Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62021CC0366

Conclusie van advocaat-generaal P. Pikamäe van 14 juli 2022.
Maxime Picard tegen Europese Commissie.
Hogere voorziening – Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Pensioen – Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie – Hervorming van 2014 – Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 – Bijlage XIII bij dat Statuut – Artikel 21, tweede alinea, en artikel 22, lid 1, tweede alinea – Overgangsbepalingen betreffende het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd – Regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie – Bijlage – Artikel 1, lid 1 – Overeenkomstige toepassing van die overgangsbepalingen op andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst zijn – Ondertekening van een nieuwe overeenkomst van arbeidscontractant – Bezwarende handeling – Effectieve rechterlijke bescherming.
Zaak C-366/21 P.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2022:582

 CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. PIKAMÄE

van 14 juli 2022 ( 1 )

Zaak C‑366/21 P

Maxime Picard

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Pensioen – Verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 – Overgangsbepalingen betreffende het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd – Toepassing ratione temporis – Ondertekening van een nieuwe overeenkomst van arbeidscontractant – Bezwarende handeling – Kwalificatie – Autonome rechtsgevolgen”

I. Inleiding

1.

Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt Maxime Picard om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 maart 2021, Picard/Commissie (T‑769/16, EU:T:2021:153; hierna: „bestreden arrest”), waarbij zijn beroep is verworpen strekkende tot nietigverklaring van ten eerste het antwoord van 4 januari 2016 van de manager van de afdeling Pensioenen van eenheid 4 van het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (hierna: „PMO”), volgens hetwelk zijn normale pensioenleeftijd en het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage met ingang van 1 juni 2014 op respectievelijk 66 jaar en 1,8 % waren gebracht, en ten tweede het besluit van 25 juli 2016 van de directeur van directie E van het directoraat-generaal (DG) Personele Middelen van de Europese Commissie (hierna: „DG Personele Middelen”), in zijn hoedanigheid van tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag (hierna: „TAOBG”), houdende afwijzing van zijn klacht tegen het antwoord van 4 januari 2016.

2.

De onderhavige zaak biedt het Hof de gelegenheid zich over twee vraagstukken te buigen.

3.

In de eerste plaats zal het Hof zich moeten uitspreken over de voorwaarden voor de toepassing ratione temporis van de voor arbeidscontractanten van de Unie geldende overgangsbepalingen betreffende het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd als bedoeld in verordening (EU, Euratom) nr. 1023/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie ( 2 ). De oplossing van het Hof zal verstrekkende gevolgen hebben voor de pensioenregeling die van toepassing is op een niet onaanzienlijk deel van de arbeidscontractanten van de Unie.

4.

In de tweede plaats biedt deze zaak het Hof de mogelijkheid om met betrekking tot het begrip „bezwarende handeling” te verduidelijken wanneer een personeelslid van de Unie het recht heeft om op te komen tegen elementen op basis waarvan zijn pensioenrechten zijn vastgesteld.

II. Toepasselijke bepalingen

5.

In de onderhavige zaak zijn de volgende bepalingen relevant:

de artikelen 25, 77, 83, 90 en 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013;

artikel 21, lid 2, en artikel 22, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013;

artikel 8, artikel 86, lid 2, en artikel 109, lid 1, van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013;

artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP.

III. Voorgeschiedenis van het geding

6.

De voorgeschiedenis van het geding wordt uiteengezet in de punten 1 tot en met 25 van het bestreden arrest en kan worden samengevat als volgt.

7.

Picard is met ingang van 1 juli 2008 door de Commissie aangesteld als arbeidscontractant bij eenheid 5 van het PMO (hierna: „overeenkomst van 2008”). Rekwirant is ingedeeld in de eerste functiegroep. Deze overeenkomst is driemaal voor bepaalde tijd en bij besluit van 3 mei 2011 voor onbepaalde tijd verlengd.

8.

Op 16 mei 2014 heeft het DG Personele Middelen rekwirant een nieuwe overeenkomst als arbeidscontractant aangeboden, die hij dezelfde dag heeft ondertekend (hierna: „overeenkomst van 16 mei 2014”). Bij deze overeenkomst voor onbepaalde tijd, die op 1 juni 2014 in werking is getreden, werd rekwirant ingedeeld in de tweede functiegroep.

9.

Vóór de sluiting van deze overeenkomst zijn het Statuut en de RAP gewijzigd bij verordening nr. 1023/2013, waarvan de voor de onderhavige zaak relevante bepalingen sinds 1 januari 2014 van toepassing zijn.

10.

Sinds de hervorming van 2014 is in artikel 77, tweede alinea, van het Statuut, dat door verwijzing van artikel 109, lid 1, RAP van toepassing is op arbeidscontractanten, het nieuwe jaarlijkse pensioenopbouwpercentage vastgesteld op 1,8 %, terwijl het vroegere percentage 1,9 % bedroeg. Daarnaast is de pensioenleeftijd – die vroeger 63 jaar was – in artikel 77, vijfde alinea, van het Statuut vastgesteld op 66 jaar.

11.

In bijlage XIII bij het Statuut is echter in een overgangsregeling voorzien. Volgens artikel 21, tweede alinea, van deze bijlage blijft de ambtenaar die in de periode van 1 mei 2004 tot en met 31 december 2013 in dienst is getreden, pensioenrechten verwerven tegen het jaarlijkse opbouwpercentage van 1,9 %. Volgens artikel 22, lid 1, tweede alinea, van die bijlage heeft de ambtenaar die op 1 mei 2014 minstens 35 jaar oud is ( 3 ) en vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden, bovendien recht op het ouderdomspensioen op de leeftijd van 64 jaar en 8 maanden. Ten slotte bepaalt artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP dat deze overgangsbepalingen „van overeenkomstige toepassing [zijn] op de andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst zijn”.

12.

Bij e-mail van 4 januari 2016 heeft rekwirant, die twijfels had over de mogelijke gevolgen van de hervorming van 2014 voor zijn situatie na de ondertekening van de overeenkomst van 16 mei 2014, de manager van de afdeling Pensioenen van eenheid 4 van het PMO om uitleg verzocht (hierna: „e-mail van 4 januari 2016”).

13.

Bij e-mail van diezelfde dag heeft deze manager rekwirant bevestigd dat zijn pensioenrechten waren gewijzigd als gevolg van de wijziging van overeenkomst en dat dit voor hem bijgevolg inhield dat de normale pensioenleeftijd en het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage met ingang van 1 juni 2014 op respectievelijk 66 jaar en 1,8 % waren gebracht (hierna: „antwoord van 4 januari 2016”).

14.

Op 4 april 2016 heeft rekwirant op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht ingediend tegen het antwoord van 4 januari 2016.

15.

Bij besluit van 25 juli 2016, dat op 26 juli 2016 aan rekwirant is meegedeeld, heeft de directeur van directie E van het DG Personele Middelen, in zijn hoedanigheid van TAOBG, die klacht afgewezen, primair omdat deze bij gebreke van een bezwarend besluit niet-ontvankelijk was en subsidiair omdat deze ongegrond was (hierna: „afwijzend besluit van 25 juli 2016”).

IV. Procedure bij het Gerecht

16.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 7 november 2016, heeft rekwirant beroep ingesteld tot nietigverklaring van het antwoord van 4 januari 2016 en, voor zover nodig, van het afwijzende besluit van 25 juli 2016. Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 februari 2017, heeft de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid tegen dit beroep opgeworpen.

17.

Bij beslissing van 12 oktober 2017 heeft de president van de Derde kamer van het Gerecht beslist om de zaak te schorsen totdat het eindarrest in zaak T‑128/17, Torné/Commissie, in kracht van gewijsde was gegaan.

18.

Na de uitspraak van het arrest van 14 december 2018, Torné/Commissie ( 4 ), en bij gebreke van hogere voorziening tegen dat arrest, hebben partijen binnen de door het Gerecht gestelde termijn hun opmerkingen ingediend over de gevolgen van dat arrest voor de onderhavige zaak.

19.

Bij beschikking van 13 mei 2019 heeft het Gerecht overeenkomstig artikel 130, lid 7, van zijn Reglement voor de procesvoering de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid gevoegd met de zaak ten gronde en de beslissing omtrent de kosten aangehouden.

20.

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep van rekwirant verworpen.

21.

Om te beginnen heeft het Gerecht besloten om de middelen van rekwirant te onderzoeken zonder eerst uitspraak te doen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie. Daartoe heeft het zich gebaseerd op de rechtspraak dat de Unierechter bevoegd is om naargelang de omstandigheden van elke zaak te beoordelen of een goede rechtsbedeling rechtvaardigt dat het beroep ten gronde wordt verworpen, zonder dat eerst uitspraak wordt gedaan over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. ( 5 )

22.

Ten gronde heeft het Gerecht geoordeeld dat de Commissie zich terecht op het standpunt had gesteld dat de overeenkomst van 16 mei 2014 tot gevolg had dat rekwirant niet in aanmerking kwam voor toepassing van de in bijlage XIII bij het Statuut opgenomen overgangsbepalingen betreffende het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd.

23.

In de punten 65 tot en met 83 van het bestreden arrest heeft het Gerecht artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP uitgelegd voor zover daarin is bepaald dat de in de artikelen 21 en 22 ( 6 ) van bijlage XIII bij het Statuut neergelegde overgangsregeling voor ambtenaren „van overeenkomstige toepassing [is] op andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst zijn”.

24.

Het Gerecht heeft met name geoordeeld dat uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat de artikelen 21 en 22 van die bijlage van toepassing zijn op personeelsleden die onder de RAP vallen, voor zover een overeenstemming tussen die personeelsleden en de ambtenaren kan worden vastgesteld, rekening houdend met de specifieke kenmerken van elk van deze categorieën personeel. Na deze kenmerken te hebben onderzocht, heeft het Gerecht opgemerkt dat terwijl de ambtenaar in dienst van de Unie-administratie treedt en blijft op grond van een aanstellingsbesluit dat voor zijn gehele loopbaan ongewijzigd blijft, een arbeidscontractant in dienst treedt en blijft op grond van een overeenkomst zolang die overeenkomst effect sorteert.

25.

In het licht van deze overwegingen heeft het Gerecht het vereiste om „op 31 december 2013 in dienst [te] zijn” in de zin van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP uitgelegd.

26.

In punt 81 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het in artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP opgenomen begrip „overeenkomstige” onderstelt dat de andere personeelsleden zich in een situatie bevinden die vergelijkbaar is met die van ambtenaren. Volgens het Gerecht kan deze situatie zich enkel voordoen wanneer dat personeelslid geen nieuwe overeenkomst heeft ondertekend die het begin van een nieuwe arbeidsverhouding met de Unie-administratie impliceert. In dit verband heeft het Gerecht eraan herinnerd dat het reeds had geoordeeld dat een arbeidsverhouding tussen een personeelslid en de Unie-administratie zelfs na de ondertekening van een nieuwe overeenkomst die formeel losstaat van de oorspronkelijke overeenkomst, ongewijzigd kan blijven, mits de laatst gesloten overeenkomst de werkzaamheden van dat personeelslid, met name de functiegroep, niet substantieel wijzigt op een manier die twijfel doet rijzen over de functionele continuïteit van zijn arbeidsverhouding met de Unie-administratie. ( 7 )

27.

Het Gerecht heeft hieruit allereerst de conclusie getrokken dat de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut alleen van toepassing zijn op de andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst waren en die na die datum op grond van een overeenkomst in dienst blijven, totdat hun positie voor de berekening van de pensioenrechten is onderzocht.

28.

Vervolgens heeft het Gerecht in de punten 85 tot en met 93 van het bestreden arrest de consequenties uit deze vaststellingen voor de situatie van rekwirant getrokken. Meer bepaald heeft het Gerecht, na onderzoek van de door rekwirant met de Commissie gesloten overeenkomsten en van de kenmerken van de posten waarin hij was aangesteld, vastgesteld dat de wijziging van functiegroep twijfel had doen rijzen over de functionele continuïteit van zijn arbeidsverhouding met de Unie-administratie. Het Gerecht heeft daaruit afgeleid dat de overeenkomst van 16 mei 2014 had geleid tot de beëindiging van alle gevolgen van de overeenkomst van 2008 op basis waarvan rekwirant „op 31 december 2013 in dienst” was in de zin van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP, en dientengevolge tot een verbreking van de arbeidsverhouding tussen hem en de Unie-administratie. Aldus heeft het Gerecht vastgesteld dat de overeenkomst van 16 mei 2014 voor de toepassing van die bepaling tot een nieuwe indiensttreding had geleid, waardoor rekwirant niet in aanmerking kwam voor de overgangsbepalingen betreffende het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd.

29.

Ten slotte heeft het Gerecht opgemerkt dat aan deze conclusie niet kan worden afgedaan door, onder meer, het argument van rekwirant dat een nieuwe overeenkomst niet in de weg staat aan deze overgangsbepalingen, aangezien deze geen onderbreking van de aansluiting bij en de bijdragebetaling aan de pensioenregeling van de Unie met zich brengt. Volgens het Gerecht hangt de toepassing van die bepalingen op de andere personeelsleden niet af van de vermeende ononderbroken aansluiting bij de pensioenregeling van de Unie, maar wel van de functionele continuïteit van de arbeidsverhouding, zoals in punt 81 van het bestreden arrest is vastgesteld.

V. Conclusies van partijen

30.

Rekwirant verzoekt het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

het antwoord van 4 januari 2016 en, voor zover nodig, het afwijzende besluit van 25 juli 2016 nietig te verklaren, en

de Commissie te verwijzen in de kosten van beide procedures.

31.

De Commissie verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen, en

rekwirant te verwijzen in de kosten.

VI. Hogere voorziening

A.   Ontvankelijkheid van de hogere voorziening

1. Argumenten van partijen

32.

Volgens de Commissie is de hogere voorziening niet-ontvankelijk omdat rekwirant in strijd met artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet nauwkeurig aangeeft tegen welke punten van het arrest hij opkomt.

33.

Deze instelling merkt op dat rekwirant het bestreden arrest bekritiseert voor zover het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in punt 90 van dat arrest te oordelen dat een personeelslid als gevolg van het sluiten van een nieuwe overeenkomst, op 31 december 2013 niet meer „in dienst” was in de zin van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP. De Commissie leidt daaruit af dat deze verwijzing naar één enkel punt van het bestreden arrest niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

34.

Rekwirant betoogt dat hij er in de punten 25 en 26 van zijn hogere voorziening op heeft gewezen dat het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en dat hij kritiek heeft geleverd op de uitlegging die het Gerecht aan artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP heeft gegeven.

2. Beoordeling

35.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof volgt uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat in een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid, nauwkeurig moet worden aangegeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij gericht is en welke juridische argumenten die vordering specifiek staven. ( 8 )

36.

Ik stel echter vast dat rekwirant in de punten 24 en volgende van zijn hogere voorziening betoogt dat het Gerecht in punt 81 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP door te oordelen dat de overgangsbepalingen alleen op de andere personeelsleden van toepassing kunnen blijven voor zover zij geen nieuwe overeenkomst sluiten of, wanneer zij wel een nieuwe overeenkomst sluiten, in wezen dezelfde werkzaamheden blijven uitoefenen.

37.

Bovendien bekritiseert rekwirant in zijn hogere voorziening de motivering in punt 90 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht zich uitdrukkelijk op de uitlegging van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP in punt 81 van dat arrest heeft gebaseerd om te oordelen dat de overeenkomst van 16 mei 2014 had geleid tot de beëindiging van alle gevolgen van de overeenkomst van 2008 en dientengevolge tot een verbreking van de arbeidsverhouding met de Unie-administratie.

38.

Uit het voorgaande volgt dat rekwirant aan de vereisten van artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof heeft voldaan door voldoende nauwkeurig aan te geven tegen welke elementen van de door het Gerecht gevolgde redenering hij opkomt en welke onjuiste rechtsopvatting hij ter ondersteuning van zijn hogere voorziening wil aanvoeren.

39.

Ik kom tot de slotsom dat de hogere voorziening ontvankelijk is.

B.   Enig middel

1. Argumenten van partijen

40.

Tot staving van dit middel, dat is ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP, voert rekwirant aan dat het Gerecht de werkingssfeer van die bepaling heeft miskend door geen rekening te houden met de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen, noch met het bij het Statuut en de RAP ingevoerde stelsel op het specifieke gebied van de pensioenregeling van de Unie. In dit verband betoogt rekwirant dat, zoals het Gerecht in het arrest Torné heeft geoordeeld, de toepassing ratione temporis van de overgangsbepalingen afhangt van de voortzetting van de aansluiting bij de pensioenregeling en de continuïteit van de betaling van bijdragen aan die regeling.

41.

Voorts betoogt rekwirant dat het Gerecht met zijn oordeel dat de overeenkomst tot een verbreking van de arbeidsverhouding met de Unie-administratie had geleid, is voorbijgegaan aan de in artikel 86, lid 2, RAP erkende continuïteit van deze verhouding vanuit het oogpunt van de ontwikkeling van de bezoldiging. Ten slotte merkt hij op dat de Uniewetgever in artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP voor de andere personeelsleden het begrip „in dienst” heeft gebruikt, terwijl in de artikelen 4 en 5 van dezelfde bijlage uitdrukkelijk de bewoording „lopende overeenkomsten” is gebruikt. Rekwirant leidt hieruit af dat de Uniewetgever de werkingssfeer van de overgangsbepalingen niet heeft willen beperken tot lopende overeenkomsten.

42.

De Commissie voert aan dat er slechts sprake is van overeenstemming met de situatie van ambtenaren wanneer het andere personeelslid geen nieuwe overeenkomst ondertekent die het begin van een nieuwe arbeidsverhouding impliceert. Voorts stelt zij dat rekwirant zich niet met succes op het arrest Torné kan beroepen, aangezien dit arrest geen betrekking had op de uitlegging van de bepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP, maar op de voorwaarden voor toepassing van de bepalingen van de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut op een ambtenaar die uitsluitend op basis van het oorspronkelijke aanstellingsbesluit in dienst bleef. Dienaangaande wijst deze instelling erop dat de situatie van een ambtenaar niet vergelijkbaar is met die van een arbeidscontractant, aangezien laatstgenoemde in dienst blijft zolang de overeenkomst van kracht is. Het Gerecht heeft een gedetailleerde feitelijke analyse verricht waaruit het heeft afgeleid dat er geen sprake is van continuïteit tussen de in 2008 gesloten overeenkomst en de overeenkomst van 16 mei 2014.

43.

De Commissie betoogt tevens dat de door rekwirant aangevoerde bepalingen van artikel 86, RAP geen invloed hebben op de uitlegging van de in artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP gebruikte bewoordingen „op 31 december 2013 in dienst zijn”. Ten slotte wordt het verschil in terminologie tussen laatstgenoemd artikel en de artikelen 4 en 5 van de bijlage bij de RAP volgens deze instelling verklaard doordat deze bepalingen een ander voorwerp hebben. Artikel 1 heeft namelijk betrekking op de toepassing van overgangsbepalingen en de artikelen 4 en 5 betreffen de verlenging van overeenkomsten.

2. Beoordeling

a) Opmerkingen vooraf

44.

De wijzigingen van het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd die bij verordening nr. 1023/2013 zijn ingevoerd, zijn ingegeven door de doelstelling om het actuariële evenwicht van de pensioenregeling te handhaven en rekening te houden met de ontwikkelingen van de demografische samenstelling van het personeel van de instellingen van de Unie. ( 9 ) Niettemin heeft de Uniewetgever in de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut voor ambtenaren die vóór 1 januari 2014 in dienst zijn getreden, een overgangsregeling ingevoerd op grond waarvan zij het in de eerdere teksten vastgestelde pensioenopbouwpercentage konden behouden en waarbij de leeftijd waarop de ambtenaar recht op een ouderdomspensioen heeft, geleidelijk werd vastgesteld. Overeenkomstig artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP zijn „[a]rtikel 21 [en] artikel 22, met uitzondering van lid 4, […] van [die] bijlage […] van overeenkomstige toepassing op andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst zijn”.

45.

Teneinde de betekenis en de strekking van deze overeenstemming tussen ambtenaren en andere personeelsleden, die onder de RAP vallen, vast te stellen, heeft het Gerecht de specifieke kenmerken van elk van deze personeelscategorieën onderzocht. Meer bepaald is in het bestreden arrest in wezen geoordeeld dat een ambtenaar in dienst van de Unie-administratie treedt en blijft op basis van een statutaire band die wordt gevormd door een aanstellingsbesluit dat tot aan de beëindiging van zijn dienst ongewijzigd blijft, terwijl een arbeidscontractant in dienst treedt en blijft op basis van een contractuele band. Op basis van dit onderscheid heeft het Gerecht geoordeeld dat de overgangsbepalingen naar analogie van toepassing zijn op de andere personeelsleden die op 31 december 2013 in dienst waren en die na die datum in dienst blijven, hetzij op grond van de eerder gesloten overeenkomst, hetzij op grond van een nieuwe overeenkomst wanneer deze geen onderbreking van de werkzaamheden van het personeelslid inhoudt.

46.

Met andere woorden, het Gerecht heeft beslist dat voor arbeidscontractanten het criterium van de wezenlijke continuïteit van de werkzaamheden doorslaggevend was voor de toepassing ratione temporis van de overgangsbepalingen van verordening nr. 1023/2013.

47.

Het komt mij echter voor dat deze uitlegging, die in wezen is gebaseerd op het verschil tussen het Statuut en de RAP, geen volledige afspiegeling kan vormen van de betekenis en de strekking van de bepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP.

48.

In dit verband herinner ik eraan dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met haar bewoordingen, maar ook met haar context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 10 )

49.

Dienaangaande merk ik op dat het begrip „in dienst zijn” niet wordt omschreven met betrekking tot de overgangsbepalingen van de RAP. Bovendien is het woord „overeenkomstige” ( 11 ) (analogie in de Franse taalversie), dat in het Frans doorgaans wordt gedefinieerd als „een soort verband, een gelijkenis in fysieke, intellectuele of morele zin die twee of meer verschillende zaken in bepaalde opzichten vertonen” ( 12 ) op zich niet voldoende significant om de uitlegging van de overgangsbepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP te schragen.

50.

Voor de analyse van deze overgangsbepalingen moet dus worden uitgegaan van teleologische en contextuele uitleggingsmethoden.

b) Teleologische uitlegging

51.

Bij de aanpassing van de pensioenregeling voor ambtenaren en andere personeelsleden heeft de Uniewetgever deze hervorming willen combineren met aanvullende maatregelen waarbij de eerder door het personeel verworven pensioenrechten in aanmerking werden genomen. ( 13 ) Deze doelstelling komt expliciet tot uitdrukking in overweging 29 van verordening nr. 1023/2013, die als volgt luidt: „Er moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de nieuwe regels en maatregelen geleidelijk worden toegepast, terwijl de verworven rechten en legitieme verwachtingen van de personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van deze wijzigingen van het statuut in dienst zijn getreden, worden geëerbiedigd.”

52.

Deze overweging lijkt mij een relevante factor te zijn bij de uitlegging van de overgangsbepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP.

53.

In dit verband merk ik om te beginnen op dat die overweging, die volgt na de uiteenzetting van alle wijzigingen die bij verordening nr. 1023/2013 in het Statuut en de RAP zijn aangebracht, duidelijk betrekking heeft op alle overgangsbepalingen van die verordening, waaronder die betreffende ouderdomspensioenen. Vervolgens merk ik op dat uit het gebruik van de algemene bewoordingen „personeelsleden die […] in dienst zijn getreden” volgt dat de Uniewetgever met betrekking tot de in dezelfde overweging genoemde doelstellingen geen onderscheid heeft gemaakt tussen ambtenaren en andere personeelsleden, die onder de RAP vallen.

54.

Hieruit leid ik af dat artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP, net als de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut, moet worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen die verband houden met de eerbiediging van de verworven rechten en legitieme verwachtingen van de andere personeelsleden van de Unie die vóór 1 januari 2014 in dienst waren. ( 14 )

55.

Met deze benadering kunnen de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen weliswaar beter worden afgebakend, maar zij kan niet los worden gezien van de analyse van de algemene opzet van de pensioenregeling waarvan de overgangsbepalingen deel uitmaken.

c) Contextuele uitlegging

56.

De uitkeringen krachtens de pensioenregeling zijn omschreven in titel V, hoofdstuk 3, van het Statuut en in bijlage VIII bij het Statuut. Op grond van die bepalingen is in artikel 83, lid 1, van dat Statuut bepaald dat de uitkeringen krachtens de pensioenregeling ten laste komen van de begroting van de Unie en dat de lidstaten gezamenlijk de uitbetaling van deze uitkeringen waarborgen. Voorts zijn in artikel 83 bis en in bijlage XII van het Statuut de actuariële regels vastgesteld voor de berekening van de bijdrage waardoor het evenwicht van de pensioenregeling kan worden gewaarborgd.

57.

De pensioenregeling voor arbeidscontractanten is vastgelegd in de artikelen 109 en 110 RAP. In artikel 109, lid 1, eerste zin, RAP is het volgende bepaald: „Bij beëindiging van de dienst heeft de arbeidscontractant recht op een ouderdomspensioen, op overschrijving van de actuariële tegenwaarde of op een uitkering bij vertrek onder de voorwaarden vastgesteld in titel V, hoofdstuk 3, van het Statuut […].”

58.

Uit de bewoordingen van deze bepalingen volgt dus dat voor de pensioenregelingen van ambtenaren en arbeidscontractanten gemeenschappelijke regels gelden.

59.

Schematisch wordt de in die teksten omschreven pensioenregeling opgevat als een fictief fonds met vastgestelde uitkeringen, waarin de bijdragen van het personeel dienen ter financiering van hun toekomstige pensioenen. Deze bijdragen dekken de kosten van de in een bepaald jaar verworven pensioenrechten en zijn op geen enkele wijze gekoppeld aan de uitgaven voor pensioenuitkeringen in dat jaar.

60.

De werking van dit fonds berust op het beginsel van het actuariële evenwicht, op grond waarvan de bijdragen van het personeel overeenkomstig artikel 83, lid 2, van het Statuut een derde beslaan van de in het betrokken jaar verworven rechten, die overeenkomen met de pensioenen die na hun pensionering aan ambtenaren moeten worden uitgekeerd. ( 15 ) De door de ambtenaren betaalde bijdragen worden overeenkomstig bijlage XII bij het Statuut regelmatig geëvalueerd om te waarborgen dat hiermee een derde van de kosten van de regeling wordt gefinancierd. ( 16 )

61.

Uit het voorgaande volgt dat zowel voor de onder het Statuut vallende ambtenaren als voor de andere personeelsleden die onder de RAP vallen, de ouderdomspensioenregeling van de personeelsleden van de Unie berust op de betaling door die personeelsleden van een geactualiseerde bijdrage die tot gevolg heeft dat voor een bepaald jaar pensioenrechten ontstaan. Mijns inziens kan het bestaan van een dergelijke gemeenschappelijke regeling, die is gebaseerd op de betaling van bijdragen, een licht werpen op de uitlegging van de term „overeenkomstige” in artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP.

62.

Tegen de achtergrond van dit artikel ben ik namelijk van mening dat de overeenkomstige toepassing van de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut niet kan worden gekoppeld aan de voorwaarde dat er een wezenlijke continuïteit van de door de arbeidscontractant verrichte werkzaamheden moet zijn vastgesteld. Mij komt het juist voor dat deze toepassing, zoals zij moet worden begrepen in het licht van het op bijdragen berustende stelsel dat de Uniewetgever voor ambtenaren en andere, onder de RAP vallende personeelsleden heeft opgezet, moet berusten op een criterium van continuïteit van aansluiting bij de pensioenregeling.

63.

Hieruit leid ik af dat een arbeidscontractant die vóór 31 december 2013 is aangeworven en die, ongeacht het feit dat hij na die datum een overeenkomst heeft gesloten waarbij zijn werkzaamheden substantieel zijn gewijzigd, zijn aansluiting bij de pensioenregeling van de Unie heeft gehandhaafd en bijdragen aan die regeling is blijven betalen, moet worden geacht „op 31 december 2013 in dienst” te zijn in de zin van de overgangsbepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP.

64.

Ik voeg hieraan toe dat alleen deze uitlegging de betekenis en de strekking van de bepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP kan weerspiegelen, aangezien een arbeidscontractant daarmee in een situatie kan worden geplaatst die overeenstemt met die van een ambtenaar die vóór 1 januari 2014 in dienst is getreden en bijdragen aan de pensioenregeling is blijven betalen, en dus in aanmerking komt voor de overgangsbepalingen van de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut. ( 17 )

65.

Bovendien kan aan de analyse die ik het Hof in overweging geef te volgen, geen afbreuk worden gedaan door de verwijzing naar het arrest EMA/Drakeford in punt 81 van het bestreden arrest. Zoals Picard terecht opmerkt, heeft dit arrest namelijk betrekking op de in artikel 8, lid 1, RAP vastgestelde herkwalificatie van overeenkomsten voor bepaalde tijd die achtereenvolgens met tijdelijke functionarissen zijn gesloten. In een dergelijke situatie heeft het Gerecht zich gebaseerd op het criterium van de wezenlijke continuïteit van de door een tijdelijk functionaris uitgeoefende werkzaamheden om na te gaan of de administratie, onder het mom van verlenging van overeenkomsten voor bepaalde tijd, niet de bedoeling had om in een vast ambt te voorzien. Deze oplossing, die berust op de opzet van de bepalingen van artikel 8, lid 1, RAP, lijkt mij niet van belang voor de uitlegging van de overgangsbepalingen voor ouderdomspensioenen van verordening nr. 1023/2013.

66.

Gelet op al het voorgaande ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het beroep tot nietigverklaring van het antwoord van 4 januari 2016 te verwerpen op grond dat de overgangsbepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP van overeenkomstige toepassing zijn op arbeidscontractanten die op 31 december 2013 in dienst waren en die na die datum in dienst blijven op grond van een overeenkomst die geen onderbreking in de arbeidsverhouding meebrengt.

67.

Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om te oordelen dat het enige middel gegrond is en om het bestreden arrest derhalve te vernietigen.

VII. Beroep bij het Gerecht

68.

Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, wanneer het de beslissing van het Gerecht in geval van gegrondheid van de hogere voorziening vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is, dan wel haar voor afdoening terugverwijzen naar het Gerecht.

69.

In dit verband herinner ik eraan dat de Commissie voor het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep heeft opgeworpen die gebaseerd is op het ontbreken van een bezwarend besluit in de zin van artikel 90 van het Statuut. Op grond van vaste rechtspraak van het Hof ( 18 ) heeft het Gerecht beslist dat om redenen van proceseconomie meteen de door rekwirant aangevoerde middelen moesten worden onderzocht, zonder eerst uitspraak te doen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, aangezien het beroep hoe dan ook ongegrond was. Hieruit volgt dat het Hof, om zich over het gehele geding te kunnen uitspreken, eerst uitspraak moet doen over de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid en vervolgens, in voorkomend geval, de gegrondheid van het verzoek van rekwirant moet onderzoeken.

70.

Het komt mij voor dat het Hof zich over al deze punten kan uitspreken, aangezien de voor de beslissing noodzakelijke uiteenzetting van de feiten volledig en toereikend lijkt en de elementen van het geding op tegenspraak zijn behandeld voor het Gerecht ( 19 ) en het Hof. Ik voeg hieraan toe dat het in het belang is van rekwirant, die de zaak op 7 november 2016 bij het Gerecht aanhangig heeft gemaakt, om snel een rechterlijke beslissing te verkrijgen.

A.   Ontvankelijkheid van het beroep

1. Argumenten van partijen

71.

Ter ondersteuning van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid voert de Commissie aan dat het antwoord van 4 januari 2016 in de vorm van een e-mail niet kan worden opgevat als een bezwarend besluit, aangezien het slechts tot doel heeft rekwirant inlichtingen te verschaffen over een bepaling in het Statuut. In dit verband merkt zij op dat dit antwoord de waarschuwing bevatte dat het bericht louter ter informatie was bedoeld. Zij voegt daaraan toe dat aan het antwoord van 4 januari 2016, dat slechts zeer kort na het verzoek door een collega van rekwirant was verzonden, geen onderzoek was voorafgegaan, terwijl dat wel het geval moet zijn voor de vaststelling van een bezwarend besluit.

72.

De Commissie betoogt eveneens dat de bepalingen van het Statuut betreffende het opbouwpercentage van de ouderdomspensioenrechten en de pensioenleeftijd pas op de datum van pensionering van een personeelslid concreet effect zullen sorteren. Volgens haar kan rekwirant niet verlangen dat bepaalde elementen van zijn pensioenrechten voortijdig worden vastgesteld, temeer daar deze bepalingen tot aan de datum van zijn pensionering nog kunnen worden gewijzigd. De Commissie leidt hieruit af dat het definitieve besluit dat bij zijn pensionering zal worden genomen, de enige handeling vormt die voor Picard bezwarend kan zijn.

73.

Picard betoogt daarentegen dat de administratie verplicht was om de elementen voor de berekening van zijn pensioen vooraf vast te stellen, aangezien deze reeds bekend waren en op het tijdstip waarop hij zijn verzoek had ingediend, niet meer konden worden gewijzigd. Voorts stelt hij dat het antwoord van 4 januari 2016 zijn pensioenrechten onmiddellijk en rechtstreeks heeft aangetast, zodat hij een legitiem, bestaand en daadwerkelijk belang had bij de gerechtelijke vaststelling van een onzeker element van zijn situatie.

74.

Rekwirant beklemtoont eveneens dat het Gerecht in het arrest Torné heeft geoordeeld dat de bepalingen van het Statuut aldus moeten worden uitgelegd dat zij de betrokken instelling impliciet verplichten om onmiddellijk een besluit te nemen zonder de definitieve beëindiging van de dienst van de betrokkene af te wachten. Hij merkt tevens op dat het Gerecht in punt 49 van dat arrest heeft geoordeeld dat de litigieuze nota waarin de datum van indiensttreding van verzoekster werd vastgesteld voor haar bezwarend was, en niet de toepassing ervan in het kader van de berekening van haar pensioenrechten bij de vaststelling ervan op het tijdstip van haar pensionering.

2. Beoordeling

75.

Vast staat dat Picard op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht heeft ingediend tegen het antwoord van 4 januari 2016. Volgens het besluit van 25 juli 2016 van het DG Personele Middelen heeft het TAOBG de bij hem ingediende klacht afgewezen, primair omdat deze wegens het ontbreken van een bezwarend besluit niet-ontvankelijk was, en subsidiair omdat deze ongegrond was.

76.

Bij het Gerecht heeft Picard beroep ingesteld tot nietigverklaring van het antwoord van 4 januari 2016 en „voor zover nodig” van het afwijzende besluit van 25 juli 2016.

77.

Uit artikel 90, lid 2, van het Statuut volgt dat een ambtenaar een besluit van de instellingen slechts kan betwisten indien hij zich daardoor bezwaard acht. In artikel 91, lid 1, van het Statuut is in wezen bepaald dat het beroep in rechte ook pas ontvankelijk is indien deze voorwaarde is vervuld. Voorts zijn de in het Statuut vastgelegde bepalingen inzake verzoeken en beroep, met inbegrip van die welke ik hierboven heb aangehaald, volgens artikel 117 RAP van overeenkomstige toepassing op arbeidscontractanten.

78.

Hieruit volgt dat voor de vaststelling of het beroep van Picard ontvankelijk is, dient te worden nagegaan of het antwoord van 4 januari 2016 een bezwarend besluit in de zin van voornoemde bepalingen vormt.

79.

Op dit punt wijs ik erop dat volgens vaste rechtspraak van het Hof alleen handelingen of maatregelen die bindende rechtsgevolgen teweegbrengen die de belangen van de verzoeker rechtstreeks en onmiddellijk raken doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, bezwarend worden geacht en vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring. ( 20 ) Deze definitie van een bezwarend besluit op het gebied van het ambtenarenrecht is overigens dezelfde als de door het Hof geformuleerde omschrijving van „voor beroep vatbare handelingen” in de zin van artikel 263 VWEU ( 21 ), zodat de rechtspraak inzake dit artikel mutatis mutandis op het onderhavige geval kan worden toegepast.

80.

Om vast te stellen of een handeling dergelijke bindende rechtsgevolgen sorteert, moet worden gekeken naar de essentie van deze handeling en moeten de gevolgen ervan worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening moet worden gehouden met de context waarin deze is vastgesteld en met de bevoegdheden van de instelling die de handeling heeft vastgesteld. ( 22 )

81.

Overigens volgt uit de rechtspraak van het Hof dat voorbereidende handelingen, handelingen die louter uitvoering behelzen, gewone aanbevelingen en adviezen alsook, in beginsel, interne instructies, niet worden beschouwd als handelingen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen. ( 23 )

82.

Uit deze overwegingen volgt dat alleen de essentie van een handeling hoeft te worden onderzocht om vast te stellen of zij bezwarend is, en dat de vorm van die handeling van weinig belang is. ( 24 ) Ik leid hieruit af dat in het onderhavige geval de enkele omstandigheid dat het antwoord van 4 januari 2016 in de vorm van een e-mail is gegeven, niet volstaat om de kwalificatie als bezwarend besluit uit te sluiten en dat het nog steeds nodig is om de inhoud ervan te onderzoeken teneinde de juridische aard ervan te bepalen.

83.

Dienaangaande stel ik op basis van de feiten van het geding vast dat Picard op 4 januari 2016 een e-mail aan de manager van de afdeling Pensioenen van eenheid 4 van het PMO heeft gestuurd met de vraag of zijn pensioenrechten waren gewijzigd als gevolg van de ondertekening van de overeenkomst van 16 mei 2014.

84.

Op dezelfde dag heeft deze manager Picard per e-mail geantwoord dat zijn pensioenrechten „[waren] gewijzigd als gevolg van de wijziging van de overeenkomst”, zodat „de normale pensioenleeftijd en het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage met ingang van 1 juni 2014 op respectievelijk 66 jaar en 1,8 % [waren] gebracht”. De auteur van de e-mail heeft het bericht als volgt afgesloten: „Ik hoop dat deze informatie voor u van nut zal zijn.”

85.

Mijns inziens volgt uit deze omstandigheden dat deze e-mail van 4 januari 2016, afgezien van het daarin opgenomen semantische voorbehoud, gelet op de inhoud ervan, niet louter informatief van aard kan worden geacht. In dit verband stel ik vast dat de manager van de afdeling Pensioenen van eenheid 4 van het PMO een verzoek om precieze inlichtingen van de heer Picard heeft ontvangen en hem in die hoedanigheid heeft geantwoord door hem even precies mee te delen dat zijn pensioenleeftijd als gevolg van de sluiting van een nieuwe overeenkomst naar 66 jaar was verhoogd en dat het opbouwpercentage van zijn pensioenrechten was verlaagd.

86.

Deze analyse volstaat echter niet om het beroep van Picard ontvankelijk te verklaren. Voor de beantwoording van de argumenten van de Commissie moet nog worden vastgesteld of het antwoord van 4 januari 2016 bezwarend kan worden geacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, dan wel of alleen het besluit waarbij de pensioenrechten van Picard op de datum van zijn pensionering definitief worden vastgesteld, voor beroep vatbaar is.

87.

Op dit punt blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat tussenmaatregelen, voor zover zij een voorlopig standpunt van een instelling uitdrukken, in beginsel geen handelingen vormen waartegen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. ( 25 ) In een dergelijke situatie kunnen de eventuele gebreken van die tussenmaatregelen namelijk worden aangevoerd tot staving van het beroep tegen de definitieve handeling. ( 26 )

88.

De constatering dat een handeling van een instelling een tussenmaatregel is die niet het definitieve standpunt van een instelling uitdrukt, kan echter niet volstaan om stelselmatig vast te stellen dat die handeling geen „voor beroep vatbare handeling” vormt. Zo kan tegen een tussenhandeling die autonome rechtsgevolgen in het leven roept wel beroep tot nietigverklaring worden ingesteld, voor zover de aan die handeling klevende onrechtmatigheid niet kan worden weggenomen in het kader van een beroep tegen het definitieve besluit ter voorbereiding waarvan zij is vastgesteld. Hieruit volgt dat wanneer de betwisting van de rechtmatigheid van een tussenhandeling in het kader van een dergelijk beroep de verzoeker geen effectieve rechterlijke bescherming tegen de gevolgen van deze handeling kan waarborgen, tegen die handeling bijgevolg een beroep tot nietigverklaring moet kunnen worden ingesteld. ( 27 )

89.

Deze rechtspraak kan mijns inziens in casu worden toegepast om na te gaan of tegen het antwoord van 4 januari 2016 een beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld. In dit verband merk ik op dat Picard in dit antwoord onder meer wordt meegedeeld dat zijn pensioenleeftijd als gevolg van de wijziging van zijn overeenkomst op 66 jaar komt te liggen. Indien rekwirant de in dat antwoord vermelde leeftijd zou moeten afwachten om met pensioen te gaan en het op die datum genomen definitieve besluit tot vaststelling van zijn ouderdomspensioenrechten aan te vechten, zou hem elke doeltreffende voorziening in rechte worden ontnomen om te kunnen stellen dat hij op grond van de overgangsbepalingen van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP reeds vanaf de leeftijd van 63 jaar recht op een ouderdomspensioen had moeten hebben.

90.

Hieruit volgt dat het antwoord van 4 januari 2016 autonome rechtsgevolgen sorteert, aangezien het onomkeerbare gevolgen kan hebben die de rechtspositie van Picard rechtstreeks en onmiddellijk raken en die niet ongedaan kunnen worden gemaakt door de instelling van een beroep tegen het definitieve besluit dat op het moment van zijn pensionering wordt vastgesteld.

91.

In die omstandigheden ben ik van mening dat dit antwoord moet worden aangemerkt als een bezwarend besluit in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, omdat Picard anders een effectieve rechterlijke bescherming wordt ontzegd.

92.

Gelet op de voorgaande overwegingen ben ik dan ook van mening dat het beroep van Picard ontvankelijk moet worden geacht.

B.   Gegrondheid van het beroep

93.

Indien het Hof de redenering volgt die ik bij het onderzoek van het enige middel in overweging heb gegeven, moet het beroep van Picard worden toegewezen. Uit het dossier blijkt immers dat rekwirant sinds 1 juli 2008, de datum van zijn aanvankelijke aanstelling als arbeidscontractant, ononderbroken in dienst van de Unie heeft gewerkt en aan de pensioenregeling is blijven bijdragen.

94.

Hieruit volgt dat Picard moet worden geacht op 31 december 2013 in dienst te zijn geweest in de zin van artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP en derhalve in aanmerking moet komen voor handhaving van het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage en de pensioenleeftijd onder de voorwaarden en nadere regels als bedoeld in de overgangsbepalingen van verordening nr. 1023/2013.

95.

Bijgevolg geef ik het Hof in overweging het antwoord van 4 januari 2016 en het afwijzende besluit van 25 juli 2016 nietig te verklaren.

VIII. Kosten

96.

Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet.

97.

Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

98.

In de onderhavige zaak heeft rekwirant het Hof verzocht om na de behandeling van de zaak zijn in eerste aanleg geformuleerde vorderingen toe te wijzen en de Commissie te verwijzen in de kosten van beide procedures.

99.

Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van Picard te worden verwezen in haar eigen kosten in beide procedures en in die van rekwirant voor het Hof en het Gerecht.

IX. Conclusie

100.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging:

1)

het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 24 maart 2021, Picard/Commissie (T‑769/16, EU:T:2021:153), te vernietigen;

2)

de door de Europese Commissie bij het Gerecht opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep van Picard te verwerpen;

3)

het antwoord van 4 januari 2016 van de manager van de afdeling Pensioenen van eenheid 4 van het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten, volgens hetwelk de pensioenleeftijd en het jaarlijkse pensioenopbouwpercentage van Picard met ingang van 1 juni 2014 op respectievelijk 66 jaar en 1,8 % waren gebracht, nietig te verklaren;

4)

het besluit van 25 juli 2016 van de directeur van directie E van het directoraat-generaal Personele Middelen van de Commissie, in zijn hoedanigheid van tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag, houdende afwijzing van de klacht die Picard tegen het antwoord van 4 januari 2016 had ingediend, nietig te verklaren;

5)

de Europese Commissie te verwijzen in haar eigen kosten in beide procedures en in die van rekwirant voor het Hof en het Gerecht.


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) PB 2013, L 287, blz. 15.

( 3 ) De leeftijd van rekwirant op die datum.

( 4 ) Arrest van 14 december 2018 (T‑128/17, EU:T:2018:969; hierna „arrest Torné”).

( 5 ) Daartoe heeft het Gerecht zich gebaseerd op de arresten van 26 februari 2002, Raad/Boehringer (C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punten 5052), en 13 januari 2017, Deza/ECHA (T‑189/14, EU:T:2017:4, punt 26).

( 6 ) Met uitzondering van lid 4 van dit artikel 22.

( 7 ) Daartoe heeft het Gerecht verwezen naar het arrest van 16 september 2015, EMA/Drakeford (T‑231/14 P, EU:T:2015:639, punt 40; hierna: „arrest EMA/Drakeford”).

( 8 ) Arrest van 24 maart 2022, GVN/Commissie (C‑666/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:225, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 9 ) Deze doelstellingen, die reeds in de toelichting bij het voorstel voor een verordening van de Commissie (PB 2012, C 102, blz. 19) waren opgenomen, worden uiteengezet in de overwegingen 14 en 15 van verordening nr. 1023/2013.

( 10 ) Zie in die zin arrest van 3 maart 2022, WV/EDEO (C‑162/20 P, EU:C:2022:153, punt 92 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 11 ) Deze term is ook terug te vinden in andere talen, waaronder het Duits (sinngemäß), het Ests (analoogia), het Spaans (analogía), het Italiaans „analogia) en het Pools (analogii).

( 12 ) Dit is de definitie uit de achtste editie (Parijs, 1935) van de Dictionnaire de l’Académie française. In de Dictionnaire Larousse (Parijs, 1977) wordt „analogie” als volgt omschreven: „verband of gelijkenis tussen twee zaken”.

( 13 ) Deze wens om de rechten te eerbiedigen die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen zijn verworven, was overigens reeds uiteengezet in de toelichting bij het voorstel voor een verordening van de Commissie (PB 2012, C 102, blz. 19).

( 14 ) Een dergelijke uitlegging lijkt mij overigens niet in tegenspraak met het feit dat in overweging 29 van verordening nr. 1023/2013 enkel de term „Statuut” wordt gebruikt, aangezien de overgangsbepalingen in artikel 1, lid 1, van de bijlage bij de RAP rechtstreeks naar de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut verwijzen.

( 15 ) De overige twee derde van de bijdrage aan de pensioenregeling vormt een schuld aan het personeel die uit de begroting van de Unie moet worden betaald wanneer personeelsleden met pensioen gaan.

( 16 ) Zie voor een overzicht van het stelsel waarop de ouderdomspensioenregeling voor ambtenaren en arbeidscontractanten van de Unie is gebaseerd: Pilorge-Vrancken, J., Droit de la fonction publique de l’Union européenne, Bruylant, Éditions juridiques, 2017, blz. 151 e.v. alsook blz. 254.

( 17 ) In dit verband merk ik op dat het Gerecht zijn uitlegging van de artikelen 21 en 22 van bijlage XIII bij het Statuut in het arrest Torné hoofdzakelijk heeft gebaseerd op het criterium van de continuïteit van aansluiting van de ambtenaar sinds haar indiensttreding.

( 18 ) Zie in die zin arresten van 26 februari 2002, Raad/Boehringer (C‑23/00 P, EU:C:2002:118, punten 5052), en 21 december 2016, Club Hotel Loutraki e.a./Commissie (C‑131/15 P, EU:C:2016:989, punten 67 en 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 19 ) In dit verband merk ik op dat de ontvankelijkheid van het door Picard ingestelde beroep voor het Gerecht uitvoerig is besproken, zoals blijkt uit de bij het Gerecht ingediende memories van partijen en uit de transcriptie van de terechtzitting voor deze rechterlijke instantie.

( 20 ) Zie in die zin arrest van 14 oktober 2021, KF/CSUE (C‑464/20 P, EU:C:2021:848, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 21 ) Zie met betrekking tot de definitie van „voor beroep vatbare handelingen” in de zin van artikel 263 VWEU arresten van 25 februari 2021, VodafoneZiggo Group/Commissie (C‑689/19 P, EU:C:2021:142, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 22 april 2021, thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie (C‑572/18 P, EU:C:2021:317, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 22 ) Zie arrest van 6 oktober 2021, Poggiolini/Parlement (C‑408/20 P, EU:C:2021:806, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 23 ) Zie arrest van 22 april 2021, thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie (C‑572/18 P, EU:C:2021:317, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 24 ) Zo kan uit een maandelijkse salarisafrekening blijken dat er sprake is van een besluit. Zie in die zin arresten van 15 juni 1976, Wack/Commissie (1/76, EU:C:1976:91, punt 5), en 30 september 1986, Delhez e.a./Commissie (264/83, EU:C:1986:344, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Volgens dezelfde logica wordt een mondeling onderhoud waarin het tot aanstelling bevoegd gezag zijn besluit kenbaar maakt om de procedure tot aanstelling van een ambtenaar in een functie niet voort te zetten, als een bezwarend besluit aangemerkt. Zie in die zin arrest van 9 februari 1984, Kohler/Rekenkamer (316/82, EU:C:1984:49, punten 913).

( 25 ) Zie in die zin arrest van 3 juni 2021, Hongarije/Parlement (C‑650/18, EU:C:2021:426, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 26 ) Zie in die zin arrest van 22 april 2021, thyssenkrupp Electrical Steel en thyssenkrupp Electrical Steel Ugo/Commissie (C‑572/18 P, EU:C:2021:317, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 27 ) Zie arrest van 6 oktober 2021, Poggiolini/Parlement (C‑408/20 P, EU:C:2021:806, punten 38 en 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

Top