This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52013PC0084
Proposal for a COUNCIL IMPLEMENTING REGULATION imposing a countervailing duty on imports of certain organic coated steel products originating in the People's Republic of China
Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een compenserend recht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China
Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een compenserend recht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China
/* COM/2013/084 final - 2013/0052 (NLE) */
Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een compenserend recht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China /* COM/2013/084 final - 2013/0052 (NLE) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn. Algemene context Dit voorstel wordt gedaan in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en procedurele eisen in de basisverordening. Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied De Commissie heeft bij Verordening (EU) nr. 845/2012 (PB L 252 van 19.9.2010, blz. 33) voorlopige antidumpingmaatregelen op deze productgroep ingesteld. Parallel voorstel tot instelling van definitieve antidumpingmaatregelen. Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de Unie Niet van toepassing. 2. RESULTATEN VAN DE RAADPLEGING VAN
BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELINGEN Raadpleging van belanghebbende partijen Bij de procedure betrokken partijen werden overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid Er hoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een volledige lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL Samenvatting van de voorgestelde maatregel Op 9 januari 2012 heeft de Commissie een antisubsidieprocedure ingeleid betreffende de invoer van bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Uit het onderzoek bleek dat er sprake was van subsidiëring van het betrokken product, waardoor de bedrijfstak van de Unie schade werd berokkend. Daarbij werd ook vastgesteld dat de instelling van antisubsidiemaatregelen niet in strijd is met het belang van de Unie. Derhalve wordt de Raad verzocht bijgevoegd voorstel voor een verordening goed te keuren teneinde definitieve antisubsidiemaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China in te stellen. Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn ("de basisverordening"). Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: De vorm van de maatregel wordt voorgeschreven in de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. Beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Unie, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, de marktdeelnemers en de burgers zo veel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel is niet van toepassing. Keuze van instrumenten Voorgesteld instrument: verordening. Andere instrumenten zouden niet geschikt zijn omdat de basisverordening niet in andere mogelijkheden voorziet. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Het voorstel heeft geen gevolgen voor de
begroting van de EU. 2013/0052 (NLE) Voorstel voor een UITVOERINGSVERORDENING VAN DE RAAD tot instelling van een compenserend recht op
bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek
China DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, Gezien Verordening (EG) nr.597/2009 van de
Raad betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen
lid van de Europese Gemeenschap zijn[1],
en met name artikel 17 daarvan, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Overwegende hetgeen volgt: 1. PROCEDURE 1.1. Opening van het onderzoek (1) Op 22 februari 2012 heeft de Europese
Commissie met een bericht ("het bericht van inleiding") in het Publicatieblad
van de Europese Unie[2] de inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de
Unie van bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de
Volksrepubliek China ("de VRC" of "het betrokken land")
aangekondigd. (2) De
antisubsidieprocedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op
9 januari 2012 was ingediend door EUROFER ("de klager") namens
producenten die in dit geval meer dan 70 % van de totale productie van
bepaalde organisch beklede staalproducten in de Unie voor hun rekening nemen.
Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal betreffende de
subsidiëring van het product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade
werd voldoende geacht om een antisubsidieprocedure in te leiden. (3) Voorafgaand aan de inleiding
van de procedure heeft de Commissie overeenkomstig artikel 10, lid 7,
van de basisverordening de Chinese overheid ("de GOC") ervan in
kennis gesteld dat zij een met bewijsmateriaal gestaafde klacht had ontvangen
dat bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de VRC met subsidiëring
werden ingevoerd en dat de bedrijfstak van de Unie hierdoor aanmerkelijke
schade leed. De GOC werd voor overleg uitgenodigd teneinde de in de klacht
omschreven situatie op te helderen om overeenstemming te bereiken over een
oplossing. De GOC heeft de uitnodiging aangenomen en het betrokken overleg
heeft vervolgens plaatsgevonden. Daarbij kon geen overeenstemming worden
bereikt. Er is evenwel nota genomen van de opmerkingen van de autoriteiten van
de GOC over de argumenten in de klacht betreffende het ontbreken van compenserende
maatregelen voor de regelingen. Na het overleg heeft de GOC opmerkingen
ingediend. 1.2. Antidumpingprocedure (4) Op 21 december 2011 had de
Europese Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese
Unie[3]
de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Unie van
bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de VRC
aangekondigd. (5) Op 20 september 2012 heeft de
Commissie bij Verordening (EU) nr. 845/2012[4]
een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde organisch beklede
staalproducten van oorsprong uit de VRC. (6) De schadeanalysen die in het
kader van dit antisubsidieonderzoek en het parallelle antidumpingonderzoek
worden uitgevoerd, zijn identiek, aangezien de definitie van de bedrijfstak van
de Unie, de representatieve producenten in de Unie en het onderzoektijdvak in
beide onderzoeken dezelfde zijn. Daarom wordt in beide procedures rekening
gehouden met opmerkingen inzake schadeaspecten die in het kader van één van
deze procedures worden gemaakt. 1.3. Bij de procedure betrokken
partijen (7) De Commissie heeft de
klagers, andere bekende producenten in de Unie, de bekende
producenten-exporteurs in de VRC, importeurs, handelaren, gebruikers,
leveranciers, bekende belanghebbende sectorverenigingen en de
vertegenwoordigers van de VRC officieel van de inleiding van de procedure in
kennis gesteld. De belanghebbende partijen werden in de gelegenheid gesteld om
binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn hun standpunt
schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken om te worden gehoord. (8) Gezien het kennelijk grote
aantal producenten-exporteurs, producenten in de Unie en niet-verbonden
importeurs, werd aan alle bekende producenten-exporteurs en niet- verbonden
importeurs gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar
overeenkomstig het bericht van inleiding basisinformatie te verstrekken over
hun activiteiten in verband met het betrokken product gedurende het tijdvak van
1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011. Deze informatie werd gevraagd
op grond van artikel 27 van de basisverordening om de Commissie in staat
te stellen een besluit te nemen ten aanzien van de vraag of steekproeven
noodzakelijk waren en zo ja, om steekproeven samen te stellen. Deze informatie
werd gevraagd op grond van artikel 27 van de basisverordening om de
Commissie in staat te stellen een besluit te nemen ten aanzien van de vraag of
steekproeven noodzakelijk waren en zo ja, om steekproeven samen te stellen. De
autoriteiten van de VRC werden eveneens geraadpleegd. (9) 19 Chinese
producenten-exporteurs of groepen producenten-exporteurs verstrekten in eerste
instantie de verlangde informatie en stemden ermee in te worden opgenomen in
een steekproef. Op basis van de informatie die de Commissie van hen ontving en in
overeenstemming met artikel 27 van de basisverordening, heeft zij
aanvankelijk een steekproef samengesteld van de drie producenten-exporteurs of
groepen producenten-exporteurs. Echter, een van de in deze steekproef opgenomen
producenten-exporteurs trok zijn medewerking in. Deze werd vervolgens vervangen
door de in hoogte van het verkoopvolume van de export naar de EU volgende
producent-exporteur. Na de kennisgeving trok ook deze producent-exporteur zijn
medewerking in. (10) Om
eventuele verdere vertraging te vermijden, werd besloten om de steekproef te
beperken tot twee groepen van producenten-exporteurs die het meest naar de Unie
uitvoerden, namelijk Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd en haar verbonden
ondernemingen en Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co., Ltd en
haar verbonden ondernemingen. De steekproef van deze twee groepen
producenten-exporteurs dient als basis voor de bepaling van de mate van
subsidiëring voor deze twee groepen alsmede van de mate van subsidiëring voor
alle medewerkende producenten-exporteurs die niet in de steekproef werden
opgenomen, overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, leden 2 en 3,
van de basisverordening. (11) Wat de producenten in de Unie
betreft, kondigde de Commissie in het bericht van inleiding aan dat zij
voorlopig een steekproef met producenten in de Unie had samengesteld. Deze
steekproef bestond uit zes producenten in de Unie die bij de Commissie bekend
waren als producenten van soortgelijke producten; zij waren geselecteerd op
basis van hun verkoop, omvang, omvang van de productie en geografische ligging
in de Unie. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie
vertegenwoordigden 46 % van de productie in de Unie en 38 % van de
verkoop in de Unie. De belanghebbende partijen werd in het bericht van
inleiding ook verzocht om hun standpunten over de voorlopige steekproef uiteen
te zetten. Een van de producenten in de Unie verklaarde dat hij niet in de
steekproef wilde worden opgenomen; hij werd vervangen door de in omvang van de
productie volgende producent. (12) Vijf niet-verbonden importeurs
leverden de gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te
worden opgenomen. Gezien het beperkte aantal medewerkende importeurs bleek een
steekproef niet meer nodig. (13) De
Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de vertegenwoordigers van de VRC,
de twee producenten-exporteurs in de VRC die in de steekproef waren opgenomen,
14 andere producenten-exporteurs in de VRC die daarom hadden verzocht, de zes
producenten in de Unie die in de streekproef waren opgenomen, de vijf
importeurs in de Unie die hun medewerking verleenden en naar de bekende
gebruikers. (14) De Commissie heeft antwoorden
ontvangen van de vertegenwoordigers van de VRC, negen producenten-exporteurs en
verbonden ondernemingen in de VRC, de zes in de steekproef opgenomen
producenten in de Unie, twee niet-verbonden importeurs en tien gebruikers. (15) De Commissie heeft alle
gegevens die zij voor de vaststelling van subsidiëring, de schade als gevolg
hiervan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Bij
de volgende overheidsinstanties en ondernemingen werd ter plaatse een controle
uitgevoerd: (a)
de regering van de Volksrepubliek China –
Chinees Ministerie van Handel, Peking, VRC (b)
producenten in de Unie ArcelorMittal Belgium, België en haar
verbonden verkoopmaatschappij ArcelorMittal Flat Carbon Europe SA, Luxemburg –
ArcelorMittal Poland, Polen –
ThyssenKrupp Steel Europe AG, Duitsland –
voestalpine Stahl GmbH en voestalpine Stahl Service
Center GmbH, Oostenrijk –
Tata Steel Maubeuge SA (vroeger bekend als Myriad
SA), Frankrijk –
Tata Steel UK Ltd, Verenigd Koninkrijk; (c)
groepen producenten-exporteurs (en verbonden
ondernemingen) in de VRC –
Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd en haar
verbonden ondernemingen: Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd, Zhangjiagang
Wanda Steel Strip Co., Ltd, Jiangsu Huasheng New Construction Materials Co. Ltd en Zhangjiagang Free Trade Zone Jiaxinda International Trade
Co., Ltd; –
Zhejiang Huadong Light Steel Building Material
Co. Ltd en haar verbonden onderneming Hangzhou P.R.P.T.
Metal Material Company Ltd; (d)
importeurs in de Unie –
ThyssenKrupp Mannex, Duitsland; –
Macrometal, Hamburg, Duitsland. (16) Vervolgens werden alle
partijen op de hoogte gesteld van de essentiële feiten en overwegingen op basis
waarvan de Commissie voornemens was om de instelling van definitieve
compenserende rechten op de invoer van bepaalde organisch beklede
staalproducten van oorsprong uit de VRC aan te bevelen ("de definitieve
mededeling"). Aan alle partijen werd een periode gegund waarin ze
opmerkingen over de definitieve mededeling konden indienen. (17) De door de belanghebbende
partijen ingediende opmerkingen werden beoordeeld en, indien van toepassing, in
aanmerking genomen. 1.4. Onderzoektijdvak en
beoordelingsperiode (18) Het onderzoek naar de
subsidiëring en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2010 tot
en met 30 september 2011 ("het onderzoektijdvak" of "OT").
Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling
had betrekking op de periode van 1 januari 2008 tot het eind van het OT
("de beoordelingsperiode"). 2. BETROKKEN PRODUCT EN
SOORTGELIJK PRODUCT 2.1. Betrokken product (19) In het bericht van inleiding
wordt met het product dat aan onderzoek is onderworpen bepaalde producten van
organisch bekleed staal (OBS) bedoeld, d.w.z. gewalste platte producten van
niet-gelegeerd of gelegeerd staal (uitgezonderd roestvrij staal), aan ten
minste één zijde geverfd, gevernist of bekleed met kunststof, met uitzondering
van zogenoemde "sandwichpanelen" van de soort gebruikt in de bouw,
bestaande uit twee metalen buitenplaten met een stabiliserende kern van
isolatiemateriaal, en met uitzondering van producten met een laatste bekleding
van zinkstof (een zinkrijke verf die 70 of meer gewichtspercenten zink bevat). 2.2. Verzoeken om het uitsluiten
van producten (20) De Chinese beroepsvereniging
voor de ijzer- en staalsector, twee importeurs en twee gebruikers stelden voor
om vijf productsoorten uit te sluiten. Deze verzoeken zijn ontvangen en als
volgt geanalyseerd: 2.2.1. OBS met
een metalen bekleding van chroom of tin (21) Een gebruiker van OBS diende
een verzoek in om OBS met een ondergrond die bekleed is met een metalen
bekleding van chroom of tin uit te sluiten van de productomschrijving. In het
onderzoek is vastgesteld dat de metalen bekleding van chroom of tin deze
productsoort in fysiek en technisch opzicht anders maakt dan de producten van
OBS die zijn onderzocht. Daarnaast wordt OBS met een ondergrond die een metalen
bekleding van chroom of tin heeft bijna uitsluitend gebruikt in de
levensmiddelenverpakkings- en kabelsectoren. Tot slot verklaarde de bedrijfstak
van de Unie dat bovengenoemde productsoort volgens de bedrijfstak zelf niet in
het onderzoek zou moeten worden opgenomen. Op grond van bovenstaande redenen
wordt OBS met een ondergrond die is bekleed met een bekleding van chroom of tin
niet opgenomen in de productomschrijving. 2.2.2. Warmgewalste platen met
organische of anorganische beschermende primer (22) Dit verzoek werd afgewezen,
omdat deze producten niet onder de GN-codes vallen waarop het onderzoek
betrekking heeft. De verf of bekleding is alleen bedoeld als roestbescherming
en valt derhalve onder GN-post 7208 en niet onder GN-post 7210. Warmgewalste
platen met een organische of anorganische beschermende primer zijn niet
opgenomen in de productomschrijving en kunnen daarom ook niet van de
productomschrijving worden uitgesloten. 2.2.3. OBS met een ondergrond met een
dikte tussen 0,6 en 2,0 mm (23) CISA en twee importeurs
verzochten om de uitsluiting van OBS met een ondergrond met een dikte tussen
0,6 en 2,0 mm, die 5 – 10 % van de invoer uit de VRC vertegenwoordigen,
waarbij zij aanvoerden dat er uitsluitend directe concurrentie was tussen de
Chinese invoer en de productie van de bedrijfstak van de Unie voor OBS met een
ondergrond met een dikte tussen 0,25 en 0,6 mm. (24) Dit verzoek werd afgewezen,
gezien het feit dat zowel Chinese exporteurs als de bedrijfstak van de Unie OBS
met een ondergrond met een dikte tussen 0,6 en 2,0 mm vervaardigen en verkopen,
wat betekent dat er tussen deze producten zonder twijfel concurrentie bestaat.
Er werd geen bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat OBS met een
ondergrond met een dikte van meer dan 0,6 mm niet concurreert met OBS met een
ondergrond met een dikte van minder dan 0,6 mm en dat het derhalve om een
andere productsoort zou gaan. Organisch beklede staalproducten met een
ondergrond met een dikte van minder dan en van meer dan 0,6 mm hebben dezelfde
fysieke en technische basiskenmerken en worden voor dezelfde doeleinden
gebruikt; bijgevolg zijn zij hetzelfde product. 2.2.4. OBS met een ondergrond die
bekleed is met een legering van aluminium en zink (25) De twee importeurs voerden aan
dat slechts vier van de producenten in de Unie een vergunning hebben voor de
productie van deze productsoort en dat maar één onderneming het product
daadwerkelijk produceerde. Ze voerden tevens aan dat dit product verschilt van
met zink bekleed OBS wat betreft de productkenmerken. (26) Dit verzoek werd afgewezen,
aangezien de twee productsoorten onderling uitwisselbaar zijn, overlappende
gebruiksdoelen hebben en ten minste twee medewerkende producenten in de Unie
deze productsoort vervaardigden gedurende het onderzoektijdvak. Opgemerkt zij
dat slechts één medewerkende Chinese producent-exporteur deze productsoort
tijdens het onderzoektijdvak naar de Unie uitvoerde. 2.2.5. OBS met een ondergrond die
bekleed is met een zinklegering (27) Dit verzoek werd afgewezen,
omdat dit product, in tegenstelling tot wat een gebruiker beweerde, wordt
geproduceerd en verkocht in aanzienlijke hoeveelheden door meerdere producenten
in de Unie en dezelfde wezenlijke fysieke en technische kenmerken en
gebruiksdoelen heeft als andere soorten OBS. 2.3. Verzoek om het insluiten van
producten (28) Een beroepsvereniging verzocht
om OBS met een metalen bekleding van chroom of tin dat ingedeeld is onder de
GN-codes 7210 12 20 10 en 7210 50 00 10 op te
nemen in de productomschrijving. Dit verzoek werd afgewezen, aangezien deze codes
niet werden vermeld in de oorspronkelijke klacht en de producten die onder deze
codes vallen andere fysieke en technische kenmerken hebben dan de producten
waarop de klacht betrekking heeft. 2.4. Betrokken product (29) Gezien de aanvaarding van de
uitsluiting van OBS met een metalen bekleding van chroom of tin, zoals
uiteengezet in overweging 2.2.1, wordt het betrokken product door deze
uitsluiting gewijzigd. (30) Bij het betrokken product gaat
het derhalve om bepaalde organisch beklede staalproducten (OBS), d.w.z.
gewalste platte producten van niet-gelegeerd of gelegeerd staal (uitgezonderd
roestvrij staal), aan ten minste één zijde geverfd, gevernist of bekleed met
kunststof, met uitzondering van zogenaamde "sandwichpanelen" van de
soort gebruikt in de bouw, bestaande uit twee metalen buitenplaten met een
stabiliserende kern van isolatiemateriaal, met uitzondering van producten met
een laatste bekleding van zinkstof (een zinkrijke verf die 70 of meer
gewichtspercenten zink bevat) en met uitzondering van producten met een
ondergrond die is bekleed met een metalen bekleding van chroom of tin,
momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7210 70 80, ex 7212 40 80, ex 7225 99
00 en ex 7226 99 70, van oorsprong uit de Volksrepubliek China ("het
betrokken product"). 2.5. Soortgelijk product (31) Uit het onderzoek is gebleken
dat OBS die door de bedrijfstak van de Unie in de Unie worden geproduceerd en
verkocht, OBS die op de binnenlandse markt van de VRC worden geproduceerd en
verkocht en OBS die uit de VRC in de Unie worden ingevoerd dezelfde fysische en
chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden
gebruikt. Daarom worden deze producten beschouwd als gelijk in de zin van
artikel 2, onder c), van de basisverordening. 3. SUBSIDIËRING
3.1. Voorafgaande opmerkingen (32) Zowel de GOC als de in de
steekproef opgenomen Chinese producenten-exporteurs hebben de vragenlijst
ingevuld teruggestuurd en hebben ingestemd met controles ter plaatse om de
antwoorden te verifiëren. (33) Na analyse van het antwoord op de vragenlijst heeft de
Commissie de GOC een schriftelijke aanmaning tot het verstrekken van
ontbrekende gegevens en twee brieven met de aankondiging van de
controlebezoeken toegestuurd. Telkens wanneer daarom werd verzocht en dit
gerechtvaardigd was, heeft de Commissie de GOC ruim tijd gelaten om haar
opmerkingen te formuleren en in te dienen. In feite zijn de termijnen voor de
GOC aanzienlijk verruimd, d.w.z. een verlenging van 20 dagen voor het invullen
en terugsturen van de vragenlijst, wat leidde tot een uiteindelijke termijn van
57 dagen voor het invullen en terugsturen van de vragenlijst en 25 dagen
voor het antwoord op de aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens. (34) In
haar antwoorden op de vragenlijst, de aanmaningen tot het verstrekken van
ontbrekende gegevens en diverse andere brieven verstrekte de GOC slechts
informatie over regelingen die worden gebruikt door de in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs en bepleitte de GOC dat haar niet verzocht zou
moeten worden om vragen te beantwoorden met betrekking tot vermeende
subsidieregelingen die ook toegankelijk waren voor producenten die niet in de
steekproef waren opgenomen of producenten die zichzelf niet bekend hadden
gemaakt. (35) De
Commissie heeft dit standpunt respectvol afgewezen en aan de GOC uitgelegd dat
het doel van de aan de GOC verzonden vragenlijst is de Commissie in staat te
stellen om informatie te verkrijgen met betrekking tot de subsidiëring van de
bedrijfstak die organisch bekleed staal produceert in de VRC en om vast te
stellen in welke mate de invoer van het betrokken product in de Unie
gesubsidieerd wordt. De Commissie deelde de GOC mede dat bredere informatie
over de mate van subsidiëring vereist is om te kunnen reageren op eventuele
belangrijke gevallen van niet-medewerking onder exporteurs die voordelen zouden
hebben genoten in het kader van specifieke subsidieregelingen die niet worden
gebruikt door de ondernemingen in de steekproef of door ondernemingen die hun
medewerking verlenen, alsmede op eventuele aanvragen voor individueel onderzoek
door producenten-exporteurs die hun medewerking verlenen. Echter, de GOC is
niet van standpunt veranderd en heeft geen informatie verstrekt over de meeste
andere subsidieregelingen die in de klacht werden genoemd, maar die niet werden
gebruikt door de in de steekproef opgenomen ondernemingen. (36) Vóór
het controlebezoek heeft de GOC de Commissie verzocht aanvullende schriftelijke
informatie te verstrekken, met name een lijst met alle vragen die de Commissie
van plan was tijdens het controlebezoek te stellen, plus een lijst van de
overheidsdepartementen die geacht werden aan het controlebezoek deel te nemen.
Bij het uitblijven hiervan werd betoogd dat de GOC "niet op de hoogte
is gesteld van wat voorbereid had moeten worden of wat verwacht kon worden
tijdens de controle" en dat de brief met de aankondiging van het
controlebezoek "in ieder geval geen enkele aanwijzing geeft voor wat de
Commissie in feite beoogt te controleren…". (37) De Commissie kon het verzoek
van de GOC niet inwilligen. In dit verband dient te worden opgemerkt dat de
Commissie voldaan heeft aan alle toepasselijke voorwaarden van artikel 26
van de basisverordening. Vóór het controlebezoek was aan de GOC een
gedetailleerde brief gestuurd waarin de agenda (de controledagen en de per
controledag te bespreken reeks regelingen) werd bevestigd en werd verzocht om
de aanwezigheid van de autoriteiten die bevoegd waren voor de desbetreffende
regelingen en van de ambtenaren die betrokken waren bij de opstelling van de
opmerkingen van de GOC. De Commissie heeft vóór de controlebezoeken ter plaatse
tevens uitgelegd dat uitsluitend de GOC de autoriteiten kon identificeren die
bevoegd waren voor de onderzochte regelingen alsmede de ambtenaren die het
meest in aanmerking kwamen om aan de controle deel te nemen en vragen te
beantwoorden. Wat betreft de lijst met specifieke vragen heeft de Commissie
uitgelegd dat een dergelijke lijst niet bij EU-wetgeving vereist is (noch bij
WTO-overeenkomst), en dat dit onderzoek tot doel heeft de antwoorden van de GOC
op de vragenlijst en de relevante aanvullende opmerkingen te controleren;
tijdens het controlebezoek zou de Commissie dan ook de structuur van deze
documenten volgen. De Commissie beoogde daarnaast om extra informatie te
verkrijgen en te verduidelijken die nodig is voor de lopende procedure, maar de
precieze vragen in deze context zouden afhangen van de antwoorden van de GOC op
de eerste controle van haar antwoorden. Vóór het controlebezoek ter plaatse
werd de GOC ook duidelijk uitgelegd dat weigeringen om de nodige informatie te
verstrekken of om de onderzoekende autoriteit bij te staan in de controle van
informatie en gegevens die nodig werden geacht voor de procedure, de
onderzoeksprocedure ernstig zouden kunnen ondermijnen. De GOC werd ook
herinnerd aan de gevolgen van de bepaling in artikel 28 van de
basisverordening. (38) Tijdens
het controlebezoek ter plaatse bij het Chinees ministerie van Handel in Peking
heeft de Commissie overeenkomstig de artikelen 11 en 26 van de basisverordening
getracht verstrekte informatie te controleren op grond van het bewijsmateriaal
dat voor de opstelling van het antwoord van de GOC is gebruikt. Daarbij kwam de
Commissie tot de voorlopige conclusie dat de antwoorden op de vragenlijst niet
naar behoren konden worden gecontroleerd, omdat de nodige informatie en
bewijsstukken niet beschikbaar waren. Bovendien werd bepaalde informatie
helemaal niet ingediend, hoewel daar uitdrukkelijk om was verzocht, en zijn
bepaalde vragen eenvoudigweg niet beantwoord. Bijgevolg is de GOC geïnformeerd
over de gevolgen van niet-medewerking overeenkomstig artikel 28,
leden 1 en 6, van de basisverordening. (39) De GOC stelde daarnaast dat de
Commissie de GOC een onredelijke belasting had opgelegd en in de vragenlijst en
daaropvolgende aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens had
verzocht om irrelevante en onnodige informatie. (40) Wat betreft de gevraagde
informatie zij opgemerkt dat de Commissie uitsluitend heeft verzocht om
informatie met betrekking tot beweringen in de klacht die nodig wordt geacht om
tot een representatieve bevinding te komen en de Commissie volhardde in haar
verzoek door tijdens de onderzoeksprocedure om dezelfde gegevens en informatie
te vragen en de GOC te verzoeken uitleg te verstrekken bij de ingediende
informatie en de gevolgen ervan voor de onderzochte regelingen. Met andere
woorden, de Commissie heeft alleen om informatie verzocht die nodig was om het
bestaan en de mate van subsidiëring te beoordelen die beschikbaar was voor het
betrokken product in het kader van andere subsidieregelingen waarvan de klacht
melding maakt. Dergelijke informatie zou het mogelijk hebben gemaakt om tot een
nauwkeurige vaststelling te komen van de subsidiëring die verstrekt is in het kader
van de andere subsidieregelingen die onderzocht werden en die beschikbaar waren
voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs. Aangezien noch de
vertegenwoordigers van de VRC noch de niet-medewerkende producenten-exporteurs
de informatie hebben verstrekt die nodig was om te bepalen of de andere
subsidieregelingen toegankelijk waren voor de niet-medewerkende
producenten-exporteurs, is de Commissie op basis van geschikte beschikbare
gegevens tot de conclusie gekomen dat de andere vermeende subsidieregelingen
inderdaad toegankelijk waren voor de andere niet-medewerkende
producenten-exporteurs en heeft zij de bedragen die het voordeel
vertegenwoordigen dat via deze regelingen werd toegekend berekend op basis van
geschikte beschikbare gegevens. 3.2. Individueel onderzoek
("IO") (41) Verzoeken om een IO op grond
van artikel 27, lid 3, van de basisverordening werden ingediend door
twee medewerkende producenten-exporteurs, namelijk Union Steel China (Union
Steel) en Shenzhen Sino Master Steel Co. Ltd. Het was niet mogelijk om deze
IO's aan deze twee ondernemingen toe te kennen, aangezien het vanwege het grote
aantal vermeende subsidieregelingen en de tijdrovende aard van
antisubsidiëringsonderzoek een onredelijke belasting zou vormen en omdat de
tijdige afronding van het onderzoek erdoor in gevaar zou kunnen komen. (42) Echter, Union Steel was reeds
onderworpen aan een individueel onderzoek binnen het parallel uitgevoerde
antidumpingonderzoek en bijgevolg was de individuele schademarge voor deze
onderneming berekend. (43) Gezien het feit dat de GOC in
haar antwoord slechts inging op de regelingen die werden gebruikt door de in de
steekproef opgenomen producenten-exporteurs, zoals uitgelegd in bovenstaande
overweging 34, was het praktisch onmogelijk om sommige van de
subsidieregelingen te analyseren die mogelijk door Union Steel werden gebruikt.
Bijgevolg werd op basis van de beschikbare feiten op grond van artikel 28
van de basisverordening het gemiddelde subsidiepercentage dat toepasbaar is op
andere medewerkende ondernemingen aan deze onderneming toegeschreven. 3.3. Specifieke regelingen (44) Op grond van de informatie in
de klacht heeft de Commissie informatie verzameld met betrekking tot de
volgende regelingen, die de verlening van subsidies door de overheidsinstantie
zouden omvatten: I) Verstrekking
van goederen en diensten door de overheid voor een ontoereikende prijs
("Less than Adequate Remuneration" of "LTAR") –
Verstrekking van inputs voor een ontoereikende
prijs: Warmgewalst en koudgewalst staal –
Verlening van grondgebruiksrechten voor een
ontoereikende prijs –
Programma's bestaande uit de verstrekking van
goedkoop water voor een ontoereikende prijs –
Programma bestaande uit de verstrekking van
elektriciteit voor een ontoereikende prijs –
Programma bestaande uit de verstrekking van
elektriciteit en water voor een ontoereikende prijs in de provincie Jiangsu –
Verstrekking van diverse inputs voor een
ontoereikende prijs II) Preferentiële leningen en
rentetarieven aan de OBS-sector III) Programma's met betrekking tot aandelenkapitaal –
Schuld-voor-aandelenswaps –
Kapitaalinjecties –
Niet uitgekeerde dividenden IV) Inkomsten- en andere directe
belastingen –
Fiscale beleidsmaatregelen voor de aftrek van
onderzoeks- en ontwikkelingskosten –
Belastingvoordelen voor centrale en westelijke
regio's –
Vennootschapsbelastingteruggave voor de aanschaf
van binnenlands geproduceerde productieapparatuur –
Preferentiële fiscale beleidsmaatregelen voor
ondernemingen die worden bevorderd als hightechondernemingen en in nieuwe
technologieën gespecialiseerde ondernemingen –
Vennootschapsbelastingvoordelen voor
ondernemingen die gebruikmaken van een breed scala aan hulpbronnen
(comprehensive resource utilisation, "bijzondere grondstoffen") –
Belastingteruggave in verband met de aanschaf
van speciale apparatuur –
Preferentiële vennootschapsbelasting voor de
ondernemingen in de noordoostelijke regio –
Vrijstelling van vennootschapsbelasting voor
investeringen in binnenlandse technologische vernieuwing –
Diverse kortingen op plaatselijke belastingen
(provincie Shandong, de stad Chongqing, de regio Guangxi Zhuang,
belastingvoordelen voor de ontwikkeling van centrale en westelijke regio's) –
Vrijstelling van dividend tussen gekwalificeerde
ingezeten ondernemingen –
"Two free/three
half"-belastingvrijstellingen voor de producerende FIE's –
Programma's voor vrijstelling en vermindering
van plaatselijke vennootschapsbelasting voor de producerende FIE's –
Vennootschapsbelastingteruggave voor FIE's die
binnenlands geproduceerde apparatuur kopen –
Vennootschapsbelastingsubsidies voor FIE's op
grond van geografische locatie V) Programma's inzake indirecte
belastingen en invoerrechten –
Vrijstellingen van invoerrechten en btw voor
FIE's en bepaalde binnenlandse ondernemingen die in bevorderde sectoren
ingevoerde apparatuur gebruiken –
Terugbetaling van btw bij de aankoop van
binnenlands geproduceerde apparatuur –
Btw-aftrek op vaste activa in de centrale regio –
Andere belastingvoordelen van Ma'anshan VI) Subsidieprogramma's –
China World Top Brand-programma –
Famous Brands-programma –
Het overheidsfonds voor projecten voor
belangrijke technologieën –
Programma's voor de vergoeding van juridische
kosten in verband met antidumping VII) Aankoop van goederen door de overheid
voor een hogere prijs dan de toereikende prijs VIII) Andere regionale programma's –
Subsidies die worden verstrekt in de Binhai New
Area in Tianjin en in de Tianjin Economic and Technological Development Area –
Programma's met betrekking tot de
noordoostelijke regio –
Subsidies in het kader van het programma voor
wetenschap en technologie van de provincie Jiangsu –
Subsidies in het kader van het programma voor
wetenschap en technologie van de provincie Hebei IX) Ad-hocsubsidies zoals die waarnaar wordt
verwezen in de klacht 3.3.1. Verstrekking van goederen en
diensten door de overheid voor een ontoereikende prijs ("Less than
Adequate Remuneration" of "LTAR") 3.3.1.1. Verstrekking van warmgewalst en
koudgewalst staal (WGS en KGS) voor een ontoereikende prijs (45) In de klacht werd gesteld dat
de GOC op zo'n manier controle uitoefent op bepaalde upstreambedrijfstakken en
-producten dat dit resulteert in de verstrekking van gunstig geprijsde inputs
aan producenten van OBS. Op grond hiervan ontvangen OBS-producenten
compenserende subsidies via de aankoop bij staatsondernemingen van door de
overheid geproduceerd WGS en KGS voor een lagere prijs dan de marktprijs en
derhalve voor een lagere prijs dan de toereikende prijs voor de
staatsondernemingen. Niet-medewerking (46) De
Commissie heeft de GOC om gedetailleerde informatie verzocht met betrekking tot
staatsondernemingen die WGS en KGS verstrekken aan de Chinese
producenten-exporteurs van OBS om de beweringen in de klacht te controleren en
om vast te stellen of deze staatsondernemingen overheidsinstanties zijn. In het
bijzonder heeft de Commissie voor de GOC aanhangsel B bij de vragenlijst
opgesteld met betrekking tot de staatsondernemingen en heeft zij de GOC
uitgenodigd de gevraagde informatie hierin op te nemen. In de aanmaning tot het
verstrekken van ontbrekende gegevens heeft de Commissie de GOC opnieuw verzocht
om de in aanhangsel B gevraagde informatie te verstrekken en de GOC
aangemoedigd om de antwoorden te coördineren met de desbetreffende
staatsondernemingen. (47) Echter, de GOC heeft geen van
de vragen in aanhangsel B beantwoord en verzuimde tevens om relevante
informatie te verstrekken die in de hoofdvragenlijst werd gevraagd (bijv. met
betrekking tot het eigendom en de controle van de Chinese overheid van de
staatsondernemingen in de staalsector en de betrokkenheid van de overheid bij
de reorganisatie van de Chinese staalindustrie). In plaats van de gevraagde
informatie te verstrekken, stelde de GOC in haar antwoord op de vragenlijst dat
de klagers er niet in waren geslaagd aan te tonen dat de producenten van WGS en
KGS overheidsinstanties zijn. (48) Vanwege
het gebrek aan medewerking door de GOC moest de Commissie andere beschikbare
informatie onderzoeken. De Commissie stelde de GOC op de hoogte van dit
voornemen. Bij de beoordeling van de vraag of de staatsondernemingen die WGS en
KGS verstrekken aan Chinese OBS-producenten overheidsinstanties zijn, nam de
Commissie de beperkte door de GOC verstrekte informatie in aanmerking, alsmede
de informatie in de klacht, publiek beschikbare, feitelijke informatie
afkomstig van soortgelijke procedures die zijn uitgevoerd door andere
onderzoekende instanties alsmede andere publiekelijk beschikbare informatie,
waarbij de Commissie haar bevindingen baseerde op de totaliteit van de
informatie in het dossier. (a)
Staatsondernemingen die warmgewalst en
koudgewalst staal verstrekken aan OBS-producenten zijn overheidsinstanties Voorafgaande opmerkingen (49) De
klager stelt dat staatsondernemingen in de VRC overheidsinstanties zijn in de
zin van artikel 2, onder b), van de basisverordening die goederen (GWS en
KGS) verstrekken aan OBS-producenten voor prijzen die onder de marktprijzen
liggen en hun derhalve een voordeel toekennen. (50) De beroepsinstantie van de WTO
(AB - Appellate Body) definieerde in haar verslag in de Verenigde Staten
– Definitive Anti-Dumping and Countervailing Duties on Certain Products from
China[5]
(het AB-verslag) een overheidsinstantie als een entiteit die
"overheidsgezag eigendom, uitoefent of die met overheidsgezag is
bekleed"[6].
De WTO-beroepsinstantie was tevens van oordeel dat overheidsinstanties ook
worden gekenmerkt door de "uitvoering van overheidsfuncties"[7] die "gewoonlijk worden
beschouwd als deel uitmakend van de overheidspraktijken in de rechtsorde van
het lid in kwestie"[8]. (51) In het licht van de conclusies
van de beroepsinstantie van de WTO zijn er twee vragen voor de analyse,
namelijk a) of de staatsondernemingen in kwestie functies uitoefenen die
gewoonlijk als onderdeel van de overheidspraktijken in de VRC worden beschouwd,
en b) zo ja, of zij overheidsgezag uitoefenen wanneer ze dat doen. Uitvoering van overheidsfuncties (52) In de context van de GOC is er
ruim voldoende bewijs om aan te tonen dat de overheid zich in sterke mate
bezighoudt met het beheer van de economie. De voorname rol van de Chinese
overheid in de economie wordt gegarandeerd door de grondwet van de
Volksrepubliek China. Artikel 7 van de Chinese grondwet luidt: "De
staatseconomie is de sector van socialistische economie die het eigendom is van
het gehele volk; het is de leidende kracht van de nationale economie. De staat waarborgt
de consolidatie en groei van de staatseconomie". Dienovereenkomstig
luidt artikel 15 van de grondwet: "De staat voert economische
planning uit op basis van socialistisch staatseigendom". Ook het
statuut van de Communistische Partij van China (CCP) bevat bepalingen die de
voorname rol van het staatseigendom voorschrijven; de preambule van het statuut
van de CCP luidt bijvoorbeeld: "de Partij moet het economische
basissysteem in stand houden en verbeteren, waarbij staatseigendom een
dominante rol speelt…". Ook wijzen de diverse vijfjarenplannen die
door de Nationale Commissie voor ontwikkeling en hervorming ("NDRC" -
National Development and Reform Commission) worden verspreid en die
worden aangenomen door de hoogste juridische instantie van China, de Raad van
State van de VRC, op een zeer sterke greep van de Chinese overheid op de
economie. (53) Wat betreft de staalsector
duidt de informatie in het dossier erop dat de staatsondernemingen die WGS en
KGS produceren in de VRC vaak de beschreven overheidsfuncties uitvoeren, onder
meer in het kader van de sectorale plannen voor de ijzer- en staalsector. Deze
plannen bevestigen dat de GOC ervoor gekozen heeft om nauw betrokken te zijn
bij het beheer en de ontwikkeling van de staalsector in de VRC, en de uitvoering
van deze plannen door staatsondernemingen kan derhalve worden beschouwd als
onderdeel van de overheidspraktijken. De plannen bevatten streefwaarden en
doelstellingen voor alle marktdeelnemers in de ijzer- en staalindustrie en
geven de gehele sector de opdracht om specifieke resultaten te leveren. De GOC
gebruikt de ijzer- en staalproducerende staatsondernemingen in feite als een
verlengstuk van de staat om de in de plannen vastgelegde doelstellingen en
streefwaarden te bereiken. (54) Instructie nr. 35 van
de NDRC – Beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en staalsector
bevat, onder meer, een beleid om het aantal ijzer- en staalsmeltbedrijven te
verlagen en stelt doelstellingen vast voor de productie van groepen
staalondernemingen die tot de top tien behoren van de binnenlandse markt
(artikel 3), bevat in verband met de productiecapaciteit een verbod op de
oprichting van nieuwe ijzer- en staalondernemingen (artikel 10), stelt de
voorwaarden voor toegang tot de ijzer- en staalsector vast op het niveau van de
apparatuur en schrijft tevens de technische en economische indexen voor die
ondernemingen moeten volgen (artikel 12), stelt regels vast voor de
wijzigingen in de organisatiestructuur van staalondernemingen
(artikel 20), beheert investeringen (artikelen 22 en 23), stelt de
voorwaarden voor de toegang tot financiële middelen vast (artikelen 25 en 26)
en geeft de staat het recht om te interveniëren bij de aankoop van grondstoffen
(artikel 30). (55) Het twaalfde vijfjarenplan
voor de ontwikkeling van de staalsector is een samenvatting van de in het
bovenstaande plan vastgestelde doelstellingen, heeft betrekking op de
ontwikkelingsstrategie en stelt doelstellingen vast voor de gehele staalsector.
Het plan stelt, op soortgelijke wijze als instructie nr. 35, zeer
specifieke doelstellingen vast op het niveau van de industriële clusters
(hoofdstuk III.(III).6), moedigt bepaalde projecten aan en ontmoedigt andere
(hoofdstuk IV(IV)) en stelt specifieke ondersteuning vast voor de ijzer- en
staalsector in verschillende provincies (hoofdstuk IV(V), stelt ondersteuning
van grootschalige staalondernemingen beschikbaar en geeft een leidende rol aan
de grootste Chinese staalproducenten die eigendom van de staat zijn zoals Bao
Steel, Anshan Iron and Steel, Wuhan Iron and Steel enz.[9] Het plan voorziet ook in de
versterking van de regulering en het beheer van de operationele productie van
de bestaande staalondernemingen (hoofdstuk V(IV). (56) De wet van de
Volksrepubliek China inzake de staatsactiva van ondernemingen verplicht de
staatsondernemingen (of ondernemingen met overheidskapitaal, zoals ze in deze
wet worden genoemd) eveneens om zich aan het nationale industriebeleid te
houden[10].
Op soortgelijke wijze zijn staatsondernemingen (ondernemingen met
overheidskapitaal) op grond van de voorlopige maatregelen voor het toezicht
op en het beheer van investeringen door centrale ondernemingen verplicht om
ontwikkelingsplannen en industriële beleidsmaatregelen van de overheid te
volgen[11].
Op grond van de maatregelen voor het beheer van de ontwikkelingsstrategieën
en ‑plannen van centrale ondernemingen moeten alle ondernemingen met
overheidskapitaal een ontwikkelings- en strategieplan opstellen, dat moet
worden gecontroleerd en goedgekeurd door de toezicht- en beheerscommissie voor
staatsactiva van de Raad van State (SASAC - State-owned asset Supervision
and Administration Commission). Bij het uitvoeren van een dergelijke
controle en vóór het verlenen van goedkeuring moet SASAC onder meer in
overweging nemen of een plan al dan niet overeenstemt met de nationale
maatregelen op het gebied van ontwikkelingsplanning en industriebeleid en of
het al dan niet overeenstemt met de strategische correctie van de organisatie
en structuur van de staatseconomie[12]. (57) De concrete voorbeelden van de
uitvoering van de in de plannen beschreven maatregelen, zoals de verhuizing van
Capital Steel Corporation[13]
of de talrijke fusies tussen staalondernemingen[14] tonen aan dat de plannen niet
alleen documenten zijn die slechts als richtsnoer zijn bedoeld, maar dat ze
resulteren in concrete maatregelen door de staalondernemingen die eigendom zijn
van de staat en dat deze maatregelen door de overheid (vertegenwoordigd door de
NDRC en de Raad van State) worden geïnitieerd. (58) Alle specifieke maatregelen
die in bovenstaande paragrafen worden beschreven, moeten worden opgevolgd en
uitgevoerd door de ondernemingen waarop de plannen betrekking hebben.
Geconcludeerd wordt dat de staalproducerende staatsondernemingen via deze
rechtstreekse betrokkenheid van de overheid bij hun commerciële gedrag fungeren
als een verlengstuk van de overheid bij de uitvoering van overheidsfuncties,
wat vervolgens leidt tot het bereiken van de doelstellingen en streefwaarden
die in de plannen zijn vastgesteld. Staatszeggenschap binnen staatsondernemingen (59) Na de vaststelling dat
staatsondernemingen overheidsfuncties uitvoeren, resteert de vraag of zij bij
het uitvoeren van overheidsfuncties overheidsgezag uitoefenen. Een belangrijke
vraag in dit verband is of zij op betekenisvolle wijze onderworpen zijn aan de
zeggenschap van de staat[15].
Indien dit het geval is, is het redelijk om vast te stellen, in het licht van
al het relevante bewijs, dat staatsondernemingen fungeren als een verlengstuk
van de overheid en dat zij daadwerkelijk het in bovenstaande plannen
vastgestelde beleid ten uitvoer leggen. (60) De staatszeggenschap die in
het onderstaande beschreven wordt, geeft aan dat staatsondernemingen
overheidsgezag uitoefenen of met overheidsgezag zijn bekleed. Gezag kan worden
uitgeoefend via, onder andere, staatseigendom, bestuursrechtelijke regulering
en de betrokkenheid van SASAC, raden van bestuur en overheidsplannen. Staatseigendom (61) Zoals reeds vermeld in
bovenstaande paragraaf over niet-medewerking (overwegingen (46) tot en met (48)),
heeft de GOC verzuimd om de gevraagde informatie over de eigendomsstructuur van
de producenten van WGS en KGS in de VRC te verstrekken. Samen met het antwoord
op de vragenlijst heeft de GOC een lijst overgelegd van 54 ondernemingen
waarvan de GOC de grootste aandeelhouder is, maar tijdens de controlebezoeken
beweerde de GOC dat de lijst onjuist is en ook ondernemingen bevat die in
particuliere handen zijn. De GOC heeft de lijst niet gecorrigeerd en ook niet
gespecificeerd welke van deze ondernemingen in handen zijn van particulieren en
welke in handen van de GOC. Vanwege de niet-medewerking moest de Commissie
ander bewijsmateriaal in het dossier en publiek beschikbare informatie
onderzoeken. (62) De klager heeft
bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat belangrijke producenten van WGS en
KGS staatseigendom zijn en heeft in dit verband gedetailleerde informatie
verstrekt in bijlage 10 van de klacht[16].
Daarnaast bevestigt andere publiek beschikbare informatie[17] dat de GOC een eigendomsbelang
heeft in vele producenten van WGS en KGS. (63) Alle informatie in het dossier
in aanmerking nemend, is het redelijk om te concluderen dat de GOC een
aanzienlijk eigendomsbelang heeft in vele van de Chinese producenten van WGS en
KGS. Bestuursrechtelijke regulering en rol van
SASAC (64) SASAC
is verantwoordelijk voor het verrichten van de taken van de staat als
investeerder en voor het beheer van de aan SASAC toegewezen staatsactiva. In
dit verband zij opgemerkt dat, hoewel de GOC in haar antwoord op de vragenlijst
en daaropvolgende correspondentie stelde dat SASAC niet betrokken is bij de
commerciële activiteiten van staatsondernemingen en deze bewering baseerde op
artikel 7 van de tijdelijke maatregelen voor het toezicht op en het beheer
van staatsactiva van ondernemingen[18], dit
lijkt te worden gelogenstraft door andere artikelen van dezelfde wet en ook
door ander bewijsmateriaal in het dossier[19]. (65) In
feite toont het antwoord van de GOC op de antisubsidievragenlijst aan dat
SASAC, onder auspiciën van de Raad van State, bevoegd is om de hoogste
bestuurders van de aan SASAC toegewezen ondernemingen te benoemen en ontslaan
en om hun prestaties te evalueren via juridische procedures. SASAC is tevens
verantwoordelijk voor het aanmoedigen van de ondernemingen die onder haar toezicht
staan om de beginselen en beleidsmaatregelen die als richtsnoer dienen uit te
voeren, draagt verantwoordelijkheid voor het fundamentele beheer van de
staatsactiva van ondernemingen en voor de aansturing van en het toezicht op het
beheer van plaatselijke staatsactiva op grond van de wet. (66) SASAC is ook verantwoordelijk
voor de salariëring en evaluatie van de bestuurders van staatsondernemingen.
SASAC benoemt bovendien de bestuurders van staatsondernemingen en beslist over
hun beloningen en sancties[20].
In feite wijst al het bewijsmateriaal erop dat de loopbanen van de bestuurders
van staatsondernemingen afhankelijk zijn van SASAC. Deze omstandigheden tonen
aan dat SASAC duidelijk bekleed is met overheidsgezag. Raad van bestuur (67) De samenstelling van de raden
van bestuur van staatsondernemingen zijn ook een aanwijzing voor de grote mate
van zeggenschap van de GOC in de staatsondernemingen. Het bewijsmateriaal in
het dossier[21]
toont aan dat vele leden van de raden van bestuur en de raden van toezicht
overheids- en/of partijfuncties uitoefenen of in het verleden uitoefenden en
dat hun selectie sterk wordt beïnvloed door overheidsinstanties zoals SASAC of
de Communistische Partij van China (CCP). Overheidsplannen (68) De beleidsmaatregelen,
belangen en doelstellingen van de GOC met betrekking tot de staalindustrie zijn
in diverse overheidsplannen vastgesteld op zowel centraal als decentraal
niveau. De staatsondernemingen worden aangemoedigd om dit beleid te volgen (de
ondernemingen die in gebreke blijven, worden zelfs aan sancties onderworpen) en
uit de recente acties van enkele grote staalondernemingen in China die in
handen van de staat zijn, blijkt dat dit beleid wordt nageleefd en dat de
staalproducerende staatsondernemingen streven naar het bereiken van de
doelstellingen en streefwaarden die in de plannen zijn vastgesteld. (69) Volgens het ontwikkelingsplan
van het twaalfde vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de staalsector zijn
het uitsluitend "de ondernemingen die zich houden aan de nationale
beleidsmaatregelen voor de ijzer- en staalindustrie en de normen en voorwaarden
voor de productie en exploitatie van de ijzer- en staalindustrie, die een
voorname rol spelen in fusering en reorganisatie."[22] (70) Enkele plannen op provinciaal
en lokaal niveau noemen ook specifieke staatsondernemingen en stellen
doelstellingen en streefwaarden voor hen vast. De klager heeft uittreksels uit
deze plannen overlegd[23].
De GOC werd om al deze plannen gevraagd in de vragenlijst en in de aanmaning
tot het verstrekken van ontbrekende gegevens met het oog op controle en
verduidelijking, maar de GOC besloot om ze niet te verstrekken. Echter, er zij
opgemerkt dat de GOC de juistheid van deze citaten tijdens de procedure niet
heeft betwist. Daarnaast geven ondernemingen die in de provinciale en
plaatselijke plannen worden genoemd toe met de overheid samen te werken en
beschrijven zij hoe ze handelen of in het verleden hebben gehandeld in
overeenstemming met de plannen[24]. (71) Hoewel de GOC stelt dat enkele
van bovenstaande plannen slechts indicatief zijn, niet bindend en slechts
bedoeld als richtsnoer, wordt deze bewering niet gestaafd door ander
bewijsmateriaal in het dossier. Integendeel, vele wetten en regels die zonder
twijfel juridisch bindend[25]
zijn, stellen de ontwikkelingsplannen en industriële beleidsmaatregelen van de
overheid verplicht voor de staatsondernemingen. Conclusie (72) De GOC formuleert de
doelstellingen en streefwaarden voor de ijzer- en staalsector via de
vijfjarenplannen en andere relevante officiële documenten en bereikt deze
doelstellingen via de hierin omschreven functies en activiteiten. Aangezien
deze plannen en documenten worden opgesteld door diensten van de Chinese
overheid zoals de Nationale Raad of de NDRC, moeten de functies en activiteiten
waarnaar de documenten verwijzen, worden beschouwd als behorende tot de
overheidspraktijken. Aangezien de staalproducerende staatsondernemingen
verplicht zijn, zoals in het bovenstaande beschreven, om de plannen en
beleidsmaatregelen op te volgen, fungeren zij als verlengstuk van de overheid,
en gezien het feit dat de overheid op betekenisvolle wijze zeggenschap over hen
uitoefent, oefenen ze feitelijk overheidsgezag uit. (73) Gezien
het gebrek aan medewerking van de GOC is de omschrijving van de entiteiten die
als "overheidsinstanties" worden beschouwd niet volledig
gedefinieerd. In ieder geval is iedere staatsonderneming waarin de overheid een
meerderheidsbelang heeft of de grootste aandeelhouder is, een
overheidsinstantie. Entiteiten waarin de overheid geen aandelen heeft, zijn
particuliere instanties. Dat gezegd zijnde hoeft er geen scherpe grens te
worden getrokken tussen overheids- en particuliere instanties, aangezien in
onderstaande overwegingen 85 tot en met 98 wordt aangetoond dat de staat
overheidsfuncties toevertrouwt aan alle particuliere instanties in de
staalsector en hen met dergelijke functies belast, wat betekent dat ze, in elk
relevant opzicht, hetzelfde gedrag vertonen als overheidsinstanties. (b)
Voordeel (overheidsinstanties) Algemene opmerkingen (74) Om te beoordelen of er sprake
is van een voordeel in de zin van artikel 3, lid 2, van de
basisverordening is het nodig om de door de producenten-exporteurs in kwestie
voor WGS en KGS betaalde prijzen te vergelijken met de relevante benchmark. Het
AB-verslag bevestigde dat het gebruik van externe benchmarks was toegestaan in
een geval waarin de markt van het land van levering werd verstoord door de rol
van de overheid. Tevens werd in het verslag opgemerkt dat "het in
gevallen waarin de overheid de dominante leverancier is, waarschijnlijk is dat
particuliere prijzen verstoord worden, maar een individuele analyse blijft
vereist"[26].
De WTO-beroepsinstantie (AB) verklaarde tevens dat: "…we niet
suggereren dat er een grens is waarboven het feit dat de overheid de dominante
leverancier is binnen de markt op zich toereikend wordt om te leiden tot
prijsverstoring, maar wel is duidelijk dat hoe dominanter de rol van de
overheid binnen de markt is, des te waarschijnlijker het is dat deze rol zal
leiden tot een verstoring van de particuliere prijzen"[27]. De WTO-beroepsinstantie
verklaarde voorts dat: "in gevallen waarin de overheid een
"belangrijke" leverancier is, bewijs met betrekking tot andere
factoren dan marktaandeel nodig is, aangezien de rol van de overheid als een
belangrijke leverancier op zich niet als bewijs kan gelden voor de verstoring
van particuliere prijzen". Derhalve is de eerste vraag die beantwoord
moet worden of het aandeel van de overheid in de productie van WGS en KGS in
China dominant is of slechts belangrijk. (75) De
Commissie heeft de GOC om informatie gevraagd over de markt van WGS en KGS met
betrekking tot de verhouding tussen de productie van WGS en KGS door
staatsondernemingen en de productie door particuliere ondernemingen, maar de
GOC heeft hierover geen relevante informatie verstrekt[28]. (76) De Commissie heeft andere
informatie[29]
gebruikt die ten aanzien van dit onderwerp beschikbaar was en op basis hiervan
werd vastgesteld dat ten minste 63 % van het WGS in China geproduceerd
wordt door staalproducerende staatsondernemingen. Het is belangrijk om op te
merken dat dit aandeel van 63 % van staatsondernemingen slechts na een
zeer voorzichtige analyse tot stand is gekomen en de absolute ondergrens
vertegenwoordigt. Op grond van het feit dat veel van de leveranciers die in
particuliere eigendom zouden zijn, handelsondernemingen lijken te zijn (die het
product mogelijk indirect van staatsondernemingen hebben gekocht), de
niet-medewerking van de GOC (zie bovenstaande overwegingen 46 tot en met 48) en
bevindingen van andere onderzoekende instanties (zie voetnoot 32), kan worden
geconcludeerd dat het werkelijke aandeel van staatsondernemingen in de markt
voor WGS nog veel groter is. Ook de sterke betrokkenheid van de GOC bij deze
sector en de markt voor WGS (zie onderstaande overwegingen 85 tot en met 94)
beperkt de manoeuvreerruimte voor particuliere ondernemers. (77) Gezien het bovenstaande werd
vastgesteld dat de staatsondernemingen een dominante rol innemen binnen de
markt voor WGS in China. Deze dominantie van staatsondernemingen binnen de
markt voor WGS is zo groot dat de particuliere producenten geen andere keuze
hebben dan hun prijzen af te stemmen op die van de staatsondernemingen, zoals
in het onderstaande wordt aangetoond. (78) Met betrekking tot KGS was het
door de Chinese producenten-exporteurs gerapporteerde aandeel van
staatsondernemingen (18 %) veel lager dan in het geval van WGS, maar dit
werd weersproken door andere informatie (zie onderstaande overweging 79).
Gezien de niet-medewerking van de GOC, het feit dat veel van de leveranciers
die volgens de producenten-exporteurs particulier eigendom zijn
handelsondernemingen lijken te zijn (die het product mogelijk indirect van
staatsondernemingen hebben gekocht) en de beperkingen die bestaan voor commerciële
activiteiten van particuliere marktdeelnemers vanwege de sterke betrokkenheid
van de GOC bij deze sector (zie onderstaande overwegingen 85 tot en met 94),
wordt geconcludeerd (deels op grond van de beschikbare feiten (zie onderstaande
overweging 79) in de zin van artikel 28 van de basisverordening) dat
staatsondernemingen ook binnen de markt voor KGS een dominante positie hebben. (79) Deze
conclusie wordt ondersteund door het World Steel Capacity Book, dat het
door Chinese producenten-exporteurs gerapporteerde aandeel van 18 %
weerspreekt en aantoont dat meer dan 70 % van de totale
productiecapaciteit van KGS in de VRC in handen van de staat is[30]. (80) De Commissie vroeg de GOC om
informatie over de prijzen van WGS en KGS dat door staatsondernemingen en
particuliere ondernemingen op de Chinese markt wordt verkocht. De GOC heeft de
gevraagde informatie niet verstrekt in haar antwoord op de vragenlijst. Tijdens
het onderzoek bij de exporteurs van OBS werd vastgesteld dat de prijzen die
tijdens het onderzoektijdvak werden betaald voor WGS en KGS dat van
particuliere producenten van WGS en KGS werd afgenomen, consistent zeer dicht
bij de prijzen van staatsondernemingen lagen[31].
Derhalve wordt door de geanalyseerde gegevens en door de dominantie van
staatsondernemingen in deze sector aangetoond dat de prijzen van particuliere
leveranciers in feite gelijk lopen met de prijzen die aan staatsondernemingen
worden betaald. Daarnaast bleek het contract dat werd verstrekt door een van de
in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en dat betrekking had op de
levering van WGS door een leverancier in particuliere handen zelfs een
voorwaarde te bevatten dat de prijs aan de leveranciersprijs van
staatsondernemingen zou worden gekoppeld. (81) Op basis van het geheel aan
informatie in het dossier wordt vastgesteld dat er sprake is van verstoring van
de prijzen van WGS en KGS dat door staatsondernemingen in China wordt verkocht,
als gevolg van de grote dominantie van de staatsondernemingen binnen de markten
voor WGS en KGS in China. De prijzen van WGS en KGS van particuliere
leveranciers worden afgestemd op de prijzen van staatsondernemingen. Op grond
hiervan wordt vastgesteld dat er geen betrouwbare prijzen voor WGS en KGS in
China zijn. Aangezien er geen "heersende marktvoorwaarden" voor de
markt voor WGS en KGS in China zijn, moest de Commissie, overeenkomstig
artikel 6, onder d), van de basisverordening, een alternatieve benchmark
vinden. Aangezien de Chinese markt volledig verstoord is, wordt het praktisch onuitvoerbaar
geacht om de kosten en prijzen in China op welke betekenisvolle manier dan ook
te corrigeren, en naar het zich laat aanzien, zijn de invoerprijzen op
soortgelijke wijze verstoord door de dominantie van staatsondernemingen.
Derhalve werd, overeenkomstig artikel 6, onder d), ii), van de
basisverordening, naar een externe benchmark gezocht. (82) De meest geschikte benchmark
blijkt een door berekening vastgestelde benchmark te zijn op basis van de
wereldmarktprijzen van WGS en KGS die regelmatig worden gepubliceerd in diverse
gespecialiseerde staalvakbladen zoals Steel Business Briefing, MEPS en CRU. (83) De vergelijking van de prijzen
van staatsondernemingen met de buitenlandse benchmark (berekend zoals uitgelegd
in onderstaande overweging (103)) toonde aan dat deze prijzen veel lager waren
dan de benchmarkprijzen en derhalve resulteerden in voordeel voor de Chinese
producenten-exporteurs van OBS in de zin van artikel 3, lid 2, van de
basisverordening. (c)
Specificiteit (84) Dit subsidieprogramma is
specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder c), van de
basisverordening, gezien het feit dat het WGS en KGS door een beperkt aantal
sectoren en ondernemingen in China binnen hun productie wordt gebruikt. (d)
Toevertrouwen aan particuliere leveranciers
van en het belasten van particuliere leveranciers met overheidsfuncties (85) De
volgende vraag die moet worden beantwoord, is of het aan de particuliere
producenten van WGS en KGS die geen overheidsinstanties zijn, niettemin wordt
toevertrouwd om WGS en KGS aan de OBS-producenten te verstrekken of dat zij
hiermee worden belast, in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), iv),
van de basisverordening. Overheidsbeleid (86) Aan
het begin is reeds vastgesteld dat de GOC een beleid voert op grond waarvan zij
WGS en KGS aan de OBS-sector verstrekt, omdat overheidsinstanties die deel
uitmaken van de regering betrokken zijn bij dergelijke verstrekking en een
dominante positie in de markt innemen, waardoor ze prijzen kunnen bieden die
onder de marktprijzen liggen. Afgezien van de vraag of deze instanties als
overheidsinstanties kunnen worden gekarakteriseerd, toont hetzelfde
bewijsmateriaal in elk geval aan dat overheidsbeleid een sterk interveniërende
rol speelt in deze sector. Nu moet worden bepaald of dit beleid ook betrekking
heeft op particuliere leveranciers. Uitbreiding van het beleid naar particuliere
leveranciers van WGS en KGS Overheidsplannen met richtsnoeren en
stimulansen (87) Een aantal overheidsplannen en
beleidsdocumenten bevat aanwijzingen dat staalproducenten in de VRC (zowel
staats- als particuliere ondernemingen) bevorderd en ondersteund worden door de
GOC. Bepaalde delen van deze documenten wijzen erop dat er een direct verband
bestaat tussen de overheid en het gedrag van de particuliere staalondernemingen
en in enkele gevallen kan worden waargenomen dat deze "richtsnoeren"
leiden tot maatregelen door staalondernemingen overeenkomstig de aanbevelingen
in de plannen. (88) Bijvoorbeeld, instructie
van de NDRC nr. 35 - Beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en
staalsector moedigt de staalondernemingen aan om op een bepaalde manier te
handelen[32],
stelt voorwaarden voor investeringen vast en stelt voor investeringen de
goedkeuring van de autoriteiten verplicht[33],
beïnvloedt de mededinging voor hulpbronnen[34]
en voorziet zelfs in sancties voor ondernemingen in gevallen van niet-naleving[35]. Ook het twaalfde vijfjarige
ontwikkelingsplan voor de staalsector beïnvloedt de commerciële beslissingen
van de staalondernemingen, wat vervolgens van invloed kan zijn op de
kostenstructuur en de prijzen[36] (89) In aanvulling hierop heeft de
klager in bijlage 24 bij de klacht een verzameling uittreksels uit diverse
beleidsdocumenten van verschillende overheidsorganisaties ingediend die
nadrukkelijk wijzen op steun van de GOC aan de staalsector in het algemeen en
het segment organische bekledingen in het bijzonder[37]. (90) Daarnaast is er publiek
beschikbare informatie die aantoont dat de particuliere ondernemingen handelen
in overeenstemming met verschillende overheidsplannen en beleidsdocumenten[38]. Uitvoerbeperkingen voor warmgewalst en
koudgewalst staal (91) De GOC heeft stappen gezet om
de uitvoer van WGS en KGS te ontmoedigen door het opleggen van
uitvoerbeperkingen via het complexe btw-terugbetalingsstelsel. Meer in het
bijzonder moet voor WGS en KGS een btw van 17 % betaald worden. Van de btw
voor binnenlands verkocht OBS dat wordt geproduceerd uit KGS (dat geproduceerd
wordt uit WGS) kan 13 % terugbetaald worden, terwijl er voor bedrijven die
ervoor kiezen WGS of KGS uit te voeren helemaal geen btw wordt terugbetaald.
Dit stelsel houdt in dat de particuliere producenten van WGS en KGS niet in
staat zijn om met de normale commerciële vrijheid te handelen en het gevolg
hiervan is dat het binnenlandse aanbod van WGS en KGS toeneemt en de prijs ervan
op de Chinese markt onvermijdelijk daalt. Derhalve zijn particuliere
producenten van WGS en KGS (op dezelfde wijze als staatsondernemingen) niet in
staat om onafhankelijk van het GOC-beleid te handelen. Prijsstelling van particuliere leveranciers (92) In bovenstaand punt over
voordeel voor overheidsinstanties is vastgesteld dat de particuliere
producenten van WGS en KGS, vanwege de dominantie van de staalproducerende
staatsondernemingen in de markt voor WGS en KGS, geen andere keuze hebben dan
hun prijzen af te stemmen op de prijzen van de staatsondernemingen. Met andere
woorden, ze bepalen de prijzen niet, maar nemen ze over. Dit is opnieuw een
aanwijzing dat de particuliere producenten van WGS en KGS niet onafhankelijk
van de maatregelen van de GOC en andere overheidsinstanties kunnen handelen. (93) Dit feit wordt ook ondersteund
door de informatie die is verstrekt door de Chinese producenten-exporteurs die
antwoorden indienden op de antisubsidievragenlijsten waaruit blijkt dat de
prijzen van particuliere leveranciers van WGS en KGS bijna op één lijn met die
van staatsondernemingen worden gebracht. Daarnaast bleek het contract dat werd
verstrekt door een van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en
dat betrekking had op de levering van WGS door een leverancier in particuliere
handen zelfs een voorwaarde te bevatten dat de prijs zou worden gekoppeld aan
de leveranciersprijs van staatsondernemingen. (94) In het
licht van bovenstaande bevinding dat de prijzen van staatsondernemingen onder
de marktprijzen liggen, is het duidelijk dat de prijzen van particuliere
leveranciers ook onder de marktprijzen liggen, gezien het feit dat ze worden
afgestemd op die van staatsondernemingen. (e)
Financiële bijdrage (95) Op grond van artikel 3,
lid 1, onder a), iv), tweede streepje, van de basisverordening is er
sprake van een financiële bijdrage wanneer een overheid: "aan een
particulier lichaam een of meer van de onder i), ii) en iii) genoemde soorten
functies toevertrouwt of dat lichaam daarmee belast, welke functies zij normaal
zelf zou vervullen en de praktijk in werkelijkheid niet afwijkt van praktijken
die overheidsinstanties plegen te volgen;". De WTO-beroepsinstantie (Appellate
Body - AB) heeft "belasten met" uitgelegd als verwijzend naar
situaties waarin een overheid haar gezag uitoefent, met inbegrip van enige mate
van dwang, ten aanzien van een particulier lichaam, en "toevertrouwen
aan" als verwijzend naar situaties waarin een overheid aan een particulier
lichaam verantwoordelijkheid geeft[39].
Het WTO-panel inzake exportbeperkingen van de VS[40]heeft, in aanvulling hierop,
een drieledige test vastgesteld voor de vraag of er sprake is van het
toevertrouwen van overheidsfuncties aan ondernemingen of het belasten van
ondernemingen met dergelijke functies, waarbij er sprake moet zijn van a) een
overheidsmaatregel die b) gericht is op een specifieke partij en c) waarvan het
doel een specifieke taak of plicht is[41]. (96) Op basis hiervan betekent het
feit dat het GOC-beleid om WGS en KGS te verstrekken ook op particuliere
leveranciers van toepassing is, dat de overheid aan particuliere leveranciers
overheidsfuncties "toevertrouwt" en hen met dergelijke functies
"belast" om de volgende redenen: Een "overheidsmaatregel": –
Het GOC-"beleid" (zie bovenstaande
overweging (86)) bestaat uit een "maatregel" of
"maatregelen". Het beleid wordt uitgevoerd door overheidsinstanties
(staatsondernemingen), die een dominante positie binnen de markt innemen en
verkopen voor lagere prijzen dan de marktprijzen, alsmede door de GOC, via
plannen en de manipulatie van uitvoerbeperkingen. Het algemene effect is dat
particuliere leveranciers feitelijk gedwongen worden om de onder de
marktprijzen liggende prijzen van overheidsinstanties te volgen. "gericht op een specifieke partij": –
Het overheidsbeleid (in het bijzonder de plannen en
uitvoerbeperkingen) is van toepassing op alle producenten van GWS en KGS, zowel
staats- als particuliere ondernemingen. In dit opzicht is het beleid
"gericht" op alle producenten. Dit wordt bewezen door het feit dat de
prijzen van staatsondernemingen en de particuliere prijzen op elkaar worden
afgestemd en dat particuliere leveranciers verkopen voor in commercieel opzicht
onredelijke prijzen. "waarvan het doel een specifieke taak of
plicht is": –
Zoals wordt bewezen door de prijsniveaus in de VRC,
is het doel van het overheidsbeleid de verstrekking van WGS en KGS voor prijzen
die onder de marktprijzen liggen. De maatregelen van de GOC en
staatsondernemingen laten particuliere leveranciers geen andere keus dan de
praktijken van overheidsinstanties te volgen en hierdoor wordt hun in feite een
specifieke taak of plicht opgelegd. Het GOC-beleid houdt, met name via de
plannen en btw-manipulatie, een aanzienlijke beperking in van de mate waarin
particuliere leveranciers vrij zijn van deze taak of plicht. Conclusie (97) Alle
bovenstaande factoren in aanmerking nemende, kan worden geconcludeerd dat de
beperking van de uitvoer door de GOC, de overheidsplanning en de dominantie van
staatsondernemingen een beperking inhouden van de vrijheid van particuliere
leveranciers van WGS en KGS, waardoor zij verplicht zijn op een
niet-commerciële wijze te handelen en om in economisch opzicht irrationele
prijzen (onder de marktprijzen) te aanvaarden, hetgeen zij niet zouden doen in
een vrije en open markt. Dit bevestigt dat het overheidsbeleid om WGS en KGS te
verstrekken (met inbegrip van leveringen aan de sector voor organisch bekleed
staal) zich uitstrekt naar particuliere leveranciers. (98) In het
licht van bovenstaande analyse is de Commissie daarnaast op basis van andere
publiek beschikbare informatie tot de conclusie gekomen dat particuliere
producenten van WGS en KGS in de VRC door de GOC de taak toevertrouwd krijgen
(en met deze taak belast worden) om goederen te verstrekken overeenkomstig artikel 3,
lid 1, onder a), iii), en artikel 3, lid 1, onder a), iv), van
de basisverordening en dat zij op dezelfde manier handelen als
staalproducerende staatsondernemingen. (f)
Voordeel (particuliere leveranciers) (99) De Commissie heeft vastgesteld
dat er sprake is van het toevertrouwen van overheidsfuncties aan particuliere
leveranciers van WGS en KGS door de GOC en dat de GOC hen met dergelijke
functies belast en het onderzoek heeft aangetoond dat de prijzen van
particuliere leveranciers van WGS en KGS worden afgestemd op de prijzen van
staatsondernemingen (zie bovenstaand punt). (100) Op grond hiervan wordt
geconcludeerd dat de bevindingen met betrekking tot specificiteit en het
voordeel dat ontstaat door de verstrekking van WGS en KGS door
staatsondernemingen voor prijzen die onder de marktprijzen liggen ook van
toepassing zijn op de verstrekking van WGS en KGS door particuliere
leveranciers. (g)
Bevindingen van het onderzoek (101) Twee van de in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs hebben van dit programma gebruikgemaakt. Eén
producent-exporteur (Panhua Steel Group) heeft gebruikgemaakt van de
verstrekking van WGS voor een ontoereikende prijs, terwijl de andere
producent-exporteur (Huadong Steel Group) gebruik heeft gemaakt van de
verstrekking van KGS voor een ontoereikende prijs. (h)
Berekening van de hoogte van de subsidie (102) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dit voordeel wordt
berekend door de verschillen tussen de werkelijke aankoopprijzen en de
overeenkomstige benchmarkwaarden van de aankopen voor WGS en KGS bij elkaar op
te tellen. Het resulterende bedrag is vervolgens omgeslagen over de totale
omzet van de medewerkende producenten-exporteurs in het OT, omdat de subsidie
niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde,
geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (103) Aangezien
de Chinese markt voor WGS en KGS verstoord is, werden de wereldmarktprijzen van
WGS en KGS geschikt geacht voor het door berekening vaststellen van
benchmarkprijzen voor WGS en KGS. Op basis van informatie uit diverse
staalvakbladen (SBB en MEPS) werden de binnenlandse prijzen, minus belastingen,
van vijf landen/regio's geselecteerd (namelijk Europa, de Verenigde Staten,
Turkije, Japan en Brazilië).Om tot de representatieve benchmark te komen, heeft
de Commissie de grootste markt gekozen voor elke relevante geografische regio,
d.w.z. Europa (EU), Noord-Amerika (VS), Latijns Amerika (Brazilië), Azië
(Japan) en het Midden-Oosten//Noord-Afrika (Turkije). Van de gemiddelde
maandelijkse prijzen voor het OT van elk van de vijf landen/regio's werd het
rekenkundige gemiddelde genomen om de maandelijkse benchmarkprijzen te
berekenen. De vijf geselecteerde landen/regio's hadden niet de hoogste prijzen
in het OT, zij zijn alle lid van de WTO, zij behoren tot de tien grootste
staalproducenten van de wereld en zijn op verschillende continenten gevestigd.
De op deze manier berekende benchmarkprijzen worden derhalve geacht redelijk en
passend te zijn. (104) Het subsidiepercentage dat ten
aanzien van deze regeling voor het OT voor de in de steekproef opgenomen
producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt 23,02 % voor de Huadong
Group en 27,63 % voor de Panhua Group. (105) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 25,37 %. (106) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend bepaald op het niveau van het hoogste
subsidiepercentage dat voor deze regeling is vastgesteld voor een entiteit die
verbonden was aan een van de medewerkende ondernemingen in de steekproef,
namelijk 32,44 %. 3.3.1.2. Verlening van
grondgebruiksrechten voor een ontoereikende prijs (a)
Inleiding (107) De klager beweerde dat er in
China geen functionerende markt voor grond bestaat en dat het door
ondernemingen voor het gebruik van grond betaalde bedrag lager is dan de
gangbare marktprijs. In haar antwoord op de antisubsidievragenlijst verklaarde
de GOC: "Overeenkomstig de wet op het grondbeheer van de VRC is grond in
stedelijke districten eigendom van de staat, terwijl grond in plattelands- en voorstedelijke
gebieden het collectieve eigendom van de boeren is". De GOC stelde dat er
een gestandaardiseerde grondmarkt is met ordelijk verlopende concurrentie,
waarbij grondgebruiksrechten openbaar verhandeld moeten worden overeenkomstig
de voor de grondmarkt geldende wet. De GOC stelde tevens dat industriële en
commerciële grond verkregen moet worden door het betalen van een vergoeding
voor het gebruik binnen een open markt bij opbod, veiling en door middel van
mededinging. De GOC heeft geen gegevens verstrekt met betrekking tot de
werkelijke prijzen van de grondgebruiksrechten en de door de overheid
vastgestelde minimumprijzen die werden genoemd in het antwoord op de
antisubsidievragenlijst en tijdens het controlebezoek. (108) Tijdens het controlebezoek
heeft de Commissie de GOC gevraagd om gegevens te verstrekken ten bewijze van
haar bewering dat alle industriële grond in China wordt verdeeld bij opbod,
prijsopgave of veiling. De GOC was niet in staat om dergelijke gegevens te
verstrekken tijdens het controlebezoek, maar verstrekte wel enige informatie in
dit verband na het controlebezoek. Echter, deze informatie toont alleen aan dat
van de dertien transacties in verband met grondgebruiksrechten waarbij
producenten-exporteurs in de steekproef betrokken waren, er slechts zes
plaatsvonden via een biedings- of veilingsproces. De door de Commissie
gevraagde informatie over het biedings-/veilingsproces werd niet verstrekt en
ook bleek in alle gevallen de uiteindelijke prijs die door de onderneming werd
betaald dezelfde te zijn als de door de plaatselijke autoriteiten op
willekeurige wijze vastgestelde prijs. (109) Aannemende
dat er geen marktprijs voor grond is in de VRC, verzocht de Commissie de GOC
ook om haar standpunten ten aanzien van mogelijke benchmarks. Hoewel dit
slechts een aanname was en in geen geval een bevinding of conclusie op het
moment waarop de vragenlijst naar de GOC werd verstuurd, gaf de GOC als
standpunt te kennen dat deze aanname onjuist is en diende zij geen mogelijke
benchmarks in. De GOC wees ook op een vermeende onvolkomenheid in de klacht in
de zin dat de klager enerzijds beweert dat er geen markt voor grond is in China
en een "buitenlandse benchmark" gebruikt zou moeten worden, maar
anderzijds beweert dat de staatsondernemingen grond verkrijgen van de overheid
op gunstige voorwaarden in vergelijking met de particuliere sector, en de GOC
stelde voor dat, indien enige benchmark toegepast zou moeten worden, het de
prijzen zouden moeten zijn die "niet-bevoordeelde" Chinese sectoren
betalen, maar de GOC verstrekte geen informatie over deze prijzen. In dit
verband zij opgemerkt dat de klager stelde dat de gehele markt voor
grondgebruiksrechten verstoord was en dat zowel OBS-producerende
staatsondernemingen als particuliere OBS-producenten grondgebruiksrechten
hebben ontvangen voor een ontoereikende prijs. (b)
Rechtsgrondslag (110) De verlening van
grondgebruiksrechten in China wordt gereguleerd door de wet op het grondbeheer
van de Volksrepubliek China en de wet op de onroerendgoedrechten van de Volksrepubliek
China. (c)
Toepassing in de praktijk (111) Overeenkomstig artikel 2
van de wet op het grondbeheer is alle grond eigendom van de staat, aangezien de
grond overeenkomstig de Chinese grondwet en desbetreffende wetsbepalingen
eigendom is van de gehele Chinese bevolking. Grond kan niet worden verkocht,
maar volgens de wet kunnen grondgebruiksrechten worden verleend. De
overheidsinstanties kunnen die rechten verlenen bij publiek opbod, prijsopgave
of veiling. (d)
Bevindingen van het onderzoek (112) De medewerkende
producenten-exporteurs hebben informatie verstrekt over hun gronden en over de
meeste relevante grondgebruiksrechtovereenkomsten of -attesten, maar de GOC
heeft slechts zeer beperkte informatie verstrekt over de prijsstelling van
grondgebruiksrechten. (113) Zoals in het bovenstaande
beschreven, voerde de GOC aan dat de grondgebruiksrechten worden toegekend bij
opbod, veiling en via mededinging. Dit stemt ook overeen met het bepaalde in
artikel 137 van de Wet op de onroerendgoedrechten van de Volksrepubliek
China[42]. Panhua Group Co. Ltd. (114) Echter, tijdens de controle van
medewerkende producenten-exporteurs werd vastgesteld dat het door de GOC
beschreven systeem niet altijd op deze manier functioneert in de praktijk. Zo
was van de zes grondgebruiksrechten die zijn gekocht door Chongqing Wanda Steel
Strip Co. Ltd. (onderdeel van Panhua Group Co. Ltd), er voor vier ervan geen
biedingsproces, zoals functionarissen van de onderneming hebben bevestigd.
Chongqing Wanda was de enige deelnemer en de uiteindelijke transactieprijs die
door de onderneming werd betaald, was feitelijk precies dezelfde als de
initiële prijs die op willekeurige wijze was vastgesteld door het plaatselijke
bureau voor grondbeheer. Voor de twee resterende grondgebruiksrechten was er een
biedingsproces, maar hiervoor zijn geen bewijzen verstrekt door de onderneming
of de GOC. Feitelijk blijkt uit de documenten die de GOC indiende na het
controlebezoek dat ook deze twee grondgebruiksrechten zijn gekocht voor
dezelfde prijs als de door het plaatselijke bureau voor grondbeheer
vastgestelde prijs. Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd (ook onderdeel van
Panhua Group Co. Ltd) verkreeg drie grondgebruiksrechten via de overdracht
ervan door particuliere ondernemingen in ruil voor aandelen in Panhua Group Co.
Ltd. Zhejiang Huadong Light Steel Building
Material Co., Ltd (115) Zhejiang
Huadong Light Steel Building Material Co., Ltd verkreeg twee
grondgebruiksrechten van het plaatselijke bureau voor grond- en
hulpbronnenbeheer, district Xiaoshan, en één van een particuliere onderneming.
Volgens de GOC kon er geen bewijs worden verstrekt voor verkoop bij opbod of
veiling, aangezien er vóór 1 september 2006 voor transacties in verband
met grondgebruiksrechten geen verkoopbevestigingen bestonden, en in feite
bevestigde noch ontkende de GOC dat deze transacties hadden plaatsgevonden bij
opbod of veiling. (116) De bevindingen van deze procedure bevestigen dat de situatie
wat betreft de verkoop en aankoop van land in China onduidelijk en
niet-transparant is en dat de prijzen vaak op willekeurige wijze door de
autoriteiten worden vastgesteld. De autoriteiten stellen de prijzen vast
volgens het evaluatiesysteem voor stedelijke grond, dat naast andere criteria
de instructie bevat om ook het industriebeleid in aanmerking te nemen bij de
prijsstelling voor industriële grond. Daarnaast is de toegang tot industriële
grond beperkt, in ieder geval in de staalsector, tot uitsluitend ondernemingen
die het door de staat vastgestelde industriebeleid eerbiedigen[43]. (117) Ook
wijst de onafhankelijke, door de klager verstrekte informatie erop dat de grond
in China wordt verstrekt voor prijzen die onder de gangbare marktprijzen liggen[44]. (e)
Conclusie (118) Gezien het bovenstaande moet de
verlening van grondgebruiksrechten door de GOC worden aangemerkt als een
subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a) iii), en
lid 2, van de basisverordening, in de vorm van de levering van goederen,
waardoor de ontvangende ondernemingen een voordeel hebben verkregen. Zoals
uiteengezet in bovenstaande overwegingen 114 en 115 is er in de VRC geen
functionerende grondmarkt, en blijkt uit het gebruik van een externe benchmark
dat het bedrag dat de medewerkende producenten-exporteurs voor
grondgebruiksrechten hebben betaald, ver onder de normale marktwaarde ligt. De
subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a) en c),
van de basisverordening, omdat de toegang tot industriële grond rechtens
beperkt is tot ondernemingen die het door de overheid vastgestelde industriebeleid
eerbiedigen, er alleen voor bepaalde transacties een biedingsproces was,
prijzen vaak worden vastgesteld door de autoriteiten en de overheidspraktijken
op dit gebied onduidelijk en ondoorzichtig zijn. (119) Deze subsidie wordt derhalve
geacht aanleiding te geven tot compenserende maatregelen. (f)
Berekening van de hoogte van de subsidie (120) Aangezien
geconcludeerd werd dat de situatie van de grondgebruiksrechten in de VRC niet
marktgestuurd is, blijken er helemaal geen particuliere benchmarks in China te
zijn. Bijgevolg kunnen de kosten of de prijzen in de VRC niet worden
gecorrigeerd. In deze omstandigheden wordt geacht dat er in de VRC geen markt
is en dat, overeenkomstig artikel 6, onder d), ii), van de
basisverordening, het gebruik van een externe benchmark om het bedrag van het
voordeel te meten, gerechtvaardigd is. Aangezien de GOC geen medewerking heeft
verleend of geen voorstel voor een externe benchmark heeft gedaan, moest de
Commissie zich op beschikbare gegevens baseren om een geschikte externe
benchmark vast te stellen. In dit verband wordt het passend geacht gebruik te
maken van informatie van het afzonderlijke douanegebied van Taiwan als
geschikte benchmark. (121) De
Commissie is van oordeel dat de grondprijzen in Taiwan de beste
benaderingswaarde bieden voor de gebieden in de VRC waar de medewerkende
producenten-exporteurs gevestigd zijn. De producenten-exporteurs zijn in
meerderheid gevestigd in het oosten van de VRC, in ontwikkelde gebieden met een
hoog BBP in dichtbevolkte provincies. (122) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel is berekend door het bedrag dat door elke onderneming voor
grondgebruiksrechten is betaald af te trekken van het bedrag dat op basis van
de Taiwanese benchmark normaal gezien had moeten worden betaald. (123) Voor deze berekening heeft de
Commissie gebruik gemaakt van de gemiddelde grondprijs per vierkante meter in
Taiwan, gecorrigeerd voor muntdevaluatie en voor de ontwikkeling van het BBP
vanaf de data van de respectieve grondgebruiksrechtovereenkomsten. De
informatie betreffende de prijzen voor industriegronden is afkomstig van de
website van het Bureau voor de industrie van het ministerie van Economische
Zaken van Taiwan. De muntdevaluatie en ontwikkeling van het BBP voor Taiwan
zijn berekend op basis van de inflatiecijfers en ontwikkeling van het BBP per
hoofd tegen actuele prijzen in USD voor Taiwan, zoals door het IMF gepubliceerd
in zijn 2011 World Economic Outlook. Overeenkomstig artikel 7, lid 3,
van de basisverordening is het bedrag van deze subsidie (de teller) gespreid
over het OT voor een normale levensduur van het grondgebruiksrecht voor
industrieel gebruik in de VRC, namelijk 50 jaar. Dit bedrag is vervolgens
omgeslagen over de totale omzet van de medewerkende producenten-exporteurs in
het OT omdat de subsidie niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet werd
toegekend op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde
hoeveelheden. (124) Het subsidiepercentage dat ten
aanzien van deze regeling voor het OT voor de medewerkende
producenten-exporteurs is vastgesteld, bedraagt 0,34 % voor de Huadong
Group en 1,12 % voor de Panhua Group. (125) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 0,73 %. (126) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend bepaald op het niveau van het hoogste
subsidiepercentage dat voor deze regeling is vastgesteld voor een entiteit die
verbonden was aan een van de medewerkende ondernemingen in de steekproef,
namelijk 1,36 %. 3.3.1.3. Programma bestaande uit de
verstrekking van water voor een ontoereikende prijs (a)
Inleiding (127) In de klacht wordt gesteld dat
de waterprijzen in de VRC uitsluitend door overheidsinstanties worden bepaald
en dat de prijsstructuur is opgezet op grond van industrieel macrobeleid. In de
klacht werd tevens gemeld dat de waterprijzen verschillend waren in de diverse
gebieden en dat er ook een differentiatie van onderneming tot onderneming was.
De klager stelde dat het waarschijnlijk was dat OBS-producenten voordeel hadden
gehad van waterprijzen die onder de toereikende prijzen lagen, overeenkomstig
het beleid ter bevordering van hoogwaardige staalproducten. (128) De watervoorziening en -markt
in de VRC wordt beheerd door de NDRC, het ministerie van Water en het
ministerie van Milieu. De watervoorzieningsmarkt wordt nog steeds grotendeels
gedomineerd door plaatselijke staatsondernemingen, hoewel de entree van
buitenlandse investeringsmaatschappijen op de markt in het kader van een aantal
watervoorzieningsprojecten van bepaalde steden het monopolie van
staatsleveranciers heeft doorbroken. Echter, de GOC was niet in staat om een
gedetailleerde lijst te verstrekken van waterleveranciers met inbegrip van hun
verzorgingsgebieden en geleverde volumes (zie onderstaande overweging 129),
maar beperkte haar antwoord tot een lijst van waterleveranciers in de gebieden
van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. (129) Wat
betreft de prijsstelling is de NDRC verantwoordelijk voor de vaststelling van
het hoofdbeleid inzake prijsstelling en stellen de plaatselijke autoriteiten de
lokale waterprijs vast na een raadplegingsprocedure die als doel heeft te komen
tot een duurzaam gebruik van watervoorraden. De prijzen zijn een weerspiegeling
van de kosten, vermeerderd met een redelijke winst voor de plaatselijke
waterleveranciers. De GOC heeft de relevante prijslijsten verstrekt die van
toepassing zijn op de gemeenten waar de OBS producerende producenten-exporteurs
gevestigd zijn. Daarbij werd verduidelijkt dat de diverse gemeentelijke prijzen
van uniforme toepassing zijn op alle industriële gebruikers en niet variëren
per onderneming of gebruiker. (i)
Bevindingen van het onderzoek (130) Het onderzoek bevestigde dat de
NDRC de basisprijs voor water vaststelt en dat de gemeentelijke
overheidsinstanties die verantwoordelijk zijn voor de prijsstelling de prijs
voor iedere gemeente vaststellen op basis van verschillende parameters (bijv.
distributiekosten, winst en een redelijke meerwaarde). Aan de waterprijs wordt
een vergoeding voor "afvalwaterzuivering" toegevoegd, die eveneens op
gemeentelijk niveau wordt vastgesteld. (131) Hoewel de basiswaterprijs, de
vergoeding voor afvalwaterzuivering en eventuele andere plaatselijke toeslagen
van gelijke toepassing zijn op alle gebruikers die tot dezelfde categorieën
behoren, werd geconstateerd dat een van de twee in de steekproef opgenomen
exporteurs, Zhejiang Huadong Group, de vergoeding voor afvalwaterzuivering niet
heeft betaald. (132) De exporteur beweerde deze
vergoeding als een eenmalig vast bedrag aan het bureau voor milieubescherming
te hebben betaald. Echter, er wordt verondersteld dat deze betaling niet is
gedaan in de plaats van de vergoeding voor afvalwaterzuivering om de volgende
drie redenen: 1) in het officiële document is sprake van een vergoeding voor
"afvalwateremissie" en niet een vergoeding voor
"afvalwaterzuivering"; 2) de betaling is niet evenredig met het
werkelijke waterverbruik; 3) het totale betaalde bedrag is zeer gering in
vergelijking met het bedrag dat betaald zou moeten worden, indien de vergoeding
voor afvalwaterzuivering berekend zou zijn op basis van het werkelijke
waterverbruik. (j)
Financiële bijdrage (133) Zhejiang Huadong Group heeft
een financiële bijdrage in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
iii), van de basisverordening ontvangen in de vorm van verstrekking van water
door de overheid via de plaatselijke staatsonderneming voor watervoorziening
(d.w.z. Hangzhou Xiaoshan Water Supply Co. Ltd.). Op grond van de
basisverordening vormt dit een financiële bijdrage van de overheid in de vorm
van de verstrekking van goederen anders dan algemene infrastructuur. Ook zou
dit beoordeeld kunnen worden als inkomsten die de overheid normaal toekomen,
maar waarvan zij afstand doet, omdat een overheidsinstantie ze niet heeft
geïnd, overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder a), ii). (k)
Voordeel (134) Huadong Steel Group heeft een
voordeel ontvangen in de zin van artikel 3, lid 2, van de
basisverordening in de mate waarin de overheid water heeft verstrekt voor een
ontoereikende prijs. Er is reeds vastgesteld dat deze exporteur niet de
volledige prijs voor watervoorziening heeft betaald die normaal toepasselijk
zou zijn op de categorie gebruikers waartoe deze exporteur behoort, aangezien
het deel van de waterprijs dat bestaat uit een "vergoeding voor afvalwaterzuivering"
niet is betaald. (l)
Specificiteit (135) De subsidie in de vorm van de
verstrekking van water aan een van de medewerkende exporteurs is specifiek in
de zin van artikel 4, lid 2, onder c), van de basisverordening,
aangezien niet alle ondernemingen worden vrijgesteld van het betalen van de
vergoeding voor afvalwaterzuivering. Niettegenstaande de afwezigheid van
wetgeving die deze subsidie voor bepaalde ondernemingen beperkt, wordt de
subsidie in feite specifiek gemaakt door het feit dat voor bepaalde
ondernemingen die het betrokken product produceren de mogelijkheid bestaat om
water te kopen voor een ontoereikende prijs, in combinatie met het feit dat de
plaatselijke autoriteiten kennelijk een discretionaire bevoegdheid hebben om af
te zien van het innen van een deel van de vergoeding die normaal voor water
wordt betaald. De Commissie kon geen verdere informatie verzamelen over de
gronden om van het innen van de vergoeding af te zien, aangezien de
producent-exporteur deze informatie niet kon verstrekken. (m)
Berekening van de hoogte van de subsidie (136) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dit voordeel wordt
geacht het bedrag te zijn van de vergoeding voor afvalwaterzuivering die niet
is betaald voor het waterverbruik in het OT. Overeenkomstig artikel 7,
lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag (teller) omgeslagen
over de totale omzet van de medewerkende producenten-exporteurs in het OT,
omdat de subsidie niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet op basis
van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd
toegekend. (137) Zhejiang Huadong Group heeft
voordeel gehad van de niet-betaling van de vergoeding voor afvalwaterzuivering.
Het hiervoor berekende subsidiepercentage bedraagt 0,01 %. (138) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 0,01 %. (139) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend bepaald op het niveau van het hoogste
subsidiepercentage dat voor deze regeling is vastgesteld voor de in de
steekproef opgenomen ondernemingen, namelijk 0,01 %. 3.3.1.4. Programma bestaande uit de
verstrekking van elektriciteit voor een ontoereikende prijs (a)
Inleiding (140) De klager stelde dat de GOC
elektriciteit heeft geleverd voor een ontoereikende prijs via preferentiële
tarieven. In het bijzonder voerde de klager aan dat elektriciteitstarieven in
verschillende provincies op verschillende niveaus werden vastgesteld en ook dat
preferentiële tarieven werden gebruikt als een industriebeleidsinstrument om
hoogwaardige staalproducten te bevorderen en het gebruik van verouderde
productiecapaciteiten te ontmoedigen. (141) De NDRC is verantwoordelijk
voor de regulering van de elektriciteitsmarkt en de prijsstelling in de VRC. De
transprovinciale en provinciale netwerken worden geëxploiteerd door twee
leveranciers die eigendom van de staat zijn: State Grid Corporation of China en
China Southern Power Grid Corporation. De elektriciteitsleveranciers op
gemeentelijk niveau zijn dochterondernemingen van deze ondernemingen. Een
mededingingsmechanisme wordt momenteel in de VRC ingevoerd via een aantal
proefprojecten, maar het effect daarvan is in dit stadium nog te verwaarlozen. (142) De elektriciteitsprijzen worden
vastgesteld door de NDRC op basis van een procedure die een kostenonderzoek,
beoordeling door deskundigen, openbare hoorzittingen alsmede prijsstelling en
publicatie omvat. De NDRC publiceert de prijzen die op iedere provincie van
toepassing zijn in berichten, waarna de plaatselijke voor prijsstelling
verantwoordelijke bureaus de door de centrale NDRC bepaalde prijzen op lokaal
niveau invoeren. De uiteindelijke prijs weerspiegelt inkoopkosten,
transportkosten en -verliezen alsmede overheidstoeslagen. De prijzen worden
gedifferentieerd afhankelijk van de plaatselijke situatie en beleidsdoelstellingen
die in de diverse provincies worden nagestreefd. Ze worden vastgesteld voor
verschillende categorieën eindgebruikers (bijv. huishoudens, industriële
gebruikers). Daarnaast wordt de prijs gedifferentieerd voor verschillende
industriële gebruikers om de industriebeleidsdoelstellingen te bereiken die
door de GOC zijn vastgesteld, zoals wordt weerspiegeld in de catalogus die is
opgenomen in besluit nr 40 (2005) van de NDRC (zie verdere toelichting in
overweging (182)). Gebruikers die volgens de NDRC-catalogus behoren tot de
categorie "bevorderde" ondernemingen betalen het basistarief voor
elektriciteit, terwijl gebruikers die in de categorie "verouderd" of
"verboden" vallen een toeslag boven op het basistarief betalen. Gebruikers
die niet tot een van de in de catalogus vermelde categorieën behoren, worden
ingedeeld bij de standaardcategorie van "toegestane" ondernemingen en
betalen ook het basistarief zonder toeslagen. OBS-producenten zouden op grond
van besluit nr. 40 van de NDRC normaal worden ingedeeld in de categorie
"bevorderde" ondernemingen. (b)
Niet-medewerking (143) De Commissie heeft de GOC
verzocht om verstrekking van het rechtskader van de elektriciteitsmarkt en de
prijsstelling voor elektriciteit en om informatie over de rol die alle
relevante lichamen of entiteiten spelen. De GOC heeft verzuimd om de volledige
reeks relevante prijsstellingsbeslissingen die door de NDRC en de plaatselijke
prijsstellingsbureaus zijn genomen te verstrekken, niet alleen met betrekking
tot de producenten-exporteurs die niet in de steekproef waren opgenomen, maar
ook met betrekking tot de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. De
GOC heeft tevens verzuimd om een nauwkeurige beschrijving te geven van de rol
van de NDRC en de plaatselijke prijsstellingsbureaus bij de prijsstelling. In
haar brief van 12 augustus 2012 heeft de Commissie de GOC geïnformeerd
over deze verzuimen met betrekking tot de in de steekproef opgenomen
producenten-exporteurs. Daarnaast werd na de controlebezoeken ontdekt dat de
GOC een onjuist elektriciteitstarief had opgegeven voor een van de in de
steekproef opgenomen producenten-exporteurs. (c)
Bevindingen van het onderzoek (144) Het onderzoek bevestigt dat het
de NDRC is die de elektriciteitsprijzen vaststelt die van toepassing zijn in de
diverse provincies. Er werd geverifieerd dat het plaatselijke
prijsstellingsbureau slechts als uitvoerder van de op centraal niveau door de
NDRC getroffen beslissing fungeert. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat
de NDRC berichten uitvaardigt waarin de feitelijke prijzen voor iedere
provincie worden vastgesteld, waarna deze berichten worden geformaliseerd in
plaatselijke berichten die door het plaatselijke prijsstellingsbureau worden
aangenomen en op lokaal niveau worden ingevoerd. Tijdens het onderzoek werd
tevens geconstateerd dat gedifferentieerde elektriciteitstarieven die worden
toegepast op bepaalde sectoren en/of op provinciaal en lokaal niveau, worden
vastgesteld op grond van bepaalde factoren, met inbegrip van, in het bijzonder,
het nastreven van de industriebeleidsdoelstellingen die de centrale overheid en
lokale overheden hebben vastgesteld in hun vijfjarenplannen en in de sectorale
plannen. (145) Het onderzoek van de
medewerkende, in de steekproef opgenomen exporteurs bracht aan het licht dat
een van hen, namelijk Chongqing Wanda Steel Strip ("CWSS"), voordeel
heeft genoten door een elektriciteitstarief dat lager was dan het tarief dat
algemeen geldt voor grote industriële gebruikers. Vastgesteld werd dat in het
specifieke gebied waar deze exporteur was gevestigd, een subcategorie van
bepaalde industriële gebruikers, met inbegrip van hen die het betrokken product
produceren, recht hadden op dit lagere tarief. (d)
Financiële bijdrage (146) Een van
de medewerkende, in de steekproef opgenomen exporteurs (CWSS) heeft een
financiële bijdrage ontvangen in de zin van artikel 3, lid 1, onder
a), iii), van de basisverordening in de vorm van verstrekking van elektriciteit
door de overheid via de plaatselijke staatsonderneming voor
elektriciteitsvoorziening. Op grond van de basisverordening vormt dit een
bijdrage van de overheid in de vorm van de verstrekking van goederen anders dan
algemene infrastructuur. (e)
Voordeel (147) CWSS heeft een voordeel
ontvangen in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening in
de mate waarin de overheid elektriciteit heeft verstrekt voor een ontoereikende
prijs. Er is vastgesteld dat deze exporteur recht had op een lager tarief dan
het tarief dat normaal van toepassing is op andere grote industriële
gebruikers. (f)
Specificiteit (148) De subsidie in de vorm van de
verstrekking van elektriciteit aan een van de medewerkende exporteurs is
specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), en lid 3,
van de basisverordening. Het lagere elektriciteitstarief is vastgesteld in het
desbetreffende NDRC-bericht en is opgenomen in het bericht dat door het lokale
prijsstellingsbureau is uitgevaardigd, d.w.z. het tarief wordt verplicht
gesteld door een centrale instantie en op lokaal niveau beheerd. De geldigheid
van dit lagere tarief wordt beperkt tot bepaalde ondernemingen in bepaalde
gespecificeerde bedrijfstakken (hoofdzakelijk producenten van ijzerlegeringen
in ondernemingen met elektro-ovens en kunstmestondernemingen), die zijn
ingedeeld in een subcategorie van grootschalige industriële gebruikers.
Derhalve wordt dit lagere tarief krachtens wetgeving beperkt tot uitsluitend
ondernemingen die in deze categorieën zijn ingedeeld in de zin van
artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening. (149) De
subsidie is ook beperkt tot een bepaalde regio in de zin dat de subsidie
uitsluitend van toepassing is binnen een beperkt, afgebakend geografisch gebied
waarin de producent-exporteur gevestigd is. De ontwikkeling van dit gebied
wordt bevorderd op grond van door de centrale overheid vastgestelde wetgeving,
namelijk de circulaire van de Raad van State inzake enkele
beleidsmaatregelen voor de realisering van de ontwikkeling van de grote
westelijke regio's van China (zie onderstaande overweging (233) voor meer
details). Deze circulaire noemt uitdrukkelijk prijsmechanismen voor
elektriciteitstransport en -levering als een van de instrumenten om de
ontwikkeling van bepaalde sectoren tot stand te brengen. Aangezien de
elektriciteitstarieven die in dit gebied van toepassing zijn door een centrale
overheidsinstantie worden vastgesteld, is deze subsidie ook regionaal specifiek
in de zin van artikel 4, lid 3, van de basisverordening. (g)
Berekening van de hoogte van de subsidie (150) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het voordeel voor de
producenten-exporteurs is berekend door het verschil te nemen tussen het
werkelijk betaalde tarief per kWh en het tarief dat betaald had moeten worden
per kWh voor grote industriële gebruikers en dit verschil te vermenigvuldigen
met het elektriciteitsvolume dat in het OT is verbruikt. Overeenkomstig
artikel 7, lid 2, van de basisverordening is dit bedrag (teller)
vervolgens omgeslagen over de totale omzet van de medewerkende
producenten-exporteurs in het OT, omdat de subsidie niet afhankelijk is van
uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde, geproduceerde,
uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (151) Een van de medewerkende, in de
steekproef opgenomen producenten-exporteurs, namelijk CWSS, die onderdeel is
van de groep van ondernemingen Panhua Group, heeft voordeel behaald bij dit
lagere elektriciteitstarief. Het voor de Panhua Group vastgestelde
subsidiepercentage is 0,14 %. (152) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 0,07 %. (153) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend bepaald op het niveau van het hoogste
subsidiepercentage dat voor deze regeling is vastgesteld voor een entiteit die
verbonden was aan een van de medewerkende ondernemingen in de steekproef,
namelijk 0,17 %. 3.3.1.5. Verstrekking van diverse goederen
voor een ontoereikende prijs (154) In de klacht werd gewezen op
enkele goederen die door de GOC aan OBS-producenten worden vertrekt via de
staatsondernemingen van de GOC. In het bijzonder is in de klacht een lijst
opgenomen van specifieke transacties in verband met de verstrekking van
meerdere door staatsondernemingen vervaardigde staalproducten, met inbegrip van
ijzerertsconcentraat, pellets, gesinterd erts, schroot, legeringen en vele
andere producten. De klager toonde aan dat de prijs voor de verstrekking van
deze goederen werd vastgesteld door verwijzing naar verschillende elementen
en/of benchmarks en dat er prijsplafonds of -correcties waren afhankelijk van
de verschillende goederen en van de vraag of de transacties betrekking hadden
op verbonden partijen. (155) De GOC antwoordde dat zij dit
programma niet had voor staalproducenten in het OT. Gezien het gebrek aan
nadere informatie van de GOC over dit programma heeft de Commissie haar
bevindingen gebaseerd op de in het dossier beschikbare gegevens overeenkomstig
artikel 28 van de basisverordening. (156) Voor zover de prijzen voor de
diverse bovengenoemde goederen niet een toereikende prijs weerspiegelen, geeft
dit programma aanleiding tot compenserende maatregelen overeenkomstig
artikel 3, lid 1, onder a), iii), en artikel 6, onder d), van de
basisverordening. Echter, door de complexiteit van de diverse transacties voor
de verstrekking van deze goederen en de hieraan ten grondslag liggende
contracten, die niet beschikbaar waren in het proceduredossier, was de
Commissie niet in staat om tot een duidelijke conclusie over dit programma te
komen. Derhalve heeft de Commissie besloten om dit programma niet verder te
beoordelen. 3.3.2. Preferentiële leningen en
rentetarieven aan de OBS-sector (a)
Inleiding (157) De
klager beweerde dat de OBS-producenten profiteerden van lage (gesubsidieerde)
rentetarieven van handelsbanken die eigendom zijn van de staat en van
staatsbanken, overeenkomstig het GOC-beleid om de uitbreiding van de
staalindustrie in de VRC te ondersteunen en ontwikkelen in het kader van de
vijfjarenplannen. (n)
Niet-medewerking en gebruik van de
beschikbare gegevens (158) De
Commissie verzocht de GOC om informatie over de verhoudingen tussen leningen
die zijn verstrekt door de banken waarvan de GOC de grootste of enige
aandeelhouder is, banken waarin de GOC een deelneming heeft, maar niet de
grootste aandeelhouder is, banken waarin de GOC geen aandeelhouders is en
banken die in handen zijn van buitenlandse eigenaren, voor zowel de gehele
industrie als de bedrijfstak waarop deze procedure betrekking heeft. De GOC
antwoordde dat zij geen registers bijhoudt van de hoeveelheden en percentages
die door de staatsbanken worden verstrekt en dat de GOC ook geen registers
heeft van leningen aan de staalindustrie. De GOC deelde geen alternatieve bron
voor deze informatie mede. (159) De
Commissie heeft tevens verzocht om informatie over het staatseigendom van
banken en financiële instellingen, maar de GOC heeft deze informatie niet
verstrekt en beweerde dergelijke gegevens niet te bewaren. Hoewel het
onwaarschijnlijk is dat de GOC zich niet bewust is van de activa die zij in
eigendom heeft, zij opgemerkt dat de GOC volgens de publiek toegankelijke
informatie[45] [46] een grote aandeelhouder is van vele grote banken die in de VRC
gevestigd zijn en derhalve heeft zij, zoals in het geval van de
staatsondernemingen die WGS en KGS produceren, toegang tot de statuten van
banken, waarin gedetailleerde gegevens met betrekking tot de aandeelhouders
zouden moeten zijn opgenomen. In dit verband zij tevens opgemerkt dat de banken
op grond van artikel 61 van de wet inzake handelsbanken [2003] "de
balansen, winst-en-verliesrekeningen en andere jaarrekeningen en statistische
rapporten en documenten dienen te overleggen aan het wetgevende orgaan voor
banken van de Raad van State en de Volksbank van China". (160) De Commissie heeft ook om
informatie verzocht (in een specifieke vragenlijst – aanhangsel A) over de
structuur van de staatszeggenschap in de desbetreffende Chinese banken en de
toepassing van overheidsbeleid of de behartiging van overheidsbelangen met
betrekking tot de staalsector (zoals de raad van bestuur en de raad van
aandeelhouders, notulen van de vergaderingen van aandeelhouders/bestuurders, de
nationaliteit van de aandeelhouders/bestuurders, het leenbeleid en de
risicobeoordeling voor de leningen die aan de medewerkende
producenten-exporteurs zijn verstrekt). Echter, in het antwoord op de
vragenlijst diende de GOC slechts één aanhangsel A in met enige algemene
informatie (voornamelijk samengesteld met behulp van de websites van de
banken). Het merendeel van de specifieke gegevens waarom werd verzocht in
aanhangsel A is niet verstrekt. De GOC antwoordde op enkele vragen dat zij op
dit moment niet over dergelijke informatie beschikte en op andere vragen
verstrekte zij alleen informatie over bepaalde banken (bijvoorbeeld, van
slechts acht banken zijn de statuten verstrekt). In de aanmaning tot het
verstrekken van ontbrekende gegevens herhaalde de Commissie haar verzoek en
nodigde zij de GOC uit om alle in de oorspronkelijke vragenlijst gevraagde
gegevens te verstrekken. In haar antwoord op de aanmaning tot het verstrekken
van ontbrekende gegevens heeft de GOC enige aanvullende informatie verstrekt.
Echter, het antwoord was nog steeds zeer onvolledig en een groot deel van de
gevraagde gegevens (bijv. het percentage van staatseigendom binnen
staatsbanken, de statuten van enkele in de vragenlijst vermelde banken,
volledige antwoorden op vragen in aanhangsel A) is niet verstrekt. (161) In de vragenlijst, de aanmaning
tot het verstrekken van ontbrekende gegevens en opnieuw tijdens het
controlebezoek ter plaatse heeft de Commissie verzocht om circulaires van de
Volksbank van China (People's Bank of China - PBOC) aangaande de uitbreiding
van het rentebeleid voor leningen van financiële instellingen (YinFa [2003]
nr. 250 en YinFa [2004] nr. 251). De Commissie was zich bewust
geworden van het bestaan van deze circulaires tijdens eerder onderzoek[47]. Echter, in plaats van deze
circulaires te verstrekken verwees de GOC de Commissie naar de website van de
PBOC voor informatie over het rentebeleid voor leningen van de financiële
instellingen. Tijdens het controlebezoek werden in dit verband twee
bewijsstukken ingediend, maar dit waren slechts afdrukken van de website.
Opgemerkt zij dat de volledige inhoud van deze circulaires niet te vinden was
op de website van de PBOC. (162) De Commissie heeft ook verzocht
om verstrekking, tijdens de controle ter plaatse, van de circulaire van de PBOC
aangaande de wijzigingen van 8 juni 2012. De GOC heeft deze circulaire niet
verstrekt, maar in plaats daarvan slechts algemene, van de PBOC-website
afgedrukte informatie verstrekt met betrekking tot de correctie van
benchmarkrentetarieven. (163) De
Commissie heeft de GOC ook gevraagd om vergaderingen bijeen te roepen met
specifieke banken om informatie te controleren met betrekking tot preferentiële
leningen aan de OBS-sector. De GOC verzuimde echter om dergelijke vergaderingen
bijeen te roepen en beweerde niet in staat te zijn om bij staatsbanken te
interveniëren om dergelijke vergaderingen te organiseren. Tevens zij opgemerkt
dat de Commissie in de brief met de aankondiging van het controlebezoek van 7
juni 2012 heeft uitgelegd dat zij bereid zou zijn om de controle een dag eerder
te beginnen en in feite meer tijd voor de controle uit te trekken, indien de
GOC van oordeel was dat banken het beste gepositioneerd zouden zijn om
verduidelijkingen en toelichtingen te verstrekken met betrekking tot
preferentiële leningen. De Commissie heeft de GOC derhalve verzocht om de
aanwezigheid van de banken vóór de controle te bevestigen, zodat het
controleteam de nodige voorbereidingen kon treffen. De GOC verklaarde in haar
brief van 25 juni 2012 dat zij de banken zou blijven verzoeken om medewerking,
maar dat zij hen daartoe niet kon dwingen. Uiteindelijk werd pas op de eerste
dag van het controlebezoek aan het team van de Commissie meegedeeld dat de
vertegenwoordiger van de China Construction Bank beschikbaar was om vragen te
beantwoorden en toelichtingen te verschaffen. Aangezien de Commissie hiervan
niet op de hoogte was gesteld (hoewel hierom specifiek was verzocht in de brief
met de aankondiging van het controlebezoek), was het niet mogelijk om in te
gaan op specifieke vragen met betrekking tot contracten en kredietvoorwaarden,
maar alleen op vragen van algemene aard. In elk geval werd geen ondersteunende
documentatie verstrekt voor de verklaringen van de vertegenwoordiger van de
China Construction Bank, met de uitleg dat alle door de Commissie gevraagde
documenten vertrouwelijk waren en bestemd waren voor intern gebruik. (164) De GOC
werd geïnformeerd over de gevolgen van niet-medewerking overeenkomstig
artikel 28, leden 1 en 6, van de basisverordening. Gezien dit gebrek
aan medewerking moesten niet alleen relevante GOC-documenten die door andere
partijen werden overgelegd in aanmerking worden genomen, maar moest ook
informatie uit secundaire bronnen, zoals informatie uit de klacht en informatie
die via internet publiek toegankelijk is, worden gebruikt. (o)
Bevindingen van het onderzoek Rol van de staat binnen de banksector (165) Het
onderzoek heeft aangetoond dat de Chinese financiële markt door
overheidsinterventie wordt gekenmerkt, aangezien de meeste grote banken
staatseigendom zijn. De Chinese autoriteiten hebben slechts zeer beperkte
informatie verstrekt over de aandeelhouders/eigenaars van de banken in de VRC.
Zoals hieronder nader toegelicht, heeft de Commissie echter alle beschikbare
informatie bijeengebracht om tot een representatieve bevinding te komen.
Tijdens haar onderzoek of banken entiteiten zijn die overheidsgezag hebben of
uitoefenen (overheidsinstanties), zocht de Commissie ook informatie betreffende
niet uitsluitend de staatseigendom van de banken, maar ook betreffende andere
kenmerken zoals de aanwezigheid van de staat in de raad van bestuur, de
zeggenschap van de staat in de activiteiten, de toepassing van overheidsbeleid
of de behartiging van overheidsbelangen en de vraag of entiteiten bij wet zijn
opgericht. (166) Op grond van de beschikbare gegevens wordt geconcludeerd dat de
staatsbanken in de VRC het hoogste marktaandeel hebben en de dominante spelers
zijn op de Chinese financiële markt. Volgens informatie uit 2006 van Deutsche
Bank Research over de banksector in de VRC[48], bedraagt
het aandeel van staatsbanken meer dan twee derde van de Chinese markt. Over
hetzelfde onderwerp meldde de WTO in haar toetsing van het handelsbeleid van de
VRC dat “de hoge mate van staatseigendom nog een bijzonder kenmerk is van de
financiële sector in de VRC”[49] en dat
"er weinig is veranderd in de marktstructuur van de Chinese banksector,
die gedomineerd wordt door staatsbanken"[50]. Relevant
is dat de vijf grootste handelsbanken in staatseigendom (Agricultural Bank,
Bank of China, Construction Bank of China, Bank of Communications en Industrial
and Commercial Bank) meer dan de helft van de Chinese banksector blijken te
vertegenwoordigen[51]. (167) De Commissie heeft ook om informatie verzocht over de structuur
van de staatszeggenschap in deze Chinese banken en de toepassing van
overheidsbeleid of de behartiging van overheidsbelangen met betrekking tot de
staalsector (zoals de raad van bestuur en de raad van aandeelhouders, notulen
van de vergaderingen van aandeelhouders/bestuurders, de nationaliteit van de
aandeelhouders/bestuurders, het leenbeleid en de risicobeoordeling voor de
leningen die aan de medewerkende producenten-exporteurs zijn verstrekt).
Echter, zoals in bovenstaande overweging (159) opgemerkt, heeft de GOC in dit
verband slechts beperkte informatie verstrekt. De Commissie moest zich
bijgevolg baseren op de beschikbare informatie. Op basis van de beschikbare
gegevens heeft de Commissie geconcludeerd dat deze banken door de staat worden
gecontroleerd en overheidsgezag uitoefenen op een wijze waardoor hun acties aan
de staat kunnen worden toegeschreven. De relevante gegevens die werden gebruikt
om tot de bovenstaande bevindingen te komen, zijn afgeleid van informatie van
de GOC, van de jaarverslagen van Chinese banken die door de GOC zijn verstrekt
of publiek beschikbaar zijn, van informatie van Deutsche Bank Research uit 2006
over de banksector in de VRC, van de WTO-toetsing van het beleid in de VRC
(2010 en 2012), van het China 2030-verslag van de Wereldbank, van informatie
van de medewerkende producenten-exporteurs en van informatie in de klacht.
Onafhankelijke bronnen schatten dat buitenlandse banken een klein deel van de
Chinese banksector vertegenwoordigen en bijgevolg een verwaarloosbare rol
vervullen in het leenbeleid; relevante informatie doet vermoeden dat hun
aandeel wellicht beperkt is tot 1 % van de Chinese markt[52]. Ook belangrijke publiek toegankelijke informatie bevestigt dat
Chinese banken, in het bijzonder de grote handelsbanken, zich nog steeds
verlaten op overheidsaandeelhouders en op de overheid om kapitaal aan te vullen
bij kapitaalontoereikendheid ingevolge kredietexpansie[53]. (168) Het merendeel van de banken die
de medewerkende producenten-exporteurs leningen hebben verstrekt, zijn
staatsbanken. Op grond van de beschikbare informatie is namelijk vastgesteld
dat minstens 14 van de 17 gerapporteerde banken staatsbanken zijn, waaronder de
grootste handelsbanken in de VRC zoals de Bank of China, de China Construction
Bank en de Industrial and Commercial Bank of China. Met betrekking tot de
resterende staatsbanken in kwestie heeft de Commissie om dezelfde, hierboven
vermelde informatie verzocht betreffende de staatszeggenschap en de toepassing
van overheidsbeleid of de behartiging van staatsbelangen als voor de
staalsector. Dergelijke gedetailleerde informatie is niet verstrekt. Derhalve
wordt geconcludeerd dat de banken door de staat worden gecontroleerd en
overheidsgezag uitoefenen op een wijze waardoor hun acties aan de staat kunnen
worden toegeschreven. Om deze reden moeten de handelsbanken in staatseigendom
in de VRC worden beschouwd als overheidsinstanties. (169) Een ander teken van de
interventie van de GOC in de Chinese financiële markt is de rol die de PBOC
speelt bij het opleggen van de specifieke grenzen voor de vaststelling en het
schommelen van de rente. Het onderzoek heeft namelijk aangetoond dat de PBOC
over specifieke regels beschikt die de renteschommeling in de VRC reguleren.
Volgens de beschikbare informatie zijn deze regels vastgesteld in circulaire
nr. 251 van 2004 van de PBOC over thema's betreffende de aanpassing van de
rente op deposito's en leningen (Yinfa). Financiële instellingen worden
verzocht rentetarieven toe te passen binnen een bepaalde marge ten opzichte van
de benchmarkrente van de PBOC. Voor leningen van handelsbanken en van
commercieel geleide beleidsbanken is er geen bovengrens, maar alleen een
ondergrens. Voor coöperatieve kredietinstellingen in steden en op het
platteland is er zowel een boven- als een ondergrens. Voor preferentiële
leningen en voor leningen waarvoor de Raad van State specifieke reglementen
heeft vastgesteld, schommelen de rentetarieven niet opwaarts. De Commissie
heeft de GOC verzocht om toelichting bij de definitie en de formulering in de
circulaire nr. 251 en bij de daaraan voorafgaande wetgeving (circulaire
nr. 250 van 2003 van de PBOC betreffende de expansie van de
schommelingsmarge van het rentetarief van de financiële instellingen (YinFa).
Echter, zoals opgemerkt in bovenstaande overwegingen (159) en (159), weigerde
de GOC om deze circulaires te verstrekken, waardoor de Commissie niet in staat
was hun inhoud te controleren en toelichtingen te verkrijgen. Aangezien de GOC
in dit verband geen relevante informatie verstrekte die zou doen vermoeden dat
de situatie veranderd is sinds mei 2011, toen de Commissie haar
antisubsidieonderzoek met betrekking tot gestreken fijn papier voltooide[54], wordt vastgesteld dat de PBOC
betrokken is bij en invloed uitoefent op de vaststelling van rentetarieven door
handelsbanken in staatseigendom. De GOC heeft geen gegevens verstrekt ter
staving van een verandering van de situatie die werd vastgesteld in het
onderzoek voor fijn gestreken papier. Derhalve werd, op grond van de
beschikbare gegevens en het andere bovenstaande bewijs geconcludeerd dat de
situatie van de methodologie voor het vaststellen van de rentetarieven
hetzelfde moest zijn gebleven gedurende het hele OT. Toevertrouwen van functies en belasten met
functies (170) De
Commissie heeft ook gepoogd te analyseren of aan de particuliere handelsbanken
in de VRC door de GOC de functie wordt toevertrouwd, of dat zij door de GOC met
de functie worden belast, om preferentiële (gesubsidieerde) leningen te
verstrekken aan de producenten van organisch bekleed staal, in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), iv), van de basisverordening. GOC-beleid (171) Op grond van bovenstaand punt
betreffende de rol van de staat in de banksector (overwegingen 165 tot en met
167) is het duidelijk dat de GOC een beleid voert om preferentiële leningen te
verstrekken aan de sector voor organisch bekleed staal, omdat
overheidsinstanties (handelsbanken in staatseigendom)[55] bij dergelijke verstrekking
betrokken zijn en een dominante positie in de markt innemen, waardoor zij in
staat zijn rentetarieven te bieden die onder de markttarieven liggen. Nu moet
worden bepaald of dit beleid ook betrekking heeft op particuliere leveranciers. Uitbreiding van het beleid naar particuliere
banken (172) De wet inzake handelsbanken
[2003] is op dezelfde manier toepasselijk op handelsbanken in staatseigendom en
op handelsbanken die in particuliere handen zijn. Artikel 38 van deze wet
bijvoorbeeld stelt het voor alle handelsbanken (d.w.z. ook die in particuliere
eigendom) verplicht om "het rentetarief vast te stellen overeenkomstig
de boven- en ondergrens van het door de PBOC vastgestelde rentetarief",
terwijl artikel 34 van de wet inzake handelsbanken het voor handelsbanken
verplicht stelt om "kredietverlening uit te voeren op basis van de
behoeften van de nationale economie en de sociale ontwikkeling en naar de geest
van het industriebeleid van de staat". (173) Ook wordt er in instructie
nr. 35 - Beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en staalindustrie,
en in het bijzonder de artikelen 24 en 25, die de verstrekking van leningen
beperken tot uitsluitend de ondernemingen die zich houden aan het nationale
ontwikkelingsbeleid van de ijzer- en staalindustrie, geen onderscheid gemaakt
tussen handelsbanken die eigendom zijn van de staat en handelsbanken die in
particuliere handen zijn. (174) Voorts zijn de in bovenstaande
overwegingen 161 en 162 genoemde circulaires van de PBOC ook bindend voor
handelsbanken die in particuliere handen zijn. (175) De bovenstaande verwijzingen
naar wetten en voorschriften die relevant zijn voor de banksector tonen aan dat
het GOC-beleid om preferentiële leningen te verstrekken aan de producenten van
organisch bekleed staal zich ook uitstrekt naar handelsbanken die in
particuliere eigendom zijn en dat de GOC het in feite voor hen verplicht stelt
om "hun kredietverlening uit te voeren op basis van de behoeften van de
nationale economie en de sociale ontwikkeling en naar de geest van het
industriebeleid van de staat"[56]. Evaluatie van kredietrisico's (176) De Commissie heeft de GOC om
relevante informatie verzocht om te beoordelen hoe de banken in de VRC de
evaluatie van kredietrisico's van de OBS-ondernemingen uitvoeren, voordat zij
besluiten om al dan niet leningen aan hen te verstrekken en voordat zij
besluiten over de voorwaarden van verstrekte leningen. In aanhangsel A bij de
vragenlijst verzocht de Commissie om informatie over hoe de banken risico's in
aanmerking nemen bij het verstrekken van leningen, hoe de kredietwaardigheid
van de kredietnemer wordt geëvalueerd, welke risicopremies door de bank worden
berekend voor verschillende ondernemingen/bedrijfstakken in de VRC, welke
factoren de bank in aanmerking neemt bij het beoordelen van een
kredietaanvraag, de beschrijving van de kredietaanvraag, het goedkeuringsproces
enz. Echter, noch de GOC noch de individuele banken gaven in de vragenlijst
enige relevante informatie in dit verband op. De GOC verstrekte slechts
antwoorden van algemene aard die niet werden ondersteund door enig bewijs dat
er überhaupt enige vorm van evaluatie van kredietrisico's werd uitgevoerd. (177) De
Commissie heeft tevens de medewerkende producenten-exporteurs om soortgelijke
informatie gevraagd en gepoogd deze te controleren tijdens de controlebezoeken
ter plaatse bij de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs. Beide
groepen producenten-exporteurs in de steekproef antwoordden dat banken om
bepaalde documenten vragen en enige vorm van kredietrisicoanalyse uitvoeren,
voordat leningen worden verstrekt. Echter, ze overlegden geen bewijsmateriaal
dat deze beweringen staaft. Tijdens de controle ter plaatse verzocht de
Commissie om bewijs dat de banken om dergelijke documenten vroegen of bewijs
dat deze documenten door de ondernemingen aan de banken werden verstrekt of
enige vorm van een door de banken afgegeven melding die zou bewijzen dat dergelijke
kredietrisicoanalyses werden uitgevoerd. Echter, de groepen
producenten-exporteurs in de steekproef waren niet in staat om dergelijk bewijs
te verstrekken, noch waren zij in staat om enig ander bewijs ter staving van
hun beweringen te verstrekken. Tevens zij opgemerkt dat aan geen van de in de
steekproef opgenomen groepen producenten-exporteurs of individuele
ondernemingen binnen deze groepen een kredietrating is toegekend. (178) De belanghebbende partijen is herhaaldelijk om de informatie
over de evaluatie van kredietrisico's verzocht, die van cruciaal belang wordt
geacht, onder meer gezien i) de bevinding van het IMF-verslag van 2006, waarin
werd gesuggereerd dat de liberalisering van de banken in de VRC niet voltooid
is en het kredietrisico niet naar behoren weergegeven wordt[57], ii) het IMF-verslag van 2009, waarin de aandacht werd gevestigd op
het gebrek aan rentevoetliberalisering in de VRC[58], iii) het
IMF-landenverslag van 2010, waarin wordt gesteld dat de kosten van kapitaal
relatief laag zijn in de VRC, het verlenen van krediet soms gebeurt op grond
van andere elementen dan de prijs, en de hoge spaarquote van ondernemingen
gedeeltelijk te danken is aan de lage prijs van diverse inputs (zoals kapitaal
en grond)[59] en (iv) de economische studie over China van de OESO van 2010[60] en werkdocument nr. 747 van de afdeling economie van de OESO over
de hervormingen van de financiële sector in China[61], waarin
staat dat de financiële instellingen nog steeds grotendeels staatseigendom
zijn, zodat men zich moet afvragen in welke mate de beslissingen van de banken
om leningen te verstrekken uitsluitend op commerciële overwegingen zijn
gebaseerd, terwijl de traditionele rol van de banken die van
overheidsagentschappen met banden met de overheid blijkt te zijn. (p)
Financiële bijdrage (179) Het geheel van het
bewijsmateriaal in aanmerking nemend, wordt geconcludeerd dat de overgrote
meerderheid van de leningen aan de twee groepen producenten-exporteurs in de
steekproef wordt verstrekt door staatsbanken die geacht worden overheidsinstanties
te zijn, omdat ze overheidsgezag hebben en overheidsfuncties uitoefenen. Er is
verder bewijs dat deze banken daadwerkelijk overheidsgezag uitoefenen,
aangezien er, zoals in overweging 169 wordt uitgelegd, duidelijk sprake is van
interventie door de staat (d.w.z. PBOC) in de manier waarop handelsbanken
beslissingen nemen over rentetarieven voor aan Chinese ondernemingen verstrekte
leningen. In deze omstandigheden zijn de leningsactiviteiten van deze
instellingen rechtstreeks aan de staat toe te schrijven. Het feit dat banken
overheidsgezag uitoefenen, wordt ook bevestigd door de manier waarop NDRC-instructie
nr. 35 - Beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en staalindustrie[62], besluit nr. 40 en
artikel 34 van de wet inzake handelsbanken fungeren met betrekking
tot de realisering van het industriebeleid van de overheid. Er zijn ook veel
indirecte bewijzen, die worden gestaafd door objectieve studies en verslagen,
dat er in het Chinese financiële systeem nog steeds een hoge mate van
staatsinterventie is, zoals reeds uitgelegd in bovenstaande overweging 178. Tot
slot verzuimde de GOC om informatie te verstrekken die geleid zou kunnen hebben
tot een groter begrip van de relatie tussen de staatsbanken en de overheid,
zoals uitgelegd in de overwegingen 159 tot en met 164. Derhalve komt de
Commissie tot de conclusie, zoals in het geval van leningen die in de VRC zijn
verstrekt door handelsbanken in staatseigendom, dat er sprake is van een
financiële bijdrage aan de producenten van organisch bekleed staal in de vorm
van een rechtstreekse overdracht van middelen van de overheid in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), i) van de basisverordening. Daarnaast
toont hetzelfde bewijsmateriaal aan dat aan handelsbanken in staatseigendom
(evenals particuliere banken) overheidsfuncties worden toevertrouwd en dat de
banken door de overheid met dergelijke functies worden belast, en dit betekent
bijgevolg dat een financiële bijdrage in de zin van artikel 3, lid 1,
onder a), iv), van de basisverordening bestaat. (180) Gezien de analyse in
bovenstaande overwegingen 170 tot en met 175 wordt tevens vastgesteld dat door
de GOC aan particuliere banken de functie wordt toevertrouwd om leningen te
verstrekken aan OBS-producenten en dat zij door de GOC met deze functie worden belast,
wat betekent dat een financiële bijdrage in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), i), en iv), van de basisverordening bestaat. (q)
Voordeel (181) Een voordeel overeenkomstig
artikel 3, lid 2, en artikel 6, onder b), van de
basisverordening bestaat in de mate dat de staatsleningen worden toegekend
tegen gunstiger voorwaarden dan de ontvanger feitelijk op de markt zou kunnen
krijgen. Aangezien vastgesteld is dat leningen in de VRC die niet door de
overheid worden verstrekt geen geschikte marktbenchmark zijn (gezien het feit
dat aan particuliere banken functies worden toevertrouwd door de GOC en dat zij
door de GOC met functies worden belast), is een dergelijke benchmark door
berekening vastgesteld met behulp van de methode die in onderstaande
overwegingen 191 en 192 wordt beschreven. (r)
Specificiteit (182) De
staalsector behoort tot de bevorderde categorie overeenkomstig besluit
nr. 40. Dit besluit is een beschikking van de Raad van State, die het
hoogste bestuursrechtelijke lichaam in de VRC is, en in dit opzicht is het
juridisch bindend voor andere overheidsinstanties en de marktdeelnemers. In het
besluit worden de industriesectoren ingedeeld in "bevorderde, restrictieve
en geëlimineerde projecten". Deze wet is een richtsnoer voor het
industriebeleid en toont net als de catalogus van directory's aan hoe de GOC
een beleid handhaaft ter bevordering en ondersteuning van groepen ondernemingen
of sectoren, zoals de staalsector, die in de catalogus van directory's bij de
"bevorderde sectoren" worden ingedeeld. Wat betreft het aantal
sectoren dat in de lijst van "bevorderde sectoren" is opgenomen, zij
opgemerkt dat deze sectoren slechts een deel van de Chinese economie
vertegenwoordigen. Voorts wordt de status "bevorderd" slechts aan
bepaalde activiteiten binnen deze bevorderde sectoren toegekend. Besluit
nr. 40 bevat tevens de bepaling, in artikel 17, dat de
"bevorderde investeringsprojecten" voordeel hebben van specifieke
privileges en stimuleringsmaatregelen, onder andere in de vorm van financiële
steun. Voor de "restrictieve en geëlimineerde projecten" daarentegen
machtigt besluit nr. 40 de overheidsinstanties om rechtstreeks op te
treden en de markt te reguleren. De artikelen 18 en 19 schrijven zelfs voor dat
de relevante autoriteit verhindert dat financiële instellingen leningen
verstrekken aan dergelijke "restrictieve en geëlimineerde projecten".
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat Besluit nr. 40 voor alle
economische instellingen bindende regels vaststelt in de vorm van richtlijnen
voor de bevordering en ondersteuning van bevorderde sectoren, waarvan de
OBS-sector er één is. (183) Bovendien wordt door instructie
nr. 35 van de NDRC - Beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en
staalindustrie, de artikelen 24 en 25 in het bijzonder, de verstrekking van
leningen beperkt tot uitsluitend de staalondernemingen die zich volledig houden
aan het ontwikkelingsbeleid voor de ijzer- en staalindustrie. (184) De klager verstrekte ook bewijs
dat enkele andere overheidsplannen en -documenten financiële steun bevorderen
en verplicht stellen voor de staalindustrie in het algemeen en ook in
specifieke geografische gebieden van de VRC[63] [64]. (185) Uit dit alles blijkt dat de
autoriteiten de financiële instellingen toestaan om preferentiële leningen te
verstrekken aan slechts een beperkt aantal sectoren/ondernemingen die zich
houden aan het ontwikkelingsbeleid van de GOC. Op grond van het bewijsmateriaal
in het dossier en bij gebrek aan medewerking door de GOC wat betreft deze
kwestie, wordt geconcludeerd dat de subsidies in de vorm van preferentiële
leningen niet algemeen beschikbaar zijn en derhalve specifiek zijn in de zin
van artikel 4, lid 2 onder a), van de basisverordening. Ook hebben
geen van de belanghebbende partijen bewijs ingediend waaruit blijkt dat de
subsidie is gebaseerd op objectieve criteria of voorwaarden op grond van
artikel 4, lid 2, onder b), van de basisverordening. (186) Het onderzoek toonde aan dat de
twee groepen in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in het
onderzoektijdvak gebruik hadden gemaakt van de preferentiële leningen. (s)
Conclusie (187) Op grond van het bovenstaande
moet de financiering van de sector voor organisch bekleed staal worden
beschouwd als een subsidie. (188) Gezien de financiële bijdrage,
het voordeel voor de producenten-exporteurs en de specificiteit moet deze
subsidie worden beschouwd als een tot compenserende maatregelen aanleiding
gevende subsidie. (t)
Berekening van de hoogte van de subsidie (189) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Overeenkomstig
artikel 6, onder b), van de basisverordening wordt het aan de ontvangers
toegekende voordeel geacht het verschil te zijn tussen het bedrag dat de
onderneming betaalt voor de staatslening en het bedrag dat de onderneming zou
betalen voor een vergelijkbare commerciële lening die zij op de markt zou
kunnen verkrijgen. (190) Aangezien de door de Chinese
banken verstrekte leningen, zoals hierboven uiteengezet (overwegingen 165 tot
en met 178), door substantiële staatsinterventie in de banksector worden
gekenmerkt en niet worden verstrekt tegen rentetarieven die op een
functionerende markt zouden worden toegepast, is volgens de hieronder
beschreven methode door berekening een geschikte marktbenchmark vastgesteld.
Gezien het gebrek aan medewerking van de GOC heeft de Commissie zich bovendien
ook op beschikbare gegevens gebaseerd om een geschikt benchmarkrentetarief vast
te stellen. (191) Bij het
door berekening vaststellen van een geschikte benchmark wordt het redelijk
geacht Chinese rentevoeten toe te passen die zijn gecorrigeerd teneinde
rekening te houden met het normale marktrisico. In een context waarin de
huidige financiële toestand van de exporteur in een verstoorde markt tot stand
is gekomen en er geen betrouwbare informatie van de Chinese banken over de
inschatting van het risico en de vaststelling van de kredietwaardigheid
beschikbaar is, wordt het namelijk nodig geacht niet de aangegeven
kredietwaardigheid van de Chinese exporteurs in aanmerking te nemen, maar hun
kredietwaardigheid op te waarderen op grond van het potentiële effect van de
Chinese verstoorde markt op hun financiële situatie. (192) In verband met wat in bovenstaande overwegingen 160, 163 en 164
is uiteengezet, heeft de Commissie zowel de GOC als de medewerkende
producenten-exporteurs om informatie verzocht betreffende het leenbeleid van de
Chinese banken en de wijze waarop aan de producenten-exporteurs leningen zijn
toegekend. De partijen verzuimden om dergelijke informatie te verstrekken,
hoewel hun herhaaldelijk daarom werd verzocht, en weigerden de toegang tot de
staatsbanken. Gezien dit gebrek aan medewerking en het geheel van beschikbare
gegevens, alsook overeenkomstig artikel 28, lid 6, van de basisverordening
wordt het passend geacht te oordelen dat alle ondernemingen in de VRC de
hoogste rating voor labiele obligaties (BB bij Bloomberg) krijgen, en de
standaardrentevoet van de Volksbank van China te verhogen met de passende
toeslag die wordt verwacht voor obligaties die door ondernemingen met deze
rating worden uitgegeven. Het voordeel voor de producenten-exporteurs, d.w.z.
de rente die in het OT niet is betaald, is berekend door het verschil in
rentetarief, uitgedrukt als percentage, te vermenigvuldigen met het uitstaande
bedrag van de lening. Dat bedrag is vervolgens omgeslagen over de totale omzet
van de medewerkende producenten-exporteurs. (193) Het subsidiepercentage dat ten
aanzien van deze regeling voor het OT voor de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs
is vastgesteld, bedraagt 0,25 % voor de ondernemingengroep Huadong Group
en 0,89 % voor de ondernemingengroep Panhua Group. (194) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 0,58 %. (195) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend bepaald op het niveau van het hoogste
subsidiepercentage dat voor deze regeling is vastgesteld voor een entiteit die
verbonden was aan een van de medewerkende ondernemingen in de steekproef,
namelijk 0,97 %. 3.3.3. Programma's met betrekking tot
aandelenkapitaal (196) In de
klacht werden vermeende subsidieprogramma's met betrekking tot aandelenkapitaal
uiteengezet in verband met producenten-exporteurs die niet in de steekproef
zijn opgenomen en/of niet hun medewerking verleenden aan het onderzoek. De
Commissie heeft in de oorspronkelijke en aanvullende vragenlijsten de GOC
verzocht om over deze programma's informatie te verstrekken en heeft de GOC
vervolgens ruim voldoende gelegenheid gegeven om antwoorden aangaande deze
programma's te verstrekken. De GOC stelde zich op het standpunt dat zij alleen
antwoorden zou verstrekken met betrekking tot vermeende subsidieprogramma's in
verband met de twee producenten-exporteurs die in de steekproef waren opgenomen
en de GOC bevestigde dit standpunt tijdens de gehele procedure. (197) Door de
zeer geringe mate van medewerking in deze procedure werd de Commissie de
mogelijkheid ontnomen om informatie en bewijsmateriaal te verzamelen met
betrekking tot deze in de klacht genoemde programma's. De Commissie heeft
gecontroleerd of de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs geen
gebruik hadden gemaakt van deze programma's. Bijgevolg moest de Commissie het
bestaan van de subsidieprogramma's bepalen en het residuele recht vaststellen
met betrekking tot alle andere programma's waarvoor de GOC geen informatie
indiende en die niet toegankelijk waren voor of die niet gebruikt werden door
de producenten-exporteurs in de steekproef op grond van de beschikbare gegevens
in het dossier overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 1, van
de basisverordening. 3.3.3.1. Schuld-voor-aandelenswaps (a)
Omschrijving (198) De klacht bevatte bewijs dat
meerdere staalproducenten betrokken waren bij schuld-voor-aandelenswaps in het
jaar 2000, die een totale waarde van 62,5 miljard RMB aan schulden
vertegenwoordigden. Beweerd wordt dat uitstaande schuld van staalproducenten in
staatseigendom aan handelsbanken in staatseigendom werd kwijtgescholden in ruil
voor aandelen via de betrokkenheid van vier Chinese
vermogensbeheerondernemingen, terwijl deze transactie niet op marktoverwegingen
gebaseerd was. In de klacht werd voorts beweerd dat
vermogensbeheerondernemingen specifiek waren opgericht om van enorme
onrendabele leningen in belangrijke sectoren, waaronder de staalsector, af te
komen en om schulden van staatsondernemingen te herstructureren, onder meer
door middel van schuld-voor-aandelenswaps. Gezien het feit dat de GOC verzuimd
heeft om informatie over dit programma te verstrekken, heeft de Commissie haar
bevindingen gebaseerd op de beschikbare gegevens in het dossier overeenkomstig
artikel 28 van de basisverordening (zie bovenstaande overwegingen 33 tot
en met 35). Om dezelfde reden werd artikel 28 van de basisverordening ook
toegepast op de programma's met betrekking tot kapitaalinjecties en
niet-uitgekeerd dividend, die worden beschreven in onderstaande overwegingen
204 tot en met 215. (b)
Bevindingen van het onderzoek (199) De bevindingen met betrekking
tot dit programma zijn gebaseerd op de informatie in de klacht.
Schuld-voor-aandelenswaps zijn een financiële bijdrage in de vorm van
kapitaalinjectie en/of leningen in de zin van artikel 3, lid 1, onder
a), i), van de basisverordening, of in de vorm van inkomsten waarvan de
overheid afstand doet ingevolge kwijtgescholden of niet-terugbetaalde schuld in
de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening.
Deze financiële bijdrage werd geleverd door de overheid via de
overheidsinstanties die bij deze transacties betrokken waren, namelijk de vier
vermogensbeheerondernemingen en diverse handelsbanken in staatseigendom (zie
bovenstaande overweging 168). Bij gebrek aan medewerking door de GOC wordt door
het bewijs in het dossier aangetoond dat vermogensbeheerondernemingen
overheidsinstanties zijn, omdat ze specifiek waren opgericht door de GOC om van
enorme onrendabele leningen af te komen in belangrijke sectoren, met inbegrip
van de staalsector, en om de schulden van staatsondernemingen te
herstructureren. Om deze reden worden ze geacht overheidsfuncties uit te
oefenen. (200) Daarnaast heeft de klager
voorlopig bewijsmateriaal ingediend waaruit blijkt dat de kwijtschelding van
het enorme schuldenbedrag niet afhankelijk was van normale commerciële
overwegingen, aangezien de GOC geen evaluatie heeft uitgevoerd die een normale
particuliere investeerder zou uitvoeren in verband met het redelijke rendement
dat deze schuld-voor-aandelenswaps in de loop van de tijd naar verwachting
zouden opleveren In plaats daarvan wisselde de GOC volgens de klager enorme
schuldbedragen in voor aandelen met als doel de verlaging van de verhouding
schulden/eigen vermogen van staalproducenten om hun concurrentievermogen te
vergroten, zonder de commerciële afweging die een particuliere investeerder zou
maken. Na een zorgvuldige analyse van de door de klager verstrekte informatie
en bij gebrek aan andere informatie kwam de Commissie tot de conclusie dat deze
maatregelen bijgevolg een voordeel toekennen in de zin van artikel 6,
onder a), van de basisverordening. (201) Deze subsidie is specifiek in
de zin van artikel 4, lid 2, van de basisverordening, aangezien de
subsidie beperkt wordt tot bepaalde entiteiten waarin de staat aandeelhouder
is, de gunning van deze financiering berust op een discretionaire bevoegdheid
en er geen objectieve criteria bestaan. Derhalve wordt geconcludeerd dat dit
programma een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is voor
producenten-exporteurs van het betrokken product. (c)
Berekening van de hoogte van de subsidie (202) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel is een eenmalig voordeel en wordt geacht te bestaan in het
volledige bedrag van de schuld-voor-aandelenswaps, d.w.z. het bedrag van de
kwijtgescholden schuld. Bij gebrek aan door de GOC verstrekte informatie die
gebruikt kon worden voor de beoordeling van dit voordeel heeft de Commissie
haar bevindingen gebaseerd op informatie in de klacht. Op grond van
artikel 7, lid 3, van de basisverordening is het op deze manier
berekende subsidiebedrag toegerekend aan het OT op basis van de normale
afschrijvingstermijn voor de vaste activa van de ontvangende ondernemingen. Dit
bedrag is aangepast door de toevoeging van rente tijdens dit tijdvak om de
waarde van het voordeel in de loop van de tijd te weerspiegelen en om op deze
manier het volledige voordeel te bepalen dat door deze regeling aan de
ontvangers is verleend. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de
basisverordening is dit subsidiebedrag omgeslagen over het productieniveau van
het betrokken product in het OT, omdat de subsidie niet afhankelijk is van
uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde, geproduceerde,
uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (203) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd berekend, bedraagt
0,05 %. Het was niet nodig om het subsidiepercentage te berekenen voor de
in de steekproef opgenomen en andere medewerkende producenten om de redenen die
worden vermeld in de overwegingen 196 en 197. 3.3.3.2. Kapitaalinjecties (a)
Omschrijving (204) In de
klacht wordt beweerd dat de GOC in de loop der jaren omvangrijke geldbedragen
heeft verstrekt aan staalproducenten door middel van kapitaalinjecties. Volgens
de klacht heeft de GOC (via diverse staatsentiteiten) aandelen verworven in
ondernemingen waarin de GOC reeds de belangrijkste aandeelhouder was zonder
aanvullende aandeelhoudersrechten te verwerven. De klacht bevat ook details van
specifieke transacties waarbij door de staat gecontroleerde entiteiten
betrokken zijn, met inbegrip van China International Capital Corporation (CICC)
en SASAC. (u)
Bevindingen van het onderzoek (205) Aangezien de GOC verzuimde om
informatie over dit programma te verstrekken (zie bovenstaande overwegingen 196
en 197), zijn de bevindingen ten aanzien van dit programma gebaseerd op de
informatie in de klacht, voor zover deze afkomstig is uit geschikte bronnen.
Kapitaalinjecties zijn een rechtstreekse overdracht van middelen in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening. Deze financiële
bijdragen werden verstrekt door de overheid via overheidsinstanties die bij
deze transacties betrokken waren, waaronder CICC en SASAC. De klacht bevat
specifiek bewijsmateriaal met betrekking tot kapitaalinjecties in verband met
een staalproducerende staatsonderneming, waarbij CICC optrad als de leidende
inschrijver en beheerder van de aandelenemissie. Volgens informatie in de
klacht is CICC voor 51 % in handen van de staat en wordt deze onderneming
uiteindelijk gecontroleerd door SASAC, welke instantie in de specifieke
transacties die in de klacht zijn gedocumenteerd ook optrad als de GOC-entiteit
die de staalproducerende staatsonderneming controleerde (zie voor de analyse
van de functies van SASAC bovenstaande overwegingen 64 tot en met 66). Derhalve
zijn deze transacties uitgevoerd door de GOC via overheidsinstanties in de zin
van artikel 2, onder b), van de basisverordening en de toepasselijke
WTO-jurisprudentie. (206) Deze kapitaalinjecties worden
geacht een voordeel te verlenen aan de ontvangende ondernemingen in de zin van
artikel 6, onder a), van de basisverordening, aangezien ze niet
overeenstemmen met de normale investeringspraktijk van particuliere
investeerders. Het feit dat deze kapitaalinjecties niet consistent zijn met de
praktijken van particuliere investeerders wordt in detail bewezen in de klacht.
Met betrekking tot deze specifieke transacties toont de klacht ten eerste aan
dat de staalproducerende staatsonderneming een overgewaardeerde prijs betaalde
voor haar deel van de nieuwe aandelenemissie die niet overeenkomt met eerlijke
marktvoorwaarden, en ten tweede dat de onderneming de gegenereerde middelen
gebruikte om staatsactiva te kopen en te beleggen in aandelen voor prijzen die
onder de marktprijzen lagen. De klacht toont ook aan dat de GOC dezelfde prijs
betaalde als andere investeerders ondanks het feit dat haar aandelen minder
waard waren, aangezien er andere rechten en vooruitzichten aan verbonden waren
dan aan de aandelen die aan andere aandeelhouders werden verkocht. (207) Deze subsidies zijn specifiek
in de zin van artikel 4, lid 2, onder c), van de basisverordening,
omdat ze werden verstrekt aan een beperkt aantal geselecteerde entiteiten
waarin de overheid een deelneming had. Derhalve wordt geconcludeerd dat dit
programma een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is voor
producenten-exporteurs van het betrokken product. (v)
Berekening van de hoogte van de subsidie (208) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel wordt geacht te bestaan in het bedrag van de
kapitaalinjecties. Bij gebrek aan door de GOC verstrekte informatie die
gebruikt kon worden voor de beoordeling van dit voordeel heeft de Commissie
haar bevindingen gebaseerd op informatie in de klacht. Op grond van
artikel 7, lid 3, van de basisverordening is het op deze manier
berekende subsidiebedrag toegerekend aan het OT op basis van de normale
afschrijvingstermijn voor de vaste activa van de ontvangende ondernemingen. Dit
bedrag is aangepast door de toevoeging van rente tijdens dit tijdvak om de
waarde van het voordeel in de loop van de tijd te weerspiegelen en om op deze
manier het volledige voordeel te bepalen dat door deze regeling aan de
ontvangers is verleend. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de
basisverordening is dit subsidiebedrag omgeslagen over het totale
productieniveau van de ontvangers in het OT bij wijze van geschikte teller,
omdat de subsidie niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet op basis
van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd
toegekend. (209) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd berekend, bedraagt
0,08 %. Het was niet nodig om het subsidiepercentage te berekenen voor de
in de steekproef opgenomen en andere medewerkende producenten om de redenen die
worden omschreven in de overwegingen 196 en 197. 3.3.3.3. Niet uitgekeerde dividenden (a)
Omschrijving (210) In de klacht werd beweerd dat
staatsondernemingen, waaronder de staalondernemingen die OBS produceren, op
grond van GOC-beleid geen dividenden aan de overheid in de hoedanigheid van hun
eigenaar hoeven uit te keren, zelfs wanneer zij winst maken. Bijgevolg zijn
staalproducerende staatsondernemingen in het kader van dit programma in staat
om zeer omvangrijke investeringen te financieren door middel van de behouden
winsten die niet als dividenden zijn verdeeld. (b)
Bevindingen van het onderzoek (211) Aangezien de GOC verzuimde om
informatie over de verdeling van dividend door de staalproducerende
staatsondernemingen te verstrekken (zie bovenstaande overwegingen 196 en 197),
zijn de bevindingen ten aanzien van dit programma gebaseerd op de informatie in
de klacht, voor zover deze afkomstig is uit geschikte bronnen. Niet-uitgekeerde
dividenden moeten worden beschouwd als een verkapte subsidie in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening of als
inkomsten waarvan de overheid afstand doet in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), ii), van de basisverordening op grond van het feit dat de
GOC geen dividenden int die normaal aan particuliere investeerders over hun
aandelen worden uitgekeerd. Deze verkapte subsidies werden verstrekt door de
overheid via de entiteit die de rechtstreekse houder van de aandelen in de
staalproducerende staatsondernemingen was; in beginsel is dit SASAC. De analyse
met betrekking tot SASAC laat zien dat SASAC overheidsfuncties uitvoert (zie
voor details de bovenstaande overwegingen 64 tot en met 66). (212) Het volledige bedrag aan
niet-uitgekeerde dividenden wordt geacht een voordeel te verlenen aan de
ontvangende staalproducerende staatsondernemingen in de zin van artikel 6,
onder a) van de basisverordening, aangezien dit niet overeenstemt met de
normale investeringspraktijk van particuliere investeerders, die de
dividenduitkeringen verlangen die normaal aan hun aandelen verbonden zijn. Voor
staatsondernemingen die gedeeltelijk in handen van particuliere investeerders
zijn, is het bedrag van de voordelen gelijk aan het bedrag van niet-uitgekeerde
dividenden die naar evenredigheid over hen zijn verdeeld. (213) Deze subsidies zijn specifiek
op grond van artikel 4, lid 2, van de basisverordening, omdat ze
werden verstrekt aan een beperkt aantal geselecteerde entiteiten waarin de
overheid een deelneming had. Derhalve wordt geconcludeerd dat dit programma een
tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie is voor
producenten-exporteurs van het betrokken product. (c)
Berekening van de hoogte van de subsidie (214) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel wordt geacht te bestaan in het bedrag van de
niet-uitgekeerde dividenden. Aangezien de GOC geen andere informatie verstrekte
waarmee dit voordeel beoordeeld kan worden, heeft de Commissie haar bevindingen
gebaseerd op publiekelijk beschikbare financiële informatie over de ontvangers.
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd het op
deze manier berekende subsidiebedrag omgeslagen over de totale omzet van de
ontvangers in het OT als geschikte teller, omdat de subsidie niet afhankelijk
is van uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde, geproduceerde,
uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (215) Het
subsidiepercentage dat op deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen
werd berekend, bedraagt 1,36 %. Het was niet nodig om het subsidiepercentage
te berekenen voor de in de steekproef opgenomen en andere medewerkende
producenten om de redenen die worden omschreven in de overwegingen 196 en 197. 3.3.4. Programma's met betrekking tot
vennootschaps- en andere directe belastingen 3.3.4.1. Fiscale beleidsmaatregelen voor
de aftrek van onderzoeks- en ontwikkelingskosten (O&O-kosten) (216) Deze regeling verleent een
voordeel aan ondernemingen die nieuwe technologieën, nieuwe producten of nieuwe
technieken introduceren in hun productie. De subsidiabele ondernemingen kunnen
hun vennootschapsbelasting verminderen met 50 % van de werkelijke kosten
voor goedgekeurde projecten. (217) Opgemerkt zij dat, hoewel de
GOC haar antwoord op de vragenlijst en aanmaning tot het verstrekken van
ontbrekende gegevens beperkte tot de regelingen die zijn gebruikt door de in de
steekproef opgenomen ondernemingen, zij geen informatie verstrekte over deze
regeling, ondanks het feit dat een van de ondernemingen in de steekproef in het
antwoord op de vragenlijst had gemeld voordeel te hebben gehad van deze
regeling. Toen de GOC tijdens de controle ter plaatse opnieuw om de nodige
informatie was gevraagd, verstrekte zij een gedeeltelijk aanvullend antwoord
met betrekking tot dit programma. Ondanks de late verstrekking van deze
informatie vroeg het controleteam om toelichtingen op verschillende kwesties
(zie onderstaande overweging 219), maar deze werden niet verstrekt. Bijgevolg
moest de Commissie haar bevindingen baseren op geschikte beschikbare gegevens. (a)
Rechtsgrondslag (218) In deze regeling wordt voorzien
als preferentiële fiscale behandeling door artikel 30, lid 1, van de
wet op de vennootschapsbelasting van de VRC (besluit nr. 63 van de
president van de Volksrepubliek China, dat op 1 januari 2008 in werking trad), artikel 95
van de voorschriften voor de uitvoering van de wet op de vennootschapsbelasting
van de VRC (decreet nr. 512 van de Raad van State van de VRC) en de gids
inzake belangrijke gebieden (bericht nr. 6, 2007). De GOC heeft decreet
nr. 512 en bericht nr. 6 niet verstrekt in deze procedure. (w)
Subsidiabiliteitscriteria (219) Zoals
in het bovenstaande is opgemerkt, heeft de GOC geen relevante informatie over
deze regeling verstrekt in haar antwoorden op de vragenlijst en de aanmaning
tot het verstrekken van ontbrekende gegevens. In het document dat tijdens de
controle ter plaatse werd verstrekt, verklaarde de GOC dat alleen de "onderzoeks-
en ontwikkelingskosten van ondernemingen voor de ontwikkeling van nieuwe
technologie, nieuwe producten en nieuwe vaardigheden" mogen worden
opgenomen in het belastbare inkomen dat gebruikt wordt voor de aftrek. Echter,
de GOC ging niet dieper in op de betekenis van de termen "nieuwe
technologie", "nieuwe producten" en "nieuwe
vaardigheden". De Commissie heeft ook gepoogd om de precieze betekenis van
deze termen te achterhalen tijdens de controle van Zhejiang Huadong, maar de
onderneming was niet in staat om een concrete uitleg te geven en antwoordde dat
dit slechts algemene termen waren. (220) Echter, in het onderzoek met
betrekking tot gestreken fijn papier is vastgesteld dat uitsluitend
O&O-projecten van de ondernemingen die behoren tot de hightechsectoren en
in nieuwe technologieën gespecialiseerde sectoren die primaire staatssteun
ontvangen en projecten die zijn opgenomen in de gids inzake belangrijke
gebieden van hightechindustrialisatie in het kader van de huidige
ontwikkelingsprioriteit die door de Nationale Commissie voor ontwikkeling en
hervorming is afgekondigd, in aanmerking komen voor deze regeling[65]. Gezien het feit dat in deze
procedure geen nieuwe relevante informatie is verstrekt die deze conclusie zou
ontkrachten, wordt vastgesteld dat de regeling niet algemeen beschikbaar is,
aangezien alleen geselecteerde sectoren/ondernemingen/projecten ervoor in
aanmerking komen. (x)
Toepassing in de praktijk (221) Volgens het antwoord van de GOC
moeten ondernemingen die dit belastingvoordeel wensen aan te vragen hun
vennootschapsbelastingaangifte en "andere relevante documenten"
indienen bij de belastingdienst, waarbij niet werd gespecificeerd om welke
andere relevante documenten het gaat. In het onderzoek inzake gestreken fijn
papier is vastgesteld dat ondernemingen die zich voor het door deze regeling
verleende voordeel wensen aan te melden gedetailleerde informatie over de O&O-projecten
moeten indienen bij het plaatselijke bureau voor wetenschap en technologie. Na
de goedkeuring wordt het bedrag dat onderworpen is aan vennootschapsbelasting
verlaagd met 50 % van de werkelijke uitgaven voor goedgekeurde projecten[66]. (y)
Bevindingen van het onderzoek (222) In het OT maakte slechts één
van de medewerkende producenten-exporteurs gebruik van deze regeling, namelijk
Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co. Ltd. Vanwege het gebrek aan
medewerking door de GOC en haar late en onvolledige antwoord met betrekking tot
deze regeling was het niet mogelijk om de aanvraag- en goedkeuringsprocedure
vast te stellen die moet worden gevolgd door ondernemingen die van de regeling
gebruik wensen te maken. Zoals in het bovenstaande is opgemerkt, moest de
Commissie zich deels baseren op de feiten die in het onderzoek inzake gestreken
fijn papier zijn vastgesteld. (z)
Conclusie (223) Deze regeling moet worden
aangemerkt als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
ii), en lid 2, van de basisverordening, in de vorm van gederfde inkomsten
van de overheid, waardoor de ontvangende ondernemingen een voordeel hebben
verkregen. (224) De Commissie heeft de GOC
verzocht om informatie over de subsidiabiliteitscriteria voor gebruikmaking van
de voordelen van deze regeling en over het gebruik van de subsidie teneinde
vast te stellen in welke mate de toegang tot de subsidie tot bepaalde
ondernemingen beperkt is en of de subsidie specifiek is in de zin van
artikel 4 van de basisverordening. De GOC heeft de gevraagde informatie
niet verstrekt in haar antwoord op de vragenlijst en de aanmaning tot het
verstrekken van ontbrekende gegevens. Daarnaast blijkt de informatie die in dit
verband werd ingediend tijdens het controlebezoek ter plaatse onvolledig te zijn
in het licht van de bevindingen aangaande dezelfde regeling, die ook gebruikt
bleek te worden door de ondernemingen in het onderzoek inzake gestreken fijn
papier. In het licht van artikel 4, lid 5, van de basisverordening,
dat bepaalt dat de vaststelling van specificiteit "duidelijk" met
positief bewijsmateriaal "moet worden onderbouwd", moest de Commissie
haar bevindingen dus overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening op
de beschikbare gegevens baseren. De meest geschikte beschikbare gegevens waren
onder meer de bevindingen van het onderzoek inzake gestreken fijn papier. (225) Deze subsidieregeling is
specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de
basisverordening, aangezien de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende
autoriteit opereert, zelf de toegang tot deze regeling heeft beperkt tot
bepaalde ondernemingen en sectoren die als bevorderde sectoren zijn ingedeeld,
zoals de ondernemingen die tot de OBS-sector behoren. Bovendien lijken er geen
objectieve criteria te zijn om de subsidiabiliteit te beperken en geen afdoend
bewijs om te concluderen dat de subsidiabiliteit automatisch is overeenkomstig
artikel 4, lid 2, onder b), van de basisverordening. Opgemerkt zij
dat de Commissie vanwege het gebrek aan medewerking door de GOC niet in staat
was om het bestaan van dergelijke objectieve criteria vast te stellen. (226) Bijgevolg moet deze subsidie
worden aangemerkt als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende
subsidie. (aa)
Berekening van de hoogte van de subsidie (227) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dat voordeel wordt
geacht te bestaan in de in totaal verschuldigde belasting volgens het normale
belastingtarief, na aftrek van wat met de extra 50 % aftrek van de
werkelijke uitgaven voor O&O voor de goedgekeurde projecten is betaald.
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit
subsidiebedrag (teller) omgeslagen over de totale omzet van de medewerkende
producenten-exporteurs in het OT, omdat de subsidie niet afhankelijk is van
uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde, geproduceerde,
uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (228) Een van de medewerkende, in de
steekproef opgenomen producenten-exporteurs, de ondernemingengroep Huadong
Group, heeft van deze regeling gebruikgemaakt. Het voor de Huadong Group
vastgestelde subsidiepercentage is 0,19 %. (229) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 0,09 %. (230) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend, bepaald op het niveau van het hoogste subsidiepercentage
dat voor deze regeling is vastgesteld voor de in de steekproef opgenomen
ondernemingen, namelijk 0,19 %. 3.3.4.2. Belastingvoordelen voor centrale
en westelijke regio's (231) Deze
regeling voorziet in een voordeel voor ondernemingen die in de centrale en
westelijke regio's gevestigd zijn. De in aanmerking komende ondernemingen
betalen een preferentieel vennootschapsbelastingtarief van 15 % in plaats
van het normale, in de VRC geldende vennootschapsbelastingtarief. (232) De GOC werd verzocht informatie
te verstrekken over deze regeling in de vragenlijst, in de aanmaning tot het
verstrekken van ontbrekende gegevens en opnieuw tijdens de controlebezoeken ter
plaatse. In haar antwoord op de vragenlijst en de aanmaning tot het verstrekken
van ontbrekende gegevens heeft de GOC geen van de vragen beantwoord en
verklaarde de GOC dat dit programma niet meer geldig is, aangezien het op 31
december 2010 beëindigd werd. Ook beweerde de GOC dat geen van de ondernemingen
in de steekproef in het OT gebruik had gemaakt van deze regeling. Echter, dit
is in tegenspraak met de antwoorden van een van de producenten-exporteurs
(Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd) en met bewijs dat werd verzameld tijdens
het controlebezoek ter plaatse bij deze onderneming. (a)
Rechtsgrondslag (233) In deze
regeling wordt voorzien als een preferentiële fiscale behandeling door het bericht
inzake gunstige fiscale beleidsmaatregelen voor de ontwikkeling van de
westelijke regio (gepubliceerd door het ministerie van Financiën, algemene
belastingdienst en algemene douane, van kracht met ingang van 1 januari 2001),
die is bijgewerkt door het bericht inzake de verdere uitvoering van fiscale
beleidsmaatregelen voor de ontwikkeling van de westelijke regio
(gepubliceerd door het ministerie van Financiën, algemene belastingdienst en
algemene douane, van kracht met ingang van 1 januari 2011), die de
geldigheidstermijn van dit programma verlengt tot 31 december 2020. (b)
Subsidiabiliteitscriteria (234) Opgemerkt
zij dat de GOC geen van de vragen over deze regeling heeft beantwoord in haar
antwoord op de vragenlijst, de aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende
gegevens of tijdens het controlebezoek ter plaatse. Echter, volgens het bericht
inzake gunstige fiscale maatregelen voor de ontwikkeling van de westelijke
regio is deze preferentiële fiscale behandeling beschikbaar voor
ondernemingen van het bevorderde type in de westelijke regio (“bevorderd”
betreft de ondernemingen met grote klanten die 70 % van hun totale
inkomsten vertegenwoordigen, zoals beschreven in de catalogus van sectoren,
producten en technologieën die door de staat worden bevorderd). Tijdens de
controle ter plaatse van Chongqing Wanda bevestigde de onderneming dat de reden
voor het preferentiële belastingtarief is dat zij behoren tot de bevorderde
categorie van sectoren in de westelijke en centrale regio. (c)
Toepassing in de praktijk (235) Noch de GOC, noch Chongqing
Wanda Steel Strip Co., Ltd verstrekte informatie over de werking en het beheer
van dit programma. Volgens de circulaire van de Raad van State inzake enkele
beleidsmaatregelen voor de realisering van de ontwikkeling van de grote
westelijke regio's van China is de goedkeuring van de overheid op
provinciaal niveau nodig voor de verlaging van het normale belastingtarief van
25 % tot het preferentiële tarief van 15 %. Op het aangifteformulier
voor de jaarlijkse vennootschapsbelasting van de onderneming wordt het
afgetrokken (vrijgestelde) bedrag aan vennootschapsbelasting vermeld onder post
28 – belastingaftrek. (d)
Bevindingen van het onderzoek (236) In het OT maakte één van de
medewerkende producenten-exporteurs gebruik van deze regeling, namelijk
Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd. Vanwege de niet-medewerking door de GOC
is het moeilijk om de aanvraag- en goedkeuringsprocedure te bepalen die moet
worden gevolgd door ondernemingen die gebruikmaken van de regeling. De
Commissie moest haar eigen conclusies trekken op grond van ingediende
documenten die de rechtsgrondslag voor deze regeling vormen, zonder om
toelichting te kunnen vragen bij de GOC. (e)
Conclusie (237) Deze regeling moet worden
aangemerkt als een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
ii), en lid 2, van de basisverordening, in de vorm van gederfde inkomsten
van de overheid, waardoor de ontvangende ondernemingen een voordeel hebben
verkregen. (238) De Commissie heeft de GOC
verzocht om informatie over de subsidiabiliteitscriteria voor gebruikmaking van
de voordelen van deze regeling en over het gebruik van de subsidie teneinde
vast te stellen in welke mate de toegang tot de subsidie tot bepaalde
ondernemingen beperkt is en of de subsidie specifiek is in de zin van
artikel 4 van de basisverordening. De GOC heeft hieromtrent geen
informatie verstrekt. In het licht van artikel 4, lid 5, van de
basisverordening, dat bepaalt dat de vaststelling van specificiteit
"duidelijk" met positief bewijsmateriaal "moet worden
onderbouwd", moest de Commissie haar bevindingen dus overeenkomstig
artikel 28 van de basisverordening baseren op de beschikbare gegevens. (239) Deze subsidieregeling is
specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), en lid 3,
van de basisverordening, aangezien de wetgeving op grond waarvan de
subsidieverlenende autoriteit opereert, zelf de toegang tot deze regeling heeft
beperkt tot bepaalde ondernemingen en sectoren die als bevorderde sectoren zijn
ingedeeld, zoals de ondernemingen die tot de OBS-sector behoren, en die
daarnaast gevestigd zijn in bepaalde regio's van de VRC. Bovendien lijken er
geen objectieve criteria te zijn om de subsidiabiliteit te beperken en geen
afdoend bewijs om vast te stellen dat de subsidiabiliteit voor de regeling
automatisch is overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder b), van de
basisverordening. Opgemerkt zij dat de Commissie vanwege het gebrek aan
medewerking door de GOC niet in staat was om het bestaan van dergelijke
objectieve criteria te beoordelen. (240) Bijgevolg moet deze subsidie
worden aangemerkt als een tot compenserende maatregelen aanleiding gevende
subsidie. (f)
Berekening van de hoogte van de subsidie (241) De
hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt
berekend in termen van het aan de ontvangers in het OT toegekende voordeel. Dat
voordeel wordt geacht te bestaan in de in totaal verschuldigde belasting
volgens het normale vennootschapsbelastingtarief, na aftrek van wat volgens het
verlaagde preferentiële vennootschapsbelastingtarief is betaald. Overeenkomstig
artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd dit subsidiebedrag
(teller) omgeslagen over de totale omzet van de medewerkende producenten-exporteurs
in het OT, omdat de subsidie niet afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet
op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde
hoeveelheden werd toegekend. (242) Het voor de Panhua Group
vastgestelde subsidiepercentage is 0,03 %. (243) Het gewogen gemiddelde
subsidiepercentage voor de medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef
werden opgenomen, bedraagt 0,02 %. (244) Gezien de geringe mate van
medewerking wordt het subsidiepercentage voor alle ondernemingen die geen
medewerking hebben verleend bepaald op het niveau van het hoogste
subsidiepercentage dat voor deze regeling is vastgesteld voor een entiteit die
verbonden was aan een van de medewerkende ondernemingen in de steekproef,
namelijk 0,04 %. 3.3.5. Andere
vennootschapsbelastingprogramma's waarvoor de GOC onvoldoende of geen
antwoorden verstrekte (245) In de klacht werden vermeende
subsidieprogramma's uiteengezet met betrekking tot producenten-exporteurs die
niet in de steekproef zijn opgenomen en/of niet hun medewerking verleenden aan
het onderzoek. De Commissie heeft in de oorspronkelijke en aanvullende
vragenlijsten de GOC verzocht om over deze programma's informatie te
verstrekken en heeft de GOC vervolgens ruim voldoende gelegenheid gegeven om
antwoorden aangaande deze programma's te verstrekken. De GOC stelde zich op het
standpunt dat zij alleen antwoorden zou verstrekken met betrekking tot
vermeende subsidieprogramma's in verband met de twee producenten-exporteurs die
in de steekproef waren opgenomen en de GOC bevestigde dit standpunt tijdens de
gehele procedure. Echter, de GOC heeft voor enkele van deze programma's
informatie en bewijs verstrekt waardoor wordt aangetoond dat de programma's
beëindigd waren en niet van kracht waren in het OT. De Commissie heeft in haar
bevindingen rekening gehouden met dit door de GOC ingediende bewijsmateriaal. (246) De GOC heeft geen informatie of
bewijsmateriaal verstrekt met betrekking tot alle andere programma's. Door de
zeer geringe mate van medewerking in deze procedure werd de Commissie de
mogelijkheid ontnomen om informatie en bewijsmateriaal te verzamelen met
betrekking tot deze door de producenten-exporteurs in de klacht opgenomen
programma's. De Commissie heeft gecontroleerd of de producenten-exporteurs in
de steekproef niet in aanmerking kwamen voor of geen gebruik hadden gemaakt van
deze programma's (voornamelijk vanwege het feit dat ze in particuliere handen
waren of omdat ze buiten het toepassingsgebied van het programma vielen of
vanwege hun relatief beperkte omvang). Bijgevolg moest de Commissie het bestaan
van dit programma aantonen en het residuele recht vaststellen met betrekking
tot alle andere programma's waarvoor de GOC geen informatie indiende en die
niet toegankelijk waren voor of die niet gebruikt werden door de
producenten-exporteurs in de steekproef op grond van de beschikbare gegevens in
het dossier overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 1, van de
basisverordening. 3.3.5.1. Vennootschapsbelastingteruggave
voor de aanschaf van binnenlands geproduceerde productieapparatuur (a)
Omschrijving (247) In het kader van dit programma
mag een onderneming belastingteruggave aanvragen voor de aankoop van
binnenlands geproduceerde apparatuur, op voorwaarde dat het project
overeenstemt met het industriebeleid van de GOC. Een belastingteruggave van
maximaal 40 % van de aankoopprijs van binnenlands geproduceerde apparatuur
kan van toepassing zijn op de stapsgewijze verhoging van de
belastingverplichting van het vorige jaar. (bb)
Rechtsgrondslag (248) De rechtsgrondslag voor dit
programma wordt gevormd door de voorlopige maatregelen voor de
vennootschapsbelasting voor investeringen in binnenlands geproduceerde
apparatuur voor technologische vernieuwingsprojecten van 1 juli 1999 en het
bericht van de overheidsdienst voor belastingen betreffende de stopzetting van
de uitvoering van de aftrek- en vrijstellingsmaatregel voor
vennootschapsbelasting van de investeringen van een onderneming in de aankoop
van binnenlands gemaakte apparatuur, nr. 52 [2008] van de overheidsdienst
voor belastingen, van kracht met ingang van 1 januari 2008. (cc)
Niet-medewerking (249) De GOC antwoordde dat dit
programma beëindigd is met ingang van januari 2008 overeenkomstig het genoemde
bericht nr. 52 en dat het programma naar haar beste weten niet was
vervangen door een ander programma. De Commissie heeft de GOC verzocht om
relevante aanvullende informatie te verstrekken, namelijk details van de
termijn waarbinnen de voordelen zijn afgeschaft. De GOC heeft deze informatie
niet verstrekt en haar antwoord beperkt tot de feitelijk aan alle
OBS-producenten toegekende voordelen door eenvoudigweg te verwijzen naar de
antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten. De
Commissie heeft reeds de redenen uitgelegd waarom de GOC verzocht werd om
informatie over alle OBS-producenten te verstrekken en niet slechts over de in
de steekproef opgenomen producenten (zie bovenstaande overwegingen 34 en 35.
Bovendien verzuimde de GOC ook om informatie te verstrekken over de in de
steekproef opgenomen producenten, aangezien zij slechts naar hun antwoorden
verwees. De Commissie is van oordeel dat het niet voldoende is om bewijs van de
beëindiging van een programma in te dienen zonder aanvullend bewijsmateriaal
voor de afschaffing van de feitelijke voordelen van het programma en eventuele
vervangende programma's te overleggen. In verband met dit programma zij
opgemerkt dat, wanneer in een bepaald jaar een recht op een belastingvoordeel
(d.w.z. een belastingteruggave) ontstaat, het mogelijk is dat dit voordeel in
werkelijkheid in een ander belastingjaar wordt gebruikt, wat betekent dat de
voordelen zich kunnen uitstrekken tot na de geldigheidstermijn van het
programma, zelfs indien het in de tussentijd beëindigd is. Bij andere
"beëindigde" programma's is gebleken dat de voordelen ervan nog
enkele jaren na de officiële beëindigingsdatum van de programma's verleend
werden. Ook is het mogelijk dat ongebruikelijk grote voordeelbedragen over de
tijd verspreid toegekend worden. Bij gebrek aan door de GOC in dit verband
verstrekte informatie baseert de Commissie haar bevindingen op de informatie in
het dossier (in dit geval de klacht) overeenkomstig artikel 28 van de
basisverordening. (dd)
Bevindingen van het onderzoek (250) Dit programma is een subsidie,
aangezien het een financiële bijdrage levert in de vorm van door de GOC
gederfde inkomsten in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
ii), van de basisverordening. Dit programma verleent de ontvangers een voordeel
dat gelijk is aan de belastingbesparing in de zin van artikel 3,
lid 2, van de basisverordening. Deze subsidie is specifiek in de zin van
artikel 4, lid 4, onder b), van de basisverordening, aangezien
de belastingbesparing afhankelijk is van het gebruik van binnenlandse in plaats
van ingevoerde goederen. (ee)
Berekening van de hoogte van de subsidie (251) De
hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt
berekend in termen van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel.
Aangezien dit programma nog niet onderzocht is in een antisubsidieprocedure van
de instellingen van de Unie, en bij gebrek aan nauwkeurige kwantificering
elders, was de meest geschikte bron van informatie voor de beoordeling van het
voordeel voor de producenten-exporteurs een vergelijkbaar besluit van de autoriteiten
van de VS. Voor deze gehele verordening geldt dat wanneer subsidiebedragen
worden gebaseerd op bevindingen binnen andere onderzoeken, er rekening wordt
gehouden met, onder andere, de vraag of er eventuele belangrijke veranderingen
in de regeling in kwestie zijn doorgevoerd en of het subsidiebedrag in de loop
van de tijd wellicht lager is geworden. Opgemerkt zij dat het bedrag van
terugkerende subsidies op deze manier doorgaans niet lager wordt. Bij
afwezigheid van dergelijke veranderingen of een verlaging van het
subsidiebedrag wordt het oorspronkelijke percentage van het desbetreffende
onderzoek gebruikt als het subsidiebedrag in het onderhavige geval. (252) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor deze regeling in het OT is vastgesteld voor alle
niet-medewerkende ondernemingen, bedraagt 0,38 % en dit is het percentage
dat is vastgesteld voor dit programma in de besluitnota (Decision Memorandum)
van de Verenigde Staten (VS) van 17 november 2008 inzake Circular Welded
Carbon Quality Steel Line Pipe (blz. 26) (Federal Register / Vol. 73,
nr. 227, blz. 70961 / 24 november 2008). Wat betreft het door de
Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de
methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het door belastingprogramma's
verleende voordeel in essentie dezelfde is als de methodologie die wordt
gebruikt door de EU[67]. 3.3.5.2. Preferentiële fiscale
behandelingen voor ondernemingen die zijn erkend als hightechondernemingen en
in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen (a)
Omschrijving (253) Dankzij deze regeling geniet
een onderneming die een aanvraag indient voor erkenning als hightechonderneming
of een in nieuwe technologieën gespecialiseerde onderneming een gereduceerde
vennootschapsbelasting van 15 % in plaats van de normale 25 %. Dit
programma is aangemerkt als een tot compenserende maatregelen aanleiding
gevende subsidie door de EU in het kader van het onderzoek inzake gestreken
fijn papier en ook door de autoriteiten van de VS[68]. (b)
Rechtsgrondslag (254) De rechtsgrondslag van dit
programma wordt gevormd door artikel 28 van de wet op de
vennootschapsbelasting van de VRC (nr. 63, afgekondigd op 16 maart 2007),
de administratieve maatregelen om te bepalen welke ondernemingen
hightechondernemingen en in nieuwe technologieën gespecialiseerde ondernemingen
zijn en het bericht van de overheidsdienst voor belastingen inzake
aangelegenheden die betrekking hebben op de betaling van
vennootschapsbelastingen door hightechondernemingen en in nieuwe technologieën
gespecialiseerde ondernemingen (Guo Shui Han [2008] nr. 985). (c)
Niet-medewerking (255) De GOC antwoordde dat geen van
de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het OT gebruik had gemaakt van
dit programma en verwees naar de antwoorden van de ondernemingen in de steekproef
voor informatie over eventuele voordelen die in het kader van dit programma aan
hen zouden zijn verleend. De Commissie verwijst naar in de in het bovenstaande
uiteengezette argumenten voor het verzoek aan de GOC om volledige antwoorden te
verstrekken die niet beperkt zijn tot de in de steekproef opgenomen exporteurs
(bovenstaande overwegingen 34 en 35). Derhalve heeft de Commissie haar
bevindingen met betrekking tot dit programma gebaseerd op de beschikbare
informatie in het dossier (de bevindingen aangaande gestreken fijn papier en de
onderhavige klacht) overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (d)
Bevindingen van het onderzoek (256) Dit programma is een subsidie,
aangezien het een financiële bijdrage levert in de vorm van door de GOC
gederfde inkomsten in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
ii), van de basisverordening. Het voordeel voor de ontvanger is gelijk aan de
belastingbesparing die via dit programma wordt genoten overeenkomstig
artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Deze subsidie is specifiek
in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de
basisverordening, aangezien de toegang tot de subsidie beperkt is tot bepaalde
ondernemingen en sectoren die als bevorderd zijn ingedeeld, zoals ondernemingen
in de staalsector. Daarnaast zijn er op grond van wetgeving of door de
subsidieverlenende autoriteit geen objectieve criteria vastgesteld voor de
subsidiabiliteit voor de regeling en de subsidiabiliteit is niet automatisch
overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder b), van de basisverordening. (e)
Berekening van de hoogte van de subsidie (257) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dat voordeel wordt
geacht te bestaan in de in totaal verschuldigde belasting volgens het normale
belastingtarief, na aftrek van wat volgens het verlaagde preferentiële
belastingtarief is betaald. Bij gebrek aan informatie die kon worden gebruikt
voor de beoordeling van dit voordeel en aangezien dit programma reeds
onderzocht is in een eerdere antisubsidieprocedure door de instellingen van de
Unie, was de meest geschikte bron van informatie voor de beoordeling van het
voordeel voor de producenten-exporteurs de beoordeling die voor dit programma
is uitgevoerd in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 452/2011 van de Raad van
6 mei 2011 tot instelling van een definitief antisubsidierecht op gestreken
fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek China, indien nodig
gecorrigeerd zoals omschreven in bovenstaande overweging 252. (258) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,9 % en dit is het rekenkundige gemiddelde van de percentages
die zijn vastgesteld voor dit programma in de verordening die wordt genoemd in
de vorige overweging. 3.3.5.3. Vennootschapsbelastingvoordelen
voor ondernemingen die gebruikmaken van een breed scala aan hulpbronnen
(comprehensive resource utilisation, "bijzondere grondstoffen") (a)
Omschrijving (259) In het kader van dit programma
kunnen ondernemingen die een materiaal dat is vermeld in de catalogus van
vennootschapsbelastingvoordelen voor ondernemingen die gebruikmaken van een
breed scala aan hulpbronnen (comprehensive resource utilisation) gebruiken als
hun belangrijkste grondstof en die producten die in dezelfde catalogus zijn
vermeld vervaardigen op een manier die aan relevante nationale en industriële
normen voldoet, de inkomsten die zij daarmee verwerven bij hun totale inkomsten
optellen met een korting van 90 %. Dit betekent dat 10 % van de
inkomsten afgetrokken kan worden, wanneer de ondernemingen hun
vennootschapsbelasting berekenen. Deze vrijstelling wordt voor vijf jaar
verleend. (ff)
Rechtsgrondslag (260) De rechtsgrondslag van dit
programma wordt gevormd door: artikel 33 van de wet van de VRC op de
vennootschapsbelasting, artikel 99 van de voorschriften voor de uitvoering
van de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC door de Raad van State en de
catalogus van vennootschapsbelastingvoordelen voor ondernemingen die gebruikmaken
van een breed scala aan hulpbronnen (comprehensive resource utilisation). (gg)
Niet-medewerking (261) De GOC verklaarde dat geen van
de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het OT gebruik had gemaakt van
dit programma en verwees naar de antwoorden van de ondernemingen in de
steekproef voor informatie over eventuele voordelen die in het kader van dit
programma aan hen zouden zijn verleend. De Commissie verwijst naar in de in het
bovenstaande uiteengezette argumenten voor het verzoek aan de GOC om volledige
antwoorden te verstrekken die niet beperkt zijn tot de in de steekproef
opgenomen exporteurs (bovenstaande overwegingen 34 en 35). Derhalve heeft de
Commissie haar bevindingen met betrekking tot dit programma gebaseerd op de
beschikbare informatie in het dossier (in dit geval de klacht) overeenkomstig
artikel 28 van de basisverordening. (hh)
Bevindingen van het onderzoek (262) Dit programma is een subsidie,
aangezien het een financiële bijdrage levert in de vorm van door de GOC
gederfde inkomsten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 1,
onder a), ii), van de basisverordening. Het programma verleent een voordeel aan
de ontvanger dat gelijk is aan het bedrag van de belastingbesparing
overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de basisverordening Deze subsidie
is specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de
basisverordening, aangezien de toegang tot de subsidie beperkt is tot bepaalde
ondernemingen die als hun voornaamste grondstoffen hulpbronnen gebruiken die
zijn vermeld in bovenstaande catalogus van belastingvoordelen teneinde
producten die in deze catalogus worden vermeld te vervaardigen. (ii)
Berekening van de hoogte van de subsidie (263) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dat voordeel wordt
geacht te bestaan in de in totaal verschuldigde belasting volgens het normale
belastingtarief, na aftrek van wat volgens het verlaagde preferentiële
belastingtarief is betaald. Bij gebrek aan andere informatie die gebruikt kon
worden voor de beoordeling van dit voordeel heeft de Commissie haar bevindingen
gebaseerd op de informatie in de klacht. Overeenkomstig artikel 7,
lid 2, van de basisverordening werd het subsidiebedrag dat op deze manier
was berekend, omgeslagen over de totale omzet van de ontvangers in het OT als
geschikte teller, omdat de subsidie niet afhankelijk is van uitvoerprestaties
en niet op basis van gefabriceerde, geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde
hoeveelheden werd toegekend. (264) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,01 %. 3.3.5.4. Belastingteruggave in verband
met de aanschaf van speciale apparatuur (a)
Omschrijving (265) In het kader van dit programma
kunnen ondernemingen 10 % van de aanschafkosten voor speciale apparatuur
die wordt gebruikt voor milieubescherming, energie- en waterbesparing en
productieveiligheid worden verrekend met de in het jaar van aanschaf
verschuldigde vennootschapsbelasting. Het resterende deel van de 10 % van
het geïnvesteerde bedrag kan worden overgeheveld naar de volgende vijf jaar. (b)
Rechtsgrondslag (266) De rechtsgrondslag van dit
programma wordt gevormd door artikel 34 van de wet van de VRC op de
vennootschapsbelasting en artikel 100 van de voorschriften voor de
uitvoering van de wet op de vennootschapsbelasting van de VRC door de Raad van
State. (c)
Niet-medewerking (267) De GOC antwoordde dat geen van
de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het OT gebruik had gemaakt van
dit programma en verwees naar de antwoorden van de ondernemingen in de
steekproef voor informatie over eventuele voordelen die in het kader van dit
programma aan hen zouden zijn verleend. De Commissie verwijst naar in de in het
bovenstaande uiteengezette argumenten voor het verzoek aan de GOC om volledige
antwoorden te verstrekken die niet beperkt zijn tot de in de steekproef
opgenomen exporteurs (bovenstaande overwegingen 34 en 35). Derhalve heeft de
Commissie haar bevindingen met betrekking tot dit programma gebaseerd op de
beschikbare informatie overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (d)
Bevindingen van het onderzoek (268) Dit programma verstrekt een
subsidie, aangezien het een financiële bijdrage levert in de vorm van door de
GOC gederfde inkomsten overeenkomstig het bepaalde in artikel 3,
lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Het programma verleent een
voordeel aan de ontvanger dat gelijk is aan het bedrag van de
belastingbesparing overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de basisverordening (269) Met betrekking tot de
specificiteit van dit programma is de Commissie van oordeel dat de informatie
in het dossier ontoereikend is om tot verdere bevindingen te komen en tot een
definitieve conclusie wat betreft de specificiteit van het programma. Daarom
kon de Commissie dit programma niet verder beoordelen. 3.3.5.5. Preferentiële
vennootschapsbelasting voor de ondernemingen in de noordoostelijke regio (a)
Omschrijving (270) In het kader van dit programma
kunnen ondernemingen die gevestigd zijn in de noordoostelijke regio (met
inbegrip van de provincies Liaoning, Jilin en Heilongjiang en de gemeente
Dalian), ten eerste de waardeverminderingstermijn van vaste activa verminderen
met maximaal 40 % voor belastingdoeleinden, waardoor het jaarlijkse bedrag
aan waardevermindering dat kan worden afgetrokken van de vennootschapsbelasting
wordt verhoogd, en ten tweede de afschrijvingstermijn van immateriële activa
verkorten met maximaal 40 %, wat resulteert in een hogere jaarlijkse
aftrek. Krachtens een document dat is afgegeven door het ministerie van
Financiën en de overheidsdienst voor belastingen kunnen belastingplichtige
ondernemingen in bepaalde gespecificeerde sectoren, waaronder de metaalsector,
ook gebruikmaken van andere voordelen wat betreft de btw, hulpbronnenbelasting
en vennootschapsbelasting, namelijk in verband met de aankoop van vaste activa. (jj)
Rechtsgrondslag (271) De rechtsgrondslagen van dit
programma zijn het preferentieel beleid inzake de vennootschapsbelasting voor
de vernieuwing van ondernemingen van het oude industriecentrum in het
noordoosten (Caishui, nr. 153, 20 september 2004), het bericht van het
ministerie van Financiën en de overheidsdienst voor belastingen inzake de
waardevermindering van activa en het uitvoeringsniveau van het afschrijvingsbeleid
in het oude industriecentrum in het noordoosten (Caishui, nr. 17, 2
februari 2005). De GOC verstrekte de grondslag waaruit blijkt dat dit programma
op 1 januari 2008 werd beëindigd, namelijk het bericht van het ministerie van
Financiën en de overheidsdienst voor belastingen inzake meerdere preferentiële
beleidsmaatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelasting (nr. 1
[2008]). (kk)
Niet-medewerking (272) Afgezien van het verstrekken
van de bovengenoemde rechtsgrondslag waaruit bleek dat het programma was
beëindigd, verwees de GOC eenvoudigweg naar de antwoorden van de in de
steekproef opgenomen producenten voor informatie over eventuele voordelen die
in het kader van dit programma aan de ontvangers verleend zouden zijn. De
Commissie verwijst naar in de in het bovenstaande uiteengezette argumenten voor
het verzoek aan de GOC om volledige antwoorden te verstrekken die niet beperkt
zijn tot de in de steekproef opgenomen exporteurs (bovenstaande overwegingen 34
en 35). Daarnaast zij opgemerkt dat – aangezien dit programma subsidies
verleent die verbonden zijn aan de aankoop van vaste activa die over meerdere
jaren afgeschreven kunnen worden en de GOC verzuimd heeft om gedetailleerde
informatie te verstrekken over de afschaffing van de door dit programma
verleende voordelen of over de uitstaande voordelen die nog niet volledig zijn
afgeschreven – de Commissie heeft besloten om haar bevindingen te baseren op de
in het dossier beschikbare informatie (in dit geval de klacht en relevante
bevindingen van de VS) overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (ll)
Bevindingen van het onderzoek (273) Dit programma verstrekt een
subsidie in de vorm van door de GOC gederfde inkomsten in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Het voordeel
in de zin van artikel 3, lid 2, van de basisverordening bestaat in de
belastingbesparingen die zijn gegenereerd voor de in aanmerking komende
ondernemingen door de aftrek van versnelde waardevermindering en
afschrijvingskosten die verbonden waren aan de aankoop van vaste activa. Deze
subsidie is specifiek in de zin van artikel 4, lid 3, van de
basisverordening, aangezien de toegang tot de subsidie beperkt is tot
ondernemingen die gevestigd zijn in een afgebakend geografisch gebied, namelijk
de noordoostelijke regio. (mm)
Berekening van de hoogte van de subsidie (274) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel wordt geacht te bestaan in het verschil tussen het bedrag
aan belasting dat betaald zou zijn in het OT op grond van de normale
waardeverminderingstermijn voor de activa en het bedrag dat werkelijk betaald
is op grond van versnelde waardevermindering. Aangezien dit programma nog niet
onderzocht is door de instellingen van de Unie in een antisubsidieprocedure, en
bij gebrek aan nauwkeurige kwantificering elders, was de meest geschikte bron
van informatie voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs
een vergelijkbaar besluit (op grond van overeenkomsten in de aard van het
programma[69])
van de autoriteiten van de VS. Zoals in bovenstaande overweging 252 is
opgemerkt, geldt voor deze gehele verordening dat wanneer subsidiebedragen worden
gebaseerd op bevindingen binnen andere onderzoeken, er rekening wordt gehouden
met, onder andere, de vraag of er eventuele belangrijke veranderingen in de
regeling in kwestie zijn doorgevoerd en of het subsidiebedrag in de loop van de
tijd wellicht lager is geworden. Opgemerkt zij dat het bedrag van terugkerende
subsidies doorgaans op deze manier niet lager wordt. Bij afwezigheid van
dergelijke veranderingen of een verlaging van het subsidiebedrag wordt het
oorspronkelijke percentage van het desbetreffende onderzoek gebruikt als het
subsidiebedrag in het onderhavige geval. (275) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor deze regeling in het OT is vastgesteld voor alle
niet-medewerkende ondernemingen bedraagt 0,08 % en dit is het percentage
voor de regeling voor de "vrijstelling van vennootschapsbelasting voor
investeerders in afgebakende geografische gebieden in Liaoning", zoals
vastgesteld in de VS-besluitnota (Decision Memorandum) van 3 juni 2010
inzake Wire Decking (blz. 25) (Federal Register / Vol. 75,
nr. 111, blz. 32902 / 10 juni 2010). Wat betreft het door de Amerikaanse
autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de methodologie die wordt
gebruikt voor de berekening van het door belastingprogramma's verleende
voordeel in essentie dezelfde is als de methodologie die wordt gebruikt door de
EU[70]. 3.3.5.6. Vrijstelling van
vennootschapsbelasting voor investeringen in binnenlandse technologische
vernieuwing (a)
Rechtsgrondslag (276) De rechtsgrondslagen van dit
programma zijn de audit van de vennootschapsbelasting in verband met de
kredietbeheersing van investeringen in de technologische transformatie van
binnenlandse apparatuur, aangenomen door de overheidsdienst voor belastingen,
nr. 13 van januari 2000, en het bericht inzake de afkondiging en verspreiding
van maatregelen voor het beheer van belangrijke projecten voor technologische
vernieuwing. (b)
Bevindingen van het onderzoek (277) De GOC antwoordde dat dit
programma was beëindigd met ingang van 1 januari 2008 door het bericht van de
overheidsdienst voor belastingen betreffende de stopzetting van de uitvoering
van de aftrek- en vrijstellingsmaatregel voor vennootschapsbelasting van de
investeringen van een onderneming in de aankoop van binnenlands gemaakte
apparatuur, nr. 52 [2008] van de overheidsdienst voor belastingen.
Aangezien dit programma terugkerende belastingvoordelen verleent die zijn
beëindigd met ingang van 2008 en er geen bewijs is dat uitstaande voordelen
verder afgeschreven zijn in het OT, concludeert de Commissie dat dit programma geen
aanleiding geeft tot compenserende maatregelen. 3.3.5.7. Diverse kortingen op
plaatselijke belastingen (a)
Omschrijving (278) In de klacht wordt een aantal
kortingen op belastingen opgesomd die beschikbaar zijn in meerdere provincies
(namelijk Shandong, de gemeente Chongqing, de regio Guangxi Zhuang, de centrale
en westelijke regio's) in de vorm van een verlaagde vennootschapsbelasting van
15 % in plaats van het algemeen toepasselijke belastingtarief van
25 %. (nn)
Rechtsgrondslag (279) De klacht rapporteert de rechtsgrondslag
van de belastingkorting in Shandong, namelijk de verminderde
vennootschapsbelasting op basis van geografische locatie (provincies
Zheijang en Shandong): wet van de VRC op de vennootschapsbelasting voor
ondernemingen met buitenlandse investeringen en buitenlandse ondernemingen,
artikel 7, aangenomen op 9 april 1991, nr. 45. (oo)
Niet-medewerking (280) De GOC verklaarde simpelweg dat
geen van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het OT gebruik had
gemaakt van dit programma en verwees naar de antwoorden van de ondernemingen in
de steekproef voor informatie over eventuele voordelen die hun zouden zijn
verleend. Naast de argumenten voor de verplichting van de GOC om volledige
antwoorden te verstrekken (zie bovenstaande overwegingen 34 en 35) merkt de
Commissie op dat ten minste een van de verlaagde belastingtarieven die in dit
punt worden genoemd voordeel verleende aan een van de medewerkende exporteurs
(zie de overwegingen vanaf 231 in het bovenstaande). Derhalve verlaat de
Commissie zich voor de beoordeling van dit programma op de in het dossier
beschikbare informatie (in dit geval de klacht en relevante bevindingen van de
VS) overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (pp)
Bevindingen van het onderzoek (281) Dit programma verstrekt een subsidie
in de vorm van door de GOC gederfde inkomsten in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Dit terugkerende voordeel
is gelijk aan het bedrag van de belastingbesparingen ingevolge de lagere
vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 3, lid 2, van de
basisverordening. Het programma is specifiek, omdat de toegang tot het
programma beperkt is tot ondernemingen die gevestigd zijn in afgebakende
geografische gebieden in de zin van artikel 4, lid 3, van de
basisverordening. (qq)
Berekening van de hoogte van de subsidie (282) De
hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt
berekend in termen van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dat
voordeel wordt geacht te bestaan in de in totaal verschuldigde belasting
volgens het normale belastingtarief, verminderd met wat volgens het
preferentiële belastingtarief is betaald. Aangezien dit programma nog niet
onderzocht is in een antisubsidieprocedure van de instellingen van de Unie, en
bij gebrek aan nauwkeurige kwantificering elders, was de meest geschikte bron
van informatie voor de beoordeling van het voordeel voor de
producenten-exporteurs een vergelijkbaar besluit (op grond van overeenkomsten
in de aard van het programma) van de autoriteiten van de VS. Zoals reeds in het
bovenstaande is opgemerkt, geldt voor deze gehele verordening dat wanneer
subsidiebedragen worden gebaseerd op bevindingen binnen andere onderzoeken, er
rekening wordt gehouden met, onder andere, de vraag of er eventuele belangrijke
veranderingen in de regeling in kwestie zijn doorgevoerd en of het
subsidiebedrag in de loop van de tijd wellicht lager is geworden. Opgemerkt zij
dat het bedrag van terugkerende subsidies op deze manier doorgaans niet lager
wordt. Bij afwezigheid van dergelijke veranderingen of een verlaging van het
subsidiebedrag wordt het oorspronkelijke percentage van het desbetreffende
onderzoek gebruikt als het subsidiebedrag in het onderhavige geval. (283) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor deze regeling in het OT is vastgesteld voor alle
niet-medewerkende ondernemingen, bedraagt 0,66 % en dit is het percentage
dat is vastgesteld voor de regeling "verminderde vennootschapsbelasting op
basis van geografische locatie", zoals vastgesteld in de besluitnota (Decision
Memorandum) van de Verenigde Staten (VS) van 12 juni 2009 inzake Certain
Tow Behind Lawn Groomers and Certain Parts Thereof (blz. 11) (Federal
Register / Vol. 74, nr. 117, bladzijde 29180 / 19 juni 2009). Wat betreft
het door de Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de
methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het door
belastingprogramma's verleende voordeel in essentie dezelfde is als de
methodologie die wordt gebruikt door de EU[71]. 3.3.5.8. Vrijstelling van dividend tussen
gekwalificeerde ingezeten ondernemingen (a)
Omschrijving (284) Dit programma bestaat uit een
preferentiële fiscale behandeling voor Chinese ingezeten ondernemingen die
aandeelhouder zijn in andere Chinese ingezeten ondernemingen in de vorm van een
belastingvrijstelling voor inkomsten uit bepaalde dividenden, bonussen en
andere beleggingen in aandelen voor de ingezeten moederondernemingen. De EU
heeft voor dit programma compenserende maatregelen ingesteld in de procedure
met betrekking tot gestreken fijn papier[72] (b)
Rechtsgrondslag (285) De rechtsgrondslag wordt
gevormd door artikel 26 van de wet op de vennootschapsbelasting van de
VRC, artikel 83 van de voorschriften voor de uitvoering van de wet op de
vennootschapsbelasting van de VRC, decreet nr. 512 van de Raad van State,
afgekondigd op 6 december 2007. (c)
Niet-medewerking (286) De GOC antwoordde dat geen van
de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het OT gebruik had gemaakt van
dit programma en verwees naar de antwoorden van de ondernemingen in de
steekproef voor informatie over eventuele voordelen die in het kader van dit
programma aan hen zouden zijn verleend. De Commissie verwijst naar haar
argumenten voor het verzoek aan de GOC om volledige antwoorden te verstrekken
(bovenstaande overwegingen 34 en 35. Derhalve heeft de Commissie besloten om,
overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening, haar bevindingen ten
aanzien van dit programma te baseren op de in het dossier beschikbare
informatie, namelijk de bevindingen in het besluit inzake gestreken fijn
papier. (d)
Bevindingen van het onderzoek (287) Dit programma verstrekt een
subsidie in de vorm van gederfde inkomsten in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Dit voordeel is gelijk aan
het bedrag van de belastingbesparingen die worden verleend door de
belastingvrijstelling voor dividenden, bonussen en andere beleggingen in
aandelen voor Chinese ingezeten ondernemingen overeenkomstig artikel 3,
lid 2, van de basisverordening. Dit programma is specifiek in de zin van
artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening, aangezien de
wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit opereert, de
toegang tot dit programma heeft beperkt tot in de VRC ingezeten ondernemingen
die inkomsten hebben uit dividenden van andere ingezeten ondernemingen, dit in
tegenstelling tot ondernemingen die in niet-ingezeten ondernemingen investeren.
Dit programma is tevens specifiek in de zin van artikel 4, lid 2,
onder b), van de basisverordening, aangezien het programma wordt gereserveerd
voor uitsluitend belangrijke sectoren en projecten die worden bevorderd door de
staat, zoals de staalsector (zie bovenstaande overweging 182), alsmede omdat er
geen objectieve criteria zijn om de subsidiabiliteit te beperken en geen
afdoend bewijs om te concluderen dat de subsidiabiliteit automatisch is. (e)
Berekening van de hoogte van de subsidie (288) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Dat voordeel wordt
geacht te bestaan in de in totaal verschuldigde belasting wanneer de inkomsten
uit het dividend van andere in de VRC ingezeten ondernemingen wordt meegeteld,
na aftrek van wat werkelijk is betaald met de belastingvrijstelling van het
dividend. Bij gebrek aan informatie die kon worden gebruikt voor de beoordeling
van dit voordeel en aangezien dit programma reeds onderzocht is in een eerdere
antisubsidieprocedure door de instellingen van de Unie, was de meest geschikte
bron van informatie voor de beoordeling van het voordeel voor de
producenten-exporteurs de beoordeling die voor dit programma is uitgevoerd in
de procedure inzake gestreken fijn papier, indien nodig gecorrigeerd zoals
omschreven in bovenstaande overweging 252. (289) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,77 % en dit is het rekenkundige gemiddelde van de percentages
die zijn vastgesteld voor dit programma in de procedure inzake gestreken fijn
papier. 3.3.5.9. Preferentiële
belastingprogramma's voor met buitenlands kapitaal gefinancierde ondernemingen
(Foreign Invested Enterprises - FIE's) (290) De klacht bevat een lijst van
de volgende regelingen voor preferentiële belastingen die voordeel verlenen aan
FIE's: –
"Two free/three
half"-belastingvrijstellingen voor de producerende FIE's –
Programma's voor vrijstelling en vermindering
van plaatselijke vennootschapsbelasting voor de producerende FIE's –
Vennootschapsbelastingteruggave voor FIE's die
binnenlands geproduceerde apparatuur kopen –
Vennootschapsbelastingsubsidies voor FIE's op
grond van geografische locatie (291) De GOC verstrekte de relevante
rechtsgrondslagen om aan te tonen dat programma's voor FIE's beëindigd waren
door de aanneming op 16 maart 2007 van de wet op de vennootschapsbelasting
van 2008 tijdens de vijfde bijeenkomst van het tiende nationale volkscongres
van de Volksrepubliek China, namelijk: –
bericht van de Raad van State inzake de
uitvoering van de overgangsbeleidsmaatregelen voor preferentiële behandeling
met betrekking tot de vennootschapsbelasting nr. 39 [2007] van de Raad van State; –
bericht van de overheidsdienst voor belastingen
betreffende de stopzetting van de uitvoering van de aftrek- en
vrijstellingsmaatregel voor vennootschapsbelasting van de investeringen van een
onderneming in de aankoop van binnenlands gemaakte apparatuur, nr. 52 [2008] van de overheidsdienst voor belastingen. (292) Uit deze bepalingen blijkt dat
de vennootschapsbelastingvoordelen voor FIE's geleidelijk afgeschaft zijn
binnen een overgangsperiode die eind 2011 afliep. De GOC heeft ook verklaard
dat er geen vervangend programma voor FIE's is en dat de fiscale behandeling
van FIE's nu hetzelfde is als voor andere belastingplichtige ondernemingen.
Opgemerkt zij dat deze programma's voor preferentiële vennootschapsbelasting
voor FIE's nog steeds aanleiding geeft tot compenserende maatregelen, aangezien
het mogelijk is dat OBS-producenten nog steeds uitstaande voordelen genieten,
ten minste voor een deel van het OT tot het einde van 2011, en het bestaan van
een vervangend programma voor FIE's vanaf 2012 niet kan worden uitgesloten.
Niettemin heeft de Commissie besloten deze programma's niet verder te
beoordelen met het oog op de noodzaak om de administratieve last voor alle
betrokken partijen te verminderen, en ook gelet op het naderende einde van de
progressieve afschaffingsperiode en de afwezigheid van aanwijzingen voor een
mogelijk vervangend programma. 3.3.6. Programma's inzake
indirecte belastingen en invoerrechten 3.3.6.1. Vrijstellingen van invoerrechten
en btw voor FIE's en bepaalde binnenlandse ondernemingen die in bevorderde
sectoren ingevoerde apparatuur gebruiken (a)
Omschrijving (293) Dit programma voorziet in een
vrijstelling van btw en invoerrechten ten gunste van FIE's of binnenlandse
ondernemingen voor de invoer van bedrijfsapparatuur die in hun productie wordt
gebruikt. Om van de vrijstelling gebruik te kunnen maken mag de apparatuur niet
opgenomen zijn in een lijst van apparatuur die niet in aanmerking komt en moet
de aanvragende onderneming door de Chinese autoriteiten of door de NDRC erkend
zijn als een door de staat bevorderd project overeenkomstig de relevante
wetgeving inzake investeringen, belastingen en douaneaangelegenheden. De Unie
heeft voor dit programma compenserende maatregelen ingesteld in de procedure
met betrekking tot gestreken fijn papier[73]
(rr)
Rechtsgrondslag (294) De rechtsgrondslagen van dit
programma zijn de circulaire van de Raad van State inzake de afstemming van het
belastingbeleid op het gebied van ingevoerde apparatuur, Guo Fa
nr. 37/1997, de aankondiging van het ministerie van Financiën, de algemene
douanedienst en de overheidsdienst voor belastingen [2008] nr. 43, het
bericht van de NDRC over de desbetreffende aangelegenheden inzake de
behandeling van de bevestigingsbrief met betrekking tot binnen- of buitenlands
gefinancierde projecten waarvan de ontwikkeling door de overheid wordt
bevorderd, nr. 316 2006 van 22 februari 2006 alsmede de catalogus van noch
voor FIE's, noch voor binnenlandse ondernemingen van rechten vrijstelbare
importartikelen, 2008. (ss)
Niet-medewerking (295) De GOC voerde aan dat geen van
de in de steekproef opgenomen ondernemingen in het OT gebruik had gemaakt van
dit programma en verwees naar de antwoorden van de ondernemingen in de
steekproef voor informatie over eventuele voordelen die in het kader van dit
programma aan hen zouden zijn verleend. De Commissie verwijst naar haar
argumenten voor het verzoek aan de GOC om volledige antwoorden te verstrekken
(zie vanaf overweging 34 in het bovenstaande) en zal derhalve haar bevindingen
ten aanzien van dit programma baseren op de in het dossier beschikbare
informatie overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening, namelijk
haar bevindingen in de procedure inzake gestreken fijn papier. (tt)
Bevindingen van het onderzoek (296) Dit programma wordt aangemerkt
als een subsidie in de vorm van door de GOC gederfde inkomsten in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), ii) van de basisverordening, aangezien
FIE's en andere binnenlandse ondernemingen die ervoor in aanmerking komen,
vrijgesteld worden van de betaling van btw en andere rechten die zij zouden
moeten betalen, indien ze niet door de NDRC waren erkend als een door de
overheid bevorderd project. Het programma verleent derhalve een voordeel aan de
ontvangende ondernemingen in de zin van artikel 3, lid 2, van de
basisverordening. Het programma is specifiek in de zin van artikel 4,
lid 2, onder a), van de basisverordening, aangezien de wetgeving op grond
waarvan de subsidieverlenende autoriteit opereert, de toegang tot dit programma
heeft beperkt tot ondernemingen die investeren in specifieke
bedrijfscategorieën die bij wet uitputtend zijn gedefinieerd en die erkend zijn
als door de overheid bevorderd project. Bovendien zijn er voor dit programma
geen objectieve criteria om de subsidiabiliteit te beperken en geen afdoend
bewijs om te concluderen dat de subsidiabiliteit voor de regeling automatisch
is overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder b), van de
basisverordening. (uu)
Berekening van de hoogte van de subsidie (297) De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding
gevende subsidie wordt berekend in termen van het aan de ontvanger in het OT
toegekende voordeel. Het aan de ontvangers verleende voordeel wordt geacht te
bestaan in het bedrag van de btw en rechten op ingevoerde apparatuur waarvoor
vrijstelling is verleend. Bij gebrek aan informatie die kon worden gebruikt
voor de beoordeling van dit voordeel en aangezien dit programma reeds door de
Unie onderzocht is in een eerdere procedure met betrekking tot compenserende
maatregelen, was de meest geschikte bron van informatie voor de beoordeling van
het voordeel voor de producenten-exporteurs de beoordeling die voor dit
programma is uitgevoerd in de procedure inzake gestreken fijn papier, indien
nodig gecorrigeerd als omschreven in bovenstaande overweging 252. (298) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,89 % en dit is het rekenkundige gemiddelde van de percentages
die zijn vastgesteld voor dit programma in het onderzoek inzake gestreken fijn
papier. 3.3.6.2. Terugbetaling van btw bij de
aankoop van binnenlands geproduceerde apparatuur (a)
Omschrijving (299) Dit programma biedt voordelen
in de vorm van terugbetaling van de btw op door FIE's aangekochte in het
binnenland geproduceerde apparatuur. De apparatuur mag niet vermeld zijn in de
catalogus van niet voor vrijstelling in aanmerking komende artikelen en de
waarde van de apparatuur niet hoger is dan het maximale totale
investeringsbedrag voor FIE's volgens de "experimentele administratieve
maatregelen inzake de aankoop van in het binnenland geproduceerde
apparatuur". Voor dit programma zijn compenserende maatregelen ingesteld
door de Unie in de procedure met betrekking tot gestreken fijn papier[74] en door de autoriteiten van de
VS in het kader van een procedure inzake compenserende rechten in verband met
onbeklede plaat uit de VRC[75]. (b)
Rechtsgrondslag (300) De rechtsgrondslagen van dit
programma zijn de circulaire van de overheidsdienst voor belastingen inzake de
afkondiging van de voorlopige maatregelen voor de dienst belastingaftrek voor
de aankoop van in het binnenland geproduceerde apparatuur door FIE's
nr. 171, 199, van 20.9.1999; het bericht van het ministerie van Financiën
en de overheidsdienst voor belastingen betreffende de stopzetting van de
uitvoering van het beleid om belasting terug te betalen aan buitenlands
gefinancierde ondernemingen voor hun aankoop van binnenlands gemaakte
apparatuur, nr. 176 [2008] van het ministerie van Financiën. (c)
Niet-medewerking (301) De GOC voerde aan dat dit
programma met ingang van 1 januari 2009 beëindigd was door bovenstaand bericht
nr. 176 [2008]. De Commissie verzocht de GOC om informatie te
verstrekken over de feitelijke beëindiging van voordelen die gedurende een
langere periode toegekend zouden moeten zijn, aangezien dit programma verbonden
is aan de aankoop van binnenlands geproduceerde activa. De GOC verwees
eenvoudigweg naar de antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten
voor informatie over eventuele voordelen die zij in het kader van dit programma
ontvangen zouden kunnen hebben. De Commissie verwijst naar haar argumenten voor
het verzoek aan de GOC om volledige antwoorden te verstekken (overwegingen 34
en verder in het bovenstaande). De Commissie merkt tevens op dat bericht
nr. 176 voorziet in een overgangsperiode voor de verwerving van voor
het programma in aanmerking komende activa en voor het indienen van een
aanvraag om toekenning van de voordelen tot 30 juni 2009. Aangezien de GOC
verzuimde om informatie te verstrekken over de stapsgewijze afschaffing van de
voordelen en aangezien dergelijke voordelen, omdat ze verbonden zijn aan vaste
activa, in de loop van de tijd toegekend en gebruikt kunnen worden in het OT,
geeft de Commissie haar bevindingen op grond van de beschikbare informatie
overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening, namelijk de bevindingen
in de procedure inzake gestreken fijn papier. (d)
Bevindingen van het onderzoek (302) Dit programma wordt aangemerkt
als een subsidie in de vorm van door de GOC gederfde inkomsten in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, waardoor
een voordeel wordt toegekend aan de ontvangende ondernemingen in de zin van
artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Het programma is specifiek
in de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening,
aangezien de wetgeving op grond waarvan de subsidieverlenende autoriteit
opereert, zelf de toegang tot deze regeling heeft beperkt tot bepaalde
ondernemingen (FIE's) voor de aankoop van apparatuur die niet is opgenomen in
de catalogus van niet voor vrijstelling in aanmerking komende artikelen. Er is
geen aanwijzing voor niet-specificiteit overeenkomstig artikel 4,
lid 2, onder b), van de basisverordening, aangezien er geen objectieve
criteria zijn om de subsidiabiliteit te beperken en geen afdoend bewijs om te
concluderen dat de subsidiabiliteit automatisch is. Daarnaast is het programma
ook specifiek in de zin van artikel 4, lid 4, onder b), van de
basisverordening, daar de subsidie afhankelijk is van het gebruik van
binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen. (e)
Berekening van de hoogte van de subsidie (303) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel wordt geacht te bestaan in het bedrag van de terugbetaalde
btw op de aankoop van in het binnenland geproduceerde apparatuur. Bij gebrek
aan informatie die kon worden gebruikt voor de beoordeling van dit voordeel en
aangezien dit programma reeds door de Unie onderzocht is in een eerdere
procedure met betrekking tot compenserende maatregelen, was de meest geschikte
bron van informatie voor de beoordeling van het voordeel voor de
producenten-exporteurs de beoordeling die voor dit programma is uitgevoerd in
het onderzoek inzake gestreken fijn papier, indien nodig gecorrigeerd zoals
omschreven in bovenstaande overweging 252. (304) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,04 % en dit is het rekenkundige gemiddelde van de percentages
die zijn vastgesteld voor dit programma in de procedure inzake gestreken fijn
papier. 3.3.6.3. Btw-aftrek op vaste activa in de
centrale regio (a)
Omschrijving (305) Dit programma heeft betrekking
op btw-plichtige ondernemingen die hoofdzakelijk in bepaalde gespecificeerde
sectoren opereren, met inbegrip van de metaalsector. In het kader van dit
programma kunnen de in aanmerking komende btw-plichtige ondernemingen die
gevestigd zijn in 26 steden van de oude industriecentra van de centrale regio
en die investeren in bepaalde vaste activa het op de vaste activa betaalde
btw-bedrag aftrekken van de totale btw die de onderneming moet betalen. (vv)
Rechtsgrondslag (306) De rechtsgrondslagen van dit
programma zijn het bericht van het ministerie van Financiën en de
overheidsdienst voor belastingen ter afkondiging van de voorlopige maatregelen
voor de uitbreiding van het toepassingsgebied van de compensatie van de
belasting over de toegevoegde waarde in de centrale regio, nr. 75, 2007 en
het bericht van het ministerie van Financiën en de overheidsdienst voor
belastingen inzake de nationale uitvoering van de hervorming van de belasting
over de toegevoegde waarde, nr. 170 [2008] van het ministerie van
Financiën. (ww)
Niet-medewerking (307) De GOC voerde aan dat dit
programma met ingang van 1 januari 2009 beëindigd is door bericht
nr. 170 [2008] en verwees naar de antwoorden van de in de steekproef
opgenomen producenten voor informatie over eventuele voordelen die aan hen zijn
verleend door dit programma. De Commissie verwijst naar haar argumenten voor
het verzoek aan de GOC om volledige antwoorden te verstekken (overwegingen 34 en
verder in het bovenstaande). De Commissie merkt op dat bericht nr. 170
inderdaad de bepaling bevat dat btw-voordelen voor ondernemingen die gevestigd
zijn in de centrale regio aan het einde van 2008 beëindigd worden en tot
uiterlijk januari 2009 kunnen worden overgeheveld. Echter, aangezien dergelijke
voordelen verbonden zijn aan vaste activa, kunnen ze in de loop van de tijd
toegekend worden en tot in het OT bestaan. Daarnaast lijkt het bericht een
ander preferentieel btw-stelsel te bevatten voor ondernemingen die gevestigd
zijn in de centrale regio, dat met ingang van januari 2009 van kracht is en
bestaat uit de helft van de toepasselijke btw-tarieven. Aangezien de GOC geen
toelichting heeft verstrekt over de stapsgewijze afschaffing van uitstaande
voordelen in het kader van dit programma of op de details van een eventueel
vervangend programma, heeft de Commissie derhalve haar bevindingen aangaande
dit programma gebaseerd op de in het dossier beschikbare informatie
overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (xx)
Bevindingen van het onderzoek (308) Dit programma wordt aangemerkt
als een subsidie in de vorm van door de GOC gederfde inkomsten in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening, waardoor
een voordeel wordt toegekend aan de ontvangende ondernemingen in de zin van
artikel 3, lid 2, van de basisverordening, dat gelijk is aan het
bedrag van de btw-besparingen die ontstaan door de aftrek van de aanschafkosten
voor vaste activa. Het programma is specifiek in de zin van artikel 4,
lid 2, onder a), van de basisverordening, aangezien de wetgeving de
toegang tot het programma beperkt tot bepaalde ondernemingen, namelijk
ondernemingen die in de vermelde sectoren actief zijn. Dit programma is tevens
specifiek in de zin van artikel 4, lid 3, van de basisverordening,
aangezien het beperkt is tot bepaalde afgebakende gebieden, namelijk de steden
van de oude industriecentra van de centrale regio. (yy)
Berekening van de hoogte van de subsidie (309) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Het aan de ontvangers
verleende voordeel wordt geacht te bestaan in het bedrag van de btw-besparingen
die ontstaan door de aftrek van de aanschafkosten van vaste activa. Bij gebrek
aan informatie die kon worden gebruikt voor de beoordeling van dit voordeel en
aangezien een vergelijkbaar btw-programma reeds in deze procedure onderzocht
is, was de meest geschikte bron van informatie voor de beoordeling van het
voordeel voor de producenten-exporteurs de beoordeling die is uiteengezet in de
overwegingen 297 en 298. (310) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,89 %. 3.3.6.4. Andere belastingvoordelen van
Ma'anshan (a)
Bevindingen van het onderzoek (311) De klacht bevatte een opsomming
van diverse belastingvoordelen in de periode 2008 tot en met 2010 die werden
verleend aan in Ma'anshan en Wuhan gevestigde OBS-producenten, met inbegrip van
vrijstellingen van onderhouds- en bouwbelastingen en extra toeslagen op
financiële middelen voor onderwijs. De Commissie heeft de GOC verzocht om
informatie over deze belastingvoordelen te verstrekken. De GOC antwoordde dat
de gevraagde informatie niet relevant was voor het onderzoek, omdat geen van de
in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs in Ma'anshan gevestigd was.
De Commissie verwijst naar haar uitleg dat de GOC verzocht was om ook
informatie in te dienen met betrekking tot de vermeende subsidie voor
ondernemingen die niet in de steekproef zijn opgenomen (bovenstaande
overwegingen 34 en 35). (312) Bij gebrek aan door de GOC
verstrekte informatie, komt de Commissie tot de conclusie dat de
belastingvoordelen die beschikbaar zijn in Ma'anshan en Wuhan moeten worden
aangemerkt als een subsidie in de vorm van door de GOC gederfde inkomsten in de
zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii). Er wordt een voordeel aan de
ontvangende ondernemingen verleend in de zin van artikel 3, lid 2,
van de basisverordening, aangezien er een belastingbesparing ontstaat die
gelijk is aan het verschil tussen de betaalde belasting en het belastingbedrag
dat normaal betaald zou moeten worden indien dit programma niet bestond. Het
programma is specifiek in de zin van artikel 4, lid 3, van de
basisverordening, aangezien het beperkt is tot de ondernemingen die gevestigd
zijn in bepaalde afgebakende regio's of gemeenten in Ma'anshan. (b)
Berekening van de hoogte van de subsidie (313) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
informatie die gebruikt kon worden voor de beoordeling van dit voordeel heeft
de Commissie haar bevindingen gebaseerd op informatie in de klacht.
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd het
subsidiebedrag dat op deze manier was berekend omgeslagen over de totale omzet
van de ontvangers in het OT als geschikte teller, omdat de subsidie niet
afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde,
geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (314) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,08 %. 3.3.7. Subsidieprogramma's (315) In de klacht wordt gesteld dat
de ondernemingen die het betrokken product produceren vanaf het jaar 2005 tot
recentelijk (met inbegrip van het jaar 2009) voordelen hebben genoten in het
kader van verschillende subsidieprogramma's en -subprogramma's. Het kan niet
worden uitgesloten dat betalingen in het kader van deze programma's nog steeds
worden uitgevoerd of dat rechten op eenmalige betalingen zijn ontstaan in
verband met bedrijfsinvesteringen, waardoor er nog steeds geldende voordelen
bestaan die nog niet volledig zijn afgeschreven tijdens de gekozen
afschrijvingsperiode van vijftien jaar. De GOC was verzocht om informatie over
deze programma's te verstrekken, maar heeft verzuimd een relevant antwoord te
verstrekken ten aanzien van deze programma's. Derhalve heeft de Commissie, bij
gebrek aan antwoorden van de GOC, haar bevindingen gebaseerd op het meest
geschikte bewijsmateriaal dat beschikbaar was overeenkomstig artikel 28
van de basisverordening. 3.3.7.1. China World Top Brand-programma (a)
Rechtsgrondslag (316) Volgens gegevens in de klacht
zijn de rechtsgrondslagen van dit programma als volgt: –
circulaire over de uitvoering van de evaluatie
van producten voor de erkenning als China World Top Brand, GZJH [2005]
nr. 95; –
aankondiging nr. 5, 2005 van het comité
voor de promotie van de VRC voor de Top Brand-strategie, ter afkondiging van de
lijst van China Top Brand-producten; –
circulaire inzake de toepassing van de China
World Top Brands in 2006, ZJZH [2006] nr. 11; –
aankondiging nr. 6, 2006 van het comité
voor de promotie van de VRC voor de Top Brand-strategie, ter afkondiging van de
lijst van China Top Brand-producten; –
aankondiging nr. 6, 2007 van het comité
voor de promotie van de VRC voor de Top Brand-strategie, ter afkondiging van de
lijst van China Top Brand-producten; –
circulaire inzake de toepassing van de China
World Top Brands in 2008, ZJZH [2008] nr. 23; –
door de GOC afgekondigde maatregelen voor het
beheer van Chinese Top Brand-producten. (zz)
Subsidiabiliteitscriteria (317) Uitsluitend producenten aan wie
de aanduiding "China World Top Brand" is toegekend, hebben recht op
de voordelen van dit programma. In de klacht wordt gesteld dat deze aanduiding
is toegekend aan een aantal staalproducten die zijn geproduceerd door de staalondernemingen
waarop dit onderzoek betrekking heeft. (aaa)
Bevindingen van het onderzoek (318) Gezien het gebrek aan
medewerking van de GOC, zijn de bevindingen gebaseerd op de informatie in het
dossier overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (319) Dit programma verleent
financiële bijdragen in de vorm van subsidies, leningen voor rentetarieven die
onder de markttarieven liggen en andere stimuleringsmaatregelen die een
rechtstreekse overdracht van middelen inhouden, waardoor een voordeel aan de
ontvangers wordt verleend in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
i), en lid 2, van de basisverordening. (320) Deze subsidie is specifiek in
de zin van artikel 4, lid 2), onder a), van de basisverordening,
omdat de wetgeving de toegang tot de subsidie beperkt tot bepaalde
ondernemingen, namelijk de ondernemingen die voor hun producten de aanduiding
"China World Top Brand" toegekend hebben gekregen. Daarnaast zijn er
door de subsidieverlenende autoriteit geen objectieve criteria vastgesteld voor
de subsidiabiliteit voor de regeling en het in aanmerking komen voor de
regeling is niet automatisch overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder
b), van de basisverordening. (bbb)
Berekening van de hoogte van de subsidie (321) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie
voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs vergelijkbare
besluiten van de autoriteiten van de VS Zoals in het bovenstaande is opgemerkt,
geldt voor deze gehele verordening dat wanneer subsidiebedragen worden
gebaseerd op bevindingen binnen andere onderzoeken, er rekening wordt gehouden
met, onder andere, de vraag of er eventuele belangrijke veranderingen in de
regeling in kwestie zijn doorgevoerd en of het subsidiebedrag in de loop van de
tijd wellicht lager is geworden. Opgemerkt zij dat het bedrag van terugkerende
subsidies op deze manier doorgaans niet lager wordt. Bij afwezigheid van
dergelijke veranderingen of een verlaging van het subsidiebedrag wordt het
oorspronkelijke percentage van het desbetreffende onderzoek gebruikt als het
subsidiebedrag in het onderhavige geval. (322) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor deze regeling in het OT is vastgesteld voor alle
niet-medewerkende ondernemingen, bedraagt 0,13 % en dit is het rekenkundig
gemiddelde percentage voor vergelijkbare programma's dat is vastgesteld in de
besluitnota (Decision Memorandum) van de VS van 6 april 2009 inzake Citric
Acid and Certain Citrate Salts (blz. 6) (Federal Register Vol. 74,
nr. 69, bladzijde 16836 / 13 april 2009), de VS-besluitnota van 14 mei
2010 inzake Pre-Stressed Concrete Steel Wire Strand (blz. 29) (Federal
Register Vol. 75, nr. 98, bladzijde 28557 / 21 mei 2010), de
VS-besluitnota van 28 mei 2010 inzake Certain Steel Grating (blz. 18)
(Federal Register Vol. 75, nr. 109, bladzijde 32362 / 8 juni 2010), de
VS-besluitnota van 28 maart 2011 inzake Aluminium Extrusions (blz. 19)
(Federal Register Vol. 76, nr. 64, bladzijde 18521 / 4 april 2011) en de
VS-besluitnota van 11 oktober 2011 inzake Multi-layered Wood Flooring
(blz. 17) (Federal Register Vol. 76, nr. 201, bladzijde 64313 / 18 oktober
2011). Wat betreft het door de Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek
zij opgemerkt dat de methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het
door subsidieprogramma's verleende voordeel in essentie dezelfde is als de
methodologie die wordt gebruikt door de EU[76]. 3.3.7.2. Famous Brands-programma en
-subprogramma's (Famous Brands van Chongqing, Famous Brands van de provincie
Hubei, Famous Brands van Ma'anshan, Top Brands van de provincie Shandong,
Famous Brands van Wuhan) (a)
Rechtsgrondslag (323) Volgens de klacht zijn de
rechtsgrondslagen van het subprogramma voor Shandong als volgt: –
bericht inzake het drukken en verspreiden van de
beleidsmaatregelen voor 2003 voor de bevordering en uitbreiding van de uitvoer
van buitenlandse handel naar Shandong, LWJMJCZ, [2003] nr. 180; –
beleidsmaatregelen voor 2004 voor de bevordering
van de ontwikkeling van buitenlandse handel en economische samenwerking in
Shandong, LWJMJCZ, [2003] nr. 1037; –
beleidsmaatregelen voor 2005 voor de bevordering
van de ontwikkeling van buitenlandse handel en economische samenwerking in
Shandong; –
bericht inzake het drukken en verspreiden van de
beleidsmaatregelen voor 2006 voor het stimuleren van de ontwikkeling van
buitenlandse handel en economische samenwerking in Shandong, LCQ [2006]
nr. 5; –
begroting voor de speciale prijs voor de
ontwikkeling van exportmerken, Lucaiqizhi, 2008, nr. 75. (b)
Subsidiabiliteitscriteria (324) Dit programma verleent
voordelen aan producenten van producten die de aanduiding "Famous
Brands" hebben en bedoeld zijn voor exportmarkten. Volgens de klacht
hebben een aantal producenten van het betrokken product tot ten minste 2009 van
dit programma gebruikgemaakt. (c)
Bevindingen van het onderzoek (325) In de klacht wordt gesteld dat
dit programma opgezet was om geavanceerde binnenlandse sectoren te bevorderen
en de uitvoer van hun producten naar de wereldmarkten te stimuleren. Het
hoofdkader van dit programma wordt binnen het centrale programma vastgesteld en
provinciale en lokale overheden ontwikkelen hun eigen Famous Brands-programma's
in overeenstemming met het centrale programma om de uitvoer van plaatselijke
producten te bevorderen. De VS heeft tegen dit programma bezwaar aangetekend
bij de WTO (DS 387). Daarnaast hebben de autoriteiten van de VS voor dit
programma compenserende maatregelen ingesteld in meerdere procedures, waarnaar
in de klacht wordt verwezen. Ook de Commissie heeft voor de voordelen die in
het kader van dit programma worden verleend compenserende maatregelen ingesteld
in de procedure inzake gestreken fijn papier[77]. (326) Het "Famous
Brands"-programma levert financiële bijdragen in de vorm van leningen met
gesubsidieerde rente, O&O-financiering en geldelijke subsidiebedragen als
beloning voor de uitvoer van producten. Deze stimuleringsmaatregelen zijn een
rechtstreekse overdracht van middelen waardoor een voordeel aan de ontvangers
wordt verleend in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), en
lid 2, van de basisverordening. (327) Deze subsidie is specifiek in
de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening, omdat
de wetgeving de toegang tot de subsidie beperkt tot de ondernemingen die erkend
zijn als exporteurs van producten met de aanduiding "Famous Brands".
Daarnaast is dit programma specifiek in de zin van artikel 4, lid 2,
onder b), van de basisverordening, omdat er kennelijk geen objectieve criteria
en voorwaarden zijn voor de toepassing van dit programma door de
subsidieverlenende autoriteit. De preferentiële behandeling in het kader van
dit programma is ook specifiek in de zin van artikel 4, lid 4, onder
a), van de basisverordening, omdat de voordelen ervan afhankelijk zijn van de
uitvoerprestaties van de desbetreffende "Famous Brands"-producten. (d)
Berekening van de hoogte van de subsidie (328) De hoogte van de tot compenserende maatregelen aanleiding
gevende subsidie wordt berekend in termen van het aan de ontvanger in het OT
toegekende voordeel. Bij gebrek aan nauwkeurige kwantificering elders was de
meest geschikte bron van informatie voor de beoordeling van het voordeel voor
de producenten-exporteurs vergelijkbare besluiten (op grond van overeenkomsten
in de aard van het programma) van de autoriteiten van de VS Zoals in het
bovenstaande is opgemerkt, geldt voor deze gehele verordening dat wanneer
subsidiebedragen worden gebaseerd op bevindingen binnen andere onderzoeken, er
rekening wordt gehouden met, onder andere, de vraag of er eventuele belangrijke
veranderingen in de regeling in kwestie zijn doorgevoerd en of het
subsidiebedrag in de loop van de tijd wellicht lager is geworden. Opgemerkt zij
dat het bedrag van terugkerende subsidies op deze manier doorgaans niet lager
wordt. Bij afwezigheid van dergelijke veranderingen of een verlaging van het
subsidiebedrag wordt het oorspronkelijke percentage van het desbetreffende
onderzoek gebruikt als het subsidiebedrag in het onderhavige geval. (329) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor deze regeling in het OT is vastgesteld voor alle
niet-medewerkende ondernemingen, bedraagt 0,13 % en dit is het
rekenkundige gemiddelde percentage voor vergelijkbare programma's dat is
vastgesteld in de besluitnota (Decision Memorandum) van de VS van 6
april 2009 inzake Citric Acid and Certain Citrate Salts (blz. 6)
(Federal Register Vol. 74, nr. 69, bladzijde 16836 / 13 april 2009), de
VS-besluitnota van 14 mei 2010 inzake Pre-Stressed Concrete Steel Wire
Strand (blz. 29) (Federal Register Vol. 75, nr. 98, bladzijde 28557 /
21 mei 2010), de VS-besluitnota van 28 mei 2010 inzake Certain Steel Grating
(blz. 18) (Federal Register Vol. 75, nr. 109, bladzijde 32362 / 8 juni
2010), de VS-besluitnota van 28 maart 2011 inzake Aluminium Extrusions
(blz. 19) (Federal Register Vol. 76, nr. 64, bladzijde 18521 / 4 april
2011) en de VS-besluitnota van 11 oktober 2011 inzake Multi-layered Wood
Flooring (blz. 17) (Federal Register Vol. 76, nr. 201, bladzijde 64313
/ 18 oktober 2011). Wat betreft het door de Amerikaanse autoriteiten
uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de methodologie die wordt gebruikt voor
de berekening van het door subsidieprogramma's verleende voordeel in essentie
dezelfde is als de methodologie die wordt gebruikt door de EU[78]. 3.3.7.3. Het overheidsfonds voor
projecten voor belangrijke technologieën (a)
Niet-medewerking door de Chinese overheid (330) In haar antwoord op de
vragenlijst verklaarde de GOC slechts dat dit programma beëindigd is in 2003 en
dat geen van de in de steekproef opgenomen exporteurs er gebruik van had
gemaakt. Aangezien de GOC dit antwoord niet heeft aangevuld met ondersteunend
bewijsmateriaal of verdere verduidelijking, heeft de Commissie dit programma
geanalyseerd op grond van de beschikbare gegevens overeenkomstig
artikel 28 van de basisverordening. (ccc)
Rechtsgrondslag (331) Volgens gegevens in de klacht
zijn de rechtsgrondslagen van dit programma als volgt: –
overheidscirculaires: Guojingmao Touzi
nr. 886 van 1999, Guojingmao Touzi nr. 122 van 1999, Guojingmao Touzi
nr. 1038 van 1999, Guojingmao Touzi nr. 822 van 2000 en –
maatregelen voor het beheer van het speciale
staatsleningenfonds voor belangrijke nationale projecten voor technologische
vernieuwing. (ddd)
Subsidiabiliteitscriteria (332) Uit citaten uit de voornaamste
rechtsgrondslag waarnaar door de klacht wordt verwezen, blijkt dat
ondernemingen die gesteund worden in het kader van dit programma
"voornamelijk geselecteerd worden uit qua omvang grote staatsondernemingen
en ondernemingen waarin de staat een deelneming heeft onder de 512
kernondernemingen, 120 pilotgroepen van ondernemingen en de leidende
ondernemingen van de sector". Er bestaat tevens een geografische voorkeur
voor ondernemingen die gevestigd zijn in de oude industriecentra in de
noordoostelijke, centrale en westelijke gebieden. (eee)
Bevindingen van het onderzoek (333) Gezien het gebrek aan
medewerking van de GOC heeft de Commissie gebruikgemaakt van de elementen in de
klacht en/of de andere in de klacht genoemde bronnen[79]. (334) In de klacht wordt gesteld dat
dit programma bedoeld is om financiële steun te verstrekken aan in aanmerking
komende ondernemingen ter bevordering van technologische vernieuwing in
belangrijke sectoren, ondernemingen en producten; de facilitering van
technologische moderniseringen; de verbetering van productstructuren,
kwaliteitsverbetering, de toename van de voorziening, de uitbreiding van de
binnenlandse vraag en de doorlopende en gezonde ontwikkeling van de
staatseconomie. Volgens de klacht heeft het fonds 47 ijzer- en
staalondernemingen gesteund in verband met investeringen die een totale waarde
van 75 miljard RMB vertegenwoordigen. De autoriteiten van de VS hebben voor dit
programma in ten minste twee procedures compenserende maatregelen ingesteld. (335) Het programma is een subsidie,
aangezien het financiële bijdragen levert in de vorm van subsidies voor de
aankoop van vaste activa in de zin van artikel 3, lid 1, onder a),
i), van de basisverordening, waardoor een voordeel wordt toegekend. Aangezien
de subsidie verbonden is aan vaste activa en in de loop van de tijd wordt
toegekend, wordt op grond van de beschikbare gegevens geconcludeerd dat dit
voordeel ook in het OT blijft voortbestaan. (336) Deze subsidie is specifiek in
de zin van artikel 4, lid 2, onder a), van de basisverordening,
aangezien de steun beperkt is tot bepaalde in omvang grote staatsondernemingen
en ondernemingen waarin de staat een deelneming heeft onder 512
kernondernemingen en 120 pilotgroepen van ondernemingen. Voor zover het project
gericht is op ondernemingen die gevestigd zijn in specifiek afgebakende
geografische gebieden van de oude industriecentra in de noordoostelijke,
centrale en westelijke gebieden, is het ook specifiek in de zin van artikel 4,
lid 3, van de basisverordening. (fff)
Berekening van de hoogte van de subsidie (337) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan nauwkeurige
kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie voor de
beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een soortgelijk
besluit van de autoriteiten van de VS, namelijk de besluitnota (Decision
Memorandum) van 10 september 2010 inzake Certain Seamless Carbon and Alloy
Steel Standard, Line, and Pressure Pipe (bladzijde 19) (Federal Register
Vol. 75, nr. 182, bladzijde 57444 / 21 september 2010). (338) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor deze regeling in het OT is vastgesteld voor alle
niet-medewerkende ondernemingen, bedraagt 0,01 % en dit is het percentage
dat is vastgesteld voor een soortgelijke regeling in het VS-besluit waarnaar in
de vorige overweging wordt verwezen. 3.3.7.4. Programma's voor de vergoeding
van juridische kosten in verband met antidumping (a)
Niet-medewerking door de GOC (339) In de klacht werd verwezen naar
diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd door de autoriteiten van de VS[80] en door de Commissie
(procedure inzake gestreken fijn papier), waarin werd vastgesteld dat meerdere
provinciale programma's aanleiding gaven tot compenserende maatregelen en dat
in het kader van deze programma's 40 % van de juridische kosten voor de
deelname van een bedrijf in een antidumpingprocedure werd vergoed door het plaatselijke
bureau van financiën. Aangezien de GOC besloot om vragen over dit programma
niet te beantwoorden en slechts verklaarde dat de in de steekproef opgenomen
exporteurs er geen gebruik van hadden gemaakt, heeft de Commissie haar
bevindingen gebaseerd op het in het dossier beschikbare bewijsmateriaal
overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening. (b)
Rechtsgrondslag (340) Volgens de klacht en het
besluit van de Commissie in de procedure inzake gestreken fijn papier
(overweging 193) is de rechtsgrondslag van dit programma: –
de regels voor de implementatie van het
bijstandsbeleid voor ondernemingen die bij een antidumping- of
antisubsidieonderzoek of een onderzoek inzake compenserende maatregelen
betrokken zijn. (c)
Subsidiabiliteitscriteria (341) Dit programma is toegankelijk
voor ondernemingen die betrokken zijn bij de antidumpingonderzoeken en die
overeenkomstig de instructies van het ministerie van Handel en de provinciale
autoriteiten werken. (d)
Bevindingen van het onderzoek (342) Dit programma is een subsidie,
aangezien het een financiële bijdrage levert in de vorm van een rechtstreekse
overdracht van middelen in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i),
van de basisverordening voor de betaling van juridische kosten in het kader van
antidumpingprocedures, waardoor een voordeel wordt toegekend in de zin van
artikel 3, lid 2, van de basisverordening. Deze subsidie is specifiek
in de zin van artikel 4, lid 2, onder a) en c), van de
basisverordening, omdat de toegang tot de subsidie beperkt is tot bepaalde ondernemingen
die het onderwerp zijn van buitenlandse antidumpingprocedures. Ook is dit
programma specifiek in de zin van artikel 4, lid 3, van de
basisverordening, aangezien het beperkt is tot bepaalde ondernemingen die
geregistreerd zijn in de afgebakende geografische regio's die in het
bevoegdheidsgebied vallen van de desbetreffende provinciale autoriteiten die
dit programma uitvoeren. (e)
Berekening van de hoogte van de subsidie (343) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
informatie die kon worden gebruikt voor de beoordeling van dit voordeel en
aangezien dit programma reeds onderzocht is in een eerdere
antisubsidieprocedure door de instellingen van de Unie, was de meest geschikte
bron van informatie voor de beoordeling van het voordeel voor de
producenten-exporteurs de beoordeling die voor dit programma is uitgevoerd in
de procedure inzake gestreken fijn papier, indien nodig gecorrigeerd zoals
omschreven in bovenstaande overweging 252. (344) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd berekend, is
vastgesteld op 0,01 % op basis van de bevindingen van het onderzoek inzake
gestreken fijn papier[81]. 3.3.8. Aankoop van goederen door de
overheid voor een hogere prijs dan de toereikende prijs (345) De klacht bevat bewijsmateriaal
waaruit blijkt dat de GOC via staatsondernemingen producten heeft gekocht die
zijn geproduceerd door OBS-producenten. In de klacht wordt verwezen naar de
aankoop door de GOC van een aantal staalproducten, met inbegrip van
kleurbeklede plaat, warmgewalste stalen coils, koudgewalste stalen coils,
middelzware platen, gegalvaniseerde plaat en vele andere producten. De klager
toonde aan dat de prijs voor de aankoop van deze goederen door
staatsondernemingen werd vastgesteld door verwijzing naar verschillende
elementen en/of benchmarks en dat er prijsplafonds of -correcties waren
afhankelijk van de verschillende goederen en van de vraag of de transacties
betrekking hadden op verbonden partijen. (346) De GOC antwoordde door te
verwijzen naar haar algemene argumenten met betrekking tot staatsondernemingen
in de zin dat niet aangetoond zou zijn dat de staatsondernemingen die deze staalproducten
hebben gekocht overheidsinstanties waren in de zin van de SCM-overeenkomst van
de WTO en dat het onmogelijk was voor de GOC om transactiespecifieke gegevens
met betrekking tot onbekende entiteiten te verzamelen. De GOC voerde verder aan
dat in de klacht niet werd verwezen naar aankopen van goederen waarbij de
exporteurs in de steekproef betrokken waren. De Commissie verwijst naar haar
conclusies ten aanzien van de vraag of ondernemingen die OBS en andere
staalproducten kopen staatsondernemingen zijn (bovenstaande overwegingen 49 tot
en met 73) en naar het verzoek aan de GOC om ook informatie te verstrekken over
exporteurs die niet in de steekproef zijn opgenomen (zie bovenstaande
overwegingen 34 en 35). Gezien het gebrek aan nadere informatie van de GOC over
dit programma heeft de Commissie haar bevindingen gebaseerd op de in het
dossier beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28 van de
basisverordening. (347) In de mate waarin prijzen de
marktprijzen overschrijden en een voordeel door de overheid wordt toegekend aan
OBS-producenten via de aankopende staatsondernemingen, geeft dit programma
aanleiding tot compenserende maatregelen in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), iii), en artikel 6, onder d), van de
basisverordening. Tevens zij opgemerkt dat de bewering in de klacht dat er geen
betrouwbare particuliere prijs op de markt bestaat vanwege de dominantie van de
overheidssector op de staalmarkt, bevestigd is door het onderzoek, aangezien
staatsondernemingen een dominant aandeel in de staalmarkt in de VRC hebben, in
ieder geval wat betreft warmgewalst staal en koudgewalst staal (zie de
overwegingen 76 tot en met 79). Deze subsidie is ook specifiek in de zin van
artikel 4, lid 2, van de basisverordening, omdat de toegang tot de
subsidie beperkt is tot geselecteerde entiteiten waarin de overheid een
deelneming heeft binnen de staalsector. Echter, door de complexiteit van deze
transacties en de hieraan ten grondslag liggende contracten, in combinatie met
het gebrek aan de nodige gegevens in het dossier, was de Commissie niet in
staat om tot een duidelijke conclusie over dit programma te komen Derhalve
heeft de Commissie besloten om dit programma niet verder te beoordelen. 3.3.9. Andere regionale programma's (a)
Niet-medewerking door de GOC (348) De Chinese overheid antwoordde
dat de door de Commissie gevraagde informatie niet relevant was voor het
onderzoek, aangezien geen van de in de steekproef opgenomen producenten
gevestigd was in de gebieden waarin de regionale programma's van toepassing
waren waarnaar in dit punt wordt verwezen. Gezien de relevantie van deze
informatie voor het onderzoek (zie bovenstaande overwegingen 34 en 35) heeft de
Commissie, bij gebrek aan een antwoord van de GOC, haar bevindingen ten aanzien
van alle regionale programma's die in dit punt worden genoemd op de in het
dossier beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28 van de
basisverordening. 3.3.9.1. Subsidies die worden verstrekt
in de Binhai New Area in Tianjin en in de Tianjin Economic and Technological
Development Area (a)
Rechtsgrondslag (349) De rechtsgrondslag van de
regeling voor versnelde waardevermindering is de circulaire van het ministerie
van Financiën en de overheidsdienst voor belastingen inzake de gerelateerde
preferentiële beleidsmaatregelen met betrekking tot de vennootschapsbelasting
voor ondersteuning van de ontwikkeling en openheid van de Binhai New Area van
Tianjin. (b)
Bevindingen van het onderzoek (350) In de klacht wordt aangevoerd
dat het programma bedoeld is om de bouw van een wetenschappelijk-technologische
infrastructuur in de Tianjin Binhai New Area (TBNA) en de Tianjin Economic and
Technological Development Area (TETDA) te bevorderen en om een systeem en
dienstverleningsmogelijkheden voor wetenschappelijk-technologische vernieuwing
te realiseren. Volgens de klacht zijn financiële voordelen die aan dit
programma zijn verbonden, verleend door het fonds voor wetenschap en
technologie en in het kader van het programma voor versnelde
waardevermindering. Deze voordelen zouden beperkt zijn tot ondernemingen die
gevestigd zijn in het rechtsgebied van het administratieve comité van het TBNA,
waaronder ondernemingen die het betrokken product produceren/exporteren. In de
klacht werd verwezen naar het besluit van de autoriteiten van de VS in de
procedure inzake compenserende maatregelen met betrekking tot bepaalde naadloze
standaard-, hoofd- en drukbuizen van koolstof- en staallegeringen van oorsprong
uit de Volksrepubliek China, waarin dit programma werd aangemerkt als
aanleiding gevend tot compenserende maatregelen[82]. (351) Bij gebrek aan medewerking van
de GOC heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 28 van de
basisverordening, haar besluit ten aanzien van dit programma gebaseerd op de
meest geschikte beschikbare gegevens in de klacht en in het bovengenoemde
besluit van de autoriteiten van de VS. (352) Dit programma verleent een
eenmalig voordeel aan de ontvangende ondernemingen in de vorm van subsidies van
het fonds voor wetenschap en technologie in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), i), van de basisverordening (rechtstreekse overdracht van
middelen) en in de vorm van gederfde inkomsten in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), ii), van de basisverordening voor wat betreft het
programma voor versnelde waardevermindering. (353) De subsidies van het fonds voor
wetenschap en technologie en in het kader van het programma voor versnelde
waardevermindering zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 3, van
de basisverordening, aangezien ze beperkt zijn tot bepaalde ondernemingen die
gevestigd zijn in afgebakende geografische regio's (d.w.z. de TBNA en/of de
TETDA). (c)
Berekening van de hoogte van de subsidie (354) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie
voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een
vergelijkbaar besluit van de autoriteiten van de VS, namelijk de besluitnota
(Decision Memorandum) van 10 september 2010 inzake Certain Seamless Carbon
and Alloy Steel Standard, Line, and Pressure Pipe (bladzijden 20 en 21)
(Federal Register Vol. 75, nr. 182, bladzijde 57444 / 21 september 2010).
Wat betreft het door de Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij
opgemerkt dat de methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het
door belasting- en subsidieprogramma's verleende voordeel in essentie dezelfde
is als de methodologie die wordt gebruikt door de EU[83]. (355) Het totale subsidiepercentage
dat op deze manier in het OT is vastgesteld voor alle niet-medewerkende
ondernemingen, bedraagt 0,61 % en dit komt overeen met het geaggregeerde
percentage voor de regelingen in kwestie, dat is vastgesteld in het besluit
waarnaar in de vorige overweging wordt verwezen. 3.3.9.2. Programma's met betrekking tot
de noordoostelijke regio Het programma voor de vernieuwing van het
noordoosten (a)
Rechtsgrondslag (356) De rechtsgrondslag is de
circulaire van het ministerie van Financiën en de overheidsdienst voor
belastingen inzake het drukken en verspreiden van de voorschriften voor
relevante kwesties met betrekking tot de uitbreiding van de toepassing van de
btw-aftrek in de noordoostelijke gebieden van 14 september 2004. (ggg)
Bevindingen van het onderzoek (357) De klager stelde dat de GOC het
programma voor de vernieuwing van het noordoosten had opgezet in 2003 om een
nieuw elan te geven aan het oude industriecentrum dat wordt gevormd door de
stad Dalian en de drie noordoostelijke provincies Liaoning, Jilin en Heilongjiang
en dat het traditionele centrum van de staalsector van de VRC is. Volgens de
klacht heeft de GOC een speciale bank opgericht, namelijk de bank voor de
vernieuwing van het noordoosten (Northeast Revitalisation Bank - NRB),
die onder zeggenschap staat van de Raad van State en een mandaat heeft om de
ondersteuning te financieren van de vernieuwing van het oude centrum voor zware
industrie in het noordoosten. (358) De
klacht verwees tevens naar subsidies die in het kader van dit programma
verstrekt zouden zijn door de Export-Import Bank of China (“ExIm Bank”) via een
vestiging van deze bank in Dalian voor een totaalbedrag van 5 miljard RMB aan
exportkredieten en ander "krediet met lage kosten" ter waarde van 150
miljoen RMB aan besparingen voor plaatselijke ondernemingen sinds november
2003. De klacht wees er verder op dat leningen ook waren verleend aan
niet-kredietwaardige ondernemingen om het concurrentievermogen te vergroten van
slecht presterende staatsondernemingen, die een onevenredige toegang tot
financiële middelen hadden ondanks het feit dat zij het hoogste percentage
renteloze leningen van het land hadden. (359) Bij gebrek aan medewerking van
de GOC heeft de Commissie haar besluit ten aanzien van dit programma gebaseerd
op de informatie in de klacht en in de besluitnota (Decision Memorandum)
van de VS van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality Steel
Line Pipe (Line Pipe) (bladzijden 21 en 22) (Federal Register Vol. 73,
nr. 227, bladzijde 70961 / 24 november 2008), indien nodig gecorrigeerd
als omschreven in bovenstaande overweging 252. (360) Dit programma verleent een
voordeel aan de ontvangende ondernemingen in de vorm van: i) schenkingen in de
vorm van gesubsidieerde exportrente en ii) btw-terugbetalingen voor de aankoop
van vaste activa. (361) Met betrekking tot i)
gesubsidieerde exportrente vormt de verstrekking van rentesubsidies een
subsidie in de vorm van een schenking in de zin van artikel 3, lid 1,
onder a), i), van de basisverordening. Het besluit van de VS verwijst naar dit
programma als het "fonds voor de ontwikkeling van buitenlandse handel
("Foreign Trade Development Fund") in plaats van het
"programma voor de vernieuwing van het noordoosten", zoals ook in de
klacht wordt opgemerkt. Dit programma wordt beheerd door de provinciale
autoriteiten van Liaoning (namelijk het provinciale bureau van buitenlandse
handel en samenwerking van Liaoning en het departement van financiën van
Liaoning). Projecten die in aanmerking komen voor het programma zijn projecten
die worden uitgevoerd door exporterende ondernemingen, onder meer om het
concurrentievermogen van hun exportproducten te verbeteren en om toegang te
krijgen tot internationale markten. Omdat deze subsidies afhankelijk zijn van
de uitvoerprestaties, is dit programma specifiek in de zin van artikel 4,
lid 4, onder a), van de basisverordening. (362) Wat betreft ii)
btw-terugbetalingen voor de aankoop van vaste activa, worden deze aangemerkt
als een subsidie in de vorm van door de overheid gederfde inkomsten in de zin
van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening. Dankzij
dit programma kunnen btw-plichtige ondernemingen in bepaalde sectoren btw op
aankopen van vaste activa aftrekken van de btw op de verkoop van eindproducten.
Deze btw-aftrek is beperkt tot ondernemingen die gevestigd zijn in de
noordoostelijke regio en is derhalve regionaal specifiek in de zin van
artikel 4, lid 3, van de basisverordening. (hhh)
Berekening van de hoogte van de subsidie (363) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie
voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een
vergelijkbaar besluit (op grond van overeenkomsten in de aard van het
programma) van de autoriteiten van de VS. (364) De totale subsidie die op deze
manier is vastgesteld voor het programma voor de vernieuwing van het
noordoosten tijdens het OT voor alle niet-medewerkende ondernemingen bedraagt
0,18 % en dit komt overeen met het geaggregeerde percentage voor de
subsidies en btw-terugbetalingen die zijn ontvangen in het kader van het
programma voor het fonds voor de ontwikkeling van de buitenlandse handel, dat
is vastgesteld in de besluitnota (Decision Memorandum) van de VS van 17
november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality Steel Line Pipe (Line
Pipe) (bladzijden 21 en 22) (Federal Register Vol. 73, nr. 227,
bladzijde 70961 / 24 november 2008). Wat betreft het door de Amerikaanse
autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de methodologie die wordt
gebruikt voor de berekening van het door vergelijkbare programma's verleende
voordeel in essentie dezelfde is als de methodologie die wordt gebruikt door de
EU[84]. Exportrentesubsidies (a)
Rechtsgrondslag (365) De rechtsgrondslag wordt
gevormd door de voorlopige administratieve maatregelen inzake financiële
rentesteun voor de productie van hightechproducten en hulpmiddelen voor het
productieproces van de provincie Liaoning, vastgesteld op 16 december 2004. (b)
Bevindingen van het onderzoek (366) In de klacht wordt gesteld dat
dit programma steun verleent aan ondernemingen om de uitvoer van
hightechproducten uit te breiden en de ontwikkeling van in de provincie
Liaoning gevestigde ondernemingen ondersteunt. Het programma wordt beheerd door
het provinciale bureau van buitenlandse handel en economische samenwerking van
Liaoning, het departement van financiën van Liaoning en de economische
commissie van de provincie Liaoning. De autoriteiten van de VS hebben dit
programma aangemerkt als aanleiding gevend tot compenserende maatregelen in het
bovengenoemde besluit inzake hoofdbuizen (Line Pipe) (zie overweging
359). (367) Dit programma kent een voordeel
toe in de vorm van rechtstreekse overdracht door de GOC van middelen die worden
gebruikt om rente op bankleningen te betalen in de zin van artikel 3,
lid 1, onder a), i), van de basisverordening. Exportleningen wil zeggen
kortlopende leningen die worden verstrekt aan ondernemingen die
hightechproducten en hulpmiddelen voor het productieproces produceren in de
provincie door banken en non-bancaire financiële instellingen vanwege het
gebrek aan de nodige middelen door de productie en exploitatie tussen de
aangifte van de productenuitvoer en de ontvangst van de betaling. Om in
aanmerking te komen, moeten ondernemingen een uitvoer hebben met een waarde van
meer dan 1 miljoen dollar en moeten zij producten hebben uitgevoerd die binnen
het bereik vallen van de "uitvoercatalogus van hightechproducten van de
VRC" of binnen het bereik van de hulpmiddelen voor het productieproces.
Dit programma is derhalve specifiek in de zin van artikel 4, lid 2,
van de basisverordening, omdat het beperkt is tot ondernemingen die aan deze
criteria voldoen. Dit programma is ook afhankelijk van uitvoerprestaties in de
zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening. Het
programma is tevens regionaal specifiek in de zin van artikel 4,
lid 3, aangezien het beperkt is tot ondernemingen die gevestigd zijn in
het afgebakende geografische gebied in het noordoosten van de VRC. (c)
Berekening van de hoogte van de subsidie (368) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie
voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een
vergelijkbaar besluit (op grond van overeenkomsten in de aard van het
programma) van de autoriteiten van de VS. (369) Het subsidiepercentage dat op
deze manier in het OT is vastgesteld voor alle niet-medewerkende ondernemingen
bedraagt 0,43 %, en dit komt overeen met het percentage dat is vastgesteld
voor de exportrentesubsidies in de besluitnota (Decision Memorandum) van
de Verenigde Staten (VS) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon
Quality Steel Line Pipe (Line Pipe) (blz. 23) (Federal Register /
Vol. 73, nr. 227, bladzijde 70961 / 24 november 2008). Wat betreft het
door de Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de
methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het door vergelijkbare
programma's verleende voordeel in essentie dezelfde is als de methodologie die
wordt gebruikt door de EU[85]. Uitvoerleningen (a)
Bevindingen van het onderzoek (370) De klager verwijst naar het
vorige programma met betrekking tot exportrentesubsidies, waarvoor
ondernemingen alleen in aanmerking kunnen komen in verband met uitstaande
"exportleningen". De autoriteiten van de VS hebben ook dit programma
aangemerkt als aanleiding gevend tot compenserende maatregelen in het besluit
inzake hoofdbuizen (Line Pipe). (371) De rechtsgrondslag wordt
gevormd door de "voorlopige administratieve maatregelen inzake financiële
rentesteun voor de productie van hightechproducten en hulpmiddelen voor het
productieproces van de provincie Liaoning", vastgesteld op 16 december
2004. (372) Dit programma kent een voordeel
toe in de vorm van rechtstreekse overdracht door de GOC in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening. Deze
subsidie kent een voordeel toe in de zin van artikel 3, lid 2, en
artikel 6, onder b), van de basisverordening dat gelijk is aan het
verschil tussen wat de ontvangers hebben betaald en het bedrag dat zij zouden
hebben moeten betalen voor een vergelijkbare commerciële lening indien dit
programma niet zou bestaan. Deze leningen worden door de overheid verstrekt via
haar beleidsbanken en handelsbanken in staatseigendom (zie de analyse in
bovenstaande overwegingen 157 tot en met 180). Deze leningen zijn specifiek in
de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening, omdat
ze afhankelijk zijn van uitvoerprestaties en tevens in de zin van
artikel 4, lid 3, aangezien ze beperkt zijn tot ondernemingen die
gevestigd zijn in een afgebakend geografisch gebied in de VRC. (iii)
Berekening van de hoogte van de subsidie (373) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie
voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een
vergelijkbaar besluit (op grond van overeenkomsten in de aard van het
programma) van de autoriteiten van de VS. (374) Het subsidiepercentage dat op
deze manier tijdens het OT is vastgesteld voor alle niet-medewerkende
ondernemingen, bedraagt 1,05 % en dit komt overeen met het rekenkundige
gemiddelde van de percentages die zijn vastgesteld voor de
exportleningenregeling in de besluitnota (Decision Memorandum) van de
Verenigde Staten (VS) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon
Quality Steel Line Pipe (Line Pipe) (blz. 23) (Federal Register / Vol.
73, nr. 227, bladzijde 70961 / 24 november 2008). Wat betreft het door de
Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de
methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het door vergelijkbare
programma's verleende voordeel in essentie dezelfde is als de methodologie die
wordt gebruikt door de EU[86]. Subsidies van de provincie Liaoning- het
"vijf punten/één lijn"-programma (a)
Bevindingen van het onderzoek (375) In de klacht wordt gesteld dat
de provinciale overheid van Liaoning op 21 januari 2006 het programma
"vijf punten, één lijn voor het kustgebied" heeft ingevoerd. De
overheid van Liaoning verstrekt subsidies aan bepaalde ondernemingen die in het
gebied gevestigd zijn. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan ondernemingen
die in de vijf kerngebieden als exportproductiecentra zijn opgezet. De
preferentiële behandeling omvat een aantal voordelen, waaronder een
vermindering van de vennootschapsbelasting met 15 % voor ondernemingen die
erkend zijn als "hightechondernemingen", vrijstelling van
vennootschapsbelasting voor "binnenlands geïnvesteerde"
hightechondernemingen, voorrang bij het ontvangen van rentesubsidies,
privileges op het gebied van economisch beheer en vrijstellingen van
overheidsleges. Volgens de klacht heeft de China Development Bank (CDB), een
beleidsbank die staatseigendom is, preferentiële leningen verstrekt in het
kader van dit programma. (376) De autoriteiten van de VS
hebben dit programma aangemerkt als aanleiding gevend tot compenserende
maatregelen in het bovengenoemde besluit inzake hoofdbuizen (Line Pipe). (377) De rechtsgrondslag van dit
programma is het "advies van de provincie Liaoning ter bevordering van de
uitbreiding van de openstelling binnen kernontwikkelingsgebieden aan de
kust". De ontwikkelings- en hervormingscommissie van Liaoning en het
bureau van financiën van Liaoning beheren de rentesubsidies en het
industrieterrein Huludao Beigang en de autoriteit voor industrie en handel
beheren de legesvrijstellingen in het kader van dit programma. (378) Dit programma biedt financiële
voordelen in de vorm van een rechtstreekse overdracht van middelen door de GOC
in de zin van artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening
en/of inkomsten waarvan de overheid afstand doet of die de overheid niet int in
de zin van artikel 3, lid 1, onder a), ii), van de basisverordening.
Deze subsidies vormen een voordeel in de zin van artikel 3, lid 2,
van de basisverordening dat gelijk is aan het bedrag van de schenking en/of de
belasting-/legesvrijstelling. Deze subsidies zijn specifiek in de zin van
artikel 4, lid 3, van de basisverordening, aangezien ze beperkt zijn
tot bepaalde ondernemingen die gevestigd zijn in het afgebakende rechtsgebied
van de provinciale autoriteit van Liaoning. Voor de toekenning van deze subsidies
wordt de hoogste prioriteit gegeven aan ondernemingen die zijn opgezet in de
vijf kerngebieden als exportproductiecentra en daarom zijn ze ook specifiek in
de zin van artikel 4, lid 4, onder a), van de basisverordening voor
zover ze afhankelijk zijn van uitvoerprestaties. (b)
Berekening van de hoogte van de subsidie (379) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte bron van informatie
voor de beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een
vergelijkbaar besluit (op grond van overeenkomsten in de aard van het
programma) van de autoriteiten van de VS. (380) Het subsidiepercentage dat op
deze manier in het OT is vastgesteld voor alle niet-medewerkende ondernemingen,
bedraagt 0,30 % en dit komt overeen met het percentage dat is vastgesteld
voor deze regeling in de besluitnota (Decision Memorandum) van de
Verenigde Staten (VS) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon
Quality Steel Line Pipe (Line Pipe) (blz. 23) (Federal Register /
Vol. 73, nr. 227, bladzijde 70961 / 24 november 2008). Wat betreft het
door de Amerikaanse autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de
methodologie die wordt gebruikt voor de berekening van het door
subsidieprogramma's verleende voordeel in essentie dezelfde is als de
methodologie die wordt gebruikt door de EU[87]. 3.3.9.3. Subsidies in het kader van het
programma voor wetenschap en technologie van de provincie Jiangsu (a)
Rechtsgrondslag (381) De rechtsgrondslag van dit
programma wordt gevormd door de administratieve maatregelen voor het platform
voor overheidsdienstverlening in Jiangsu (Sukeji (2006) nr. 102; Sucaijiao
(2006) nr. 22). (jjj)
Bevindingen van het onderzoek (382) Volgens de klacht verstrekt dit
programma, onder andere, subsidies aan bepaalde ondernemingen. De Chinese
overheid verklaarde in haar antwoord op de vragenlijst dat geen van de in de
steekproef opgenomen ondernemingen gebruik had gemaakt of voordelen had genoten
van dit programma. De Commissie verwijst naar haar argumenten die uitleggen
waarom de GOC verwacht werd ook volledige antwoorden te verstrekken met
betrekking tot de niet in de steekproef opgenomen ondernemingen(zie
bovenstaande overwegingen 34 en 35). Daarnaast merkt de Commissie op dat de
klacht zowel in de steekproef opgenomen ondernemingen als andere, niet in de
steekproef opgenomen OBS-producenten in het desbetreffende toepassingsgebied
noemt als potentiële begunstigden. De Commissie heeft haar bevindingen derhalve
gebaseerd op de in het dossier beschikbare gegevens overeenkomstig
artikel 28 van de basisverordening, en in het bijzonder op de informatie
in de klacht en de bevindingen van de autoriteiten van de VS, die voor dit
programma compenserende maatregelen hebben ingesteld in het besluit inzake
gevlochten stalen strengen voor voorgespannen beton (Pre-Stressed Concrete
Steel Wire Strand) van oorsprong uit de Volksrepubliek China.[88] (383) De financiële voordelen die
worden toegekend in de vorm van subsidies vormen een bijdrage in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening. Deze
subsidies zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, onder c),
van de basisverordening, omdat er geen objectieve criteria of voorwaarden
lijken te bestaan voor de subsidiabiliteit voor de voordelen van deze regeling
(zoals bepaald in artikel 4, lid 2, onder b), van de
basisverordening) en het departement voor wetenschap en technologie van Jiangsu
niet op een objectieve manier een discretionaire beslissingsbevoegdheid lijkt
uit te oefenen. (kkk)
Berekening van de hoogte van de subsidie (384) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
nauwkeurige kwantificering elders was de meest geschikte informatiebron voor de
beoordeling van het voordeel voor de producenten-exporteurs een vergelijkbaar
besluit (op grond van overeenkomsten in de aard van het programma) van de
autoriteiten van de VS. (385) Het subsidiepercentage dat op
deze manier in het OT is vastgesteld voor alle niet-medewerkende ondernemingen
bedraagt 0,01 % en dit komt overeen met het percentage dat is vastgesteld
voor deze regeling in de besluitnota (Decision Memorandum) van de
Verenigde Staten (VS) van 14 mei 2010 inzake Pre-Stressed Concrete Steel
Wire Strand (bladzijde nr. 35) (Federal Register Vol. 75, nr. 98,
bladzijde 28557 / 21 mei 2010). Wat betreft het door de Amerikaanse
autoriteiten uitgevoerde onderzoek zij opgemerkt dat de methodologie die wordt
gebruikt voor de berekening van het door subsidieprogramma's verleende voordeel
in essentie dezelfde is als de methodologie die wordt gebruikt door de EU[89]. 3.3.9.4. Subsidies in het kader van het
programma voor wetenschap en technologie van de provincie Hebei (a)
Bevindingen van het onderzoek (386) In de klacht wordt verwezen
naar twee subsidies die in 2009 aan een OBS-producent zijn verstrekt in het
kader van het programma voor wetenschap en technologie van de provincie Hebei
voor een bedrag van 700 000 RMB en van 2 080 000 RMB. De
regering van de VRC verklaarde in haar antwoord op de vragenlijst dat geen van
de in de steekproef opgenomen ondernemingen gevestigd was in Hebei en dat de
gevraagde informatie daarom niet relevant was voor het onderzoek. De Commissie
verwijst naar haar argumenten die uitleggen waarom de GOC volledige antwoorden
had moeten verstrekken met betrekking tot de niet in de steekproef opgenomen
ondernemingen (zie bovenstaande overwegingen 34 en 35). De bevindingen van de
Commissie zijn derhalve gebaseerd op de beschikbare informatie in het dossier
(in dit geval de klacht) overeenkomstig artikel 28 van de
basisverordening. (387) De financiële voordelen die in
het kader van dit programma worden toegekend in de vorm van schenkingen zijn
subsidies, aangezien ze een financiële bijdrage zijn in de zin van
artikel 3, lid 1, onder a), i), van de basisverordening. Ze houden
een voordeel in, in de zin van artikel 3, lid 2, van de
basisverordening dat gelijk is aan de bedragen van de schenkingen. Deze
subsidies zijn specifiek in de zin van artikel 4, lid 3, van de
basisverordening, aangezien ze uitsluitend worden verstrekt aan ondernemingen
die in de provincie Hebei gevestigd zijn. (b)
Berekening van de hoogte van de subsidie (388) De hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidie wordt berekend in termen
van het aan de ontvanger in het OT toegekende voordeel. Bij gebrek aan
informatie die gebruikt kon worden voor de beoordeling van dit voordeel heeft
de Commissie haar bevindingen gebaseerd op informatie in de klacht.
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening werd het
subsidiebedrag dat op deze manier was berekend omgeslagen over de totale omzet
van de ontvangers in het OT als geschikte teller, omdat de subsidie niet
afhankelijk is van uitvoerprestaties en niet op basis van gefabriceerde,
geproduceerde, uitgevoerde of vervoerde hoeveelheden werd toegekend. (389) Het subsidiepercentage dat op deze
manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld, is te
verwaarlozen (minder dan 0,01 %). 3.3.10. Ad-hocsubsidies (a)
Bevindingen van het onderzoek (390) In de klacht werd een aantal
ad-hocsubsidies vermeld die verstrekt zouden zijn aan OBS-producenten, zowel
staats- als particuliere ondernemingen. Deze subsidies bestonden uit
schenkingen of andere belastingvrijstellingen of -verlagingen, onder meer
teneinde particuliere projecten of activa te financieren. Ze werden toegekend
in de context van het algemene strategische beleid om de staalsector te
moderniseren. (391) De Commissie heeft de GOC
verzocht om informatie over deze ad-hocsubsidies. De GOC antwoordde dat de
beweringen in de klacht gebaseerd waren op citaten uit de jaarverslagen en dat
geen van deze verslagen betrekking leek te hebben op ondernemingen die in de
steekproef waren opgenomen. Derhalve concludeerde de GOC dat het niet nodig was
om in te gaan op transactiespecifieke beweringen met betrekking tot niet in de
steekproef opgenomen ondernemingen en provincies. Verder verklaarde de GOC
opnieuw dat de vermelding van bepaalde transacties als "subsidies" in
het jaarverslag van een onderneming op zich niet als voldoende bewijs kan
gelden om een onderzoek naar hen te openen, aangezien het "onvoldoende
voorlopig bewijsmateriaal vormt overeenkomstig artikel 11.2 van de
SCM-overeenkomst van de WTO". (392) De Commissie verwijst naar haar
argumenten die uitleggen waarom de GOC verzocht werd om ook informatie in te
dienen met betrekking tot de vermeende subsidie voor ondernemingen die niet in
de steekproef zijn opgenomen (bovenstaande overwegingen 34 en 35). De Commissie
heeft haar bevindingen ten aanzien van deze ad-hocsubsidies gebaseerd op de in
het dossier beschikbare gegevens overeenkomstig artikel 28 van de
basisverordening. (393) De in de klacht vermelde
ad-hocsubsidies zijn een subsidie in de zin van artikel 3, lid 1,
onder a), i), van de basisverordening in de vorm van een rechtstreekse
overdracht van middelen wat betreft de schenkingen en vergelijkbare
overdrachten van hulpbronnen, en in de zin van artikel 3, lid 1,
onder a), ii), van de basisverordening in de vorm van gederfde inkomsten voor
de diverse vrijstellingen of verlagingen van belastingen en/of leges op
centraal, provinciaal of gemeentelijk niveau die normaal betaald zouden moeten
worden. De Commissie merkt op dat de jaarverslagen van de verschillende
OBS-producenten zelf naar deze financiële bijdragen verwijzen als
"subsidies". Naar het zich laat aanzien, zijn enkele van deze
subsidies rechtens specifiek in de zin van artikel 4, lid 2, van de
basisverordening, aangezien ze – bij gebrek aan medewerking van de GOC – worden
geacht, verstrekt te worden aan een beperkt aantal staalondernemingen in de
bevorderde staalsector en/of vanwege de manier waarop de discretionaire
beslissingsbevoegdheid van de subsidieverlenende autoriteiten uitgeoefend is in
verband met de toekenning van de subsidies. Daarnaast blijken enkele van deze
subsidies ook specifiek te zijn in de zin van artikel 4, lid 3, van
de basisverordening, aangezien de toegang tot de subsidies beperkt was tot
bepaalde ondernemingen die gevestigd waren in afgebakende geografische regio's
binnen het grondgebied van een bepaalde provincie. (b)
Berekening van de hoogte van de subsidie (394) De Commissie heeft de in het
dossier beschikbare informatie over elk van deze ad-hocsubsidies voor de
verschillende OBS-producenten zorgvuldig bestudeerd. Zij heeft vastgesteld dat
enkele van deze subsidies de handel niet verstoren en/of relatief kleine
bedragen aan OBS-producenten verstrekken. Daarentegen zijn er ook een aantal
specifieke subsidies die omvangrijke subsidiebedragen aan OBS-producenten
blijken te verstrekken. Op grond hiervan en op basis van de in het dossier
beschikbare informatie acht de Commissie het passend om het toepasselijke
compenserende recht te berekenen door verwijzing naar het eenvoudige gemiddelde
van de subsidies en de belastingprogramma's waarvoor in deze procedure
compenserende maatregelen zijn ingesteld ondanks de niet-medewerking door de
GOC en de desbetreffende OBS-producenten. (395) Het subsidiepercentage dat op
deze manier voor alle niet-medewerkende ondernemingen werd vastgesteld,
bedraagt 0,5 %. 3.4. Opmerkingen van de partijen na
de definitieve mededeling (396) De GOC, één in de steekproef
opgenomen producent-exporteur (Zhejiang Huadong) alsmede de klager dienden
opmerkingen in ten aanzien van de definitieve mededeling. 3.4.1. Opmerkingen van de GOC ten
aanzien van de definitieve mededeling (397) Gezien de talrijke en zeer
gedetailleerde argumenten die door de GOC zijn ingediend en het feit dat het in
praktisch opzicht onuitvoerbaar zou zijn (ook vanwege de aanwezigheid van enige
vertrouwelijke informatie) om ze allemaal in deze verordening op te nemen,
heeft de Commissie bilateraal aan de GOC een schriftelijke toelichting
verstrekt op alle juridische en inhoudelijke elementen die ten grondslag liggen
aan de afwijzing van deze beweringen. 3.4.1.1. Procedurele kwesties (398) In een aantal van haar argumenten met betrekking tot de
inleiding van de procedure leek de GOC het verslag van het WTO-panel inzake GOES
(Grain Oriented Flat-rolled Electrical Steel (gewalste elektroplaten met
georiënteerde korrels)) [90] als leidend te beschouwen voor de uitlegging van bepaalde bepalingen
van de SCM-overeenkomst en de basisverordening van de Unie. Zo meent de GOC dat
twijfels door het GOES-panel worden "weggenomen"[91]. Hoewel de Commissie nota heeft genomen van de bevindingen van het
panel in dezen en een aantal van zijn conclusies niet afwijst, wijzigen deze
bevindingen niet het desbetreffende verdrag of de formuleringen in de
wetgeving, in het bijzonder artikel 11.2 en 11.3 van de WTO-overeenkomst
inzake subsidies of artikel 9, leden 2 en 3, van de basisverordening
inzake compenserende maatregelen, die voor de Commissie relevant en bindend
zijn in alle antisubsidieprocedures. (399) De GOC stelde dat de Commissie
in strijd met artikel 11.2 van de Overeenkomst inzake subsidies en
compenserende maatregelen (OSCM) heeft gehandeld, omdat zij dit onderzoek heeft
geopend op grond van een klacht die geen bewijs bevatte van het "bestaan,
de hoogte en de gevolgen van een subsidie" en dat de Commissie derhalve
niet had voldaan aan haar plicht krachtens artikel 11.3 om de juistheid en
toereikendheid van het bewijsmateriaal te beoordelen.
Dit argument moest worden afgewezen. De verwijzing van de GOC naar "het
bestaan, de hoogte en de gevolgen" van de subsidie is een citaat uit
artikel 11.1 van de OSCM en beschrijft het doel van een onderzoek.
Naar het oordeel van de Commissie houdt dit geen verband met artikel 11.2
van de OSCM, waarin bepaald is dat de klager "voldoende bewijsmateriaal
[…] over het bestaan van een subsidie en, zo mogelijk, de hoogte ervan"
moet verstrekken en dat de klacht "gegevens die de aanvrager redelijkerwijs
bekend zijn" moet bevatten. De Commissie heeft het door de klager
ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd, dat aanmerkelijk was, zoals duidelijk
blijkt uit de versie die toegankelijk is voor de partijen die bij de klacht belang
hebben. De diensten van de Commissie hebben de opening van een onderzoek niet
eerder voorgesteld dan na uitvoering van een analyse van de juistheid en
toereikendheid van het bewijsmateriaal dat zij als voorlopig bewijsmateriaal
voldoende achtten. (400) De GOC voerde aan dat ieder
element (financiële bijdrage, voordeel en specificiteit) van iedere
subsidieregeling individueel bepaald moet worden. De Commissie deelt met de GOC
de zienswijze dat vermeende subsidieregelingen individueel moeten worden onderzocht.
Echter, het is niet zo dat het bewijsmateriaal dat wordt ingediend ten aanzien
van ieder element van ieder subsidieprogramma binnen een afzonderlijk verband
moet worden onderzocht. Zo kan bewijs voor het bestaan van specificiteit voor
het ene programma uiterst relevant zijn voor het vaststellen van specificiteit
met betrekking tot een ander programma, wat afhankelijk is van, onder meer,
hoeveel informatie over het programma in kwestie publiekelijk beschikbaar is
alsmede van de vraag of er een nauw verband bestaat tussen de programma's en of
ze afhankelijk zijn van dezelfde wetgeving. (401) De GOC voerde aan dat er bewijs
moet zijn voor het bedrag (boven de de-minimisdrempel) van de subsidie tijdens
het OT voor ieder programma en dat er toereikend bewijs moet zijn van huidige
subsidiëring voor iedere subsidie, niet van "potentiële" of
"waarschijnlijke" voordelen. Ten aanzien van dit punt is de Commissie
het niet eens met de GOC, aangezien noch de basisverordening noch de SCM-overeenkomst
van de WTO de bepaling bevat dat moet worden aangetoond dat subsidies voor een
bepaald programma de de-minimisdrempel overschrijden. Het wordt niet
bestreden dat een subsidie een voordeel moet verlenen tijdens het OT om
compenserende maatregelen te rechtvaardigen en dat de klagers moeten pogen
dergelijk bewijs te verstrekken. Echter, artikel 11.2 van de OSCM vereist
"voldoende bewijsmateriaal" over subsidiëring op basis van gegevens
die de klager "redelijkerwijs bekend" zijn. Aangezien veel informatie
over subsidievoordelen (bijv. belastingvrijstellingen, levering van goederen)
niet publiek beschikbaar is, is het vaak onmogelijk voor klagers om met
zekerheid vast te stellen dat de subsidie een voordeel heeft verleend aan
producenten van het betrokken product. In dergelijke situaties dient de klager
het beste bewijsmateriaal te verstrekken dat beschikbaar is en waaruit blijkt
dat, bijvoorbeeld, producenten van het betrokken product in aanmerking komen
voor de subsidie en dat het programma nog steeds van kracht is of voordelen
verleent. Het vereiste bewijsniveau is afhankelijk van de feiten van de zaak in
kwestie en van hoeveel gegevens de klager redelijkerwijs bekend zijn. (402) De GOC stelde dat het bericht
van inleiding in strijd is met artikel 22.2, onder iii), van de OSCM en
voerde daarbij aan dat de simpele herhaling van de namen die aan de diverse
programma's zijn toegekend niet als "beschrijving" van de programma's
kan worden beschouwd. De Commissie is van oordeel dat de subsidiepraktijken
waarop het onderzoek betrekking heeft afdoende zijn beschreven in het bericht
van inleiding door de regelingen in kwestie te specificeren en dat het bericht
van inleiding derhalve niet strijdig is met artikel 22.2, onder iii), van
de OSCM. (403) De GOC voerde aan dat de
Commissie ten onrechte een aantal subsidieprogramma's in het onderzoek heeft
opgenomen, omdat de Commissie de klacht "op een holistische manier"
of "in zijn totaliteit" heeft bekeken in plaats van ieder programma
afzonderlijk te onderzoeken. Ook stelde de GOC dat de bevindingen van andere
onderzoekende autoriteiten ten aanzien van diverse programma's op zich geen
toereikend bewijs vormen voor het inleiden van de procedure. Zoals in
overweging 400 is uiteengezet, hebben de diensten van de Commissie ieder
programma onderzocht. De mate waarin de bevindingen van andere autoriteiten ten
aanzien van een bepaald programma voldoende bewijsmateriaal vormen om een
procedure in te leiden, moet van geval tot geval worden beoordeeld en is in
zekere mate afhankelijk van welke andere gegevens de klager redelijkerwijs
bekend zijn. (404) De GOC stelde (verwijzend naar
een opmerking van de Amerikaanse autoriteiten in de zaak betreffende GOES[92]) dat de "bevorderde"
status van OBS-producenten in planningsdocumenten van de overheid mogelijk op
"collectieve wijze" is toegepast om specificiteit aan te tonen. Dit
weerspiegelt de realiteit niet. De wetgeving die OBS-producenten classificeert
als "bevorderd"[93]
(en de gevolgen die daaruit voortvloeien) is niet (zoals de GOC beweert)
"algemene informatie over overheidsbeleid, zonder direct verband met het
onderhavige programma". Aangezien deze wetgeving de toegang tot
programma's uitdrukkelijk beperkt tot bepaalde ondernemingen (of preferentiële
voordelen verleent), houdt dergelijke wetgeving zonder twijfel op zeer direct
wijze verband met het programma in kwestie. (405) De GOC
voerde aan dat er bewijs moet zijn van een huidig voordeel dankzij een
subsidieprogramma en dat het feit dat er in andere zaken compenserende
maatregelen tegen programma's zijn ingesteld, ontoereikend is, aangezien
dergelijke bevindingen betrekking hebben op een ander OT. Het wordt niet
bestreden dat een subsidie een voordeel moet verlenen tijdens het OT om
compenserende maatregelen te rechtvaardigen en dat de klagers moeten pogen dergelijk
bewijs te verstrekken. Echter, met het oog op het inleiden van een onderzoek
kan bewijs van het gebruik van een programma in een redelijk recente periode
uitermate relevant zijn, bijvoorbeeld indien er geen publiek beschikbare
informatie is die aantoont dat het programma beëindigd of gewijzigd is. De
verwijzing door de GOC naar het GOES-panel[94] (paragraaf 7.72 van het panelverslag) is niet afdoende, omdat het
hierbij gaat om situaties waarin het "duidelijk" is dat er geen
huidige subsidiëring plaatsvindt, in tegenstelling tot het onderhavige geval. (406) De GOC
stelde dat er bewijs moet zijn dat enkele producenten van het betrokken product
daadwerkelijk een voordeel toegekend hebben gekregen door een programma om een
procedure te kunnen inleiden. Dit argument kon niet worden aanvaard. Noch de
basisverordening, noch artikel 11.2 van de OSCM bevat een bepaling die
"voldoende bewijsmateriaal over het bestaan van een subsidie...", of
uitdrukkelijk bewijs van het daadwerkelijke gebruik door bepaalde producenten,
voorschrijft. Aangezien veel informatie over subsidievoordelen (bijv.
belastingvrijstellingen, levering van goederen) niet publiek beschikbaar is, is
het vaak onmogelijk voor klagers om met zekerheid vast te stellen dat de
subsidie een voordeel heeft verleend aan producenten van het betrokken product.
In dergelijke situaties dient de klager het beste bewijsmateriaal te
verstrekken dat beschikbaar is en waaruit blijkt dat, bijvoorbeeld, producenten
van het betrokken product in aanmerking komen voor de subsidie en dat
het programma nog steeds van kracht is of voordelen verleent. Het vereiste
bewijsniveau is afhankelijk van de feiten van de zaak in kwestie en van hoeveel
gegevens de klager redelijkerwijs bekend zijn. Door klagers een dergelijke eis
op te leggen, zouden niet-transparante systemen bevoordeeld worden ten opzichte
van transparantere systemen die dezelfde soort subsidie verlenen. (407) De GOC voerde aan dat de
Commissie verzuimd heeft om de GOC een "redelijke periode" te geven
om de nodige informatie in te dienen op grond van artikel 12.7 van de
SCM-overeenkomst. De GOC stelde tevens dat de Commissie de GOC niet "ruim
voldoende gelegenheid" heeft gegeven om al het relevante bewijsmateriaal
met betrekking tot het onderzoek in schriftelijke vorm in te dienen
overeenkomstig artikel 12.1 van de SCM-overeenkomst. Deze argumenten
moeten worden afgewezen, aangezien de Commissie de GOC een redelijke periode en
ruim voldoende gelegenheid heeft gegeven om de relevante informatie in te
dienen overeenkomstig de relevante bepalingen van de WTO en van de
basisverordening. De Commissie merkt op dat zij buitengewoon ruime verlengingen
van de termijn voor het antwoord op de oorspronkelijke vragenlijst heeft
toegestaan, waardoor de totale termijn voor het antwoord werd uitgebreid van 37
dagen tot bijna twee maanden. Met inbegrip van de procedure voor de aanmaning
tot het verstrekken van ontbrekende gegevens had de GOC vanaf de inleiding meer
dan drie maanden de tijd om de gevraagde informatie te verstrekken. De GOC werd
tevens de mogelijkheid geboden om ontbrekende informatie te verstrekken in de
aan het controlebezoek voorafgaande periode. De Commissie merkt ook op dat
"redelijke periode" gezien moet worden in de procedurele context
waarbinnen de Commissie ingevolge de antisubsidiebasisverordening wordt belast
met de opdracht om het onderzoek binnen een termijn van dertien maanden af te
ronden. Indien de Commissie nog langere termijnen had toegestaan, zoals die
waarom de GOC verzocht, zou dit onvermijdelijk negatieve gevolgen hebben gehad
voor de mogelijkheid van de Commissie om snel te handelen met het oog op het
naleven van de relevante wettelijke termijnen. (408) De GOC verwees ook naar haar
verzoek aan de Commissie om hulp bij het opstellen van het antwoord op de vragenlijst
en was van oordeel dat deze hulp haar door de Commissie is onthouden. Dit stemt
niet overeen met de werkelijkheid, omdat het verzoek van de GOC om hulp zo
breed en algemeen was (d.w.z. het had betrekking op iedere vraag in de
vragenlijst en de aanhangsels) dat de Commissie slechts in staat was om de GOC
hulp te bieden met betrekking tot de specifieke problemen waarmee de GOC
werd geconfronteerd in de antwoorden, in plaats van de individuele vragen. De
GOC besloot geen gebruik te maken van dit hulpaanbod. De Commissie merkt tevens
op dat in artikel 12.11 van de OSCM is bepaald dat de gevraagde hulp wordt
verleend "voor zover praktisch mogelijk", wat niet het geval is bij
brede, algemene verzoeken die een onmogelijk grote belasting opleggen aan de onderzoekende
autoriteit, in het bijzonder wanneer de vragenlijst zelfverklarend is. De
Commissie merkt op dat de GOC zeer veel ervaring heeft met
antisubsidieonderzoek en gebruikmaakt van de diensten van externe juristen. (409) Met betrekking tot de in de
klacht vermelde subsidieprogramma's die niet werden gebruikt door de in de
steekproef opgenomen exporteurs voerde de GOC aan dat zij niet in staat zou
zijn om de gevraagde informatie over al deze programma's te verstrekken binnen
de daarvoor door de Commissie toegekende tijd vanwege de fragmentatie van de
staalsector. De GOC voerde ook aan dat zij pas in een late fase van de
procedure van de Commissie begreep wat de potentiële gevolgen zouden zijn van
een verzuim om de gevraagde informatie over deze programma's te verstrekken,
aangezien ze betrekking hadden op ondernemingen die niet in de steekproef waren
opgenomen. In de eerste plaats merkt de Commissie een inconsistentie op in het
standpunt van de GOC, aangezien de bewering van de GOC dat zij onvoldoende tijd
had om antwoorden te verstrekken binnen de daarvoor toegekende tijd in strijd
is met haar weloverwogen keuze om geen antwoord te geven met betrekking tot
alle programma's die niet door de exporteurs in de steekproef werden gebruikt,
omdat zij naar eigen zeggen het doel van het verzoek van de Commissie en de
gevolgen van de weigering om de gevraagde informatie te verstrekken niet
begreep. Afgezien daarvan heeft de Commissie, zoals in overweging 407
opgemerkt, de GOC meerdere verlengingen van de termijn toegestaan, zodat de GOC
in staat zou zijn om de gevraagde informatie met betrekking tot alle
programma's te verstrekken. Derhalve was de totale toegekende tijd (d.w.z. meer
dan drie maanden gezien de aanmaningsprocedure) meer dan voldoende om de gevraagde
informatie te verstrekken. De GOC zelf erkent in haar opmerkingen dat zij zich
inderdaad op het standpunt stelde dat haar niet verzocht had moeten worden om
de informatie over deze andere programma's te verstrekken, en dit wordt ook
aangetoond door het feit dat de GOC niet eens probeerde een gedeeltelijk of
onvolledig antwoord in te dienen om haar bereidheid tot medewerking te tonen,
maar eenvoudigweg helemaal geen informatie in dit verband verstrekte. (410) Evenmin kan de Commissie het
argument van de GOC aanvaarden dat de GOC niet begreep wat de gevolgen waren
van een verzuim om de gevraagde informatie over de programma's die niet door de
exporteurs in de steekproef werden gebruikt te verstrekken. De Commissie heeft
deze gevolgen namelijk bij verschillende gelegenheden sinds het begin van de
procedure duidelijk gemaakt. Meer in het bijzonder worden de gevolgen van
niet-medewerking uitdrukkelijk aangegeven met verwijzing naar de relevante
bepalingen van de basisverordening in het bericht van inleiding en op het
titelblad van de vragenlijst. De Commissie heeft ook uitgebreide antwoorden
verstrekt wat betreft het doel van de steekproef en de reden waarom de GOC werd
verzocht de gevraagde informatie te verstrekken gezien het grote gebrek aan
medewerking en het mogelijke onderzoek van aanvragen voor individuele
behandeling in haar brieven van 19 maart, 11 april, 4 mei (aanmaning tot het
verstrekken van ontbrekende gegevens), 7 juni (aankondiging van het
controlebezoek) en 14 augustus. Derhalve is het onmogelijk dat de GOC zich niet
bewust was of een onjuist begrip had van de gevolgen van haar gebrek aan
medewerking met betrekking tot de programma's die niet door de in de steekproef
opgenomen producenten-exporteurs zijn gebruikt. In essentie blijkt de GOC het
feit te hebben genegeerd dat zij als verlenende instantie van de
vermeende subsidieregelingen geacht werd medewerking te verlenen en informatie
te verstrekken over alle subsidieregelingen die beschikbaar zouden zijn voor
het betrokken product. (411) De GOC gaf daarnaast een aantal
argumenten met betrekking tot het controleproces en het controlebezoek zelf. De
GOC gaf als bezwaar op dat zij uit de brief van de Commissie met de
aankondiging van het controlebezoek niet kon opmaken wat de reikwijdte zou zijn
van de controle van de relevante informatie en de GOC klaagt over een vermeende
weigering van de Commissie om een specifieker bestek voor de controle te
verstrekken. De GOC voegde daaraan toe dat zij recht had op enige
"inperking" van de mogelijke reikwijdte van de controle (bijv. door
middel van een vooraf te ontvangen schriftelijke lijst van alle vragen die de
beambten van de Commissie zouden stellen)[95],
die naar het oordeel van de GOC niet uitputtend kon zijn gezien de korte duur
van het bezoek. Wat betreft het laatstgenoemde argument moet de Commissie de
zienswijze van de GOC afwijzen, aangezien noch de OSCM van de WTO noch de
antisubsidiebasisverordening van de Unie een rechtsgrondslag bevat die een
putatief recht verleent om de reikwijdte van het bezoek op deze manier in te
perken. Evenmin bestaat er een beslissing van de WTO die zelfs maar suggereert
dat in de uitlegging van wetgeving aangenomen moet worden dat een dergelijk
recht bestaat.
Met betrekking tot de andere argumenten van de GOC
merkt de Commissie op dat zij op 7 juni 2012 een gedetailleerde brief met de
aankondiging van het controlebezoek heeft gestuurd, waarin duidelijk was
aangegeven: i) het voorstel voor een tijdsschema waarover eerder informeel
overeenstemming was bereikt met de GOC, ii) het doel van het controlebezoek,
iii) de reikwijdte, inhoud en het voorwerp van het bezoek, en (iv) de
mogelijkheid om gebruik te maken van beschikbare gegevens met betrekking tot de
programma's die niet door de in de steekproef opgenomen exporteurs zijn gebruikt
(zie hierboven). Om zo weinig mogelijk tijd van de betrokken beambten van de
GOC in beslag te nemen, heeft de Commissie ook aangegeven op welke dag ieder
programma behandeld zou worden. De Commissie ging zelfs nog verder om, in de
geest van volledige medewerking, te voldoen aan de verzoeken van de GOC om
nadere details betreffende de controlebezoeken, aangezien de Commissie op zeer
korte termijn vergaderde met de vertegenwoordigers van de GOC om de gevraagde
verduidelijkingen van de details van de controlebezoeken te verstrekken. De
Commissie verzorgde vervolgens een follow-up van deze vergadering door verdere
verzoeken van de GOC om verduidelijking te beantwoorden in een aantal e-mails
die met de GOC werden uitgewisseld. Bijgevolg heeft de Commissie alles wat in
haar macht lag gedaan om een succesvol controlebezoek te waarborgen, maar
desondanks lijkt de GOC al deze inspanningen te hebben genegeerd. 3.4.1.2. Verstrekking van WGS en KGS voor
een ontoereikende prijs (412) De GOC stelde dat de Commissie
had moeten zorgen voor een "drempelwaarde" voor de vaststelling van
het bestaan van een overheidsinstantie alvorens te vragen om
transactiespecifieke informatie in aanhangsel B bij de GOC-vragenlijst. Dit
argument kon niet worden aanvaard omdat het in praktisch opzicht onuitvoerbaar
zou zijn om het onderzoek op deze manier in twee fasen op te splitsen, waardoor
de Commissie twee afzonderlijke verzoeken om informatie zou moeten opstellen en
twee afzonderlijke controlebezoeken in China zou moeten uitvoeren. Naast de
gevolgen voor de beschikbare middelen zou dit het in de praktijk onmogelijk
maken om het onderzoek binnen de termijnen af te ronden. In elk geval kan de
totaliteit van het bewijsmateriaal (inclusief de transactiespecifieke gegevens
met betrekking tot prijzen en hoeveelheden) relevant zijn om te bepalen of een
instantie een overheidsinstantie is. (413) De GOC voerde aan dat haar
verzuim om antwoorden te verstrekken voor aanhangsel B inzake de
staatsondernemingen die WGS en KGS aan de OBS-producenten verstrekken niet zou
moeten leiden tot de toepassing van artikel 28 van de basisverordening en
dat het gebruik door de Commissie van de beschikbare gegevens strijdig is met
artikel 12.7 van de OSCM. De GOC stelde verder dat de Commissie om invulling
van aanhangsel B had gevraagd aan vele ondernemingen die niet relevant waren
voor het onderzoek. Dit argument moet worden afgewezen. De Commissie heeft
aanhangsel B op zo'n manier opgesteld dat zij in staat zou zijn om de
beweringen in de klacht te onderzoeken, in overeenstemming met de bevindingen
van de WTO-beroepsinstantie in DS379, waarin bepaalde richtsnoeren zijn
vastgelegd om te bepalen of een instantie een overheidsinstantie is. De
bewering van de GOC dat "aanhangsel B niet alleen op staatsondernemingen
betrekking heeft" stemt niet overeen met de werkelijkheid. Het is waar dat
de Commissie in eerste instantie alle producenten van WGS/KGS had gevraagd om
aanhangsel B in te vullen, maar naar aanleiding van het antwoord van de GOC op
de vragenlijst heeft de Commissie het verzoek beperkt tot alleen de
staatsondernemingen in kwestie, om het werk van de GOC met het beantwoorden van
aanhangsel B te vergemakkelijken[96].
Ondanks deze inspanningen van de Commissie hebben de GOC en de
staatsondernemingen in kwestie geen antwoord verstrekt met betrekking tot
aanhangsel B, hoewel duidelijk is (in het bijzonder op grond van de klacht) dat
staatsondernemingen die WGS/KGS leveren aan de producenten-exporteurs van OBS
binnen de reikwijdte van dit onderzoek vallen. (414) Gezien het bovenstaande had de
Commissie geen andere keuze dan artikel 28, lid 1, van de
basisverordening toe te passen, hetgeen zij deed in volledige overeenstemming
met artikel 12.7 van de OSCM. (415) De GOC stelde dat de
beschikbare gegevens die door de Commissie zijn gebruikt niet de conclusie
steunen dat de geciteerde "richtsnoeren" voor de staalsector
juridisch bindend zijn. Het belangrijkste planningsdocument voor de staalsector
waarop de Commissie haar bevindingen ten aanzien van het bestaan van een
overheidsinstantie heeft gebaseerd, is besluit nr. 35 van de NDRC – Beleid
voor de ontwikkeling van de ijzer- en staalindustrie. De Commissie heeft een
directe vraag gesteld over de juridische status van besluiten van de NDRC en
bevestigd werd dat besluiten binnen de Chinese wetgeving juridisch bindend
zijn, aangezien ze behoren tot een van de vier rechtscategorieën in de VRC.
Derhalve is dit argument strijdig met de relevante informatie in het dossier. (416) De GOC stelde dat de door de
Commissie vastgestelde verstoring van de markt binnen de staalsector irrelevant
is voor de bepaling of producenten van WGS/KGS overheidsinstanties zijn en dat
de vaststelling van het bestaan van overheidsinstanties specifiek had moeten
worden toegepast op de entiteiten die WGS/KGS leverden aan de twee groepen
producenten-exporteurs die in de steekproef waren opgenomen, en niet op alle
staatsondernemingen die WGS/KGS produceren in de VRC in het algemeen. Volgens
de GOC kan de Commissie, indien zij geen informatie over deze entiteiten heeft,
de vaststelling van het bestaan van een overheidsinstantie niet uitvoeren omdat
zij anders tot een ongeoorloofde negatieve gevolgtrekking zou komen. De
Commissie is het niet eens met deze bewering. Het bestaan van de
marktverstoring is een relevante, weliswaar niet doorslaggevende, factor in de
analyse. De "overheidsinstantiebevinding" van de Commissie binnen de
context van deze procedure heeft betrekking op alle producenten van WGS/KGS die
gedeeltelijk of volledig het eigendom van de staat zijn, omdat de bevinding tot
stand is gekomen op grond van bewijsmateriaal dat betrekking heeft op breed
beleid en industriebrede factoren en niet op grond van informatie over
specifieke ondernemingen. De staatsentiteiten die WGS/KGS leveren aan de twee
in de steekproef opgenomen producenten/exporteurs vallen duidelijk binnen de
reikwijdte van de bevinding ten aanzien van het bestaan van
overheidsinstanties; daarom werd het niet noodzakelijk geacht om de
vaststelling specifiek tot hen te beperken. In elk geval verstrekte de GOC in
haar antwoord op de vragenlijst van de Commissie geen informatie die gebruikt
zou kunnen worden om een dergelijke ondernemingsspecifieke vaststelling uit te
voeren.
Het argument van de GOC dat de Commissie geen vaststelling kan uitvoeren bij
afwezigheid van "feitelijke gegevens" over de specifieke
staatsondernemingen in kwestie, zou betekenen dat de GOC in feite zou
profiteren van niet-medewerking (aangezien de GOC had geweigerd om de
"gegevens" te verstrekken) en op die manier een "gunstiger"
resultaat zou bereiken dan wanneer zij medewerking had verleend. Dit zou het
tegendeel van een negatieve gevolgtrekking zijn. (417) De GOC noemde als bezwaar dat
zij pas in de fase van de definitieve mededeling door de Commissie op de hoogte
werd gesteld van de analysen met betrekking tot "het toevertrouwen van
functies en het belasten met functies" en dat derhalve haar rechten op
verdediging waren geschonden. De Commissie kon echter in de eerdere fase van
het onderzoek niet weten dat zij tot deze conclusie zou komen. Deze bevinding
is een resultaat van alle informatie en gegevens die tijdens de gehele
procedure zijn verzameld en werd bekendgemaakt zodra de laatste vaststelling
was uitgevoerd, d.w.z. op het moment waarop de definitieve mededeling werd opgesteld.
In de klacht werd melding gemaakt van subsidies in verband met de verstrekking
van goederen door de overheid via staatsondernemingen. Uit het onderzoek bleek
dat het overheidsbeleid in kwestie, dat in eerste instantie betrekking had op
staatsondernemingen, ook van toepassing was op particuliere entiteiten, wat
leidde tot de conclusie dat er sprake was van het toevertrouwen van functies of
het belasten met functies door de overheid. (418) De GOC
stelde dat de door de Commissie vermelde informatie op geen enkele wijze een
rechtvaardiging vormde voor de conclusie dat de overheid aan particuliere
entiteiten binnen de staalsector de functie toevertrouwt of hen belast met de
functie om de subsidies te verstrekken waartegen compenserende maatregelen worden
genomen. Dit argument moest worden afgewezen. In haar analysen betreffende het
toevertrouwen van functies en het belasten met functies heeft de Commissie
verwezen naar een aantal overheidsplannen en beleidsdocumenten en daaruit delen
geciteerd die een direct verband aantonen tussen de overheid en het gedrag van
particuliere staalondernemingen en zij heeft deze bevinding gestaafd met
voorbeelden van activiteiten die door particuliere ondernemingen worden
uitgevoerd. (419) De GOC voerde aan dat de
Commissie bij de analysen betreffende het toevertrouwen van functies en het
belasten met functies verzuimd had om een onderscheid te maken tussen de
gevolgen van overheidsoptreden en de bedoeling van overheidsoptreden. Ook dit
argument wordt afgewezen. De Commissie heeft het bestaan vastgesteld van
overheidsbeleid dat bedoeld is om de staalindustrie te ondersteunen en om
WGS/KGS te verstrekken via staatsondernemingen voor prijzen die onder de
marktprijzen liggen. Verder werd vastgesteld dat dit beleid particuliere producenten
in feite dwong (via de dominantie van staatsondernemingen en de ontmoediging
van de uitvoer van WGS/KGS) om de binnenlandse OBS-sector van WGS/KGS te
voorzien voor dezelfde, onder de marktwaarde liggende prijzen als die
staatsondernemingen in rekening brachten. Er is zelfs bewijsmateriaal waaruit
blijkt dat de prijzen van particuliere leveranciers uitdrukkelijk aan die van
staatsondernemingen verbonden worden. Bijgevolg
heeft de Commissie geconcludeerd dat een van de doelstellingen van het beleid was
om particuliere entiteiten de functie toe te vertrouwen, en hen met deze
functie te belasten, om dezelfde praktijken toe te passen als de
staatsondernemingen. Dit is een klassiek geval van de overheid die, zowel zelf
als via staatsondernemingen, "haar gezag uitoefent" over particuliere
leveranciers. Het beleid heeft alle vereiste elementen die verbonden zijn aan
het toevertrouwen van functies of het belasten met functies, aangezien er
sprake is van een "overheidsmaatregel" die "gericht is op een
specifieke partij" en "waarvan het doel een specifieke taak of plicht
is". Ter illustratie van de
bedoelingen van de overheid zij opgemerkt dat zekere bepalingen van besluit
nr. 35 sancties bevatten voor ondernemingen die niet in overeenstemming
met het daarin beschreven beleid handelen. Hieruit blijkt dat de GOC de
bedoeling heeft om de gehele staalindustrie in een bepaalde richting te leiden
en dat ondernemingen die deze bedoeling niet naleven met consequenties
geconfronteerd zullen worden. (420) De GOC voerde tevens aan dat de
Commissie niet heeft vastgesteld dat de GOC een beleid voert om WGS en KGS aan
de OBS-sector te verstrekken en dat de Commissie niet tot een conclusie in die
zin is gekomen. Dit argument moest worden afgewezen. Zoals de analyse in bovenstaande
overwegingen 49 tot en met 72 aantoont, zijn de staatsondernemingen die WGS/KGS
aan de OBS-producenten leveren overheidsinstanties, het verlengstuk van de GOC,
en is het duidelijk dat zij WGS/KGS verstrekken aan producenten-exporteurs van
OBS. Daarnaast werd vastgesteld dat de prijzen van deze inputs niet de
marktwaarden weerspiegelen. Bijgevolg wordt geconcludeerd dat de GOC via deze
staatsondernemingen een beleid voert om goedkoop WGS en KGS te verstrekken. (421) De GOC voerde aan dat de
Commissie ten onrechte tot de conclusie was gekomen dat de overheid op
indringende wijze controle uitoefent over de staalsector in het algemeen en dat
de staalindustrie bepaalde richtsnoeren naleeft, maar dat zij niet heeft
vastgesteld dat de verstrekking van staal aan de OBS-sector voor prijzen die
onder de marktprijzen liggen een doelstelling is van dit beleid. Dit argument
moest worden afgewezen. Zoals in bovenstaande overweging 419 is uiteengezet,
heeft de Commissie vastgesteld dat het overheidsbeleid een intentie bevat om
particuliere leveranciers te belasten met de taak om de leveringspraktijken van
staatsondernemingen te volgen met betrekking tot onder de marktwaarden liggende
prijzen. (422) De GOC voerde aan dat de
Commissie niet heeft vastgesteld dat er een specifieke bedoeling van de GOC is
om een feitelijke financiële bijdrage te verlenen in verband met de
verstrekking van WGS en KGS, zoals voorgeschreven door het verslag van de
WTO-beroepsinstantie US –Countervailing Duty Investigation on DRAMS from
Korea[97].
Dit argument moest worden afgewezen. De overheidsmaatregelen in kwestie
zijn gebaseerd op een overheidsbeleid dat bedoeld is om particuliere
leveranciers te belasten met de taak om de leveringspraktijken van
staatsondernemingen met betrekking tot onder de marktwaarden liggende prijzen
te volgen. Dit is geen "consequentie" of "bijkomend gevolg"
van de overheidsinterventie, het is het doel ervan. Het is duidelijk dat
particuliere leveranciers van WGS/KGS geen "vrije keuze" uitoefenen
in de markt, omdat de markt verstoord is door de dominantie van
staatsondernemingen en de uitvoer van WGS/KGS ontmoedigd wordt. (423) De GOC stelt dat de Commissie
niet tot bevindingen is gekomen ten aanzien van de feitelijke particuliere
entiteiten die WGS/KGS aan de in de steekproef opgenomen ondernemingen
leverden. Dit argument moest worden afgewezen. Zoals in het geval van
overheidsinstanties heeft de Commissie een sectorbrede analyse met betrekking
tot het toevertrouwen van functies en belasten met functies uitgevoerd die van
toepassing is op alle particuliere leveranciers. Aangezien het overheidsbeleid
in kwestie van toepassing is op al dergelijke entiteiten, is het niet nodig om
dit per specifieke onderneming vast te stellen. (424) De GOC voerde aan dat de
Commissie het bewijsmateriaal van de GOC met betrekking tot het aandeel van
staatsondernemingen in de Chinese productie van WGS en KGS. De door de GOV
verstrekte tabel kan in dit verband niet als bewijs worden aangemerkt. De GOC
weigerde om de brongegevens voor deze tabel te verstrekken zowel vóór als
tijdens de controle en derhalve kan de tabel niet als betrouwbare informatie
worden beschouwd. Om deze reden heeft de Commissie gegevens gebruikt uit het World
Steel Capacity Book, dat algemeen erkend wordt binnen de wereldwijde staalindustrie. (425) De GOC voerde aan dat de
Commissie niet heeft uitgelegd waarom de wereldmarktprijzen van WGS en KGS de
meest geschikte benchmark zijn en verwees naar de beslissing van de
WTO-beroepsinstantie in de procedure US-Softwood Lumber IV (VS-Zacht
timmerhout IV) dat de buitenlandse benchmark "verband moet houden met,
verwijzen naar of samenhangen met de marktvoorwaarden in dat land en een
weergave moet zijn van de prijs, kwaliteit, beschikbaarheid, verhandelbaarheid,
vervoer en andere aan- of verkoopvoorwaarden". De GOC stelt tevens dat de
"overheidsdominantie" niet kan leiden tot versoepeling van deze
jurisprudentie, omdat, indien dat het geval was, de mogelijkheid om een
buitenlandse benchmark te gebruiken helemaal niet beschikbaar zou zijn. De GOC
voert aan dat de Commissie niet heeft voldaan aan de vereisten van
artikel 14 van de OSCM. De Commissie is het met dit argument niet eens. De
marktvoorwaarden in China zijn verstoord, zoals door de Commissie is
vastgesteld en uiteengezet wordt in bovenstaande overwegingen 49 tot en met 97.
Omdat staal wereldwijd door soortgelijke processen wordt geproduceerd en overal
ter wereld wordt verhandeld, is de meest redelijke externe benchmark de
wereldprijs, aangezien het waarschijnlijk is dat de Chinese prijzen afgestemd
zouden worden op de wereldprijzen, als er in de VRC een normale marktsituatie
zonder verstoring zou zijn. De GOC verstrekte zeer weinig informatie over de
staalmarkt in de VRC, hoewel de Commissie daarom specifiek had verzocht.
Evenmin stelde de VRC enige andere benchmark voor behalve de binnenlandse
benchmark, die niet geschikt was vanwege de vastgestelde marktverstoringen.
De GOC stelde dat de Commissie de bevinding over specificiteit met betrekking
tot de verstrekking van WGS/KGS voor een ontoereikende prijs op niets anders
heeft gebaseerd dan op de tautologische bewering van de klagers in de klacht en
dat dit niet voldoende is om aan de vereisten van de OSCM te voldoen. Dit
argument moest worden afgewezen. Zowel GWS als KGS worden gebruikt als inputs
door slechts een beperkt aantal ondernemingen, aangezien ondernemingen in vele
sectoren geen gebruiksdoel voor deze producten hebben. De GOC zelf bevestigde
in haar antwoord op de vragenlijst dat WGS en KGS slechts door een beperkt
aantal bedrijfstakken worden gebruikt. De GOC bestreed dit feit niet in de
opmerkingen over de definitieve mededeling. Derhalve wordt bevestigd dat deze
subsidie specifiek is in de zin van artikel 4, lid 2, onder c), van
de basisverordening, dat dezelfde formulering bevat als artikel 2.1.,
onder c), van de OSCM. 3.4.1.3. Preferentiële
leningen en rentetarieven aan de OBS-sector (426) De GOC voerde aan dat de banken
niet verplicht zijn om de industriële richtsnoeren te volgen, dat zij geen
individuele bedrijfsbeslissingen gedicteerd krijgen van de overheid en dat de
banksector niet gedomineerd wordt door de overheid. Dit argument kan niet
worden aanvaard. De artikelen 24 en 25 van besluit nr. 35 beperken de
verstrekking van leningen tot de ondernemingen die zich houden aan het
nationale beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en staalindustrie, wat
betekent dat de bewering van de GOC dat de banken niet verplicht zijn om het
industriële beleid te volgen in tegenspraak is met dit bewijsmateriaal. Deze
bepalingen houden duidelijk een beperking in van de ondernemingen die de banken
kunnen financieren. Ook de bewering dat de banksector niet wordt gedomineerd
door de overheid moet terzijde worden gelegd. In dit verband zij opgemerkt dat
de GOC slechts zeer beperkte informatie over eigendomsstructuur binnen de
banksector heeft verstrekt, waarbij zij aanvoerde dat zij niet over dergelijke
informatie beschikte, hoewel alle banken krachtens artikel 24 van de wet
inzake handelsbanken verplicht zijn om dergelijke informatie te rapporteren aan
de Regelgevende Commissie voor het bankwezen in de VRC, een door de Raad van
State geautoriseerd staatsagentschap. De andere gegevens in de dossiers die in
deze verordening worden geciteerd, leidden tot de conclusie dat de banksector
in de VRC wel degelijk door de overheid worden beheerst (zie de bovenstaande
overwegingen 166-169). In aanvulling op de bronnen waarnaar in deze verordening
wordt verwezen, verklaart landenverslag nr. 11/321 inzake China van het
IMF van november 2011 dat de overheid ook direct en indirect betrokken is bij
de financiële sector en bevat het verslag de aanbeveling van een heroriëntatie
van de rol en verantwoordelijkheden van de overheid in de financiële sector,
opdat het banksysteem niet langer wordt gebruikt om algemene
beleidsdoelstellingen van de overheid te realiseren, maar in plaats daarvan
leenbeslissingen worden gebaseerd op commerciële doelstellingen[98] [99]. (427) De GOC stelde dat haar verzuim
om de in aanhangsel A bij de GOC-vragenlijst gevraagde informatie te verstrekken
geen rechtvaardiging kon zijn om beschikbare gegevens te gebruiken, omdat de
Commissie de GOC niet verantwoordelijk had mogen maken voor het verstrekken van
interne, gevoelige, transactiespecifieke gegevens met betrekking tot banken
waarvan vele op generlei wijze het eigendom van de overheid waren. Zoals in
bovenstaande overweging 426 is uitgelegd, had de GOC toegang tot ten minste een
deel van de gevraagde informatie, maar weigerde zij om antwoorden te
verstrekken op vragen in aanhangsel A. In dit verband zij tevens opgemerkt dat,
aangezien de GOC weigerde om gegevens over eigendom te verstrekken, de
Commissie van veel banken niet wist of ze al dan niet eigendom van de overheid
waren. (428) Met betrekking tot bepaalde
circulaires van de PBOC voert de GOC aan dat de publiek beschikbare
samenvattingen van de inhoud van de relevante circulaires samen met de
getuigenissen van de PBOC-beambten voldoende zijn om de feitelijke circulaires
van de PBOC te vervangen en dat het verzuim van de GOC om deze circulaires te
verstrekken niet zou moeten leiden tot het gebruik van beschikbare gegevens. De
GOC voerde daarnaast aan dat de Commissie informatie die te goeder trouw is
verstrekt heeft afgewezen, d.w.z. de getuigenis van de PBOC-beambte in
combinatie met het uittreksel van de circulaires in kwestie en zij verwees naar
artikel 28 van de basisverordening, waarin is bepaald dat alleen onjuiste
of misleidende informatie buiten beschouwing mag worden gelaten. Daarnaast
voerde de GOC aan dat de GOC haar bevindingen niet had gebaseerd op feitelijke
beschikbare gegevens of op de verstrekte informatie, maar in plaats daarvan de
GOC de last oplegde om te bewijzen dat de situatie die tijdens de procedure
inzake gestreken fijn papier werd vastgesteld niet langer actueel was. Naar het
oordeel van de GOC zijn de bevindingen van het onderzoek inzake gestreken fijn
papier niet eens in tegenspraak met de door de GOC verstrekte informatie,
aangezien ze gebaseerd waren op informatie over een ander tijdvak.
De uittreksels van de PBOC en van de website en de getuigenis van de
PBOC-beambte hadden niet gecontroleerd kunnen worden zonder de brondocumenten,
d.w.z. de circulaires zelf. De Commissie begrijpt niet waarom de GOC enerzijds
van oordeel is dat dit vertrouwelijke interne documenten zijn, terwijl
anderzijds de samenvattingen van de inhoud ervan op de website van de PBOC
gepubliceerd zou zijn. De bevindingen van het onderzoek inzake gestreken fijn
papier zijn in hoge mate relevant voor de onderhavige zaak. Het feit dat de
informatie betrekking had op een ander tijdvak is van beperkt belang, aangezien
de gegevens in het dossier (met inbegrip van de klacht) aantonen dat de
praktijken in kwestie sindsdien niet zijn gewijzigd. Wat betreft de bewering
van de GOC dat de Commissie de bewijslast omkeert, zij opgemerkt dat de
bevindingen van het onderzoek inzake gestreken fijn papier deel uitmaakt van de
totaliteit van het bewijsmateriaal dat in aanmerking wordt genomen, maar dat de
GOC niet geacht worden "het tegendeel te bewijzen". Medewerking in
dergelijke onderzoeken is een tweezijdig proces en alle partijen mogen
bewijsmateriaal aanbieden of argumenten inbrengen om ander bewijs in het
dossier te weerleggen. (429) De GOC voert aan dat de
Commissie niet heeft vastgesteld dat de benchmark van de GOC een
niet-commerciële verstoring weerspiegelt (daarmee zeggend dat de Chinese
marktrentetarieven over het algemeen een toereikende prijs weerspiegelen) en
dat het feit dat er uitsluitend een ondergrens is voor de rentetarieven voor
commerciële leningen een nadeel is voor de producenten-exporteurs die van
dergelijke leningen gebruikmaken in plaats van een voordeel. Zonder de door de
PBOC opgelegde ondergrens zouden deze tarieven aanzienlijk lager kunnen zijn
geweest. Dit is een misplaatst argument. Het feit dat de GOC (PBOC) de
benchmark op willekeurige wijze vaststelt, wijst op zich reeds op
niet-commercieel gedrag. Dit wordt ook bevestigd door landenverslag
nr. 11/321 van het IMF[100]
inzake China van november 2011, dat verwijst naar regulering van de rente. (430) De GOC voerde aan dat de
Commissie verzuimd heeft om de kredietwaardigheid van de feitelijk onderzochte
partijen te evalueren, zoals de Commissie gedaan heeft in de procedure inzake
gestreken fijn papier. De Commissie antwoordt hierop dat de kredietwaardigheid
van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs niet is geëvalueerd
omdat deze hoe dan ook beïnvloed werd door het industriebeleid en door steun en
interventies van de overheid. Aangezien vastgesteld werd dat het
financiële systeem in de VRC verstoord is, zou dit een zinloze actie zijn. Een dergelijke
evaluatie van de kredietwaardigheid is niet uitgevoerd in de procedure inzake
gestreken fijn papier. (431) De GOC maakt ook bezwaar tegen
de vaststelling van de BB-rating, omdat zij deze als "zuiver
bestraffend" beschouwt en "de redenen van de Commissie voor deze
keuze niet zijn bekendgemaakt op een manier die controleerbaar is". De GOC
meent dat, indien de Commissie vaststelt dat de Chinese benchmark plus de BB-risicopremie
de juiste waarde oplevert, zij haar redenen in dit verband moet toelichten voor
iedere specifieke producent en lening. Dit argument moest worden afgewezen.
Gezien de verstoringen en het feit dat de kredietverlenende banken geen
adequate evaluatie van de kredietwaardigheid of risico's van de OBS-producenten
uitvoeren, had de Commissie de kredietrating van de individuele
producenten-exporteurs, voor zover ze een rating hadden, niet zonder meer
kunnen overnemen. De BB-rating is in dit geval niet ongunstig voor de producenten-exporteurs,
omdat het de beste rating voor labiele obligaties op de markt is. 3.4.1.4. Verstrekking van
grondgebruiksrechten voor een ontoereikende prijs (432) De GOC voerde aan dat de
Commissie heeft erkend dat de beweringen van de GOC dat de grondgebruiksrechten
worden verstrekt op basis van concurrentie zodanig zijn dat ze de noodzaak van
een externe benchmark wegnemen. De GOC stelde tevens dat de Commissie zich in
haar gehele toelichting op de redenen waarom de beweringen van de GOC werden
afgewezen uitsluitend richtte op het bewijsmateriaal van de GOC in plaats van
de feitelijk beschikbare gegevens. De GOC verzoekt de Commissie om de
feitelijke gegevens bekend te maken die zij gebruikt heeft om vast te stellen
dat de lokale autoriteiten de prijzen op willekeurige wijze bepaalden, d.w.z.
dat de prijzen niet verwezen naar of verband hielden met de vraag naar en het
aanbod van industriegrond.
De GOC heeft een onjuist begrip van deze kwestie. De Commissie heeft niet
kunnen vaststellen dat de grondgebruiksrechten op basis van concurrentie worden
verstrekt. De Commissie stelde vast dat van de dertien transacties met
betrekking tot grondgebruiksrechten slechts zes geacht werden plaats te
vinden binnen een biedings- of veilingsproces. Met betrekking tot deze zes
transacties bleek uit het ingediende relevante bewijsmateriaal dat de
aanbestedingen niet op concurrentie gebaseerd waren, aangezien er slechts één
aanbieding/offerte was en de prijs door de autoriteiten werd vastgesteld. De
Commissie begreep niet waarom de GOC verzocht om bekendmaking van de
beschikbare gegevens die zijn gebruikt omdat een markt voor
grondgebruiksrechten ontbreekt, aangezien er wat deze kwestie betreft geen
beschikbare gegevens zijn gebruikt om de argumenten van de GOC af te wijzen en
de analyse is uitgevoerd op grond van de door de GOC en producenten-exporteurs
in dit verband ingediende informatie. De gegevens die zijn gebruikt als basis
om vast te stellen dat de prijzen op willekeurige wijze worden bepaald, worden
genoemd in bovenstaande overwegingen 114 tot en met 116, namelijk informatie
over feitelijke transacties die is verstrekt door de in de steekproef opgenomen
producenten-exporteurs, het evaluatiesysteem voor stedelijke grond en besluit
nr. 35. (433) Volgens de GOC heeft de
Commissie verzuimd om specificiteit in de zin van de artikelen 2.1 en 2.2 van
de OSCM aan te tonen en om haar vaststellingen dat er sprake is van
specificiteit duidelijk te onderbouwen overeenkomstig artikel 2.4 van de
OSCM. Daarnaast heeft de Commissie verzuimd om een onderbouwing te geven voor
de noodzaak om het voordeelbedrag te bepalen aan de hand van een buitenlandse
benchmark en om de gekozen benchmark vast te stellen in overeenstemming is met
artikel 14, onder d), van de OSCM. Deze argumenten moesten worden
afgewezen. De grondslag van de bevindingen van de Commissie ten aanzien van
specificiteit is het feit dat alle ondernemingen die zich niet aan het door de
overheid vastgestelde industriebeleid houden, worden uitgesloten van de
verstrekking van grondgebruiksrechten, de prijzen vaak op willekeurige wijze
door de autoriteiten worden bepaald en de overheidspraktijken onduidelijk en
ondoorzichtig zijn. De noodzaak van een buitenlandse benchmark is uitgelegd en
gerechtvaardigd in bovenstaande overwegingen 109, 118 en 120-121. Aangezien
vastgesteld werd dat de markt voor grondgebruiksrechten in de VRC verstoord is,
was het niet mogelijk om de binnenlandse benchmark toe te passen, zoals de GOC
voorstelde. De Commissie is het niet eens met de bewering dat de benchmark is
berekend op een wijze die niet in overeenstemming is met artikel 14, onder
d), van de OSCM. De benchmark in Taiwan wordt geacht de beste benaderingswaarde
te zijn die voor de Commissie beschikbaar is en is in overeenstemming met de aanbevelingen
van de WTO-beroepsinstantie in DS 379. (434) De GOC voert aan dat zij heeft
voorgesteld dat iedere eventuele benchmark binnenlands zou moeten zijn en
gebaseerd zou moeten worden op de prijzen die de "niet-begunstigde"
Chinese bedrijfstakken betaalden; volgens de GOC is de reden hiervan dat er
überhaupt geen verschil is en dat het subsidiebedrag derhalve niet anders dan
nul kan zijn. De Commissie is het niet met dit argument eens en afgezien
daarvan heeft de GOC geen informatie verstrekt over de prijzen voor de
"niet-begunstigde" bedrijfstakken, die, in theorie, gebruikt zouden
kunnen worden om de benchmark door berekening vast te stellen. (435) De GOC
voert daarnaast aan dat de klager geen aanwijzing of bewijs heeft verstrekt dat
grondgebruiksrechten met name aan een bepaalde beperkte groep ondernemingen
werden verstrekt en dat de Unie niet tot de cruciale bevinding is gekomen dat
de verstrekking van grondgebruiksrechten uitdrukkelijk wordt beperkt tot
bepaalde/bevorderde ondernemingen. De Commissie is tot de bevinding
gekomen dat de verstrekking van grondgebruiksrechten beperkt wordt tot
ondernemingen die zich houden aan het door de NDRC in besluit nr. 35
vastgestelde industriebeleid (bovenstaande overweging 116). (436) De GOC voerde aan dat de
Commissie geen grondig onderzoek heeft uitgevoerd om een benchmark te vinden
die verwijst naar of verband houdt met de situatie in de VRC en dat de
Commissie niet haar best heeft gedaan om een benchmark vast te stellen die een
benaderingswaarde is van de marktvoorwaarden die zouden bestaan indien er geen
verstoring zou zijn, of dat de Commissie, indien zij dit wel heeft gedaan, geen
nadere uitleg heeft verstrekt. Dit argument moest worden afgewezen. De
Commissie heeft wel degelijk in detail de diverse indicatoren onderzocht en
Taiwan vergeleken met zowel de gehele VRC als de individuele Chinese provincies
in kwestie. Na deze analyses beschouwt de Commissie Taiwan[101] als een geschikte externe
benchmark gezien het geheel van de informatie in het dossier: i) het niveau van
economische ontwikkeling en de economische structuur in Taiwan en de
desbetreffende Chinese provincies en stad[102]
waar de medewerkende producenten-exporteurs gevestigd zijn, ii) de fysieke
nabijheid tussen deze twee Chinese provincies en Taiwan, iii) de hoge graad van
infrastructuur waarover zowel Taiwan als deze twee Chinese provincies
beschikken, iv) de sterke economische banden en grensoverschrijdende handel
tussen Taiwan en de VRC, v) de vergelijkbare bevolkingsdichtheid in de
betrokken Chinese provincies en in Taiwan, vi) de gelijkenis tussen het soort
grond en de transacties om tot een relevante benchmark te komen in Taiwan en in
de VRC en vii) de gemeenschappelijke demografische, linguïstische en culturele
eigenschappen van Taiwan en de VRC. Daarnaast worden de provincies Jiangsu en
Zhejiang samen met de stad Chongqing beschouwd als belangrijke productiecentra
in de VRC. Hoewel het BBP per hoofd in Taiwan en in de twee Chinese provincies
en de stad Chongqing niet identiek is, is het BBP van deze Chinese provincies
en de stad Chongqing de laatste jaren snel gegroeid: zij lopen met andere
woorden in op Taiwan.
Ook wijzen recente gegevens erop dat zowel het BBP van de VRC in haar
totaliteit als de twee provincies en Chongqing City een veel hoger groeicijfer
laten zien dan Taiwan[103],
wat wil zeggen ze de achterstand zeer snel aan het inhalen zijn. Echter, het is
belangrijk om op te merken dat de exacte vergelijking tussen het BBP van een
niet-markteconomie (de VRC) en het BBP van een goed gevestigde markteconomie
(Taiwan) niet doorslaggevend is, omdat het normaal is dat het BBP van een
niet-markteconomie achterblijft op dat van een functionerende markteconomie.
Bovendien kunnen vraag naar en aanbod van industriegrond door tal van andere
factoren, zoals planningsregels en milieubeleid, worden beïnvloed. Waar het
echt op aankomt, is wat de marktvoorwaarden voor grondgebruiksrechten in de VRC
zouden zijn indien het een functionerende markteconomie zou zijn; op grond van
alle bewijsmateriaal zouden deze sterk vergelijkbaar zijn met die van Taiwan. (437) De GOC voert ook aan dat de
Commissie in haar berekening een afschrijvingstermijn van 50 jaar heeft
gebruikt, terwijl niet alle relevante overeenkomsten inzake
grondgebruiksrechten gebaseerd waren op een termijn van 50 jaar. Dit is
echter onjuist. Alle grondgebruiksrechten waartegen binnen deze procedure
compenserende maatregelen worden ingesteld, waren gebaseerd op een termijn van
50 jaar. 3.4.1.5. Programma bestaande uit de
verstrekking van elektriciteit voor een ontoereikende prijs (438) De GOC voerde aan dat de
conclusie ten aanzien van specificiteit "volledig kunstmatig" is in
de zin dat de totaliteit van de economische activiteit die geacht wordt het
tarief zonder sanctie te betalen het overgrote deel van de Chinese economie
omvat. De GOC betwistte ook de bevinding van de Commissie ten aanzien van
"regionale" specificiteit en in het bijzonder de conclusie dat de
subsidie uitsluitend beschikbaar is in de geografische gebieden waar de
producent-exporteur gevestigd is. Volgens de GOC is de sanctie algemeen van
toepassing in alle geografische gebieden waar alle producenten-exporteurs
gevestigd zijn en derhalve is er geen sprake van regionale specificiteit. Dit
argument moest worden afgewezen. De Commissie merkt op dat de GOC haar
opmerkingen uitsluitend lijkt te baseren op het differentiële
prijsstellingssysteem voor de categorieën "bevorderde",
"beperkte", "verboden" en "toegestane"
ondernemingen overeenkomstig besluit nr. 40. De Commissie heeft haar
bevindingen echter gebaseerd op het speciale prijsstellingssysteem voor
elektriciteit dat bestaat in de grotere gemeentelijke regio van Chongqing, waar
een van de in de steekproef opgenomen medewerkende exporteurs een fabriek
heeft. Deze exporteur geniet voordelen dankzij een lager elektriciteitstarief
dat uitsluitend en specifiek van toepassing is op een groep ondernemingen die
tot bepaalde sectoren behoren (namelijk ondernemingen die met elektro-ovens
ijzerlegeringen produceren en kunstmestondernemingen) binnen dezelfde categorie
grote industriële gebruikers. Derhalve is de Commissie tot de conclusie gekomen
dat het lagere elektriciteitstarief dat uitsluitend van toepassing is op deze
zeer beperkte groep ondernemingen die behoren tot deze specifieke, in
aanmerking komende sectoren rechtens specifiek is.
Wat betreft "regionale" specificiteit verwijst overweging 149 niet
naar enig sanctiesysteem, zoals de GOC in haar opmerkingen aangeeft. Deze
paragraaf maakt duidelijk dat dit gunstige elektriciteitstarief dat van
toepassing is op de beperkte groep ondernemingen, met inbegrip van de producent
van het betrokken product, ook beperkt wordt tot een afgebakend geografisch
gebied (namelijk de bredere gemeente Chongqing), dat deel uitmaakt van de grote
westelijke regio van de VRC en dat bevorderd wordt overeenkomstig de wet
waarnaar in dezelfde overweging wordt verwezen en die verder wordt uitgelegd in
bovenstaande overweging 233. Zoals verder in overweging 149 is uiteengezet,
verwijst deze wetgeving naar de prijsstelling voor elektriciteit als een van de
instrumenten om de belangrijkste beleidsdoelstelling, het bevorderen van de
ontwikkeling van deze regio, te bereiken. De bevinding van de Commissie dat
deze subsidie ook regionaal specifiek is, wordt hierdoor bevestigd. (439) De GOC betwistte de conclusies
in bovenstaande overweging 146 betreffende de specificiteit op grond van het
feit dat het prijsstellingssysteem differentieert tussen de categorieën
"bevorderde", "beperkte", "verboden" en
"toegestane" ondernemingen. De GOC legt opnieuw uit dat het verschil
in de elektriciteitsprijs die wordt betaald tussen de specifiek ontmoedigde
projecten en alle andere als sanctie dient, of als toeslag, om specifieke
projecten te ontmoedigen in plaats van als een "korting" die wordt verleend
aan bevorderde projecten. De GOC concludeert dat de Commissie tot een bevinding
moet komen ten aanzien van welke vergoeding toereikend zou worden geacht en in
dit geval heeft de Commissie verondersteld dat de prijs inclusief toeslag een
toereikende vergoeding zou zijn. Dit argument moest worden afgewezen. Zoals in
het bovenstaande uitgebreid is uiteengezet, verwijst de bevinding van de
Commissie ten aanzien van de financiële bijdrage naar het lagere
elektriciteitstarief waar deze onderneming recht op heeft als lid van de
beperkte groep ondernemingen binnen de bredere categorie van grote industriële
gebruikers. De argumenten van de GOC zijn derhalve niet relevant ten opzichte
van de bevindingen van de Commissie. 3.4.1.6. Andere
(vennootschaps)belastingprogramma's die niet zijn gebruikt door de producenten
in de steekproef en waartegen compenserende maatregelen zijn ingesteld voor het
"residuele recht" (440) De GOC voerde aan dat de
Commissie verzuimd heeft op consistente wijze de relevante WTO-regels inzake
steekproeven die zijn vastgesteld in de antidumpingovereenkomst van de WTO
(d.w.z. de artikelen 6.10, 9.2 en 9.3) toe te passen, omdat het doel van de
uitvoering van steekproeven zou zijn, de reikwijdte van het onderzoek te
beperken. Dit argument werd verbonden aan artikel 19.4 van de OSCM van de
WTO, dat het bedrag van de compenserende rechten beperkt tot het bedrag van de
subsidie "waarvan het bestaan is vastgesteld". De GOC concludeerde
dat indien de Commissie van oordeel was dat de mate van subsidiëring niet
voldoende werd weerspiegeld door de geselecteerde steekproef, de oplossing zou
zijn geweest om meer ondernemingen in de steekproef op te nemen. Ten
eerste merkt de Commissie op dat de analogie tussen steekproeven in
antidumping- en antisubsidieonderzoeken bepaalde grenzen kent, omdat er bij
onderzoeken inzake compenserende maatregelen – in tegenstelling tot
antidumpingonderzoeken – geen algemene regel is dat iedere exporteur een
individueel recht krijgt en zogeheten "geaggregeerde" gevallen uitdrukkelijk
toegestaan zijn. Bovendien is de overheid bij antisubsidieprocedures – in
tegenstelling tot antidumpingprocedures – een verplichte deelnemer en
respondent en valt de overheid derhalve impliciet binnen de reikwijdte van
iedere "steekproef" in het kader van de vaststelling van
compenserende maatregelen. Met andere woorden, het optreden van de overheid als
verstrekker van de vermeende subsidiëring valt altijd binnen de reikwijdte van
het onderzoek inzake compenserende maatregelen, ongeacht het gebruik van een steekproef
van producenten-exporteurs. (441) Wat betreft de opmerking van de
GOC dat de oplossing bestaat in "het opnemen van meer ondernemingen in de
steekproef", merkt de Commissie op dat zij dat in dit geval ook heeft
gedaan. Naar aanleiding van de intrekking van medewerking door een van de
exporteurs die aanvankelijk medewerking had toegezegd, besloot de Commissie om
een andere exporteur in de steekproef op te nemen. Echter, kort nadat deze
onderneming van haar selectie voor de steekproef op de hoogte was gesteld, liet
de onderneming de Commissie weten niet langer aan het onderzoek te willen
meewerken. De Commissie was daardoor gedwongen om de steekproef te beperken tot
de twee resterende exporteurs die oorspronkelijk waren geselecteerd en die hun
medewerking niet hadden ingetrokken, ter vermijding van verdere vertraging die
de voorspoedige afronding van het onderzoek binnen de wettelijk voorgeschreven
termijnen in gevaar zou brengen. De Commissie merkt op dat het feit dat het
mislukken van deze poging uitsluitend door het gedrag van de exporteurs werd
veroorzaakt bij uitstek aantoont dat deze bewering van de GOC niet relevant is,
omdat de GOC niet ingaat op het probleem van het gebrek aan ondernemingen die
zich voor de steekproef aanmelden of van ondernemingen die zich terugtrekken
als ze voor de steekproef geselecteerd worden. (442) Wat betreft de toepassing van
beschikbare gegevens stelde de GOC zich op het standpunt, verwijzend naar
artikel 12.7 van de OSCM en geciteerde WTO-jurisprudentie, dat gegevens in
het dossier slechts kunnen worden gebruikt om ontbrekende informatie te
vervangen en dat niet-medewerking geen bevindingen zonder feitelijke
onderbouwingen rechtvaardigt. De Commissie begrijpt de logica van dit argument
niet, omdat zij voor haar bevinding gebruik heeft gemaakt van de gegevens in
het dossier, zoals toegestaan is krachtens de bepalingen in de WTO-overeenkomst
en basisverordening en in volledige overeenstemming met de relevante
WTO-jurisprudentie. Zoals ook de GOC heeft erkend, vormen de bevindingen in de
procedure inzake gestreken fijn papier en in de diverse besluiten van het
Amerikaanse ministerie van Handel de beste gegevens die voor de Commissie
beschikbaar zijn en worden ze nu juist gebruikt om de informatie die ontbreekt
door de niet-medewerking van de GOC te vervangen.
De GOC betwistte daarnaast het gebruik van deze gegevens, omdat ze geen huidige
subsidiëring zouden weerspiegelen en er ook geen specifiek verband was met het
betrokken product. De Commissie wijst er in dit verband op dat de meeste van
deze subsidieprogramma's niet-terugkerende subsidies betroffen (bijv.
schenkingen, belastingvoordelen verbonden aan investering in activa) die
normaal over meerdere jaren verspreid worden afgeschreven, wat betekent dat de
voordelen ervan in de toekomst kunnen voortbestaan en in dit geval zelfs tot in
het OT. Voor zover het om terugkerende subsidies ging, is er geen
bewijsmateriaal dat erop wijst dat deze programma's gewijzigd zijn sinds het
onderzoek in kwestie. Wat betreft het verband tussen deze programma's en het
betrokken product, herinnert de Commissie eraan dat al deze programma's
betrekking hebben op de gehele staalsector (ze zijn niet productspecifiek) of
van toepassing zijn in de regio waar de OBS-producenten hun fabrieken hebben gevestigd.
Bij afwezigheid van materiaal in het dossier dat het tegendeel bewijst, heeft
de Commissie besloten dat het redelijk is om te concluderen dat de voordelen
van deze programma's nog steeds de beste benaderingswaarden vormen voor de
huidige subsidiëring voor producenten van het betrokken product. Benadrukt
wordt dat de GOC meer dan voldoende gelegenheid had om voor al deze programma's
bewijzen van het tegendeel te verstrekken, maar zij besloot welbewust om dit
niet te doen en bijgevolg moest de Commissie zich tevreden stellen met de
beschikbare gegevens, zoals voorgeschreven door de basisverordening en de OSCM
van de WTO. 3.4.1.7. Programma's met betrekking tot
aandelenkapitaal (443) De GOC stelde dat het onderzoek
betreffende al deze programma's (niet uitgekeerde dividenden,
schuld-voor-aandelenswaps en kapitaalinjecties) niet is ingeleid overeenkomstig
de vereisten in de artikelen 11.2 en 11.3 van de OSCM.
Dit argument kon niet worden aanvaard. Zoals is uiteengezet in de paragraaf
betreffende de opmerkingen van de GOC over de inleiding (bovenstaande
overwegingen 399 tot en met 406), hebben de diensten van de Commissie het door
de klager ingediende bewijsmateriaal geanalyseerd, dat aanmerkelijk was, zoals
duidelijk blijkt uit de versie die toegankelijk is voor de partijen die bij de
klacht belang hebben. De diensten van de Commissie hebben de opening van een
onderzoek inzake specifieke regelingen niet eerder voorgesteld dan na
uitvoering van een analyse van de juistheid en toereikendheid van het bewijsmateriaal
dat zij als voorlopig bewijsmateriaal voldoende achtten. (444) Naar het oordeel van de GOC
zijn de programma's met betrekking tot aandelenkapitaal unieke ad-hocsubsidies,
voor zover ze bestaan, in de zin dat ze alleen van toepassing zijn op één
bepaalde ontvanger en niet berusten op bepaalde wetgeving en aangezien "de
Commissie weet dat de ondernemingen die aan het residuele recht worden
onderworpen deze subsidies niet alleen niet hebben ontvangen, maar ze ook niet
hadden kunnen ontvangen gezien hun ad-hockarakter", zouden ze geen
aanleiding moeten geven tot compenserende maatregelen. Daarnaast stelde de GOC
dat, voor zover bevindingen berusten op beschikbare gegevens, ze gebaseerd
moeten zijn op feitelijke gegevens. Om deze reden is het instellen van
compenserende maatregelen tegen ad-hocsubsidies voor andere ondernemingen dan
de ondernemingen die ze ontvangen zouden hebben, een inbreuk op
artikel 12.7 van de OSCM.
Opgemerkt zij dat de GOC geen enkel antwoord verstrekte over deze regelingen in
de vragenlijst of in de aanmaning tot het verstrekken van ontbrekende gegevens.
Derhalve stemt de bewering van de GOC dat "de Commissie weet dat de
ondernemingen die aan het residuele recht worden onderworpen deze subsidies
niet alleen niet hebben ontvangen, maar ze ook niet hadden kunnen ontvangen
gezien hun ad-hockarakter" niet overeen met de werkelijkheid. Integendeel,
de klacht bevatte een lijst van meerdere ondernemingen die van deze regelingen
met betrekking tot aandelenkapitaal gebruik hebben gemaakt en de klager beweert
niet dat deze lijst uitputtend is. Aangezien de GOC geen informatie heeft
verstrekt over de aard of subsidiabiliteitscriteria van deze regelingen heeft
de Commissie geen andere keuze dan de beschikbare gegevens te gebruiken. 3.4.2. Opmerkingen van Zhejiang
Huadong 3.4.2.1. Verstrekking van
grondgebruiksrechten voor een ontoereikende prijs (445) Zhejiang Huadong stelde de
Commissie alle relevante wetgeving met betrekking tot de werking en
waardebepaling van de verkoop van grondgebruiksrechten in de VRC te hebben
verstrekt en verwees naar de bepalingen inzake de verlening van
grondgebruiksrechten voor bouwland in staatseigendom door uitnodigingen tot het
doen van een bod, veiling en prijsopgave om aan te tonen dat er in de VRC
een goed functionerende onroerendgoedmarkt bestaat, met inbegrip van de
openbare bekendmaking van prijsopgaven en betaalde prijzen. Deze onderneming
voerde verder aan dat de onroerendgoedmarkt die op dit moment in de VRC bestaat
alsmede de alomvattende officiële statistieken die beschikbaar zijn voor de
prijzen van grondgebruiksrechten de beste basis vormen voor het beoordelen van
de prijs van de grondgebruiksrechten op het moment waarop deze
producent-exporteur ze kocht.
Dit argument moest worden afgewezen. De Commissie licht de bevindingen met
betrekking tot de grondrechten van Zhejiang Huadong toe in bovenstaande
overweging (115). Deze bevindingen werden niet in vraag gesteld in de
opmerkingen over de definitieve mededeling. Het onderhavige bewijs toont aan
dat de markt voor grondgebruiksrechten in de VRC verstoord is, aangezien de ter
plaatse door de Commissie onderzochte inschrijvingen niet concurrerend waren en
de prijzen op willekeurige wijze door de autoriteiten werden vastgesteld. De
feitelijke grondslag voor de vaststelling dat de prijzen op willekeurige wijze
worden vastgesteld, wordt uiteengezet in bovenstaande overwegingen 114 tot en
met 116, namelijk informatie over feitelijke transacties die is ingediend door
de producenten-exporteurs in de steekproef, het evaluatiesysteem voor
stedelijke grond en besluit nr. 35 van de NDRC. (446) Zhejiang Huadong voerde aan dat
passende benchmarkprijzen verband moeten houden met of moeten verwijzen naar de
marktvoorwaarden in het land van levering in de eerste plaats of dat, bij
afwezigheid van dergelijke voorwaarden, iedere buitenlandse benchmark
gecorrigeerd moet worden om het instellen van compenserende maatregelen tegen
vergelijkende voordelen te vermijden. De onderneming stelde verder dat
paragraaf 15, onder b), van het toetredingsprotocol van China tot de WTO
voorschrijft dat, wanneer de marktvoorwaarden in de VRC niet beschikbaar zijn
als geschikte benchmarks, het invoerende WTO-lid dergelijke voorwaarden,
indien praktisch uitvoerbaar, moet aanpassen alvorens het gebruik van
voorwaarden buiten de VRC te overwegen. Hoewel de Commissie het in grote mate
eens is met de juridische theorie achter dit argument, kwam zij ook tot de
conclusie dat er in de VRC geen functionerende grondmarkt bestaat en om deze
reden werd een externe benchmark voor grondprijzen gebruikt. De noodzaak van
een buitenlandse benchmark is uitgelegd en gerechtvaardigd in bovenstaande
overwegingen 109, 118 en 120-121. Aangezien vastgesteld werd dat de markt voor
grondgebruiksrechten in de VRC verstoord is, was het niet mogelijk om een
binnenlandse benchmark te gebruiken, zoals Zhejiang Huadong voorstelt, en er
was geen grondslag op basis waarvan een dergelijke benchmark zou kunnen worden
aangepast. Daarnaast is het op grond van de informatie die is ingediend over de
benchmark die Zhejiang Huadong voorstelt (Xiaoshan van de provincie Zhejiang)
niet duidelijk en niet te controleren of de voorgestelde prijsinformatie
beperkt is tot de prijzen van grondgebruiksrechten voor beweerdelijk
"niet-begunstigde" bedrijfstakken. (447) Zhejiang Huadong stelde dat de
keuze van Taiwan als benchmark niet redelijk en objectief is om de volgende
redenen: 1) de provincie Zhejiang was ten tijde van de aankoop van de
grondgebruiksrechten niet een met Taiwan te vergelijken, ontwikkelde regio met
een hoog BBP; 2) de selectie door de Commissie van de feitelijke grondprijzen
in Taiwan was gebaseerd op vraagprijzen van aangeboden industriegrond en niet
op de feitelijke prijzen van erfpacht voor industriegrond, die vergelijkbaar zijn
met de aan Zhejiang Huadong toegekende grondgebruiksrechten.
Dit argument moest worden afgewezen. Met betrekking tot 1) heeft de Commissie,
zoals is uiteengezet in bovenstaande overweging 436 in detail de diverse
indicatoren onderzocht en Taiwan vergeleken met zowel de gehele VRC als de
individuele Chinese provincies in kwestie. Na deze analysen acht de Commissie
Taiwan een geschikte benchmark die overeenstemt met de basisverordening en de
WTO-regels. Met betrekking tot 2) zij opgemerkt dat de Commissie gebruik heeft
gemaakt van de beste gegevens die haar redelijkerwijs bekend waren. (448) Zhejiang Huadong wees op een
rekenkundige fout in de berekening van het inflatiepercentage dat is gebruikt
in de correctie van de benchmark voor inflatie. De Commissie heeft dit argument
in aanmerking genomen en de berekening in kwestie gecorrigeerd. (449) Zhejiang Huadong voerde aan dat
er wat betreft de aankoop van grondgebruiksrechten door deze onderneming geen
sprake is van specificiteit, aangezien alle ondernemingen in de VRC op grond
van de wetgeving dezelfde behandeling krijgen. Zhejiang Huadong voerde
daarnaast aan dat de Commissie de kwestie van specificiteit niet op passende
wijze heeft behandeld en dat de definitieve mededeling geen redenen bevatte
voor de vaststelling dat de door Zhejiang Huadong betaalde prijs in een
voordeel resulteerde.
Dit argument moest worden afgewezen. De grondslag voor de bevindingen van de
Commissie ten aanzien van specificiteit is het feit dat alle ondernemingen die
zich niet houden aan het door de overheid vastgestelde industriebeleid
uitgesloten worden van de verstrekking van grondgebruiksrechten, dat de prijzen
vaak op willekeurige wijze door de autoriteiten worden vastgesteld en dat de
overheidspraktijken onduidelijk en ondoorzichtig zijn. De Commissie is tot de
bevinding gekomen dat de verstrekking van grondgebruiksrechten beperkt is tot
ondernemingen die zich houden aan het industriebeleid zoals vastgesteld door de
GOC in besluit nr. 35 van de NDRC (bovenstaande overweging 116). 3.4.2.2. Verstrekking van KGS voor een
ontoereikende prijs (450) Zhejiang Huadong voerde aan dat
de Commissie, met het oog op de redelijkheid en objectiviteit en om redenen van
consistentie, voor het vaststellen van de benchmark door berekening de staalprijsgegevens
had moeten verzamelen uit dezelfde gegevensbron (d.w.z. Steel Business Bulletin
(SBB)) voor alle regio's in de benchmarkpool. De onderneming voerde daarnaast
aan dat SBB meerdere verschillende markten voor KGS-prijzen noemt die anders
zijn dan die door de Commissie zijn geselecteerd en stelt voor om Mexico en
Argentinië toe te voegen, omdat deze landen de opkomende staalmarkt op het
Amerikaanse continent vertegenwoordigen. Dit argument moest worden afgewezen
omdat de Commissie bij de vaststelling van de benchmark door berekening
prijsgegevens heeft gebruikt die de feitelijke marktsituatie in ieder land of
iedere regio zo nauwkeurig mogelijk weerspiegelen. Wat betreft de prijzen van
Europese landen (in meerderheid EU-lidstaten) was de Commissie van oordeel dat
het staalvakblad MEPS meer gedetailleerde prijsgegevens bevatte. Als de
Commissie had beschikt over MEPS-gegevens voor de andere geselecteerde landen,
zou zij deze hebben gebruikt. Met betrekking tot het opnemen van de prijzen in
Mexico en Argentinië zij opgemerkt dat dit relatief kleine markten zijn in
vergelijking met de VRC en ook in vergelijking met de andere landen/regio's in
de benchmarkpool die door de Commissie is gebruikt.
De Commissie heeft haar berekening van de subsidiemarge voor deze regeling
herzien na een correctie in de door berekening vastgestelde benchmarkprijzen
voor WGS en KGS. De correctie had betrekking op de staalprijzen voor Brazilië
die zijn gebruikt in de vaststelling van de benchmark door berekening, waarbij
ten onrechte belastingen waren opgenomen in de aan de partijen bekendgemaakte
berekeningen. (451) Zhejiang Huadong voerde ook aan
dat de conclusie van de Commissie ten aanzien van specificiteit niet onderbouwd
is (geen positief bewijsmateriaal) en ongegrond, om welke reden de vermeende
subsidie door de verstrekking van KGS voor een ontoereikende prijs niet moet
worden aangemerkt als aanleiding gevend tot compenserende maatregelen. Zhejiang
Huadong stelde dat het voordeel, voor zover het bestaat, van de verstrekking
van WGS en KGS voor een ontoereikende prijs niet beperkt is tot bepaalde
ondernemingen of sectoren, maar universeel toegekend wordt aan alle potentiële
kopers en consumenten uit alle economische sectoren.
Dit argument moest worden afgewezen. De GOC maakte dezelfde opmerking en de
Commissie behandelt deze in bovenstaande overweging (415). De
"potentiële" kopers zijn per definitie beperkt tot bepaalde
ondernemingen. 3.4.3. Opmerkingen van de klager 3.4.3.1. Verstrekking van water en
elektriciteit voor een ontoereikende prijs (452) De klager voerde aan dat de
Commissie, vanwege de verstoringen en invloed van de overheid op de Chinese
markten voor water en elektriciteit, gebruik had moeten maken van
internationale benchmarks en de door deze regelingen toegekende voordelen had
moeten berekenen overeenkomstig artikel 6, onder d), ii), van de
basisverordening.
Dit argument moest worden afgewezen. In dit specifieke geval was de Commissie
niet in staat om op grond van het bewijsmateriaal in het dossier vast te stellen
dat de markten voor water en elektriciteit zodanig verstoord waren dat het
gebruik van een buitenlandse benchmark gerechtvaardigd zou zijn. 3.4.3.2. Bepaalde belastingprogramma's
met betrekking tot met buitenlands kapitaal gefinancierde ondernemingen (FIE's
-Foreign Invested Enterprises) (453) De klager voerde aan dat de
Commissie het subsidiebedrag van twee belastingprogramma's met betrekking tot
FIE's had moeten kwantificeren, namelijk de vennootschapsbelastingteruggave
voor de aankoop van binnenlands geproduceerde apparatuur en de "two
free/three half"-belastingvrijstelling voor de producerende FIE's, gezien
het gebrek aan medewerking van de GOC en het feit dat de GOC bewijsmateriaal
had moeten verstrekken waaruit blijkt dat in het OT geen voordelen dankzij deze
programma's zijn toegekend aan OBS-producenten.
Dit argument moest worden afgewezen. Zoals in bovenstaande overweging 282 is
uitgelegd, heeft de Commissie besloten tegen deze programma's geen
compenserende maatregelen in te stellen, teneinde de administratieve lasten
voor alle belanghebbende partijen te verminderen en met inachtneming van de
specifieke situatie in verband met de aanstaande beëindiging van deze
regelingen. 3.5. Hoogte van de tot
compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies (454) De ad-valorembedragen van de
overeenkomstig de basisverordening tot compenserende maatregelen aanleiding
gevende subsidies zijn in de onderstaande tabel opgenomen: Producent-exporteur || DEFINITIEVE SUBSIDIEMARGE HUADONG GROUP || 23,8 % PANHUA GROUP || 29,7 % UNION STEEL CHINA || 26,8 % NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEDEWERKENDE ONDERNEMINGEN || 26,8 % ALLE OVERIGE ONDERNEMINGEN || 44,7 % (455) Overeenkomstig artikel 15,
lid 3, van de basisverordening wordt de totale subsidiemarge voor de
medewerkende ondernemingen die niet in de steekproef werden opgenomen berekend
op basis van de totale gewogen gemiddelde subsidiemarge die is vastgesteld voor
de in de steekproef opgenomen ondernemingen, d.w.z. 26,8 %. (456) Met betrekking tot alle overige
exporteurs in de Volksrepubliek China heeft de Commissie eerst de mate van
medewerking bepaald. De vergelijking tussen invoergegevens van Eurostat en de
door de medewerkende ondernemingen gerapporteerde gegevens betreffende het
uitvoervolume naar de Unie voor het betrokken product voor het onderzoektijdvak
laat zien dat de mate van medewerking van de producenten-exporteurs in de
Volksrepubliek China gering was, namelijk 58 %. Gezien deze geringe mate
van medewerking wordt het totale subsidiepercentage voor alle niet-medewerkende
ondernemingen vastgesteld op het niveau van het totaal van de
subsidiepercentages die zijn vastgesteld voor alle niet-medewerkende
ondernemingen voor alle onderzochte regelingen, d.w.z. 44,7 %. 4. SCHADE 4.1. Productie in de Unie en
bedrijfstak van de Unie (457) Alle
beschikbare gegevens met betrekking tot producenten in de Unie, met inbegrip
van informatie in de klacht, gegevens van producenten in de Unie die werden
verzameld voor en nadat het onderzoek werd ingesteld alsmede de gecontroleerde antwoorden
op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie,
werden gebruikt om de totale productie van de Unie te bepalen voor de
beoordelingsperiode. (458) In het OT werd door 22
producenten in de Unie OBS geproduceerd. Op grond van de gegevens waarnaar in
de vorige overweging wordt verwezen, werd de totale productie van de Unie
gedurende het OT geschat op ongeveer 4 018 310 ton . De producenten
in de Unie die de totale EU-productie vertegenwoordigen, vormen de bedrijfstak
van de Unie in de zin van artikel 9, lid 1, van de basisverordening
en worden hierna de "bedrijfstak van de Unie" genoemd. 4.2. Bepaling
van de relevante markt van de Unie (459) Tijdens het onderzoek werd
vastgesteld dat een aanzienlijk deel van de productie van de in de steekproef
opgenomen producenten in de Unie bestemd was voor intern gebruik, dat wil
zeggen de producten werden vaak eenvoudigweg overgedragen (zonder factuur)
en/of geleverd voor interne verrekenprijzen binnen dezelfde onderneming of
groep ondernemingen voor verdere downstreamverwerking. (460) Om vast te stellen of de
bedrijfstak van de Unie al dan niet schade had geleden en om het verbruik en de
diverse aan de situatie van de bedrijfstak van de Unie verbonden economische
indicatoren te bepalen, werd onderzocht of en in welke mate in de analyse
rekening moest worden gehouden met het daaropvolgende verbruik van de productie
van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie. (461) Om een zo volledig mogelijk
beeld van de bedrijfstak van de Unie te verkrijgen, zijn gegevens verzameld en
geanalyseerd voor de totale OBS-activiteit en werd vervolgens bepaald of de
productie bestemd was voor intern gebruik of voor de vrije markt. (462) Wat betreft het verkoopvolume
en de verkoopprijzen op de markt van de Unie alsmede het marktaandeel werd
vastgesteld dat een zinvolle analyse en evaluatie van deze indicatoren gericht
zou moeten zijn op de heersende situatie op de vrije markt. (463) Echter, de andere economische
indicatoren konden alleen op een zinvolle manier worden onderzocht door de
gehele activiteit, dus met inbegrip van intern gebruik en interne verkopen, in
aanmerking te nemen. Productie, capaciteit, bezettingsgraad, investeringen,
voorraden, werkgelegenheid, productiviteit, lonen en het vermogen om kapitaal
aan te trekken zijn afhankelijk van de gehele activiteit, ongeacht of de
productie voor intern gebruik is of op de vrije markt wordt verkocht. 4.3. Verbruik in de Unie (464) Het soortgelijke product wordt
door de bedrijfstak van de Unie verkocht aan niet-verbonden afnemers alsmede
verkocht/overgedragen aan verbonden ondernemingen voor verdere
downstreamverwerking, bijvoorbeeld in staalservicebedrijven. (465) Om het verbruik van OBS in de
Unie te berekenen, hebben de instellingen het volume van de totale invoer van
OBS in de Unie volgens de gegevens van Eurostat opgeteld bij het volume van de
verkopen en van het interne gebruik van het door de bedrijfstak van de Unie
geproduceerde soortgelijke product in de Unie, zoals gerapporteerd in de klacht
en zoals gecontroleerd tijdens de controlebezoeken voor de in de steekproef
opgenomen producenten in de Unie. (466) De invoergegevens van Eurostat
zijn echter gebaseerd op volledige GN-codes en het is duidelijk dat voor een
deel van deze GN-codes het ingevoerde product niet het betrokken product is. (467) Dit resulteert in de volgende
ontwikkeling van het totale verbruik in de Unie: || 2008 || 2009 || 2010 || OT Verbruik (in ton) || 5 197 716 || 3 879 380 || 4 548 528 || 4 811 310 Index (2008=100) || 100 || 75 || 88 || 93 (468) Over de gehele
beoordelingsperiode is het totale verbruik in de Unie met 7 % gedaald.
Tussen 2008 en 2009 was er een afname van ongeveer 25 %, voornamelijk als
gevolg van de wereldwijde negatieve gevolgen van de economische crisis, in het
bijzonder in de bouwsector. Daarna begon het verbruik zich te herstellen en was
er een toename van in totaal 24 % vanaf 2009 tot het eind van het OT, maar
nog steeds onder het oorspronkelijke niveau van 2008. 4.4. Invoer vanuit het betrokken
land en marktaandeel (469) De invoer
in de Unie vanuit de VRC ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode als
volgt: || 2008 || 2009 || 2010 || OT Volume van de invoer vanuit de VRC (ton) || 472 988 || 150 497 || 464 582 || 702 452 Index (2008=100) || 100 || 32 || 98 || 149 Marktaandeel || 9,1 % || 3,9 % || 10,2 % || 14,6 % Index (2008=100) || 100 || 43 || 112 || 160 Bron: Eurostat. (470) Ondanks de daling van het
verbruik nam het volume van de invoer vanuit de VRC tijdens de
beoordelingsperiode aanzienlijk toe met 49 %. Vanwege de negatieve
gevolgen van de economische crisis was er in 2009 een scherpe daling van het
volume van de invoer uit de VRC. Echter, de invoer vanuit de VRC begon zich
razendsnel te herstellen, zodat de stijging vanaf 2009 tot aan het eind van het
OT niet minder dan 367 % bedroeg. (471) Dienovereenkomstig nam het marktaandeel
van deze invoer toe met 60 % tijdens de beoordelingsperiode. Hoewel het
marktaandeel van 2008 tot 2009 meer dan halveerde, vertoonde het een
indrukkende opwaartse trend vanaf 2009 tot aan het eind van het OT en steeg het
met 275 %. 4.4.1. Prijzen van de invoer en
prijsonderbieding Invoer vanuit de VRC || 2008 || 2009 || 2010 || OT Gemiddelde prijs in EUR/ton || 875 || 728 || 768 || 801 Index (2008=100) || 100 || 83 || 88 || 91 Bron: Eurostat. (472) De gemiddelde prijs van de
invoer vanuit de VRC daalde tijdens de beoordelingsperiode met 9 %. Tussen
2008 en 2009 nam de prijs aanzienlijk af met 17 %, maar vervolgens steeg
de prijs met vijf procentpunten tussen 2009 en 2010 en met nog eens drie
procentpunten in het OT. (473) De prijzen van de invoer vanuit
de VRC bleven doorlopend lager dan de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de
Unie tijdens de gehele beoordelingsperiode. Hoewel zelfs de prijsdaling van
17 % in 2009, op het hoogtepunt van de economische crisis, er niet voor
kon zorgen dat het marktaandeel van de Chinese invoer behouden bleef in een
situatie van plotseling krimpend verbruik en een ingrijpende vertraging van de
markt, verklaart de voortdurende onderbieding in de daaropvolgende jaren de
gestage, indrukwekkende stijging van het marktaandeel van de invoer uit de VRC
tussen 2009 en het eind van het OT, zoals in bovenstaande tabel wordt
onderstreept. (474) Voor de bepaling van de
prijsonderbieding werden de gewogen gemiddelde verkoopprijzen die de in de
steekproef opgenomen producenten in de Unie in rekening brengen aan
niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, af fabriek, per productsoort,
vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde prijzen van de invoer van
de medewerkende Chinese producenten voor de eerste onafhankelijke afnemer op de
markt van de Unie, op cif-niveau, gecorrigeerd voor kosten na invoer. (475) De in bovenstaande overweging
genoemde kosten na invoer werden berekend op basis van gecontroleerde gegevens
van twee niet-verbonden importeurs van het betrokken product. (476) De prijzen werden per
productsoort vergeleken na aftrek van rabatten en verminderingen, voor
transacties op hetzelfde handelsniveau en ze zijn, indien nodig, gecorrigeerd.
Het resultaat van deze vergelijking, uitgedrukt als een percentage van de omzet
van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie in het OT, bestond uit
gewogen gemiddelde onderbiedingsmarges van de medewerkende Chinese
producenten-exporteurs van maximaal 20,2 %. (477) Na de mededeling vroeg één
producent-exporteur om nadere informatie over de berekening van de
prijsonderbieding in gevallen waarin de productsoort die uit de VRC werd
uitgevoerd niet overeenkwam met de productsoort die door de bedrijfstak van de
Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Deze onderneming vroeg tevens om
informatie over de vraag of een correctie was doorgevoerd voor fysieke
verschillen in gevallen waarin de productsoorten niet precies overeenkwamen. (478) In gevallen waarin de
uitgevoerde productsoort niet overeenkwam met de door de bedrijfstak van de
Unie verkochte productsoort heeft de Commissie de uitgevoerde productsoort
vergeleken met de door de bedrijfstak van de Unie verkochte productsoort die
daar het meeste op leek. In deze gevallen werd een vergelijking gemaakt met de
meest gelijkende productsoort, waarbij het enige verschil de dikte van de
ondergrond was. (479) In gevallen waarin er meer dan een nauw gelijkende productsoort
was, heeft de Commissie de uitgevoerde productsoort vergeleken met de
goedkoopste productsoort die door de bedrijfstak van de Unie werd verkocht,
ongeacht of deze productsoort een dikkere of dunnere ondergrond had. Bijgevolg
werd een correctie voor fysieke verschillen niet nodig geacht. 5. ECONOMISCHE SITUATIE VAN DE
BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE 5.1. Voorafgaande opmerkingen (480) Overeenkomstig artikel 8,
lid 4, van de basisverordening hebben de instellingen alle relevante
economische factoren onderzocht die van invloed zijn op de situatie van de
bedrijfstak van de Unie. (481) De door de klager verstrekte
gegevens met betrekking tot alle producenten van OBS in de Unie, die
gecontroleerd zijn aan de hand van andere beschikbare bronnen en gecontroleerde
gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, zijn
gebruikt om macro-economische indicatoren vast te stellen, zoals de productie
van de bedrijfstak van de Unie, de productiecapaciteit, de bezettingsgraad, het
verkoopvolume, het marktaandeel, de groei, de interne verkoop, de
werkgelegenheid en de productiviteit. (482) De verstrekte en gecontroleerde
gegevens van de zes in de steekproef opgenomen producenten in de Unie werden
gebruikt om macro-economische indicatoren vast te stellen zoals de verkoopprijs
per eenheid, de productiekosten per eenheid, de winstgevendheid, de kasstroom,
investeringen, het rendement van investeringen, het vermogen om kapitaal aan te
trekken, voorraden en arbeidskosten. 5.2. Gegevens betreffende de gehele
bedrijfstak van de Unie 5.2.1. Productie, productiecapaciteit
en bezettingsgraad (483) Alle beschikbare gegevens met
betrekking tot de bedrijfstak van de Unie, met inbegrip van informatie in de
klacht, gegevens van producenten in de Unie die werden verzameld voor en nadat
het onderzoek werd ingesteld alsmede de gecontroleerde antwoorden op de
vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, werden
gebruikt om de totale productie van de Unie te bepalen voor de
beoordelingsperiode. || 2008 || 2009 || 2010 || OT Productievolume (ton) || 4 447 780 || 3 514 965 || 3 992 209 || 4 018 310 Index (2008=100) || 100 || 79 || 90 || 90 Productiecapaciteit (ton) || 6 007 536 || 6 128 301 || 6 099 587 || 5 923 311 Index (2008=100) || 100 || 102 || 102 || 99 Bezettingsgraad || 74 % || 57 % || 65 % || 68 % Index (2008=100) || 100 || 77 || 88 || 92 Bron: klacht,
antwoorden op de vragenlijst (484) Uit bovenstaande tabel blijkt
dat de productie tijdens de beoordelingsperiode afnam met 10 %.
Overeenkomstig een daling in de vraag was er een scherpe daling van de
productie in 2009, waarna er een gedeeltelijk herstel volgde in 2010. Hoewel
het verbruik in het OT toenam, bleef het productievolume min of meer op
hetzelfde niveau als in 2010. (485) De productiecapaciteit bleef
tijdens de beoordelingsperiode stabiel. De bezettingsgraad volgde de trend van
de productie en daalde met 8 % tijdens de beoordelingsperiode. 5.2.2. Verkoopvolume, marktaandeel en
groei || 2008 || 2009 || 2010 || OT Verkoopvolume (ton) || 2 951 468 || 2 280 304 || 2 643 923 || 2 592 540 Index (2008=100) || 100 || 77 || 90 || 88 Marktaandeel (ton) || 56,8 % || 58,8 % || 58,1 % || 53,9 % Index (2008=100) || 100 || 104 || 102 || 95 Bron: klacht,
antwoorden op de vragenlijst (486) In 2009 steeg het volume van de
verkopen van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers scherp met
23 %. In 2010 nam het verkoopvolume met dertien procentpunten toe, waarna
het echter met twee procentpunten daalde in het OT. (487) Het marktaandeel van de
bedrijfstak van de Unie nam met 2,9 procentpunten af tijdens de
beoordelingsperiode. Na een initiële stijging van het marktaandeel van de
bedrijfstak van de Unie in 2009 daalde het in 2010 en in het OT tot op een
uiteindelijk niveau waarop het marktaandeel in het OT vijf procentpunten lager
was dan in 2009. Dit gebeurde tegen de achtergrond van een stijging van het
verbruik met meer dan 24 % vanaf 2009 tot het eind van het OT. De
bedrijfstak van de Unie was derhalve niet in staat om te profiteren van het
groeiende verbruik en om de verkoopvolumes en een deel van het eerder verloren
marktaandeel terug te winnen. (488) Het verbruik in de Unie daalde
tijdens de beoordelingsperiode met 7 % en het volume van de verkopen van
de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden partijen nam af met 12 %,
waarbij het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie met 2,9 procentpunten
daalde van 56,8 % in 2008 tot 53,9 % in het OT. 5.2.3. Werkgelegenheid en
productiviteit || 2008 || 2009 || 2010 || OT Werkgelegenheid (in voltijdequivalent - VTE) || 7 088 || 6 470 || 6 097 || 6 046 Index (2008=100) || 100 || 91 || 86 || 85 Productiviteit (ton/VTE) || 627 || 543 || 655 || 665 Index (2008=100) || 100 || 87 || 104 || 106 Bron: klacht,
antwoorden op de vragenlijst, Eurofer (489) De werkgelegenheid in de
bedrijfstak van de Unie vertoonde een gestaag neerwaartse trend. Het totale
aantal werknemers, gemeten in voltijdequivalenten (VTE), in de bedrijfstak nam
tijdens de beoordelingsperiode af met 15 % en bereikte het laagste niveau
in het OT. De productiviteit steeg echter met 6 % tijdens de beoordelingsperiode,
wat aantoont dat de bedrijfstak bezig was met een poging om de productiekosten
te rationaliseren. 5.2.4. Intern gebruik en interne
verkopen || 2008 || 2009 || 2010 || OT Intern gebruik en interne verkopen (ton) || 1 135 987 || 914 412 || 986 386 || 970 757 Index (2008=100) || 100 || 80 || 87 || 85 Marktaandeel || 22 % || 24 % || 22 % || 20 % Index (2008=100) || 100 || 108 || 99 || 92 Bron: klacht en
gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen
producenten (490) Zoals in overweging 459 is
uiteengezet, is er een omvangrijke markt voor OBS in de Unie die gevormd wordt
door het downstreamgebruik van OBS door de bedrijfstak van de Unie. (491) Er is vastgesteld dat het
interne gebruik en de interne verkopen bedoeld waren voor verdere verwerking
door de ondernemingen zelf of door hun verbonden ondernemingen, die
hoofdzakelijk actief waren in de bouwmaterialensector, d.w.z. ze waren
eindgebruikers van OBS. (492) Op grond van het bovenstaande
werd vastgesteld dat het interne gebruik en de interne verkopen van de
bedrijfstak van de Unie een aandeel van 24 % vertegenwoordigden van het
totale productievolume in het OT. Tijdens de beoordelingsperiode namen het
interne gebruik en de daaraan verbonden verkoopvolumes af met 15 % en
daalde hun marktaandeel met 8 %. (493) In het
onderzoek werd geen wezenlijk verschil geconstateerd tussen het interne gebruik
en de interne verkopen in termen van het eindgebruik van het product. Intern
gebruik werd gerapporteerd door ondernemingen waar de downstreamproductie
plaatsvond binnen dezelfde juridische entiteit. Interne verkopen, echter, waren
de verkopen aan andere verbonden juridische entiteiten met een factuur.
Daarnaast was de prijsstellingsmethode bij zowel intern gebruik als verkopen
aan verbonden partijen vergelijkbaar, d.w.z. een eerlijke waarde ("cost
plus-methode") voor het product werd in rekening gebracht aan zowel de
verbonden ondernemingen als downstreamproductie-eenheden van de in de
steekproef opgenomen ondernemingen. (494) De gemiddelde waarde per ton
bleef stabiel tijdens de beoordelingsperiode en was 3 % lager dan de prijs
van de in de steekproef opgenomen producenten voor verkopen aan niet-verbonden
afnemers in het OT. Dit prijsverschil werd niet significant geacht en de trend
in de prijs van interne verkopen volgt de trend in de prijs voor niet-verbonden
afnemers. || 2008 || 2009 || 2010 || OT Intern gebruik en interne verkopen (EUR/ton) || 962 || 802 || 901 || 965 Index (2008=100) || 100 || 83 || 94 || 100 Bron: gecontroleerde
antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten (495) Aangezien het grootste deel van
het interne gebruik en de interne verkopen bestemd was voor de
downstreamactiviteiten, d.w.z. de productie van bouwmateriaal, van de
producenten in de Unie, werden ook deze interne verkopen en het interne gebruik
onrechtstreeks blootgesteld aan concurrentie van andere marktdeelnemers, met
inbegrip van de invoer met subsidiëring uit de VRC. De interne vraag van de
downstreamproductie was afhankelijk van de kans om downstreamproducten te
verkopen op de vrije markt die niet beïnvloed werd door invoer van OBS met
subsidiëring. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat de krimpende volumes en
het dalende marktaandeel tijdens de beoordelingsperiode te wijten waren aan
concurrentie van invoer met subsidiëring uit de VRC. 5.3. Gegevens betreffende de in de
steekproef opgenomen producenten in de Unie 5.3.1. Gemiddelde verkoopprijzen per
eenheid in de Unie en productiekosten || 2008 || 2009 || 2010 || OT Prijs per eenheid in de Unie voor niet-verbonden afnemers (EUR/ton) || 1 023 || 805 || 911 || 994 Index (2008=100) || 100 || 79 || 89 || 97 Productiekosten per eenheid (EUR/ton) || 925 || 884 || 893 || 978 Index (2008=100) || 100 || 95 || 97 || 106 Bron: gecontroleerde
antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten (496) De gemiddelde prijzen van de in
de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor verkopen aan niet-verbonden
afnemers in de Unie daalden met 3 % tijdens de beoordelingsperiode. De
grootste daling, met 21 %, vond in 2009 plaats overeenkomstig de afname in
het verbruik. In de periode van 2009 tot het eind van het OT herstelden de
prijzen zich met 23 %, overeenkomstig de stijgingen in het verbruik en de
verkoopvolumes, maar ze bereikten niet het niveau van 2008. (497) Parallel hieraan stegen de
gemiddelde kosten voor de productie en verkoop van het soortgelijke product met
6 % tijdens de beoordelingsperiode, wat een gevolg was van een stijging
van de grondstoffenkosten. (498) Na de daling met 21 % van
de eenheidsprijs voor niet-verbonden afnemers in 2009 begon de eenheidsprijs
weer te stijgen. De bedrijfstak van de Unie had in 2010 en tijdens het OT te
maken met een stijging van de kosten ten opzichte van 2009 en kon slechts een
bescheiden prijsverhoging doorvoeren om de kosten te dekken, net genoeg om de
winstgevendheid op hetzelfde lage niveau te houden in 2010 en het OT. Echter,
dit leidde tot een verder verlies van marktaandeel, aangezien de prijzen van de
Chinese invoer voortdurend de prijzen van de bedrijfstak van de Unie
onderboden. 5.3.2. Winstgevendheid,
kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal
aan te trekken || 2008 || 2009 || 2010 || OT Winstgevendheid van verkopen in de Unie aan niet-verbonden afnemers ( % van omzet) || 6,7 % || -9,3 % || 2,8 % || 2,6 % Index (2008=100) || 100 || -138 || 41 || 39 Kasstroom (EUR) || 328 190 880 || 211 298 356 || 152 030 083 || 204 650 414 Index (2008=100) || 100 || 64 || 46 || 62 Investeringen (EUR) || 55 717 957 || 4 537 128 || 12 530 132 || 15 302 264 Index (2008=100) || 100 || 8 || 22 || 27 Rendement van investeringen || 13,8 % || -13,9 % || 5,9 % || 6 % Index (2008=100) || 100 || -101 || 43 || 44 Bron: gecontroleerde
antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten (499) De winstgevendheid van de
bedrijfstak van de Unie werd bepaald door de nettowinst vóór belastingen van de
verkopen van het soortgelijke product uit te drukken als een percentage van de
omzet van deze verkopen. In 2009 daalde de winstgevendheid van de bedrijfstak
van de Unie zeer scherp, wat resulteerde in een verlies van 9,3 %. Vanaf
2010 begon de winstgevendheid zich te herstellen, maar door de stijgende
productiekosten kon niet het niveau worden bereikt dat gezond en houdbaar wordt
geacht voor de bedrijfstak (6,7 %). Over de gehele beoordelingsperiode nam
de winstgevendheid af met 61 %. (500) De kasstroom volgde in zekere
mate de negatieve trend in winstgevendheid. Het laagste niveau werd in 2010
bereikt en op vergelijkbare wijze daalde het rendement van investeringen met
56 % van 13,8 % in 2008 tot 6 % in het OT. (501) De evolutie van de
winstgevendheid, de kasstroom en het rendement van investeringen tijdens de
beoordelingsperiode beperkte het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om in
zijn activiteiten te investeren en ondermijnde de ontwikkeling van de
bedrijfstak. De bedrijfstak van de Unie slaagde erin om omvangrijke
investeringen te doen aan het begin van de beoordelingsperiode, maar daarna
namen de investeringen in 2009 sterk af en ze daalden met 73 % over de
gehele beoordelingsperiode. (502) Gezien de aard van de
bedrijfstak van de Unie, die in zekere mate bestaat uit grote, internationale,
geïntegreerde staalondernemingen, werd het vermogen van deze ondernemingen om
kapitaal aan te trekken niet negatief beïnvloed door de slechte financiële
prestaties van de OBS-sector. 5.3.3. Voorraden || 2008 || 2009 || 2010 || OT Eindvoorraden (ton) || 116 852 || 97 533 || 124 848 || 130 593 Index (2008=100) || 100 || 83 || 107 || 112 Bron: gecontroleerde
antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten (503) Voor de zes in de steekproef
opgenomen producenten in de Unie maakten de voorraden ongeveer 8 % van het
productievolume in het OT uit. Het niveau van de eindvoorraden steeg met
12 % tijdens de beoordelingsperiode. Hoewel opgemerkt zij dat voorraden
geen belangrijke indicator zijn voor de bedrijfstak omdat de productie
hoofdzakelijk op bestelling plaatsvindt, vond de belangrijkste stijging in voorraden
plaats van 2009 tot het eind van het OT en dit viel samen met de sterke
stijging van de invoer met subsidiëring uit de VRC. 5.3.4. Werkgelegenheid, lonen en
productiviteit Gemiddelde arbeidskosten per werknemer (EUR, in de steekproef opgenomen producenten in de Unie) || 60 959 || 57 892 || 58 637 || 62 347 Index (2008=100) || 100 || 95 || 96 || 102 (504) De gemiddelde arbeidskosten van
de in de steekproef opgenomen producten in de Unie stegen met slechts 2 %
tijdens de beoordelingsperiode, wat lager is dan het inflatiepercentage. Het
onderzoek toonde aan dat de in de steekproef opgenomen producenten aanzienlijke
besparingen doorvoerden, in het bijzonder in de algemene en administratiekosten
en derhalve hun efficiëntie probeerden te verbeteren. 5.3.5. Effecten van dumping of subsidiëring
in het verleden (505) Aangezien dit de eerste
antisubsidieprocedure is met betrekking tot het betrokken product, zijn er geen
gegevens beschikbaar die kunnen worden gebruikt om de effecten van eventuele
dumping of subsidiëring in het verleden te beoordelen. 5.4. Hoogte van de feitelijke
subsidiemarge (506) Alle marges die zijn
vastgesteld en in bovenstaand punt over subsidiëring zijn gespecificeerd,
overschrijden de de-minimisdrempel in aanzienlijke mate. De gevolgen van de
feitelijke subsidiemarge kunnen, gezien de omvang van de invoer met
subsidiëring en de prijzen van de ingevoerde producten uit de VRC, niet als te
verwaarlozen worden beschouwd. 5.5. Conclusie inzake schade (507) Uit het onderzoek blijkt dat
alle schade-indicatoren (behalve productiviteit) een negatieve trend vertoonden
of dat hun ontwikkeling niet gelijk liep met het verbruik tijdens de
beoordelingsperiode. (508) Tegen een achtergrond van
dalend verbruik nam de omvang van de invoer uit de VRC tijdens de
beoordelingsperiode aanzienlijk toe. Tegelijkertijd nam het totale
verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie af met 12 % en daalde het
marktaandeel van de bedrijfstak van 56,8 % in 2008 tot 53,9 % in het
OT. Hoewel het verbruik een herstel met 24 % vertoonde van 2009 tot het eind
van het OT, daalde het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie na het jaar
waarin de economische crisis de vraag negatief beïnvloedde. De bedrijfstak van
de Unie was niet in staat om het verloren marktaandeel terug te winnen gezien
de aanzienlijke uitbreiding van de invoer met subsidiëring vanuit de VRC in de
markt van de Unie. De laaggeprijsde invoer met subsidiëring nam tijdens de
beoordelingsperiode toe, waarbij de prijzen voortdurend de prijzen van de
bedrijfstak van de Unie onderboden. (509) Hierdoor ondervonden ook de
schade-indicatoren met betrekking tot de financiële prestaties van de
bedrijfstak van de Unie, zoals de kasstroom en de winstgevendheid, zeer
negatieve gevolgen. Dit betekent dat het vermogen van de bedrijfstak van de
Unie om kapitaal aan te trekken ondermijnd werd. (510) In het licht van het
bovenstaande wordt geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke
schade heeft geleden in de zin van artikel 8, lid 5, van de
basisverordening. 6. OORZAKELIJK VERBAND 6.1. Inleiding (511) Overeenkomstig artikel 8,
leden 5 en 6, van de basisverordening is onderzocht of de invoer met
subsidiëring van oorsprong uit de VRC schade heeft veroorzaakt met dusdanige
gevolgen voor de bedrijfstak van de Unie dat deze schade als aanmerkelijk kan
worden beschouwd. Er werd onderzoek gedaan naar andere bekende factoren dan de
invoer met subsidiëring waardoor de bedrijfstak van de Unie op hetzelfde moment
schade kon hebben geleden, om te voorkomen dat schade door deze andere factoren
aan de invoer met subsidiëring werd toegeschreven. 6.2. Gevolgen van de invoer met
subsidiëring (512) Het onderzoek toonde aan dat
het verbruik in de Unie tijdens de beoordelingsperiode met 7 % daalde,
terwijl het volume van de invoer met subsidiëring uit de VRC met ongeveer
49 % toenam en hun marktaandeel ook steeg met 60 % van 9,1 % in
2008 tot 14,6 % in het OT. Tegelijkertijd nam het volume van de verkopen
van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden partijen af met 12 % en
daalde het marktaandeel van deze verkopen met 2,9 % van 56,8 % in
2008 tot 53,9 % in het OT. (513) De invoer uit de VRC had ook te
lijden onder de economische crisis en nam af met 68 % van 2008 tot 2009,
maar herstelde zich razendsnel van 2009 tot het eind van het OT door een
stijging met 367 % aan het eind van OT, hoewel het verbruik in de Unie
tijdens deze periode slechts met 24 % toenam. Door de eenheidsprijs met
9 % te verlagen ten opzichte van 2008 en de bedrijfstak van de Unie met
maximaal 20,2 % te onderbieden, werd het marktaandeel van de Chinese
invoer van 2008 tot het eind van het OT vergroot met 60 % tot 14,6 %. (514) Tegelijkertijd daalde het
volume van de verkopen van de producenten in de Unie aan niet-verbonden
partijen in het OT met 12 %. Ten tijde van het marktherstel, van 2009 tot
het eind van het OT, slaagde de bedrijfstak van de Unie erin om hun
verkoopvolumes aan niet-verbonden partijen met slechts 13 % te verhogen,
maar zij verloren een marktaandeel van 8 %, wat betekent dat zij in
beperkte mate profiteerden van het toegenomen verbruik. De Chinese invoer
profiteerde het meeste van het herstel van het verbruik en liet de andere
marktdeelnemers in dit opzicht ver achter zich. (515) De gemiddelde prijzen van de
invoer vanuit de VRC daalden tijdens de beoordelingsperiode met 9 %. Hoewel
ze een stijgende trend vertoonden na de scherpe daling in 2009, bleven ze van
2009 tot het eind van het OT voortdurend onder de prijsniveaus van de
bedrijfstak van de Unie. De eenheidsprijs voor niet-verbonden afnemers in de
Unie daalde met slechts 3 %, wat aantoont dat er enige weerstand was tegen
de prijsdruk die werd uitgeoefend door de Chinese invoer. Echter, het handhaven
van deze prijzen ging duidelijk ten koste van de verkoopvolumes en de
winstgevendheid van deze verkopen, aangezien de winstgevendheid met 61 %
daalde van 6,7 % in 2008 tot 2,6 % in het OT. (516) Op grond van het bovenstaande
wordt geconcludeerd dat de enorme toename van invoer met subsidiëring vanuit de
VRC met prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie voortdurend onderboden
een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de aanmerkelijke schade die door de
bedrijfstak van de Unie is geleden, waardoor de bedrijfstak van de Unie niet in
staat was om ten volle te profiteren van het herstel van het verbruik in de
Unie. 6.3. Gevolgen
van andere factoren 6.3.1. Invoer uit derde landen Land || || 2008 || 2009 || 2010 || OT Zuid-Korea || Volume (ton) || 228 123 || 226 568 || 173 935 || 237 164 || Index (2008=100) || 100 || 99 || 76 || 104 || Marktaandeel ( %) || 4,4 % || 5,8 % || 3,8 % || 4,9 % || Index (2008=100) || 100 || 133 || 87 || 112 || Gemiddelde prijs || 901 || 727 || 846 || 903 || Index (2008=100) || 100 || 81 || 94 || 100 India || Volume (ton) || 159 999 || 149 138 || 155 384 || 141 391 || Index (2008=100) || 100 || 93 || 97 || 88 || Marktaandeel ( %) || 3,1 % || 3,8 % || 3,4 % || 2,9 % || Index (2008=100) || 100 || 125 || 111 || 95 || Gemiddelde prijs || 932 || 667 || 773 || 824 || Index (2008=100) || 100 || 72 || 83 || 88 Andere landen || Volume (ton) || 249 151 || 158 461 || 124 319 || 167 007 || Index (2008=100) || 100 || 64 || 50 || 67 || Marktaandeel ( %) || 4,8 % || 4,1 % || 2,7 % || 3,5 % || Index (2008=100) || 100 || 85 || 57 || 72 || Gemiddelde prijs || 951 || 809 || 924 || 955 || Index (2008=100) || 100 || 85 || 97 || 100 Totaal van alle derde landen behalve de VRC || Volume (ton) || 637 274 || 534 167 || 453 637 || 545 562 || Index (2008=100) || 100 || 84 || 71 || 86 || Marktaandeel ( %) || 12,3 % || 13,8 % || 10,0 % || 11,3 % || Index (2008=100) || 100 || 112 || 81 || 92 || Gemiddelde prijs || 929 || 735 || 842 || 898 || Index (2008=100) || 100 || 79 || 91 || 97 Bron: Eurostat. (517) Naast de invoer vanuit de VRC,
die 56 % van de totale invoer in de Unie tijdens het OT vertegenwoordigde,
waren andere belangrijke bronnen van invoer de Republiek India
("India") (11 %) en Zuid-Korea (19 %). In tegenstelling tot
de invoer uit de VRC daalde de totale invoer uit India – hoewel de gemiddelde
prijs tijdens de beoordelingsperiode scherp daalde met 12 % – en daalde
het marktaandeel van de Indiase invoer met 5 %. De invoer uit Zuid-Korea
nam met slechts 4 % toe met een gemiddelde prijs die op hetzelfde niveau
bleef als in 2008. Het marktaandeel van de invoer uit India bedroeg in het OT
2,9 %, terwijl de invoer uit Zuid-Korea een marktaandeel van 4,9 %
had. (518) De invoer uit andere landen, samen
goed voor 14 % van de totale invoer, nam af met 33 %, waarbij de
gemiddelde prijs op hetzelfde niveau als in 2008 bleef. (519) Hoewel de gemiddelde prijs van
de invoer uit alle andere landen onder het prijsniveau van de bedrijfstak van
de Unie lag, kunnen de gevolgen van deze invoer, als ze al bestaan, slechts
marginaal zijn. Ten eerste heeft de Commissie geen bewijsmateriaal ontvangen
dat erop wijst dat de invoer uit andere landen op oneerlijke wijze verhandeld
is. Ten tweede was het algemene prijsniveau van de belangrijkste bronnen van
invoer uit andere landen, in tegenstelling tot de Chinese invoer, stabieler
tijdens de gehele beoordelingsperiode, wat aantoont dat de bedrijfstak van de
Unie met succes kan concurreren in de marktsegmenten met invoer uit deze
landen. Ten derde heeft de totale invoer uit andere landen een negatieve trend
vertoond tijdens de beoordelingsperiode en deze invoer bevindt zich nog steeds
op een laag niveau, zowel in het algemeen als voor de belangrijkste
uitvoerlanden afzonderlijk. Bovendien bevestigt de daling van het marktaandeel
van de invoer uit andere landen dat deze invoer geen schade kon hebben
veroorzaakt aan de bedrijfstak van de Unie. 6.3.2. Uitvoerprestaties van de
bedrijfstak van de Unie || 2008 || 2009 || 2010 || OT Uitvoer, Eurostat (ton) || 669 790 || 612 204 || 580 477 || 605 760 Index (2008=100) || 100 || 91 || 87 || 90 Gemiddelde prijs (EUR/ton) || 1 068 || 937 || 995 || 1 092 Index (2008=100) || 100 || 88 || 93 || 102 Uitvoer door in de steekproef opgenomen producenten in de Unie || 53 542 || 46 516 || 48 102 || 46 228 Index (2008=100) || 100 || 87 || 90 || 86 Gemiddelde verkoopprijs (EUR/ton) || 1 086 || 826 || 984 || 1 132 Index (2008=100) || 100 || 76 || 91 || 104 Bron: Eurostat en
gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst (520) De totale uitvoer van OBS door
de bedrijfstak van de Unie naar derde landen nam volgens Eurostat tijdens de
beoordelingsperiode af met 10 %. Echter, de gemiddelde prijs was relatief
hoog en steeg met 2 % tijdens de beoordelingsperiode. De uitvoer
vertegenwoordigde 15 % van de totale productie in de Unie en hielp in die
zin de bedrijfstak van de Unie om door schaalvergrotingen kostenbesparingen
door te voeren en de totale productiekosten te verlagen. Op grond hiervan kan
worden geconcludeerd dat de uitvoeractiviteit van de bedrijfstak van de Unie
geen medeoorzaak van de aanmerkelijke schade kon zijn geweest. (521) Dit algemene beeld wordt
weerspiegeld door de situatie van de uitvoer door de in de steekproef opgenomen
producenten in de Unie naar niet-verbonden afnemers in derde landen. De uitvoer
naar deze afnemers nam af met 14 % tijdens de beoordelingsperiode. Echter,
de uitvoerprijs per eenheid was voortdurend hoger (gemiddeld 2 tot 14 %
afhankelijk van het jaar) dan de prijs in de Unie. 6.3.3. Invoer vanuit de VRC door de
klagers (522) Tijdens het onderzoek en na de
definitieve mededeling werd aangevoerd dat de klagers (via hun verbonden
ondernemingen) zelf betrokken waren bij de invoer van het betrokken product
vanuit de VRC en dat deze invoer 20 tot 40 % zou vertegenwoordigen van de
totale invoer vanuit de VRC. Er werd echter geen bewijsmateriaal ingediend om
deze bewering te staven. Na deze beweringen te hebben onderzocht door de
gecontroleerde gegevens van de in de steekproef opgenomen producenten in de
Unie te analyseren, kwam de Commissie tot de vaststelling dat zij in het OT
slechts ongeveer 10 000 ton hadden ingevoerd, wat zo goed als overeenstemde met
de gegevens in de klacht. Een vergelijkbaar volume, dat niet bekend werd
gemaakt op grond van artikel 29 van de basisverordening, bleek ingevoerd
te zijn door verbonden ondernemingen van de in de steekproef opgenomen
producenten in de Unie. Deze invoer in zijn totaliteit maakte slechts 2 %
uit van de totale invoer vanuit de VRC. Derhalve kan niet worden geconcludeerd
dat de klagers dergelijke grote hoeveelheden uit de VRC importeerden en met een
zodanig patroon dat zou kunnen worden getwijfeld aan hun status als producent
in de Unie overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van de
basisverordening of dat zij zichzelf schade toegebracht zouden kunnen hebben.
Bijgevolg wordt dit argument afgewezen. 6.3.4. Intern gebruik en interne
verkopen (523) Door enkele belanghebbende
partijen is gesteld dat de schade aan de bedrijfstak van de Unie werd
veroorzaakt door haar activiteiten in het downstreamsegment van de productie
van bouwmaterialen (bijv. sandwichpanelen, trapeziumplaten enz.), hetzij
rechtstreeks, hetzij via verbonden ondernemingen binnen de groepen. In het
bijzonder werd aangevoerd dat de bedrijfstak van de Unie OBS beschikbaar stelde
aan haar eigen downstreamproductieondernemingen voor lagere prijzen dan de
prijzen voor niet-verbonden ondernemingen en hen aldus binnen de groep
"subsidieerde", zodat ze in staat waren hun concurrenten binnen het
downstreamsegment te onderbieden. (524) Zoals
in het bovenstaande is aangetoond, was de gemiddelde waarde van het interne
gebruik en de interne verkopen per ton slechts 3 % lager dan de
verkoopprijs voor niet-verbonden afnemers in het OT. Uit het onderzoek bleek
dat het interne gebruik en de interne verkopen zelf zeer waarschijnlijk de
negatieve gevolgen van de oneerlijke concurrentie door de invoer met
subsidiëring hebben ondervonden. Als er, zoals beweerd wordt,
enig voordeel zou zijn geweest voor het downstreamsegment, zou dit tot
uitdrukking zijn gekomen in de vergelijking tussen de prijzen voor interne
verkopen en die voor verkopen aan niet-verbonden afnemers. Bijgevolg wordt dit
argument afgewezen. (525) Na de definitieve mededeling
voerde CISA opnieuw aan dat de bedrijfstak van de Unie OBS beschikbaar stelde
aan zijn verbonden downstreamactiviteiten voor een "gesubsidieerde"
prijs en daarmee de prijzen van hun concurrenten in het downstreamsegment
onderbood. Er werd echter geen bewijsmateriaal verstrekt dat aanleiding was om
de conclusie van de Commissie in overweging 524 te wijzigen, namelijk dat het
prijsverschil tussen de verkopen aan verbonden en niet-verbonden ondernemingen
klein was (2 %) en dat dit niet een geval van zelf veroorzaakte schade
was. (526) CISA trok tevens de gegevens
inzake de productiekosten voor OBS in twijfel en, bij uitbreiding, de prijs van
OBS voor verbonden partijen. CISA stelt dat de productiekosten voor OBS in het
onderzoektijdvak niet meer dan 900 EUR/ton konden zijn, gezien de verkoopprijs
van thermisch verzinkte coils, een grondstof voor de productie van OBS. (527) Ten eerste is niet duidelijk in
welke mate alle kosten, zoals verkoop-, algemene en administratiekosten en de
kosten van financiering, zijn opgenomen in de totale kosten waarnaar VISA
verwees. Ten tweede heeft de Commissie de productiekosten voor OBS van alle in
de steekproef opgenomen producenten van de Unie gecontroleerd en is zij ervan
overtuigd dat de totale productiekosten de kosten van grondstoffen, verwerking,
bekleding, verkoop-, algemene en administratiekosten, financieringskosten enz.
omvatten. (528) CISA voerde vervolgens aan dat
de verkoop van OBS aan verbonden partijen verlieslijdend is en derhalve schade
veroorzaakt voor de bedrijfstak van de Unie. Dit is gebaseerd op een
vergelijking van de totale productiekosten (978 EUR/ton) met de gemiddelde
prijs van de gerelateerde verkoop (965 EUR/ton). (529) Hoewel het waar is dat een
eenvoudige rekenkundige vergelijking erop zou wijzen dat de desbetreffende
verkopen verlieslijdend zijn, is dit gebaseerd op de aanname dat de producenten
van de Unie even hoge verkoop-, algemene, administratieve en andere algemene
verkoopkosten zouden hebben voor hun interne verkopen als voor de verkopen aan
hun niet-verbonden afnemers. Zoals in overweging 493 opgemerkt, werden de
prijzen voor de verkopen aan verbonden partijen vastgesteld op basis van de
"cost plus"-methode en verdiende de bedrijfstak van de Unie derhalve
zijn kosten voor deze verkopen terug. 6.3.5. Economische crisis (530) De economische crisis en de
gevolgen ervan voor de bouwsector vormen in ieder geval een gedeeltelijke
verklaring voor het krimpen van de vraag en de prijsdruk tijdens de
beoordelingsperiode. Zoals hierboven opgemerkt, daalde het verbruik in 2009 met
25 %. Echter, vanaf 2010 begon de markt te zich herstellen en tussen 2009 en
het eind van het OT groeide het verbruik met 24 %. (531) Echter, de analyse van de
schade en het oorzakelijk verband brengt een scheiding aan tussen het
ineenstorten van de markt in 2009 en het daaropvolgende herstel van 2009 tot
het eind van het OT. In de analyse van de schade en het oorzakelijk verband is
duidelijk aangetoond dat de invoer uit de VRC ten volle profiteerde van het
herstellende verbruik en bovendien voortdurend de prijzen van de bedrijfstak
van de Unie onderbood, waardoor de mogelijkheid van gelijke kansen voor alle
marktdeelnemers om de negatieve trend om te buigen veranderd werd in een
doorlopende strijd om te overleven. (532) Na de uiterste
termijn voor opmerkingen bij de mededeling van de definitieve bevindingen heeft
een belanghebbende de aandacht gevestigd op de aangekondigde sluiting van een
fabriek in België en op door overmacht veroorzaakte moeilijkheden voor de
normale productie en het vervoer vanuit een andere fabriek in België. De
belanghebbende voerde aan dat dit wijst op een te laag niveau van
voorzieningszekerheid voor OBS in de EU en dat dit een reden is om importeurs
en gebruikers zelf hun leverancier voor OBS in de EU en in China te laten
kiezen. (533) Deze argumenten
worden afgewezen. Omdat de bezettingsgraad in de EU laag is, betreft het hier
geen probleem inzake voorziening, want de bedrijfstak van de Unie heeft
voldoende beschikbare capaciteit. In elk geval werden in de in België gesloten
fabriek geen OBS vervaardigd. Voorzieningszekerheid is uiteraard belangrijk, maar
de hier voorgestelde rechten hebben niet tot doel de levering van OBS uit China
te beëindigen, maar uitsluitend te voorkomen dat die OBS met dumping op de
EU-markt worden verkocht. 6.3.6. Structurele overcapaciteit (534) Enkele belanghebbende partijen
hebben aangevoerd dat de oorzaak van de schade aan de bedrijfstak van de Unie,
die voornamelijk bestaat uit verticaal geïntegreerde staalproducenten, niet de
invoer vanuit de VRC was, maar structurele problemen van de staalsector van de
Unie, zoals overcapaciteit. Tevens werd gesteld dat de consolidatie van de
staalsector die plaatsvond vóór de beoordelingsperiode heeft geleid tot
overcapaciteit en dat de geleden schade een gevolg was van een teveel aan
productiefaciliteiten. (535) Het is waar dat de productie
van OBS kapitaalintensief is en dat de bedrijfstak relatief hoge vaste kosten
heeft. Echter, de consolidatie van de staalsector, die plaatsvond vóór het
begin van de beoordelingsperiode, had geen overcapaciteit als gevolg. Na een
kleine stijging van de geïnstalleerde capaciteit in 2009 verminderde de
bedrijfstak haar capaciteit enigszins in 2010 en opnieuw in het OT. De
geïnstalleerde capaciteit tijdens het OT was lager dan het totale verbruik in
de Unie en indien de vraag in het OT zich had hersteld tot het niveau van 2008
en de bedrijfstak van de Unie in staat was geweest die toegenomen vraag te
benutten, zou de bezettingsgraad ongeveer 74 % geweest zijn. (536) De negatieve gevolgen van
overcapaciteit kunnen slechts voor een zeer klein deel aan de OBS-producenten
in de Unie worden toegeschreven. Ten eerste toonde het onderzoek aan dat de
bedrijfstak van de Unie klaarblijkelijk maatregelen heeft genomen om haar
efficiëntie te handhaven, aangezien de productiviteit voor de gehele
bedrijfstak steeg met 6 %. Ten tweede zorgen doorlopende investeringen in
productieketens en flexibiliteit in het gebruik van productieketens voor de
productie van andere producten ervoor dat door schaalvergroting
kostenbesparingen mogelijk werden en dat de vaste kosten werden verlaagd. Dit
betekent dat, terwijl de bezettingsgraad van de in de steekproef opgenomen
ondernemingen daalde met 18 % tijdens de beoordelingsperiode, de
gemiddelde productiekosten met slechts 6 % stegen en die stijging ook de
stijging van de grondstoffenkosten omvat. Derhalve kan niet worden
geconcludeerd dat de overcapaciteit het oorzakelijk verband verbreekt. Dit
argument wordt derhalve afgewezen. 6.4. Conclusie inzake het
oorzakelijk verband (537) Er is aangetoond dat de omvang
en het marktaandeel van de invoer met subsidiëring van oorsprong uit de VRC in
de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn toegenomen, in het bijzonder vanaf 2009
tot het OT. Ook werd vastgesteld dat deze invoer op de markt van de Unie
doorlopend de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood en in het
bijzonder gedurende het OT. (538) Deze toename van de omvang en
het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer uit de VRC viel samen met de
negatieve ontwikkelingen in de economische situatie van de bedrijfstak van de
Unie. Deze situatie verslechterde in het OT, toen de bedrijfstak van de Unie,
ondanks het herstel van het verbruik, niet in staat was om het verloren
marktaandeel terug te winnen en de winstgevendheid te herstellen. Andere
financiële indicatoren zoals het rendement van investeringen stagneerden op het
niveau van 2010 en de werkgelegenheid bereikte het laagste niveau. (539) Bij de analyse van de andere
bekende factoren die eventueel schade aan de bedrijfstak van de Unie hadden
kunnen toebrengen, bleek dat deze factoren geen zodanige rol hadden gespeeld
dat het geconstateerde oorzakelijke verband tussen de invoer met subsidiëring
vanuit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade erdoor werd
verbroken. (540) Gezien bovenstaande analyse,
waarbij de effecten van alle bekende factoren op de situatie van de bedrijfstak
van de Unie naar behoren zijn onderscheiden, en zijn gescheiden van de schade
veroorzakende gevolgen van de uitvoer met subsidiëring, werd geconcludeerd dat
de invoer met subsidiëring vanuit de VRC aanmerkelijke schade aan de
bedrijfstak van de Unie heeft toegebracht in de zin van artikel 8,
lid 6, van de basisverordening. 7. BELANG VAN DE UNIE 7.1. Voorafgaande opmerkingen (541) Overeenkomstig artikel 31
van de basisverordening zijn de instellingen nagegaan of er ondanks de
bovenstaande bevindingen dwingende redenen zijn om te concluderen dat het niet
in het belang van de Unie is compenserende maatregelen vast te stellen. De
analyse van het belang van de Unie was gebaseerd op een beoordeling van alle
aanwezige, diverse belangen, met inbegrip van de belangen van de bedrijfstak
van de Unie, van de importeurs en van de gebruikers van het betrokken product. 7.2. Belang van de bedrijfstak van
de Unie (542) De gehele bedrijfstak van de
Unie bestaat uit 22 bekende producenten die samen de gehele productie van OBS
in de Unie vertegenwoordigen. Deze producenten zijn gevestigd in verschillende
lidstaten en hebben meer dan 5 400 werknemers die rechtstreeks bij de
productie en verkoop van het soortgelijke product betrokken zijn. (543) Geen van de producenten had
bezwaar tegen het instellen van het onderzoek. Zoals in het bovenstaande met
betrekking tot de macro-economische indicatoren is aangetoond, verslechterde de
situatie van de gehele bedrijfstak van de Unie en werd de bedrijfstak
geconfronteerd met de negatieve gevolgen van de invoer met subsidiëring. (544) De bedrijfstak van de Unie
heeft aanmerkelijke schade geleden als gevolg van de invoer met subsidiëring
vanuit de VRC. Alle schade-indicatoren vertoonden tijdens de
beoordelingsperiode een negatieve trend. In het bijzonder ondervonden de
schade-indicatoren met betrekking tot de financiële prestaties van de
producenten in de Unie, zoals de winstgevendheid en het rendement van
investeringen, zeer negatieve gevolgen. Als er geen maatregelen worden genomen,
lijkt een verdere verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak
van de Unie zeer waarschijnlijk. (545) De instelling van compenserende
rechten zal naar verwachting leiden tot het herstel van effectieve en eerlijke
handelsvoorwaarden op de markt van de Unie, zodat de bedrijfstak van de Unie in
staat zal zijn de prijzen van OBS zodanig te bepalen dat die de kosten van de
verschillende componenten en de marktvoorwaarden weerspiegelen. Door de
instelling van compenserende maatregelen kan de bedrijfstak van de Unie
waarschijnlijk ten minste een deel van haar tijdens de beoordelingsperiode
verloren marktaandeel terugwinnen, wat een positief effect zal hebben op haar
winstgevendheid en haar algemene economische situatie. (546) Indien geen maatregelen worden
ingesteld, kunnen verdere verliezen van marktaandeel en een verslechtering van
de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie verwacht worden. Dit zou
leiden tot een onhoudbare situatie op de middellange tot lange termijn. Het is
ook waarschijnlijk dat enkele individuele producenten hun productiefaciliteiten
zouden moeten sluiten, aangezien ze tijdens de beoordelingsperiode verlies
maakten. Gezien de geleden verliezen en de omvangrijke investeringen in de productie
die aan het begin van de beoordelingsperiode zijn gedaan, valt te verwachten
dat de meeste producenten in de Unie hun investeringen niet zouden kunnen
terugverdienen indien geen maatregelen zouden worden ingesteld. (547) Derhalve wordt geconcludeerd
dat het instellen van compenserende rechten in het belang van de Unie zou zijn.
7.3. Belang van gebruikers en
importeurs (548) Zoals in bovenstaande
overweging 14 vermeld, maakten vijf importeurs zich bekend, maar verstrekten
slechts twee van hen antwoorden op de vragenlijst. Van de ongeveer
100 gebruikers die in de klacht werden genoemd, maakten 19 hun
belangstelling voor de procedure bekend. Vervolgens dienden tien ondernemingen
antwoorden op de vragenlijst in. (549) De actiefste gebruikers en
importeurs hebben gezamenlijk antwoorden ingediend en in de loop van het
onderzoek zijn verschillende hoorzittingen gehouden. Hun belangrijkste
argumenten met betrekking tot het instellen van maatregelen worden in het
onderstaande geanalyseerd. (550) Na de definitieve mededeling
werden van importeurs en andere belanghebbende partijen opmerkingen ontvangen.
Er werden echter geen nieuwe elementen genoemd anders dan de onderstaande. 7.3.1. Concurrentie op de markt van de
Unie (551) Gebruikers en importeurs
voerden aan dat er op de markt voor OBS in de Unie niet voldoende concurrentie
was en dat de invoer vanuit de VRC nodig was om meer onderhandelingsmacht te
geven aan ondernemingen die OBS invoeren en gebruiken. Ze suggereerden tevens
dat de bedrijfstak van de Unie betrokken was bij oligopolistische afspraken om
de markt te beheersen. De producenten in de Unie concurreerden op dezelfde
markten en verkochten vaak aan dezelfde afnemers of aan elkaars
bouwondernemingen. Gezien het feit dat er geen bewijs werd verstrekt anders dan
anekdotische klachten over moeilijkheden bij prijsonderhandelingen en dat
afgezien van de vijf groepen klagende producenten in de Unie er nog elf andere
producenten van OBS actief zijn in de Unie, waaronder enkele zeer grote
ondernemingen, alsmede in aanmerking nemende dat er een verscheidenheid aan
andere bronnen voor invoer bestaat, werden deze argumenten afgewezen. 7.3.2. Ontoereikend aanbod (552) Gebruikers en importeurs
voerden daarnaast aan dat de instelling van maatregelen tegen de Chinese invoer
zou leiden tot een tekort aan OBS op de markt van de Unie. Echter, gezien de in
het bovenstaande beschreven grote verscheidenheid aan voorzieningsbronnen
alsmede de vrije productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie, wordt het
niet waarschijnlijk geacht dat een dergelijk tekort zich zou voordoen.
Bijgevolg wordt dit argument afgewezen. 7.3.3. Conclusie inzake het belang van
gebruikers en importeurs (553) De tien medewerkende gebruikers
vertegenwoordigden 7 % van de totale invoer uit de VRC in het OT. Het
onderzoek toonde aan dat alle gebruikers diverse voorzieningsbronnen hebben.
Gemiddeld maakten aankopen uit de VRC ongeveer 15 % uit van hun totale
aankopen van OBS-producten; bovendien bleken de grootste volumes afkomstig van
producenten in de Unie (73 %) en werd 12 % ingevoerd vanuit derde
landen. In feite is het belang van klantenbinding nogal betrekkelijk, aangezien
het betrokken product in hoge mate gestandaardiseerd is, en zowel gebruikers
als importeurs kunnen dan ook vrij gemakkelijk van voorzieningsbron veranderen
voor zover het om de productkwaliteit gaat. (554) Uit het onderzoek bleek dat
alle medewerkende gebruikers op één na winstgevend waren in de sector die het
betrokken product gebruikt en hun winstgevendheid tijdens het OT varieerde
binnen het bereik van 1 tot 13 %, afhankelijk van de onderneming. De
winstgevendheid van deze ondernemingen was niet in aanzienlijke mate
afhankelijk van de invoer van het betrokken product uit de VRC. (555) Op grond van de antwoorden op
de vragenlijst van de gebruikers werd de waarschijnlijke weerslag van de
voorgestelde maatregelen geschat. Hieruit volgde dat – zelfs indien we uitgaan
van het onwaarschijnlijke worst-casescenario voor medewerkende gebruikers,
namelijk het geval waarin prijsstijgingen niet zouden kunnen worden
doorberekend en ze gedwongen zouden zijn om dezelfde volumes in te voeren
vanuit de VRC als in het OT – de weerslag van het niveau van de rechten op hun
productiekosten tussen 1 en 5 % zou bedragen en een verlaging zou inhouden
van de winstgevendheid met 1 tot 2,8 procentpunten voor de meeste ingevoerde
producten en met ongeveer 4 procentpunten voor invoer onder het residuele
recht. Echter, het meer waarschijnlijke scenario is dat de gevolgen veel minder
ingrijpend zullen zijn. De invoer uit de VRC vertegenwoordigt een vrij klein
deel van de activiteiten van de gebruikers, en verwacht mag worden dat de
kostenstijging vanwege de compenserende maatregelen relatief gemakkelijk
doorberekend zal kunnen worden. Gezien het feit dat naast de vele producenten
in de Unie aanzienlijke alternatieve bronnen van invoer, waartegen geen
maatregelen zijn ingesteld, beschikbaar zijn zoals India en Zuid-Korea, wordt
daarnaast verwacht dat de prijzen op de markt na de instelling van de
maatregelen ook deze factoren zullen weerspiegelen. (556) De twee medewerkende importeurs
vertegenwoordigden ongeveer 6 % van de totale invoer uit de VRC tijdens
het OT; het precieze bedrag kon niet bekend worden gemaakt overeenkomstig
artikel 29 van de basisverordening. Zoals de gebruikers hadden ook de
importeurs verschillende voorzieningsbronnen naast de VRC. Ook werd vastgesteld
dat de winstgevendheid van de importeurs mogelijk meer gevolgen van de
maatregelen zou ondervinden dan die van de gebruikers, indien zij het invoerpatroon
dat zij tijdens het OT volgden zouden handhaven. Echter, in de praktijk zijn
importeurs vaak zelfs flexibeler dan gebruikers en zij zouden zeer
waarschijnlijk de eersten zijn die zich tot de alternatieve voorzieningsbronnen
zouden wenden. (557) Een deel van het voordeel dat
de gebruikers en importeurs hebben dankzij de Chinese invoer wordt feitelijk
verworven en mogelijk gemaakt door de oneerlijke prijsdiscriminatie waarvan
Chinese exporteurs gebruikmaken en niet door een natuurlijk concurrentievoordeel.
Derhalve zal het herstel van concurrentieneutraliteit op de markt van de Unie,
door een correctie van de verstoring van de handel ten gevolge van de invoer
met subsidiëring, de OBS-markt in staat stellen terug te keren naar een
gezonde, door de markteconomie gestuurde dynamiek en prijsontwikkeling en
tegelijkertijd geen nadeel inhouden voor andere marktdeelnemers (gebruikers,
producenten, eindconsumenten) die niet direct in staat zijn om van invoer met
subsidiëring te profiteren. 7.4. Conclusie inzake het belang
van de Unie (558) Gezien deze overwegingen luidt
de conclusie dat er, gezien de beschikbare informatie over het belang van de
Unie, geen dwingende redenen zijn die tegen de instelling van maatregelen ten
aanzien van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC
pleiten. 8. DEFINITIEVE COMPENSERENDE
MAATREGELEN 8.1. Schademarge (559) Gelet op de conclusies inzake
subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Unie moeten
compenserende maatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak
van de Unie nog meer schade lijdt door de invoer met subsidiëring. (560) Om de hoogte van deze
maatregelen te bepalen, werd rekening gehouden met de vastgestelde subsidiëring
en het bedrag aan rechten dat noodzakelijk is om de schade voor de bedrijfstak
van de Unie op te heffen. (561) Bij de berekening van het recht
dat nodig is om de gevolgen van de schade veroorzakende subsidiëring op te
heffen, werd ervan uitgegaan dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in
staat moeten stellen om zijn productiekosten te dekken en een winst vóór
belasting te maken die bij normale concurrentie – dat wil zeggen zonder invoer
met subsidiëring – redelijkerwijs op de verkoop van het soortgelijke product
in de Unie door dergelijke bedrijfstakken kan worden behaald. De Commissie is
van oordeel dat de winst die behaald had kunnen worden zonder gesubsidieerde
invoer gebaseerd moet worden op het jaar 2008, toen de invoer uit de VRC minder
aanwezig was op de markt van de Unie. Aangenomen wordt dat een winstmarge van
6,7 % op de omzet kan worden beschouwd als een passend minimum dat de
bedrijfstak van de Unie zonder schade veroorzakende subsidiëring hadden kunnen
verwachten. (562) Op basis hiervan werd voor het
soortgelijke product een prijs berekend waarbij de bedrijfstak van de Unie geen
schade lijdt. Deze geen schade veroorzakende prijs is berekend door de
productiekosten met de hierboven genoemde winstmarge van 6,7 % te
vermeerderen. (563) De noodzakelijke prijsverhoging
werd vervolgens berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde
invoerprijs van de producenten-exporteurs in de VRC, gecorrigeerd voor
invoerkosten en douanerechten met de geen schade veroorzakende prijs van de
bedrijfstak van de Unie gedurende het OT op de markt van de Unie. Het verschil
dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt als percentage van
de gemiddelde cif-waarde bij invoer van de vergeleken productsoorten. (564) Na de definitieve mededeling
maakten belanghebbende partijen bezwaar tegen het gebruik van 6,7 % als de
streefwinst van de bedrijfstak van de Unie en tegen de keuze van 2008 als
representatief jaar voor winstgevendheid. Echter, hun argument dat de door de
bedrijfstak van de Unie in 2008 gemaakte winst negatief beïnvloed werd door de
financiële crisis, waardoor 2008 een uitzonderlijk jaar werd, lijkt te wijzen
op een argument dat de in 2008 gerealiseerde winst lager is dan wat de
bedrijfstak zou verwachten in een normaal jaar. Dit argument wordt afgewezen,
omdat er geen bewijsmateriaal is ingediend met betrekking tot wat de winst van
de bedrijfstak van de Unie in 2008 geweest zou zijn indien de financiële crisis
was uitgebleven. (565) Belanghebbende partijen hebben
er ook op gewezen dat de invoervolumes vanuit de VRC op hun laagste niveau
waren in 2009 en niet in 2008. Echter, gezien het feit dat de bedrijfstak van
de Unie in 2009 niet winstgevend was, is het onmogelijk om de gegevens van 2009
te gebruiken om een streefwinst voor de bedrijfstak van de Unie vast te
stellen. (566) CISA voerde verder aan dat de
winst van verkopen aan niet-verbonden afnemers in 2008 niet kan worden gebruikt
als streefwinst, omdat dit jaar het grootste prijsverschil kende tussen
verkopen aan verbonden afnemers en verkopen aan niet-verbonden afnemers. Dit argument
werd afgewezen, aangezien dit prijsverschil niet relevant is voor de berekening
van de winst van de verkopen aan niet-verbonden afnemers. (567) CISA stelde vervolgens voor dat
de streefwaarde voor de winst op verkopen van OBS aan niet-verbonden partijen
gebaseerd zou worden op de gemiddelde totale winst van de multinationale
onderneming ArcelorMittal voor de jaren 2010 en 2011. Dit werd afgewezen als
een betrouwbare bron voor de winst op OBS in de Unie bij afwezigheid van met
dumping verkochte invoer, omdat de winst van de totale wereldwijde groep
ArcelorMittal-ondernemingen duidelijk niet representatief is voor de winst op
de verkoop van OBS in de Unie. (568) Eén belanghebbende partij trok
de methodologie van de Commissie voor de berekening van de prijsonderbiedingsmarge
in twijfel. Deze opmerking was echter gebaseerd op de onjuiste aanname dat de
Commissie de prijsonderbiedingsmarge had berekend door de gemiddelde winst van
de bedrijfstak van de Unie in het OT (2,6 %) af te trekken van de marktprijs
om het break-even point (d.w.z. een prijs die winst noch verlies oplevert) te
verkrijgen en vervolgens dit break-even point te vermeerderen met de
streefwinst. (569) De Commissie heeft de
prijsonderbiedingsmarge berekend door de streefwinst op te tellen bij de
productiekosten voor iedere productsoort. De door deze belanghebbende partij
voorgestelde methodologie heeft tekortkomingen, omdat de gemiddelde winst van
2,6 % niet automatisch werd behaald voor iedere verkoop van ieder model
door alle ondernemingen waarvan de gegevens gebruikt werden. (570) Eén belanghebbende partij trok
daarnaast de schadeberekeningen van de Commissie in twijfel. Aangezien deze
partij niet de volledige toegang had tot de gegevens die de Commissie heeft
gebruikt om de schademarge te berekenen, probeerde de partij deze zelfstandig
te berekenen, op basis van haar begrip van het prijsverschil op de markt tussen
ondergronden met een bekleding van een aluminium-zinklegering en ondergronden
met een bekleding van zink, dat zij had berekend op 50 USD per MT. Deze
"herberekening", die gebaseerd is op onvolledige gegevens, resulteert
in een lagere schademarge dan de marge die de Commissie heeft berekend en
medegedeeld. (571) Hun argumenten werden
afgewezen, omdat het vermeende prijsverschil niet kon worden vastgesteld in de
analyse van de volledige gegevens van zowel de producenten-exporteurs als de
bedrijfstak van de Unie. Bijgevolg dient benadrukt te worden dat de gegevens
die de belanghebbende partijen heeft gebruikt onvolledig waren en derhalve geen
betrouwbare grondslag vormden om de schadeberekeningen van de Commissie te
reproduceren. 8.2. Definitieve maatregelen (572) Gezien de
conclusies ten aanzien van subsidiëring, schade, oorzakelijk verband en het
belang van de Unie wordt in overeenstemming met artikel 15 van de
basisverordening geoordeeld dat op de invoer van OBS van oorsprong uit de VRC
een definitief compenserend recht moet worden ingesteld, dat volgens de regel
van het laagste recht gelijk moet zijn aan de subsidiemarge of aan de schademarge
indien deze lager is. In dit geval moet het recht bijgevolg worden vastgesteld
op het niveau van de vastgestelde subsidiemarges. Op grond van het bovenstaande
worden de in te stellen rechten als volgt vastgesteld: Naam van de onderneming || Subsidiemarge || Schademarge || Compenserend recht Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd.; Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd.; Zhangjiagang Free Trade Zone Jiaxinda International Trade Co., Ltd. || 29,7 % || 55,8 % || 29,7 % Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co. Ltd; Hangzhou P.R.P.T. Metal Material Company Ltd; || 23,8 % || 29,7 % || 23,8 % Union Steel China || 26,8 % || 13,7 % || 13,7 % Andere medewerkende ondernemingen || 26,8 % || 43,0 % || 26,8 % Residueel recht || 44,7 % || 58,3 % || 44,7 % (573) De bij deze verordening voor
bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele compenserende rechten zijn
gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de
situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze
rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van
toepassing is op "alle andere ondernemingen") gelden dus uitsluitend
bij de invoer van producten van oorsprong uit het betrokken land die door deze
ondernemingen en dus door de specifiek genoemde juridische entiteiten
vervaardigd zijn. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten
die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in artikel 1 met naam en
adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het om entiteiten die verbonden zijn
met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van
toepassing dat geldt voor "alle andere ondernemingen". (574) Verzoeken in verband met de
toepassing van individuele compenserende rechten voor bepaalde ondernemingen
(bijv. na een naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe
productie- of verkoopmaatschappijen) dienen onverwijld aan de Commissie[104] te worden gericht, onder
opgave van alle relevante gegevens, met name indien de naamswijziging of de
oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met
wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van de
productie en de verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek
gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door
bijwerking van de lijst van ondernemingen waarvoor een individueel recht geldt.
(575) Om een goede toepassing van het
compenserende recht te garanderen, moet het residuele recht niet alleen gelden
voor niet-medewerkende producenten-exporteurs, maar ook voor producenten die
het betrokken product in het OT niet naar de Unie hebben uitgevoerd. HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: Artikel 1 1. Er wordt een definitief compenserend recht
ingesteld op de invoer van organisch beklede staalproducten, d.w.z. gewalste
platte producten van niet-gelegeerd of gelegeerd staal (uitgezonderd roestvrij
staal), aan ten minste één zijde geverfd, gevernist of bekleed met kunststof,
met uitzondering van zogenaamde "sandwichpanelen" van de soort
gebruikt in de bouw, bestaande uit twee metalen buitenplaten met een
stabiliserende kern van isolatiemateriaal, en met uitzondering van producten
met een laatste bekleding van zinkstof (een zinkrijke verf die 70 of meer
gewichtspercenten zink bevat), en met uitzondering van producten met een
ondergrond die bekleed is met een metalen bekleding van chroom of tin,
momenteel ingedeeld onder de GN-codes 7210 70 80, ex 7212 40 80, ex 7225 99 00,
ex 7226 99 70 (Taric-codes 7210 70 80 11, 7210 70 80 91, 7212 40 80 01, 7212 40
80 21, 7212 40 80 91, 7225 99 00 11, 7225 99 00 91, 7226 99 70 11 en 7226 99 70
91), van oorsprong uit de Volksrepubliek China. 2. De definitieve compenserende rechten die
van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de
in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door onderstaande
ondernemingen, zijn als volgt: Onderneming || Recht || Aanvullende Taric-code Union Steel China || 13,7 % || B311 Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd.; Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd.; Zhangjiagang Free Trade Zone Jiaxinda International Trade Co., Ltd. || 29,7 % || B312 Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co. Ltd en haar verbonden onderneming Hangzhou P.R.P.T. Metal Material Company Ltd. || 23,8 % || B313 Angang Steel Company Ltd. || 26,8 % || B314 Baoutou City Jialong Metal Works Co., Ltd. || 26,8 % || B317 Changshu Everbright Material Technology Co., Ltd. || 26,8 % || B318 Changzhou Changsong Metal Composite Material Co., Ltd. || 26,8 % || B319 Inner Mongolia Baotou Steel Union Co., Ltd. || 26,8 % || B321 Jigang Group Co., Ltd. || 26,8 % || B324 Maanshan Iron & Steel Company Limited || 26,8 % || B325 Qingdao Hangang Color Coated Sheet Co., Ltd. || 26,8 % || B326 Shandong Guanzhou Co., Ltd. || 26,8 % || B327 Shenzen Sino Master Steel Sheet Co,.Ltd. || 26,8 % || B328 Tangshan Iron & Steel Group Co., Ltd. || 26,8 % || B329 Tianjin Xinyu Color Plate Co., Ltd. || 26,8 % || B330 Wuhan Iron and Steel Company Limited || 26,8 % || B331 Zhejiang Tiannu Color Steel Co., Ltd. || 26,8 % || B334 Alle andere ondernemingen || 44,7 % || B999 3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende
bepalingen inzake douanerechten van toepassing. Artikel 2 Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor
de Raad De
voorzitter [1] PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93. [2] PB C 52 van 22.2.2012, blz. 4. [3] PB C 373 van 21.12.2011, blz. 16. [4] PB L 252 van 19.9.2012, blz. 33. [5] Document WT/DS379/AB/R, 11 maart 2011. [6] Paragraaf 317 van het AB-verslag. [7] Paragraaf 290 van het AB-verslag. [8] Paragraaf 297 van het AB-verslag. [9] Bladzijde 33 van de Engelse versie van het twaalfde
vijfjarenplan voor de ontwikkeling van de staalindustrie (12th 5
year Development Plan for Steel Industry). [10] Artikel 36 van de wet van de Volksrepubliek China inzake
de staatsactiva van ondernemingen luidt: "Een onderneming met
overheidskapitaal die investeringen doet, dient zich aan het nationale
industriebeleid te houden,…" [11] Artikel 6 van de voorlopige maatregelen voor het toezicht
op en het beheer van de investeringen door centrale ondernemingen luidt: "Het
beginsel van conformiteit met de ontwikkelingsplannen en het industriebeleid
van de staat dient in acht te worden genomen bij de investeringsactiviteiten
van de onderneming met inbegrip van het toezicht op en het beheer van de
investeringsactiviteiten van de ondernemingen door SASAC". [12] Artikel 13, leden 1 en 2, van de maatregelen voor het
beheer van ontwikkelingsstrategieën en -plannen van centrale ondernemingen. [13] De Chinese vice-premier Zheng Peiyan zei dat de verhuizing
van Capital Steel in Hebei het gevolg is van een belangrijke politiek besluit
dat werd genomen door het Centrale Comité van de Communistische Partij van
China en de Raad van State (Xinhua Nieuwsagentschap, 23 oktober 2005). [14] Zie bijv. "China approves Anshan Steel merger with
Panzhihua" ("China keurt fusie van Anshan Steel met Panzhihua
goed"), http://www.reuters.com/article/2010/05/25/us-china-steel-merger-idUSTRE64O2G020100525. "Steel merger will become China's
biggest" (Fusie creëert grootste Chinese staalonderneming"), http://www.chinadaily.com.cn/bizchina/2010-04/19/content_9747309.htm. "Four Chinese steel makers agree to
merge" ("Vier Chinese staalproducenten bereiken akkoord over
fusie"), http://online.wsj.com/article/SB10001424052748703792704575366830150284538.html. "New steel group formed by merger
in China's Hubei Province" ("Nieuwe staalgroep gevormd door fusie in
Chinese provincie Hubei"), http://www.steelorbis.com/steel-news/latest-news/new-steel-group-formed-by-merger-in-chinas-hubei-province-685647.htm. [15] " …..naar ons oordeel mag het bewijs dat een overheid
op betekenisvolle wijze zeggenschap uitoefent over een entiteit en haar gedrag,
in bepaalde omstandigheden dienen als bewijs dat de entiteit in kwestie
overheidsgezag eigendom en dergelijk gezag uitoefent tijdens de uitvoering van
overheidsfuncties." DS379 Verslag van de beroepsinstantie van de WTO (Appellate
Body), paragraaf 318. [16] De 17 ondernemingen die in de bijlage worden vermeld,
behoren tot enkele van de grootste staalproducenten die in handen zijn van de
staat in China. [17] Bijv.
http://en.wikipedia.org/wiki/Shougang_Corporation, http://en.wikipedia.org/wiki/Hebei_Iron_and_Steel, http://companies.china.org.cn/trade/company/559.html, http://companies.china.org.cn/trade/company/557.html enz. [18] Artikel 7 van de tijdelijke maatregelen voor het toezicht
op en het beheer van staatsactiva van ondernemingen: "de overheden van het
volk op verschillende niveaus dienen ten strengste de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot staatsactiva uit te voeren,
dienen zich te houden aan de scheiding tussen de overheidsfunctie van het
beheer van overheidsaangelegenheden en de functie van leverancier van
staatsactiva, dienen zich te houden aan de scheiding tussen overheidsinstanties
en ondernemingen en de scheiding tussen eigendoms- en bestuurlijke bevoegdheden.
De instanties die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op en het beheer van
staatsactiva mogen niet de overheidsfunctie van het beheer van
overheidsaangelegenheden uitoefenen, en de andere overheidsinstanties en
-departementen mogen niet de functie van leverancier van staatsactiva
uitoefenen.” [19] The state-business nexus in China's steel industry –
Chinese market distortions in domestic and international perspective, studie
uit 2009, uitgevoerd door Think!Desk – China research & Consulting for
Eurofer, Analyses of State-owned Enterprises and State Capitalism in China,
2011, Capital Trade Incorporated prepared for the U.S.-China Economic and
Security Review Commission. [20] De artikelen 22, 27 en 29 van de wet van de Volksrepubliek
China inzake de staatsactiva van ondernemingen. [21] The state-business nexus in China's steel industry –
Chinese market distortions in domestic and international perspective, studie
uit 2009, uitgevoerd door Think!Desk – China research & Consulting for
Eurofer, Analyses of State-owned Enterprises and State Capitalism in China,
2011, Capital Trade Incorporated, opgesteld voor de U.S.-China Economic and
Security Review Commission, en bijlage 10 bij de klacht. [22] Ontwikkelingsplan van het twaalfde vijfjarenplan voor de
ontwikkeling van de staalsector, hoofdstuk IV(VII) – Fusering en reorganisatie
bevorderen. [23] Bladzijden 108-109 van de klacht. [24] Bijv. de website van Chongqing Iron and Steel
(http://en.cqgtjt.com/), de
website van Baosteel (http://www.baosteel.com/group_e/01news/ShowArticle.asp?ArticleID=2553). [25] Bijv. de voorlopige maatregelen voor het toezicht op en
het beheer van investeringen door centrale ondernemingen, maatregelen voor het
beheer van de ontwikkelingsstrategieën en -plannen van centrale ondernemingen,
de wet van de Volksrepubliek China inzake de staatsactiva van ondernemingen en
instructie nr. 35 van de NDRC – Beleid voor de ontwikkeling van de ijzer- en
staalindustrie. [26] DS 379 AB-verslag, paragraaf 441. [27] DS 379 AB-verslag, paragraaf 444. [28] De GOC heeft een tabel verstrekt met cijfers die
betrekking hadden op de productie van WGS en KGS door staatsondernemingen en
particuliere ondernemingen, maar tijdens de controle bleek deze tabel niet
volledig te zijn en de GOC weigerde om de informatie te verstrekken die was
gebruikt om deze tabel op te stellen en waarmee een gedegen controle had kunnen
worden uitgevoerd. [29] The responses of 4 Chinese exporting producers (2
sampled, 2 voluntary responses) concerning their purchases of HRS (and CRS). The
similar investigations by other investigating authorities confirm these
figures. For example the USDOC established that the
following proportions of HRS in China were produced by SOEs in the past: stalen hogedrukcilinders (70 %), stalen roosters (de OSDOC
stelde vast dat overheidsinstanties zorgden voor een meerderheid van de tijdens
het onderzoektijdvak geproduceerde WGS), dunwandige rechthoekige buizen en
pijpen (70,81 %), [30] Volgens het World Steel Capacity Book bedraagt de
productiecapaciteit van KGS in China ongeveer 81.035.000 ton per jaar en
volgens publiek beschikbare eigendomsgegevens wordt ongeveer 57.490.000 ton
geproduceerd door staatsondernemingen. [31] Het gemiddelde prijsverschil tussen de prijzen van
staatsondernemingen en die van particuliere leveranciers bedroeg tijdens het OT
slechts 3,75 %. [32] Artikel 18 van instructie nr. 35 - Het beleid voor
ingevoerde technologieën en apparatuur: ondernemingen worden aangemoedigd om
gebruik te maken van binnenlands gemaakte apparatuur en technologieën en de
uitvoer te verminderen. Artikel 20
van instructie nr. 35 - De ijzer- en staalondernemingen worden aangemoedigd om
zich te groeperen en strategische reorganisatie door te voeren in de vorm van
allianties tussen machtige ondernemingen… [33] Artikel 22 van instructie nr. 35 - De investeringen
in alle ijzer- en staalprojecten moeten onderzocht en goedgekeurd of
gecontroleerd worden door de NDRC overeenkomstig relevante bepalingen. Artikel 23 van instructie nr. 35 - Voor alle buitenlandse investeringen in de ijzer- en staalindustrie van
China geldt in beginsel dat zij geen meerderheidsbelang mogen hebben. [34] Artikel 24 van instructie nr. 35 In gevallen waarin
een project niet in overeenstemming is met het ontwikkelingsbeleid voor de
ijzer- en staalindustrie en niet voor onderzoek en goedkeuring is voorgelegd of
waarin het onderzoek en de goedkeuring van een project niet in overeenstemming
zijn met de toepasselijke bepalingen, zal het departement van overheidsgrond en
-hulpbronnen niet de formaliteiten afhandelen voor landgebruik en zal het
departement van handel en industrie de registratie ervan niet accepteren, zal
het administratieve departement van handel geen goedkeuring verlenen voor het
contract en de samenstelling, zal de financiële instelling geen lening of enige
vorm van kredietsteun verstrekken… Artikel 25 van instructie nr. 35 - Teneinde middellang en lang krediet te verstrekken voor investeringen
in vaste activa voor de projecten op het gebied van het smelten van ijzer, het
smelten van staal en het walsen van staal, dienen financiële instellingen zich
te houden aan het ontwikkelingsbeleid voor de ijzer- en staalsector en hun
risicobeheer te versterken. [35] Artikel
30 Indien twee of meer binnenlandse ondernemingen elkaar op schadelijke
wijze beconcurreren in verband met een buitenlandse hulpbron, kan de staat de
bestuursrechtelijke coördinatie op zich nemen om een alliantie te vormen of een
van de ondernemingen te selecteren om de investering te doen, zodat schadelijke
concurrentie voorkomen wordt. [36] Hoofdstuk III (III)6 van het twaalfde vijfjarenplan
voor de staalsector- clusterniveau: het aantal staalondernemingen
aanzienlijk verminderen; het aandeel van de staalproductie van de top tien van
staalondernemingen ten opzichte van het totale aantal ondernemingen stijgt van
48,6 % tot ongeveer 60 %. III.(V) van het twaalfde vijfjarenplan
voor de staalsector - De structuur van de industrie optimaliseren Dit hoofdstuk beschrijft hoe de
staalsector geherstructureerd moet worden met behulp van fusies, verhuizingen,
aanpassingen van de productiecapaciteit, verboden in sommige provincies en
steun in andere. [37] Bijlage
24 bij de klacht – verzameling relevante citaten uit diverse plannen en wetten. [38] De
Jiangsu Shagang Group bijvoorbeeld verklaarde op haar website (http://www.sha-steel.com/eng/index.html)::
"De Shagang Group zal nauwgezet het staatsbeleid met betrekking tot de
ontwikkeling van de staalindustrie uitvoeren. Ondersteund door wetenschappelijke
inzichten is Shagang voornemens de strategie van duurzame ontwikkeling na te
streven, een nieuwe weg naar industrialisatie in te slaan, te zorgen voor een
versnelling van de transformatie en modernisering, de aanpassing van de
productstructuur ten zeerste te bevorderen, te werken aan een verdere
uitbreiding van de eigen industriële keten, voldoende aandacht te schenken aan
ondersteunende ondernemingen, een moderne logistiek op te zetten,
kapitaaltransacties te doen en doorlopend het algemene concurrentievermogen van
het bedrijf te verbeteren teneinde door te gaan met Shagang perfect, sterk en
uitstekend te maken en ons best te doen om Shagang tot een beroemd merk te
maken als "honderdjarige fabriek". Ook zal Shagang opnieuw bijdragen
leveren om een harmonieus Jiangsu te bouwen en van China een machtige
staalnatie te maken." [39] Verslag van de WTO-beroepsinstantie (AB-verslag), US –
Countervailing Duty Investigation on DRAMS, paragrafen 111 en 116. [40] Dispuut nr. DS194 United States – Measures treating
export restraints as subsidies (panelverslag van 29 juni 2001). [41] Paragrafen 8.28-8.30 van het panelverslag. Hoewel de
"overheidsmaatregel" oorspronkelijk werd gekwalificeerd als
"expliciet en positief", wijzen latere bevindingen van de
WTO-beroepsinstantie erop dat dit wellicht een te strikte norm is. [42] Wat betreft de grond die wordt
gebruik voor doeleinden zoals de industrie, bedrijven, entertainment of
commerciële verhuur enz. en wat betreft de grond met twee of meer beoogde
gebruikers, dient de afstoting ervan plaats te vinden op manieren zoals
veilingen, inschrijvingen of iedere andere methode op basis van openbare
biedingen. [43] Artikel 24 van Besluit van de NDRC nr. 35 (Beleid voor de
ontwikkeling van de ijzer- en staalindustrie): in gevallen waarin een project
niet in overeenstemming is met het ontwikkelingsbeleid voor de ijzer- en
staalindustrie en niet voor controle en goedkeuring is voorgelegd of waarin de
controle en de goedkeuring van een project niet in overeenstemming zijn met de
toepasselijke bepalingen, zal het departement van overheidsgrond en
-hulpbronnen niet de formaliteiten afhandelen voor landgebruik. [44] George E. Peterson, Land leasing and land sale as an
infrastructure-financing option, World Bank Policy Research Working Paper 4043,
van 7 november 2006. [45] Informatie uit 2006 van Deutsche Bank Research over de
banksector in de VRC. [46] Documenten WT/TPR/S/230, blz. 79, en WT/TPR/C/264, blz.
122. [47] Uitvoeringsverordening (EU) nr. 452/2011 van de Raad van 6 mei 2011 tot
instelling van een definitief antisubsidierecht op gestreken fijn papier van
oorsprong uit de Volksrepubliek China. [48] http://www.dbresearch.com/PROD/DBR_INTERNET_EN-PROD/PROD0000000000204417.PDF [49] Document WT/TPR/S/230, blz. 79, april 2010. [50] Document WT/TPR/S/264, blz. 122, april 2010. [51] Ibid. [52] Informatie uit "2006 Deutsch Bank Research on China's
banking sector", bladzijden 3-4. [53] Informatie uit het China Monetary Report Quarter Two,
2010 van de Monetary Policy Analysis Group van de People's Bank of China, d.d.
5 augustus 2010, bladzijde 10. [54] Overwegingen 87 en 90 van Uitvoeringsverordening (EU) nr.
452/2011 van de Raad van 6 mei 2011. [55] Zie bevinding met betrekking tot overheidsinstanties in
paragraaf 53. [56] Artikel 34 van de wet inzake handelsbanken. [57] Werkdocument van het IMF, "Progress in China's
Banking Sector Reform: Has Bank Behaviour Changed?", WP/06/71,
maart 2006, (zie de bladzijden 3-4, 13, 18-20). [58] Werkdocument van het IMF, "Interest Rate
Liberalization in China", WP/09/171, augustus 2009, (zie bladzijden
3-4, 21-23). [59] Landenverslag van het IMF, VRC: 2010 raadpleging uit
hoofde van artikel IV, nr. 10/238, juli 2010, (zie de bladzijden 22, 24 en
28-29). [60] OECD 2010 Economic Survey of China, februari 2010,
(zie hoofdstuk 3, de bladzijden 71, 73-81, 97). [61] OECD China's Financial Sector Reforms, Economic
Department Working Paper nr. 747, ECO/WKP (2010) 3, 1 februari 2010, (zie
de bladzijden 2, 8-15, 36). [62] De artikelen 16, 24 en 25. [63] Een bericht met betrekking tot uitvoeringsmaatregelen voor
de correctie en revitalisering van tien belangrijke sectoren voor de provincie
Hubei stelt voor om te zorgen voor een actieve integratie van het ondersteunende
financiële kapitaal van de provincie voor industriële ontwikkeling,
optimalisatie van kapitaalinvesteringen en om innovatief te zijn op diverse
ondersteunende manieren. Zorg voor intensievere ondersteuning voor
innovatie en technologische vooruitgang op het gebied van ijzer en
staal..", "Maak gebruik van financiële maatregelen om de consolidatie
van de industrie te bevorderen en maak het gemakkelijker voor concurrerende
ondernemingen om financiering voor fusies en acquisities te verkrijgen",
"Voer ondersteuningsplannen uit voor kernsectoren". IJzer- en
staalindustrie: Alle financiële instellingen moeten zorgen voor een verbetering
en optimalisatie van de kredietverlening aan gespecialiseerde projecten van de
verwerkingsindustrie voor staal en non-ferrometalen, teneinde tegemoet te komen
aan de financiële behoeften van relevante ondernemingen met betrekking tot
investeringen, de uitvoer en andere essentiële gebieden" enz. [64] Gedetailleerde regels voor de uitvoering van het
correctie- en revitaliseringsprogramma voor de staalindustrie [2009] voorzien
in "het verhogen van de financiële steun voor belangrijke
kernondernemingen". [65] Artikel 116 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 452/2011
van de Raad van 6 mei 2011 tot instelling van een definitief antisubsidierecht
op gestreken fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB van de
EU L 128 van 14 mei 2011. [66] Artikel 117 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 452/2011
van de Raad van 6 mei 2011 tot instelling van een definitief antisubsidierecht
op gestreken fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek China, PB van de
EU L 128 van 14 mei 2011. [67] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op de bladzijden 25 en 26 van de besluitnota van de VS (Decision
Memorandum) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality
Steel Line Pipe (blz. 26) (Federal Register / Vol. 73, nr. 227, blz. 70961
/ 24 november 2008). [68] Certain Steel Wheels From the People's Republic of
China, Preliminary Affirmative Countervailing Duty Determination, 6
september 2011, US Federal Register, documentnummer 2011-22720. [69] Beide programma's hebben betrekking op een soortgelijke
preferentiële behandeling wat betreft de vennootschapsbelasting in hetzelfde
geografische gebied. [70] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op bladzijde 25 van het VS-besluit (Decision Memorandum)
van 3 juni 2010 inzake Wire Decking (blz. 25) (Federal Register /
Vol. 75, nr. 111, bladzijde 32902 / 10 juni 2010). [71] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op bladzijde 11 van de VS-besluitnota (Decision Memorandum)
van 12 juni 2009 inzake Certain Tow Behind Lawn Groomer and Certain Parts
Thereof (Federal Register / Vol. 74, nr. 117, bladzijde 29180 / 19
juni 2019). [72] Overwegingen 125-136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr.
452/2011 van de Raad van 6 mei 2011, PB L 128 van 14 mei 2011. [73] Overwegingen 137-147 van Uitvoeringsverordening (EU) nr.
452/2011 van de Raad van 6 mei 2011 tot instelling van een definitief
antisubsidierecht op gestreken fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek
China, PB van de EU L 128 van 14 mei 2011. [74] Overwegingen 148-159 van Uitvoeringsverordening (EU) nr.
452/2011 van de Raad van 6 mei 2011, PB L 128 van 14 mei 2011. [75] Issues and Decision Memorandum for the Final
Determination in the Countervailing Duty Investigation of Coated Free Sheet
from the People's Republic of China, 17 oktober 2007; US Federal Register,
C-570-907. [76] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op bladzijde 18 van het VS-besluit (Decision Memorandum) van 28
mei 2010 inzake Certain Steel Grating (Federal Register Vol. 75, nr.
109, bladzijde 32362 / 8 juni 2010). [77] Overwegingen 172-181 van Uitvoeringsverordening (EU) nr.
452/2011 van de Raad van 6 mei 2011, PB L 128 van 14 mei 2011. [78] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op bladzijde 18 van het VS-besluit (Decision Memorandum) van 28
mei 2010 inzake Certain Steel Grating (Federal Register Vol. 75, nr.
109, bladzijde 32362 / 8 juni 2010). [79] Bijv. Conference of the High Tech Industries of the
Chinese Academy of Sciences, 11 november 2002, Issues and Decesion
Memorandum for the Final Affirmative CVD Determination: OTR tires from
the PRC, 18 april 2011; US Federal Register, C-570-913, blz. 24. [80] Issues and Decision Memorandum for the Final
Affirmative Countervailing Duty Determination: Laminated Woven sacks for the
PRC, 16 juni 2008; US Federal Register, C-570-917, blz.27; Issues and Decision
Memorandum for the Final Determination in the Countervailing Duty Investigation
of Circular Welded Carbon Quality Steel Line Pipe from the PRC, 23 maart 2009,
US Federal Register, C-570-936, blz. 18, Issues and Decision Memorandum for the
Final Determination in the Countervailing Duty Investigation of Light –Walled
Rectangular Pipe and Tube from the PRC, 13 juni 2008, US Federal Register, C-570-915,
blz.13. [81] Overweging 202 van Uitvoeringsverordening (EU) nr.
452/2011 van de Raad van 6 mei 2011 tot instelling van een definitief
antisubsidierecht op gestreken fijn papier van oorsprong uit de Volksrepubliek
China. [82] Certain Seamless Carbon and Alloy Steel Standard,
Line, and Pressure Pipe From the People's Republic of China, bepaling van
definitieve positieve compenserende rechten, 21 september 2010, US Federal
Register Vol. 75, nr. 182, blz. 57444. [83] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op de bladzijden 20 en 21 van de besluitnota van de VS (Decision
Memorandum) van 10 september 2010 inzake Certain Seamless Carbon and
Alloy Steel Standard, Line, and Pressure Pipe (Federal Register Vol. 75,
nr. 182, bladzijde 57444 / 21 september 2010). [84] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op de bladzijden 20 en 21 van de besluitnota van de VS (Decision
Memorandum) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality
Steel Line Pipe (Line Pipe) (Federal Register / Vol. 73, nr. 227,
bladzijde 70961 / 24 november 2008). [85] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op de bladzijden 23 van de besluitnota van de VS (Decision
Memorandum) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality
Steel Line Pipe (Line Pipe) (Federal Register / Vol. 73, nr. 227,
blz. 70961 / 24 november 2008). [86] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op de bladzijden 23 van de besluitnota van de VS (Decision
Memorandum) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality
Steel Line Pipe (Line Pipe) (Federal Register / Vol. 73, nr. 227,
blz. 70961 / 24 november 2008). [87] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op de bladzijden 23 van de besluitnota van de VS (Decision
Memorandum) van 17 november 2008 inzake Circular Welded Carbon Quality
Steel Line Pipe (Line Pipe) (Federal Register / Vol. 73, nr.
227, blz. 70961 / 24 november 2008). [88] Pre-Stressed Concrete Steel Wire Strand from the
People's Republic of China, bepaling van voorlopige positieve compenserende
rechten, 2 november 2009, US Federal Register, documentnummer E9-26322, blz.
56576-56592. [89] De methodologie voor de berekening van het subsidiebedrag
wordt uitgelegd op bladzijde 35 van het VS-besluit (Decision Memorandum)
van 14 mei 2010 inzake Pre-Stressed Concrete Steel Wire Strand (Federal
Register Vol. 75, nr. 98, bladzijde 28557 / 21 mei 2010). [90] Panelverslag inzake de VRC – Countervailing and
Anti-Dumping Duties on Grain Oriented Flat-rolled Electrical Steel from the
United States . [91] Ibid. [92] Panelverslag inzake de VRC – Countervailing and
Anti-Dumping Duties on Grain Oriented Flat-rolled Electrical Steel from the
United States. [93] Besluit nr.40 van de Raad van State tot afkondiging en
implementering van de "Tijdelijke bepalingen inzake de bevordering van de
aanpassing van de industriële structuur". [94] Panelverslag inzake de VRC – Countervailing and
Anti-Dumping Duties on Grain Oriented Flat-rolled Electrical Steel from the
United States. [95] Voor zover de Commissie begreep, zou een dergelijke lijst
uitputtend moeten zijn en daardoor de controle iedere vorm van flexibiliteit
ontnemen en bij voorbaat de mogelijkheid uitsluiten van het stellen van
vervolgvragen of vragen naar aanleiding van argumenten of feiten die tijdens de
controle aan de orde zouden kunnen komen. [96] Vraag 5.12 van de aanmaning tot het verstrekken van
ontbrekende gegevens aan de GOC. [97] De WTO-beroepsinstantie in het onderzoek US-Countervailing
Duty Investigation on DRAMS from Korea: het toevertrouwen van functies en
het belasten met functies heeft geen betrekking op "de situatie waarin de
overheid op enige wijze in de markt intervenieert, met al dan niet een bepaald
resultaat als gevolg, enkel gebaseerd op de gegeven feitelijke omstandigheden
en op de uitoefening van vrije keuze door de deelnemers aan die markt. Derhalve
kan "het toevertrouwen van functies" of "belasten met
functies" niet onwillekeurig zijn of slechts een bijkomend gevolg van overheidsregulering."
[98] De grote posities van banken in staatsondernemingen, de
door rentevoorschriften gegarandeerde marges, de nog steeds beperkte
aansprakelijkheid en bereidheid om krediettarieven te differentiëren, gekoppeld
aan de impliciete sturing van het tempo en bestemming van nieuw krediet
ondermijnen de ontwikkeling van doeltreffend kredietrisicobeheer van de banken.
Het is belangrijk dat banken instrumenten en stimulansen hebben om
leenbeslissingen zuiver op grond van commerciële doelstellingen te nemen. [99] Een groot deel van de banksector is in eigendom van de
staat, zoals een groot aantal klanten van de banken. Als belangrijkste
aandeelhouder benoemt de staat het hoogste niveau van leidinggevenden van alle
grote banken. Bij gebrek aan een uitdrukkelijk depositogarantiestelsel en
beslissingskader in dit verband staat de overheid impliciet ook garant voor
alle deposito's. Het feit dat de overheid een grote rol speelt binnen vele
aspecten van het financiële stelsel vermindert de marktdiscipline, verzwakt
corporate governance en houdt een groot risico van zwakke budgettaire
restricties in. [100] 2011 Internationaal Monetair Fonds, november 2011,
IMF-landenverslag nr. 11/321, People's Republic of China: Financial t. [101] Informatie afkomstig van http://www.taiwanembassy.org/be/ct.asp?xItem=306196&CtNode=3382&mp=102&xp1en
http://en.wikipedia.org/wiki/Taiwan. [102] Informatie
afkomstig van http://en.wikipedia.org/wiki/Jiangsu;
http://en.wikipedia.org/wiki/Zhejiang#Economy
en http://en.wikipedia.org/wiki/Chongqing#Economy [103] Informatie afkomstig van https://www.cia.gov/library/publications/the-world-factbook/rankorder. [104] Europese Commissie, directoraat-generaal handel,
directoraat H, B-1049 Brussel.