Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31991R1637

Verordening (EEG) nr. 1637/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van een vergoeding met betrekking tot de verlaging van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheden en van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie

PB L 150 van 15.6.1991, pp. 30–33 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1991/1637/oj

31991R1637

Verordening (EEG) nr. 1637/91 van de Raad van 13 juni 1991 tot vaststelling van een vergoeding met betrekking tot de verlaging van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde referentiehoeveelheden en van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie

Publicatieblad Nr. L 150 van 15/06/1991 blz. 0030 - 0033
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 38 blz. 0010
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 38 blz. 0010


VERORDENING ( EEG ) Nr . 1637/91 VAN DE RAAD van 13 juni 1991 tot vaststelling van een vergoeding met betrekking tot de verlaging van de in artikel 5 quater van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde referentiehoeveelheden en van een vergoeding voor de definitieve beëindiging van de melkproduktie

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EEG ) nr . 804/68 van de Raad van

27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( 1 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 1630/91 ( 2 ), inzonderheid op artikel 5 quater, lid 6,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat de ontwikkeling van de markt voor melk een onmiddellijke verlaging met 2 % noodzakelijk heeft gemaakt van de gegarandeerde totale hoeveelheden bedoeld in artikel 5 quater van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 en in de bijlage van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 ( 3 ) houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de regeling inzake de extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten, laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 1635/91 ( 4 ); dat is besloten die verlaging te doen ingaan met ingang van het achtste tijdvak van twaalf maanden;

Overwegende voorts dat krachtens Verordening ( EEG ) nr . 857/84, zoals gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 1635/91, op korte termijn nieuwe referentiehoeveelheden worden toegekend aan producenten die zich ertoe verbonden hebben hun produktie niet op de markt te brengen of op andere produkties om te schakelen en dat de nationale reserves bijgevolg worden verhoogd; dat, gezien de marktsituatie, op de referentiehoeveelheden van de overige producenten in de betrokken Lid-Staten onmiddellijk een vermindering moet worden toegepast, naast de verlaging met 2 % van de totale gegarandeerde hoeveelheden;

Overwegende dat bijgevolg een vergoeding van 10 ecu per 100 kg moet worden vastgesteld, evenredig aan de aanpassingen die tijdens het achtste tijdvak van twaalf maanden van de producenten gevraagd worden; dat de maximumvergoeding evenwel is beperkt tot 3 % van de beschikbare referentiehoeveelheid, onverminderd de mogelijkheid dat de Lid-Staten tot de financiering bijdragen door een zelfde vergoeding te betalen met het oog op een verlaging van meer dan 3 %;

Overwegende echter dat, ter vergemakkelijking van enerzijds de vermindering van de leveranties en directe verkoop waarmede de verlaging van de gegarandeerde totale hoeveelheden gepaard gaat, en anderzijds het vrijmaken van de nodige reserves voor producenten die zich ertoe verbonden hebben hun produktie niet op de markt te brengen of op

andere produkties om te schakelen dan wel, naar gelang van

de Lid-Staat, voor producenten wier situatie verontrustend

is, een communautaire regeling moet worden ingesteld voor

de financiering van de definitieve beëindiging van de melkproduktie door aan elke producent op diens verzoek en mits hij aan bepaalde voorwaarden voldoet, een vergoeding toe te kennen die na de volledige en definitieve beëindiging van de melkproduktie wordt uitbetaald; dat de Lid-Staten rekening moeten houden met het bestaan van pachtovereenkomsten;

Overwegende voorts dat de Lid-Staten de mogelijkheid moet worden geboden om te beslissen of, dan wel in welk gebied, zij dit programma ten uitvoer willen leggen om redenen die verband houden met de noodzaak om structurele ontwikkelingen en aanpassingen te vergemakkelijken, met eisen van regionale ontwikkeling, of met de mogelijkheid om onder de marktvoorwaarden van het betrokken gebied of de betrokken gebieden aanzienlijke referentiehoeveelheden vrij te maken, dan wel om dwingende administratieve redenen;

Overwegende dat, gezien de opgedane ervaring, de vergoeding voor beëindiging van de melkproduktie kan worden vastgesteld op 10 ecu per 100 kg per jaar, te betalen gedurende vijf jaar op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing voor dezelfde periode wordt verlengd; dat het door de Lid-Staat gestelde verlagingsdoel kan worden bereikt met een lagere vergoeding; dat het daarentegen noodzakelijk kan blijken, wil dit doel bereikt worden, de vergoeding op te trekken; dat de Lid-Staten derhalve gemachtigd moeten worden over te gaan tot aanvullende financiering waarvan het bedrag kan worden aangepast aan specifieke regionale omstandigheden;

Overwegende dat, om het programma inzake beëindiging van de melkproduktie in een aantal Lid-Staten doelmatiger te doen verlopen en tevens de communautaire middelen te rentabiliseren, de mogelijkheid van voorfinanciering van de premies voor beëindiging moet worden geboden;

Overwegende dat de vergoeding voor de beëindiging van de melkproduktie in beginsel wordt toegekend voor de gehele referentiehoeveelheid; dat dit recht in bepaalde gevallen evenwel moet worden beperkt, met dien verstande dat producenten die gebruik hebben gemaakt van artikel 3 quater van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 ervan zijn uitgesloten;

Overwegende dat de aldus vrijgekomen referentiehoeveelheden bij de nationale reserves gevoegd worden om vervolgens te worden toegekend aan producenten wier referentiehoeveelheid voor het achtste tijdvak van twaalf maanden is verlaagd en/of onder de in artikel 5 of artikel 6, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 gestelde voorwaarden, alsook in voorkomend geval, met instemming van de Commissie, aan producenten die door de Lid-Staat bij voorrang zijn aangewezen om aanhoudende specifieke problemen op te lossen;

Overwegende dat de in de bijlage vastgestelde communautaire financiering van de vergoeding voor beëindiging van de melkproduktie beperkt is tot 3 % van de gegarandeerde totale hoeveelheden, leveranties en directe verkoop; dat, indien zou blijken dat de in de bijlage vermelde bedragen niet volledig kunnen worden gebruikt voor de vergoeding voor de beëindiging van de melkproduktie, moet worden bepaald dat, mits de regeling inzake de extra heffing verlengd wordt, de jaarlijks beschikbare bedragen aan de producenten toegekend moeten worden voor zover hun beschikbare referentiehoeveelheid verlaagd gebleven is;

Overwegende dat de communautaire vergoeding met name ten doel heeft het marktevenwicht te herstellen en dus beschouwd kan worden als een interventie in de zin van artikel 3 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( 5 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 2048/88 ( 6 ),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Voor het achtste tijdvak van toepassing van de in artikel 5 quater van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 bedoelde extra heffing, wordt een vergoeding toegekend aan producenten wier referentiehoeveelheid krachtens artikel 2, lid 3, en/of artikel 6, leden 3 en 4, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 verminderd is .

Deze vergoeding wordt vastgesteld op 10 ecu per 100 kg en wordt uitbetaald voor het gedeelte waarmee de individuele referentiehoeveelheid voor het achtste tijdvak daadwerkelijk verminderd is, maar mag niet hoger liggen dan een maximumbedrag dat overeenstemt met 3 % van de referentiehoeveelheid die vóór de inwerkingtreding van deze verordening beschikbaar was . De Lid-Staten kunnen echter tot de financiering bijdragen door een vergoeding uit te betalen voor het gedeelte dat 3 % van de referentiehoeveelheid overschrijdt .

De vergoeding wordt in het laatste kwartaal van het kalenderjaar 1992 uitbetaald . Bij besluit van de Commissie kan evenwel een eerdere datum worden vastgesteld . Voorts kunnen de Lid-Staten de vergoeding vanaf de inwerkingtreding van deze verordening uitbetalen indien zij deze voorfinancieren .

Artikel 2

1 . Op verzoek van de belanghebbende en onder de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, wordt door de Lid-Staten aan de producent, zoals gedefinieerd in artikel 12, onder c ), eerste alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 of, in geval van toepassing van artikel 12, onder c ), tweede alinea, van die verordening, aan elke aangesloten producent, die zich ertoe verbindt de melkproduktie vóór een nog te bepalen datum volledig en definitief te beëindigen, een vergoeding toegekend die in vijf jaarlijkse bedragen is te betalen en wel in het laatste kwartaal van de kalenderjaren 1992, 1993, 1994, 1995 en 1996, onverminderd de moge

lijkheid voor de Lid-Staten om de vergoeding eerder en/of in één maal te betalen indien zij deze voorfinancieren .

Elke Lid -Staat kan op basis van een of meer van de volgende criteria :

- de noodzaak om structurele ontwikkelingen en aanpassingen te vergemakkelijken;

- eisen van regionale ontwikkeling ten einde met name woestijnvorming in bepaalde gebieden te voorkomen;

- de mogelijkheid onder de marktvoorwaarden van het betrokken gebied of de betrokken gebieden dat door een dergelijke regeling aanzienlijke referentiehoeveelheden vrijkomen;

- dwingende administratieve redenen,

besluiten de in de voorgaande alinea bedoelde regeling niet ten uitvoer te leggen in een of meer van zijn gebieden als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, eerste alinea, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 . In dat geval is lid 5 van het onderhavige artikel van toepassing .

2 . a ) Voor toepassing van de regeling komen producenten in aanmerking aan wie op grond van artikel 5 quater van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 een referentiehoeveelheid is toegewezen in het kader van de formules A of B en/of in het kader van de rechtstreekse verkoop, met uitsluiting van de producenten die gebruik hebben gemaakt van hoeveelheden op grond van artikel 3 quater van Verordening (EEG ) nr . 857/84 .

De Lid-Staten :

- kunnen evenwel besluiten de vergoeding niet toe te kennen aan producenten met minder dan zes melkkoeien of met een reële beschikbare individuele referentiehoeveelheid van minder dan 25 000 kg per jaar,

- mogen de noodzakelijke schikkingen treffen om te bewerkstelligen dat de in het kader van deze verordening tot stand gebrachte verlagingen van de hoeveelheden zoveel mogelijk harmonisch over de inzamelingsgebieden en -zones worden gespreid .

b )

De vergoeding wordt toegekend voor de referentiehoeveelheid die vóór de inwerkingtreding van deze verordening beschikbaar is, met uitzondering van :

- de hoeveelheden welke op grond van Verordening ( EEG) nr . 775/87 ( 7 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 3643/90 ( 8 ), zijn opgeschort;

- de hoeveelheden welke op grond van artikel 3, leden 1 en 2, de artikelen 3 bis en 3 ter, en artikel 4, lid 1, onder b ) en c ), van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 zijn ontvangen;

- de tijdens het achtste tijdvak overgedragen hoeveelheden .

c )

De vergoeding wordt verlaagd voor alle bedragen die uit hoofde van artikel 1 zijn betaald .

d )

Ingeval er een pachtovereenkomst is gesloten, dient de aanvraag voor de vergoeding door de pachter te worden ingediend .

De Lid-Staten bepalen de voorwaarden waaronder de pachter de aanvraag ter verkrijging van de vergoeding kan indienen en de voorwaarden waaronder de vergoeding wordt uitgekeerd .

3 . Op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing wordt verlengd, wordt de financiering door de Gemeenschap van de in lid 1 bedoelde vergoeding beperkt tot de in de bijlage vermelde bedragen .

Binnen die grenzen kunnen de Lid-Staten jaarlijks een vergoeding uitbetalen van ten hoogste 10 ecu per 100 kg .

De Lid-Staten kunnen :

a ) een vergoeding betalen die lager is dan 10 ecu/100 kg per jaar en het saldo gebruiken om extra hoeveelheden vrij te maken;

b )

aan de financiering door de Gemeenschap bijdragen door de vergoeding te verhogen .

Binnen hun grondgebied kunnen de Lid-Staten deze verhoging aanpassen om rekening te houden met verschillende plaatselijke omstandigheden ten aanzien van :

- de ontwikkeling van de melkproduktie,

- het gemiddelde peil van de leveringen per producent,

- de noodzaak om de herstructurering van de melkproduktie niet te belemmeren,

- het bestaan van mogelijkheden om over te schakelen op andere produktieactiviteiten,

- het feit dat de melkproduktie plaatsvindt in een van de gebieden als bedoeld in artikel 3, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG van de Raad van 28 april 1975 betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden ( 9 ), laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 797/85 ( 10 ).

Ingeval een producent twee referentiehoeveelheden heeft, dat wil zeggen één voor leveranties en één voor de rechtstreekse verkoop, wordt de vergoeding voor de twee referentiehoeveelheden toegekend .

4 . Op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing verlengd wordt, worden de ingevolge dit artikel vrijgekomen referentiehoeveelheden bij de in artikel 5 of artikel 6, lid 3, van Verordening ( EEG ) nr . 857/84 bedoelde reserve gevoegd en vervolgens :

a )

toegekend aan de in artikel 1 van de onderhavige verordening bedoelde producenten;

b )

toegewezen aan de producenten bedoeld in artikel 3 bis van Verordening ( EEG ) nr . 857/84;

c )

wat het eventuele saldo betreft, toegewezen aan producenten die de Lid-Staat volgens objectieve criteria met instemming van de Commissie bij voorrang heeft aangewezen, met name aan kleine producenten en aan producenten in gebieden als omschreven in artikel 3, leden 3, 4 en 5, van Richtlijn 75/268/EEG .

5 . Op voorwaarde dat de regeling inzake de extra heffing verlengd wordt, worden de in de bijlage vermelde bijdragen die niet opgebruikt worden in het kader van de in lid 1 bedoelde regeling, door de betrokken Lid-Staten aangewend om de in artikel 1 bedoelde producenten een vergoeding uit te betalen . Deze vergoeding, die niet meer kan bedragen dan

10 ecu/100 kg per jaar, wordt betaald voor het gedeelte waarmee de individuele referentiehoeveelheid beneden de referentiehoeveelheid voor het zevende tijdvak of, wat Portugal en het grondgebied van de voormalige DDR betreft, beneden de vóór de inwerkingtreding van de onderhavige verordening toepasselijke referentiehoeveelheid, is gebleven . De vergoeding wordt uiterlijk uitbetaald in het laatste kwartaal van de kalenderjaren 1993, 1994, 1995 en 1996 .

Artikel 3

De financiering van de in de artikelen 1 en 2 bedoelde communautaire vergoedingen wordt beschouwd als een interventie in de zin van artikel 3 van Verordening ( EEG ) nr . 729/70 .

Artikel 4

Vóór 1 april 1992 verstrekken de Lid-Staten aan de Commissie alle gegevens die nodig zijn om de doeltreffendheid van de bij deze verordening vastgestelde maatregelen te kunnen beoordelen .

Artikel 5

Overeenkomstig de procedure van artikel 30 van Verordening ( EEG ) nr . 804/68 stelt de Commissie de maatregelen ter uitvoering van deze verordening vast .

Artikel 6

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat .

Gedaan te Luxemburg, 13 juni 1991 .

Voor de Raad

De Voorzitter

A . BODRY

( 1 ) PB nr . L 148 van 28 . 6 . 1968, blz . 13 .

( 2 ) Zie bladzijde 19 van dit Publikatieblad .

( 3 ) PB nr . L 90 van 1 . 4 . 1984, blz . 13 .

( 4 ) Zie bladzijde 28 van dit Publikatieblad.(5 ) PB nr . L 94 van 28 . 4 . 1970, blz . 13 .

( 6 ) PB nr . L 185 van 15 . 7 . 1988, blz . 1.(7 ) PB nr . L 78 van 20 . 3 . 1987, blz . 5 .

( 8 ) PB nr . L 362 van 27 . 12 . 1990, blz . 9.(9 ) PB nr . L 128 van 19 . 5 . 1975, blz . 1 .

( 10 ) PB nr . L 93 van 30 . 3 . 1985, blz . 1 .

BIJLAGE

Jaarlijkse bedragen ( 1992-1996 ), in miljoen ecu, bedoeld in artikel 2, lid 3

Leveringen

Rechtstreekse

verkoop

België

Denemarken

Duitsland

Griekenland

Spanje

Frankrijk

Ierland

Italië

Luxemburg

Nederland

Portugal

Verenigd Koninkrijk

9,269

14,060

87,357

1,667

13,992

74,126

15,206

26,388

0,763

34,500

5,337

44,149

1,142

0,003

0,459

0,014

1,582

2,243

0,047

2,198

0,003

0,276

0,363

1,151

Top