Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993R2084

Verordening (EEG) nr. 2084/93 van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4255/88 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds

PB L 193 van 31.7.1993, pp. 39–43 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (FI, SV)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 31/12/1999

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1993/2084/oj

31993R2084

Verordening (EEG) nr. 2084/93 van de Raad van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4255/88 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds

Publicatieblad Nr. L 193 van 31/07/1993 blz. 0039 - 0043
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 5 Deel 6 blz. 0100
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 5 Deel 6 blz. 0100


VERORDENING (EEG) Nr. 2084/93 VAN DE RAAD van 20 juli 1993 houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 4255/88 tot vaststelling van bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 126 en 127,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 2081/93 (4) Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de cooerdinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (5) heeft gewijzigd; dat Verordening (EEG) nr. 2082/93 (6) Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de cooerdinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (7) heeft gewijzigd; dat ook Verordening (EEG) nr. 4255/88 (8) moet worden gewijzigd;

Overwegende dat het werkterrein van het Europees Sociaal Fonds, hierna "het Fonds" te noemen, dient te worden uitgebreid, inzonderheid als gevolg van de herformulering van de doelstellingen 3 en 4 en de vaststelling van een nieuwe doelstelling 4; dat met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen expliciet in de doelstellingen dienen te worden opgenomen, en de criteria voor bijstandsverlening ten behoeve van reeds in aanmerking komende groepen dienen te worden versoepeld;

Overwegende dat, gezien de ernst van de werkloosheid, het communautair optreden ten aanzien van de doelstellingen 3 en 4 vooral betrekking zal hebben op doelstelling 3 ( "bestrijding van langdurige werkloosheid en vergemakkelijking van de inschakeling in het arbeidsproces van jongeren en met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen") en dat bij de financiële verdeling tussen de doelstellingen 3 en 4 hiermee rekening zal worden gehouden;

Overwegende dat, gezien de beperkte financiële middelen, de bestrijding van de langdurige werkloosheid en de acties voor de inschakeling van jongeren in het arbeidsproces in het kader van doelstelling 3 prioritair blijven;

Overwegende dat opnieuw moet worden bepaald welke acties in aanmerking komen om op alle terreinen waarop het Fonds steun verleent, het beleid in het kader van de doelstellingen efficiënter te kunnen verwezenlijken, en dat een uitbreiding van deze acties moet worden gepland, met name steun voor de werkgelegenheid, bij voorbeeld in de vorm van steun bij geografische mobiliteit, bij indienstneming en bij het opzetten van zelfstandige activiteiten;

Overwegende dat de door het Fonds uit hoofde van de verschillende doelstellingen gevoerde acties onderdeel dienen te zijn van een coherente benadering, die gericht is op het verbeteren van het functioneren van de arbeidsmarkt en de ontwikkeling van het menselijk potentieel en dat de Lid-Staten en de Commissie bij de uitvoering van door het Fonds gefinancierde acties in het kader van alle doelstellingen dienen toe te zien op de eerbiediging van het beginsel van gelijke kansen voor mannen en vrouwen;

Overwegende dat ervoor gezorgd dient te worden dat doelstelling 4 de werkgelegenheid en de beroepskwalificatie bevordert door middel van anticiperende, adviserende en opleidingsacties en het organiseren van netwerken in de gehele Gemeenschap; dat deze doelstelling derhalve horizontaal moet zijn en de hele economie moet bestrijken, zonder a priori naar specifieke industrieën of sectoren te verwijzen; dat zij gericht moet zijn op werkenden, met name op hen die werkloos dreigen te worden, en niet op ondernemingen, met het doel hun kwalificaties en hun kansen op de arbeidsmarkt te verbeteren; dat zij doelgericht moet zijn wat het type actie betreft, met inachtneming van de mededingingsregels; dat zij niet in de plaats moet komen van de inspanningen van de ondernemingen zelf, maar een aanvulling daarop moet vormen;

Overwegende dat ervoor gezorgd dient te worden dat met de acties in het kader van doelstelling 4 de dieperliggende oorzaken worden aangepakt van de problemen in verband met de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven, met inbegrip van de dienstensector, en niet de korte-termijnsymptomen op de arbeidsmarkt; dat de acties dienen in te spelen op de algemene behoeften van de werknemers (m/v) als gevolg van geconstateerde of te verwachten veranderingen in het bedrijfsleven en ontwikkelingen in de produktiestelsels, en dat ze niet alleen bedoeld mogen zijn ter ondersteuning van een bepaalde onderneming of industrietak; dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan het midden- en kleinbedrijf en aan het verbeteren van de toegang tot opleidingen;

Overwegende dat, wegens het op dit gebied strategische belang van de voortgezette vorming van de werknemers (m/v), doelstelling 4 vooral gericht dient te zijn op opleidingsacties voor de invoering, het gebruik en de ontwikkeling van nieuwe of geperfectioneerde produktiemethoden, met name nieuwe organisatietechnieken en nieuwe technologieën, en op veranderingen van de markt en de samenleving, vooral wat de bescherming van het milieu betreft; dat bovendien de opleidingsacties dienen te zijn afgestemd op de eisen waaraan werknemers (m/v) in het midden- en kleinbedrijf moeten voldoen in verband met de ontwikkeling van de produktiestelsels en met de noodzaak aan te tonen dat de produkten en procédés deugdelijk zijn en het milieu ontzien;

Overwegende dat dient te worden vastgesteld welke uitgaven in aanmerking komen voor bijstand van het Fonds in het kader van het partnerschap;

Overwegende dat ervoor gezorgd dient te worden dat de bijstandsverlening van het Fonds in het kader van de verschillende doelstellingen wordt toegespitst op de belangrijkste behoeften en de meest efficiënte acties;

Overwegende dat de inhoud van de plannen en van de vormen van bijstandsverlening aangevuld en nader uitgewerkt dient te worden, met name gelet op de herformulering van de doelstellingen 3 en 4;

Overwegende dat overeenkomstig artikel 13, lid 5, Verordening (EEG) nr. 2052/88 de ondernemingen een passend deel van de acties ter bevordering van de opleiding van hun werknemers (m/v) dienen te financieren;

Overwegende dat het Fonds bovendien bijdraagt aan de steun ten behoeve van de technische bijstand en van de proef- en demonstratieprojecten in de zin van artikel 5, lid 2, onder e), van Verordening (EEG) nr. 2052/88;

Overwegende dat het Fonds overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 de mogelijkheid moet hebben uit hoofde van meer dan een doelstelling acties te financieren die in het bijzonder betrekking hebben op de ontwikkeling van werkgelegenheids- en opleidingsstructuren en andere soortgelijke structuren, met inbegrip van acties voor de opleiding van leerkrachten, opleiders (m/v) en ander personeel van deze structuren;

Overwegende dat overgangsbepalingen moeten worden vastgesteld;

Overwegende dat alle verwijzingen naar de richtsnoeren voor bijstandsverlening door het Fonds dienen te worden weggelaten, aangezien de functie daarvan voortaan wordt vervuld door het vaststellen van de beleidsdoelen en door de verplichting de bijstandsverlening door het Fonds te concentreren op de belangrijkste behoeften en de meest doeltreffende acties,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De artikelen 1 tot en met 9 van Verordening (EEG) nr. 4255/88 worden vervangen door:

"Artikel 1

Werkingssfeer

In het kader van de taak die het Fonds bij artikel 123 van het Verdrag is opgedragen, en overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2052/88, ondersteunt het Fonds:

1. uit hoofde van doelstelling 3, in de gehele Gemeenschap, acties die in eerste instantie gericht zijn op:

a) het vergemakkelijken van de inschakeling van met langdurige werkloosheid bedreigde werklozen in het arbeidsproces, met name door

i) beroepsopleiding en vooropleiding, met inbegrip van het op peil brengen van kennis, beroepskeuzevoorlichting en advies,

ii) in de tijd beperkte hulp bij tewerkstelling,

iii) het ontwikkelen van aangepaste opleidings-, werkgelegenheids- en ondersteunende structuren, met inbegrip van de opleiding van het noodzakelijke personeel en het beschikbaar stellen van opvangvoorzieningen voor ten laste komende personen;

b) het vergemakkelijken van de inschakeling van werkzoekende jongeren in het arbeidsproces, door middel van de onder a) beschreven acties, met inbegrip van de mogelijkheid tot het volgen van een initiële beroepsopleiding van maximaal twee jaar of meer die tot een beroepskwalificatie leidt, alsmede de mogelijkheid van een beroepsopleiding welke even lang is als die in het kader van de leerplicht, op voorwaarde dat de jongeren aan het eind van deze opleiding de leeftijd hebben om zich op de arbeidsmarkt te begeven,

alsmede acties die gericht zijn op:

c) de bevordering van de integratie van met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen, door middel van de onder a) beschreven acties;

d) de bevordering van gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor mannen en vrouwen, met name in de sectoren waarin vrouwen ondervertegenwoordigd zijn, in het bijzonder voor vrouwen zonder beroepskwalificaties of die na een onderbreking herintreden op de arbeidsmarkt, door middel van de onder a) beschreven acties, alsmede door andere begeleidende maatregelen;

2. uit hoofde van doelstelling 4, in de gehele Gemeenschap, en overeenkomstig de in artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 bedoelde mededingingsregels, acties ter vergemakkelijking van de aanpassing van werknemers (m/v), met name werknemers (m/v) die werkloos dreigen te worden, aan de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven en de ontwikkeling van de produktiestelsels, met name door:

- het anticiperen op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en op de behoeften aan beroepskwalificaties;

- opleiding, omscholing, beroepskeuzevoorlichting en advies;

- steun die het ontwikkelen en verbeteren van adequate opleidingssystemen mogelijk maakt.

Bij de acties moet in het bijzonder worden rekening gehouden met de specifieke behoeften van het midden- en kleinbedrijf;

3. uit hoofde van de doelstellingen 1, 2 en 5 b), in de betrokken regio's, acties die gericht zijn op:

a) het bevorderen van de stabiliteit en het ondersteunen van de groei van de werkgelegenheid, in het bijzonder door continue scholing, door voorlichting en advies aan werknemers (m/v), met name werknemers (m/v) in kleine en middelgrote ondernemingen en werknemers (m/v) voor wie werkloosheid dreigt, en aan personen die zijn ontslagen, alsmede door de steun voor de ontwikkeling van passende opleidingssystemen, met inbegrip van opleiding van opleiders (m/v), en door verbetering van de diensten voor arbeidsbemiddeling;

b) het versterken van de beschikbare personele middelen voor onderzoek, wetenschap en technologie, in het bijzonder door opleidingen op het niveau van hoger onderwijs en door het opleiden van bestuurders (m/v) en technici (m/v) van onderzoekinstituten;

4. uit hoofde van doelstelling 1, in de betrokken regio's, acties die gericht zijn op:

a) het versterken en verbeteren van onderwijs- en opleidingssystemen, met name door de opleiding van leerkrachten, opleiders (m/v) en administratief personeel, door het aanmoedigen van contacten tussen opleidingscentra of instellingen voor hoger onderwijs en ondernemingen en door het financieren van opleidingen in het kader van nationale systemen voor secundair onderwijs, of daarmee gelijk te stellen vormen van onderwijs, en van vormen van hoger onderwijs die duidelijk verband houden met de arbeidsmarkt, de nieuwe technologieën of de economische ontwikkeling;

b) het bijdragen tot de ontwikkeling door het opleiden van ambtenaren (m/v), wanneer dat noodzakelijk blijkt voor de uitvoering van het beleid inzake ontwikkeling en structurele aanpassing.

De Lid-Staten en de Commissie zorgen ervoor dat de uit hoofde van de verschillende doelstellingen ondernomen acties onderdeel vormen van een coherentere aanpak, die gericht is op verbetering van het functioneren van de arbeidsmarkt en op de ontwikkeling van het menselijk potentieel, rekening houdende met de doelstellingen inzake ontwikkeling, omschakeling en structurele aanpassing in de betrokken Lid-Staten of regio's.

De Lid-Staten en de Commissie vergewissen zich ervan dat bij de acties uit hoofde van de verschillende doelstellingen het beginsel van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen wordt geëerbiedigd.

Bovendien kan het Fonds in de gehele Gemeenschap acties in de zin van artikel 5, lid 2, onder e), van Verordening (EEG) nr. 2052/88 ondersteunen.

Artikel 2

In aanmerking komende uitgaven

1. Bijstand door het Fonds kan worden toegekend voor uitgaven die bestemd zijn ter dekking van:

- de bezoldiging, de bijkomende kosten, alsmede de reis- en verblijfkosten van de personen waarop de in artikel 1 bedoelde acties betrekking hebben;

- de kosten van de voorbereiding, de uitvoering, het beheer en de evaluatie van de in artikel 1 bedoelde acties, verminderd met de opbrengsten;

- de kosten voor steun bij indienstneming die is toegekend in het kader van steunregelingen van de Lid-Staten.

De aard van deze kosten en van deze opbrengsten zal, in het kader van het partnerschap, in de programmeringsfase worden bepaald en vastgelegd.

Onverminderd de door de Commissie verrichte controles zien de Lid-Staten erop toe dat de kosten van de individuele acties binnen de voor ieder type actie vastgestelde grenzen blijven.

De Commissie ziet erop toe dat de uitgaven van het Fonds voor opleidingsacties van dezelfde soort zich niet op uiteenlopende wijze ontwikkelen. Daartoe stelt zij, na advies van het in artikel 28 van Verordening (EEG) nr. 4253/88 bedoelde Comité, per Lid-Staat en samen met deze Lid-Staat, naar gelang van de soort opleiding de indicatieve gemiddelde bedragen van deze uitgaven vast.

2. Ook de uitgaven ter dekking van de kosten van de acties in de zin van artikel 5, lid 2, onder e), van Verordening (EEG) nr. 2052/88, met inbegrip van de in artikel 6 van de onderhavige verordening bedoelde acties, kunnen in aanmerking komen voor bijstandsverlening door het Fonds.

Artikel 3

Concentratie van de bijstandsverlening

In het kader van het partnerschap dragen de Lid-Staten en de Commissie er in de plannings- en programmeringsfase zorg voor dat de communautaire bijstandsverlening betreffende elk van de doelstellingen wordt geconcentreerd op de belangrijkste behoeften en de meest efficiënte acties uit het oogpunt van de in artikel 1 bepaalde beleidsdoelen, in dier voege dat die bijstandsverlening bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen en de vervulling van de taken van het Fonds als aangegeven in artikel 1 en artikel 3, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2052/88.

Artikel 4

Plannen

1. De in de artikelen 8, 9, 10 en 11 bis van Verordening (EEG) nr. 2052/88 bedoelde plannen bevatten, met name voor het gedeelte dat op het Fonds betrekking heeft, voor zover dat dienstig blijkt, aan de hand van cijfermatige gegevens, rekening houdende met de beschikbare resultaten van de evaluatie, informatie over:

- het tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt bestaande gebrek aan evenwicht, ook wat de werkgelegenheid voor vrouwen betreft;

- de aard en de kenmerken van de vacatures waarin niet wordt voorzien;

- de mogelijkheden op de arbeidsmarkt;

- de te ondernemen typen acties, alsmede de betrokken categorieën en aantallen betrokken personen, rekening houdende met de in artikel 3 van de onderhavige verordening bepaalde noodzaak tot concentratie;

- het te verwachten effect van de ondernomen acties ter bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt.

Deze plannen geven aan op welke wijze, overeenkomstig de respectieve institutionele regelingen en gebruiken van de Lid-Staten, de economische en sociale partners bij het in artikel 4 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 beoogde partnerschap worden betrokken.

2. Behalve de in lid 1 van dit artikel vermelde gegevens, geven de in artikel 10, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 2052/88 bedoelde plannen aan op welke wijze de Lid-Staat, wanneer dat nuttig blijkt, zich zal verzekeren van de medewerking van de instanties die diensten aanbieden op de betrokken terreinen, bij de voorbereiding en het beheer van de acties ten behoeve van de in artikel 1, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde personen.

3. Behalve de in lid 1 van dit artikel vermelde gegevens, geven de in artikel 10, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 bedoelde plannen aan:

- waar het evenwicht tussen de op de arbeidsmarkt aangeboden en gevraagde kwalificaties verstoord is, in het bijzonder rekening houdende met de door de gewijzigde onstandigheden in het bedrijfsleven en de ontwikkeling van de produktiestelsels getroffen werknemers (m/v);

- op welke wijze de Lid-Staat zich, overeenkomstig zijn institutionele regels en gebruiken, zal verzekeren van de deelname op het passende niveau van de economische en sociale partners en de instanties op het gebied van de beroepsopleidingen, bij de voorbereiding van de acties, met name wat betreft het anticiperen op de effecten van veranderingen in het bedrijfsleven en van de ontwikkeling van de produktiestelsels;

- welke verbanden er zijn tussen de acties en andere communautaire beleidsmaatregelen met betrekking tot de gewijzigde omstandigheden in het bedrijfsleven en de ontwikkeling van de produktiestelsels, en met name welk verband er is met het beleid inzake beroepsopleidingen.

Artikel 5

Vormen van bijstandsverlening

1. De aanvragen voor bijstand van het Fonds hebben in de eerste plaats betrekking op:

a) operationele programma's,

b) globale subsidies,

c) technische bijstand, proef- en demonstratieprojecten, in de zin van artikel 5, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2052/88.

2. De Lid-Staten delen de voor de beoordeling vooraf, het toezicht en de evaluatie, alsmede voor het beheer en de controle van de acties noodzakelijke gegevens mede, en maken daarbij in voorkomend geval een onderscheid tussen mannen en vrouwen. Het betreft met name de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 4253/88 bedoelde gegevens, alsmede de gegevens die specifiek zijn voor het Fonds, zoals de geografische concentratie, de doelgroepen, het aantal betrokken personen en de duur van de acties.

3. Overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2052/88, financieren de ondernemingen waarvan de werknemers (m/v) deelnemen aan opleidingsacties een passend deel van de acties.

4. De aanvragen voor bijstand gaan vergezeld van een in het kader van het partnerschap opgesteld geautomatiseerd formulier, waarin de acties voor elke vorm van bijstandsverlening worden vermeld, zodat deze vanaf het aangaan van de betalingsverplichting tot en met de laatste betaling gevolgd kan worden.

Artikel 6

Technische bijstand, proef- en demonstratieprojecten

1. Het Fonds kan buiten het kader van de communautaire bestekken ten hoogste 0,5 % van zijn jaarlijkse middelen besteden aan de financiering van voorbereidende, beoordelings-, toezicht- en evaluatieacties in de Lid-Staten of op communautair niveau, die voor de uitvoering van de in artikel 1 genoemde acties noodzakelijk zijn. Deze acties worden op initiatief van of voor rekening van de Commissie ondernomen en omvatten:

a) acties met innoverend karakter, die ten doel hebben nieuwe benaderingen inzake inhoud, methodologie en organisatie van de beroepsopleiding te toetsen, en die de integratie van de communautaire dimensie van beroepsopleidingen, en meer in het algemeen de ontwikkeling van de werkgelegenheid behelzen, met inbegrip van de bevordering van gelijke kansen op de arbeidsmarkt voor mannen en vrouwen en de inschakeling in het arbeidsproces van met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen, ten einde een basis voor latere bijstand door het Fonds in verscheidene Lid-Staten te vormen;

b) studies, technische bijstand en uitwisseling van ervaringen met een multiplicatoreffect, de voorbereiding en de beoordeling vooraf van, het toezicht op en de grondige evaluatie alsmede de controle van de door het Fonds gefinancierde acties;

c) acties die, in het kader van de sociale dialoog, bestemd zijn voor het personeel van ondernemingen in twee of meer Lid-Staten en betrekking hebben op de overdracht van speciale kennis inzake de modernisering van het produktieapparaat;

d) het informeren van de betrokken partners, de uiteindelijke begunstigden van de bijstandsverlening door het Fonds en het grote publiek.

2. Overeenkomstig artikel 3, lid 2, laatste alinea, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 kan het Fonds tot een bedrag van ten hoogste 1 % van zijn jaarlijkse middelen ook bijdragen aan de financiering buiten de communautaire bestekken van:

a) studies op initiatief van de Commissie,

b) proefprojecten, inclusief de uitwisseling van ervaringen en de overdracht van kennis,

die de arbeidsmarkt op communautair niveau betreffen of bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het communautaire beleid inzake beroepsopleiding.

Deze studies en proefprojecten kunnen met name betreffen: het ontwerpen en ontwikkelen van systemen voor het zoeken van werk, van mechanismen voor vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, van methoden voor toekomstgericht management van het arbeidspotentieel, alsmede voor het anticiperen op de behoefte aan kwalificaties, voor het bevorderen van gelijke kansen voor mannen en vrouwen op de arbeidsmarkt en voor integratie van met uitsluiting van de arbeidsmarkt bedreigde personen; het verbeteren of moderniseren van scholingssystemen, het opzetten of ontwikkelen van een nationaal systeem voor de validering en erkenning van kwalificaties; of het versterken van specifieke communautaire programma's.

3. De op initiatief van de Commissie ondernomen acties kunnen, bij wijze van uitzondering, voor 100 % gefinancierd worden uit het Fonds, met dien verstande dat de voor rekening van de Commissie ondernomen acties voor 100 % gefinancierd worden.

Artikel 7

Cumulatie en overlapping

Krachtens artikel 14, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2052/88 kan het Fonds uit hoofde van meer dan een van de in artikel 1 van die verordening genoemde doelstellingen acties financieren die met name gericht zijn op de ontwikkeling van werkgelegenheids-, opleidings- en andere soortgelijke structuren, met inbegrip van opleidingsacties voor leerkrachten, opleiders (m/v) en ander personeel van deze structuren, alsmede acties voor technische bijstand.

Artikel 8

Overgangsbepalingen

De betalingsverplichtingen voor de gedeelten van de bedragen die zijn vastgelegd uit hoofde van de bijstand voor projecten waarover de Commissie vóór 1 januari 1989 in het kader van het Fonds een beschikking heeft gegeven, en waarvoor vóór 31 maart 1995 geen definitief betalingsverzoek bij de Commissie is ingediend, worden uiterlijk op 30 september 1995 automatisch ongedaan gemaakt door de Commissie, onverminderd projecten die uit hoofde van een gerechtelijke procedure zijn geschorst.".

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 20 juli 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. CLAES

(1) PB nr. C 131 van 11. 5. 1993, blz. 10.(2) Advies uitgebracht op 14 juli 1993 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).(3) PB nr. C 201 van 26. 7. 1993, blz. 52.(4) Zie bladzijde 5 van dit Publikatieblad.(5) PB nr. L 185 van 15. 7. 1988, blz. 9.(6) Zie bladzijde 20 van dit Publikatieblad.(7) PB nr. L 374 van 31. 12. 1988, blz. 1.(8) PB nr. L 374 van 31. 12. 1988, blz. 21.

Top