This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32002D0498
2002/498/EC: Commission Decision of 5 June 2002 accepting an undertaking in connection with the anti-dumping proceeding concerning imports of urea originating, inter alia, in Lithuania
2002/498/EG: Besluit van de Commissie van 5 juni 2002 tot aanvaarding van een verbintenis in verband met de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ureum van oorsprong uit onder meer Litouwen
2002/498/EG: Besluit van de Commissie van 5 juni 2002 tot aanvaarding van een verbintenis in verband met de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ureum van oorsprong uit onder meer Litouwen
PB L 168 van 27.6.2002, pp. 51–52
(ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
In force
2002/498/EG: Besluit van de Commissie van 5 juni 2002 tot aanvaarding van een verbintenis in verband met de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ureum van oorsprong uit onder meer Litouwen
Publicatieblad Nr. L 168 van 27/06/2002 blz. 0051 - 0052
Besluit van de Commissie van 5 juni 2002 tot aanvaarding van een verbintenis in verband met de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ureum van oorsprong uit onder meer Litouwen (2002/498/EG) DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN, Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap(1), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2238/2000(2), en met name op de artikelen 8 en 9, Na overleg met het Raadgevend Comité, Overwegende hetgeen volgt: A. PROCEDURE (1) De Commissie heeft bij Verordening (EG) nr. 1497/2001(3) (de "verordening voorlopig recht") een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op de invoer van ureum van oorsprong uit Belarus, Bulgarije, Kroatië, Estland, Libië, Litouwen, Roemenië en Oekraïne en een verbintenis aanvaard die was aangeboden door een producent/exporteur in Bulgarije. (2) De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 92/2002(4) ("de verordening definitief recht") definitieve antidumpingrechten ingesteld op de invoer van ureum van oorsprong uit Belarus, Bulgarije, Kroatië, Estland, Libië, Litouwen, Roemenië en Oekraïne en een Bulgaarse producent/exporteur vrijgesteld van genoemde rechten omdat de Commissie van de desbetreffende onderneming een verbintenis had aanvaard. (3) Tijdens het onderzoek, voorafgaand aan de voorlopige maatregelen, had de enige Litouwse producent/exporteur van het product in kwestie, Joint Stock Company Achema ("Achema") een verbintenis aangeboden die de Commissie op grond van de in overweging 237 van de verordening voorlopig recht uiteengezette redenen niet kon aanvaarden. (4) Nadat de feiten en overwegingen waren bekendgemaakt op basis waarvan de Commissie voornemens was definitieve rechten vast te stellen, diende Achema binnen de hiervoor vastgestelde termijn bij de diensten van de Commissie een herzien aanbod voor een prijsverbintenis in. Deze verbintenis kon niet worden aanvaard omdat Achema ook kunstmest aan de Gemeenschap verkoopt. De toezegging om minimumprijzen in acht te nemen voor ureum zou hierdoor eenvoudig kunnen worden ontweken door deze te compenseren met de verkoop van kunstmest tegen lagere prijzen. (5) Achema diende vervolgens een verbintenis in die aanzienlijk was gewijzigd. Met dit nieuwe aanbod zouden niet alleen de schadelijke gevolgen van dumping te niet worden gedaan maar ook eventuele risico's van ontwijking in de vorm van onderlinge compensatie met andere producten in belangrijke mate worden beperkt omdat de onderneming niet alleen aanbood de voor ureum vastgestelde minimumprijs in acht te nemen maar ook een vaste prijs te hanteren voor de overige kunststof die zij naar de Gemeenschap uitvoert. De onderneming ging er tevens mee akkoord de overige formele eisen in acht te nemen en voor alle naar de Gemeenschap uitgevoerde kunstmest verslagen in te dienen zoals dit gewoonlijk verplicht is voor verbintenissen. (6) Dit definitieve, aanvaardbare aanbod voor een prijsverbintenis werd ingediend door Achema voordat de definitieve conclusies waren bekendgemaakt doch zo laat in de procedure dat het administratief onmogelijk was de aanvaarding op te nemen in de definitieve verordening. Bij wijze van uitzondering en met name rekening houdend met de inspanningen van de onderneming tijdens de procedure om een verbintenis aan te bieden die de bezorgdheid van de Commissie ten aanzien van het risico van ontwijking en het teniet doen van schade zou wegnemen, wordt het passend geacht de verbintenis te aanvaarden ondanks het feit dat deze werd aangeboden nadat de termijn was verstreken waarbinnen overeenkomstig artikel 20, lid 5, van de basisverordening opmerkingen kunnen worden ingediend. (7) De bedrijfstak van de Gemeenschap werd op de hoogte gebracht van dit herziene aanbod en bleef bij zijn standpunt dat gezien de algemene omstandigheden op de markt voor kunstmest die wordt gekenmerkt door belangrijke prijsschommelingen, elke verbintenis in de vorm van een minimumprijs ondoelmatig zou zijn en de antidumpingmaatregelen zou ondermijnen. Hoewel bepaalde prijsschommelingen zijn waargenomen op de ureummarkt, waren deze niet van dien aard dat een eventuele verbintenis zijn nut zou verliezen. Dit werd bevestigd door het feit dat een verbintenis van een Bulgaarse producent/exporteur die betrokken was bij het onderzoek dat leidde tot het vaststellen van definitieve rechten (het "oorspronkelijk onderzoek") reeds een aantal maanden van toepassing was en er geen aanwijzingen waren dat deze verbintenis niet doelmatig werkte. Er is derhalve geen reden om aan te nemen dat de door Achema aangeboden verbintenis niet zou werken. (8) De bedrijfstak van de Gemeenschap maakte er tevens bezwaar tegen dat de verbintenis zo snel na de vaststelling van een definitief specifiek antidumpingrecht werd aanvaard. Voorts werd aangevoerd dat het definitieve voorstel voor een verbintenis wat betreft het voorstel om de marktprijzen te volgen voor de overige kunstmest die naar de Gemeenschap wordt uitgevoerd nauwelijks afweek van het eerdere voorstel van de onderneming dat werd afgewezen. (9) Op grond van de in de overwegingen 5 en 6 uiteengezette redenen moesten deze argumenten worden afgewezen. (10) Tot slot voerde de bedrijfstak van de Gemeenschap aan dat Achema ook andere producten vervaardigde die voor onderlinge compensatie zouden kunnen worden gebruikt. In de verbintenis is echter een clausule opgenomen voor "de onderneming", d.w.z. Achema en eventuele verbonden ondernemingen, die compenserende regelingen in welke vorm dan ook, met de niet-verbonden afnemers verbiedt. Voorts is het risico van onderlinge compensatie in de voorgestelde verbintenis reeds beperkt. (11) Tot slot voerde de bedrijfstak in de Gemeenschap aan dat aanvaarding van een verbintenis van bepaalde exporteurs een onredelijke discriminatie zou inhouden ten aanzien van andere exporteurs die betrokken waren bij het oorspronkelijk onderzoek en waarvan geen verbintenis was aanvaard. (12) Elke verbintenis dient echter op zijn eigen merites te worden beoordeeld op basis van de criteria van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 384/96 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. Verbintenissen kunnen derhalve alleen worden aanvaard wanneer de schadelijke dumping teniet wordt gedaan en doelmatig toezicht mogelijk is. Dit was het geval voor Achema en de Bulgaarse onderneming maar niet voor de overige ondernemingen die verbintenissen hadden aangeboden. (13) Geen van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap naar voren gebrachte argumenten kan derhalve afbreuk doen aan de conclusie van de Commissie dat de door Achema aangeboden verbintenis de schadelijke gevolgen van dumping teniet doet en eventuele risico's van ontwijking in de vorm van onderlinge compensering met andere producten in belangrijke mate beperkt. B. VERBINTENIS (14) Gezien het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat de door Achema aangeboden verbintenis kan worden aanvaard omdat deze de schadelijke gevolgen van dumping teniet doet. Voorts zal de Commissie aan de hand van de periodieke en uitvoerige verslagen die de onderneming zal verstrekken doelmatig toezicht kunnen uitoefenen. Voorts stelt de Commissie aan de hand van de prijsverbintenissen van de onderneming vast dat het risico van ontwijking van de verbintenis adequaat is beperkt, BESLUIT: Artikel 1 De verbintenis die overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 is aangeboden door Joint Stock Company, Achema Lithuania (aanvullende Taric-code A375), in het kader van de antidumpingprocedure met betrekking tot de invoer van ureum van oorsprong uit onder meer Litouwen, wordt hierbij aanvaard. Artikel 2 Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen. Gedaan te Brussel, 5 juni 2002. Voor de Commissie Pascal Lamy Lid van de Commissie (1) PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. (2) PB L 257 van 11.10.2000, blz. 2. (3) PB L 197 van 21.7.2001, blz. 4. (4) PB L 17 van 19.1.2002, blz. 1.