Vyberte pokusně zaváděné prvky, které byste chtěli vyzkoušet

Tento dokument je výňatkem z internetových stránek EUR-Lex

Dokument 32011R1331

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1331/2011 van de Raad van 14 december 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China

PB L 336 van 20.12.2011, s. 6–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Právní stav dokumentu Již není platné, Datum konce platnosti: 06/03/2018

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2011/1331/oj

20.12.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 336/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1331/2011 VAN DE RAAD

van 14 december 2011

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de basisverordening), en met name artikel 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie (de Commissie), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1)

De Commissie heeft bij Verordening (EU) nr. 627/2011 (2) (de voorlopige verordening) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (VRC).

(2)

De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 16 augustus 2010 werd ingediend (de klacht) door het Defence Committee of the Seamless Steel Tubes Industry of the European Union (het Defence Committee) namens twee groepen producenten in de Unie (de klagers) die samen een groot deel, in dit geval meer dan 50 %, van de totale productie in de Unie van bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal vertegenwoordigen.

(3)

Zoals in overweging 14 van de voorlopige verordening is uiteengezet, had het onderzoek naar de dumping en de schade betrekking op de periode van 1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010 (het onderzoektijdvak of OT). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2006 tot het eind van het OT (de beoordelingsperiode).

B.   VERVOLG VAN DE PROCEDURE

(4)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige maatregelen in te stellen (mededeling van de voorlopige bevindingen), hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen ingediend. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd. De Commissie heeft vervolgens alle informatie verzameld die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte.

Individueel onderzoek

(5)

Er werd definitief besloten dat de drie verzoeken om een individueel onderzoek niet konden worden ingewilligd omdat zij te belastend zouden zijn en een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zouden staan. Zoals in overweging 6 van de voorlopige verordening is aangegeven, had de Commissie een representatieve steekproef samengesteld die 25 % van de totale door Eurostat geregistreerde invoer en meer dan 38 % van het totale volume van de medewerkende exporteurs voor het OT vertegenwoordigde. Uit overweging 13 van de voorlopige verordening blijkt dat het bij twee van de drie producenten-exporteurs in de steekproef om een grote groep gaat. De omvang van die groepen bracht bij het huidige onderzoek bijzonder veel werk mee, zowel wat de vereiste onderzoeksinspanning als de analyse betreft. Het was daarom niet mogelijk de verzoeken van nog andere producenten-exporteurs om een individueel onderzoek in te willigen.

C.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(6)

Zoals in overweging 15 van de voorlopige verordening is beschreven, gaat het bij het betrokken product om naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal (met uitzondering van die welke voorzien zijn van hulpstukken (fittings), voor gassen of vloeistoffen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen), van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7304 11 00 , 7304 22 00 , 7304 24 00 , ex 7304 41 00 , 7304 49 10 , ex 7304 49 93 , ex 7304 49 95 , ex 7304 49 99 en ex 7304 90 00 (het betrokken product).

(7)

Aangezien er na de mededeling van de voorlopige bevindingen geen opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 15 tot en met 19 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Soortgelijk product

(8)

Aangezien hierover geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 20 van de voorlopige verordening bevestigd.

D.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(9)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen betwistten sommige partijen enkele van de bevindingen over de BMO-vaststelling, die waren opgenomen in de overwegingen 21 tot en met 43 van de voorlopige verordening.

(10)

Een van de partijen beweerde dat de Commissie niet openbaar had gemaakt hoeveel de grondstoffenprijzen op de EU-markt verschilden van die op de markt van de VRC. Er moet echter op worden gewezen dat het nominale verschil tussen de grondstoffenprijzen in de EU, in de VS en in de VRC zowel in de mededeling van de BMO-bevindingen als in de voorlopige verordening wordt vermeld. Zoals in overweging 27 van de voorlopige verordening wordt aangegeven, bedraagt dit verschil gemiddeld ongeveer 30 %, afhankelijk van de staalsoort. De Commissie baseerde deze vergelijking op beschikbare gegevens die door medewerkende producenten uit de Unie en producenten-exporteurs uit de VRC waren verstrekt. Deze gegevens werden getoetst aan gegevens uit bepaalde openbaar toegankelijke bronnen (3).

(11)

Een ander argument was dat de Commissie de prijzen van het in de VRC ingevoerde ijzererts niet had vergeleken met de prijzen op de internationale markt. Daarmee samenhangend werd opgemerkt dat geen gegevens waren verstrekt over de gevolgen van de ijzerertsprijs voor de kosten van de grondstof (billets, ingots, ronde staven) die door de producenten van het betrokken product moet worden gekocht. In overweging 28 van de voorlopige verordening werd ijzererts genoemd in de context van een eventueel comparatief voordeel, die een verklaring had kunnen zijn voor de lage prijzen van billets, ingots en ronde staven in de VRC. IJzererts, nikkel en chroom zijn belangrijke kostenfactoren bij de productie van billets, ingots en ronde staven van roestvrij staal. Daar de prijzen voor ijzererts, nikkel en chroom echter doorgaans gebaseerd zijn op de internationale marktprijzen, kunnen zij maar weinig invloed hebben op het prijsverschil tussen de Unie en de VRC wat billets, ingots en ronde staven en de daarmee vervaardigde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal betreft. De bevinding dat niet werd voldaan aan criterium 1 voor toekenning van een BMO was niet gebaseerd op de ijzerertsprijzen maar op het prijsverschil tussen de grondstoffen, d.w.z. billets, ingots en ronde staven, die rechtstreeks voor de vervaardiging van het betrokken product worden gebruikt; samen met de vastgestelde staatsinmenging (uitvoerrechten en geen terugbetaling van btw) was dit prijsverschil reden te concluderen dat niet was gebleken dat aan criterium 1 voor toekenning van een BMO was voldaan.

(12)

Een van de partijen heeft herhaaldelijk hetzelfde argument over de procedurele aspecten van de BMO-vaststelling naar voren gebracht. Dit argument had betrekking op het overleg met het Raadgevend Comité, namelijk op de informatie die in de loop van het huidige onderzoek aan dat comité werd verstrekt. De partij in kwestie heeft in twee brieven en in diverse gesprekken met de voor hearings bevoegde ambtenaar uitleg hierover gekregen. In dit verband moet erop worden gewezen dat ingevolge artikel 19, lid 5, van de basisverordening uitwisselingen van informatie met betrekking tot het overleg met het Raadgevend Comité niet worden bekendgemaakt, tenzij in de basisverordening anders is bepaald. Derhalve is het op grond van de thans geldende bepalingen niet toegestaan partijen inzage te geven in informatie-uitwisselingen tussen de Commissie en de lidstaten.

(13)

Dezelfde partij maakte een aantal opmerkingen die hoofdzakelijk gingen over de verstoringen op de markt voor grondstoffen. Volgens haar maakten op de binnenlandse markt van de VRC gekochte billets van roestvrij staal slechts een deel van de tijdens het OT gekochte grondstoffen uit. Ten eerste moet er in dit verband op worden gewezen dat in artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening geen drempel is vastgesteld voor het aandeel van de ingekochte grondstoffen waarop verstoringen van invloed zouden moeten zijn. In artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening is bepaald dat de kosten van de belangrijke productiemiddelen hoofdzakelijk marktvoorwaarden moeten weergeven. Zoals de Commissie heeft uitgelegd, is het belangrijkste echter dat de verstoringen op de grondstoffenmarkt in de VRC niet alleen billets betreffen maar alle belangrijke grondstoffen die voor de productie van naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal worden gebruikt. Die grondstoffen zijn billets, ingots en ronde staven, die meer dan 50 % van de productiekosten voor het betrokken product uitmaken. Zij worden alle ingedeeld onder GS-code 7218 10 (ingots en andere primaire vormen, van roestvrij staal). Voor al deze grondstoffen geldt een uitvoerrechtentarief van 15 % en voor geen van hen kan de btw van 17 % worden teruggevorderd. Dit is dus waar verstoringen zijn vastgesteld, die tot de conclusie hebben geleid dat geen van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs uit de VRC aan criterium 1 voor toekenning van een BMO voldoet. De onderneming in kwestie kocht een groot deel (ongeveer 30 %) van haar grondstoffen voor de vervaardiging van het betrokken product op de binnenlandse markt in de VRC.

Daarnaast voerde zij een aanzienlijk deel in van verbonden ondernemingen. Als specifiek de aankopen bij niet-verbonden ondernemingen in aanmerking worden genomen, is zelfs 56 % in het binnenland gekocht. In tegenstelling tot wat de partij beweert, werden de feiten in verband met de BMO-vaststelling dus niet verkeerd weergegeven, noch in de communicatie met die partij noch bij het overleg met het Raadgevend Comité, dat van alle argumenten in kennis werd gesteld. Het argument moet daarom worden afgewezen.

(14)

Een van de ondernemingen voerde aan dat het besluit om geen BMO toe te kennen individueel en specifiek voor een bepaalde onderneming moet zijn, terwijl de instellingen in dit geval de algemene bevindingen voor een land tot individuele producenten hadden uitgebreid. Dit argument kan niet worden aanvaard; de instellingen hebben hun analyse wel degelijk voor elke in de steekproef opgenomen producent afzonderlijk gemaakt. Weliswaar zijn de instellingen voor alle drie de producenten tot dezelfde conclusie gekomen, maar dat is omdat de staat zich bij elk van hen mengt in de besluitvorming, zoals in de voorlopige verordening is uitgelegd.

(15)

Gezien het bovenstaande wordt de bevinding dat aan geen van de ondernemingen een BMO kan worden toegekend, zoals is vastgesteld in de overwegingen 21 tot en met 43 van de voorlopige verordening, bevestigd.

2.   Normale waarde

a)   Referentieland

(16)

Een van de partijen voerde aan dat de VS als referentieland hadden moeten worden gebruikt. De redenen waarom werd besloten de VS niet als referentieland te gebruiken, zijn uiteengezet in de overwegingen 46 tot en met 48 van de voorlopige verordening. Daar de partij haar argument niet afdoende onderbouwde en ook geen aanvullende argumenten aanvoerde die tot andere bevindingen met betrekking tot de VS als mogelijk referentieland zouden kunnen leiden, moet het argument van de hand worden gewezen.

(17)

Tegelijk moet worden benadrukt dat de Commissie is blijven proberen de medewerking van een geschikt referentieland te verkrijgen. Afgezien van haar in overweging 47 van de voorlopige verordening vermelde inspanningen, heeft de Commissie contact opgenomen met producenten in Brazilië, Canada, Maleisië, Mexico, Oekraïne, Taiwan, Zuid-Afrika en Zuid-Korea. In totaal werden 46 ondernemingen benaderd, maar geen van hen was bereid mee te werken.

(18)

Gezien het bovenstaande wordt de voorlopige conclusie in overweging 51 van de voorlopige verordening bevestigd, namelijk dat de normale waarde moet worden gebaseerd op de werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product in de Unie, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.

b)   Vaststelling van de normale waarde

(19)

Zoals in de overwegingen 49 tot en met 51 van de voorlopige verordening is uiteengezet, wordt de normale waarde vastgesteld aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge, van een soortgelijk product in de Unie dat het meest met het betrokken product overeenkomt en dat dezelfde diameter heeft en van dezelfde staalsoort en productsoort (bv. koud- of warmgetrokken) is.

(20)

In de overwegingen 45 en 46 wordt ingegaan op opmerkingen van de partijen over de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de Unie en over correcties (zoals voor verschil in handelsstadium en kwaliteitsbeeld).

(21)

Een van de ondernemingen voerde aan dat de normale waarde kon worden berekend aan de hand van de prijzen voor holle producten van roestvrij staal bij invoer naar de VS vanuit de Unie of bij invoer in de Unie door producenten in de Unie. Dit argument werd niet verder onderbouwd. De onderneming bracht geen argumenten naar voren om aan te tonen waarom een dergelijke berekening beter geschikt zou zijn voor het vaststellen van de normale waarde dan de in de voorlopige verordening toegepaste methode. Met name werd niet aangetoond waarom het beter zou zijn om de normale waarde vast te stellen aan de hand van de prijzen voor holle producten dan op basis van prijzen van de bedrijfstak van de Unie voor het soortgelijke product.

(22)

Voorts werd niet afdoende aangetoond waarom de EU-uitvoer naar de VS in aanmerking zou moeten worden genomen. Dit lijkt geen geschikt alternatief, met name niet omdat alle medewerkende VS-producenten voor hun grondstoffen afhankelijk zijn van moedermaatschappijen in de EU, zoals al is vermeld in overweging 48 van de voorlopige verordening. Voorts is de voorgestelde methode ongeschikt wegens de hoge verwerkingskosten in de VS, zoals al in overweging 48 van de voorlopige verordening is uiteengezet: deze hoge kosten zijn juist de reden waarom werd besloten dat de VS geen geschikt referentieland waren.

(23)

Wat de uitvoer uit de VS naar de Unie betreft, wordt verwezen naar overweging 49 van de voorlopige verordening, waarin uitdrukkelijk hierop wordt ingegaan. Er werd geconcludeerd dat de uitvoerprijzen van de VS door de hoge productiekosten beïnvloed zijn en dat de omvang van de uitvoer zeer gering is.

(24)

Dezelfde onderneming stelde voor de normale waarde te berekenen aan de hand van de werkelijke prijzen van holle producten van roestvrij staal bij invoer door EU-producenten. De in de klacht genoemde EU-producent die holle producten uit India in de EU invoert, werkt evenwel niet aan het huidige onderzoek mee. Hetzelfde geldt voor alle EU-producenten in de steekproef, die holle producten van buiten de Unie invoeren. Derhalve kan de voorgestelde methode niet worden toegepast.

(25)

Gezien het bovenstaande worden de overwegingen 49 tot en met 51 van de voorlopige verordening over de vaststelling van de normale waarde bevestigd.

3.   Uitvoerprijs

(26)

Een van de partijen kwam opnieuw met het argument dat voor een billijke vergelijking als datum van verkoop de orderdatum en niet de factuurdatum moet worden genomen. Bij dit argument werd verwezen naar artikel 2, lid 10, onder j), van de basisverordening. Zoals al op 11 maart 2011 tijdens het onderhoud met de voor hearings bevoegde ambtenaar aan de betrokken partij is uitgelegd, heeft deze bepaling specifiek betrekking op de omrekening van valuta, d.w.z. wanneer voor een prijsvergelijking valuta met behulp van wisselkoersen moeten worden omgerekend. Wanneer derhalve de datum van de kooporder wordt vermeld, dan gaat het daarbij om de omrekening van valuta voor een billijke vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde en niet om de omzet en de omvang van de uitvoer naar de Unie tijdens het OT.

(27)

In alle gevallen werd het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Unie uitgevoerd en werd de uitvoerprijs derhalve vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen. Overweging 52 van de voorlopige verordening wordt daarom bevestigd.

4.   Vergelijking

(28)

Zoals al in overweging 20 is beschreven, wordt in de overwegingen 45 en 46 ingegaan op de opmerkingen van de partijen over de werkelijk betaalde of te betalen prijzen in de Unie en over correcties (zoals voor verschil in handelsstadium en kwaliteitsbeeld).

(29)

Een van de partijen betwistte de methode waarmee de uitvoerprijs en de normale waarde aan de hand van drie specifieke parameters (diameter, staalsoort, productsoort, bv. koud- of warmgetrokken) worden vergeleken. Volgens deze partij hadden de vergelijkingen op gedetailleerder niveau moeten plaatsvinden, d.w.z. dat volgens haar ook andere parameters in aanmerking hadden moeten worden genomen, zoals wanddikte, lengte en tests.

(30)

De diensten van de Commissie hebben informatie verzameld over een aantal parameters, waaronder ook de lengte, de wanddikte en tests.

(31)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening wordt de dumpingmarge gewoonlijk vastgesteld door de gewogen gemiddelde normale waarde te vergelijken met de gewogen gemiddelde prijs van alle vergelijkbare exporttransacties. Ingevolge artikel 2, lid 11, van de basisverordening moet bij de berekening van dumping worden uitgegaan van „alle vergelijkbare exporttransacties naar de Gemeenschap”, maar „onder voorbehoud van de relevante bepalingen betreffende de billijke vergelijking”. De onderneming noemde het zogenaamde productcontrolenummer en de daarin vervatte parameters. In dit verband moet erop worden gewezen dat het productcontrolenummer een bij het onderzoek gebruikt instrument is om de grote hoeveelheden zeer gedetailleerde gegevens die door de ondernemingen worden ingediend, te structureren en te organiseren. Het is een hulpmiddel om verschillende productkenmerken binnen de categorie van het betrokken product en het soortgelijke product nader te analyseren. Voor de vergelijking werden de kenmerken genomen die het meest relevant waren, teneinde een billijke vergelijking te waarborgen.

(32)

In antwoord hierop heeft de Commissie de onderneming in een brief uitgelegd dat de wanddikte van een buis evenredig is met het gewicht ervan en dus indirect bij de vergelijking in aanmerking was genomen. Andere kenmerken, zoals tests, hebben weinig invloed op de vergelijking. Zo worden bijna alle betrokken producten aan standaardtests onderworpen.

(33)

Er moet worden benadrukt dat de Commissie, in tegenstelling tot wat de partij beweerde, geen informatie opzettelijk buiten beschouwing heeft gelaten. Het is echter niet ongebruikelijk dat bepaalde parameters die voor het productcontrolenummer worden gebruikt, minder gewicht krijgen en dat sommige parameters een betere basis voor een billijke vergelijking vormen dan andere. Er zijn geen buizen bij de vergelijking buiten beschouwing gebleven op grond van fysieke kenmerken of om enige andere reden, en er zijn geen nieuwe productsoorten gecreëerd. Integendeel, alle verkopen zijn bij de vergelijking in aanmerking genomen, ongeacht de diameter of lengte van de buis.

(34)

De onderneming merkte verder op dat zij door de benadering van de Commissie geen verzoek om een correctie voor fysieke kenmerken had kunnen indienen. Ook deze bewering is gebaseerd op het feit dat de Commissie bij haar vergelijking van slechts drie parameters is uitgegaan; hierop is al geantwoord in de overwegingen 31 en volgende.

(35)

Wat de procedurele aspecten van de vergelijking betreft, die ook door deze onderneming aan de orde werden gesteld, moet erop worden gewezen dat deze volop gelegenheid had om commentaar te leveren op de berekeningen in haar specifieke geval. Op de dag van bekendmaking van de voorlopige verordening zijn ook alle details met betrekking tot die berekeningen openbaar gemaakt. De onderneming heeft in haar brief van 11 juli 2011 opmerkingen gemaakt over de bij de vergelijking gebruikte parameters en daarbij om nadere toelichting verzocht. Op 19 juli 2011 hebben de diensten van de Commissie hierop geantwoord. Daarop heeft de onderneming op 29 juli 2011 een brief gestuurd en daarin haar argumenten nog eens herhaald. De onderneming was het niet eens met de grondslag voor de vergelijking en beweerde steeds weer opnieuw dat parameters als wanddikte, lengte en tests van invloed zijn op het prijsniveau. Zoals hierboven al is gezegd, geeft de Commissie toe dat deze parameters enige invloed op de prijzen hebben. Er werd echter besloten dat het beter was om de berekeningen op de drie belangrijkste parameters te baseren omdat hierdoor een zo groot mogelijke overeenkomst kan worden bereikt en tegelijk voor alle exporttransacties overeenkomstige verkopen kunnen worden gevonden.

(36)

De onderneming beweerde dat zij geen correctieverzoek kon indienen. Dit argument moet worden afgewezen. Er was tijdens de procedure voortdurend gelegenheid een verzoek in te dienen, en zeker op het ogenblik waarop de voorlopige bevindingen werden meegedeeld en de onderneming op de hoogte was van alle details van de berekeningen.

(37)

Een partij voerde aan dat toepassing van de productiekosten voor buizen met een kleinere diameter op buizen met een grotere diameter niet de werkelijke kosten weergeeft, omdat de kosten voor buizen met een grotere diameter veel hoger zijn. De partij kwam echter niet met een alternatief of om haar argument afdoende te onderbouwen. Aangezien geen alternatieve methode werd voorgesteld, moet de gebruikte methode derhalve als de meest redelijke worden beschouwd.

(38)

Een van de ondernemingen beweerde dat het aantal correcties (het feit dat de Commissie zich tot drie parameters beperkte, correcties voor kwaliteitsbeeld en voor verschil in handelsstadium) erop duidde dat de producten van de EU-producenten nauwelijks vergelijkbaar zijn met de uit de VRC ingevoerde producten. In dit verband moet worden opgemerkt dat correcties door de instellingen een wezenlijk onderdeel van alle dumpingberekeningen zijn. In die correcties is voorzien in de basisverordening; derhalve kunnen zij als zodanig geen vraagteken zetten bij de vergelijkbaarheid tussen betrokken product en soortgelijk product. De hoge mate van overeenkomst bevestigt juist dat het betrokken product en het soortgelijke product volledig met elkaar vergelijkbaar zijn.

(39)

Gezien bovenstaande overwegingen worden de bevindingen in de overwegingen 53 en 54 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Dumpingmarges

(40)

Een van de partijen beweerde dat de dumpingmarge op kwartaalbasis had moeten worden vastgesteld, omdat de nikkelprijs sterk fluctueert. Hierop moet worden geantwoord dat het bij de vergelijking tussen de uitvoerprijs en de normale waarde in dit geval niet om een vergelijking tussen prijzen en kosten gaat, maar om een vergelijking tussen gewogen gemiddelde verkoopprijzen (de normale waarde werd vastgesteld aan de hand van de verkooprijzen van de bedrijfstak van de Unie). Voorts waren de hogere nikkelprijzen het gevolg van een prijsstijging op de wereldmarkt en derhalve geen losstaand fenomeen uit de VRC. De stijging betrof maximaal drie maanden van het OT, terwijl het betrokken product gedurende het hele OT werd verkocht. Bovendien moeten veranderingen in de grondstoffenprijzen als een normaal aspect van handelstransacties worden beschouwd. Omdat nikkel op de London Metal Exchange genoteerd is, zou de stijging van de nikkelprijzen de EU- en de VRC-producenten in gelijke mate moeten treffen. Eventuele verschillen zijn het gevolg van de verstoring van grondstoffenprijzen in de VRC en moeten derhalve niet bij de berekening in aanmerking worden genomen. Het argument moet derhalve worden afgewezen en de gemiddelde uitvoerprijzen in de VRC en de gemiddelde EU-prijzen, verhoogd met een redelijke winstmarge, moeten op jaarbasis met elkaar worden vergeleken. Dit argument werd daarom afgewezen.

(41)

Een van de producenten uit de VRC betoogde op grond van bewijsmateriaal dat de correcties in zijn individuele dumpingmarge onjuist waren berekend. De Commissie aanvaardde zijn redenering en maakte een nieuwe berekening; zij kwam daarbij uit op een dumpingmarge van 83,7 %. Afgezien van deze wijziging worden de bevindingen in de overwegingen 55 tot en met 61 van de voorlopige verordening bevestigd. De herziene dumpingmarges zijn als volgt:

 

Definitieve dumpingmarges

Changshu Walsin Specialty Steel, Co. Ltd, Haiyu

83,7  %

Shanghai Jinchang Stainless Steel Tube Manufacturing, Co. Ltd, Situan

62,6  %

Wenzhou Jiangnan Steel Pipe Manufacturing, Co. Ltd, Yongzhong

67,1  %

Gewogen gemiddelde van de steekproef voor de in bijlage I genoemde medewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen

71,5  %

Alle andere ondernemingen

83,7  %

E.   SCHADE

1.   Bedrijfstak van de Unie

(42)

Er zijn na de mededeling van de voorlopige bevindingen geen opmerkingen over de definitie van de bedrijfstak van de Unie en de representativiteit van de steekproef van producenten in de Unie ontvangen. Daarom worden de overwegingen 62 en 63 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Verbruik in de Unie

(43)

Er werden geen opmerkingen ontvangen over het verbruik in de Unie. Daarom worden de overwegingen 64 tot en met 66 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Invoer uit het betrokken land

(44)

De belanghebbenden hebben geen argumenten naar voren gebracht met betrekking tot de voorlopige bevindingen over omvang, marktaandeel en prijsontwikkeling van de invoer met dumping. Daarom worden de overwegingen 67 tot en met 69 van de voorlopige verordening bevestigd.

Prijsonderbieding

(45)

Wat de berekening van de prijsonderbieding door invoer uit de VRC betreft, hebben zowel de producenten-exporteurs uit de VRC als de bedrijfstak van de Unie om nadere informatie verzocht over de methode die is gebruikt bij berekeningen voor het vaststellen van bepaalde correcties (zoals voor kosten na invoer, verschil in handelsstadium en kwaliteitsbeeld op de markt). De Commissie heeft in antwoord op deze verzoeken laten weten hoe deze correcties werden vastgesteld, zonder daarbij vertrouwelijke gegevens vrij te geven.

(46)

Naar aanleiding van de opmerkingen van een producent uit de VRC werd bij de berekening van de prijsonderbieding een kleine correctie toegepast, omdat bij de voorlopige berekening van de correctie voor verschil in handelsstadium ook een deel van de kosten na invoer in aanmerking waren genomen, terwijl deze al verrekend waren bij een afzonderlijke correctie voor alle kosten na invoer. De correctie leidde tot een wijziging van de prijsonderbiedingsmarge en de schademarge met minder dan een procentpunt ten opzichte van de voorlopige berekeningen (zie de overwegingen 82 en 83 voor de herziening van de schademarge).

(47)

Afgezien van bovenstaande wijzigingen en aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 70 en 71 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

(48)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen hebben sommige producenten-exporteurs uit de VRC aangevoerd dat bepaalde indicatoren bij de schadeanalyse buiten beschouwing moeten blijven. Zij verklaarden met name dat de productie en bezettingsgraad evenredig met het verbruik in de Unie waren gedaald en derhalve bij de analyse van aanmerkelijke schade buiten beschouwing moesten blijven. Een soortgelijk argument werd naar voren gebracht met betrekking tot de verkoopdaling in de Unie, die ook evenredig zou zijn met de daling van het verbruik.

(49)

Ten eerste wordt gewezen op artikel 3, lid 5, van de basisverordening, waarin is bepaald dat „alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van die bedrijfstak van invloed zijn” bij de schadeanalyse moeten worden onderzocht. De mogelijke bijdrage van andere factoren dan de invoer met dumping tot de schade wordt besproken onder F. Oorzakelijk verband, en met name onder het kopje Gevolgen van andere factoren (zie de overwegingen 59 tot en met 69).

(50)

Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 72 tot en met 89 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.   Conclusie inzake schade

(51)

Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 90 tot en met 92 van de voorlopige verordening bevestigd.

F.   OORZAKELIJK VERBAND

1.   Gevolgen van de invoer met dumping en de economische neergang

(52)

Sommige partijen herhaalden hun argumenten uit de voorlopige fase en voerden aan dat een groot deel van de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade te wijten was aan andere factoren dan de invoer met dumping.

(53)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen beweerden sommige producenten-exporteurs uit de VRC met name dat de daling van het verkoopvolume en het marktaandeel voor een aanzienlijk deel werd veroorzaakt door de afnemende vraag als gevolg van de economische crisis en niet door de invoer met dumping uit de VRC. Voorts zou de vergelijkbare daling van de prijzen van de invoer uit de VRC en van de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode (met respectievelijk 9 % en 8 %) eveneens aangeven dat de daling van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie louter werd veroorzaakt door de verminderde vraag op de markt en niet door het effect van de invoer met dumping.

(54)

Ten eerste wordt in de overwegingen 103 tot en met 106 van de voorlopige verordening erkend dat de economische neergang en de daaruit voortvloeiende vermindering van de vraag een negatief effect hadden op de situatie van de bedrijfstak van de Unie en als zodanig tot de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade kunnen hebben bijgedragen. Dit doet echter niets af aan de schadelijke gevolgen van de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC waarvan het marktaandeel in de Unie gedurende de beoordelingsperiode aanzienlijk toenam.

(55)

Zoals al in de overwegingen 104 en 105 van de voorlopige verordening is uitgelegd, zijn de gevolgen van invoer met dumping in een periode van afnemende vraag in feite veel schadelijker dan in een periode van snelle groei. De invoer uit de VRC blijkt de prijzen van de bedrijfstak van de Unie gedurende de gehele beoordelingsperiode te hebben onderboden. Bovendien lag de prijsonderbieding in het OT tussen 21 % en 32 % en bereikte de invoer uit de VRC in dat tijdvak, na een stijging met maar liefst 7,9 procentpunten in de beoordelingsperiode, een marktaandeel van 18 % in de Unie. Terwijl dus een duidelijke prijsdruk uitging van de invoer uit de VRC, waardoor de bedrijfstak van de Unie geen kostendekkende (laat staan winstgevende) prijzen kon vaststellen, maakte de toename van de omvang en het marktaandeel van die invoer het voor de bedrijfstak van de Unie tegelijk onmogelijk om te proberen zijn productie, bezettingsgraad en verkoop op te voeren; dat geldt met name voor producten die meer als basisproduct kunnen worden beschouwd en die hoofdzakelijk via distributeurs worden verkocht.

(56)

Ten tweede zouden conclusies die uitsluitend op bepaalde schade-indicatoren zijn gebaseerd, zoals verkoopvolume en marktaandeel of alleen verkoopprijzen, de analyse in dit geval vertekenen. Zo ging de afname van het verkoopvolume en het marktaandeel onder meer gepaard met een ernstige verslechtering van de winstgevendheid en was zij grotendeels te wijten aan de door de invoer met dumping uitgeoefende prijsdruk. Wat specifiek het marktaandeel aanbelangt, heeft de bedrijfstak van de Unie tijdens de beoordelingsperiode 3,6 procentpunten aan de invoer uit de VRC moeten prijsgeven. Tot slot en opnieuw gezien de prijsonderbieding en de absolute en relatieve toename van de invoer uit de VRC, kan geenszins worden geconcludeerd dat de daling van de prijzen van de producenten in de Unie losstaat van het prijsniveau van de invoer met dumping.

(57)

Gezien het bovenstaande wordt het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping en de vastgestelde aanmerkelijke schade bevestigd, omdat er gelijktijdig sprake was van grote omvang en van aanzienlijke prijsdruk door de invoer uit de VRC op de bedrijfstak van de Unie.

(58)

Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 94 tot en met 96 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Gevolgen van andere factoren

(59)

Wat de gevolgen van de invoer uit andere derde landen naar de Unie betreft, beweerden sommige producenten-exporteurs uit de VRC dat 1,0 van de 3,6 procentpunten waarmee het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie was afgenomen, te wijten was aan de invoer uit Japan en India. Feit is echter dat de toename van het marktaandeel van de invoer uit de VRC niet alleen ten koste ging van de bedrijfstak van de Unie maar ook van ander invoer. Van die toename met 7,9 procentpunten ging 3,6 procentpunten ten koste van de bedrijfstak van de Unie en 4,3 procentpunten ten koste van invoer uit andere landen.

(60)

Dezelfde producenten-exporteurs uit de VRC stelden dat ook de gemiddelde prijzen van de invoer uit een aantal specifieke andere derde landen, met name Oekraïne, India en de VS, sterk waren gedaald waardoor schade voor de bedrijfstak van de Unie kon zijn ontstaan. In dit verband wordt er echter op gewezen dat de gemiddelde prijs van de invoer uit alle landen behalve de VRC tijdens de beoordelingsperiode in feite met 34 % is gestegen. Zoals in overweging 100 van de voorlopige verordening al is vermeld, lag de gemiddelde prijs van de invoer uit de VS aanzienlijk hoger dan de prijzen op de markt in de Unie. In diezelfde overweging staat ook dat het marktaandeel van de invoer uit Oekraïne is gedaald, terwijl dat van de invoer uit de VS en India relatief stabiel is gebleven. Op basis van de Eurostatgegevens over die invoer kan evenwel niet worden geconcludeerd dat de invoer uit andere derde landen een belangrijke rol heeft gespeeld bij de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak van de Unie; die invoer verbreekt derhalve niet het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de schade.

(61)

Aangezien geen andere opmerkingen over de bevindingen in de overwegingen 97 tot en met 102 van de voorlopige verordening werden ontvangen, worden deze bevindingen bevestigd.

(62)

Wat de gevolgen van de economische neergang betreft, wordt in de overwegingen 52 tot en met 58 geanalyseerd waarom deze niet kan worden beschouwd als factor die het oorzakelijke verband verbreekt. Aangezien geen van de ingediende opmerkingen het tegendeel aantoonde, worden de bevindingen in de overwegingen 103 tot en met 106 van de voorlopige verordening bevestigd.

(63)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen over de bevindingen in de overwegingen 107 en 108 van de voorlopige verordening met betrekking tot de uitvoerprestatie van de bedrijfstak van de Unie, worden die bevindingen bevestigd.

(64)

Sommige producenten-exporteurs uit de VRC beweerden dat de stijging van de productiekosten per eenheid met 18 % (zie overweging 109 van de voorlopige verordening) en niet de invoer met dumping een belangrijke rol heeft gespeeld bij de verslechtering van de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie, en verzochten derhalve om een uitvoeriger analyse van de gevolgen van die kostenstijging.

(65)

De Commissie heeft deze kwestie onderzocht en kwam tot de conclusie dat de stijging van de productiekosten per eenheid kon worden toegeschreven aan hogere fabricagekosten als gevolg van hogere grondstoffenprijzen, vaste kosten zoals directe loonkosten, afschrijving, vaste productiekosten en VAA-kosten, en de snelle productiedaling.

(66)

Daar de schommelingen in de kosten van grondstoffen grotendeels worden opgevangen door het prijsvormingsmechanisme van de bedrijfstak van de Unie - het zogenaamde legeringstoeslagsysteem, dat de prijzen rechtstreeks koppelt aan de notering van de belangrijkste grondstoffen, zoals nikkel, molybdeen en chroom - zijn de gevolgen voor de winstgevendheid waarschijnlijk gering. De andere aspecten, die de ontoereikende productie- en verkoopvolumes betreffen, hadden echter wel rechtstreeks gevolgen voor de winstgevendheid. Aangezien de bedrijfstak van de Unie heel wat meer zou hebben geproduceerd en verkocht als er geen invoer met dumping had plaatsgevonden, kan niet worden geconcludeerd dat de stijging van de productiekosten per eenheid op zich, eerder dan de invoer met dumping, een belangrijke factor is bij het ontstaan van de schade, aangezien die onlosmakelijk verbonden is met de toename van de invoer met dumping.

(67)

Sommige producenten-exporteurs in de VRC opperden ook dat de vastgestelde schade in belangrijke mate kon zijn veroorzaakt doordat de bedrijfstak van de Unie niet herstructureerde toen het verbruik afnam.

(68)

In dit verband moet allereerst worden opgemerkt dat de bedrijfstak van de Unie niet zomaar te kampen had met een daling van het verbruik, maar met de gevolgen van invoer met dumping in een periode van afnemend verbruik. Niettemin is uit het onderzoek gebleken dat: i) de bedrijfstak van de Unie zijn productiecapaciteit heeft gehandhaafd omdat hij verwachtte dat de crisis van tijdelijke aard zou zijn en dat de situatie zich spoedig zou herstellen, waarbij niet van hem kan worden verwacht dat hij zijn capaciteit aanpast aan een toename van de invoer uit de VRC tegen abnormaal lage dumpingprijzen; ii) de bedrijfstak van de Unie zijn productmix heeft ontwikkeld en zich daarbij heeft toegespitst op hoogwaardigere gespecialiseerde producten waarvoor de concurrentie uit de VRC minder hevig is; iii) de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode zijn personeelsbestand met 8 % heeft verkleind en de gemiddelde arbeidskosten per werknemer met 2 % heeft verlaagd (indien bij deze bezuinigingen alleen van de crisisperiode wordt uitgegaan, d.w.z. van de periode tussen 2008 en het eind van het OT, is er zelfs sprake van respectievelijk 19 en 11 procentpunten). Uit al deze factoren blijkt dat de bedrijfstak van de Unie zeer actief maatregelen heeft genomen om te reageren op de nadelige gevolgen van de geleden schade. Deze maatregelen bleken evenwel onvoldoende om de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping in een periode van zwakke vraag te ondervangen.

(69)

Aangezien er geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 109 en 110 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Conclusie inzake het oorzakelijke verband

(70)

Uit geen van de door de belanghebbenden ingediende argumenten blijkt dat het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit de VRC en de vastgestelde aanmerkelijke schade door andere factoren wordt verbroken. Er wordt dan ook geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de invoer met dumping uit de VRC aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft geleden.

(71)

Derhalve worden de conclusies inzake het oorzakelijke verband die in de overwegingen 111 tot en met 113 van de voorlopige verordening zijn samengevat, bevestigd.

G.   BELANG VAN DE UNIE

(72)

In verband met de opmerkingen van de partijen heeft de Commissie haar onderzoek met betrekking tot het belang van de Unie voortgezet.

1.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(73)

Met betrekking tot het belang van de bedrijfstak van de Unie zijn geen verdere opmerkingen of gegevens ontvangen. Daarom worden de bevindingen in de overwegingen 116 tot en met 120 van de voorlopige verordening bevestigd.

2.   Belang van niet-verbonden importeurs in de Unie

(74)

Aangezien er geen opmerkingen ter zake werden ontvangen, worden de overwegingen 121 tot en met 123 van de voorlopige verordening bevestigd.

3.   Belang van de gebruikers

(75)

Nadat voorlopige maatregelen waren ingesteld, heeft een verwerkende onderneming die niet aan het onderzoek had meegewerkt, opmerkingen over het belang van de Unie ingediend. Zij verklaarde met name dat de antidumpingmaatregelen aanzienlijke gevolgen voor haar zullen meebrengen. Buizen van roestvrij staal zijn een essentiële component van diverse downstreamproducten, waaronder ook de door haar vervaardigde producten (bv. warmtewisselaars); tevens was zij bezorgd over de aanbodzekerheid omdat zij bij sommige leveringen door producenten in de Unie met vertragingen te maken had gehad.

(76)

Aangezien deze gebruiker slechts 5 % van haar buizen en pijpen van roestvrij staal uit de VRC invoerde, lijken de mogelijke gevolgen voor deze onderneming echter beperkt te zijn, zowel wat de kosten als de aanbodzekerheid betreft.

(77)

Met name wat de gevolgen voor de kosten betreft, heeft de onderneming haar argument niet met feitelijke gegevens onderbouwd. Voorts wordt eraan herinnerd dat de gevolgen voor de kosten van de enige verwerkende onderneming die volledig aan het onderzoek meewerkte, zowel voor de onderneming als geheel als voor de afdeling die buizen van roestvrij staal verwerkt, zeer gering werden geacht (zie de overwegingen 124 en 125 van de voorlopige verordening).

(78)

Wat de door de verwerkende onderneming genoemde aanbodzekerheid betreft, moet eraan worden herinnerd dat naast de VRC een groot aantal andere derde landen buizen en pijpen van roestvrij staal naar de Unie blijven uitvoeren. Bovendien is het overleven van de bedrijfstak van de Unie ook van cruciaal belang voor de verwerkende onderneming, aangezien die bedrijfstak de belangrijkste leverancier van het product blijft.

(79)

Hoewel in de voorlopige fase ook in overweging werd genomen dat de antidumpingmaatregelen ernstigere gevolgen zouden kunnen hebben voor verwerkende ondernemingen die voor de vervaardiging van hun downstreamproducten grote hoeveelheden buizen van roestvrij staal uit de VRC invoeren (zie overweging 126 van de voorlopige verordening), kan uit het gebrek aan onderbouwde argumenten of nieuwe informatie na de mededeling van de voorlopige bevindingen worden opgemaakt dat de belangrijke voordelen die voor de bedrijfstak van de Unie uit de instelling van antidumpingmaatregelen voortvloeien, groter zijn dan de verwachte negatieve gevolgen voor die verwerkende ondernemingen. Daarom worden de bevindingen met betrekking tot het belang van de gebruikers, die zijn opgenomen in de overwegingen 124 tot en met 130 van de voorlopige verordening, bevestigd.

4.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(80)

Gezien het bovenstaande wordt definitief geconcludeerd dat er, alles in aanmerking genomen, geen dwingende redenen zijn om geen definitieve antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC in te stellen. Daarom worden de bevindingen in de overwegingen 131 en 132 van de voorlopige verordening bevestigd.

H.   DEFINITIEVE MAATREGELEN

1.   Schademarge

(81)

De klagers betoogden dat de in de voorlopige verordening vastgestelde winstmarge van 5 % buitengewoon laag was en herhaalden dat een marge van 12 % gerechtvaardigd zou zijn, omdat de betrokken bedrijfstak kapitaalintensief is en voortdurend aanzienlijke sommen gelds in technische verbeteringen en innovatie-updates moet investeren. Volgens hen was een marge van 12 % noodzakelijk om voldoende kapitaalopbrengst te behalen om die investeringen mogelijk te maken. Dit argument werd echter niet op overtuigende wijze met cijfers onderbouwd. Derhalve wordt geconcludeerd dat de in de voorlopige fase vastgestelde winstmarge van 5 % moet worden gehandhaafd.

(82)

Wat de vaststelling van de schademarge betreft, is in overweging 45 al uitgelegd dat de kleine correctie voor het verschil in handelsstadium bij de berekening van de prijsonderbieding ook bij de berekening van de schademarge is toegepast.

(83)

Deze correctie leidde tot een kleine herziening van de schademarge. Hieruit volgt dat de schademarge tussen 48,3 % en 71,9 % ligt, zoals uit onderstaande tabel blijkt.

Onderneming/ondernemingen

Schademarge

Changshu Walsin Specialty Steel, Co. Ltd, Haiyu

71,9  %

Shanghai Jinchang Stainless Steel Tube Manufacturing, Co. Ltd, Situan

48,3  %

Wenzhou Jiangnan Steel Pipe Manufacturing, Co. Ltd, Yongzhong

48,6  %

Gewogen gemiddelde van de steekproef voor de in bijlage I genoemde medewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen

56,9  %

Alle andere ondernemingen

71,9  %

(84)

Volgens een van de producenten-exporteurs uit de VRC moet de schademarge als gevolg van de door de economische crisis veroorzaakte schade worden gebaseerd op de prijsonderbieding en niet op het prijsbederf; hij voerde daarbij aan dat deze methode al bij een aantal andere antidumpingprocedures was toegepast (4). Bij alle door de producent-exporteur genoemde onderzoeken waren er echter bijzondere redenen in verband met de bedrijfstak of de economische sector (zoals dreigende monopolievorming, een aanzienlijke capaciteitsvergroting voor de bedrijfstak van de Unie in een volgroeide markt, langdurig uitblijven van winst voor de bedrijfstak wereldwijd) die voor de uitzonderlijke toepassing van deze methode pleitten. Bij het huidige onderzoek is dat niet het geval, aangezien de economische crisis de hele wereld betreft en derhalve niet als specifiek kan worden beschouwd voor de bedrijfstak die naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal vervaardigt.

2.   Definitieve maatregelen

(85)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie moet overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening een definitief antidumpingrecht worden ingesteld op het betrokken product, dat volgens de regel van het laagste recht gelijk is aan de dumpingmarge of, indien deze lager is, de schademarge. In dit geval is de schademarge lager dan de vastgestelde dumpingmarge, zodat de definitieve maatregelen op de schademarge moeten worden gebaseerd.

(86)

Op grond van het bovenstaande gelden de volgende de rechten, in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming/ondernemingen

Definitief antidumpingrecht

Changshu Walsin Specialty Steel, Co. Ltd, Haiyu

71,9  %

Shanghai Jinchang Stainless Steel Tube Manufacturing, Co. Ltd, Situan

48,3  %

Wenzhou Jiangnan Steel Pipe Manufacturing, Co. Ltd, Yongzhong

48,6  %

Gewogen gemiddelde van de steekproef voor de in bijlage I genoemde medewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen

56,9  %

Alle andere ondernemingen

71,9  %

(87)

De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dit onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht, dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend voor producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.

(88)

Om, gelet op het grote verschil tussen de hoogte van de rechten, het gevaar van ontwijking zoveel mogelijk te beperken, moeten in dit geval bijzondere maatregelen worden genomen om een goede toepassing van de antidumpingrechten te garanderen. Deze bijzondere maatregelen omvatten de overlegging aan de douaneautoriteiten van de lidstaten van een geldige handelsfactuur die voldoet aan de vereisten die zijn vermeld in bijlage II bij deze verordening. Voor producten die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaan, geldt het residuele antidumpingrecht dat van toepassing is op alle andere exporteurs.

(89)

Indien het volume van de uitvoer door een van de ondernemingen die een lager individueel recht genieten, na de instelling van de maatregelen in kwestie aanzienlijk toeneemt, kan dit op zich worden beschouwd als een verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van de instelling van maatregelen in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. In dergelijke omstandigheden kan, mits aan de voorwaarden is voldaan, een onderzoek naar ontwijking van de maatregelen worden geopend. Hierbij kan onder meer worden onderzocht of het nodig is een individueel recht of individuele rechten in te trekken en in plaats daarvan het voor het gehele land geldende recht in te stellen.

(90)

Verzoeken in verband met de toepassing van individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie (5) te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.

(91)

De Commissie heeft alle partijen in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal van oorsprong uit de VRC aan te bevelen. De partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn na de mededeling van de definitieve bevindingen opmerkingen maken.

(92)

De door de belanghebbenden ingediende opmerkingen werden naar behoren onderzocht. Geen van de opmerkingen gaven aanleiding de bevindingen van het onderzoek te wijzigen.

(93)

Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het recht voor het gehele land niet alleen gelden voor niet-medewerkende producenten-exporteurs, maar ook voor producenten die het betrokken product in het OT niet naar de Unie hebben uitgevoerd.

(94)

Om een gelijke behandeling van nieuwe exporteurs en de in de bijlage I bij deze verordening vermelde, niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen te garanderen, moet het voor laatstgenoemde ondernemingen geldende gewogen gemiddelde recht eveneens gelden voor alle nieuwe exporteurs die anders voor een nieuw onderzoek krachtens artikel 11, lid 4, van de basisverordening in aanmerking zouden komen, daar dit artikel niet geldt wanneer gebruik is gemaakt van een steekproef.

3.   Definitieve inning van de voorlopige rechten

(95)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarges en de ernst van de schade voor de bedrijfstak van de Unie (waarbij het bij deze verordening ingestelde definitieve recht hoger is dan het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige recht), wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht, definitief te innen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal (met uitzondering van die welke voorzien zijn van hulpstukken (fittings), voor gassen of vloeistoffen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7304 11 00 , 7304 22 00 , 7304 24 00 , ex 7304 41 00 , 7304 49 10 , ex 7304 49 93 , ex 7304 49 95 , ex 7304 49 99 en ex 7304 90 00 (Taric-codes 7304 41 00 90, 7304 49 93 90, 7304 49 95 90, 7304 49 99 90 en 7304 90 00 91), van oorsprong uit de Volksrepubliek China (VRC).

2.   De definitieve antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door onderstaande ondernemingen, zijn als volgt:

Onderneming/ondernemingen

Definitief antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Changshu Walsin Specialty Steel, Co. Ltd, Haiyu

71,9  %

B120

Shanghai Jinchang Stainless Steel Tube Manufacturing, Co. Ltd, Situan

48,3  %

B118

Wenzhou Jiangnan Steel Pipe Manufacturing, Co. Ltd, Yongzhong

48,6  %

B119

In bijlage I vermelde ondernemingen

56,9  %

 

Alle andere ondernemingen

71,9  %

B999

3.   De individuele rechten voor de in lid 2 genoemde ondernemingen zijn uitsluitend van toepassing indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur, opgesteld conform de voorschriften in bijlage II, wordt overgelegd. Als een dergelijke factuur niet wordt overgelegd, wordt het recht dat voor alle andere ondernemingen geldt, toegepast.

4.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die als zekerheid zijn gesteld voor de voorlopige antidumpingrechten die op grond van Verordening (EU) nr. 627/2011 van de Commissie zijn ingesteld op naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal (met uitzondering van die welke voorzien zijn van hulpstukken (fittings), voor gassen of vloeistoffen, bestemd voor burgerluchtvaartuigen), momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7304 11 00 , 7304 22 00 , 7304 24 00 , ex 7304 41 00 , 7304 49 10 , ex 7304 49 93 , ex 7304 49 95 , ex 7304 49 99 en ex 7304 90 00 en van oorsprong uit de VRC, worden definitief geïnd.

Artikel 3

Wanneer een nieuwe producent-exporteur in de VRC ten genoegen van de Commissie aantoont dat hij:

het in artikel 1, lid 1, beschreven product in het onderzoektijdvak (1 juli 2009 tot en met 30 juni 2010) niet naar de Unie heeft uitgevoerd,

niet verbonden is met een exporteur of producent in de VRC voor wie de bij deze verordening ingestelde antidumpingmaatregelen gelden,

het betrokken product na het onderzoektijdvak waarop de maatregelen zijn gebaseerd daadwerkelijk naar de Unie heeft uitgevoerd of een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid van dit product naar de Unie uit te voeren,

kan de Raad, met een gewone meerderheid, op een na raadpleging van het Raadgevend Comité door de Commissie ingediend voorstel, artikel 1, lid 2, wijzigen door de nieuwe producent-exporteur toe te voegen aan de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen en waarvoor bijgevolg het gewogen gemiddelde recht van 56,9 % geldt.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Genève, 14 december 2011.

Voor de Raad

De voorzitter

M. NOGAJ


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 169 van 29.6.2011, blz. 1.

(3)  Onder meer: www.meps.co.uk.

(4)  Verordening (EG) nr. 2376/94 van de Commissie van 27 september 1994 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van ontvangtoestellen voor kleurentelevisie van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea, Singapore en Thailand (PB L 255 van 1.10.1994, blz. 50). Verordening (EEG) nr. 129/91 van de Commissie van 11 januari 1991 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van ontvangtoestellen voor kleurentelevisie met klein beeldscherm, van oorsprong uit Hongkong en de Volksrepubliek China (PB L 14 van 19.1.1991, blz. 31). Besluit 91/392/EEG van de Commissie van 21 juni 1991 tot aanvaarding van in verband met de antidumpingprocedure inzake de invoer van bepaalde buizen van asbestcement van oorsprong uit Turkije aangeboden verbintenissen en tot beëindiging van het onderzoek (PB L 209 van 31.7.1991, blz. 37). Verordening (EEG) nr. 2686/92 van de Commissie van 16 september 1992 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten elektronische microschakelingen, DRAM’s (dynamic random access memories) genaamd, van oorsprong uit de Republiek Korea (PB L 272 van 17.9.1992, blz. 13). Verordening (EG) nr. 1331/2007 van de Raad van 13 november 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op dicyaandiamide van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 296 van 15.11.2007, blz. 1).

(5)   Europese Commissie, directoraat-generaal Handel, directoraat H, Kamer N105 04/092, 1049 Brussel, België.


BIJLAGE I

NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEDEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS UIT DE VRC

Naam

Aanvullende Taric-code

Baofeng Steel Group, Co. Ltd, Lishui

B236

Changzhou City Lianyi Special Stainless Steel Tube, Co. Ltd, Changzhou

B237

Huadi Steel Group, Co. Ltd, Wenzhou

B238

Huzhou Fengtai Stainless Steel Pipes, Co. Ltd, Huzhou

B239

Huzhou Gaolin Stainless Steel Tube Manufacture, Co. Ltd, Huzhou

B240

Huzhou Zhongli Stainless Steel Pipe, Co. Ltd, Huzhou

B241

Jiangsu Wujin Stainless Steel Pipe Group, Co. Ltd, Beijing

B242

Jiangyin Huachang Stainless Steel Pipe, Co. Ltd, Jiangyin

B243

Lixue Group, Co. Ltd, Ruian

B244

Shanghai Crystal Palace Pipe, Co. Ltd, Shanghai

B245

Shanghai Baoluo Stainless Steel Tube, Co. Ltd, Shanghai

B246

Shanghai Shangshang Stainless Steel Pipe, Co. Ltd, Shanghai

B247

Shanghai Tianbao Stainless Steel, Co. Ltd, Shanghai

B248

Shanghai Tianyang Steel Tube, Co. Ltd, Shanghai

B249

Wenzhou Xindeda Stainless Steel Material, Co. Ltd, Wenzhou

B250

Wenzhou Baorui Steel, Co. Ltd, Wenzhou

B251

Zhejiang Conform Stainless Steel Tube, Co. Ltd, Jixing

B252

Zhejiang Easter Steel Pipe, Co. Ltd, Jiaxing

B253

Zhejiang Five - Star Steel Tube Manufacturing, Co. Ltd, Wenzhou

B254

Zhejiang Guobang Steel, Co. Ltd, Lishui

B255

Zhejiang Hengyuan Steel, Co. Ltd, Lishui

B256

Zhejiang Jiashang Stainless Steel, Co. Ltd, Jiaxing City

B257

Zhejiang Jinxin Stainless Steel Manufacture, Co. Ltd, Xiping Town

B258

Zhejiang Jiuli Hi-Tech Metals, Co. Ltd, Huzhou

B259

Zhejiang Kanglong Steel, Co. Ltd, Lishui

B260

Zhejiang Qiangli Stainless Steel Manufacture, Co. Ltd, Xiping Town

B261

Zhejiang Tianbao Industrial, Co. Ltd, Wenzhou

B262

Zhejiang Tsingshan Steel Pipe, Co. Ltd, Lishui

B263

Zhejiang Yida Special Steel, Co. Ltd, Xiping Town

B264


BIJLAGE II

De in artikel 1, lid 3, bedoelde geldige handelsfactuur moet een verklaring, ondertekend door een daartoe bevoegde werknemer van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft, bevatten met de volgende gegevens:

1.

de naam en functie van de bevoegde werknemer van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft;

2.

de volgende verklaring:

„Ondergetekende verklaart dat de (hoeveelheid) naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal die naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in de VRC. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.

Datum en handtekening.”.


Nahoru