This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62008CJ0344
Judgment of the Court (Second Chamber) of 16 July 2009.#Criminal proceedings against Tomasz Rubach.#Reference for a preliminary ruling: Sąd Rejonowy w Kościanie - Poland.#Protection of species of wild fauna and flora - Species listed in Annex B to Regulation (EC) No 338/97 - Evidence of lawful acquisition of specimens of those species - Burden of proof - Presumption of innocence - Rights of the defence.#Case C-344/08.
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 juli 2009.
Strafzaak tegen Tomasz Rubach.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Sąd Rejonowy w Kościanie - Polen.
Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten - In bijlage B bij verordening (EG) nr. 338/97 genoemde soorten - Bewijs dat specimens van deze soorten legaal werden verkregen - Bewijslast - Vermoeden van onschuld - Rechten van verdediging.
Zaak C-344/08.
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 juli 2009.
Strafzaak tegen Tomasz Rubach.
Verzoek om een prejudiciële beslissing: Sąd Rejonowy w Kościanie - Polen.
Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten - In bijlage B bij verordening (EG) nr. 338/97 genoemde soorten - Bewijs dat specimens van deze soorten legaal werden verkregen - Bewijslast - Vermoeden van onschuld - Rechten van verdediging.
Zaak C-344/08.
Jurisprudentie 2009 I-07033
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2009:482
ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
16 juli 2009 ( *1 )
„Bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten — Soorten genoemd, in bijlage B bij verordening (EG) nr. 338/97 — Bewijs dat specimens van deze soorten legaal zijn verkregen — Bewijslast — Vermoeden van onschuld — Rechten van verdediging”
In zaak C-344/08,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 EG, ingediend door de Sąd Rejonowy w Kościanie (Polen) bij beslissing van 8 juli 2008, ingekomen bij het Hof op , in de strafzaak tegen
Tomasz Rubach,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: C. W. A. Timmermans, kamerpresident, J.-C. Bonichot, K. Schiemann, J. Makarczyk en C. Toader (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Poiares Maduro,
griffier: R. Grass,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
— |
de Poolse regering, vertegenwoordigd door M. Dowgielewicz als gemachtigde, |
|
— |
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door N. Díaz Abad als gemachtigde, |
|
— |
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M. Konstantinidis en M. Owsiany-Hornung als gemachtigden, |
gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (PB 1997, L 61, blz. 1). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een strafzaak tegen T. Rubach wegens inbreuken op de Poolse wet op de natuurbescherming. |
Toepasselijke bepalingen
Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten
|
3 |
De op 3 maart 1973 te Washington ondertekende Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (Recueil des traités des Nations unies, vol. 993, nr. I-14537; hierna: „CITES”), heeft tot doel te waarborgen dat de internationale handel in de in de bijlagen daarbij genoemde soorten, alsmede in delen daarvan en daaruit verkregen producten de instandhouding van de biodiversiteit niet schaadt en op een duurzaam gebruik van de in het wild levende soorten berust. |
|
4 |
Deze overeenkomst is met ingang van 1 januari 1984 in de Europese Gemeenschap uitgevoerd op grond van verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (PB L 384, blz. 1). Deze verordening is ingetrokken bij verordening nr. 338/97, die volgens artikel 1, tweede alinea, daarvan van toepassing is met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES. |
Gemeenschapsrecht
|
5 |
Artikel 8 van verordening nr. 338/97 luidt: „Bepalingen betreffende de controle op handelsactiviteiten 1. De aankoop, het te koop vragen, de verwerving voor commerciële doeleinden, het tentoonstellen voor commerciële doeleinden, het gebruik met winstoogmerk en het verkopen, het in bezit hebben met het oog op verkoop, het ten verkoop aanbieden of het vervoeren met het oog op verkoop van specimens van de in bijlage A genoemde soorten, is verboden. […] 5. De in lid 1 genoemde verbodsbepalingen gelden ook voor specimens van de soorten genoemd in bijlage B, behalve indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. […]” |
|
6 |
Artikel 16 van voornoemde verordening bepaalt: „Sancties 1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om er ten minste voor te zorgen dat sancties worden opgelegd indien op de bepalingen van deze verordening de volgende inbreuken worden gemaakt:
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen staan in een passende verhouding tot de aard en de ernst van de inbreuk en bevatten onder meer voorzieningen met betrekking tot de inbeslagname en, in voorkomend geval, verbeurdverklaring van de specimens. […] 4. Indien een levend specimen van een soort genoemd in bijlage B of C op een bepaalde plaats wordt binnengebracht zonder de/het passende geldige vergunning of certificaat, moet het specimen in beslag worden genomen en kan het verbeurd worden verklaard of kunnen, indien de geadresseerde het specimen weigert te accepteren, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarin deze plaats van binnenkomst gelegen is, zo nodig de zending weigeren en van de vervoerder eisen dat hij het specimen naar de plaats van vertrek terugzendt.” |
|
7 |
Bijlage B bij verordening nr. 338/97 vermeldt onder de klasse Arachnida, orde Araneae, spinnen van de soort Brachypelma. |
Nationaal recht
|
8 |
De op het hoofdgeding toepasselijke nationale bepalingen vloeien hoofdzakelijk voort uit de wet van 16 april 2004 op de natuurbescherming (Dz. U. nr. 92, poz. 880; hierna: „wet op de natuurbescherming”), waarin de bepalingen van de CITES en van de communautaire regelgeving ter zake zijn opgenomen. |
|
9 |
Artikel 61, lid 1, van de wet op de natuurbescherming bepaalt: „1. Voor het over de landsgrenzen vervoeren van planten en dieren die behoren tot de soorten waarvoor beperkingen op grond van het gemeenschapsrecht gelden, alsook de herkenbare delen daarvan en de daaruit verkregen producten, moet, behoudens lid 2, een vergunning worden verkregen van de voor milieuzaken bevoegde minister.” |
|
10 |
In artikel 64 van deze wet wordt bepaald: „1. De bezitter en de fokker van dieren als bedoeld in artikel 61, lid 1, die worden gerekend tot de amfibieën, reptielen, vogels of zoogdieren, zijn verplicht die dieren schriftelijk bij het register aan te melden. 2. De verplichting tot aanmelding bij het register als bedoeld in lid 1 geldt niet voor:
3. Het in lid 1 bedoelde register wordt gevoerd door de Starosta [districtshoofd] die bevoegd is voor de plaats waar de dieren worden gehouden of waar zij worden gefokt. […] 5. De plicht tot aanmelding bij of schrapping uit het register geldt vanaf de dag van aankoop of verkoop, van invoer in het land of uitvoer over de landsgrenzen, van het in het bezit krijgen, verlies of dood van het dier. Het verzoek om inschrijving in of schrapping uit het register dient te worden gezonden aan de bevoegde Starosta binnen 14 dagen vanaf de datum waarop die plicht geldt. […] 8. Ten bewijze van de inschrijving in het register geeft de Starosta een certificaat af. 9. De in lid 2, sub 2, bedoelde personen zijn verplicht het origineel of een afschrift van het in lid 4, punt 11, bedoelde document in hun bezit te hebben en met het verkochte dier over te leggen. De verkoper van het dier dient dat afschrift te voorzien van het volgens een doorlopende nummering toegewezen nummer, de datum van opstelling daarvan, zijn stempel en zijn ondertekening, informatie over het aantal dieren waarvoor het is opgesteld, en, indien het gekopieerde document meer dan één soort betreft, ook over de soort waartoe zij behoren. […]” |
|
11 |
Artikel 128 van voornoemde wet luidt: „Eenieder […]
[…] wordt gestraft met een vrijheidsstraf van 3 maanden tot vijf jaar.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
12 |
Uit de verwijzingsbeschikking blijkt dat Rubach op terrariumbeurzen exotische spinnen heeft verworven van de soort Brachypelma Albopilosum, een beschermd specimen dat behoort tot een in bijlage B bij verordening nr. 338/97 genoemde diersoort, dat hij met het fokken van deze spinachtigen is begonnen en ze van februari tot oktober 2006 op internet bij opbod heeft verkocht. |
|
13 |
Ter zake van deze feiten is tegen Rubach een strafrechtelijke vervolging ingesteld wegens 46 inbreuken op artikel 128, lid 2, sub d, van de wet op de natuurbescherming. |
|
14 |
Bij uitspraak van 26 oktober 2007 heeft de Sąd Rejonowy w Kościanie de verdachte vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten omdat hij van oordeel was dat diens gedrag niet de kenmerken vertoonde van het ten laste gelegde strafbare feit. |
|
15 |
Op het hoger beroep van de prokurator Rejonowy w Kościanie heeft de Sąd Okręgowy w Poznaniu voornoemde uitspraak op 2 april 2008 in haar geheel vernietigd en heeft hij de zaak voor een nieuw onderzoek teruggewezen. |
|
16 |
In het kader van het nieuwe onderzoek was de Sąd Rejonowy w Kościanie van oordeel dat de door de beroepsrechter aanvaarde uitlegging van het nationale recht, die bindend is voor de met dit nieuwe onderzoek belaste rechter, tot gevolg heeft dat de verdachte zich van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid kan bevrijden mits hij de herkomst van de dieren aantoont, hetzij door overlegging van een certificaat van aanmelding bij het overeenkomstig artikel 64, lid 1, van de wet op de natuurbescherming gehouden register betreffende de verkochte dieren, hetzij door verstrekking van de gegevens waardoor het mogelijk is de herkomst van deze dieren te reconstrueren en duidelijk te bepalen welke persoon of personen de dieren eerder hebben bezeten dan wel hebben gefokt. |
|
17 |
De Sąd Rejonowy w Kościanie heeft de Starostwo Powiatowe w Kościanie (districtsbestuur van Kościan) over het eerste aspect vragen gesteld. Uit het standpunt van deze autoriteit blijkt dat de verdachte de betrokken specimens niet in voornoemd register kon laten inschrijven omdat zij als spinachtigen niet aan registratie onderworpen waren. De Poolse regering heeft dit in haar schriftelijke opmerkingen ook bevestigd. |
|
18 |
Indien de verdachte verplicht was een document over te leggen dat hij naar nationaal recht niet behoeft te verkrijgen, maar tegelijkertijd niet verplicht is bijzondere kennis met betrekking tot de herkomst van de betrokken dieren te bezitten, zou hij echter volgens de Sąd Rejonowy w Kościanie niet aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid kunnen ontsnappen. |
|
19 |
In deze omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy w Kościanie de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „[O]p welke wijze kan de bezitter van de in bijlage B [bij verordening nr. 338/97] genoemde dieren (niet zijnde amfibieën, reptielen, vogels of zoogdieren) aantonen overeenkomstig [artikel 8, lid 5, van voornoemde verordening] en in het licht van het vermoeden van onschuld, dat zijn specimens werden verkregen […] overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna […]?” |
Beantwoording van de prejudiciële vraag
Bij het Hof ingediende opmerkingen
|
20 |
De Poolse regering geeft in overweging de verwijzende rechter te antwoorden dat artikel 8, lid 5, van verordening nr. 338/97, dat de mogelijkheid om een commerciële activiteit uit te oefenen afhankelijk stelt van het bewijs dat de specimens van de in bijlage B bij die verordening genoemde soorten legaal zijn verkregen, verwijst naar de bewijsregels die voor de bevoegde nationale autoriteit gelden. Indien dit een strafrechter is, moet het bewijs daarvan worden geleverd overeenkomstig de beginselen van het strafprocesrecht, volgens welke de juistheid van de feiten met behulp van alle mogelijke bewijsmiddelen moet worden vastgesteld en de twijfel die niet kan worden weggenomen, in het voordeel van de aangeklaagde geldt. |
|
21 |
De Spaanse regering geeft het Hof in overweging de vraag aldus te beantwoorden dat voor alle in bijlage B genoemde specimens een bewijs van de legale herkomst moet worden verlangd, waarbij de beoordeling van dit bewijs, aan de hand waarvan in elk geval de traceerbaarheid van de legale herkomst van de betrokken specimens kan worden gewaarborgd, aan de op grond van de CITES bevoegde administratieve autoriteiten van de lidstaten wordt overgelaten. |
|
22 |
Volgens de Commissie van de Europese Gemeenschappen moet het antwoord aan de verwijzende rechter luiden dat de nationale rechter tijdens de strafprocedure ter bestraffing van een eventuele schending van de bepalingen van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 338/97, bij gebreke van communautaire bepalingen die dergelijke strafprocedures regelen, in de regel het nationale recht toepast in dier voege dat hij het overeenkomstig het gemeenschapsrecht uitlegt en erop let dat de volle werkzaamheid daarvan wordt gewaarborgd. Met betrekking tot de verdeling van de bewijslast is de Commissie van mening dat het verbod om specimens van in bijlage B bij verordening nr. 338/97 genoemde soorten voor commerciële doeleinden te gebruiken, algemeen van toepassing is, zodat het in het kader van de strafprocedure aan de officier van justitie staat te bewijzen dat Rubach specimens van beschermde soorten voor commerciële doeleinden heeft gebruikt. Daarentegen moet Rubach bewijzen dat hij legaal in het bezit van deze specimens is gekomen waardoor hij aan zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid zou kunnen ontsnappen. |
Beantwoording door het Hof
|
23 |
Zoals uit alle gegevens van het verzoek om een prejudiciële beslissing blijkt, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen, welke bewijsmiddelen in het licht van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 338/97 zijn toegelaten in het kader van een strafprocedure ter zake van activiteiten met betrekking tot specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde diersoorten zoals die welke in het hoofdgeding worden bedoeld, en wat de juiste verdeling van de bewijslast is met betrekking tot de vaststelling of die specimens legaal zijn verkregen. |
|
24 |
De beschermingsregeling die voor de specimens van in de bijlagen A en B bij die verordening genoemde soorten is ingevoerd, heeft tot doel een volledigere bescherming te verzekeren van de in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, met inachtneming van de doelstellingen, beginselen en bepalingen van de CITES. |
|
25 |
Vaststaat dat verordening nr. 338/97 geen algemeen verbod bevat op de invoer en de verhandeling van andere soorten dan die welke in bijlage A daarbij zijn bedoeld (arrest van 19 juni 2008, Nationale Raad van Dierenkwekers en Liefhebbers en Andibel, C-219/07, Jurispr. blz. I-4475, punt 18). |
|
26 |
Zoals het Hof heeft uitgemaakt, is het toegestaan specimens van de in bijlage B bij verordening nr. 338/97 genoemde soorten voor commerciële doeleinden te gebruiken, indien aan de in artikel 8, lid 5, van deze verordening gestelde voorwaarden is voldaan (arrest van 23 oktober 2001, Tridon, C-510/99, Jurispr. blz. I-7777, punt 44). Het handelsverbod van artikel 8 van voornoemde verordening geldt immers niet, indien ten genoegen van de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat is aangetoond dat die specimens verkregen werden en, indien zij niet uit de Gemeenschap afkomstig zijn, daarin werden binnengebracht overeenkomstig de geldende wetgeving inzake de instandhouding van de wilde flora en fauna. |
|
27 |
In het licht van deze bepalingen moet dus worden vastgesteld dat in verordening nr. 338/97 niet wordt gepreciseerd met behulp van welke bewijsmiddelen moet worden aangetoond dat de specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten legaal zijn verkregen overeenkomstig de voorwaarden van artikel 8, lid 5, van voornoemde verordening, met name wanneer die specimens in gevangenschap op het communautaire grondgebied zijn geboren. Het wordt dus aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overgelaten om te bepalen met behulp van welke bewijsmiddelen kan worden aangetoond dat die voorwaarden zijn vervuld. Deze bewijsmiddelen omvatten de in die verordening bedoelde vergunningen of certificaten dan wel elk ander passend document dat de bevoegde nationale autoriteiten ter zake dienend achten. |
|
28 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat, bij gebreke van een communautaire regeling van het begrip bewijs, alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de lidstaten in soortgelijke procedures kennen, in beginsel ontvankelijk zijn. In een situatie als die van het hoofdgeding staat het dus aan de nationale autoriteiten om aan de hand van de geldende beginselen van hun nationale bewijsrecht te bepalen, of in het concrete geval dat hun is voorgelegd, en in het licht van alle omstandigheden, is bewezen dat de voorwaarden van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 338/97 zijn vervuld (zie in die zin arrest van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol, C-310/98 en C-406/98, Jurispr. blz. I-1797, punten 29 en 30). |
|
29 |
Derhalve dient aan de verwijzende rechter met betrekking tot dit eerste aspect te worden geantwoord, dat verordening nr. 338/97 geen beperking stelt aan de bewijsmiddelen die kunnen worden aangewend om uit te maken of specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde soorten legaal zijn verkregen, en dat alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de betrokken lidstaat in soortgelijke procedures kent, in beginsel geoorloofd zijn om te beslissen of die specimens legaal zijn verkregen. |
|
30 |
Wat in de tweede plaats de verdeling van de bewijslast betreft, met betrekking tot de vaststelling van de legale verwerving van specimens van in bijlage B bij verordening nr. 338/97 genoemde diersoorten, in het licht van het beginsel van het vermoeden van onschuld, moet eraan worden herinnerd dat het vermoeden van onschuld, zoals dat met name voortvloeit uit artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, deel uitmaakt van de grondrechten die volgens de — overigens door de preambule van de Europese Akte en artikel 6, lid 2, EU bevestigde — vaste rechtspraak van het Hof in de communautaire rechtsorde worden beschermd (zie met name arresten van , Hüls/Commissie, C-199/92 P, Jurispr. blz. I-4287, punt 149, en Montecatini/Commissie, C-235/92 P, Jurispr. blz. I-4539, punt 175). |
|
31 |
Het vermoeden van onschuld beoogt eenieder te garanderen dat hij niet als schuldig aan een strafbaar feit wordt aangewezen of behandeld voordat zijn schuld in rechte is komen vast te staan (zie uitspraak EHRM van 28 oktober 2004, Y. B. e.a. v Turkije, nrs. 48173/99 en 48319/99, § 43). |
|
32 |
Er zij op gewezen dat de invoering van de beschermingsregeling voor de specimens van in de bijlagen A en B bij verordening nr. 338/97 genoemde soorten geen afbreuk doet aan de algemene verplichting die op het openbaar ministerie rust om in het kader van een strafprocedure te bewijzen dat de verdachte door de geldende wetgeving beschermde specimens van in bijlage B bij verordening nr. 338/97 genoemde soorten voor commerciële doeleinden heeft gebruikt. |
|
33 |
De verdachte heeft hoe dan ook het recht zich tegen zijn strafrechtelijke vervolging te verweren, door volgens artikel 8, lid 5, van verordening nr. 338/97 te bewijzen dat hij legaal in het bezit van voornoemde specimens is gekomen overeenkomstig de voorwaarden van die bepaling, en daartoe alle bewijsmiddelen aan te wenden die het toepasselijke procesrecht heeft erkend. |
|
34 |
Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 8, lid 5, van verordening nr. 338/97 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een strafprocedure tegen een persoon die van overtreding van deze bepaling wordt beschuldigd, alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de betrokken lidstaat in soortgelijke procedures kent, in beginsel geoorloofd zijn om uit te maken of specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde diersoorten legaal zijn verkregen. Mede gelet op het beginsel van het vermoeden van onschuld, beschikt die persoon over al die middelen om te bewijzen dat hij legaal in het bezit van voornoemde specimens is gekomen overeenkomstig de in voornoemde bepaling gestelde voorwaarden. |
Kosten
|
35 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof van Justitie (Tweede kamer) verklaart voor recht: |
|
Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer, moet aldus worden uitgelegd dat in het kader van een strafprocedure tegen een persoon die van overtreding van deze bepaling wordt beschuldigd, alle bewijsmiddelen die het procesrecht van de betrokken lidstaat in soortgelijke procedures kent, in beginsel geoorloofd zijn om uit te maken of specimens van in bijlage B bij deze verordening genoemde diersoorten legaal zijn verkregen. Mede gelet op het beginsel van het vermoeden van onschuld, beschikt die persoon over al die middelen om te bewijzen dat hij legaal in het bezit van voornoemde specimens is gekomen overeenkomstig de in voornoemde bepaling gestelde voorwaarden. |
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Pools.