag 2016, blz. 535.

(6)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmartregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 9).

(7)  SEC(2002) 888 (Brussel, 16.8.2002) — verslag van de ad-hocwerkgroep over de evaluatie van de herstelplannen van Andalusië en Sicilië en SEC(2004) 772, blz. 406.

(8)  Verslag van het WTECV, 16-09 — Red seabream_JRC101980, Minimum conservation size for Red Seabream (Pagellus bogaraveo), blz. 9, vijfde, zesde en zevende alinea.

(9)  Verordening (EU) nr. 1367/2014 van de Raad van 15 december 2014 tot vaststelling, voor 2015 en 2016, van de vangstmogelijkheden voor vissersvaartuigen van de Unie voor bepaalde bestanden van diepzeevissen (PB L 366 van 20.12.2014, blz. 1).


Top