Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012L0048

Richtlijn 2012/48/EU van de Commissie van 10 december 2012 tot wijziging van de bijlagen bij Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

PB L 6 van 10.1.2013, pp. 1–48 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 06/10/2018; stilzwijgende opheffing door 32016L1629

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2012/48/oj

10.1.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 6/1


RICHTLIJN 2012/48/EU VAN DE COMMISSIE

van 10 december 2012

tot wijziging van de bijlagen bij Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad (1), en met name artikel 20, lid 1, eerste alinea, eerste zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sinds de vaststelling van Richtlijn 2006/87/EG in december 2006 zijn er wijzingen aan het Reglement onderzoek schepen op de Rijn goedgekeurd op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte. Derhalve is het noodzakelijk Richtlijn 2006/87/EG dienovereenkomstig aan te passen.

(2)

Er dient gewaarborgd te worden dat het communautair binnenvaartcertificaat en het certificaat van onderzoek afgegeven conform het Reglement onderzoek schepen op de Rijn worden afgegeven op basis van technische voorschriften die eenzelfde veiligheidsniveau bieden.

(3)

Om te voorkomen dat de concurrentieverhoudingen en de verschillende veiligheidsniveaus worden verstoord, moeten de wijzigingen aan Richtlijn 2006/87/EG zo snel mogelijk van kracht worden.

(4)

Ten gevolge van de goedkeuring van Uitvoeringsbesluiten 2012/64/EU (2), 2012/65/EU (3) en 2012/66/EU (4) van de Commissie van 2 februari 2012 inzake de goedkeuring van drie classificatiebureaus overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2006/87/EG, moet bijlage VII bij Richtlijn 2006/87/EG dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De in deze richtlijn bedoelde maatregelen stemmen overeen met het advies van het comité als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 91/672/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (5),

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/87/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage II bij Richtlijn 2006/87/EG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij de onderhavige richtlijn.

2)

Bijlage VII bij Richtlijn 2006/87/EG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij de onderhavige richtlijn.

3)

Bijlage IX bij Richtlijn 2006/87/EG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij de onderhavige richtlijn.

Artikel 2

Lidstaten die binnenwateren hebben als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2006/87/EG doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om ten laatste op 1 december 2013 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten die binnenwateren hebben als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2006/87/EG.

Gedaan te Brussel, 10 december 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 389 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)   PB L 33 van 4.2.2012, blz. 6.

(3)   PB L 33 van 4.2.2012, blz. 7.

(4)   PB L 33 van 4.2.2012, blz. 8.

(5)   PB L 373 van 31.12.1991, blz. 29.


BIJLAGE I

Bijlage II bij Richtlijn 2006/87/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1.01 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 97, 97a en 97b komen als volgt te luiden:

„97.   „classificatiebureau”: een classificatiebureau dat is erkend overeenkomstig de criteria en procedures van bijlage VII van de richtlijn;

97a.   „navigatielichten”: licht van signaallampen voor het aanduiden van schepen;

97b.   „lichtseinen”: licht gebruikt als aanvulling op visuele of geluidsseinen.”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„106.   „erkend deskundige”: een persoon die door een bevoegde autoriteit of door een gemachtigde instantie is erkend, die bijzondere kennis heeft op het relevante gebied op grond van zijn vakkundige opleiding en ervaring, die volkomen vertrouwd is met de relevante voorschriften en algemeen erkende technische regels (bv. EN-normen, relevante reglementen, technische regels van andere EU-lidstaten) en die de betrokken installaties of inrichtingen kan keuren en met kennis van zaken kan beoordelen;

107.   „deskundige”: een persoon die bijzondere kennis heeft op het relevante gebied op grond van zijn vakkundige opleiding en ervaring, die volkomen vertrouwd is met de relevante voorschriften en algemeen erkende technische regels (bv. EN-normen, relevante reglementen, technische regels van andere EU-lidstaten) en die de betrokken installaties of inrichtingen kan keuren en met kennis van zaken kan beoordelen.”.

2)

Artikel 2.01, lid 2, punt c), komt als volgt te luiden:

„c)

een erkend nautisch deskundige die in het bezit is van een binnenvaartschipperspatent, die de houder toestaat het schip dat moet worden onderzocht, te voeren.”.

3)

Artikel 3.02, lid 1, onder b), eerste alinea komt als volgt te luiden:

„b)

Bij onderzoeken als bedoeld in artikel 2.09 moeten bij schepen die van staal zijn gebouwd als minimale diktes van de bodem-, kim- en zijbeplating ten minste de grootste van de aan de hand van de volgende formules vastgestelde waarden worden genomen:”.

4)

De titel van artikel 6.09 komt als volgt te luiden:

Artikel 6.09

Keuring ”.

5)

Artikel 7.05, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.

Navigatielichten, evenals hun lantaarnhuizen en toebehoren, dragen het keurmerk dat is bepaald in Richtlijn 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996 inzake uitrusting van zeeschepen. (*1).

(*1)   PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.” "

6)

Artikel 7.06, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voldoen aan de in bijlage IX, delen I en II, vermelde voorschriften. Een bevoegde autoriteit stelt vast of aan deze eisen is voldaan en geeft vervolgens een typegoedkeuring af. Een Inland Electronic Chart Display Information System (hierna „ECDIS-apparaat” genoemd) dat in de navigatiemodus kan worden gebruikt, wordt beschouwd als een navigatieradarinstallatie.

Aan de voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers in binnenschepen van bijlage IX, deel III, moet zijn voldaan.

De lijst van de overeenkomstig bijlage IX of op grond van als gelijkwaardig erkende typegoedkeuringen toegestane navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers wordt door de Europese Commissie gepubliceerd.”.

7)

Artikel 8.01, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.

Drukvaten voor de bedrijfsvoering van het schip moeten door een erkend deskundige op de bedrijfszekerheid worden gekeurd:

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór hernieuwde ingebruikstelling na een verandering of reparatie, en

c)

regelmatig, ten minste elke vijf jaar.

De keuring bestaat uit een interne en externe controle. Voor persluchthouders die intern niet goed kunnen worden gecontroleerd of waarvan de staat bij de interne controle niet afdoend kan worden vastgesteld, moet bijkomend een niet-destructief onderzoek of een waterdrukcontrole worden uitgevoerd.

Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven.

Andere installaties die regelmatige controle vereisen zoals stoomketels, andere drukvaten, alsmede hun toebehoren en liften moeten voldoen aan de voorschriften van één van de lidstaten van de Unie.”.

8)

Artikel 10.02, lid 1, komt als volgt te luiden:

„1.

Ten minste de volgende uitrustingsstukken moeten volgens de in de lidstaten van kracht zijnde scheepvaartpolitiereglementen aanwezig zijn:

a)

marifooninstallatie;

b)

apparaten en installaties die nodig zijn voor het uitzenden van lichtseinen en akoestische seinen, alsmede voor voeren en tonen van de optische tekens;

c)

onafhankelijk van het aan boord aanwezige elektriciteitsnet werkende lichten ter vervanging van de voor het stilliggen voorgeschreven lichten.

Bovendien moeten de volgende verzamelreservoirs aanwezig zijn:

a)

een als zodanig aangeduid verzamelreservoir voor huisvuil;

b)

een als zodanig aangeduid verzamelreservoir van staal of van ander stootvast brandbestendig materiaal, met sluitend deksel en van voldoende grootte, maar ten minste 10 l inhoud, voor het verzamelen van

aa)

oliehoudende poetslappen;

bb)

vast klein chemisch afval;

cc)

vloeibaar klein chemisch afval;

en voor zover dit geproduceerd kan worden, voor het verzamelen van

dd)

slops;

ee)

overig olie- of vethoudend afval.”.

9)

Artikel 10.03 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 komt de eerste zin als volgt te luiden:

„1.

Op de volgende plaatsen moet telkens 1 draagbaar blustoestel overeenkomstig de Europese normen EN 3-7:2007 en EN 3-8:2007 aanwezig zijn:”;

b)

lid 2 komt als volgt te luiden:

„2.

Als draagbare blustoestellen, voorgeschreven in lid 1, mogen slechts poederblussers worden gebruikt met een inhoud van ten minste 6 kg dan wel andere draagbare blustoestellen met eenzelfde bluscapaciteit. Zij moeten geschikt zijn voor de brandklassen A, B en C.

In afwijking daarvan zijn op schepen waarop geen vloeibaargasinstallaties zijn geïnstalleerd, sproeischuimbrandblussers met tot – 20 °C vorstvrij brandblusschuim bestaande uit water met AFFF-AR-schuim (Aqua Film Forming Foam) toegestaan, ook wanneer deze niet voor brandklasse C geschikt zijn. De minimuminhoud van deze blustoestellen moet 9 liter bedragen.

Alle blustoestellen moeten geschikt zijn voor het blussen van branden in elektrische installaties tot 1 000 V.”;

c)

lid 5 komt als volgt te luiden:

„5.

Draagbare blustoestellen moeten ten minste elke twee jaar door een deskundige worden gekeurd. Hiervan moet een keuringslabel op het blustoestel worden bevestigd, ondertekend door de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is vermeld.”.

10)

Artikel 10.03a, leden 6, 7 en 8, komt als volgt te luiden:

„6.

De installaties moeten door een erkend deskundige worden gekeurd:

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;

c)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

d)

regelmatig, ten minste elke twee jaar.

Keuringen overeenkomstig punt d) kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van blussystemen.

7.

Bij de keuring, als bedoeld in lid 6, controleert de erkende deskundige of de deskundige of de installaties aan de eisen van dit artikel voldoen.

De keuring moet ten minste bestaan uit:

a)

inspectie van de buitenkant van de installatie als geheel;

b)

controle van de bedrijfszekerheid van de veiligheidssystemen en de sproeikoppen;

c)

controle van de bedrijfszekerheid van het systeem van druktanks en pompen.

8.

Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige of deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven.”.

11)

Artikel 10.03b, lid 9, punten b), c) en e), komt als volgt te luiden:

„b)

de installatie moet door een erkend deskundige worden gekeurd:

aa)

vóór de eerste ingebruikstelling;

bb)

vóór hernieuwde ingebruikstelling na in werking te zijn geweest;

cc)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

dd)

regelmatig, ten minste elke twee jaar.

Keuringen overeenkomstig punt dd) kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van blussystemen;

c)

bij de keuring controleert de erkende deskundige of de deskundige of de installatie aan de eisen van dit artikel voldoet;”

„e)

hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige of deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven.”.

12)

Artikel 11.02 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 4 komt als volgt te luiden:

„4.

Buitenkanten van de dekken, de gangboorden en de werkplekken waarbij de valhoogte meer dan 1 m kan bedragen, moeten zijn voorzien van een verschansing of den van elk ten minste 0,90 m hoogte of van doorlopende relingen die voldoen aan de Europese norm EN 711:1995. Indien het gangboord een neerklapbare reling heeft, dan

a)

moet tevens een doorlopende leuning met een diameter van 0,02 tot 0,04 m op een hoogte van 0,7 tot 1,1 m aan de dennenboom worden bevestigd en

b)

moeten op goed zichtbare plaatsen aan het begin van het gangboord markeringen overeenkomstig aanhangsel I, figuur 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht.

Waar geen dennenboom aanwezig is, moet een vaste reling zijn geïnstalleerd.”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„4a.

In afwijking van lid 4 hoeven bij duwbakken en sleepschepen zonder verblijven geen verschansing of relingen aanwezig te zijn, indien:

a)

aan de buitenkanten van de dekken en de gangboorden voetlijsten zijn bevestigd;

b)

aan de dennenbomen handrelingen als bedoeld in lid 4, onder a) werden bevestigd, en

c)

op goed zichtbare plaatsen op het dek markeringen overeenkomstig aanhangsel I, figuur 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht.

4b.

In afwijking van lid 4 hoeven bij schepen met een gesloten dek geen relingen aan de buitenkanten van deze dekken of in de gangboorden aanwezig te zijn, indien:

a)

de verkeersweg over deze gesloten dekken loopt en is omgeven door vaste relingen in overeenstemming met EN 711:1995, en

b)

op goed zichtbare plaatsen op de overgangen naar de relingloze zones markeringen overeenkomstig aanhangsel I, figuur 10, met een diameter van ten minste 15 cm zijn aangebracht.”;

c)

het volgende lid 6 wordt ingevoegd:

„6.

Lid 4, 4a en 4b zijn tijdelijke voorschriften overeenkomstig artikel 1.06 en zijn van kracht tot en met 1 december 2016.”.

13)

Artikel 11.04 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 komt als volgt te luiden:

„2.

De vrije breedte van het gangboord kan tot een hoogte van 0,90 m daarboven tot 0,50 m beperkt blijven wanneer de vrije breedte in het gedeelte daarboven tussen de buitenkant van de scheepshuid en de binnenkant van de opening van het laadruim ten minste 0,65 m bedraagt.”

b)

Het volgende lid 4 wordt ingevoegd:

„4.

Lid 2 is een tijdelijk voorschrift overeenkomstig artikel 1.06 en is van kracht tot en met 1 december 2016.”.

14)

Artikel 11.12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

leden 6 en 7 komen als volgt te luiden:

„6.

Kranen moeten door een erkende deskundige worden gekeurd:

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

c)

regelmatig, ten minste om de tien jaar.

Bij deze keuring dient de aanwezigheid van voldoende stevigheid en stabiliteit rekenkundig en door een belastingsproef aan boord te worden aangetoond.

Voor kranen waarvan de bedrijfslast niet meer bedraagt dan 2 000 kg kan de erkende deskundige beslissen het rekenkundige bewijs geheel of gedeeltelijk te vervangen door een proef met het 1,25-voudige van de bedrijfslast die over het hele werkgebied wordt uitgevoerd.

Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven.

7.

Kranen dienen regelmatig, echter ten minste eens in de twaalf maanden, door een deskundige te worden gekeurd. Hierbij dient door visuele controle en controle van het functioneren te worden vastgesteld dat de kraan veilig is.

Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven.”;

b)

lid 8 wordt geschrapt;

c)

lid 10 komt als volgt te luiden:

„10.

De gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de kraan wordt aan boord bewaard. Deze bevat ten minste de volgende gegevens:

a)

toepassing en functie van de bedieningsorganen;

b)

maximaal toelaatbare bedrijfslast overeenkomstig de vlucht;

c)

maximaal toelaatbare helling van de kraan;

d)

handleiding voor montage en onderhoud;

e)

algemene technische gegevens.”.

15)

Artikel 14.13 komt als volgt te luiden:

Artikel 14.13

Keuring

Een erkend deskundige keurt of de vloeibaargasinstallaties in overeenstemming zijn met dit hoofdstuk:

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

c)

bij iedere vernieuwing van de in artikel 14.15 bedoelde aantekening.

Hiervan moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkend deskundige die de keuring heeft verricht, en waarin de datum van de keuring is aangegeven. Een kopie van de verklaring moet aan de commissie van deskundigen worden overgelegd.”.

16)

De titel van artikel 14.14 komt als volgt te luiden:

Artikel 14.14

Testvoorwaarden ”.

17)

Artikel 14.15, lid 3, tweede alinea, komt als volgt te luiden:

„Bij wijze van uitzondering kan de commissie van deskundigen op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar van een schip of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van de aantekening met ten hoogste drie maanden verlengen, zonder dat eerst een keuring overeenkomstig artikel 14.13 heeft plaatsgehad. Deze verlenging wordt in het communautair binnenvaartcertificaat aangetekend.”.

18)

Artikel 15.02, lid 8, komt als volgt te luiden:

„8.

In schotten die machinekamers van passagiersruimten of woonruimten voor het boordpersoneel scheiden, zijn deuren niet toegestaan.”.

19)

Artikel 15.03 komt als volgt te luiden:

a)

lid 5 komt als volgt te luiden:

„5.

Het moment ten gevolge van wind (MW) moet als volgt worden berekend:

Formula

In deze formule betekent:

pW

=

specifieke winddruk van 0,25 kN/m2;

AW

=

zijdelings oppervlak van het schip boven het vlak van de diepgang in [m2] dat overeenkomt met de betreffende beladingstoestand;

lW

=

afstand van het zwaartepunt van het zijdelingse vlak AW tot het vlak van de diepgang in m die overeenkomt met de betreffende beladingstoestand in [m].

Bij de berekening van het zijdelingse oppervlak moeten de voorziene overdekkingen van het dek door dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen in aanmerking worden genomen.”;

b)

lid 9, onder a), komt als volgt te luiden:

„a)

Voor de 1-compartimentstatus kunnen de schotten als onbeschadigd worden beschouwd, wanneer de onderlinge afstand tussen twee aangrenzende schotten groter is dan de lengte van het lek. Langsschotten die zich, gemeten in een rechte hoek op de middellijn in het vlak van grootste diepgang, op een afstand van minder dan B/3 ten opzichte van de scheepshuid bevinden, mogen in de berekening niet worden meegenomen. Een sprong of een nis in een dwarsschot, waarvan de lengte groter is dan 2,50 m, wordt als een langsschot beschouwd.”.

20)

Artikel 15.06 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 komt als volgt te luiden:

„1.

Passagiersverblijven moeten:

a)

zich op alle dekken achter het vlak van het aanvaringsschot en, indien ze onder het schottendek zijn gelegen, vóór het vlak van het achterpiekschot bevinden;

b)

gasdicht gescheiden zijn van machinekamers en ketelruimen;

c)

zo zijn ingericht dat het vrije zicht overeenkomstig artikel 7.02 niet wordt belemmerd.

Dekzones die door dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen niet alleen naar boven, maar ook zijdelings gedeeltelijk of geheel zijn overdekt, moeten aan dezelfde eisen als gesloten passagiersverblijven voldoen.”;

b)

lid 15 komt als volgt te luiden:

„15.

Opbouwen of de daken daarvan die volledig uit panoramaruiten bestaan en overdekkingen door dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen en constructies daaronder moeten dusdanig zijn uitgevoerd, en mogen slechts van dusdanig materiaal zijn vervaardigd, dat ingeval van schade de kans op verwonding van personen aan boord zo klein mogelijk is.”.

21)

Artikel 15.11 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2, onder a) komt als volgt te luiden:

„2.   Scheidingsvlakken

a)

van ruimten moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de volgende tabellen:

aa)

Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin geen sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 10.03a zijn geïnstalleerd

Ruimten

Controleposten

Trappenschachten

Verzamelruimten

Verblijfsruimten

Machinekamers

Keukens

Voorraadruimten

Controleposten

A0

A0/B15 (1)

A30

A60

A60

A30/A60 (5)

Trappenschachten

 

A0

A30

A60

A60

A30

Verzamelruimten

 

 

A30/B15 (2)

A60

A60

A30/A60 (5)

Verblijfsruimten

 

 

 

—/A0/B15 (3)

A60

A60

A30

Machinekamers

 

 

 

 

A60/A0 (4)

A60

A60

Keukens

 

 

 

 

 

A0

A30/B15 (6)

Voorraadruimten

 

 

 

 

 

 

bb)

Tabel voor scheidingsvlakken van ruimten waarin sprinklerinstallaties als bedoeld in artikel 10.03a zijn geïnstalleerd

Ruimten

Controleposten

Trappenschachten

Verzamelruimten

Verblijfsruimten

Machinekamers

Keukens

Voorraadruimten

Controleposten

A0

A0/B15 (7)

A0

A60

A30

A0/A30 (11)

Trappenschachten

 

A0

A0

A60

A30

A0

Verzamelruimten

 

 

A30/B15 (8)

A60

A30

A0/A30 (11)

Verblijfsruimten

 

 

 

—/B15/B0 (9)

A60

A30

A0

Machinekamers

 

 

 

 

A60/A0 (10)

A60

A60

Keukens

 

 

 

 

 

A0/B15 (12)

Voorraadruimten

 

 

 

 

 

 

b)

lid 4 komt als volgt te luiden:

„4.

De in ruimten voor passagiers aangebrachte plafonds en stofferingen van wanden met inbegrip van de constructies daaronder moeten, voor zover die ruimten niet over een automatisch werkende sprinklerinstallatie beschikken als bedoeld in artikel 10.03a, van onbrandbaar materiaal zijn vervaardigd met uitzondering van de oppervlakken ervan, die ten minste moeilijk ontvlambaar moeten zijn. De eerste volzin is niet van toepassing op sauna's.”;

c)

het volgende lid 7a wordt ingevoegd:

„7a.

Dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen, waarmee dekzones gedeeltelijk of geheel worden overdekt, evenals constructies daaronder moeten moeilijk ontvlambaar zijn.”.

22)

Artikel 22a.04 komt als volgt te luiden:

Artikel 22a.04

Drijfvermogen en stabiliteit

1.

Op vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m, met uitzondering van passagiersschepen, zijn de leden 2 tot en met 10 van toepassing.

2.

De basisgegevens voor de stabiliteitsberekening — ledig scheepsgewicht en ligging gewichtszwaartepunt — moeten worden bepaald door een hellingproef overeenkomstig bijlage I bij IMO-resolutie MSC 267 (85).

3.

De aanvrager moet met een berekening die berust op de procedure van het wegvallen van het drijfvermogen aantonen dat het drijfvermogen en de stabiliteit van het schip in lekke toestand voldoende zijn. Alle berekeningen moeten zodanig worden uitgevoerd dat daarbij aan diepgang en trim geen vaste waarden zijn toegekend.

Het bewijs van voldoende drijfvermogen en stabiliteit van het schip in lekke toestand moet worden aangetoond bij een belading die met de grootste diepgang van het schip overeenkomt en gelijkmatig over alle laadruimten is verdeeld, en bij maximale voorraden en een volle tank van het schip.

Bij een ongelijksoortige lading moet de stabiliteitsberekening worden gebaseerd op de meest ongunstige beladingstoestand. Deze stabiliteitsberekening moet aan boord worden bewaard.

Hierbij moet voor de tussenstadia van het volstromen (25 %, 50 % en 75 % van de eindtoestand van het volgestroomd zijn en, indien van toepassing, vlak vóór het volstromen uit dwarsrichting) en vóór de eindtoestand van het volgelopen zijn, onder de bovenstaande beladingcondities aan het rekenkundig bewijs van voldoende stabiliteit zijn voldaan.

4.

Voor de lekke toestand moeten de volgende uitgangspunten in acht worden genomen:

a)

omvang van de schade aan een scheepszijde:

langsscheeps

:

ten minste 0,10 L,

dwarsscheeps

:

0,59 m,

verticaal

:

vanaf de scheepsbodem naar boven onbegrensd;

b)

omvang van de schade aan de scheepsbodem:

langsscheeps

:

ten minste 0,10 L,

dwarsscheeps

:

3,00 m,

verticaal

:

vanaf de basis naar boven 0,39 m, lensput uitgezonderd;

c)

alle in de beschadigde zone aanwezige schotten zijn als lek te beschouwen; dat wil zeggen dat de schotindeling zo gekozen moet zijn dat het vaartuig ook bij het vollopen van twee of meer direct achter elkaar liggende afdelingen blijft drijven. Voor de hoofdmachinekamer behoeft slechts het drijfvermogen aangetoond te worden voor de 1-compartimentstatus, d.w.z. machinekamer-eindschotten worden als niet beschadigd beschouwd.

Bij een bodembeschadiging moeten ook dwarsscheeps naast elkaar liggende afdelingen als volgelopen worden beschouwd;

d)

permeabiliteit

Er moet met een permeabiliteit van 95 % worden gerekend.

Wanneer een berekening aantoont dat de gemiddelde permeabiliteit van een compartiment kleiner is dan 95 %, dan mag de berekende waarde worden aangehouden.

De volgende waarden moeten ten minste worden gebruikt:

machinekamers en bedrijfsruimten: 85 %,

laadruimten: 70 %,

dubbele bodems, brandstoftanks, ballasttanks enz., al naargelang deze tanks, uit hoofde van hun bestemming, bij het in het vlak van de grootste diepgang liggende vaartuig als vol of als ledig moeten worden aangenomen: 0 of 95 %;

e)

voor de berekening van het effect van de vrije oppervlakken bij alle tussenstadia van het volstromen wordt uitgegaan van de bruto grondvlakken van de beschadigde ruimten.

5.

Bij alle tussenstadia van het vollopen als bedoeld in lid 3 moet aan de volgende criteria worden voldaan:

a)

de hoek van de slagzij φ van de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium mag niet meer bedragen dan 15° (5° indien de containers niet zijn vastgezet);

b)

afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZ ≥ 0,02 m (0,03 m indien de containers niet zijn vastgezet), voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 27° bereikt wordt (15° indien de containers niet zijn vastgezet);

c)

niet-waterdichte openingen mogen niet onder water komen voordat de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium is bereikt.

6.

Bij de eindtoestand van het volgelopen zijn moet aan de volgende criteria worden voldaan:

a)

de onderzijde van niet-waterdicht afsluitbare openingen (bv. van deuren, ramen, toegangsluiken) moet ten minste 0,10 m boven het vlak van inzinking liggen;

b)

de hoek van de slagzij φ van de evenwichtssituatie mag niet meer bedragen dan 12° (5° indien de containers niet zijn vastgezet);

c)

afgezien van de slagzij vanuit de evenwichtssituatie van het betreffende tussenstadium moet het positieve bereik van de kromme van de armen van statische stabiliteit een oprichtende arm van statische stabiliteit aangeven van GZ ≥ 0,05 m en moet het vlak onder de kromme minstens 0,0065 m.rad bereiken, voordat de eerste onbeschermde opening onder water komt dan wel een hoek van de slagzij φ van 27° (10° indien de containers niet zijn vastgezet) wordt bereikt;

Image 1

≤ 12° / 5°

A ≥ 0,0065 m·rad

arm GZ [m]

GZR ≥ 0,05 m

eerste niet waterdicht afgesloten opening onder water, echter φ ≤ 27° / 10°

evenwichtssituatie in ondergelopen toestand

hoek van de slagzij φ [°]

d)

indien niet-waterdichte openingen onder water komen voordat de evenwichtssituatie is bereikt, moeten de ruimten die daarmee in verbinding staan bij de berekening van de lekstabiliteit als volgestroomd worden beschouwd.

7.

Wanneer doorstroomopeningen in de langsschotten worden voorzien ten behoeve van vermindering van asymmetrisch volstromen, moet aan de volgende eisen zijn voldaan:

a)

voor de berekening van het uit dwarsrichting volstromen wordt IMO-resolutie A.266 (VIII) toegepast;

b)

ze moeten automatisch functioneren;

c)

ze mogen niet van afsluitmechanismen zijn voorzien;

d)

de tijd die nodig is voor een volledige vereffening, mag niet meer bedragen dan 15 minuten.

8.

Indien openingen, waardoor onbeschadigde afdelingen alsnog vol kunnen lopen, waterdicht kunnen worden afgesloten, moet op de beide zijden van deze afsluitmechanismen het volgende opschrift op een goed leesbare plaats worden aangebracht:

„Opening na doorgang direct sluiten”.

9.

Het rekenkundige bewijs als bedoeld in leden 3 tot en met 7 wordt geacht te zijn geleverd wanneer lekstabiliteitsberekeningen overeenkomstig deel 9 van de voorschriften bij het Europese verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (hierna „ADN” genoemd), met een positief resultaat worden overgelegd.

10.

Indien het noodzakelijk is om aan de voorwaarden van lid 3 te voldoen, moet het vlak van de grootste inzinking opnieuw worden vastgesteld.”.

23)

Artikel 22a.05, lid 2, onder c), komt als volgt te luiden:

„c)

als dubbelwandig schip volgens het ADN zijn gebouwd, waarbij droge ladingschepen moeten voldoen aan de nummers 9.1.0.91 tot en met 9.1.0.95 en tankschepen aan de alinea 9.3.2.11.7 en aan de nummers 9.3.2.13 tot en met 9.3.2.15 of de alinea 9.3.3.11.7 en de nummers 9.3.3.13 tot en met 9.3.3.15 van deel 9 van het ADN;”.

(24)

In artikel 24.02, lid 2, komt de tabel als volgt te luiden:

a)

in artikel 7.05, lid 1, wordt het volgende ingevoegd:

„Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

7.05, lid 1

Navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen

De navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart, mogen nog steeds worden gebruikt.”

b)

in artikel 7.06, lid 1, wordt het volgende ingevoegd:

„7.06, lid 1

Navigatieradarinstallaties die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd

Navigatieradarinstallaties die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 31 december 2009, maar uiterlijk tot 31 december 2011, zijn ingebouwd en worden gebruikt, indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is.

 

Bochtaanwijzers die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd

Bochtaanwijzers die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd, en die ingebouwd zijn voor 1 januari 2000, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2015 zijn ingebouwd en worden gebruikt, indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is.

 

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1 januari 1990 zijn goedgekeurd

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die op of na 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor binnenvaart op de Rijn en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor binnenvaart op de Rijn zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring voorhanden is.”

c)

in artikel 10.02, lid 1, onder b), tweede zin, wordt het volgende ingevoegd:

„Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

10.02, lid 1, onder b), tweede zin

Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met een inhoud van ten minste 10 l

nvO., uiterlijk bij verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat”

d)

Artikelen 11.02, lid 4, en 11.04, lid 2, komt als volgt te luiden:

Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

„11.02, lid 4, eerste zin

Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en werkplekken

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020

Hoogte van de dennenbomen

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2035

11.04, lid 1

Vrije breedte van het gangboord

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2035, voor vaartuigen met een breedte van minstens 7,30 m

Lid 2

Relingen langsheen het schip bij schepen met L< 55 m en slechts verblijven op het achterschip

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020”

e)

Artikel 11.12 komt als volgt te luiden:

„11.12, leden 2, 4, 5 en 9

Fabriekslabel, beveiliging, bescheiden aan boord

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2015.”

f)

artikel 15.03, leden 7 tot en met 13, komen als volgt te luiden:

„Leden 7 en 8

Lekstabiliteit

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

Lid 9

Lekstabiliteit

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

 

Verticale reikwijdte van schade op de bodem van het vaartuig

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

nvO. van toepassing op schepen met waterdichte dekken op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, waarvoor een communautair binnenvaartcertificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen voor 31 december 2005 werd afgegeven

 

2-compartimentstatus

nvO.

Leden 10 tot en met 13

Lekstabiliteit

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045”

g)

artikel 15.06, lid 1, onder a), komt als volgt te luiden:

„Artikel 15.06, lid 1, eerste alinea

Passagiersverblijven onder het schottendek en vóór het achterpiekschot.

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

Artikel 15.06, lid 1, tweede alinea

Overdekkingen

nvO., uiterlijk bij verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat”

h)

artikel 15.06, lid 15, komt als volgt te luiden:

„Lid 15

Eisen voor overdekkingen binnen de opbouw die volledig of gedeeltelijk uit panoramaruiten bestaan.

nvO., uiterlijk bij verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

Eisen voor overdekkingen

nvO., uiterlijk bij verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat”

i)

in artikel 15.11, lid 7a, wordt het volgende ingevoegd:

„Lid 7a

Overdekkingen

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat”

25)

De tabel in artikel 24.06, lid 5, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in artikel 7.05, lid 1, wordt het volgende ingevoegd:

Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

Geldig voor vaartuigen met certificaat van onderzoek of vergunning voor het in de vaart brengen vóór

„7.05, lid 1

Navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen

De navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart, kunnen nog steeds worden gebruikt.

1.12.2013”

b)

in artikel 7.06, lid 1, wordt het volgende ingevoegd:

„7.06, lid 1

Navigatieradarinstallaties die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd

Navigatieradarinstallaties die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 31 december 2009, maar uiterlijk tot 31 december 2011, zijn ingebouwd en worden gebruikt, indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is.

1.12.2013

 

Bochtaanwijzers die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd

Bochtaanwijzers die voor 1 januari 1990 zijn goedgekeurd, en die ingebouwd zijn voor 1 januari 2000, mogen tot en met de afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2015 zijn ingebouwd en worden gebruikt, indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is.

1.12.2013

 

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1 januari 1990 zijn goedgekeurd

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1 januari 1990 op grond van de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor binnenvaart op de Rijn en de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor binnenvaart op de Rijn zijn goedgekeurd, mogen verder ingebouwd en gebruikt worden indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is.

1.12.2013”

c)

in artikel 10.02, lid 1, onder b), tweede zin, wordt het volgende ingevoegd:

Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

Geldig voor vaartuigen met certificaat van onderzoek of vergunning voor het in de vaart brengen vóór

„Artikel 10.02, lid 1, onder b), tweede zin

Verzamelreservoirs van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal met een inhoud van ten minste 10 l

nvO., uiterlijk bij verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat

1.12.2013”

d)

in artikelen 11.02, lid 4, en 11.04, lid 2, wordt het volgende ingevoegd:

Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

Geldig voor vaartuigen met certificaat van onderzoek of vergunning voor het in de vaart brengen vóór

„11.02, lid 4, eerste zin

Hoogte van de verschansing en luikhoofden en reling langsheen het schip

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020

1.12.2013

Hoogte van de dennenbomen

nvO. uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2035

11.04, lid 2

Relingen langsheen het schip bij schepen met L< 55 m en slechts verblijven op het achterschip

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020

1.12.2013”

e)

in artikel 11.12 wordt het volgende ingevoegd:

„11.12, leden 2, 4, 5 en 9

Fabriekslabel, beveiliging, bescheiden aan boord

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2015.

1.12.2013”

f)

artikel 15.03, leden 7 tot en met 13, komt als volgt te luiden:

„15.03, leden 7 en 8

Lekstabiliteit

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

1.12.2013

lid 9

Lekstabiliteit

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

1.12.2013

 

Verticale reikwijdte van schade op de bodem van het vaartuig

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

nvO. van toepassing op schepen met waterdichte dekken op een afstand van ten minste 0,50 m en minder dan 0,60 m van de scheepsbodem, waarvoor een communautair binnenvaartcertificaat of een andere vergunning voor het in de vaart brengen voor 31 december 2005 werd afgegeven

1.12.2013

 

2-compartimentstatus

nvO.

 

leden 10 tot en met 13

Lekstabiliteit

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

1.12.2013”

g)

de gegevens voor artikel 15.06, lid 1, worden vervangen door:

„Artikel 15.06, lid 1, eerste alinea

Passagiersverblijven onder het schottendek en vóór het achterpiekschot.

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

1.12.2013

Artikel 15.06, lid 1, tweede alinea

Overdekkingen

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat

1.12.2013”

h)

artikel 15.06, lid 15, komt als volgt te luiden:

„Lid 15

Eisen voor overdekkingen binnen de opbouw die volledig of gedeeltelijk uit panoramaruiten bestaan.

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2045

1.12.2013

 

Eisen voor overdekkingen

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat

1.12.2013”

i)

in artikel 15.11, lid 7 bis, wordt het volgende ingevoegd:

„Lid 7 bis

Overdekkingen

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat

1.12.2013”

26)

De tabel in artikel 24a.02, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:

a)

in artikel 7.05, lid 1, wordt het volgende ingevoegd:

„7.05, lid 1

Navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen

De navigatielichten, hun lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen die voldoen aan

de eisen van de op 30 november 2009 geldende voorschriften omtrent de kleur en de sterkte van lichten, alsmede omtrent de goedkeuring van navigatielantaarns in de Rijnvaart,

of

de op 30 november 2009 geldende voorschriften van een lidstaat,

kunnen nog steeds worden gebruikt.”

b)

in artikel 7.06, lid 1, wordt het volgende ingevoegd:

„7.06, lid 1

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die voor 31 december 2012 op grond van de voorschriften van een lidstaat werden goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt tot de afgifte of vervanging van het communautair binnenvaartcertificaat na 31 december 2018. Deze installaties moeten op het communautair binnenvaartcertificaat worden vermeld onder het nummer 52.

 

 

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die na 1 januari 1990 op grond van de voorschriften inzake minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor navigatieradarinstallaties voor navigatie op de Rijn en de voorschriften inzake minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers voor navigatie op de Rijn zijn goedgekeurd, mogen verder worden ingebouwd en gebruikt indien een overeenkomstig deze richtlijn of Besluit 1989-II-35 van de CCR geldige inbouwverklaring aanwezig is.”

c)

artikelen 11.02, lid 4, en 11.04, lid 2, komen als volgt te luiden:

Artikel en lid

Inhoud

Termijn en opmerkingen

„11.02, lid 4, eerste zin

Voorziening aan de buitenkanten van dekken, gangboorden en werkplekken

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020

Hoogte van verschansing of luikhoofden

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020

11.04, lid 1

Vrije breedte van het gangboord

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2035, voor vaartuigen met een breedte van minstens 7,30 m

lid 2

Relingen langsheen het schip bij schepen met L< 55 m en slechts verblijven op het achterschip

nvO., uiterlijk bij afgifte of verlenging van het communautair binnenvaartcertificaat na 1 januari 2020”

27)

Aan aanhangsel I van bijlage II bij Richtlijn 2006/87/EG wordt het volgende toegevoegd:

Figuur 10

zwemvesten dragen

Image 2

Kleur: blauw/wit

28)

Aanhangsel II van bijlage II bij Richtlijn 2006/87/EG wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inhoudsopgave wordt als volgt gewijzigd:

i)

de titel van nr. 4 komt als volgt te luiden:

„Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen”;

ii)

de titel van nr. 6 komt als volgt te luiden: „Toepasselijkheid van voorschriften in hoofdstuk 15”

iii)

het volgende wordt toegevoegd:

 

„Nr. 26: Erkende deskundigen/deskundigen

 

Nr. 27: Pleziervaartuig”;

b)

administratieaanwijzing nr. 4 komt als volgt te luiden:

ADMINISTRATIEAANWIJZING Nr. 4

Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen

(oofdstukken 15 tot en met 22b, hoofdstuk 24 en hoofdstuk 24a van bijlage II)

1.   TOEPASSELIJKHEID VAN DE OVERGANGSBEPALINGEN BIJ HET SAMENVOEGEN VAN VAARTUIGDELEN

1.1.   Beginselen

Bij het samenvoegen van delen van verschillende vaartuigen wordt status-quobescherming uitsluitend toegekend voor de delen die tot het schip behoren dat het communautair binnenvaartcertificaat behoudt. Overgangsbepalingen kunnen daarom enkel voor deze delen worden toegepast. Andere delen worden beschouwd als nieuwbouw.

1.2.   Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen in detail

1.2.1.

Bij het samenvoegen van delen van verschillende vaartuigen kunnen overgangsbepalingen enkel worden toegepast voor de delen die tot het schip behoren dat het communautair binnenvaartcertificaat behoudt.

1.2.2.

Delen die niet behoren tot het schip dat het binnenvaartcertificaat behoudt, worden beschouwd als een nieuwbouw.

1.2.3.

Na het toevoegen van een deel van een ander schip aan een bepaald schip, krijgt dit schip het Europese scheepsidentificatienummer van het vaartuig, dat het communautair binnenvaartcertificaat als omgebouwd vaartuig behoudt.

1.2.4.

Bij behoud van een bestaand communautair binnenvaartcertificaat of bij de afgifte van een nieuw communautair binnenvaartcertificaat voor een vaartuig dat is omgebouwd, wordt tevens het bouwjaar van het oudste deel van het vaartuig op het communautair binnenvaartcertificaat vermeld.

1.2.5.

Indien een nieuw voorschip aan een vaartuig wordt gezet, moet ook de motor van de in het voorschip ingebouwde boegschroefinstallatie voldoen aan de geldende voorschriften.

1.2.6.

Indien een nieuw achterschip aan een vaartuig wordt gezet, moeten tevens de in het achterschip ingebouwde motoren aan de geldende voorschriften voldoen.

1.3.   Voorbeelden ter illustratie

1.3.1.

Een schip wordt uit twee oudere schepen (schip 1 bouwjaar 1968; schip 2 bouwjaar 1972) samengesteld. Van schip 1 wordt alles behalve het voorschip overgenomen, van schip 2 het voorschip. Het samengestelde schip krijgt het communautair binnenvaartcertificaat van schip 1. Het voorschip van het samengestelde schip moet nu met onder andere ankernissen worden uitgerust.

1.3.2.

Een schip wordt uit twee oudere schepen (schip 1 bouwjaar 1975; schip 2 bouwjaar 1958, oudste deel 1952) samengesteld. Van schip 1 wordt alles behalve het voorschip overgenomen, van schip 2 het voorschip. Het samengestelde schip krijgt het communautair binnenvaartcertificaat van schip 1. Het voorschip van het samengestelde schip moet nu met onder andere ankernissen worden uitgerust. Bijkomend wordt in het communautair binnenvaartcertificaat het oudste deel van het oorspronkelijke schip 2, dat met het bouwjaar 1952, vermeld.

1.3.3.

Bij een schip met bouwjaar 1988 wordt het achterschip van een schip met bouwjaar 2001 aangebouwd. De motor van het schip met bouwjaar 1988 moet in het schip blijven. In dit geval moet de motor eerst een typegoedkeuring krijgen. De motor zou ook een typegoedkeuring moeten krijgen wanneer het de motor uit het achterschip met bouwjaar 2001 zou betreffen.

2.   TOEPASSELIJKHEID VAN DE OVERGANGSBEPALINGEN BIJ DE WIJZIGING VAN HET VAARTUIGTYPE (BESTEMMING VAN HET VAARTUIG)

2.1.   Beginselen

2.1.1.

Bij beslissingen over de toepasselijkheid van de overgangsbepalingen bij de wijziging van het vaartuigtype (scheepstype; bestemming van het schip) zijn, met betrekking op bijlage II bij deze richtlijn, veiligheidsaspecten maatgevend.

2.1.2.

Een vaartuigtype wordt als gewijzigd beschouwd wanneer voor het nieuwe vaartuigtype andere veiligheidsvoorschriften gelden dan voor het oude type; dit is het geval wanneer op het nieuwe type bijzondere bepalingen van hoofdstuk 15 tot en met 22b van bijlage II van toepassing zijn, die op het oude type niet van toepassing waren.

2.1.3.

Bij een wijziging van het vaartuigtype moet aan alle bijzondere bepalingen en aan alle voor dit vaartuigtype specifieke voorschriften zijn voldaan; voor deze voorschriften kunnen geen overgangsbepalingen worden toegepast. Dit geldt ook voor delen die van het bestaande schip worden overgenomen en waarop deze bijzondere bepalingen van toepassing zijn.

2.1.4.

De ombouw van een tankschip tot een drogeladingschip houdt geen wijziging van het vaartuigtype in de zin van punt 2.1.2 in.

2.1.5.

Bij de ombouw van een hotelschip tot een schip voor dagtochten moeten alle nieuwe delen volledig aan de geldende voorschriften voldoen.

2.2.   Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen in detail

2.2.1.

Artikel 24.02, lid 2, (nvO), resp. artikel 24a.02, lid 2, is van toepassing op de delen van het vaartuig die zijn vernieuwd; de overgangsbepalingen kunnen dus niet van toepassing zijn op nieuwe delen van het vaartuig.

2.2.2.

Voor de delen van het vaartuig die niet worden omgebouwd, blijven de overgangsbepalingen van toepassing met uitzondering van de delen bedoeld in 2.1.3, tweede zin.

2.2.3.

Indien de afmetingen van een vaartuig zijn gewijzigd, zijn de overgangsbepalingen niet meer van toepassing op de delen van het vaartuig die met deze wijziging samenhangen (bv. afstand van het aanvaringsschot, vrijboord, anker).

2.2.4.

Bij wijziging van het vaartuigtype zijn de bijzondere voorschriften van bijlage II, die slechts voor het nieuwe vaartuigtype gelden, van toepassing. Alle door de ombouw van het vaartuig betroffen delen en uitrusting moeten aan de geldende voorschriften in deel II en III van bijlage II voldoen.

2.2.5.

Aan het vaartuig wordt dan een nieuw of een gewijzigd communautair binnenvaartcertificaat toegekend en in de velden 7 en 8 van dit certificaat wordt een aantekening over de oorspronkelijke bouw en de ombouw gemaakt.

2.3.   Voorbeelden ter illustratie

2.3.1.

Een goederenschip (bouwjaar 1996) wordt tot een passagiersschip omgebouwd. Hoofdstuk 15 van bijlage II geldt dan voor het gehele schip, zonder toepassing van overgangsbepalingen. Indien het voorschip noch volgens de ombouwplannen noch krachtens hoofdstuk 15 werd gewijzigd, hoeft het vaartuig geen ankernissen overeenkomstig artikel 3.03 te hebben.

2.3.2.

Een sleepboot (bouwjaar 1970) wordt tot een duwboot omgebouwd. De materiële ombouw bestaat uitsluitend uit een wijziging van de dekuitrusting en het installeren van een duwinrichting. Alle overgangsbepalingen voor een schip van 1970 blijven van toepassing met uitzondering van hoofdstukken 5 en 7 (gedeeltelijk) en van de artikelen 10.01 en 16.01.

2.3.3.

Een motortankschip (bouwjaar 1970) wordt tot een duwboot omgebouwd. De materiële ombouw houdt in dat het voorschip en het ladingdeel worden verwijderd, dat de dekuitrusting wordt gewijzigd en een duwinrichting wordt geïnstalleerd. Alle overgangsbepalingen voor een schip van 1970 blijven van toepassing met uitzondering van de bepalingen van hoofdstukken 5 en 7 (gedeeltelijk) en van artikelen 10.01 en 16.01.

2.3.4.

Een motortankschip wordt tot een motorvrachtschip omgebouwd. Het motorvrachtschip dient te voldoen aan de geldende eisen met betrekking tot de veiligheid op werkplekken, met name die genoemd in bijlage II, hoofdstuk 11, artikel 11.04.

3.   TOEPASSELIJKHEID VAN DE OVERGANGSBEPALINGEN BIJ DE OMBOUW VAN PASSAGIERSSCHEPEN

3.1.   Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen

3.1.1.

Ombouwmaatregelen die noodzakelijk zijn om te voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk 15 betekenen — ongeacht de datum waarop ze zijn uitgevoerd — geen ombouw „U” in de zin van artikel 24.02, lid 2, artikel 24.03, lid 1 of artikel 24.06, lid 5, van bijlage II, resp. artikel 24a.02, artikel 24a.03.

3.1.2.

Bij de ombouw van een hotelschip tot een schip voor dagtochten moeten alle nieuwe delen volledig aan de geldende voorschriften voldoen.

3.2.   Voorbeelden ter illustratie

3.2.1.

Een passagiersschip (bouwjaar 1995) moet uiterlijk op 1 januari 2015 met een tweede onafhankelijke aandrijving zijn uitgerust. Voor zover aan dit passagiersschip geen andere vrijwillige ombouwen worden uitgevoerd, hoeft geen stabiliteitberekening volgens de nieuwe voorschriften te worden gemaakt, maar, indien dit daadwerkelijk nodig is, kan een stabiliteitsberekening worden gemaakt volgens de originele stabiliteitsvoorschriften van een lidstaat.

3.2.2.

Een passagiersschip (bouwjaar 1994, laatste verlenging van het certificaat van onderzoek 2012), wordt in 2016 met 10 m verlengd. Dit vaartuig moet daarenboven een tweede onafhankelijke aandrijving krijgen. Er zal ook een nieuwe stabiliteitsberekening nodig zijn, die volgens hoofdstuk 15 voor de 1- en 2-compartimentstatus moet worden gemaakt.

3.2.3.

Een passagiersschip (bouwjaar 1988) wordt met een sterkere aandrijving inclusief schroeven uitgerust. Deze ombouw is zo ingrijpend dat een stabiliteitsberekening is vereist. Deze stabiliteitsberekening moet volgens de geldende voorschriften worden gemaakt.”;

c)

administratieaanwijzing nr. 6 komt als volgt te luiden:

ADMINISTRATIEAANWIJZING Nr. 6

Toepasselijkheid van de voorschriften van hoofdstuk 15 Plaatselijke indelingen

Overgangsbepalingen voor overdekkingen uit dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen

(Artikelen 15.02, lid 5, 15.03, lid 4, 15.03, lid 9, van bijlage II)

1.   PLAATSELIJKE INDELINGEN (ARTIKEL 15.02, LID 5)

De toepassing van artikel 15.02, lid 5, kan ertoe leiden dat plaatselijke waterdichte indelingen, zoals dwarsverdeelde dubbelebodemtanks, waarvan de lengte groter is dan de in aanmerking te nemen leklengte, niet in de beoordeling worden opgenomen. In dit geval is het mogelijk dat de dwarsverdeling niet in aanmerking kan worden genomen, indien deze niet tot boven het schottendek is opgetrokken. Dat zou tot inadequate schotindelingen kunnen leiden.

Image 3

Uitleg van het voorschrift:

Indien een waterdichte afdeling langer is dan krachtens artikel 15.03, lid 9, vereist is, en plaatselijke indelingen bevat die waterdichte onderafdelingen vormen, waartussen de minimumleklengte aanwezig is, kunnen deze in de lekstabiliteitsberekening worden opgenomen.

2.   OVERGANGSBEPALING VOOR OVERDEKKINGEN UIT DEKZEILEN OF DERGELIJKE MOBIELE INRICHTINGEN MET BETREKKING TOT DE STABILITEIT (ARTIKEL 15.03, LID 5)

Overdekkingen uit dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen kunnen tot problemen leiden voor de stabiliteit van het schip, aangezien deze — afhankelijk van hun afmetingen — het kenterende moment ten gevolge van wind kunnen beïnvloeden.

Uitleg van het voorschrift:

Voor passagiersschepen waaraan voor 1 januari 2006 voor het eerst een certificaat van onderzoek is afgegeven, of waarvoor artikel 24.06, lid 2, tweede zin, van toepassing is, moet na opbouw van een overdekking uit dekzeilen of dergelijke mobiele inrichtingen een nieuwe stabiliteitsberekening volgens deze richtlijn worden gemaakt, voor zover het zijdelingse oppervlak Awz meer dan 5 % van het gehele in aanmerking te nemen zijdelingse oppervlak Aw bedraagt.”;

d)

administratieaanwijzing nr. 7, deel 1, komt als volgt te luiden:

„DEEL 1

Toegelaten speciale ankers

Speciale ankers met een verminderde massa die worden toegestaan door bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 10.01, lid 5, worden in de volgende tabel weergegeven.

Anker nr.

Toegelaten vermindering van de ankermassa (%)

Bevoegde autoriteit

1.

HA-DU

30

Duitsland

2.

D'Hone Spezial

30

Duitsland

3.

Pool 1 (hol)

35

Duitsland

4.

Pool 2 (massief)

40

Duitsland

5.

De Biesbosch-Danforth

50

Duitsland

6.

Vicinay-Danforth

50

Frankrijk

7.

Vicinay AC 14

25

Frankrijk

8.

Vicinay type 1

45

Frankrijk

9.

Vicinay type 2

45

Frankrijk

10.

Vicinay type 3

40

Frankrijk

11.

Stockes

35

Frankrijk

12.

D'Hone-Danforth

50

Duitsland

13.

Schmitt HHP-anker

40

Nederland

14.

SHI HHP-anker, type ST (standaard)

30

Nederland

15.

SHI HHP-anker, type FB (volledig gebalanceerd)

30

Nederland

16.

Klinsmann-anker

30

Nederland

17.

HA-DU-POWER anker

50

Duitsland”

e)

in administratieaanwijzing nr. 11, punt 4, na de uitleg over punt 2 van het communautair binnencertificaat wordt de volgende uitleg over punt 10 van het communautair binnencertificaat ingevoegd:

„10.

Met betrekking tot vaartuigen die op de Rijn mogen varen, d.w.z.

a)

degene die volledig voldoen aan bijlage II, met inbegrip van de overgangsbepalingen voor hoofdstuk 24, en

b)

degene die geen gebruikmaken van de overgangsbepalingen van hoofdstuk 24 bis noch van de beperkingen in bijlage IV,

moet het volgende worden toegevoegd aan het streepje „— op waterwegen van de Unie in zone(s)”:

a)

Rijn, of

b)

zone R.”.

In punt 4 wordt de uitleg aangaande punt 43 van het communautair binnenvaartcertificaat als volgt gewijzigd:

„43.

Draagbare brandblussers die verplicht zijn volgens andere veiligheidsvoorschriften, zoals het Europees verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN), worden hier niet vermeld.”;

f)

administratieaanwijzing nr. 17, deel 3, komt als volgt te luiden:

„3.   KEURING

3.1.

Brandmeldsystemen moeten door een erkende deskundige worden gecontroleerd:

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

c)

regelmatig, ten minste om de twee jaar.

Voor machinekamers en ketelruimten worden deze keuringen uitgevoerd onder verschillende bedrijfs- en wisselende ventilatieomstandigheden. Keuringen overeenkomstig onderdeel c kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige van een bedrijf dat deskundig is op het gebied van blussystemen.

3.2.

Er moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkende deskundige of de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is vermeld.”;

g)

administratieaanwijzing nr. 18, deel 4, komt als volgt te luiden:

„4.

Aan de eisen, bedoeld in de punten 2 en 3, wordt ook geacht te zijn voldaan indien voor elk van beide onderdelen aan de stabiliteitseisen overeenkomstig het ADN in deel 9.1.0.95.2 is voldaan.”;

h)

administratieaanwijzing nr. 21, deel 8, komt als volgt te luiden:

„8.   Keuring

8.1.

De lichtsterkte van LLL-systemen moet door een erkende deskundige worden gecontroleerd:

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

c)

regelmatig, ten minste om de vijf jaar.

Keuringen overeenkomstig onderdeel c kunnen ook worden uitgevoerd door een deskundige die in veiligheidsgeleidesystemen is opgeleid.

8.2.

Er moet een verklaring worden afgegeven, ondertekend door de erkende deskundige of de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is vermeld.

8.3.

Als na een enkele meting de lichtsterkte niet aan de eisen van deze administratieaanwijzing voldoet, moeten er opnieuw metingen op ten minste tien plaatsen op gelijke afstand van elkaar worden uitgevoerd. Als meer dan 30 % van de meetwaarden niet voldoen aan de eisen van deze administratieaanwijzing moeten de veiligheidsgeleidesystemen worden vervangen. Als tussen 20 en 30 % van de meetwaarden niet voldoen aan de eisen van deze administratieaanwijzing moeten de veiligheidsgeleidesystemen binnen een jaar opnieuw worden gecontroleerd.”;

i)

administratieaanwijzing nr. 24, deel 4, komt als volgt te luiden:

„4.   IJking en controle van de gasdetectiesystemen, vervanging van onderdelen met beperkte levensduur.

4.1.

Gasdetectiesystemen moeten geijkt en gecontroleerd worden door een erkende deskundige of een deskundige overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant.

a)

vóór de eerste ingebruikstelling;

b)

vóór een hernieuwde ingebruikstelling na een wezenlijke verandering of reparatie;

c)

regelmatig.

Er moet een verklaring betreffende de ijking en controle worden afgegeven, ondertekend door de erkende deskundige of de deskundige die de keuring heeft verricht, en waarop de datum van de keuring is vermeld.

4.2.

Onderdelen van de gasdetectiesystemen met een beperkte levensduur moeten tijdig vóór het aangegeven einde van de levensduur worden vervangen.”;

j)

de volgende administratieaanwijzingen nr. 26 en 27 worden toegevoegd:

ADMINISTRATIEAANWIJZING Nr. 26

Erkende deskundigen en deskundigen

(Artikel 1.01, leden 106 en 107, van bijlage II)

Erkende deskundigen

Erkende deskundigen voeren keuringen uit die, ofwel wegens de complexiteit van de systemen ofwel wegens het vereiste veiligheidsniveau, bijzondere technische kennis vereisen. Tot de groep personen of instellingen die bevoegd zijn dergelijke keuringen uit te voeren, behoren:

classificatiebureaus; deze beschikken of intern over de nodige kennis of mandateren in het kader van hun bevoegdheden externe personen of instellingen en hebben de nodige kwaliteitscontrolesystemen voor het selecteren van deze personen of instellingen,

leden van de commissies van deskundigen of medewerkers van de relevante autoriteiten,

door de autoriteiten erkende personen of instellingen met erkende deskundigheid op het specifieke gebied van deze erkenning, waarbij de organen die de vaartuigkeuringen uitvoeren deze erkenning ook kunnen afgeven in hun hoedanigheid als overheidsinstelling, idealiter op basis van een kwaliteitsborgingsysteem. Een persoon of instelling wordt geacht te zijn erkend indien hij of zij een officiële selectieprocedure heeft doorstaan waarin in het bijzonder naar de vereiste deskundigheid en ervaring werd gepeild.

Deskundigen

Deskundigen voeren bijvoorbeeld gangbare visuele en functiecontroles uit op veiligheidsuitrusting. Kunnen als deskundigen worden beschouwd:

personen die op grond van hun beroepsopleiding en ervaring voldoende deskundig zijn om bepaalde situaties en omstandigheden te beoordelen, bijvoorbeeld, schippers, personen belast met de veiligheid bij scheepvaartondernemingen, bemanningsleden met relevante ervaring,

ondernemingen die op grond van hun gangbare activiteiten, bv. als scheepswerf of inbouwfirma, voldoende vakkennis hebben verworven,

fabrikanten van specifieke installaties (bv. blussystemen, bedieningsapparatuur).

Terminologie

Duits

Engels

Frans

Nederlands

Sachverständiger

expert

expert

erkende deskundige

Sachkundiger

competent person

spécialiste

deskundige

Fachfirma

competent firm

société spécialisée

deskundig bedrijf

Keuringen

De onderstaande tabel geeft een overzicht van de voorziene keuringen, de regelmaat ervan en welke keurder is voorzien voor het uitvoeren van deze keuringen. Deze tabel is enkel ter informatie opgesteld.

Voorschrift

Voorwerp

Maximale tussentijd tussen twee keuringen

Keurder

Artikel 6.03, lid 5

Hydraulische cilinders, pompen en

motoren 8 jaar

Deskundig bedrijf

Artikel 6.09, lid 3

Gemotoriseerde bedieningsapparatuur

3 jaar

Deskundige

Artikel 8.01, lid 2

Drukvaten

5 jaar

Erkende deskundige

Artikel 10.03, lid 5

Draagbare blustoestellen

2 jaar

Deskundige

Artikel 10.03 bis, lid 6, onder d)

Ingebouwde blussystemen

2 jaar

Deskundige of deskundig bedrijf

Artikel 10.03 ter, lid 9, onder b), punt dd)

Ingebouwde blussystemen

2 jaar

Deskundige of deskundig bedrijf

Artikel 10.04, lid 3

Opblaasbare sloepen

Gespecificeerd door de fabrikant

 

Artikel 10.05, lid 3

Reddingsvesten

Gespecificeerd door de fabrikant

 

Artikel 11.12, lid 6

Kranen

10 jaar

Erkende deskundige

Artikel 11.12, lid 7

Kranen

1 jaar

Deskundige

Artikel 14.13

Vloeibaargasinstallaties

3 jaar

Erkende deskundige

Artikel 15.09, lid 9

Persoonlijke reddingsmiddelen

Gespecificeerd door de fabrikant

 

Artikel 15.10, lid 9

Isolatieweerstand, aarding

Vóór het aflopen van de geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat

 

Administratieaanwijzing nr. 17

Brandmeldsystemen

2 jaar

Erkende deskundige of deskundige

Administratieaanwijzing nr. 21

Veiligheidsgeleidesystemen

5 jaar

Erkende deskundige of deskundige

Administratieaanwijzing nr. 24

Gasdetectiesystemen

Gespecificeerd door de fabrikant

Erkende deskundige of deskundige

ADMINISTRATIEAANWIJZING Nr. 27

Pleziervaartuigen

(Artikel 21.02, lid 2, juncto artikel 7.02, artikel 8.05, lid 5, artikel 8.08, lid 2, en artikel 8.10 van bijlage II)

1.   Algemeen

Pleziervaartuigen met een lengte van maximaal 24 m die in de handel worden gebracht, moeten voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad (*2), als gewijzigd bij Richtlijn 2003/44/EG (*3). Overeenkomstig artikel 3 juncto artikel 2 van deze richtlijn, moeten pleziervaartuigen met een lengte van minstens 20 m beschikken over een communautair binnenvaartcertificaat ten bewijze dat het vaartuig voldoet aan de technische voorschriften van bijlage II. Om te vermijden dat bepaalde uitrusting, inrichtingen en installaties van nieuw gebouwde pleziervaartuigen dubbel zouden worden gecontroleerd of gecertificeerd als gevolg van bepaalde bepalingen in artikel 21.02 van bijlage II, geeft deze administratieaanwijzing informatie over deze voorschriften in artikel 21.02 waarop Richtlijn 94/25/EG al voldoende van toepassing is.

2.   Voorschriften in artikel 21.02 waarop Richtlijn 94/25/EG al van toepassing is

Voor pleziervaartuigen die vallen onder Richtlijn 94/25/EG verlangt de commissie van deskundigen met betrekking tot de afgifte van het communautair binnenvaartcertificaat (eerste inspectie) geen verder onderzoek of certificering voor de volgende eisen uit artikel 21.02, lid 2, van bijlage II, op voorwaarde dat het vaartuig dat voor inspectie wordt aangeboden niet langer dan 3 jaar vóór de datum van aanbieding aan de commissie van deskundigen in de handel werd gebracht en dat geen aanpassingen aan het vaartuig zijn uitgevoerd, en dat de overeenstemmingsverklaring verwijst naar de volgende geharmoniseerde normen of hieraan gelijkwaardige normen:

artikel 7.02

:

EN ISO 11591:2000, (Vrij zicht)

artikel 8.05, lid 5

:

EN ISO 10088:2001, (Brandstoftanks, -leidingen)

artikel 8.08, lid 2

:

EN ISO 15083:2003, (Lenspompinrichting)

artikel 8.10

:

EN ISO 14509, (Geluidsemissie).

(*2)   PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15."

(*3)   PB L 214 van 26.8.2003, blz. 18.” "


(*1)   PB L 46 van 17.2.1997, blz. 25.”

(*2)   PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15.

(*3)   PB L 214 van 26.8.2003, blz. 18.” ”


(1)  Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.

(2)  Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.

(3)  Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in lid 10, voldoen aan type B15 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type B0. Wanden tussen hutten en sauna's voldoen aan type A0 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type B15.

(4)  Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in artikel 15.07 en artikel 15.10, lid 6, voldoen aan type A60, en in andere gevallen aan type A0.

(5)  Wanden tussen voorraadruimten waar brandbare vloeistoffen zijn opgeslagen en controleposten en verzamelruimten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A30.

(6)  Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende;

(7)  Scheidingsvlakken tussen controleposten en binnen het schip gelegen verzamelruimten voldoen aan type A0, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.

(8)  Scheidingsvlakken tussen verblijfsruimten en binnen het schip gelegen verzamelruimten voldoen aan type A30, in het geval van buiten gelegen verzamelruimten echter aan type B15.

(9)  Wanden tussen hutten, wanden tussen hutten en gangen en verticale scheidingsvlakken van passagiersverblijven, bedoeld in lid 10, voldoen aan type B15 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type B0. Wanden tussen hutten en sauna's voldoen aan type A0 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type B15.

(10)  Scheidingsvlakken tussen machinekamers, bedoeld in artikel 15.07 en artikel 15.10, lid 6, voldoen aan type A60, en in andere gevallen aan type A0.

(11)  Wanden tussen voorraadruimten waar brandbare vloeistoffen zijn opgeslagen en controleposten en verzamelruimten voldoen aan type A60 en ruimten met sprinklerinstallaties aan type A30.

(12)  Voor scheidingsvlakken tussen keukens en koelruimten of voorraadruimten voor levensmiddelen is B15 voldoende.”;


BIJLAGE II

Bijlage VII wordt als volgt gewijzigd:

De eerste twee zinnen van lid 1 van deel I komen als volgt te luiden:

„Het classificatiebureau kan met bewijsstukken aantonen dat het uitgebreide ervaring heeft op het gebied van het beoordelen van het ontwerp en de bouw van binnenschepen. Het classificatiebureau stelt gedetailleerde voorschriften en regelingen op met betrekking tot het ontwerp, de bouw en de periodieke controle van binnenschepen, in het bijzonder voor het berekenen van de stabiliteit overeenkomstig deel 9 van de voorschriften bij het Europese verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN) als bedoeld in artikelen 22a.04 en 22a.05 van bijlage II, die het ten minste in het Duits, het Engels, het Frans of het Nederlands publiceert en via onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma’s continu bijwerkt en verbetert.”.

De eerste zin van lid 11 van deel I komt als volgt te luiden:

„Het classificatiebureau beschikt over, maakt gebruik van en handhaaft een doeltreffend intern kwaliteitssysteem dat steunt op de desbetreffende gedeelten van de internationaal erkende kwaliteitsnormen en in overeenstemming is met de norm EN ISO/IEC 17020:2004, zoals geïnterpreteerd in de „Quality System Certification Scheme Requirements” van de IACS.”.

Lid 4 van deel II komt als volgt te luiden:

„4.

Alvorens een classificatiebureau te erkennen dat niet door alle lidstaten van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in het kader van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is erkend, raadpleegt de Commissie het secretariaat van de Centrale Commissie.”.

Deel III komt als volgt te luiden:

Deel III

Lijst van erkende classificatiebureaus

Op grond van de criteria van de delen I en II zijn op dit moment de volgende classificatiebureaus uit hoofde van artikel 10, lid 1, van deze richtlijn als zodanig erkend:

1)

Bureau Veritas

2)

Germanischer Lloyd

3)

Lloyd’s Register of Shipping

4)

Polski Rejestr Statków S.A.

5)

RINA s.p.a

6)

Russian Maritime Register of Shipping

Tot hun erkenning overeenkomstig de delen I en II zijn classificatiebureaus die door een lidstaat overeenkomstig Richtlijn 94/57/EG van de Raad van 22 november 1994 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties en voor de desbetreffende werkzaamheden van maritieme instanties (*1). zijn erkend en gemachtigd, krachtens artikel 10 van de richtlijn alleen erkend voor vaartuigen die uitsluitend op de wateren van die lidstaat varen.


(*1)   PB L 319 van 12.12.1994, blz. 20.”.”


BIJLAGE III

Bijlage IX komt als volgt te luiden:

„BIJLAGE IX

RADARINSTALLATIES EN BOCHTAANWIJZERS IN DE BINNENVAART

INHOUD

Definities

DEEL I

Voorschriften omtrent de minimumeisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties in de binnenvaart

DEEL II

Voorschriften omtrent de minimumeisen en de keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de binnenvaart

DEEL III

Voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de binnenvaart

DEEL IV

Verklaring betreffende inbouw en functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de binnenvaart

DEEL V

Lijsten van de bevoegde autoriteiten, technische diensten, toegelaten navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers en erkende bedrijven

DEEL VI

Gelijkwaardige installaties

Definities:

1.   „typekeuring”: de testprocedure als bedoeld in deel I, artikel 4, of deel II, artikel 1.03, waarmee de technische dienst het nakomen van de eisen als bedoeld in deze bijlage controleert. De typekeuring is een onderdeel van de typegoedkeuring;

2.   „typegoedkeuring”: de procedure, waarbij een lidstaat verklaart dat een installatie aan de eisen van deze bijlage voldoet.

Voor navigatieradarinstallaties omvat deze procedure de bepalingen als bedoeld in artikel 5 tot en met 7 en 9. Voor bochtaanwijzers omvat deze procedure de bepalingen als bedoeld in deel II, artikel 1.04 tot en met 1.06 en artikel 1.08;

3.   „keuringsbewijs”: het document waarin de resultaten van de typekeuring worden vermeld;

4.   „aanvrager” of „fabrikant”: een rechtspersoon of natuurlijk persoon onder wiens naam, handelsmerk of andere specifieke aanduiding de ter typekeuring aangeboden installatie wordt vervaardigd of verhandeld en die tegenover de technische dienst en de keuringsinstantie verantwoordelijk is voor alles wat de typekeurings- en typegoedkeuringsprocedure betreft;

5.   „technische dienst”: de instelling, autoriteit of inrichting die de typekeuring uitvoert;

6.   „verklaring fabrikant”: de verklaring waarin de fabrikant garandeert dat de installatie aan de bestaande minimumeisen voldoet en zonder enige beperking overeenkomstig het gekeurde prototype is;

7.   „overeenstemmingsverklaring” overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit (*1) : de verklaring overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG, bijlage II, lid 1, waarmee de fabrikant bevestigt dat de betrokken producten aan de voor deze producten geldende eisen van de richtlijn voldoen;

8.   „bevoegde autoriteit”: de officiële autoriteit die de typegoedkeuring afgeeft.

DEEL I

Voorschriften omtrent de minimumeisen en de keuringsvoorwaarden voor radarinstallaties in de binnenvaart

Inhoudsopgave

Artikel 1 —

Toepassingsgebied

Artikel 2 —

Doel van de navigatieradarinstallatie

Artikel 3 —

Minimumeisen

Artikel 4 —

Typekeuringen

Artikel 5 —

Aanvraag voor een typekeuring

Artikel 6 —

Typegoedkeuring

Artikel 7 —

Toestelkenmerken en typegoedkeuringsnummer

Artikel 8 —

Verklaring fabrikant

Artikel 9 —

Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties

Artikel 1

Toepassingsgebied

In deze voorschriften zijn de minimumeisen voor radarinstallaties voor de binnenvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaronder aan de minimumeisen moet worden voldaan.

Artikel 2

Doel van de navigatieradarinstallatie

De navigatieradarinstallatie moet een voor het besturen van een schip bruikbaar beeld geven van de positie van het schip ten opzichte van de bebakening, de contouren van de oever en de voor de scheepvaart van belang zijnde werken en moet tijdig en op betrouwbare wijze de aanwezigheid aangeven van andere schepen en van boven het wateroppervlak van het vaarwater uitstekende obstakels.

Artikel 3

Minimumeisen

1.

Uitgezonderd de eisen inzake elektromagnetische compatibiliteit (artikel 3, lid 1, onder b), van Richtlijn 1999/5/EG) en de eisen in artikel 3, lid 2, van Richtlijn 1999/5/EG inzake het efficiënte gebruik van het spectrum om schadelijke interferentie te vermijden, moeten navigatieradarinstallaties in de binnenvaart aan de eisen van de Europese norm EN 302194-1:2006 voldoen.

2.

Lid 1 is van toepassing op Inland ECDIS-apparaten die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt. Deze apparaten voldoen bovendien aan de eisen van de Inland ECDIS-normen in de op de dag van de afgifte van de typegoedkeuring geldende versie.

Artikel 4

Typekeuringen

1.

Het voldoen aan de minimumeisen van artikel 3, lid 1, wordt door een typekeuring aangetoond.

2.

Na een geslaagde typekeuring geeft de instelling die de keuring heeft uitgevoerd, een keuringsbewijs af. Bij het niet voldoen aan de minimumeisen worden de redenen van afwijzing schriftelijk aan de aanvrager meegedeeld.

Artikel 5

Aanvraag voor een typekeuring

1.

De aanvraag voor een typekeuring van een navigatieradarinstallatie moet bij een technische dienst worden ingediend.

De technische diensten moeten bij de Europese Commissie worden aangemeld.

2.

Bij de aanvraag moet de volgende documentatie worden overgelegd:

a)

gedetailleerde technische beschrijvingen;

b)

een stel complete schakelschema’s en servicedocumentatie;

c)

gedetailleerde gebruiksaanwijzingen;

d)

beknopte gebruiksaanwijzingen, en

e)

indien van toepassing bewijsstukken van eerder uitgevoerde keuringen.

3.

Indien de aanvrager niet heeft voorzien om de overeenstemmingsverklaring overeenkomstig Richtlijn 1999/5/EG met de daarbij behorende typegoedkeuring te laten opstellen, moet een overeenstemmingsverklaring met de aanvraag voor typekeuring worden overgelegd.

Artikel 6

Typegoedkeuring

1.

De typegoedkeuring wordt op basis van het keuringsbewijs door de bevoegde autoriteit verleend. De bevoegde autoriteit brengt de Europese Commissie op de hoogte van de installatie waarvoor zij de typegoedkeuring heeft afgegeven. De betreffende kennisgeving omvat het toegekende typegoedkeuringsnummer evenals de typeaanduiding, de naam van de fabrikant, de naam van de houder van de typegoedkeuring en de datum van de typegoedkeuring.

2.

Iedere bevoegde autoriteit of technische dienst die door de bevoegde autoriteit is aangesteld, is gerechtigd op elk tijdstip een toestel uit de serie te controleren.

Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd, dan kan de verleende typegoedkeuring worden ingetrokken.

Tot intrekking is de autoriteit bevoegd die ook de typegoedkeuring heeft verleend.

Artikel 7

Toestelkenmerken en typegoedkeuringsnummer

1.

Op alle elementen die tot de installatie behoren, moeten op een duurzame manier de volgende opschriften worden aangebracht:

a)

de naam van de fabrikant;

b)

de handelsnaam van de installatie;

c)

het type installatie, en

d)

het serienummer.

2.

Het door de bevoegde autoriteit toegekende typegoedkeuringsnummer moet duurzaam op de beeldschermeenheid zijn aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn.

Het typegoedkeuringsnummer is samengesteld als volgt: e-NN-NNN

e

=

Europese Unie

NN

=

aanduiding van het land van de typegoedkeuring, waarbij

01

=

Duitsland

02

=

Frankrijk

03

=

Italië

04

=

Nederland

05

=

Zweden

06

=

België

07

=

Hongarije

08

=

Tsjechië

09

=

Spanje

11

=

Verenigd Koninkrijk

12

=

Oostenrijk

13

=

Luxemburg

14

=

Zwitserland

17

=

Finland

18

=

Denemarken

19

=

Roemenië

20

=

Polen

21

=

Portugal

23

=

Griekenland

24

=

Ierland

26

=

Slovenië

27

=

Slowakije

29

=

Estland

32

=

Letland

34

=

Bulgarije

36

=

Litouwen

49

=

Cyprus

50

=

Malta

NNN

=

nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde autoriteit.

3.

Het typegoedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende typegoedkeuring worden toegepast.

De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het typegoedkeuringsnummer.

Artikel 8

Verklaring fabrikant

Bij elk onderdeel van een installatie moet een verklaring van de fabrikant worden meegeleverd.

Artikel 9

Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties

1.

Bij wijzigingen aan een goedgekeurde installatie vervalt de typegoedkeuring. Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de bevoegde technische dienst worden gemeld.

2.

De bevoegde autoriteit beslist na raadpleging van de technische dienst of de typegoedkeuring kan worden gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is.

In geval van een nieuwe typekeuring wordt een nieuw typegoedkeuringsnummer toegekend.

DEEL II

Voorschriften omtrent de minimumeisen en de keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers in de binnenvaart

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 1

Algemeen

Artikel 1.01 —

Toepassingsgebied

Artikel 1.02 —

Doel van de bochtaanwijzer

Artikel 1.03 —

Typekeuring

Artikel 1.04 —

Aanvraag voor een typekeuring

Artikel 1.05 —

Typegoedkeuring

Artikel 1.06 —

Toestelkenmerken en typegoedkeuringsnummer

Artikel 1.07 —

Verklaring fabrikant

Artikel 1.08 —

Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties

HOOFDSTUK 2

Algemene minimumeisen voor bochtaanwijzers

Artikel 2.01 —

Constructie en uitvoering

Artikel 2.02 —

Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC)

Artikel 2.03 —

Bediening

Artikel 2.04 —

Bedieningshandleiding

Artikel 2.05 —

Inbouw van de sensor

HOOFDSTUK 3

Operationele minimumeisen voor bochtaanwijzers

Artikel 3.01 —

Operationele beschikbaarheid van de installatie

Artikel 3.02 —

Aanwijzen van de draaisnelheid

Artikel 3.03 —

Meetbereiken

Artikel 3.04 —

Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsaanwijzing

Artikel 3.05 —

Gevoeligheid

Artikel 3.06 —

Controle van het functioneren

Artikel 3.07 —

Ongevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip

Artikel 3.08 —

Ongevoeligheid voor magnetische velden

Artikel 3.09 —

Dochterindicatoren

HOOFDSTUK 4

Technische minimumeisen voor bochtaanwijzers

Artikel 4.01 —

Bediening

Artikel 4.02 —

Dempinrichtingen

Artikel 4.03 —

Aansluiten van toegevoegde apparatuur

HOOFDSTUK 5

Keuringsvoorwaarden en -methoden voor bochtaanwijzers

Artikel 5.01 —

Veiligheid, bestendigheid en elektromagnetische compatibiliteit

Artikel 5.02 —

Uitgezonden radiostoringen

Artikel 5.03 —

Keuringsprocedure

Aanhangsel:

Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

HOOFDSTUK 1

Algemeen

Artikel 1.01

Toepassingsgebied

In deze voorschriften zijn de minimumeisen voor aanwijzers van de snelheid van draaiing (bochtaanwijzers) voor de binnenvaart vastgelegd, alsmede de keuringsvoorwaarden waaraan moet worden voldaan.

Artikel 1.02

Doel van de bochtaanwijzer

Het doel van de bochtaanwijzer is het vergemakkelijken van het varen met behulp van radar en het meten en aanwijzen van de snelheid van draaiing van het schip naar bakboord en stuurboord.

Artikel 1.03

Typekeuring

1.

Het voldoen aan de minimumeisen voor bochtaanwijzers overeenkomstig hoofdstukken 2 tot en met 4 wordt door een typekeuring aangetoond.

2.

Na een geslaagde typekeuring geeft de technische dienst een keuringsbewijs af. Bij het niet voldoen aan de minimumeisen worden de redenen van afwijzing schriftelijk aan de aanvrager meegedeeld.

Artikel 1.04

Aanvraag voor een typekeuring

1.

De aanvraag voor typekeuring van een bochtaanwijzer moet bij een technische dienst worden ingediend.

De technische diensten moeten bij de Europese Commissie worden aangemeld.

2.

Bij de aanvraag moet de volgende documentatie worden overgelegd:

a)

gedetailleerde technische beschrijvingen;

b)

stel complete schakelschema’s en servicedocumentatie;

c)

bedieningshandleiding.

3.

De aanvrager moet zelf controleren of laten controleren of aan de in deze voorschriften gestelde minimumeisen is voldaan.

Het resultaat van deze keuring en de meetrapporten moeten tegelijk met de aanvraag worden ingediend.

Deze bescheiden en de bij de typekeuring verkregen gegevens worden bij de bevoegde autoriteit bewaard.

Artikel 1.05

Typegoedkeuring

1.

De typegoedkeuring wordt op basis van het keuringsbewijs door de bevoegde autoriteit verleend.

De bevoegde autoriteit deelt de Europese Commissie mee welke installaties zij heeft goedgekeurd. De betreffende kennisgeving omvat het toegekende typegoedkeuringsnummer evenals de typeaanduiding, de naam van de fabrikant, de naam van de houder van de typegoedkeuring en de datum van de typegoedkeuring.

2.

Iedere bevoegde autoriteit of technische dienst die door de bevoegde autoriteit is aangesteld, is gerechtigd op elk tijdstip een toestel uit de serie te controleren.

Worden tijdens deze controle gebreken geconstateerd, dan kan de verleende typegoedkeuring worden ingetrokken.

Tot intrekking is de autoriteit bevoegd die ook de typegoedkeuring heeft verleend.

Artikel 1.06

Toestelkenmerken en typegoedkeuringsnummer

1.

Op alle elementen die tot de installatie behoren, moeten op een duurzame manier de volgende opschriften worden aangebracht:

a)

de naam van de fabrikant;

b)

de handelsnaam van de installatie;

c)

het type installatie, en

d)

het serienummer.

2.

Het door de bevoegde autoriteit toegekende typegoedkeuringsnummer moet duurzaam op de bedieningseenheid van de installatie zijn aangebracht en ook na de inbouw duidelijk zichtbaar zijn.

Het typegoedkeuringsnummer is samengesteld als volgt: e -NN-NNN

e

=

Europese Unie

NN

=

aanduiding van het land van de typegoedkeuring,

01

=

Duitsland

02

=

Frankrijk

03

=

Italië

04

=

Nederland

05

=

Zweden

06

=

België

07

=

Hongarije

08

=

Tsjechië

09

=

Spanje

11

=

Verenigd Koninkrijk

12

=

Oostenrijk

13

=

Luxemburg

14

=

Zwitserland

17

=

Finland

18

=

Denemarken

19

=

Roemenië

20

=

Polen

21

=

Portugal

23

=

Griekenland

24

=

Ierland

26

=

Slovenië

27

=

Slowakije

29

=

Estland

32

=

Letland

34

=

Bulgarije

36

=

Litouwen

49

=

Cyprus

50

=

Malta

NNN

=

nummer van drie cijfers, te bepalen door de bevoegde autoriteit.

3.

Het typegoedkeuringsnummer mag uitsluitend met de daarbij behorende typegoedkeuring worden toegepast.

De aanvrager zorgt zelf voor de aanmaak en het aanbrengen van het typegoedkeuringsnummer.

Artikel 1.07

Verklaring fabrikant

Bij elk onderdeel van een installatie moet een verklaring van de fabrikant worden meegeleverd.

Artikel 1.08

Wijzigingen aan typegoedgekeurde installaties

1.

Bij wijzigingen aan een goedgekeurde installatie vervalt de typegoedkeuring.

Voorgenomen wijzigingen moeten schriftelijk aan de bevoegde technische dienst worden gemeld.

2.

De bevoegde autoriteit beslist na raadpleging van de technische dienst of de typegoedkeuring kan worden gehandhaafd of dat een herkeuring dan wel een nieuwe typekeuring nodig is.

In geval van een nieuwe typekeuring wordt een nieuw typegoedkeuringsnummer toegekend.

HOOFDSTUK 2

Algemene minimumeisen voor bochtaanwijzers

Artikel 2.01

Constructie en uitvoering

1.

De betreffende bochtaanwijzers moeten geschikt zijn voor de binnenvaart.

2.

Constructie en uitvoering van de installatie moeten zowel mechanisch als elektrisch in overeenstemming zijn met de bestaande eisen van goed vakmanschap.

3.

Bij ontstentenis van specifieke bepalingen in bijlage II of in de onderhavige bijlage gelden voor de eisen aan de elektrische voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de toestellen aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu, de geluidsproductie, alsmede voor de aanduidingen op de toestellen de in Europese norm EN 60945:2002 opgenomen eisen en meetmethodes.

De installaties moeten aan alle in deze bijlage genoemde eisen bij omgevingstemperaturen tussen 0 en 40 °C voldoen.

Artikel 2.02

Uitgezonden radiostoringen en elektromagnetische compatibiliteit (EMC)

1.

Algemene eisen

Bochtaanwijzers voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2004/108/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit en tot intrekking van Richtlijn 89/336/EEG (*2).

2.

Uitgezonden radiostoringen

In de frequentiegebieden van 156-165 MHz, 450-470 MHz, en van 1,53-1,544 GHz mag de veldsterkte niet hoger zijn dan 15 μV/m. Deze veldsterktes gelden voor een meetafstand van 3 m ten opzichte van het te keuren apparaat.

Artikel 2.03

Bediening

1.

Er mogen niet meer bedieningsorganen aanwezig zijn dan voor een goede bediening noodzakelijk is.

Uitvoering, aanduiding en werking moeten een eenvoudige, ondubbelzinnige en snelle bediening mogelijk maken. De bedieningsorganen moeten zo zijn geplaatst, dat fouten bij de bediening zoveel mogelijk worden vermeden.

De niet voor het normale gebruik noodzakelijke bedieningsorganen mogen niet direct bereikbaar zijn.

2.

Alle bedieningsorganen en aanwijsinstrumenten moeten zijn voorzien van symbolen of Engelse opschriften dragen. De symbolen moeten voldoen aan de bepalingen van Europese norm EN 60417:1998.

Cijfers en letters moeten minstens 4 mm hoog zijn. Indien kan worden aangetoond dat om technische redenen een hoogte van 4 mm niet mogelijk is, en uit operationeel oogpunt gezien kleinere karakters acceptabel zijn, wordt een vermindering van de hoogte tot 3 mm toegestaan.

3.

De installatie moet zo zijn uitgevoerd dat zij door bedieningsfouten niet buiten bedrijf kan raken.

4.

Functies die de minimumeisen te boven gaan, alsmede aansluitmogelijkheden voor toegevoegde apparatuur, moeten zo zijn uitgevoerd dat de installatie onder alle omstandigheden aan de minimumeisen blijft voldoen.

Artikel 2.04

Bedieningshandleiding

Bij elke installatie moet een uitvoerige bedieningshandleiding worden meegeleverd. Deze moet in het Duits, Engels, Frans en Nederlands verkrijgbaar zijn en moet ten minste de volgende informatie bevatten:

a)

inbedrijfstelling en bediening;

b)

verzorging en onderhoud;

c)

algemene veiligheidsvoorschriften.

Artikel 2.05

Inbouw van de sensor

Op het sensorgedeelte van de bochtaanwijzer moet de inbouwrichting ten opzichte van de lengteas van het schip worden aangegeven. Aanwijzingen voor de inbouw moeten worden meegeleverd met het oog op een minimale gevoeligheid voor andere typische bewegingen van het schip.

HOOFDSTUK 3

Operationele minimumeisen voor bochtaanwijzers

Artikel 3.01

Operationele beschikbaarheid van de installatie

1.

De bochtaanwijzer moet uiterlijk binnen 4 minuten na het inschakelen operationeel zijn en binnen de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werken.

2.

Het ingeschakeld zijn moet optisch worden aangegeven. De bediening en de waarneming van de bochtaanwijzer moeten gelijktijdig mogelijk zijn.

3.

Draadloze afstandsbediening is niet toegestaan.

Artikel 3.02

Aanwijzen van de draaisnelheid

1.

Het aanwijzen van de snelheid van draaiing moet op een schaal met lineaire verdeling met het nulpunt in het midden plaatshebben. Het aflezen van de draaisnelheid moet in richting en grootte met de vereiste nauwkeurigheid mogelijk zijn. Het gebruik van andere indicatoren dan wijzers en staafindicatoren (bar-graphs) is niet toegestaan.

2.

De schaal van het aanwijsinstrument moet ten minste 20 cm lang zijn en mag zowel cirkelvormig als recht zijn uitgevoerd.

Rechte schalen mogen uitsluitend horizontaal worden geplaatst.

3.

Een uitsluitend numerieke indicatie is niet geoorloofd.

Artikel 3.03

Meetbereiken

Bochtaanwijzers mogen over één, maar ook over meerdere meetbereiken beschikken. De volgende meetbereiken worden geadviseerd:

30

°/min

60

°/min

90

°/min

180

°/min

300

°/min.

Artikel 3.04

Nauwkeurigheid van de draaisnelheidsaanwijzing

De aangegeven waarde mag niet méér dan 2 % van de eindwaarde van het bereik afwijken of niet meer dan 10 % van de werkelijke waarde, indien dit hoger is (zie aanhangsel).

Artikel 3.05

Gevoeligheid

Het reactiepunt moet lager liggen dan of gelijk zijn aan een wijziging van de hoeksnelheid overeenkomend met 1 % van de aangegeven waarde.

Artikel 3.06

Controle van het functioneren

1.

Indien de bochtaanwijzer niet binnen de vereiste nauwkeurigheidsgrenzen werkt, moet dit worden gesignaleerd.

2.

Indien een tol wordt gebruikt moet de kritische wijziging van het toerental door middel van een aanduiding worden gesignaleerd. Als kritisch geldt een wijziging van het toerental waardoor de nauwkeurigheid met 10 % vermindert.

Artikel 3.07

Ongevoeligheid voor typische bewegingen van het schip

1.

Slingeren met hellinghoeken tot 10° mag bij hoeksnelheden tot 4°/s geen meetfouten veroorzaken die de tolerantiegrenzen overschrijden.

2.

Schokbelastingen, die bijvoorbeeld bij het aanleggen kunnen optreden, mogen geen blijvende en tolerantiegrenzen overschrijdende fouten in de aanwijzing veroorzaken.

Artikel 3.08

Ongevoeligheid voor magnetische velden

De bochtaanwijzer moet ongevoelig zijn voor magnetische velden die normaal aan boord kunnen voorkomen.

Artikel 3.09

Dochterindicatoren

Dochterindicatoren moeten aan dezelfde eisen voldoen die aan bochtaanwijzers worden gesteld.

HOOFDSTUK 4

Technische minimumeisen voor bochtaanwijzers

Artikel 4.01

Bediening

1.

Alle bedieningsorganen moeten zodanig zijn aangebracht dat tijdens de bediening daarvan geen bijbehorende aanwijzing wordt afgedekt en de navigatie met behulp van radar zonder beperking mogelijk blijft.

2.

Alle bedieningsorganen en aanwijsinstrumenten moeten een niet-verblindende en een voor alle omstandigheden geschikte verlichting hebben, die met een onafhankelijke instelling tot op nul kan worden gereduceerd.

3.

De werking van de bedieningsorganen moet zo zijn dat door het verstellen naar rechts of naar boven een positieve en naar links of naar beneden een negatieve uitwerking op de ingestelde waarde ontstaat.

4.

Bij gebruik van druktoetsen moeten deze zo zijn geconstrueerd dat deze knoppen ook op de tast kunnen worden gevonden en bediend. Bovendien moeten zij een duidelijk voelbaar drukpunt hebben. Ingeval een druktoets meer dan één functie heeft, moet duidelijk herkenbaar zijn welk hiërarchisch niveau actief is.

Artikel 4.02

Dempinrichtingen

1.

Het sensorsysteem moet kritisch gedempt zijn. De tijdconstante van de demping (63 % van de eindwaarde) mag niet meer dan 0,4 s zijn.

2.

De aanwijzing moet kritisch gedempt zijn.

Voor de extra vergroting van de demping mag een bedieningsorgaan aanwezig zijn.

De tijdconstante mag echter niet meer dan 5 s zijn.

Artikel 4.03

Aansluiten van toegevoegde apparatuur

1.

Indien de bochtaanwijzer een mogelijkheid tot het aansluiten van bijvoorbeeld dochterindicatoren heeft, dan moet het draaisnelheidssignaal als analoog elektrisch signaal ter beschikking staan. Bovendien kan de bochtaanwijzer een digitale interface als bedoeld in lid 2 hebben.

Het signaal moet galvanisch van massa zijn gescheiden en moet als proportionele analoge spanning van 20 mV/°/min ± 5 % bij een inwendige weerstand van maximaal 100 Ohm beschikbaar zijn.

De polariteit moet positief zijn voor een koerswijziging van het schip naar stuurboord en negatief voor een koerswijziging van het schip naar bakboord.

Het reactiepunt mag een waarde van 0,3°/min niet overschrijden.

De afwijking van het nulpunt mag 1°/min niet te boven gaan, bij omgevingstemperaturen van 0 tot 40 °C.

Bij ingeschakelde bochtaanwijzer en een bewegingloze opstelling van de sensor mag de stoorspanning op het uitgangssignaal, gemeten achter een laagdoorlaatfilter van de eerste orde met een bandbreedte van 10 Hz, niet meer dan 10 mV zijn.

Het draaisnelheidssignaal moet beschikbaar zijn met een demping die binnen de grenzen bedoeld in artikel 4.02, lid 1, blijft.

2.

Een digitale interface moet overeenkomstig de Europese normen EN 61162-1:2008, EN 61162-2:1998 en EN 61162-3:2008 zijn uitgevoerd.

3.

Een schakelcontact voor het inschakelen van een extern alarm moet aanwezig zijn. Dit schakelcontact moet galvanisch van de bochtaanwijzer zijn gescheiden.

Het externe alarm moet telkens door het sluiten van het schakelcontact worden geactiveerd, als:

a)

de bochtaanwijzer uitgeschakeld is, of

b)

de bochtaanwijzer niet operationeel is, of

c)

de controle op het functioneren een ontoelaatbaar grote fout signaleert (zie artikel 3.06).

HOOFDSTUK 5

Keuringsvoorwaarden en -methoden voor bochtaanwijzers

Artikel 5.01

Veiligheid, bestendigheid en elektromagnetische compatibiliteit

Voor het testen van de voeding, de veiligheid, de wederzijdse beïnvloeding van de installaties aan boord, de veilige kompasafstand, de mechanische en klimatologische bestendigheid, de beïnvloeding door het milieu en de geluidshinder, gelden de eisen overeenkomstig de Europese norm EN 60945:2002.

Artikel 5.02

Uitgezonden radiostoringen

De metingen van de uitgezonden storingen worden overeenkomstig de Europese norm EN 60945:2002 in het frequentiegebied tussen 30 MHz en 2000 MHz uitgevoerd.

Aan de eisen bedoeld in artikel 2.02, lid 2, moet zijn voldaan.

Artikel 5.03

Keuringsprocedure

1.

De bochtaanwijzer wordt zowel onder nominale als extreme omstandigheden op zijn goede werking onderzocht. Daarbij worden de omgevingstemperatuur en de bedrijfsspanning tot aan de voorgeschreven grenzen gewijzigd.

Bovendien worden radiozenders voor het opwekken van de grenswaarden van de veldsterkte in de omgeving van de bochtaanwijzers ingeschakeld.

2.

Met inachtneming van de voorwaarden bedoeld in lid 1, moet de fout in de aanwijzing binnen de in de bijlage aangegeven tolerantiegrenzen liggen.

3.

Aan alle minimumeisen van hoofdstukken 2 tot en met 4 moet zijn voldaan.

Aanhangsel

Figuur 1

Tolerantiegrenzen voor bochtaanwijzers

Image 4

DEEL III

Eisen voor inbouw en controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers in de binnenvaart

Inhoudsopgave

Artikel 1 —

Algemene bepalingen

Artikel 2 —

Erkende bedrijven

Artikel 3 —

Eisen voor de stroomvoorziening aan boord

Artikel 4 —

Inbouw radarantenne

Artikel 5 —

Inbouw beeldscherm- en bedieningseenheid

Artikel 6 —

Inbouw bochtaanwijzer

Artikel 7 —

Inbouw van de positiesensor

Artikel 8 —

Inbouw en controle van het functioneren

Artikel 9 —

Verklaring betreffende inbouw en functionering

Artikel 1

Algemeen

1.

De inbouw en de controle van het functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers moeten overeenkomstig de volgende bepalingen worden uitgevoerd.

2.

Uitsluitend installaties met

a)

een typegoedkeuring overeenkomstig

aa)

deel I, artikel 6, of

bb)

deel II. artikel 1.05, of

b)

een typegoedkeuring die als gelijkwaardig wordt erkend overeenkomstig deel VI, en

c)

met een overeenkomstig typegoedkeuringsnummer

mogen worden ingebouwd.

Artikel 2

Erkende bedrijven

1.

De inbouw of vervanging dan wel reparatie of onderhoud van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers mag slechts door deskundige bedrijven worden uitgevoerd die door de bevoegde autoriteit zijn erkend.

De voor de erkenning verantwoordelijke bevoegde autoriteiten moeten bij de Europese Commissie worden aangemeld.

2.

De typegoedkeuring kan door de bevoegde autoriteit worden ingetrokken.

3.

De bevoegde autoriteit deelt per omgaande aan de Europese Commissie mee welke bedrijven zij heeft erkend.

Artikel 3

Eisen voor de stroomvoorziening aan boord

Iedere stroomtoevoer voor de navigatieradarinstallatie en de bochtaanwijzer moet een eigen zekering hebben en zoveel mogelijk tegen uitval zijn beveiligd.

Artikel 4

Inbouw radarantenne

1.

De radarantenne dient zo dicht mogelijk boven de lengteas van het schip te worden geplaatst. In het stralingsbereik van de antenne mogen zich geen objecten bevinden die valse echo’s of ongewenste schaduwen kunnen veroorzaken; eventueel moet de antenne op het voorschip worden geïnstalleerd. De opstelling en bevestiging van de radarantenne in de operationele positie moeten zo stabiel zijn dat de navigatieradarinstallatie met de vereiste nauwkeurigheid kan werken.

2.

Na correctie van de hoekverdraaiing die bij de inbouw is ontstaan, mag na het instellen van het radarbeeld de afwijking tussen de koerslijn en de lengteas van het schip niet meer dan 1° bedragen.

Artikel 5

Inbouw beeldscherm- en bedieningseenheid

1.

De beeldschermeenheid en de bedieningseenheid moeten zo in de stuurhut worden ingebouwd dat de beoordeling van het radarbeeld en de bediening van de navigatieradarinstallatie moeiteloos mogelijk zijn. De positie van het radarbeeld ten opzichte van het schip moet met de natuurlijke situatie van de omgeving overeenstemmen. Houders en verstelbare dragers moeten zo zijn geconstrueerd dat zij in elke positie zonder eigen trilling kunnen worden vastgezet.

2.

Gedurende het varen met behulp van radar mag kunstlicht geen reflecties in de richting van de waarnemer veroorzaken.

3.

Als de bedieningsorganen niet in de beeldschermeenheid zijn ingebouwd, moeten zij in een huis worden ondergebracht dat hoogstens 1 m van het beeldscherm verwijderd mag zijn. Draadloze afstandsbediening is niet toegestaan.

4.

Indien dochtereenheden worden geïnstalleerd, dan gelden hiervoor dezelfde voorschriften als voor radarinstallaties.

Artikel 6

Inbouw bochtaanwijzer

1.

De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in zijn gezichtsveld zijn geplaatst.

2.

Het sensordeel moet bij voorkeur midscheeps, horizontaal en in lijn met de lengteas van het schip worden ingebouwd. De hiervoor gekozen plaats moet zoveel mogelijk trillingsvrij en zo min mogelijk aan temperatuurschommelingen onderhevig zijn. De indicator moet zo mogelijk net boven de beeldschermeenheid worden aangebracht.

3.

Indien dochtereenheden worden geïnstalleerd, dan gelden hiervoor dezelfde voorschriften als voor bochtaanwijzers.

Artikel 7

Inbouw van de positiesensor

Voor Inland ECDIS-apparatuur die in de navigatiemodus wordt gebruikt, moet de positiesensor (bv. DGPS-antenne) zodanig worden ingebouwd dat een zo groot mogelijke precisie wordt verzekerd en dat hij zo min mogelijk nadelig wordt beïnvloed door opbouwen en zendapparatuur aan boord.

Artikel 8

Inbouw en controle van het functioneren

Vóór de eerste inbedrijfstelling na de inbouw, bij verlenging of vernieuwing van het communautair binnenvaartcertificaat (met uitzondering van artikel 2.09, lid 2, van bijlage II), alsmede na elke ombouw van het schip die de operationele toestand van deze installaties zou kunnen beïnvloeden, moet door de bevoegde autoriteit of de door de bevoegde autoriteit aangestelde technische dienst of door een overeenkomstig artikel 2 erkend bedrijf een controle op de inbouw en het functioneren worden uitgevoerd. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

a)

de voeding beschikt over een eigen zekering;

b)

de bedrijfsspanning ligt binnen de gegeven toleranties;

c)

de bekabeling voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij deze richtlijn en eventueel het ADN

d)

het aantal omwentelingen van de antenne bedraagt minimaal 24/min;

e)

in het stralingsbereik van de antenne bevindt zich aan boord geen voor de radarnavigatie hinderlijk object;

f)

de veiligheidsschakelaar van de antenne, indien aanwezig, is bedrijfsklaar;

g)

beeldschermeenheden, bochtaanwijzers en bedieningsorganen zijn ergonomisch verantwoord geplaatst;

h)

de koerslijn van de navigatieradarinstallaties wijkt maximaal 1° van de lengteas van het schip af;

i)

de nauwkeurigheid bij het weergeven van afstand en azimut is overeenkomstig de eisen (meting aan de hand van bekende doelen);

j)

de lineariteit op korte afstand (pushing en pulling) is in orde;

k)

de af te beelden minimumafstand is ten hoogste 15 m;

l)

het middelpunt van het radarbeeld is zichtbaar en niet groter dan 1 mm in doorsnede;

m)

valse echo’s door reflecties en ongewenste afschaduwing vooruit komen niet voor of beïnvloeden de veilige vaart niet;

n)

de golfonderdrukking en de neerslagonderdrukking (STC- en FTC-preset), alsmede de voorinstellingen zijn in orde;

o)

de instelbaarheid van de versterking is in orde;

p)

de beeldscherpte en het oplossend vermogen zijn in orde;

q)

de draairichting van het schip is in overeenstemming met de indicatie op de bochtaanwijzer, en de nulstand bij het rechtuit varen is in orde;

r)

de navigatieradarinstallatie is ongevoelig voor uitzendingen van de boordradio-installatie of storingen uit andere bronnen aan boord;

s)

storingen van andere boordapparatuur door de navigatieradarinstallatie of door de bochtaanwijzer komen niet voor.

Voorts mag voor Inland ECDIS-apparatuur:

t)

de statische-positieafwijking van de kaart niet meer bedragen dan 2 m;

u)

de statische-hoekafwijking van de kaart niet meer bedragen dan 1°.

Artikel 9

Verklaring betreffende inbouw en functioneren

Na een succesvolle keuring overeenkomstig artikel 8 geeft de bevoegde autoriteit, de technische dienst of het erkende bedrijf een verklaring volgens het model in deel IV af. Deze verklaring moet steeds aan boord worden bewaard.

Bij het niet voldoen aan de keuringseisen wordt een lijst van geconstateerde gebreken opgemaakt. Een eventueel nog aanwezige verklaring wordt ingetrokken dan wel door de technische dienst of het erkende bedrijf aan de bevoegde autoriteit toegezonden.

DEEL IV

(MODEL)

Verklaring betreffende inbouw en functioneren voor navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers in de binnenvaart

Naam/type van het schip: …

Europees scheepsidentificatienummer: …

Eigenaar van het schip:

Naam: …

Adres: …

Navigatieradarinstallatie Nummer: …

Punt nr.

Type

Fabrikant

Typegoedkeuringsnummer

Serienummer

 

 

 

 

 

Bochtaanwijzers Nummer: …

Punt nr.

Type

Fabrikant

Typegoedkeuringsnummer

Serienummer

 

 

 

 

 

Hierbij wordt verklaard dat de navigatieradarinstallatie en de bochtaanwijzers van dit schip aan de voorschriften van Richtlijn 2006/87/EG, bijlage IX, deel III, omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voor de binnenvaart voldoen.

Erkend bedrijf/technische dienst/bevoegde autoriteit  (*3)

Naam: …

Adres: …

Stempel/zegel Plaats … Datum …

Handtekening

DEEL V

(MODEL)

1.

Lijst van de bevoegde autoriteiten voor typegoedkeuring van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Land

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

België

 

 

 

 

Bulgarije

 

 

 

 

Denemarken

 

 

 

 

Duitsland

 

 

 

 

Estland

 

 

 

 

Finland

 

 

 

 

Frankrijk

 

 

 

 

Griekenland

 

 

 

 

Italië

 

 

 

 

Ierland

 

 

 

 

Letland

 

 

 

 

Litouwen

 

 

 

 

Luxemburg

 

 

 

 

Malta

 

 

 

 

Nederland

 

 

 

 

Oostenrijk

 

 

 

 

Polen

 

 

 

 

Portugal

 

 

 

 

Roemenië

 

 

 

 

Zweden

 

 

 

 

Zwitserland

 

 

 

 

Spanje

 

 

 

 

Slowakije

 

 

 

 

Slovenië

 

 

 

 

Tsjechië

 

 

 

 

Hongarije

 

 

 

 

Verenigd Koninkrijk

 

 

 

 

Cyprus

 

 

 

 

Indien geen autoriteit is vermeld, werd door het land in kwestie geen bevoegde autoriteit opgegeven.

2.

Lijst van erkende navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Punt nr.

Type

Fabrikant

Houder van de typegoedkeuring

Datum van de typegoedkeuring

Bevoegde autoriteit

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

 

3.

Lijst van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die op basis van gelijkwaardige typegoedkeuringen zijn erkend

Punt nr.

Type

Fabrikant

Houder van de typegoedkeuring

Datum van de typegoedkeuring

Bevoegde autoriteit

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

 

4.

Lijst van deskundige bedrijven die zijn erkend voor de inbouw of vervanging van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

België

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Bulgarije

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Denemarken

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Duitsland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Estland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Finland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Frankrijk

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Griekenland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Italië

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Ierland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Letland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Litouwen

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Luxemburg

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Malta

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Nederland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Oostenrijk

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Polen

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Portugal

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Roemenië

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Zweden

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Zwitserland

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Spanje

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Slowakije

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Slovenië

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Tsjechië

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Hongarije

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Verenigd Koninkrijk

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

Cyprus

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

 

 

 

 

 

Indien geen erkend bedrijf is vermeld, is in dit land geen enkele erkenning voor bedrijven afgegeven.

5.

Lijst van deskundige keuringsinstellingen voor typekeuringen van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers

Punt nr.

Naam

Adres

Telefoonnummer

E-mailadres

Staat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

DEEL VI

Gelijkwaardige installaties

1.

Navigatieradarinstallaties: Typegoedkeuringen gebaseerd op Besluit 1989-II-33 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart op 19 mei 1989 laatst gewijzigd in Besluit 2008-II-11 op 27 november 2008 (*4)

2.

Bochtaanwijzers: Typegoedkeuringen gebaseerd op Besluit 1989-II-34 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart op 19 mei 1989 laatst gewijzigd in Besluit 2008-II-11 op 27 november 2008 (*4)

3.

Navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers die zijn ingebouwd en functioneren overeenkomstig Besluit 1989-II-35 van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart op 19 mei 1989 laatst gewijzigd in Besluit 2008-II-11 op 27 november 2008 (*4)

(*1)   PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.

(*2)   PB L 390 van 31.12.2004, blz. 24.

(*3)  Doorhalen wat niet van toepassing is

(*4)  Voorschriften omtrent de inbouw en het functioneren van navigatieradarinstallaties en bochtaanwijzers voor navigatie op de Rijn.


Top