This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52011PC0804
Proposal for a REGULATION OF THE EUROPEAN PARLIAMENT AND OF THE COUNCIL on the European Maritime and Fisheries Fund [repealing Council Regulation (EC) No 1198/2006 and Council Regulation(EC) No 861/2006 and Council Regulation No XXX/2011 on integrated maritime policy
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij [tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad, Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad en Verordening nr. XXX/2011 van de Raad inzake het geïntegreerd maritiem beleid]
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij [tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad, Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad en Verordening nr. XXX/2011 van de Raad inzake het geïntegreerd maritiem beleid]
/* COM/2011/0804 definitief - 2011/0380 (COD) */
Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij [tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad, Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad en Verordening nr. XXX/2011 van de Raad inzake het geïntegreerd maritiem beleid] /* COM/2011/0804 definitief - 2011/0380 (COD) */
TOELICHTING 1. ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL In haar op 29 juni aangenomen voorstel inzake
het meerjarig financieel kader (MFK) voor de periode 2014-2020 zet de Commissie
het begrotingskader en de voornaamste leidraden voor de financiering van het
gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en het geïntegreerd maritiem beleid
(GMB) uiteen. Daarnaast heeft de Commissie op 13 juli 2011 een
pakket met het nieuwe wetskader voor het GVB vastgesteld. In
de periode 2008 – 2010 is het GMB gefinancierd via een reeks proefprogramma's
en voorbereidende acties. Voor de periode 2012 – 2013 heeft de
Commissie een nieuw financieel instrument voorgesteld. Vanwege de invoering van
het nieuwe MFK moet een langetermijninstrument voor de financiële
steunverlening in het kader van het GMB worden vastgesteld. Op 6 oktober 2011
heeft de Commissie, voornamelijk met het oog op de vereenvoudiging van de
beleidsvorming, een voorstel voor een verordening inzake
"gemeenschappelijke bepalingen" aangenomen met daarin
gemeenschappelijke voorschriften voor de gedeeld beheerde fondsen. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal
Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor
Plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij
(GSK‑fondsen – GSK = gemeenschappelijk strategisch kader) zijn
gericht op elkaar aanvullende doelstellingen en worden volgens dezelfde methode
beheerd. De verordening inzake gemeenschappelijke bepalingen omvat een aantal
gemeenschappelijke voorschriften voor deze fondsen. Deze bepalingen betreffen
de algemene beginselen van steunverlening zoals partnerschap, meerlagig
bestuur, gelijkheid van vrouwen en mannen, duurzaamheid en naleving van het
toepasselijke EU- en nationale recht. Het voorstel omvat tevens de gemeenschappelijke
elementen voor de strategische planning en programmering, met inbegrip van een
lijst thematische doelstellingen die voortvloeien uit de Europa 2020-strategie,
bepalingen betreffende het gemeenschappelijk strategisch kader op Unieniveau en
bepalingen inzake de met elke lidstaat te sluiten partnerschapscontracten. Bij
deze verordening zouden macro-economische voorwaarden en een gemeenschappelijke
aanpak van de prestatiegerichtheid van de GSK‑fondsen worden ingevoerd. Hiertoe
zijn in het voorstel voorafgaande voorwaarden, een evaluatie van de prestaties
en regelingen voor monitoring, verslaglegging en evaluatie vastgesteld. Het
voorstel bevat ook gemeenschappelijke bepalingen wat subsidiabiliteitsregels
betreft, en bijzondere regelingen voor financiële instrumenten en door de
gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkeling. Ook sommige beheers- en
controleregelingen zijn voor alle GSK-fondsen gemeenschappelijk. Het huidige voorstel inzake het Europees
Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) is gericht op de
verwezenlijking van de doelstellingen van het hervormde GVB en van het GMB. Het voorstel is gebaseerd op de volgende doelstellingen, die tevens
richtgevend zijn voor de financiering: (1)
bevordering van een duurzame en concurrerende
visserij‑ en aquacultuursector; (2)
bevordering van de ontwikkeling en de uitvoering
van het geïntegreerd maritiem beleid van de EU op een manier die complementair
is aan het cohesiebeleid en het GVB; (3)
bevordering van een evenwichtige en inclusieve
territoriale ontwikkeling van de visserijgebieden (met inbegrip van de
aquacultuur en de visserij in de binnenwateren); (4)
bevordering van de uitvoering van het GVB. In de Wereldhandelsorganisatie wordt momenteel
onderhandeld over nieuwe vormen van subsidiëring van de visserij. Gezien de prille fase waarin de onderhandelingen zich bevinden, is het
onmogelijk te voorspellen wat uiteindelijk uit de bus zal komen. Mochten de
onderhandelingen echter nieuwe verplichtingen voor de EU met zich meebrengen,
dan moet het EFMZV‑voorstel daarmee in overeenstemming zijn. Hiertoe kan het
noodzakelijk zijn een analyse van de compatibiliteit van de betrokken EFMZV‑maatregelen
te verrichten. 2. RESULTATEN VAN DE
RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING Op basis van de evaluatie achteraf van het
FIOV, de tussentijdse evaluatie van het EVF en de effectbeoordeling van de GVB‑hervorming
worden in het kader van de effectbeoordeling van het EFMZV drie alternatieve
scenario's onderzocht: i) het "EVF+"‑scenario
(voortzetting van het bestaande EVF zonder de meeste rechtstreekse
vlootsubsidies en met steunverlening die gericht is op de doelstellingen van de
GVB‑hervorming, ii) het "EVF+integratie"‑scenario (de andere
instrumenten voor de financiering van het EVF worden geïntegreerd in een post‑EVF‑fonds,
maar de momenteel bestaande beheersmethode wordt gehandhaafd), en iii) het
"EVF+convergentie"‑scenario (ook de steun voor het GMB wordt in het
ene fonds geïntegreerd en alle instrumenten worden zo veel mogelijk gedeeld
beheerd). Deze drie
beleidsscenario's zijn in overeenstemming gebracht met het aanbevolen scenario
voor de GVB‑hervorming en aan hetzelfde basissituatiescenario getoetst. Bovendien is hierbij rekening gehouden met de resultaten van het
overleg dat van start is gegaan met de vaststelling van het groenboek in april 2009.
Uit dit overleg zijn de volgende bevindingen naar voren gekomen: –
in veel bijdragen wordt verzocht om voortzetting
van de openbare financiering van de visserij, hoewel enkele lidstaten en de
meeste NGO's aanvoeren dat hierdoor onrendabele structuren in stand worden
gehouden, de overcapaciteit wordt gestimuleerd en de sector aangewezen blijft
op subsidies; –
de partijen zijn het erover eens dat steunverlening
moet worden gekoppeld aan uitvoering van de GVB‑hervorming en de
aanpassingskosten van de sector moet verlichten; –
de EU‑steun moet vooral worden geoormerkt voor
onderzoek en innovatie, betere bescherming van het mariene milieu,
ondersteuning van vissersorganisaties en plaatselijke ontwikkeling; –
de band met het GMB wordt als belangrijk ingeschat
in de zin dat maritieme beleidslijnen niet meer los van elkaar mogen worden
uitgevoerd en dat de coherentie tussen het GVB en het GMB moet worden
versterkt; –
EU‑financiering moet in grotere mate afhankelijk
worden gemaakt van de verwezenlijking van de GVB‑doelstellingen; naleving van de voorschriften/streefdoelen moet gevolgen hebben voor
de beschikbaarstelling van financiële middelen; –
een meer sectorale benadering van de toewijzing van
financiële middelen (gekoppeld aan de omvang van de betrokken visserijsector in
plaats van aan het niveau van economische ontwikkeling - zoals nu het geval is)
kan op forse steun van een groep lidstaten rekenen, terwijl het EP daartegen
gekant is; –
er bestaat algemene overeenstemming over het belang
van de kleinschalige kustvloten, die in de kustgemeenschappen nog steeds een
groot aantal mensen een baan bezorgen. Sommige lidstaten
staan achter het idee deze vloot een geprivilegieerde toegang tot de
financiering te geven, terwijl andere zich verzetten tegen een specifieke
behandeling van deze vloten; –
een overweldigende meerderheid, zowel van partijen
uit de sector als van de lidstaten, vindt dat de EU voor gemeenschappelijke
diensten (zoals controle en gegevensverzameling) steun moeten blijven verlenen. Naast het openbare
overleg zijn ca. 200 bijeenkomsten met de belanghebbende partijen
georganiseerd. Voorts hebben in 2010 en 2011 besprekingen
over de GVB‑hervorming en de financiering van het GVB plaatsgehad. Met name: i) een specifiek seminar over het toekomstige EVF
met belanghebbende partijen uit de sector, de vakbonden, het EP en de lidstaten
(Brussel, 13 april 2010), ii) twee ontmoetingen met de lidstaten in Gent (12 - 14
september 2010) en Noordwijk (9 - 11 maart 2011) en iii) een
conferentie over de toekomst van plaatselijke ontwikkeling in visserijgebieden
(Brussel, 12 ‑ 13 april 2011). Tot
slot hebben de Commissie, de Raad en het EP bevestigd dat maritieme zaken
inderdaad op een geïntegreerde manier moeten worden benaderd en dat behoefte bestaat
aan financiering in het kader van het GMB. In de effectbeoordeling werd geconcludeerd dat
het "EVF+convergentie"‑scenario de beste score oplevert voor de
impactindicatoren die voor analyse zijn geselecteerd, nl. het verlagen van de
impact van de visserij op het milieu, het dichten van de innovatiekloof in de
visserij en de aquacultuur en het creëren van banen in gemeenschappen die op de
visserij zijn aangewezen. 3. JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET
VOORSTEL Samengevat wordt voorgesteld de meeste bestaande
financiële instrumenten van het GVB en het GMB (met uitzondering van de
duurzamevisserijovereenkomsten en de verplichte bijdrage aan de ROVB's) in één
fonds te integreren. Het EFMZV wordt gestructureerd rond 4 pijlers: · slimme, groene visserij (gedeeld beheer) om de
overgang te bevorderen naar een duurzame visserij die selectiever is, geen
teruggooi met zich brengt, minder schade berokkent aan mariene ecosystemen en
op die manier bijdraagt tot een duurzaam beheer van de mariene ecosystemen; steunverlening gericht op innovatie en toegevoegde waarde, waardoor de
visserijsector rendabel wordt en weerbaar tegen externe schokken en
concurrentie van derde landen; · slimme, groene aquacultuur (gedeeld beheer)
voor een rendabele, concurrerende en groene acquacultuur die in staat is om de
mondiale concurrentie het hoofd te bieden en de EU-consumenten gezonde
producten met hoge voedingswaarde te verschaffen; · duurzame en geïntegreerde territoriale ontwikkeling (gedeeld beheer) om de neergang van talrijke kust- en landinwaarts
gelegen gemeenschappen die van de visserij afhankelijk zijn, om te buigen, door
meer waarde toe te voegen aan de visserij en de visserijgerelateerde
activiteiten en door te diversifiëren naar andere sectoren van de maritieme
economie; · geïntegreerd maritiem beleid (direct
gecentraliseerd beheer) ter ondersteuning van de verwezenlijking van
horizontale prioriteiten die reële besparingen en groei genereren, maar waaraan
de lidstaten niet zelf uitvoering zullen geven, zoals mariene kennis, maritieme
ruimtelijke ordening, geïntegreerd beheer van kustgebieden, geïntegreerde
maritieme bewaking, bescherming van het mariene milieu, met name de
biodiversiteit ervan, en aanpassing aan de negatieve gevolgen van de
klimaatverandering voor kustgebieden. Naast deze vier pijlers zal het EFMZV een
aantal begeleidende maatregelen omvatten: gegevensverzameling
en wetenschappelijk advies, controle, beheer, visserijmarkten (inclusief in de
ultraperifere gebieden), vrijwillige betalingen aan de ROVB's en technische
bijstand. Het voorstel is in overeenstemming met het
subsidiariteitsbeginsel. De belangrijkste taak van het
EFMZV bestaat erin de doelstellingen van het GVB (waarvoor de EU
exclusief bevoegd is) te ondersteunen en het geïntegreerd maritiem
beleid van de EU verder te ontwikkelen. De EU is beter toegerust dan de
afzonderlijke lidstaten om deze doelstellingen te halen, en wel via op
relevante prioriteiten gerichte meerjarige financiering. 4. Welke lessen zijn uit de opgedane
ervaring getrokken en welke elementen van het EFMZV zijn nieuw? Bijdrage tot Europa 2020 Het EFMZV zal bijdragen tot de verwezenlijking
van de doelstellingen van de Europa 2020‑strategie, en wel in het kader
van drie vlaggenschipinitiatieven: i) een efficiënt
gebruik van hulpbronnen in Europa, ii) innovatie in de Unie en iii) de agenda
voor nieuwe vaardigheden en banen. Het EFMZV zal een belangrijke bijdrage tot het
vlaggenschipinitiatief inzake "een efficiënt gebruik van hulpbronnen"
in Europa leveren door steun ter beschikking te stellen voor de overgang naar
een duurzame visserij die is gebaseerd op de maximale duurzame opbrengst, de
afschaffing van de teruggooi, de verlaging van het effect van de visserij op
het mariene milieu, de bevordering van een aquacultuur met een hoog niveau van
milieubescherming, en een betere, op een duurzaam gebruik van de hulpbronnen
gerichte coördinatie van maritieme beleidslijnen. Met het oog op de "agenda voor nieuwe
vaardigheden en banen" moet het EFMZV er een prioriteit van maken de
werkgelegenheid, de territoriale cohesie en de sociale inclusie in op de
visserij aangewezen gemeenschappen te verbeteren. Het diversifiëren van de lokale
economische activiteiten naar met name andere sectoren van de maritieme
economie moet uitmonden in nieuwe banen en groeikansen in de kustgebieden. Het EFMZV zal bijdragen tot het
vlaggenschipinitiatief inzake "innovatie in de Unie" door steun ter
beschikking te stellen voor product‑ en procesinnovatie in alle stadia van de
productie‑, afzet‑ en distributieketen van de visserij‑ en de aquacultuursector,
voor het toevoegen van waarde aan de visserij‑ en de aquacultuurproducten, voor
eco‑innovatie en voor de ontwikkeling van nieuwe, innovatieve, horizontale
beleidsinstrumenten op het gebied van met name mariene kennis, maritieme
ruimtelijke ordening en geïntegreerde maritieme bewaking. Versterkte sociale dimensie Middels het EFMZV moeten de sociale cohesie en
de werkgelegenheid in op de visserij aangewezen gemeenschappen worden bevorderd
door meer waarde toe te voegen aan de visserijproducten en door te
diversifiëren naar andere activiteiten in de maritieme sector. Er wordt naar gestreefd de duurzame ontwikkeling van visserijgebieden
in nog sterkere mate door de betrokken gemeenschap te laten aansturen. In het
kader van het EFMZV wordt bovendien voor het eerst gewezen op de - veelal niet
wettelijk erkende - rol van de echtgenoten (meestal vrouwen) in de familiale
visserijbedrijven. Zij komen onder meer in aanmerking voor EFMZV‑steun voor
opleiding, met name voor de verwerving van vaardigheden op het gebied van
ondernemerschap en bedrijfsbeheer. Voorts zal het EFMZV het menselijk kapitaal en
de diversifiëring bevorderen door lokale gemeenschappen in staat te stellen de
vaardigheden te verwerven die vereist zijn voor nieuwe activiteiten in andere
maritieme sectoren. Belangrijke troeven voor de
plaatselijke ontwikkeling, zoals het natuurlijke en het culturele erfgoed,
zullen in dit verband eveneens worden ingezet. Gezien het belang van de kleinschalige
kustvloot voor de kustgemeenschappen wordt voorgesteld om in het kader van het
EFMZV een hogere steunintensiteit op deze vloten toe te passen en een aantal
bijzondere maatregelen in te voeren die uitsluitend gelden voor deze vloten. Deze maatregelen omvatten professionele adviesverlening over bedrijfs‑
en afzetstrategieën, het opstarten van ondernemingen buiten de visserijsector
en bijzondere steun voor innovatie. Dit laatste type steun is bijzonder
belangrijk aangezien deze visserijbedrijven voor het grootste deel micro‑ondernemingen
zijn met een beperkte toegang tot financiering. Collectieve
maatregelen, onder meer van producentenorganisaties, die gebaseerd zijn op
sociaal kapitaal en de nodige kritieke massa voor investeringen kunnen
verzamelen, krijgen voorrang. Deze collectieve maatregelen
komen bovendien in aanmerking voor een hogere steunintensiteit. Milieuduurzaamheid De bestaande
maatregelen zijn gestroomlijnd en herzien om een duidelijke koppeling met
milieuduurzaamheid tot stand te brengen. De overcapaciteit
blijft het meest nijpende probleem van het GVB en is één van de voornaamste
oorzaken van de overbevissing. Regelingen voor de verlening van overheidssteun
voor het afbouwen van de overcapaciteit, zoals de sloopregeling, zijn niet
doeltreffend gebleken. Hoewel sinds 1994 1,7 miljard euro aan dergelijke
maatregelen is besteed, is de visserijcapaciteit van de meeste EU‑vloten niet
gedaald. In het kader van het EFMZV zal daarom geen sloopsteun meer worden
verleend en zullen de aldus bespaarde financiële middelen worden gebruikt voor
efficiëntere vormen van steunverlening voor duurzame visserij. Het EFMZV zal de overgang naar de toepassing
van het beginsel van de maximale duurzame opbrengst (MSY – maximum sustainable
yield) ondersteunen en de geleidelijke invoering van een teruggooiverbod via de
integrale benadering vergemakkelijken dankzij maatregelen zoals steunverlening
voor selectievere vistuigen en visserijtechnieken, investeringen in
boordapparatuur en havenvoorzieningen die nodig zijn voor de behandeling van
ongewenste vangsten en maatregelen op het gebied van afzet en verwerking. Om dezelfde reden is de financiële toewijzing voor gegevensverzameling
en verstrekking van wetenschappelijk advies (met als doel het aantal bestanden
waarvoor wetenschappelijk advies voorhanden is, te verhogen) en voor controle
(met als doel de naleving te verbeteren) aanzienlijk verhoogd. Voorts zal nadruk worden gelegd op de
ontwikkeling van een aquacultuur met een hoog niveau van milieubescherming en
op steunverlening voor een aquacultuur die een positief effect op de
ecosystemen heeft. Wereldwijd neemt de visserij ongeveer 1,2 %
van het mondiale brandstofverbruik voor haar rekening. Om
de verwezenlijking van het in de Europa 2020‑strategie opgenomen kerndoel
inzake de klimaatverandering dichterbij te brengen, moeten de hulpbronnen
efficiënter worden gebruikt en moeten de emissies in de vangstsector en, in
mindere mate, in de aquacultuursector worden verminderd. Met het oog hierop zal
uit het EFMZV steun worden verleend voor bepaalde maatregelen die de klimaatverandering
moeten matigen. Nadruk op een innovatieve, rendabele en
concurrerende visserij‑ en aquacultuursector. Zowel de visserij‑ als de aquacultuursector
heeft moeite om te innoveren. Aanbod en afzet zijn
tegenwoordig zo georganiseerd dat de visserij‑ en de aquacultuurbedrijven
zelden betrokken zijn bij de verkoop en de afzet van hun eigen producten. 1. In het EFMZV zijn nieuwe,
sterk innovatiegerichte maatregelen opgenomen met als doel de ontwikkeling van
nieuwe of betere producten, processen en beheers‑ en organisatiesystemen in de
hele waardeketen te stimuleren om zo de visserij‑ en de aquacultuursector te
helpen waarde aan hun producten toe te voegen, de milieu‑impact van hun
activiteiten te verminderen en de productiekosten te drukken. Voorts zal de innovatie
worden bevorderd dankzij maatregelen om de samenwerking tussen wetenschappers
en vissers te stimuleren. Dankzij steunverlening voor door de gemeenschap
aangestuurde plaatselijke ontwikkeling zal de innovatie (of die nu
technologisch of niet‑technologisch van aard is en is gebaseerd op nieuwe of op
traditionele praktijken) op lokaal niveau worden verspreid aangezien de
innovatiebehoeften vaak door het lokale kader worden bepaald. 2. Een ander doel van het EFMZV
bestaat erin om voor het eerst nieuwe vormen van aquacultuur met een groot
groeipotentieel, zoals offshore aquacultuur en non‑food aquacultuur
te stimuleren en het opstarten van ondernemingen te bevorderen. Een ander nieuw
element in het EFMZV is de steunverlening voor multifunctionele aquacultuur -
een bedrijfsmodel dat het mogelijk maakt het inkomen van de
aquacultuurbedrijven te diversifiëren naar activiteiten zoals hengeltoerisme,
rechtstreekse verkoop, ecotoerisme en educatieve activiteiten in verband met
aquacultuur. Daarnaast omvat het voorstel steunverlening voor het gebruik van
adviesdiensten door aquacultuurbedrijven en maatregelen om het potentieel van
de aquacultuurlocaties te vergroten (onder meer via financiering voor maritieme
ruimtelijke ordening en verbetering van de infrastructuur). Complementariteit en synergie met onderzoeks‑
en innovatieprogramma's uit het nieuwe kaderprogramma voor onderzoek dat
momenteel wordt voorbereid (Horizon 2020), zullen worden aangemoedigd. Een nieuw elan voor de ontwikkeling van het
geïntegreerd maritiem beleid (GMB) Het GMB is in 2007
op de rails gezet om de grens‑ en sectoroverschrijdende maritieme coördinatie
te bevorderen (met sectoren wordt bedoeld: maritiem
vervoer, maritieme industrie, kustgebieden, offshore energie, visserij en
marien milieu). Het coördineren van beleidsgebieden die vroeger strikt van
elkaar gescheiden waren, leidt tot kostenverlaging en meer efficiëntie. De financiële
EFMZV‑middelen voor het GMB zullen vooral worden gebruikt voor de ontwikkeling
van horizontale beleidsinstrumenten, d.w.z. initiatieven die verschillende
sectoren ten goede komen, maar niet renderen indien ze binnen de grenzen van
één bepaald beleidsgebied ten uitvoer worden gelegd. Regels
in verband met maritieme ruimtelijke ordening vormen een stabiel
rechtskader voor het duurzame beheer van mariene gebieden, hulpbronnen en
ecosysteemdiensten. Dergelijke regels blijken meer maritieme investeringen aan
te trekken en de juridische en administratieve kosten voor de bedrijven te
verlagen. Dankzij geïntegreerde maritieme bewaking kunnen de openbare
actoren gegevens delen om efficiënt te kunnen ingrijpen zodra op zee iets
gebeurt. Op die manier wordt overlapping van geldverslindende acties op het
gebied van maritieme bewaking voorkomen. Geïntegreerde bewaking brengt kostenefficiënte
synergieën met zich mee die op hun beurt leiden tot een beter gebruik van
overheidsgeld. In het teken van mariene kennis 2020 moet de
gefragmenteerde mariene kennis die Europa in huis heeft, worden gebald tot een
kennisbasis die gratis en publiek toegankelijk is. In de kaderrichtlijn
mariene strategie (oftewel de milieupijler van het GMB) zullen de grenzen
van de duurzaamheid van menselijke activiteiten met een impact op het mariene
milieu nader worden omschreven. Een geïntegreerd
beheer van maritieme zaken resulteert in een beter gebruik van
overheidsmiddelen en in een optimaal effect van de verschillende beleidslijnen
met betrekking tot de zee. In het verlengde hiervan zal
ook financiering worden uitgetrokken voor de ontwikkeling van een geïntegreerd
maritiem bestuur op zeegebiedniveau. Via coördinatie op zeegebiedniveau wordt
gegarandeerd dat de financiële middelen worden uitgegeven binnen een coherent
beleidskader waarin verschillende financieringsbronnen worden gecombineerd. De
opname van het GMB in het EFMZV is bovendien bevorderlijk voor de integratie
van maritieme doelstellingen in andere fondsen, wat er op haar beurt voor zorgt
dat de maritieme beleidslijnen een grotere bijdrage leveren tot de Europa 2020‑strategie. Vereenvoudiging en beperking van de
administratieve lasten De integratie van de vijf financiële
instrumenten van het GVB en het GMB in één fonds en de stroomlijning van de
regels en procedures komen neer op een aanzienlijke vereenvoudiging. Gegevensverzameling, controle‑ en marktmaatregelen, inclusief de
compensatie voor de ultraperifere gebieden, zullen bovendien samen met de
vroegere EVF‑maatregelen gedeeld worden beheerd. Dit betekent dat vier reeksen
financiële besluiten, verslagleggings‑, monitoring‑ en evaluatieprocedures
zullen worden vervangen door één. Uit de tussentijdse evaluatie van het EVF is
gebleken dat het opzetten van het beheers‑ en controlesysteem de grootste
administratieve belasting met zich heeft gebracht. Het
voorstel inzake gemeenschappelijke bepalingen heeft betrekking op een beheers-
en controlesysteem dat vergelijkbaar is voor GSK‑fondsen en op
gemeenschappelijke beginselen is gebaseerd. Er wordt een systeem van nationale
accreditatie ingevoerd zodat de nadruk op het engagement van de lidstaten voor een
gezond financieel beheer komt te liggen. De regelingen die de Commissie ervan
moeten verzekeren dat de uitgaven volgens de regels plaatsvinden, zijn
geharmoniseerd en er zijn nieuwe gemeenschappelijke elementen geïntroduceerd
zoals de beheersverklaring en de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen. Hierdoor
zal het opzetten van beheers‑ en controlesystemen aanzienlijk minder tijd in
beslag nemen en zal de uitvoering worden versneld. Dankzij de afstemming van
het uitvoeringsmechanisme op dat van het plattelandsontwikkelingsfonds zullen
de lidstaten met name het beheer van de operationele programma's in het kader
van het ELFPO en het EFMZV aan dezelfde instanties kunnen toevertrouwen. Dit
maakt een uniforme aanpak op het gebied van beheer en controle (inclusief
verslaglegging, evaluatie en monitoring) mogelijk, met een verlaging van de
administratieve kosten tot gevolg. Dankzij de invoering van gemeenschappelijke
regels over het gebruik van de financiële instrumenten wordt het kader helder
en wordt verduidelijkt dat de financiële instrumenten voor alle soorten
investeringen en begunstigden kunnen worden gebruikt. De
EFMZV‑bijdrage kan dan met andere woorden naar financiële instellingen vloeien
die al samenwerkingsovereenkomsten voor andere EU‑fondsen hebben ontwikkeld. Op
die manier wordt zowel administratieve rompslomp als overlappend werk voorkomen
en wordt financiële instrumentering een aantrekkelijker alternatief voor
cofinanciering via subsidies. Dankzij de geïntegreerde aanpak van door de
gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkeling (de huidige as 4)
kunnen de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën gezamenlijk worden beoordeeld
en goedgekeurd, kunnen de beheerskosten uit één bron worden gefinancierd en
wordt verslaglegging over de kosten aan verschillende instanties voorkomen. Dit alles vergemakkelijkt het opzetten van uit GSK‑fondsen
gefinancierde joint ventures. Het gebruik van gemeenschappelijke indicatoren
zal de verslaglegging door de lidstaten vergemakkelijken. In
de verslaglegging komt de nadruk te liggen op gekwantificeerde gegevens over de
geboekte vooruitgang en wordt het aantal beschrijvende elementen beperkt. De voorschriften over de naleving van het GVB
worden in het kader van het EFMZV verduidelijkt, met name op het gebied van het
gegevensverzamelingsraamwerk, de controleverordening en de IOO‑verordening. Hierdoor krijgen de lidstaten en de begunstigden meer rechtszekerheid.
Om de tenuitvoerlegging van het EFMZV te
vereenvoudigen, worden de subsidiabiliteitsvoorschriften gelijkgetrokken met
die van andere EU‑fondsen. Dit maakt de projecten
hanteerbaarder voor de begunstigden en de nationale autoriteiten en
vergemakkelijkt de tenuitvoerlegging van geïntegreerde projecten. Voor de
onderdelen van het EFMZV die gedeeld worden beheerd (standaardkosten,
forfaitaire betalingen en forfaitaire financiering voor subsidies) wordt een
breder gebruik van vereenvoudigde kostenopties toegestaan. Dit moet resulteren
in lagere controlekosten en een lager foutenpercentage. Strategische benadering Bij het GSK en de partnerschapscontracten zijn
in het kader van de verordening inzake gemeenschappelijke bepalingen vijf
gedeeld beheerde fondsen betrokken. Dit kader maakt een
betere strategische afstemming tussen deze fondsen op EU‑niveau mogelijk. Het
GSK zal ten uitvoer worden gelegd via een partnerschapscontract op grond
waarvan de GSK‑fondsen op nationaal niveau worden gecoördineerd. De coördinatie tussen het EVF en andere
bronnen van EU‑financiering verloopt momenteel via het beginsel van
afbakeningsgrenzen tussen de fondsen. Dit geeft aanleiding
tot zowel overlappingen als leemten in de dekkingsgraad van het beleid. Daarom
moet er een beter coördinatiemechanisme komen. Het nieuwe
uitvoeringsmechanisme, en de daarmee samenhangende versterking van de
strategische benadering, moet de hierboven uiteengezette problemen oplossen. Het
GSK en de partnerschapscontracten zullen in de plaats komen van de strategische
benadering (nationale strategische plannen) die in het kader van het huidige
EVF is ingevoerd. Niet alleen zitten aan deze benadering ernstige beperkingen
vast, zij vergt ook onevenredig zware inspanningen van lidstaten die slechts
een klein bedrag aan EVF‑financiering ontvangen. Strategische programmering Het EFMZV is gericht op GVB‑ en GMB‑gerelateerde
strategische langetermijndoelstellingen, zoals de verwezenlijking van een
duurzame en concurrerende visserij‑ en aquacultuursector, een coherent
beleidskader voor de verdere ontwikkeling van het GMB en een evenwichtige en
inclusieve territoriale ontwikkeling van de visserijgebieden. Overeenkomstig de Europa 2020‑strategie worden deze globale
doelstellingen voor de periode 2014 – 2020 vertaald in de volgende
zes EU‑prioriteiten voor het EFMZV: –
verhoging van de werkgelegenheid en de territoriale
cohesie; –
bevordering van een innovatieve, concurrerende en
kennisgebaseerde visserij; –
bevordering van een innovatieve, concurrerende en
kennisgebaseerde aquacultuur; –
bevordering van een duurzame en hulpbronefficiënte
visserij; –
bevordering van een duurzame en hulpbronefficiënte
aquacultuur; –
bevordering van de tenuitvoerlegging van het GVB. Deze prioriteiten – en de respectieve
streefindicatoren – zullen aan de basis liggen van de financiële programmering. Voorwaarden Bij de verordening inzake
gemeenschappelijke bepalingen worden nieuwe voorwaarden vastgesteld die ervoor
moeten zorgen dat de EU‑financiering een forse impuls voor de lidstaten vormt
om de doelstellingen en streefdoelen van de Europa 2020‑strategie te
halen. Het conditionaliteitskader omvat zowel voorafgaande
voorwaarden, waaraan moet zijn voldaan voordat financiële middelen worden
overgemaakt, als voorwaarden achteraf, op grond waarvan de vrijmaking van 5 %
van de EFMZV‑toewijzing wordt gekoppeld aan de geleverde prestatie. De
voorwaarden achteraf houden in dat bepaalde mijlpalen moeten zijn bereikt die
worden afgetoetst aan streefdoelen voor de output en de resultaten. Deze
streefdoelen zijn gekoppeld aan de Europa 2020‑doelstellingen voor
programma's die in de partnerschapscontracten zijn neergelegd. In het kader van
het EFMZV mag slechts financiële EU‑steun worden verleend indien de lidstaten
en de marktdeelnemers voldoen aan de doelstellingen en voorschriften van het
GVB, met name de verplichtingen op het gebied van controle, de IOO‑verordening
en gegevensverzameling. De voorafgaande voorwaarden zullen
ook gelden voor de aquacultuur. Op grond van die voorwaarden moeten de
lidstaten op basis van de strategische richtsnoeren van de Unie meerjarige
nationale strategische plannen voorbereiden. Overeenkomstig de GVB‑verordening
bestaat de doelstelling van deze op de strategische richtsnoeren van de Unie
gebaseerde plannen erin de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur te
faciliteren wat betreft zekerheid van het bedrijfsklimaat, toegang tot wateren
en ruimte en administratieve vereenvoudiging van de vergunningsregeling. Toepassing
van deze voorwaarden zal de naleving van de GVB‑voorschriften stimuleren en de
coherentie van het beleid in zijn geheel vergroten. Monitoring en evaluatie Naar aanleiding van de tussentijdse evaluatie
van het GVB is geconcludeerd dat de bestaande indicatoren niet alleen te
outputgericht, maar ook te talrijk in aantal zijn. Bovendien
ontbreekt in dit verband zowel een gemeenschappelijke benadering als een
gemeenschappelijke omschrijving van de te meten eenheden. Daarom wordt in het kader van het EFMZV een
gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiekader voorgesteld waarbinnen in
samenwerking met de lidstaten middels een uitvoeringshandeling een reeks
gemeenschappelijke output‑, resultaat‑ en impactindicatoren zal worden
vastgesteld. Deze indicatoren zullen aan de prioriteiten
van het EFMZV worden gekoppeld en zullen het gemakkelijker maken gegevens op EU‑niveau
te aggregeren en de voortgang, efficiëntie en doeltreffendheid van de
beleidsuitvoering die onder meer met het oog op de toewijzing van de
prestatiereserve vereist is, te beoordelen. De evaluatie vooraf zal worden
gebruikt om indicatoren voor de basissituatie, de mijlpalen en de streefdoelen
vast te stellen die worden overgenomen in de partnerschapscontracten en de
operationele programma's. In 2017 en 2019 zal in twee bijzondere jaarverslagen
worden nagegaan welke resultaten zijn geboekt en wat in de volgende
programmeringsperiode beter kan. 4. GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING Krachtens het MFK‑voorstel dient een
aanzienlijk deel van de EU‑begroting geoormerkt te blijven voor visserij en
maritiem beleid. De begroting voor de periode 2014 – 2020,
uitgedrukt in huidige prijzen, is vastgesteld op 7,535 miljard euro,
inclusief duurzamevisserijovereenkomsten en de verplichte bijdragen voor de
ROVB's, die afzonderlijk zullen worden gefinancierd. De EFMZV‑begroting
bedraagt, in huidige prijzen, 6567 miljoen euro. Meer gegevens over de
financiële gevolgen van het EFMZV‑voorstel staan in het financieel memorandum
dat bij het voorstel is gevoegd. 2011/0380 (COD) Voorstel voor een VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN
DE RAAD inzake het Europees Fonds voor Maritieme
Zaken en Visserij [tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de
Raad, Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad en Verordening nr. XXX/2011 van
de Raad inzake het geïntegreerd maritiem beleid] HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN
DE EUROPESE UNIE, Gezien het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie, en met name artikel 42, artikel 43, lid 2, artikel 91, lid 1,
artikel 100, lid 2, artikel 173, lid 3, artikel 175, artikel 188, artikel 192,
lid 1, artikel 194, lid 2, en artikel 195, lid 2, Gezien het voorstel van de Europese Commissie, Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling
aan de nationale parlementen, Gezien het advies van het Europees Economisch
en Sociaal Comité[1], Gezien het advies van het Comité van de
Regio’s[2], Handelend volgens de gewone
wetgevingsprocedure, Overwegende hetgeen volgt: (1)
In haar mededeling aan het Europees Parlement, de
Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's
inzake de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna de
"GVB‑mededeling" genoemd) zet de Commissie de uitdagingen en
doelstellingen voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (hierna
"GVB" genoemd) in de periode na 2013 uiteen en geeft zij aan welke
richting het GVB in die periode zal uitgaan. Tegen de
achtergrond van het debat over die mededeling moet het GVB met ingang van 1
januari 2014 worden hervormd. Deze hervorming moet betrekking hebben op alle
belangrijke elementen van het GVB, inclusief de financiële aspecten ervan. Met
het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van de hervorming moet
worden overgegaan tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad
inzake het Europees Visserijfonds[3],
Verordening (EG) nr. 861/2006 houdende communautaire financieringsmaatregelen
voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het
gebied van het zeerecht[4],
de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1290/2005 betreffende het Garantiefonds
voor visserij‑ en aquacultuurproducten[5]
en Verordening (EG) nr. 791/2007 tot instelling van een regeling ter
compensatie van de extra kosten voor de afzet van bepaalde visserijproducten
van de ultraperifere gebieden van de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden,
Frans Guyana en Réunion[6],
en dienen deze verordeningen te worden vervangen door een nieuwe verordening
inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Aangezien
alles wat met de Europese zeeën en oceanen te maken heeft, met elkaar verbonden
is, moet op grond van de nieuwe verordening steun worden verleend voor de
verdere ontwikkeling van het geïntegreerd maritiem beleid (GMB), zoals bedoeld in
de [verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een
programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd
maritiem beleid]. (2)
Het EFMZV moet van toepassing zijn op de GVB‑steun
voor de instandhouding, het beheer en de exploitatie van de mariene biologische
hulpbronnen, de biologische zoetwaterhulpbronnen en de ‑aquacultuur, en voor de
verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten voor zover deze
activiteiten worden uitgeoefend op het grondgebied van de lidstaten of in
EU-wateren, inclusief door vissersvaartuigen die de vlag voeren van en
geregistreerd zijn in derde landen, door EU‑vissersvaartuigen of door
onderdanen van de lidstaten, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van
de vlaggenstaat en indachtig de bepalingen van artikel 117 van het Verdrag van
de Verenigde Naties inzake het recht van de zee. (3)
Het GVB kan slechts slagen indien een doeltreffend
controle‑, inspectie‑ en handhavingssysteem wordt toegepast en indien zowel
voor wetenschappelijk advies als voor uitvoerings‑ en controledoeleinden
betrouwbare en volledige gegevens beschikbaar zijn; daarom
moet voor deze beleidslijnen EFMZV‑steun worden verleend. (4)
Het EFMZV moet van toepassing zijn op de aan het
GMB toegewezen steun voor de ontwikkeling en uitvoering van gecoördineerde
concrete acties en besluiten inzake zeeën, oceanen, kustgebieden en maritieme
sectoren, voor zover deze concrete acties en besluiten een aanvulling vormen op
de verschillende EU‑beleidsgebieden die zijdelings gevolgen hebben voor zeeën,
oceanen, kustgebieden en maritieme sectoren, zoals het gemeenschappelijk
visserijbeleid en het EU‑beleid inzake vervoer, industrie, territoriale
cohesie, milieu, energie en toerisme. Coherentie en
integratie moeten verzekerd zijn bij het beheer van de verschillende sectorale
beleidslijnen in zeegebieden zoals de Oostzee, de Noordzee, de Keltische zeeën,
de Golf van Biskaje en de Iberische kust, de Middellandse Zee en de Zwarte Zee. (5)
Overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad
van 17 juni 2010, waarbij de Europa 2020‑strategie is vastgesteld, moeten
de Unie en de lidstaten werken aan slimme, duurzame en inclusieve groei en
tegelijkertijd de harmonieuze ontwikkeling van de Unie bevorderen. Met name moeten de middelen gericht worden ingezet voor de
verwezenlijking van de doelstellingen van Europa 2020 en moeten de
streefdoelen en de doeltreffendheid worden verbeterd door resultaatgerichter te
werk te gaan. De opname van het GMB in het nieuwe EFMZV draagt eveneens bij tot
de voornaamste beleidsdoelstellingen in de mededeling van de Commissie van 3
maart 2010 "Europa 2020 Een strategie voor slimme, duurzame en
inclusieve groei"[7]
(hierna de "Europa 2020‑strategie" genoemd) en is in
overeenstemming met de algemene doelstellingen die in het Verdrag zijn
verankerd, namelijk vergroting van de economische, sociale en territoriale
cohesie. (6)
Om te garanderen dat het EFMZV bijdraagt tot de
verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB, het GMB en de Europa 2020‑strategie,
moet worden ingezet op een beperkt aantal prioriteiten, zoals bevordering van
de innovatie en de kennisbasis in de visserij en de aquacultuur, bevordering
van een duurzame en hulpbronefficiënte visserij en aquacultuur en verbetering
van de werkgelegenheid en de territoriale cohesie door het groei‑ en
werkgelegenheidspotentieel van aan de kust en landinwaarts gelegen
visserijgemeenschappen te ontsluiten en de diversifiëring van de
visserijactiviteiten naar andere sectoren van de maritieme economie te
stimuleren. (7)
De Unie moet in alle fasen van de uitvoering van
het fonds ernaar streven de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen
en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, alsmede discriminatie op
basis van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging,
handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen. (8)
De overkoepelende doelstelling van het GVB bestaat
erin ervoor zorgen dat de visserij‑ en de aquacultuuractiviteiten bijdragen tot
milieuomstandigheden die duurzaam zijn op lange termijn en een noodzakelijke
premisse vormen voor de economische en sociale ontwikkeling. Het GVB moet bovendien bijdragen tot de productiviteit en een billijke
levensstandaard in de visserijsector en tot stabiele markten, en moet ervoor
zorgen dat de hulpbronnen beschikbaar zijn en dat de consument tegen een
redelijke prijs toegang heeft tot de voorraden. (9)
Het is van het grootste belang dat
milieuoverwegingen beter in aanmerking worden genomen in het GVB, dat moet
bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen en streefdoelen van het
milieubeleid en de Europa 2020‑strategie van de Unie.
Het GVB heeft tot doel om uiterlijk in 2015 de levende mariene biologische
hulpbronnen zo te exploiteren dat de visbestanden op niveaus worden gebracht of
gehouden die de maximale duurzame opbrengst kunnen opleveren. In het kader van
het GVB zal het visserijbeheer ten uitvoer worden gelegd aan de hand van de
voorzorgsbenadering en de ecosysteemgerichte benadering. Bijgevolg moet het
EFMZV bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu zoals bedoeld in
Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot
vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het
beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie)[8]. (10)
Aangezien de doelstellingen van deze verordening
wegens de omvang en de gevolgen van de krachtens de operationele programma's te
financieren concrete acties, wegens de structurele problemen met de
ontwikkeling van de visserijsector en de maritieme sectoren en wegens de
beperkte financiële middelen van de lidstaten niet voldoende door de lidstaten,
maar beter op EU‑niveau kunnen worden verwezenlijkt via meerjarige, op
relevante prioriteiten toegespitste steunverlening, dient te worden bepaald dat
de EU overeenkomstig het in artikel 5, lid 3, van het Verdrag betreffende de
Europese Unie bedoelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen kan vaststellen. Overeenkomstig het in artikel 5, lid 4, van dat Verdrag neergelegde
evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die
doelstelling te verwezenlijken. (11)
Met de financiering van de GVB‑ en de GMB‑uitgaven
uit één fonds (het EFMZV) wordt tegemoetgekomen aan de noodzaak een en ander te
vereenvoudigen en de integratie van deze twee beleidsgebieden te intensiveren. De uitbreiding van het systeem van gedeeld beheer naar de
gemeenschappelijke marktordeningen - inclusief de compensatie voor de
ultraperifere gebieden en activiteiten op het gebied van controle en
gegevensverzameling - moet bijdragen tot de vereenvoudiging, moet de
administratieve belasting voor de Commissie en de lidstaten verminderen en moet
de steunverlening coherenter en doeltreffender maken. (12)
De GVB‑ en de GMB‑uitgaven moeten met EU‑begrotingsmiddelen
worden gefinancierd uit één fonds (het EMVF) dat hetzij direct hetzij gedeeld
met de lidstaten wordt beheerd. Met de lidstaten gedeeld
beheer moet slechts worden toegepast op maatregelen ter ondersteuning van de
visserij, de aquacultuur en door de gemeenschap aangestuurde plaatselijke
ontwikkeling, en op de gemeenschappelijke marktordeningen, de compensatie voor
de ultraperifere gebieden en activiteiten op het gebied van controle en
gegevensverzameling. Het directe beheer moet worden toegepast op
wetenschappelijk advies, vrijwillige bijdragen aan de regionale organisaties
voor visserijbeheer, adviesraden en concrete acties voor de uitvoering van het
GMB. Er moet worden gespecificeerd welke maatregelen uit het EFMZV kunnen
worden gefinancierd. (13)
Wat de controle‑ en handhavingsmaatregelen betreft,
moet een onderscheid worden gemaakt tussen de categorie maatregelen die wordt
gecofinancierd onder gedeeld beheer en de categorie maatregelen die wordt
gecofinancierd onder direct beheer. Het is van cruciaal
belang dat de financiële middelen voor controle onder gedeeld beheer strikt
worden afgebakend. (14)
Overeenkomstig de artikelen 50 en 51 van de
[verordening inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid] (hierna de "GVB‑verordening"
genoemd) mag de Unie slechts financiële steun in het kader van het EFMZV
verlenen indien zowel de lidstaten als de marktdeelnemers de GVB‑voorschriften
nakomen. Met deze voorwaarde wordt aangegeven dat de Unie
overeenkomstig artikel 3 VWEU de taak heeft om in het algemeen belang te zorgen
voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee in het kader
van het gemeenschappelijk visserijbeleid. (15)
De verwezenlijking van de GVB‑doelstellingen zou
op de helling komen te staan indien uit het EFMZV EU‑steun wordt betaald aan
marktdeelnemers die vooraf niet voldoen aan vereisten betreffende het algemeen
belang van de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen. Daarom mag slechts steun worden verleend aan marktdeelnemers die
gedurende een bepaalde periode vóór de indiening van hun aanvraag niet
betrokken zijn bij de exploitatie, het beheer of de eigendom van
vissersvaartuigen die zijn opgenomen in de EU‑lijst van IOO‑vaartuigen zoals
bedoeld in artikel 40, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad
van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem
om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te
gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG)
nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr.
1093/94 en (EG) nr. 1447/1999[9],
die geen ernstige inbreuk hebben gepleegd zoals bedoeld in artikel 42 van
Verordening (EG) nr. 1005/2008 en artikel 90, lid 1, van Verordening EG) nr. 1224/2009
van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire
controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk
visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96,
(EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005,
(EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007,
(EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking
van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006[10], en die, geen andere inbreuken
op de GVB‑voorschriften hebben gepleegd die met name de duurzaamheid van de
betrokken bestanden in gevaar brengen en een ernstige bedreiging vormen voor de
duurzame exploitatie van de levende mariene biologische hulpbronnen op een
niveau dat het mogelijk maakt de populaties van de gevangen soorten boven een
peil te brengen en te houden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren
(hierna "MSY" - maximal sustainable yield - genoemd). (16)
Bovendien moeten de begunstigden aan de vereisten
inzake het algemeen belang van de instandhouding van de mariene biologische
hulpbronnen blijven voldoen na indiening van de steunaanvraag, gedurende de
volledige periode van uitvoering van de concrete actie en, voor bepaalde
soorten concrete acties, ook gedurende een bepaalde periode nadat de laatste
betaling is verricht. Steun die wordt betaald aan of wordt
behouden door begunstigden die de voorschriften inzake het algemeen belang van
de instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen niet in acht nemen,
kan eventueel in verband worden gebracht met overtredingen en op die manier de
verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB in gevaar brengen. (17)
Indien begunstigden inbreuken plegen tegen de GVB‑voorschriften,
moeten de gevolgen die krachtens de regelgeving verbonden zijn aan niet‑naleving
van de subsidiabiliteitsvoorwaarden, van toepassing worden. Bij het bepalen van
het bedrag van de niet‑subsidiabele uitgaven moet rekening worden gehouden met
de ernst van de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften door de begunstigde, met
het economische voordeel dat voortvloeit uit de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften
of met het belang van de EFMZV‑bijdrage voor de economische activiteit van de
begunstigde. (18)
De verwezenlijking van de GVB‑doelstellingen zou
tevens worden ondermijnd indien in het kader van het EFMZV financiële EU‑steun
wordt betaald aan lidstaten die niet voldoen aan hun uit de GVB‑voorschriften
voortvloeiende verplichtingen met betrekking tot het algemeen belang van de
instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen, zoals
gegevensverzameling en uitvoering van de controlevereisten. Niet‑naleving van
deze verplichtingen door de lidstaten brengt bovendien het gevaar met zich mee
dat niet in aanmerking komende begunstigden of niet‑subsidiabele concrete
acties niet door de lidstaten worden gedetecteerd. (19)
Om te voorkomen dat niet‑conforme betalingen worden
verricht en om lidstaten ertoe te stimuleren de GVB‑voorschriften na te leven
of de naleving ervan door de begunstigden te eisen, moet het mogelijk zijn om
telkens voor een beperkte periode betalingen uit te stellen of te schorsen. Met
het oog op de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel moeten financiële
correcties met specifieke en onherroepelijke consequenties slechts worden
toegepast op uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met concrete acties in
het kader waarvan de GVB‑voorschriften niet zijn nageleefd. (20)
Om ervoor te zorgen dat de tenuitvoerlegging van de
fondsen voor steunverlening in het kader van het cohesiebeleid, namelijk het
Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds
(ESF) en het Cohesiefonds (CF), beter wordt gecoördineerd en geharmoniseerd met
het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (ELFPO) en het Europees
Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV), zijn gemeenschappelijke
bepalingen voor al deze onder het gemeenschappelijk strategisch kader vallende
fondsen (de "GSK-fondsen") vastgesteld bij [Verordening (EU) nr. […]
tot vaststelling van gemeenschappelijke bepalingen][11]. Naast de in die verordening
vastgestelde bepalingen zijn, vanwege de bijzondere kenmerken van het GVB en
het GMB, specifieke bepalingen van toepassing op het EFMZV. (21)
Rekening houdend met de omvang van het toekomstige
EFMZV en met het evenredigheidsbeginsel, dient met betrekking tot de bepalingen
inzake de strategische planning een afwijking van de verordening [inzake
gemeenschappelijke bepalingen] te worden vastgesteld, met als gevolg dat de
belanghebbende partijen ten minste twee keer per programmeringsperiode moeten
worden geraadpleegd, met dien verstande dat deze raadpleging niet noodzakelijk
eens per jaar hoeft te worden gehouden aangezien een dergelijke frequentie
zowel de Commissie als de lidstaten met een te grote administratieve en
financiële belasting zou opzadelen. (22)
Het optreden van de Unie moet complementair zijn
aan dat van de lidstaten, of de bedoeling hebben daartoe bij te dragen. Om een significante toegevoegde waarde te garanderen, moet het
partnerschap tussen de Commissie en de lidstaten worden versterkt middels regelingen
op grond waarvan verschillende soorten partners met volledige inachtneming van
de institutionele bevoegdheden van de lidstaten kunnen deelnemen. Er dient
specifiek op te worden toegezien dat vrouwen en minderheidsgroepen adequaat
worden vertegenwoordigd. Dit partnerschap omvat regionale, plaatselijke en
andere openbare autoriteiten, andere ter zake relevante organisaties, met
inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor het milieu en voor het
bevorderen van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de economische en
sociale partners en andere bevoegde instanties. De partners moeten worden
betrokken bij de voorbereiding van de partnerschapscontracten en bij de
voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de
programmering. (23)
Volgens het evenredigheidsbeginsel kunnen de door
de Commissie en de lidstaten ingezette middelen variëren naargelang van het
totaalbedrag van de aan het operationele programma toegewezen
overheidsuitgaven. Wat met name kan variëren, zijn de
middelen die worden gebruikt om de uitvoering van de operationele programma's
te evalueren en te controleren en om over deze uitvoering te rapporteren. (24)
De Commissie moet op basis van objectieve en
transparante criteria de beschikbare vastleggingskredieten jaarlijks verdelen; onder de hier bedoelde criteria moeten onder meer worden verstaan: de
historische toewijzingen in het kader van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de
Raad en de historische besteding in het kader van Verordening (EG) nr. 861/2006
van de Raad. (25)
In het kader van het GVB is het van het grootste
belang dat vooraf aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, met name wat betreft
de indiening van een meerjarig nationaal strategisch aquacultuurplan en het
bewijs dat de nodige capaciteit voorhanden is om enerzijds te voldoen aan de
vereisten inzake de verstrekking van gegevens voor het visserijbeheer en om
anderzijds de regelgeving te handhaven via de tenuitvoerlegging van een
controle‑, inspectie‑ en handhavingssysteem van de Unie. (26)
Overeenkomstig de nagestreefde vereenvoudiging
moeten alle EFMZV‑activiteiten die onder het gedeelde beheer vallen, met
inbegrip van controles en gegevensverzameling, in één operationeel programma
per lidstaat worden opgenomen overeenkomstig de structuur van die lidstaat. De programmeringsperiode bestrijkt de periode van 1 januari 2014 tot
en met 31 december 2020. Elke lidstaat moet één operationeel programma
voorbereiden. In elk programma moet een strategie worden vastgesteld aan de
hand waarvan de streefdoelen ten aanzien van de EU‑prioriteiten voor het EFMZV
moeten worden bereikt, alsmede een selectie maatregelen. De programmering moet
in overeenstemming zijn met de EU‑prioriteiten en moet tegelijkertijd afgestemd
zijn op de nationale context en een aanvulling vormen op andere EU‑beleidsgebieden,
met name plattelandsontwikkeling en cohesie. (27)
Om bij de tenuitvoerlegging van het EFMZV bij te
dragen tot de nagestreefde vereenvoudiging en om de controlekosten en het
foutenpercentage te reduceren, moeten de lidstaten optimaal gebruik maken van de
in de [verordening inzake gemeenschappelijk bepalingen] vastgestelde
mogelijkheid om gebruik te maken van forfaitaire bedragen en andere
vereenvoudigde vormen van subsidies. (28)
Met het oog op de handhaving van de
controleverplichtingen in het kader van het GVB moeten de lidstaten het
gedeelte van het operationele programma dat betrekking heeft op controle,
opstellen overeenkomstig de EU‑prioriteiten die de Commissie voor dit
beleidsgebied heeft vastgesteld. Om het operationele
programma te kunnen aanpassen aan de evoluerende behoeften op het gebied van
controle en handhaving, kan het controlegerelateerde gedeelte van het
operationele programma regelmatig worden herzien in het licht van veranderingen
in de prioriteiten van de Unie op het gebied van het controle‑ en
handhavingsbeleid in het kader van het GVB. Deze wijzigingen moeten door de
Commissie worden goedgekeurd. (29)
Om de programmering van activiteiten op het gebied
van controle flexibel te houden, moet het controlegerelateerde gedeelte van het
operationele programma kunnen worden herzien aan de hand van een vereenvoudigde
procedure. (30)
De lidstaten moeten het gedeelte van het
operationele programma dat betrekking heeft op gegevensverzameling, opstellen
in overeenstemming met het meerjarenprogramma van de Unie.
Gezien de evoluerende behoeften op het gebied van gegevensverzameling moeten de
lidstaten een jaarlijks werkprogramma opstellen dat onder toezicht van de
Commissie jaarlijks moet worden aangepast en dat door de Commissie moet worden
goedgekeurd. (31)
Om het concurrentievermogen en de economische
prestatie van de visserij te verbeteren, is het van essentieel belang innovatie
en ondernemerschap te bevorderen. Hiertoe moet uit het
EFMZV steun worden verleend voor innovatieve concrete acties en
bedrijfsontwikkeling. (32)
Investeringen in menselijk kapitaal zijn eveneens
onmisbaar, wil men het concurrentievermogen en de economische prestatie van de
visserij‑ en de maritieme activiteiten verbeteren. Hiertoe
moet uit het EFMZV steun worden verleend voor een leven lang leren, voor
samenwerking tussen wetenschappers en vissers ter bevordering van de
kennisverspreiding, en voor adviesdiensten om de prestatie en het
concurrentievermogen van de marktdeelnemers globaal te verbeteren. (33)
Gezien de belangrijke rol van de echtgenotes van
zelfstandige vissers in de kleinschalige kustvisserij, moet uit het EFMZV steun
worden verleend voor opleidings‑ en netwerkactiviteiten die deze vrouwen helpen
zich op professioneel gebied te ontwikkelen en hun de instrumenten aanreiken om
de ondersteunende taken die zij traditioneel op zich nemen, beter uit te
voeren. (34)
Aangezien de kleinschalige kustvissers slechts zwak
vertegenwoordigd zijn in de sociale dialoog, moet uit het EFMZV steun worden
verleend aan organisaties die deze dialoog in de relevante fora bevorderen. (35)
Gezien de cruciale rol van kleinschalige
kustvissers in de kustgemeenschappen en gezien de mogelijkheden die
diversifiëring voor deze vissers meebrengt, moet het EFMZV de diversifiëring
bevorderen door steun te verlenen voor opleidingen ter verwerving van
beroepsvaardigheden die nodig zijn voor andere dan visserijactiviteiten, en
door daarnaast steun te verlenen voor het opstarten van ondernemingen en voor
investeringen in het ombouwen van de vaartuigen van deze vissers. (36)
Met het oog op de behoeften op het gebied van
gezondheid en veiligheid aan boord moet uit het EFMZV‑steun worden verleend
voor investeringen in dat verband. (37)
Naar aanleiding van de vaststelling van systemen
voor overdraagbare visserijconcessies zoals bedoeld in artikel 27 van [GVB‑verordening]
en met het oog op ondersteuning van de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van
deze nieuwe systemen moet uit het EFMZV steun worden verleend voor
capaciteitsopbouw en uitwisseling van beste praktijken. (38)
De invoering van de systemen voor overdraagbare
visserijconcessies moet het concurrentievermogen van de sector verbeteren. Als gevolg daarvan is het mogelijk dat buiten de visserijsector nieuwe
beroepskansen moeten worden gecreëerd. Daarom moet het EFMZV in
visserijgemeenschappen de economische bedrijvigheid diversifiëren en banen
creëren, met name door steun te verlenen om ondernemingen op te starten en om
vaartuigen die actief zijn in de kleinschalige kustvisserijn, aan te passen aan
andere maritieme activiteiten dan de visserij zelf. Toepassing van deze laatste
maatregel is op haar plaats aangezien vaartuigen die actief zijn in de
kleinschalige kustvisserij, niet onder de systemen voor overdraagbare
visserijconcessies vallen. (39)
Het GVB heeft tot doel de duurzame exploitatie van
de visbestanden te verzekeren. De overcapaciteit is als
een belangrijke oorzaak van de overbevissing aangemerkt. Daarom is het van
essentieel belang de EU‑vissersvloot op de beschikbare hulpbronnen af te
stemmen. Regelingen voor de verlening van overheidssteun voor bijvoorbeeld de
definitieve of tijdelijke beëindiging van visserijactiviteiten of het slopen
van vaartuigen zijn geen doeltreffende instrumenten voor het wegwerken van de
overcapaciteit gebleken. Daarom zal in het kader van het EFMZV steun worden
verleend voor de invoering en het beheer van systemen voor overdraagbare
visserijconcessies die de overcapaciteit moeten verminderen en de economische
prestatie en rendabiliteit van de betrokken marktdeelnemers moeten versterken. (40)
Aangezien de overcapaciteit een van de voornaamste
oorzaken van de overbevissing is, moeten maatregelen worden genomen om de EU‑vissersvloot
aan te passen aan de beschikbare hulpbronnen. In dit
verband moet uit het EFMZV steun worden verleend om de systemen voor
overdraagbare visserijconcessies die in het kader van het GVB zijn ingevoerd
als beheersinstrument ter verlaging van de overcapaciteit, vast te stellen, te
wijzigen en te beheren. (41)
Het is van het grootste belang milieuoverwegingen
in het EFMZV te integreren en de uitvoering van instandhoudingsmaatregelen in
het kader van het GVB te steunen, met dien verstande dat hierbij rekening wordt
gehouden met de uiteenlopende kenmerken van de EU‑wateren.
Hiertoe dient absoluut een geregionaliseerde benadering van
instandhoudingsmaatregelen te worden ontwikkeld. (42)
Uit het EFMZV moet steun worden verleend om de
impact van de visserij op het mariene milieu te reduceren, met name door eco‑innovatie
en selectiever vistuig en selectievere apparatuur te bevorderen en door
maatregelen te nemen om de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen,
samen met de diensten die deze leveren, te beschermen en in stand te houden
overeenkomstig de biodiversiteitsstrategie van de Unie tot 2020. (43)
Overeenkomstig het teruggooiverbod dat in het kader
van het GVB is ingevoerd, moet uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen aan boord die tot doel hebben de ongewenst gevangen vis optimaal
te gebruiken en de onvoldoende gebruikte delen van de gevangen vis te
valoriseren. Aangezien de hulpbronnen schaars zijn en de
waarde van de gevangen vis moet worden gemaximaliseerd, moet uit het EFMZV ook
steun worden verleend voor investeringen aan boord die tot doel hebben
commerciële waarde toe te voegen aan de gevangen vis. (44)
Gezien het belang van vissershavens, aanlandingsplaatsen
en beschuttingsplaatsen moet uit het EFMZV steun worden verleend voor ter zake
relevante investeringen, met name ter verbetering van de energie‑efficiency, de
milieubescherming, de kwaliteit van de aangelande producten, de veiligheid en
de arbeidsomstandigheden. (45)
Het is van essentieel belang voor de Unie dat een
duurzaam evenwicht tussen de beschikbare zoetwaterhulpbronnen en de exploitatie
daarvan wordt bereikt. Daarom moeten, met inachtneming van
de milieu-impact en de noodzaak de economische rendabiliteit van deze sector op
peil te houden, adequate bepalingen ter ondersteuning van de binnenvisserij
worden vastgesteld. (46)
In overeenstemming met de strategie van de
Commissie voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur[12], de GVB‑doelstellingen en de
Europa 2020‑strategie moet uit het EFMZV steun worden verleend voor de
ecologisch, economisch en sociaal duurzame ontwikkeling van de
aquacultuursector. (47)
De aquacultuur draagt bij tot de groei en de
werkgelegenheid in kust- en plattelandsgebieden. Daarom is
het van essentieel belang dat het EFMZV toegankelijk is voor
aquacultuurondernemingen, met name kmo's, en nieuwe aquacultuurexploitanten
aantrekt. Om het concurrentievermogen en de economische prestatie van de
aquacultuur te verbeteren, is het van essentieel belang innovatie en
ondernemerschap te bevorderen. Daarom moet uit het EFMZV steun worden verleend
voor innovatieve concrete acties en bedrijfsontwikkeling, met name in de non‑food
en de offshore aquacultuur. (48)
Er is reeds gebleken dat marktdeelnemers die
aquacultuuractiviteiten verrichten, waarde aan hun bedrijfsontwikkeling kunnen
toevoegen door nieuwe bronnen van inkomsten aan te boren. Daarom
moet uit het EFMZV steun worden verleend voor dergelijke aanvullende
activiteiten die niet in de aquacultuursfeer liggen, zoals hengeltoerisme,
educatieve activiteiten of milieugerelateerde activiteiten. (49)
Een andere belangrijke manier om de inkomsten uit
aquacultuur te verhogen, bestaat erin waarde aan de betrokken producten toe te
voegen door de eigen productie te verwerken en af te zetten en door nieuwe
soorten met goede marktvooruitzichten te introduceren en zo de productie te
diversifiëren. (50)
Gezien de noodzaak om met inachtneming van de
toegang tot wateren en ruimte de gebieden die het geschiktst zijn voor
aquacultuurontwikkeling aan te wijzen, moeten de nationale autoriteiten steun
uit het EFMZV ontvangen om op nationaal niveau hun strategische keuze te maken. (51)
Investeringen in menselijk kapitaal zijn eveneens
onmisbaar, wil men het concurrentievermogen en de economische prestatie van de
aquacultuuractiviteiten verbeteren. Hiertoe moet uit het
EFMZV steun worden verleend voor een leven lang leren, voor netwerkvorming ter
bevordering van kennisverspreiding en voor adviesdiensten om de prestatie en
het concurrentievermogen van de marktdeelnemers globaal te verbeteren. (52)
Om ecologisch duurzame aquacultuur te bevorderen,
moet uit het EFMZV steun worden verleend voor zeer milieuvriendelijke
aquacultuuractiviteiten, voor de invoering van ecobeheer in aquacultuurbedrijven,
voor het gebruik van auditregelingen en voor de omschakeling naar biologische
aquacultuur. In dezelfde geest moet uit het EFMZV steun
worden verleend voor aquacultuur die bijzondere milieudiensten levert. (53)
Gezien het belang van de consumentenbescherming
moet ervoor worden gezorgd dat de aquacultuurexploitanten voldoende steun uit
het EFMZV krijgen om met de aquacultuurteelt samenhangende risico's voor de
gezondheid van mens en dier te voorkomen of te reduceren. (54)
Gezien het risico dat aan investeringen in
aquacultuuractiviteiten verbonden is, moet het EFMZV de positie van de
bedrijven helpen te versterken door hun toegang te bieden tot een
bestandsverzekering en zo het inkomen van de producenten te beschermen tegen
abnormale productieverliezen die met name terug te voeren zijn op natuurrampen,
ongunstige weersomstandigheden, plotse veranderingen in de waterkwaliteit,
ziekten, plagen of de vernieling van productievoorzieningen. (55)
Aangezien de door de gemeenschap aangestuurde
benadering van plaatselijke ontwikkeling al een aantal jaar nuttig is gebleken
om, met inachtneming van de multisectorale behoeften voor endogene
ontwikkeling, de ontwikkeling van visserijgebieden en plattelandsgebieden te
bevorderen, moet de ter zake relevante steunverlening worden voortgezet en
geïntensiveerd. (56)
In visserijgebieden moeten in het kader van de door
de gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkeling innovatieve benaderingen
voor het creëren van groei en banen worden gestimuleerd, met name door waarde
aan visserijproducten toe te voegen en de plaatselijke economie te
diversifiëren naar nieuwe economische activiteiten, met inbegrip van de
bedrijvigheid die samenhangt met "blauwe groei" en met maritieme
sectoren die zich niet met de visserij zelf bezighouden. (57)
De duurzame ontwikkeling van de visserijgebieden
moet bijdragen tot de EU 2020‑doelstellingen inzake sociale inclusie en
armoedebestrijding, tot innovatie op plaatselijk niveau en tot territoriale
cohesie – een belangrijke prioriteit in het Verdrag van Lissabon. (58)
De door de gemeenschap aangestuurde ontwikkeling
moet ten uitvoer worden gelegd middels een van onderop gestuurde benadering,
meer bepaald in de vorm van plaatselijke partnerschappen die zijn samengesteld
uit vertegenwoordigers van het brede publiek, de particuliere sector en het
maatschappelijk middenveld, en die de lokale samenleving correct weerspiegelen. Deze lokale actoren zijn het best geplaatst om geïntegreerde en
multisectorale plaatselijke ontwikkelingsstrategieën die tegemoet komen aan de
behoeften van de plaatselijke visserijgebieden, op te stellen en ten uitvoer te
leggen. Met het oog op de representativiteit van de plaatselijke groepen moet
erop worden toegezien dat geen enkele belangengroep meer dan 49 % van de
stemrechten in de besluitvormingsorganen in handen heeft. (59)
Netwerkvorming tussen de plaatselijke
partnerschappen is een wezenlijk kenmerk van deze benadering. Samenwerking tussen deze plaatselijke partnerschappen is een
belangrijk ontwikkelingsinstrument dat in het kader van het EFMZV beschikbaar moet
worden gesteld. (60)
De steunverlening aan visserijgebieden in het kader
van het EFMZV moet worden gecoördineerd met de steun voor plaatselijke
ontwikkeling in het kader van andere EU‑fondsen, en moet betrekking hebben op
alle aspecten van de voorbereiding en uitvoering van plaatselijke
ontwikkelingsstrategieën en concrete acties van plaatselijke groepen, en op de
kosten die gepaard gaan met de dynamisering van de plaatselijke gebieden en met
de werking van de plaatselijke partnerschappen. (61)
Om de rendabiliteit van de visserij en de
aquacultuur in een zeer concurrerende markt te garanderen, moeten bepalingen
worden vastgesteld voor de verlening van steun voor de tenuitvoerlegging van
[Verordening (EU) nr. inzake de gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten
en aquacultuurproducten][13]
en voor de afzet‑ en verwerkingsactiviteiten die de marktdeelnemers verrichten
om de waarde van de visserijproducten en de aquacultuurproducten te
maximaliseren. Bijzondere aandacht moet uitgaan naar de
bevordering van concrete acties voor de integratie van productie‑, verwerkings‑
en afzetactiviteiten in de bevoorradingsketen. Met het oog op de aanpassing aan
het teruggooiverbod moet uit het EFMZV ook steun worden verleend voor de
verwerking van ongewenste vangsten. (62)
Producentenorganisaties en unies van
producentenorganisaties moeten prioritair steun ontvangen.
Zowel de opslagsteun als de steun voor productie‑ en afzetprogramma's moet
geleidelijk worden uitgefaseerd aangezien deze specifieke soorten steun aan
belang hebben ingeboet naarmate de structuur van de EU‑markt voor dergelijke
producten is geëvolueerd en het belang van sterke producentenorganisaties is
toegenomen. (63)
Aangezien kleinschalige kustvissers steeds meer
concurrentie ondervinden, moet uit het EFMZV steun worden verleend voor
ondernemingsinitiatieven die dergelijke vissers ontplooien om waarde aan de
door hen gevangen vis toe te voegen, met name door deze zelf te verwerken of
rechtstreeks af te zetten. (64)
Vanwege de in artikel 349 van het Verdrag
betreffende de werking van de Europese Unie bedoelde specifieke handicaps staan
de visserijactiviteiten in de ultraperifere gebieden van de Europese Unie onder
druk, met name als gevolg van de extra kosten voor de afzet van bepaalde
visserijproducten. (65)
Met het oog op handhaving van de
concurrentiepositie van bepaalde visserijproducten uit de ultraperifere
gebieden van het EU ten opzichte van die van soortgelijke producten uit andere
gebieden van de Europese Unie heeft de Europese Unie in1992 maatregelen
ingevoerd om de extra kosten die de visserijsector in dit verband maakt, te
vergoeden. De maatregelen voor de periode 2007 ‑ 2013
zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 791/2007 van de Raad[14]. Ter compensatie van de extra
kosten voor de afzet van bepaalde visserijproducten dient deze steunverlening
met ingang van 1 januari 2014 te worden voortgezet. (66)
Gezien de uiteenlopende afzetomstandigheden in de
betrokken ultraperifere gebieden en de schommelingen in de vangsten en de
visbestanden en in de vraag op de markten, dient het aan de betrokken lidstaten
te worden overgelaten om, binnen de grenzen van de totale toewijzing per
lidstaat, de voor compensatie in aanmerking komende visserijproducten, de
respectieve maximumhoeveelheden en de compensatiebedragen vast te stellen. (67)
Het dient de lidstaten te worden toegestaan om,
binnen de grenzen van de totale toewijzing per lidstaat, de lijst en de
hoeveelheden van de betrokken visserijproducten en het compensatiebedrag te
differentiëren. Ook dient de lidstaten te worden
toegestaan hun compensatieplannen aan te passen als veranderende omstandigheden
dat rechtvaardigen. (68)
De lidstaten moeten het compensatiebedrag
vaststellen op een niveau dat een passende compensatie mogelijk maakt van de
extra kosten die het gevolg zijn van de bijzondere handicaps van de
ultraperifere gebieden, en met name de kosten voor het vervoer van de producten
naar het Europese continent. Om overcompensatie te
voorkomen, dient het bedrag in verhouding te staan tot de extra kosten die
middels steun worden gecompenseerd, en mag dit bedrag in geen geval hoger zijn
dan 100 % van de kosten voor het vervoer naar het Europese continent en
andere, bijbehorende kosten. Daartoe moet ook rekening worden gehouden met
andere soorten van overheidsmaatregelen die van invloed zijn op de hoogte van
de extra kosten. (69)
Het is van het grootste belang dat de lidstaten en
de marktdeelnemers zo zijn uitgerust dat een hoog controleniveau kan worden
gegarandeerd en de controles bijgevolg niet alleen garant staan voor de
naleving van het GVB, maar ook zorgen voor de duurzame exploitatie van de
levende aquatische hulpbronnen. Hiertoe moet uit het EFMZV
overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad steun aan de
lidstaten en de marktdeelnemers worden verleend. Deze steun moet een
nalevingscultuur creëren en bijdragen tot duurzame groei. (70)
De steun die op basis van Verordening (EG) nr. 861/2006
aan de lidstaten wordt verleend voor uitgaven die gepaard gaan met de
tenuitvoerlegging van het controlesysteem van de EU, moet worden voortgezet in
het kader van het EFMZV overeenkomstig de keuze voor de toepassing van het
beleid via één fonds. (71)
Overeenkomstig de doelstellingen van het controle‑
en handhavingsbeleid van de EU is het passend om vast te stellen hoeveel tijd
patrouillevaartuigen, ‑vliegtuigen en ‑helicopters minimaal aan
visserijcontrole moeten besteden en dit minimum als grondslag voor de
steunverlening in het kader van het EFMZV te gebruiken. (72)
Gezien het belang van samenwerking tussen de
lidstaten op het gebied van controle moet hiervoor steun uit het EFMZV worden
verleend. (73)
Er moeten bepalingen worden vastgesteld inzake
steunverlening voor de verzameling, het beheer en het gebruik van
visserijgegevens conform het meerjarenprogramma van de Unie, met name ter
ondersteuning van nationale programma's en het beheer en gebruik van gegevens
voor wetenschappelijke analyse en de tenuitvoerlegging van het GVB. De steun die op basis van Verordening (EG) nr. 861/2006 aan de
lidstaten wordt verleend voor uitgaven die gepaard gaan met de verzameling, het
beheer en het gebruik van visserijgegevens, moet worden voortgezet in het kader
van het EFMZV overeenkomstig de keuze voor de toepassing van het beleid via één
fonds. (74)
Het is tevens noodzakelijk steun te verlenen voor
samenwerking tussen de lidstaten en, in voorkomend geval, met derde landen
wanneer gegevens worden verzameld over hetzelfde zeegebied, en voor
samenwerking met de relevante internationale wetenschappelijke organisaties. (75)
Het GMB heeft tot doel om, overeenkomstig de
mededeling van de Commissie "Een geïntegreerd maritiem beleid voor de
Europese Unie"[15],
het duurzame gebruik van zeeën en oceanen te ondersteunen en te komen tot een
gecoördineerde, coherente en transparante besluitvorming over de
beleidsgebieden die gevolgen hebben voor zeeën, oceanen, eilanden,
kustgebieden, ultraperifere gebieden en maritieme sectoren. (76)
De Raad, het Europees Parlement en het
Comité van de Regio's hebben verklaard dat aanhoudende financiële ondersteuning
nodig is om het geïntegreerd maritiem beleid van de Europese Unie uit te voeren
en verder te ontwikkelen[16]. (77)
Uit het EFMZV moet steun worden verleend voor de
bevordering van geïntegreerd maritiem bestuur op alle niveaus, met name via de
uitwisseling van beste praktijken en de verdere ontwikkeling en
tenuitvoerlegging van zeegebiedstrategieën. Beoogd wordt
om met deze strategieën een geïntegreerd kader op te zetten om problemen die de
Europese zeegebieden gemeenschappelijk hebben, aan te pakken en de samenwerking
tussen belanghebbende partijen te versterken met als doel het gebruik van de
financiële instrumenten en fondsen van de Unie te optimaliseren en bij te
dragen tot de economische, sociale en territoriale cohesie van de Unie. (78)
Uit het EFMZV moet ook steun worden verleend voor
de verdere ontwikkeling van instrumenten om synergieën te creëren tussen
initiatieven die in verschillende sectoren worden genomen en betrekking hebben
op zeeën, oceanen en kusten. Dit geldt voor de
geïntegreerde maritieme bewaking, die erop gericht is het maritieme
situationele bewustzijn te verbeteren dankzij een intensievere en beveiligde
uitwisseling van gegevens tussen de sectoren. Concrete acties op het gebied van
maritieme bewaking die onder titel V van het Verdrag betreffende de werking van
de Europese Unie vallen, mogen echter niet uit het EFMZV worden gefinancierd. (79)
Om de informatiesystemen die door deze sectoren
worden gebruikt, met elkaar te verbinden, zal waarschijnlijk gebruik moeten
worden gemaakt van de financieringsmechanismen van deze sectoren, en dit op een
manier die coherent is en in overeenstemming met het Verdrag. Maritieme ruimtelijke ordening en geïntegreerd beheer van kustgebieden
zijn onmisbare instrumenten om de mariene gebieden en de kustgebieden duurzaam
te ontwikkelen en dragen beide bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen
van ecosysteemgericht beheer en tot de ontwikkeling van verbindingen tussen
land en zee. Deze instrumenten zijn tevens belangrijk om de verschillende
manieren waarop onze kusten, zeeën en oceanen worden gebruikt, zo te beheren
dat duurzame economische ontwikkeling mogelijk wordt en grensoverschrijdende
investeringen worden gestimuleerd; in het kader van de tenuitvoerlegging van de
Kaderrichtlijn mariene strategie zullen de grenzen van de duurzaamheid van
menselijke activiteiten die een impact hebben op het mariene milieu nader
worden omschreven. Voorts moet de kennis over de mariene wereld worden
verbeterd en moet innovatie worden gestimuleerd door het verzamelen, het gratis
delen, het hergebruiken en het verspreiden van gegevens over de toestand van
zeeën en oceanen te vergemakkelijken. (80)
Uit het EFMZV moet ook steun worden verleend om de
economische groei, de werkgelegenheid, de innovatie en het concurrentievermogen
in de maritieme sectoren en kustgebieden te bevorderen. Het
is van bijzonder belang dat wordt nagegaan welke regelgevingsvoorschriften en
lacunes op het gebied van vaardigheden de groei in opkomende en
toekomstgerichte maritieme sectoren belemmeren en welke concrete acties ter
bevordering van investeringen in technologische innovatie nodig zijn om het
economische potentieel van mariene en maritieme applicaties te versterken. (81)
Het EFMZV moet complementair zijn aan en coherent
zijn met de bestaande en toekomstige financiële instrumenten die door de Unie
en, op nationaal en subnationaal niveau, door de lidstaten ter beschikking
worden gesteld om, met inachtneming van de prioritering en de voortgang van
nationale en plaatselijke projecten, de bescherming en het duurzame gebruik van
zeeën, oceanen en kusten te bevorderen en bij te dragen tot een doeltreffender
samenwerking tussen de lidstaten en hun kust‑, eiland‑ en ultraperifere
gebieden. Het EFMZV en andere EU‑beleidsgebieden met een
maritieme dimensie, met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling,
het Cohesiefonds en het Europees Sociaal Fonds, alsmede het Horizon 2020‑programma
voor onderzoeks‑ en energiebeleid, moeten in elkaar grijpen. (82)
Om de doelstellingen van het GVB op mondiaal niveau
te bereiken, speelt de Unie een actieve rol in de werkzaamheden van
internationale organisaties. Het is daarom van wezenlijk
belang dat de Unie bijdraagt tot de activiteiten van dergelijke organisaties,
die helpen ervoor te zorgen dat de visserijhulpbronnen zowel op volle zee als
in wateren van derde landen in stand worden gehouden en duurzaam worden
geëxploiteerd. De steun die op grond van Verordening (EG) nr. 861/2006 aan
internationale organisaties wordt verleend, moet worden voortgezet in het kader
van het EFMZV overeenkomstig de keuze voor de toepassing van het beleid via één
fonds. (83)
Om het bestuur in het kader van het GVB te
verbeteren en te zorgen voor een doeltreffende werking van de adviesraden
(AR's), is het van essentieel belang dat de AR's voldoende en aanhoudende
financiering krijgen om hun adviesrol in het kader van het GVB efficiënt te kunnen
vervullen. Overeenkomstig de keuze voor de toepassing van
het beleid via één fonds moet de steun die in het kader van het EFMZV aan de
AR's wordt verleend, in de plaats komen van de steun aan de regionale
adviesraden (RAR's) op grond van Verordening (EG) nr. 861/2006. (84)
Wat technische bijstand betreft, moet uit het EFMZV
voorbereidende, administratieve en technische steun worden verleend, alsook
steun voor voorlichtingsmaatregelen, netwerkvorming, evaluaties, audits,
studies en ervaringsuitwisseling, met als doel de uitvoering van de
operationele programma's te vergemakkelijken en innovatieve benaderingen en
methoden voor een eenvoudige en doorzichtige uitvoering te bevorderen. Er moet ook technische bijstand worden verleend voor het opzetten van
een Europees netwerk van plaatselijke visserijgroepen die gericht zijn op
capaciteitsopbouw, informatieverspreiding, ervaringsuitwisseling en
ondersteuning van de samenwerking tussen de plaatselijke partnerschappen. (85)
Ten aanzien van alle concrete acties die krachtens
deze verordening onder zowel gedeeld als direct beheer worden gefinancierd,
moeten de financiële belangen van de Unie door een deugdelijke toepassing van
de desbetreffende regelgeving worden beschermd en moeten de lidstaten en de
Commissie passende controles verrichten. (86)
[Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke
bepalingen] alsmede de op grond daarvan vastgestelde bepalingen dienen van
toepassing te zijn op de in de onderhavige verordening vastgestelde bepalingen
die onder gedeeld beheer vallen. Met name in [Verordening
(EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen][17] zijn bepalingen vastgesteld
betreffende het met de lidstaten gedeelde beheer van de EU‑fondsen op basis van
de beginselen van gezond financieel beheer, transparantie en non-discriminatie,
alsmede bepalingen inzake de functie van erkende instanties, de
begrotingsbeginselen, bepalingen die in het kader van de onderhavige
verordening moeten worden nageleefd. (87)
Om echter rekening te houden met het specifieke
karakter van het EFMZV, met name op het gebied van omvang, soorten concrete
actie die worden gefinancierd, de sterke band met het GVB en andere ter zake
relevante factoren, moet met betrekking tot sommige gemeenschappelijke
bepalingen betreffende gedeeld beheer, in deze verordening worden voorzien in
een aanpassing, afwijking of aanvulling. Waar dat vereist
is op grond van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke
bepalingen], moeten deze gemeenschappelijke bepalingen in het kader van het
EFMZV worden vervolledigd en aangevuld. (88)
Aangezien het belangrijk is de mariene biologische
hulpbronnen in stand te houden en de visbestanden met name tegen illegale
visserij te beschermen, en aangezien rekening moet worden gehouden met de geest
van de conclusies in het groenboek over de hervorming van het GVB[18], mag geen EFMZV‑steun worden
verleend aan marktdeelnemers die de GVB‑voorschriften hebben overtreden op een
wijze die met name de duurzaamheid van de betrokken bestanden in gevaar brengt
en daarom een ernstige bedreiging vormen voor de duurzame exploitatie van de
levende mariene biologische hulpbronnen op een niveau dat het mogelijk maakt de
populaties van de gevangen soorten boven een peil te brengen en te houden dat
de MSY kan opleveren, noch aan marktdeelnemers die betrokken zijn bij de IOO‑visserij. In geen enkel stadium, gaande van de selectie tot de uitvoering van
een concrete actie, mag de EU‑financiering worden gebruikt om het algemeen
belang van de instandhouding van mariene biologische hulpbronnen zoals tot
uitdrukking gebracht in de doelstellingen van de GVB‑verordening, te
ondermijnen. (89)
De lidstaten moeten passende maatregelen
vaststellen om te garanderen dat de beheers- en controlesystemen goed
functioneren. Daartoe moeten voor elk operationeel
programma een beheersautoriteit, een betaalorgaan en een certificerende
instantie worden aangewezen en moeten de bevoegdheden van deze instanties
worden gespecificeerd. Deze bevoegdheden behelzen in hoofdzaak het waarborgen
van een goede financiële uitvoering, het organiseren van de evaluatie, het
certificeren van de uitgaven, de audit en het nakomen van het EU‑recht. Bepaald
moet worden dat de Commissie en de betrokken nationale autoriteiten regelmatig
bijeenkomen om de steunverlening te monitoren. Met name moet met het oog op het
beheer en de controle worden bepaald op welke wijze de lidstaten moeten
garanderen dat de systemen aanwezig zijn en naar behoren functioneren. (90)
De financiële belangen van de Europese Unie moeten
worden beschermd door het nemen van evenredige maatregelen in de hele
uitgavencyclus, onder meer op het gebied van preventie, opsporing en onderzoek
van onregelmatigheden, de terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd
betaalde of fout bestede financiële middelen, en waar nodig de toepassing van
sancties. (91)
Bedragen die naar aanleiding van onregelmatigheden
aan de lidstaten zijn terugbetaald, moeten beschikbaar blijven voor de
operationele programma's van de betrokken lidstaat. Er
moet een systeem van financiële aansprakelijkheid van de lidstaten worden
ingesteld voor gevallen waarin niet het totale bedrag van de onregelmatig
verkregen middelen is terugbetaald, en de Commissie moet de mogelijkheid
krijgen de belangen van de EU-begroting te beschermen door te besluiten dat de
betrokken lidstaat de bedragen die wegens onregelmatigheden niet verschuldigd
waren en niet binnen een redelijke termijn zijn terugbetaald, voor zijn
rekening moet nemen. (92)
Voor een doelmatige werking van het partnerschap en
om de steunverlening door de Unie te bevorderen, is het noodzakelijk dat hieraan
via voorlichting en publiciteit een zo ruim mogelijke bekendheid wordt gegeven. De voor het beheer van de steun bevoegde autoriteiten zijn hiervoor
verantwoordelijk, en zij moeten de Commissie op de hoogte brengen van de ter
zake genomen maatregelen. (93)
De voorschriften en procedures inzake vastleggingen
en betalingen moeten worden vereenvoudigd zodat een regelmatige cashflow is
gewaarborgd. Een voorfinanciering van de bijdrage uit het
EFMZV ten belope van 4 % moet de uitvoering van het operationele programma
helpen bespoedigen. (94)
Voor een goed beheer van de EU‑middelen moeten de
raming en de uitvoering van de uitgaven worden verbeterd. Daartoe
moeten de lidstaten hun ramingen inzake het gebruik van de EU‑middelen
regelmatig aan de Commissie toezenden en moet vertraging bij de financiële
uitvoering aanleiding geven tot terugbetaling van de voorfinanciering en
ambtshalve doorhaling. (95)
Om tegemoet te komen aan de in de artikelen 50 en 51
van de [GVB‑verordening] bedoelde specifieke behoeften en om de naleving van de
GVB‑voorschriften te bevorderen, moeten de regels inzake uitstel van betaling
zoals bedoeld in [Verordening (EU) nr. [...] inzake gemeenschappelijke
bepalingen] worden aangevuld. Wanneer een lidstaat of een
marktdeelnemer zijn uit het GVB voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen
of wanneer de Commissie beschikt over bewijs van een dergelijke niet‑naleving,
moet de Commissie de gelegenheid krijgen om bij wijze van voorzorgsmaatregel de
betrokken betalingen uit te stellen. (96)
Naast de mogelijkheid betalingen uit te stellen
moet de Commissie de mogelijkheid krijgen om betalingen die in verband staan
met een geval van niet‑naleving van de in de artikelen 50 en 51 van de [GVB‑verordening]
bedoelde GVB‑voorschriften, te schorsen teneinde te voorkomen dat betalingen
worden verricht voor niet‑subsidiabele uitgaven. (97)
Ter wille van heldere financiële betrekkingen
tussen de erkende betaalorganen en de EU‑begroting dient de Commissie de
rekeningen van die betaalorganen jaarlijks goed te keuren.
In het betrokken besluit tot goedkeuring van de rekeningen moet worden
aangetoond dat de ingediende rekeningen volledig, nauwkeurig en
waarheidsgetrouw zijn, en niet dat de uitgaven in overeenstemming zijn met de
EU-wetgeving. (98)
De operationele programma's moeten gemonitord en
geëvalueerd worden met als doel de kwaliteit ervan te verbeteren en de
resultaten ervan aan te tonen. De Commissie moet een kader
voor gemeenschappelijke monitoring en evaluatie opzetten dat er onder meer voor
moeten zorgen dat de relevante gegevens tijdig beschikbaar zijn. In dit verband
moet een lijst indicatoren worden opgesteld en moet de impact van het EFMZV‑beleid
door de Commissie worden beoordeeld aan de hand van specifieke doelstellingen. (99)
De verantwoordelijkheid voor het monitoren van de
programma's moet worden gedeeld tussen de beheersautoriteit en een daartoe
ingesteld monitoringcomité. Hiertoe moeten de respectieve
bevoegdheden worden gespecificeerd. Voor het monitoren van de programma's moet
onder meer een jaarlijks uitvoeringsverslag worden opgesteld en aan de
Commissie worden toegezonden. (100)
Om de toegankelijkheid en transparantie van de
informatie over financieringsmogelijkheden en begunstigden van projecten te
vergroten, moet elke lidstaat beschikken over een speciale website of een
speciaal webportaal met informatie over operationele programma's, waaronder
lijsten van in het kader van elk operationeel programma ondersteunde concrete
acties. Deze informatie moet het publiek in het algemeen
en de belastingsbetaler in de Unie in het bijzonder een redelijk goed, tastbaar
en concreet idee geven van de manier waarop de EU‑financiering in het kader van
het EFMZV wordt besteed. Een ander doel van de bekendmaking van ter zake
relevante gegevens bestaat erin meer ruchtbaarheid te geven aan het feit dat EU‑financiering
kan worden aangevraagd. Met inachtneming van het fundamentele recht op
bescherming van gegevens en het arrest van het Hof in de gevoegde zaken Schecke[19] mag echter niet worden geëist
dat de naam van natuurlijke personen worden bekendgemaakt. (101)
Met het oog op de aanvulling en wijziging van
bepaalde niet‑essentiële onderdelen van deze verordening, moet aan de Commissie
de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag
besluiten vast te stellen met betrekking tot een gedragscode waarin wordt
omschreven in welke gevallen van niet‑naleving van de GBV‑voorschriften
aanvragen als niet‑ontvankelijk worden aangemerkt, met betrekking tot de
aanvraagtermijnen, met betrekking tot een evenredige handhaving van de
toepassing van de voorafgaande voorwaarden, met betrekking tot de vaststelling
van subsidiabele investeringen aan boord teneinde te voorkomen dat
investeringen worden gedaan die leiden tot een verhoging van de
vangstcapaciteit van het vaartuig, met betrekking tot de methode voor de
berekening van de netto‑inkomsten in het geval van eco‑innovatie, met
betrekking tot de vaststelling van subsidiabele concrete acties en kosten in
verband met de bescherming en het herstel van beschermde mariene gebieden, met
betrekking tot de vaststelling van subsidiabele kosten van investeringen in de
offshore en de non‑food aquacultuur, met betrekking tot de vaststelling van de
inhoud van het actieplan van de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, met
betrekking tot het bepalen van de subsidiabele kosten van de voorbereidende
steun voor plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, met betrekking tot het
bepalen van de subsidiabele werkingskosten en dynamiseringskosten in verband
met de plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, met betrekking tot de taken van
de betaalorganen en de certificerende instanties, met betrekking tot de
verduidelijking van de taken van de lidstaten bij het terugvorderen van
onverschuldigd gedane betalingen, met betrekking tot de vaststelling van
gevallen van niet‑naleving van de GVB‑voorschriften die tot schorsing van
betalingen kunnen leiden, met betrekking tot de vaststelling van criteria en
methoden die moeten worden toegepast in het geval van forfaitaire of
geëxtrapoleerde financiële correcties, met betrekking tot de lijst van gevallen
van niet‑naleving van de GVB‑voorschriften die aanleiding kunnen geven tot
toepassing van financiële correcties en met betrekking tot de inhoud en de vorm
van het monitoring‑ en evaluatiesysteem. (102)
Bij het voorbereiden en opstellen van gedelegeerde
handelingen dient de Commissie erop toe te zien dat de desbetreffende
documenten gelijktijdig, tijdig en op passende wijze bij het Europees Parlement
en de Raad worden ingediend. (103)
De Commissie moet ertoe worden gemachtigd om
middels uitvoeringshandelingen besluiten aan te nemen met betrekking tot de
jaarlijkse verdeling van de toewijzingen, met betrekking tot de goedkeuring van
de operationele programma's en de wijzigingen daarvan, met betrekking tot de EU‑prioriteit
in het kader van het controle‑ en handhavingsbeleid, met betrekking tot de
goedkeuring van de jaarlijkse werkprogramma's voor gegevensverzameling, met
betrekking tot de vaststelling van de bewijsgronden voor gevallen van niet‑naleving
van de GVB‑voorschriften die aanleiding kunnen geven tot uitstel van betaling,
met betrekking tot gevallen van niet‑naleving van de GVB‑voorschriften die
aanleiding kunnen geven tot schorsing van betaling, met betrekking tot gevallen
van schorsing van betaling en opheffing van schorsing van betaling, met
betrekking tot financiële correcties en met betrekking tot de goedkeuring van
rekeningen. (104)
Om ervoor te zorgen dat deze verordening onder
uniforme voorwaarden ten uitvoer wordt gelegd, dient de Commissie
uitvoeringsbevoegdheden te krijgen met betrekking tot het format van de
operationele programma's, met betrekking tot de procedures voor de vaststelling
van de operationele programma's, met betrekking tot de procedures voor de
vaststelling van het jaarlijkse werkprogramma voor gegevensverzameling, met
betrekking tot de concrete toepassing van de in bijlage I opgenomen
steunintensiteitspercentages, met betrekking tot de termijn voor indiening van
de tussentijdse uitgavendeclaratie, met betrekking tot de voorschriften inzake
de beheers‑ en controletaken van de betaalorganen, met betrekking tot de
specifieke taken van de certificerende instanties, met betrekking tot de
voorschriften voor een doeltreffend beheer en doeltreffende controles, met
betrekking tot de vaststelling van de te schorsen betalingen, met betrekking
tot de procedures voor het uitstellen of het schorsen van betalingen, met
betrekking tot de procedure voor door de Commissie uit te voeren extra
controles ter plaatse, met betrekking tot het format van de jaarlijkse
uitvoeringsverslagen, met betrekking tot de omschrijving van de elementen die
moeten worden opgenomen in de evaluaties vooraf en achteraf en met betrekking
tot technische elementen voor publiciteitsmaatregelen. Deze
bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU)
nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011
tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing
zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de
uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren[20]. (105)
Gezien het procedurele karakter van de bepalingen
die de Commissie middels in de artikelen 24, 98, 120 en 143 bedoelde
uitvoeringshandelingen zal aannemen, dienen de betrokken uitvoeringshandelingen
volgens de raadplegingsprocedure te worden vastgesteld. (106)
Met het oog op een vlotte overgang van het bij
Verordening (EG) nr. 1198/2006 ingestelde systeem naar het bij de onderhavige
verordening ingestelde systeem, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden
gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen aan te
nemen tot vaststelling van overgangsbepalingen. (107)
De nieuwe, bij de onderhavige verordening
ingestelde steunregeling komt in de plaats van de steunregeling die is
ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 1198/2006, Verordening (EG) nr. 861/2006, de
verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een
programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd
maritiem beleid, Verordening (EG) nr. 1290/2005 Garantiefonds, Verordening (EG)
nr. 791/2007 en artikel 103 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. Deze verordeningen en deze bepaling dienen derhalve op 1 januari 2014
te worden ingetrokken, HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING
VASTGESTELD: TITEL I
DOELSTELLINGEN HOOFDSTUK I
Toepassingsgebied en definities Artikel 1
Onderwerp Deze verordening betreft financiële
maatregelen van de Unie voor de tenuitvoerlegging van: a) het
gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), b) ter zake
relevante maatregelen betreffende het zeerecht, c) de duurzame
ontwikkeling van de visserijgebieden en de binnenvisserij, d) het
geïntegreerd maritiem beleid (GMB). Artikel 2
Toepassingsgebied in
geografische zin Deze verordening is van toepassing op concrete
acties die worden uitgevoerd op het grondgebied van de Unie, tenzij in deze
verordening uitdrukkelijk anders wordt bepaald. Artikel 3
Definities 1. Voor de toepassing van de
onderhavige verordening en onverminderd lid 2 gelden de definities van artikel 5
van de [GVB‑verordening][21],
artikel 5 van de [verordening inzake de gemeenschappelijke marktordening voor
visserijproducten en aquacultuurproducten], artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009
van de Raad en artikel 2 van de [verordening inzake gemeenschappelijke
bepalingen][22].
2. Voor de toepassing van deze
verordening wordt verstaan onder: (1)
"gemeenschappelijke
gegevensuitwisselingsstructuur" (CISE ‑ Common Information
Sharing Environment): een gedecentraliseerd opgezet
netwerk van systemen voor de uitwisseling van informatie tussen gebruikers uit
verschillende sectoren met als doel het situationele bewustzijn inzake
activiteiten op zee te verbeteren; (2)
"sectoroverschrijdende concrete acties": initiatieven die verschillende sectoren en/of sectorale
beleidsgebieden zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de
Europese Unie ten goede komen en die niet hun volledige rendement halen indien
ze ten uitvoer worden gelegd aan de hand van maatregelen binnen de grenzen van
één bepaald beleidsgebied; (3)
"elektronisch registratie- en
meldsysteem" (ERS ‑ electronic recording and reporting system): een systeem voor de elektronische registratie en melding van gegevens
zoals bedoeld in de artikelen 15, 24 en 63 van Verordening (EG) nr. 1224/2009
van de Raad; (4)
"Europees marien observatie- en
datanetwerk": een netwerk waarin nationale
programma's voor mariene observatie en data worden geïntegreerd tot een
gemeenschappelijk en toegankelijk Europees instrument; (5)
"visserijgebied": een
door de lidstaat als zodanig aangemerkt gebied aan de kust van een zee of een
meer of met vijvers of een riviermonding, en met een belangrijke
werkgelegenheid in de visserijsector of de aquacultuursector; (6)
"visser": een door
de lidstaat als zodanig erkend persoon die de beroepsvisserij uitoefent aan
boord van een in bedrijf zijnd vissersvaartuig of een door de lidstaat als
zodanig erkend persoon die beroepsmatig mariene organismen oogst zonder
vaartuig; (7)
"geïntegreerd maritiem beleid" (GMB): een EU‑beleid dat erop gericht is een gecoördineerde en coherente
besluitvorming tot stand te brengen teneinde middels coherente beleidslijnen op
het gebied van maritieme zaken en middels ter zake relevante internationale
samenwerking te komen tot een optimale duurzame ontwikkeling, economische groei
en sociale cohesie in de lidstaten, met name in de kust‑, eiland‑ en
ultraperifere gebieden van de Unie en in de maritieme sectoren; (8)
"geïntegreerde maritieme bewaking": een EU‑initiatief om de bewaking van de Europese zeeën efficiënter en
doeltreffender te maken middels sector‑ en grensoverschrijdende informatie‑uitwisseling
en samenwerking; (9)
"onregelmatigheid": een
onregelmatigheid zoals gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG)
nr. 2988/95 van de Raad; (10)
"binnenvisserij": visserij
voor commerciële doeleinden die wordt verricht hetzij door vaartuigen die
uitsluitend actief zijn in de binnenwateren hetzij met andere voorzieningen die
voor het vissen op het ijs worden gebruikt; (11)
"geïntegreerd beheer van kustgebieden": strategieën en maatregelen zoals omschreven in Aanbeveling 2002/413/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2002 betreffende de uitvoering
van een geïntegreerd beheer van kustgebieden in Europa[23]; (12)
"geïntegreerd maritiem bestuur": het gecoördineerde beheer van alle sectorale beleidsgebieden van de EU
die gevolgen hebben voor de zeeën, oceanen en kustgebieden; (13)
"mariene regio’s": geografische
gebieden zoals omschreven in bijlage I bij Besluit 2004/585/EG van de Raad en
de door de regionale organisaties voor visserijbeheer ingestelde gebieden; (14)
"maritieme ruimtelijke ordening": een proces in het kader waarvan de openbare autoriteiten de verdeling
van menselijke activiteiten in mariene gebieden in ruimte en tijd analyseren en
organiseren om zo ecologische, economische en sociale doelstellingen te
verwezenlijken; (15)
"maatregel": een
samenstel van concrete acties; (16)
"overheidsuitgaven":
een bijdrage tot de financiering van een concrete actie uit de begroting van de
lidstaten, van de regionale of plaatselijke overheden of van de Europese Unie,
alsmede vergelijkbare uitgaven; elke bijdrage aan de financiering van concrete
acties die afkomstig is uit de begroting van publiekrechtelijke instellingen of
verenigingen van een of meer regionale of plaatselijke overheden of
publiekrechtelijke instellingen die handelen overeenkomstig Richtlijn 2004/18/EG
van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de
coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor
werken, leveringen en diensten[24]
wordt beschouwd als een overheidsbijdrage; (17)
"zeegebiedstrategie": een gestructureerd samenwerkingskader voor een bepaald geografisch
gebied, dat wordt ontwikkeld door de Europese instellingen, de lidstaten, de
regio's van de lidstaten en, in voorkomend geval, derde landen, met name
wanneer het gaat om een met derde landen gedeeld zeegebied; in de strategie
wordt rekening gehouden met de specifieke geografische, klimatologische,
economische en politieke kenmerken van het betrokken zeegebied; (18)
"kleinschalige kustvisserij": de visserij door vissersvaartuigen met een lengte over alles van
minder dan 12 meter die geen gebruik maken van gesleept vistuig zoals bedoeld
in tabel 3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30
december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de
vissersvloot[25]; (19)
"vaartuigen die uitsluitend in de
binnenwateren actief zijn": vaartuigen voor de
commerciële visserij in binnenwateren die niet in het EU‑gegevensbestand over
de vissersvloot zijn opgenomen. TITEL II
ALGEMEEN KADER HOOFDSTUK I
Instelling en doelstellingen van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en
Visserij Artikel 4
Instelling Hierbij wordt het Europees Fonds voor
Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) ingesteld. Artikel 5
Doelstellingen Het EFMZV draagt bij tot de volgende
doelstellingen: (a)
bevordering van een duurzame en concurrerende
visserij en aquacultuur; (b)
bevordering van de ontwikkeling en de uitvoering
van het geïntegreerd maritiem beleid van de EU op een manier die complementair
is aan het cohesiebeleid en aan het gemeenschappelijk visserijbeleid; (c)
bevordering van een evenwichtige en inclusieve
territoriale ontwikkeling van de visserijgebieden; (d)
bevordering van de tenuitvoerlegging van het GVB. Artikel 6
EU‑prioriteiten De verwezenlijking van de EFMZV‑doelstellingen
draagt bij tot de Europa 2020‑strategie voor slimme, duurzame en
inclusieve groei. Hiertoe wordt uitvoering gegeven aan de
zes onderstaande EU‑prioriteiten die aansluiten op de thematische
doelstellingen van het gemeenschappelijk strategisch kader (hierna
"GSK"genoemd): (1) Bevordering van de werkgelegenheid
en de territoriale cohesie aan de hand van de volgende doelstellingen: (a)
stimulering van de economische groei, de sociale
inclusie, de werkgelegenheidscreatie en de arbeidsmobiliteit in
kustgemeenschappen en landinwaarts gelegen gemeenschappen die aangewezen zijn
op de visserij en de aquacultuur; (b)
diversifiëring van de visserijactiviteiten naar
andere sectoren van de maritieme economie, en uitbreiding van de maritieme
economie, onder meer in het kader van de matiging van de klimaatverandering. (2) Bevordering van een innovatieve,
concurrerende en kennisgebaseerde visserij door de nadruk te leggen op: (a)
steun voor de intensivering van technologische
ontwikkeling, innovatie en kennisoverdracht; (b)
versterking van het concurrentievermogen en de
rendabiliteit van de visserij, met name van de kleinschalige kustvisserij, en
verbetering van de veiligheid en de arbeidsomstandigheden; (c)
ontwikkeling van nieuwe beroepsvaardigheden en een
leven lang leren; (d)
verbetering van de ordening van de markt voor
visserijproducten. (3) Bevordering van een innovatieve,
concurrerende en kennisgebaseerde aquacultuur door de nadruk te leggen op: (a)
steun voor de intensivering van technologische
ontwikkeling, innovatie en kennisoverdracht; (b)
versterking van het concurrentievermogen en de
rendabiliteit van aquacultuurondernemingen, en in het bijzonder van kmo's; (c)
ontwikkeling van nieuwe beroepsvaardigheden en een
leven lang leren; (d)
verbetering van de ordening van de markt voor
aquacultuurproducten. (4) Bevordering van een duurzame en
hulpbronefficiënte visserij door de nadruk te leggen op: (a)
reductie van de impact van de visserij op het
mariene milieu; (b)
bescherming en herstel van de mariene
biodiversiteit en de mariene ecosystemen, met inbegrip van de diensten die deze
leveren. (5) Bevordering van een duurzame en
hulpbronefficiënte aquacultuur door de nadruk te leggen op: (a)
versterking van de ecosystemen die verbonden zijn
met de aquacultuur en bevordering van een hulpbronefficiënte aquacultuur; (b)
bevordering van een aquacultuur die wordt
gekenmerkt door een hoog niveau van milieubescherming. diergezondheid,
dierenwelzijn, volksgezondheid en veiligheid. (6) Bevordering van de tenuitvoerlegging
van het GVB aan de hand van: (a)
het beschikbaar stellen van wetenschappelijke
kennis en gegevensverzameling; (b)
het ondersteunen van controle en handhaving, het
versterken van de institutionele capaciteit en efficiënte overheidsdiensten. HOOFDSTUK II
Gedeeld en direct beheer Artikel 7
Gedeeld en direct beheer 1. Maatregelen en technische
bijstand zoals bedoeld in respectievelijk titel V en artikel 92, worden uit het
EFMZV gefinancierd overeenkomstig het beginsel van tussen de lidstaten en de
Unie gedeeld beheer en overeenkomstig de gemeenschappelijke voorschriften die
zijn vastgesteld bij [Verordening (EU) nr. inzake gemeenschappelijke
bepalingen][26].
2. Maatregelen zoals bedoeld in
titel VI, met uitzondering van de in artikel 92 bedoelde technische bijstand,
worden uit het EFMZV gefinancierd overeenkomstig het beginsel van direct
beheer. HOOFDSTUK III
Algemene beginselen van de steunverlening in het kader van gedeeld beheer Artikel 8
Staatssteun 1. Onverminderd lid 2 van het
onderhavige artikel zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag van
toepassing op steun die de lidstaten verlenen aan ondernemingen in de visserij‑
en de aquacultuursector. 2. De artikelen 107, 108 en 109
van het Verdrag zijn evenwel niet van toepassing op betalingen die de lidstaten
doen op grond van en in overeenstemming met deze verordening en binnen de
werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag. 3. Nationale bepalingen voor
overheidsfinanciering die verder gaan dan de bepalingen van deze verordening
betreffende de in lid 2 bedoelde financiële bijdragen, worden op basis van lid 1
als één geheel beoordeeld. Artikel 9
Partnerschap In afwijking van artikel 5, lid 4, van
[Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] worden de
organisaties die de partners op EU‑niveau vertegenwoordigen, tijdens de
programmeringsperiode ten minste twee keer door de Commissie geraadpleegd over
de tenuitvoerlegging van de EFMZV‑steun. Artikel 10
Coördinatie Naast de in artikel 4 van [Verordening (EU)
nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde beginselen geldt dat de
Commissie en de lidstaten erop toezien dat de EFMZV‑steun wordt gecoördineerd
met en complementair is aan de steun die wordt verleend op grond van andere
beleidsgebieden en financiële instrumenten van de EU, zoals Verordening (EU)
nr. [tot vaststelling van het kaderactieprogramma voor milieu en
klimaatverandering (LIFE‑kaderprogramma)][27],
en op grond van het externe optreden van de Unie. Zowel de
steun uit het EFMZV als die uit het LIFE‑kaderprogramma wordt met name
gecoördineerd door de financiering van activiteiten die een aanvulling vormen
op krachtens het LIFE‑kaderprogramma gefinancierde geïntegreerde projecten, te
bevorderen en door het gebruik van oplossingen, methoden en benaderingen die
krachtens het LIFE‑kaderprogramma zijn gevalideerd, te stimuleren. Artikel 11
Voorafgaande voorwaarden De in bijlage III bij deze verordening
opgenomen voorafgaande voorwaarden zijn van toepassing op het EFMZV. HOOFDSTUK IV
Ontvankelijkheid van aanvragen en niet voor steun in aanmerking komende
concrete acties Artikel 12
Ontvankelijkheid van
aanvragen 1. Aanvragen die worden
ingediend door de volgende marktdeelnemers, komen gedurende een vastgestelde
periode niet in aanmerking voor EFMZV‑steun: (a)
marktdeelnemers die een ernstige inbreuk hebben
gepleegd zoals bedoeld in artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 of in
artikel 90, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009: (b)
marktdeelnemers die zijn betrokken bij de
exploitatie, het beheer of de eigendom van vissersvaartuigen die zijn opgenomen
in de EU‑lijst van IOO‑vaartuigen zoals bedoeld in artikel 40, lid 3, van
Verordening (EG) nr. 1005/2008; (c)
marktdeelnemers die andere inbreuken op de GVB‑voorschriften
hebben begaan die de duurzaamheid van de betrokken bestanden ernstig in gevaar
brengen. 2. Aanvragen die worden
ingediend door marktdeelnemers die in het kader van het EVF of het EFMZV een
onregelmatigheid hebben begaan, komen gedurende een vastgestelde periode niet
in aanmerking voor steun. 3. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot: (a)
de vaststelling van de in de leden 1 en 2 bedoelde
periode die evenredig moet zijn aan de ernst van de inbreuk of de niet‑naleving
of aan het aantal keren dat deze is begaan; (b)
de vaststelling van de begin‑ of einddatum van de
in lid 1 bedoelde periode; (c)
de vaststelling van in lid 1, onder c), bedoelde
andere gevallen van niet‑naleving die de duurzaamheid van de betrokken
bestanden ernstig in gevaar brengen. 4. De lidstaten verplichten de
marktdeelnemers die een aanvraag in het kader van het EFMZV indienen, ertoe ten
aanzien van de beheersautoriteit schriftelijk te verklaren dat zij voldoen aan
de in lid 1 vastgestelde criteria en dat zij geen in lid 2 bedoelde
onregelmatigheid hebben begaan in het kader van het EVF of het EFMZV. Alvorens
de concrete actie goed te keuren, gaan de lidstaten na of deze schriftelijke
verklaring waarheidsgetrouw is. 5. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van een systeem voor de uitwisseling van
informatie over onregelmatigheden tussen de lidstaten. Artikel 13
Niet‑subsidiabele concrete
acties De volgende concrete acties komen niet in
aanmerking voor steun in het kader van het EFMZV: (a)
concrete acties die de vangstcapaciteit van het
vaartuig vergroten; (b)
de bouw van nieuwe vissersvaartuigen en de
buitenbedrijfstelling of de invoer van vissersvaartuigen; (c)
de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten; (d)
de experimentele visserij; (e)
de overdracht van de eigendom van een bedrijf; (f)
het rechtstreeks uitzetten van vis, behalve als
instandhoudingsmaatregel waarin uitdrukkelijk bij een rechtshandeling van de
Unie is voorzien of wanneer sprake is van het experimenteel uitzetten van vis. TITEL III
FINANCIEEL KADER Artikel 14
Begrotingsuitvoering 1. De EU‑begroting die op grond
van titel V aan het EFMZV wordt toegewezen, wordt uitgevoerd in het kader van
gedeeld beheer overeenkomstig artikel 4 van [Verordening (EU) nr. […] inzake
gemeenschappelijke bepalingen]. 2. De EU‑begroting die op grond
van titel VI aan het EFMZV wordt toegewezen, wordt rechtstreeks door de
Commissie uitgevoerd overeenkomstig artikel 55, lid 1, onder a), van het [nieuw
financieel reglement]. 3. De Commissie annuleert alle
onder gedeeld beheer vallende vaststellingen, of een deel daarvan,
overeenkomstig het [nieuw financieel reglement] en overeenkomstig artikel 147
van de onderhavige verordening 4. Het beginsel van goed
financieel beheer wordt toegepast overeenkomstig de artikelen 27 en 50 van het
[nieuw financieel reglement]. Artikel 15
Gedeeld beheerde
begrotingsmiddelen 1. De gedeeld beheerde middelen
die in het kader van het EFMZV beschikbaar zijn voor vastleggingen voor de
periode 2014 – 2020, bedragen overeenkomstig de in bijlage II
vastgestelde jaarlijkse verdeling 5 520 000 000 euro,
uitgedrukt in huidige prijzen. 2. Van het in lid 1 genoemde
bedrag wordt 4 535 000 000 euro toegewezen voor de duurzame
ontwikkeling van de visserij, de aquacultuur en de aquacultuurgebieden, zoals
bedoeld in respectievelijk hoofdstuk I, hoofdstuk II en hoofdstuk III van titel
V. 3. Van het in lid 1 genoemde
bedrag wordt 477 000 000 euro toegewezen voor in artikel 78
bedoelde controle‑ en handhavingsmaatregelen. 4. Van het in lid 1 genoemde
bedrag wordt 358 000 000 euro toegewezen voor in artikel 79
bedoelde maatregelen inzake gegevensverzameling. 5. De financiële middelen die
worden toegewezen voor in titel V, hoofdstuk V, bedoelde compensatie ten bate
van de ultraperifere gebieden, mogen jaarlijks niet meer bedragen dan: –
4 300 000 euro voor de Azoren en Madeira; –
5 800 000 euro voor de Canarische
Eilanden; –
4 900 000 euro voor Frans Guyana en Réunion. 6. Van het in lid 1 genoemde
bedrag wordt 45 000 000 euro toegewezen voor in artikel 72
bedoelde opslagsteun die wordt verleend vanaf begin 2014 tot eind 2018. Artikel 16
Direct beheerde
begrotingsmiddelen Uit het EFMZV wordt 1 047 000 000
euro toegewezen voor direct beheerde maatregelen zoals bedoeld in de
hoofdstukken I en II van titel VI. Hierin is tevens de in
artikel 91 bedoelde technische bijstand begrepen. Artikel 17
Financiële verdeling onder
gedeeld beheer 1. De in artikel 15, leden 2 tot
en met 6, genoemde en in de tabel in bijlage II opgenomen bedragen die
beschikbaar zijn voor vastleggingen door de lidstaten voor de periode 2014 – 2020,
worden vastgesteld aan de hand van de volgende objectieve criteria: (a)
wat titel V betreft: i) het
werkgelegenheidsniveau in de visserij en de aquacultuur, ii) het
productieniveau in de visserij en de aquacultuur, en iii) het aandeel van de
kleinschalige kustvisserijvloot in de vissersvloot; (b)
wat de artikelen 78 en 79 betreft: i) de reikwijdte van de
controletaken van de betrokken lidstaat, geraamd op basis van de omvang van de
nationale vissersvloot, de aangelande hoeveelheid en de waarde van de invoer
uit derde landen; ii) de in verhouding
tot de reikwijdte van de controletaken van de betrokken lidstaat beschikbare
controlemiddelen, geraamd op basis van het aantal controles op zee en het
aantal inspecties van aanlandingen; iii) de reikwijdte van
de gegevensverzamelingstaken van de betrokken lidstaat, geraamd op basis van de
omvang van de nationale vissersvloot, de aangelande hoeveelheid, het aantal
wetenschappelijke monitoringtaken op zee en het aantal onderzoeken waaraan de
lidstaat deelneemt, en iv) de voor de
gegevensverzameling beschikbare middelen, afgezet tegen de reikwijdte van de
gegevensverzamelingstaken van de lidstaat, het aantal waarnemers op zee en de
personele en technische middelen die nodig zijn voor de uitvoering van het
nationale steekproefprogramma voor gegevensverzameling; (c)
voor alle maatregelen: de
historische toewijzingen in het kader van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de
Raad en de historische benutting in het kader van Verordening (EG) nr. 861/2006
van de Raad. 2. De Commissie stelt middels
een uitvoeringshandeling een besluit vast inzake de jaarlijkse verdeling van de
totale middelen over de lidstaten. TITEL IV
PROGRAMMERING HOOFDSTUK I
Programmering van onder gedeeld beheer gefinancierde maatregelen Artikel 18
Opstellen van operationele
programma’s 1. Elke lidstaat stelt één
operationeel programma op waarmee uitvoering wordt gegeven aan de EU‑prioriteiten
die uit het EFMZV worden gecofinancierd. 2. De lidstaat stelt het
operationele programma op na nauwe samenwerking met de partners zoals bedoeld
in artikel 5 van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen].
De raadpleging van de partners over de voorbereidende documenten wordt zo
georganiseerd dat de partners de gelegenheid hebben deze te bestuderen. 3. Wat het in artikel 20, lid 1,
onder n), bedoelde gedeelte van het operationele programma betreft, stelt de
Commissie uiterlijk op 31 mei 2013 middels een uitvoeringshandeling de EU‑prioriteiten
voor het handhavings‑ en controlebeleid vast. 4. Het in artikel 20, lid 1,
onder o), bedoelde gedeelte van het operationele programma dat betrekking heeft
op het voor 2014 geldende gedeelte van het in artikel 37, lid 5, van de [GVB‑verordening]
bedoelde meerjarenprogramma, wordt uiterlijk op 31 oktober 2013 ingediend. Artikel 19
Leidende beginselen voor het
operationele programma Bij het opstellen van hun operationele
programma houden de lidstaten rekening met de volgende leidende beginselen: (a)
voor elke EU‑prioriteit worden relevante
combinaties van maatregelen opgenomen die logisch voortvloeien uit de
voorafgaande evaluatie en de SWOT‑analyse (Strengths, Weaknesses, Opportunities
and Threats ‑ sterke en zwakke punten, kansen en gevaren); (b)
in het programma wordt een steekhoudende benadering
ten aanzien van innovatie en van matiging van en aanpassing aan de
klimaatverandering geïntegreerd; (c)
er worden adequate maatregelen gepland om de
uitvoering van het programma te vereenvoudigen en te vergemakkelijken; (d)
in voorkomend geval wordt gezorgd voor samenhang
tussen de in artikel 6, leden 3 en 5, van de onderhavige verordening
vastgestelde EU‑prioriteiten voor het EFMZV en het nationaal strategisch
meerjarenplan voor de aquacultuur zoals bedoeld in artikel 43 van de [GVB‑verordening]. Artikel 20
Inhoud van het operationele
programma 1. Naast de in artikel 24 van
[Verordening (EU) nr. [...] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
elementen bevat het operationele programma: (a)
de in artikel 48 van [Verordening (EU) nr. [...]
inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde voorafgaande evaluatie; (b)
een SWOT-analyse van de situatie en een
omschrijving van de behoeften van het geografische gebied waaraan het programma
tegemoet moet komen; De analyse wordt opgebouwd rond de EU‑prioriteiten. Op het gebied van de matiging van en aanpassing aan de
klimaatverandering en op het gebied van de bevordering van innovatie wordt voor
elke EU‑prioriteit beoordeeld hoe het best aan de specifieke behoeften kan
worden voldaan; een synthese van de sterke en zwakke punten van de situatie van
de voor ondersteuning in aanmerking komende beleidsterreinen; (c)
het bewijs dat een steekhoudende benadering ten
opzichte van innovatie, het milieu, met inbegrip van de specifieke behoeften
van de NATURA 2000-gebieden, en de matiging van en aanpassing aan de
klimaatverandering in het programma is geïntegreerd; (d)
de beoordeling van de voorafgaande voorwaarden en,
in voorkomend geval, de in artikel 17, lid 4, van [Verordening (EU) nr. [...]
inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde maatregelen, en de voor de
toepassing van artikel 19 van [Verordening (EU) nr. [...] inzake
gemeenschappelijke bepalingen] vastgestelde mijlpalen; (e)
een lijst van naar EU‑prioriteit uitgesplitste
maatregelen; (f)
een beschrijving van de criteria voor de selectie
van projecten; (g)
een beschrijving van de criteria voor de selectie
van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën in het kader van titel V, hoofdstuk
III; (h)
een duidelijke verwijzing naar de onder titel V,
hoofdstuk III, vallende concrete acties die collectief mogen worden uitgevoerd
en daarom overeenkomstig artikel 95, lid 3, in aanmerking komen voor een hogere
steunintensiteit; (i)
een analyse van de behoeften in verband met de
monitoring- en evaluatievoorschriften en het in artikel 49 van [Verordening
(EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde evaluatieplan. De lidstaten voorzien in voldoende middelen en in voldoende
activiteiten voor de opbouw van de betrokken capaciteit om aan de vastgestelde
behoeften tegemoet te komen; (j)
een financieringsplan dat met inachtneming van de
artikelen 18 en 20 van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke
bepalingen] en het in artikel 17, lid 3, van de onderhavige verordening
bedoelde besluit van de Commissie is opgesteld en de volgende elementen bevat: i) een tabel met de
voor elk jaar geplande totale EFMZV‑bijdrage; ii) een tabel met de
financiële EFMZV‑middelen die beschikbaar zijn voor en het EFMZV‑cofinancieringspercentage
dat van toepassing is op enerzijds de in artikel 6 vastgestelde prioriteiten en
anderzijds de technische bijstand. In voorkomend geval wordt in de tabel
afzonderlijk melding gemaakt van de financiële EFMZV‑middelen en de cofinancieringspercentages
die in afwijking van de in artikel 94, lid 1, vastgestelde algemene regel van
toepassing zijn op steun zoals bedoeld in artikel 72, artikel 73, artikel 78,
lid 2, onder a) tot en met d), en onder f) tot en met j), artikel 78, lid 2, onder
e), en artikel 79; (k)
informatie over de complementariteit met
maatregelen die worden gefinancierd in het kader van andere GSK‑fondsen of het
LIFE‑kaderprogramma; (l)
de regelingen voor de uitvoering van het programma,
die omvatten: i) de aanwijzing door
de lidstaat van alle in artikel 107 bedoelde autoriteiten en, ter informatie,
een beknopte beschrijving van de beheers- en controlestructuur; ii) een beschrijving
van de monitoring- en evaluatieprocedures en de samenstelling van het
monitoringcomité; iii) de bepalingen die
zijn vastgesteld om ervoor te zorgen dat overeenkomstig artikel 143 bekendheid
aan het programma wordt gegeven; (m)
de aanwijzing van de in artikel 5 van [Verordening
(EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde partners en de resultaten
van het overleg met de partners; (n)
voor de in artikel 6, lid 6, bedoelde doelstelling
inzake bevordering van de naleving via controle, en overeenkomstig artikel 18,
lid 3: i) een lijst van
organisaties die het controle‑, inspectie‑ en handhavingssysteem ten uitvoer
leggen, en een beknopt overzicht van zowel de personele en financiële middelen
als de voorzieningen, met name het aantal vaartuigen, vliegtuigen en
helikopters, die deze organisaties ter beschikking staan voor controle‑,
inspectie‑ en handhavingstaken op visserijgebied; ii) de overkoepelende
doelstellingen van de controlemaatregelen die moeten worden uitgevoerd aan de
hand van overeenkomstig artikel 133 vast te stellen gemeenschappelijke
indicatoren; iii) de specifieke
doelstellingen die in overeenstemming met de in artikel 6 vastgestelde EU‑prioriteiten
moeten worden gehaald en een gedetailleerd, naar uitgavencategorie uitgesplitst
overzicht van het aantal individuele aankopen in de loop van de hele
programmeringsperiode; (o)
voor de in artikel 6, lid 6, en artikel 18, lid 4,
bedoelde doelstelling inzake gegevensverzameling voor duurzaam visserijbeheer,
en overeenkomstig het in artikel 37, lid 5, van de [GVB‑verordening] bedoelde
EU‑meerjarenprogramma: i) een beschrijving
van de activiteiten op het gebied van gegevensverzameling die moeten worden
uitgevoerd om te komen tot: –
een evaluatie van de visserijsector (biologische,
economische en horizontale variabelen, alsmede onderzoek op zee); –
een evaluatie van de economische situatie van de
aquacultuur‑ en de verwerkingssector; –
een evaluatie van de impact van de visserijsector
op het ecosysteem; ii) een beschrijving
van de methoden voor de opslag, het beheer en het gebruik van gegevens; iii) een bewijs van de
capaciteit voor een gezond financieel en administratief beheer van de
verzamelde gegevens. Dit gedeelte van het operationele programma wordt
aangevuld met het bepaalde in artikel 23. 2. Het operationele programma
omvat de methoden voor de berekening van vereenvoudigde kosten, extra kosten of
gederfde inkomsten overeenkomstig artikel 103, of de methode voor de berekening
van de compensatie overeenkomstig ter zake relevante criteria voor elk van de
in artikel 38, lid 1, bedoelde activiteiten. 3. Daarnaast omvat het
operationele programma een beschrijving van de specifieke acties ter
bevordering van gelijke kansen en ter voorkoming van discriminatie op grond van
geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap,
leeftijd of seksuele geaardheid, met inbegrip van de regelingen om de
integratie van het genderperspectief in de operationele programma's en op
operationeel niveau te garanderen. 4. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vast voor de wijze waarop de in de leden 1,
2 en 3 beschreven elementen moeten worden weergegeven. Die
uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 151, lid 2, bedoelde
raadplegingsprocedure vastgesteld. Artikel 21
Goedkeuring van de
operationele programma's 1. Naast de in artikel 25 van
[Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
bepalingen en met inachtneming van de voorafgaande evaluatie beoordeelt de
Commissie of de operationele programma's coherent zijn met de onderhavige
verordening en een doeltreffende bijdrage leveren tot de verwezenlijking van de
in artikel 6 vastgestelde EU‑prioriteiten voor het EFMZV. 2. De Commissie keurt de
operationele programma's goed middels een uitvoeringshandeling. Artikel 22
Wijziging van de operationele
programma's 1. De Commissie keurt de
wijziging van operationele programma's goed middels een uitvoeringshandeling. 2. Met het oog op de aanpassing
aan de technische behoeften in verband met de controleactiviteiten kan het in
artikel 20, lid 1, onder n), bedoelde gedeelte van het operationele programma
om de twee jaar, en voor het eerst met ingang van 1 januari 2015, worden
gewijzigd. Hiertoe stelt de Commissie middels een
uitvoeringshandeling een besluit vast met daarin enerzijds de veranderingen aan
de EU‑prioriteiten op het gebied van het handhavings‑ en controlebeleid zoals
bedoeld in artikel 18, lid 3, en anderzijds de overeenkomstige subsidiabele
concrete acties die prioriteit moeten krijgen. De lidstaten dienen in het licht van de nieuwe
prioriteiten die in het in de tweede alinea van dit lid bedoelde besluit zijn
vastgesteld, uiterlijk op 31 oktober van het jaar vóór het betrokken
uitvoeringsjaar bij de Commissie de wijziging van het operationele programma
in. 3. Overeenkomstig het
evenredigheidsbeginsel worden de in lid 2 bedoelde programmawijzigingen
behandeld in het kader van een krachtens artikel 24 vastgestelde vereenvoudigde
procedure. Artikel 23
Jaarlijks werkprogramma voor
gegevensverzameling 1. Met het oog op de toepassing
van artikel 20, lid 1, onder o), dienen de lidstaten uiterlijk op 31 oktober
van elk jaar een jaarlijks werkprogramma in bij de Commissie. Het jaarlijkse
werkprogramma bevat een beschrijving van de procedures en methoden die moeten
worden gebruikt voor het verzamelen en analyseren van gegevens en voor het
inschatten van de accuraatheid en nauwkeurigheid van deze gegevens. 2. De lidstaten dienen het
jaarlijkse werkprogramma via elektronische weg in. 3. De goedkeuring van de
jaarlijkse werkprogramma's door de Commissie vindt uiterlijk op 31 december van
elk jaar plaats. 4. Het eerste jaarlijkse
werkprogramma heeft betrekking op de activiteiten voor 2014 en wordt uiterlijk
op 31 oktober 2013 bij de Commissie ingediend. Artikel 24
Voorschriften inzake
procedures en tijdschema's 1. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen voorschriften inzake de procedures, het format en de
tijdschema's vaststellen met betrekking tot: –
de goedkeuring van de operationele programma’s; –
de indiening en de goedkeuring van voorstellen tot
wijziging van operationele programma's, onder meer inzake de inwerkingtreding
en de frequentie van indiening ervan tijdens de programmeringsperiode; –
de indiening en de goedkeuring van voorstellen tot
wijziging zoals bedoeld in artikel 22, lid 2; –
de indiening van jaarlijkse werkprogramma's voor
gegevensverzameling. De procedures en tijdschema's worden vereenvoudigd
wanneer sprake is van wijzigingen van operationele programma's die betrekking
hebben op: (a)
een overdracht van financiële middelen tussen EU‑prioriteiten; (b)
de invoering of de intrekking van maatregelen of
soorten concrete acties; (c)
veranderingen in de beschrijving van maatregelen,
met inbegrip van verandering van de subsidiabiliteitsvoorwaarden; (d)
in artikel 22, lid 2, bedoelde wijzigingen en
aanvullende wijzigingen van het in artikel 20, lid 1, onder n), bedoelde
programmagedeelte. Wijzigingen zoals bedoeld onder a) en b), komen
slechts in aanmerking voor behandeling in het kader van deze vereenvoudigde
procedure indien zij betrekking hebben op maximaal 5 % van het aan de EU‑prioriteit
toegewezen bedrag en op maximaal 10 % van het voor elke maatregel
toegewezen bedrag. 2. Deze uitvoeringshandelingen
worden volgens de in artikel 151, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure
vastgesteld. HOOFDSTUK II
Programmering van onder direct beheer gefinancierde maatregelen Artikel 25
Jaarlijks werkprogramma 1. Met het oog op de uitvoering
van titel VI, hoofdstukken I en II, en artikel 92 stelt de Commissie middels
uitvoeringshandelingen een jaarlijks werkprogramma vast dat overeenstemt met de
in die hoofdstukken uiteengezette doelstellingen. Deze uitvoeringshandelingen
worden vastgesteld volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde
onderzoeksprocedure. 2. Het jaarlijkse werkprogramma
bevat de doelstellingen, de verwachte resultaten, de uitvoeringsmethode en het
voor het jaarlijkse programma geoormerkte totale bedrag. Het bevat tevens een
beschrijving van de te financieren activiteiten, een indicatie van het voor
elke activiteit toegewezen bedrag, een indicatief tijdschema voor de uitvoering
en informatie over de tenuitvoerlegging van de activiteiten. Met betrekking tot
de subsidies worden in het jaarlijkse werkprogramma de prioriteiten, de
essentiële evaluatiecriteria en het maximale cofinancieringspercentage
opgenomen. TITEL V
ONDER GEDEELD BEHEER GEFINANCIERDE MAATREGELEN HOOFDSTUK I
Duurzame ontwikkeling van de visserij Artikel 26
Specifieke doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde steun draagt bij
tot de verwezenlijking van de in artikel 6, leden 2 en 4, bedoelde EU‑prioriteiten. Artikel 27
Algemene voorwaarden 1. De eigenaar van een vissersvaartuig
die op grond van artikel 32, lid 1, onder b), artikel 36, artikel 39, lid 1,
onder a), of artikel 40, lid 2, steun heeft ontvangen, mag het betrokken
vaartuig gedurende ten minste 5 jaar na de datum waarop de steun daadwerkelijk
aan de begunstigde is betaald, niet overdragen naar een buiten de Unie gelegen
derde land. 2. Werkingskosten zijn niet
subsidiabel tenzij in dit hoofdstuk uitdrukkelijk anders wordt bepaald. Artikel 28
Innovatie 1. Om innovatie in de visserij
te stimuleren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor projecten die
gericht zijn op de ontwikkeling of de invoering van ten opzichte van de stand
van de techniek nieuwe of substantieel verbeterde producten en nieuwe of
verbeterde processen en beheers‑ en organisatiesystemen. 2. Op grond van dit artikel
gefinancierde concrete acties worden uitgevoerd in samenwerking met een door de
betrokken lidstaat erkende wetenschappelijke of technische organisatie die de
resultaten van dergelijke concrete acties evalueert. 3. De lidstaten geven
overeenkomstig artikel 143 voldoende ruchtbaarheid aan de resultaten van op
grond van dit artikel gefinancierde concrete acties. Artikel 29
Adviesdiensten 1. Om de globale prestatie en
het concurrentievermogen van de marktdeelnemers te verbeteren, kan uit het
EFMZV steun worden verleend voor: (a)
haalbaarheidsstudies waarin de rendabiliteit van
projecten die in aanmerking kunnen komen voor steun op grond van dit hoofdstuk,
wordt beoordeeld; (b)
de verstrekking van professioneel advies over
bedrijfs‑ en afzetstrategieën. 2. De haalbaarheidsstudies en
het advies zoals bedoeld in lid 1, onder a) respectievelijk b), worden
verstrekt door erkende wetenschappelijke of technische organisaties met de
vereiste adviesbevoegdheden zoals erkend in het nationale recht van elke
lidstaat. 3. De in lid 1 bedoelde steun
wordt verleend aan door de lidstaat erkende marktdeelnemers of
vissersorganisaties die de in lid 1 bedoelde haalbaarheidsstudie laten
uitvoeren. 4. De lidstaten zorgen ervoor
dat op grond van dit artikel te financieren concrete acties worden geselecteerd
aan de hand van een versnelde procedure. 5. De in lid 1 bedoelde steun
neemt de vorm aan van een forfaitair bedrag van maximaal 3000 euro. Deze
bovengrens is niet van toepassing wanneer de begunstigden vissersorganisaties
zijn. Artikel 30
Partnerschappen tussen
wetenschappers en vissers 1. Om de overdracht van kennis
tussen wetenschappers en vissers te bevorderen, kan uit het EFMZV steun worden
verleend voor: (a)
het opzetten van een netwerk bestaande uit
enerzijds één of meer wetenschappelijke organisaties en anderzijds een aantal
vissers of één of meer vissersorganisaties; (b)
de activiteiten van een onder a) bedoeld netwerk. 2. Onder de in lid 1, onder b),
bedoelde activiteiten wordt verstaan: gegevensverzameling, studie en
verspreiding van kennis en beste praktijken. 3. De in lid 1 bedoelde steun
kan worden verleend aan publiekrechtelijke instanties, vissers, organisaties
van vissers en door de lidstaat erkende niet‑gouvernementele organisaties of
aan in artikel 62 omschreven plaatselijke visserijgroepen of "FLAG's"
(Fisheries Local Action Groups). Artikel 31
Verbetering van het menselijk
kapitaal en de sociale dialoog 1. Om het menselijk kapitaal en
de sociale dialoog te verbeteren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor: (a)
een leven lang leren, verspreiding van
wetenschappelijke kennis en innoverende praktijken, en de verwerving van nieuwe
beroepsvaardigheden, met name in verband met duurzaam beheer van mariene
ecosystemen, activiteiten in de maritieme sector, innovatie en ondernemerschap; (b)
netwerkvorming, uitwisseling van ervaringen en
beste praktijken tussen belanghebbende partijen, onder meer organisaties ter
bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen; (c)
bevordering van de sociale dialoog op nationaal,
regionaal of plaatselijk niveau tussen vissers en andere relevante
belanghebbende partijen. 2. De in lid 1 bedoelde steun
wordt ook verleend aan de echtgenoten of, mits en voor zover erkend in het
nationale recht, levenspartners van zelfstandige vissers, die, anders dan als
werknemer of als vennoot, gewoonlijk en onder de in het nationale recht
bepaalde voorwaarden deelnemen aan de uitoefening van de activiteit van de
zelfstandige vissers of ondersteunende taken verrichten. Artikel 32
Bevordering van de diversifiëring
en de werkgelegenheidscreatie 1. Om de diversifiëring en de
werkgelegenheidcreatie buiten de visserijsector te bevorderen, kan uit het
EFMZV steun worden verleend voor: (a)
het opstarten van ondernemingen buiten de
visserijsector; (b)
het aanpassen van kleinschalige
kustvisserijvaartuigen om deze inzetklaar te maken voor activiteiten buiten de
visserijsector. 2. De in lid 1, onder a),
bedoelde steun wordt verleend aan vissers die: (a)
een bedrijfsplan voor de ontwikkeling van hun
nieuwe activiteiten indienen; (b)
beschikken over voldoende beroepsvaardigheden die
zij kunnen verwerven in het kader van concrete acties die op grond van artikel 31,
lid 1, onder a), worden gefinancierd. 3. De in lid 1, onder b),
bedoelde steun wordt verleend aan kleinschalige kustvissers die eigenaar zijn
van een EU‑vissersvaartuig dat als actief is geregistreerd en die in de twee
jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag gedurende ten
minste 60 dagen visserijactiviteiten op zee hebben verricht. De aan het
vissersvaartuig gekoppelde visvergunning wordt definitief ingetrokken. 4. Begunstigden van de in lid 1
bedoelde steun mogen gedurende vijf jaar na de ontvangst van de laatste
steunbetaling beroepsmatig geen visserijactiviteiten uitoefenen. 5. De in het kader van lid 1, onder
b), subsidiabele kosten mogen niet meer bedragen dan de kosten van de
aanpassing die het vaartuig heeft ondergaan om voor een ander doel dan visserij
te worden ingezet. 6. De in lid 1, onder a),
bedoelde steun bedraagt niet meer dan 50 % van de begroting die in het
bedrijfsplan voor elke concrete actie is geoormerkt, met dien verstande dat dit
bedrag per concrete actie niet hoger mag zijn dan 50 0000 euro. Artikel 33
Gezondheid en veiligheid aan
boord 1. Om de arbeidsomstandigheden
van de vissers aan boord te verbeteren, mag uit het EFMZV steun worden verleend
voor investeringen aan boord of in afzonderlijke voorzieningen, op voorwaarde
dat deze investeringen verder gaan dan wat op grond van het nationale of het EU‑recht
vereist is. 2. De steun wordt verleend aan
vissers of aan eigenaren van vissersvaartuigen. 3. Wanneer de concrete actie een
investering aan boord behelst, wordt maximaal één keer per
programmeringsperiode steun voor het betrokken vaartuig verleend. Wanneer de
concrete actie een investering in afzonderlijkevoorzieningen behelst, wordt
maximaal één keer per programmeringsperiode steun aan de betrokken begunstigde
verleend. 4. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de omschrijving van de soorten concrete acties die subsidiabel
zijn krachtens lid 1. Artikel 34
Steun voor systemen van
overdraagbare visserijconcessies in het kader van het GVB 1. Teneinde in het kader van
artikel 27 van [GVB‑verordening] systemen van overdraagbare visserijconcessies
vast te stellen of te wijzigen, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor: (a)
het ontwerpen en ontwikkelen van de technische en
administratieve instrumenten die nodig zijn voor het opzetten of voor de
werking van een systeem van overdraagbare visserijconcessies; (b)
de participatie van de belanghebbende partijen bij
het ontwerpen en ontwikkelen van systemen van overdraagbare visserijconcessies; (c)
de monitoring en de evaluatie van systemen van
overdraagbare visserijconcessies; (d)
het beheer van systemen van overdraagbare
visserijconcessies. 2. De in lid 1, onder a), b) en
c), bedoelde steun wordt slechts verleend aan overheidsinstanties. De in lid 1,
onder d), van het onderhavige artikel bedoelde steun wordt verleend aan
overheidsinstanties, natuurlijke of rechtspersonen en erkende
producentenorganisaties die betrokken zijn bij het collectieve beheer van
samengevoegde overdraagbare visserijconcessies zoals bedoeld in artikel 28, lid
4, van [GVB‑verordening]. Artikel 35
Steun voor de tenuitvoerlegging
van instandhoudingsmaatregelen in het kader van het GVB 1. Met het oog op de
doeltreffende tenuitvoerlegging van in de artikelen 17 en 21 van [GVB
verordening] bedoelde instandhoudingsmaatregelen kan uit het EFMZV steun worden
verleend voor: (a)
het ontwerpen en ontwikkelen van de technische en
administratieve instrumenten die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van in de
artikelen 17 en 21 van [GVB verordening] bedoelde instandhoudingsmaatregelen; (b)
de participatie van de belanghebbende partijen bij
het ontwerpen en ontwikkelen van in de artikelen 17 en 21 van [GVB verordening]
bedoelde instandhoudingsmaatregelen. 2. De in lid 1 bedoelde steun
wordt slechts verleend aan overheidsinstanties. Artikel 36
Beperking van de impact van
de visserij op het mariene milieu 1. Om de impact van de visserij
op het mariene milieu te beperken, de afschaffing van de teruggooi te
bevorderen en de overgang te vergemakkelijken naar een exploitatie van de
levende mariene biologische hulpbronnen op een niveau dat het mogelijk maakt de
populaties van de gevangen soorten boven een peil te brengen en te houden dat
de MSY kan opleveren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen in voorzieningen die: (a)
de selectiviteit van het vistuig op grootte en
soort verfijnen; (b)
ongewenste vangsten van commerciële bestanden of
andere bijvangsten reduceren; (c)
de fysieke en biologische impact van de visserij op
het ecosysteem of de zeebodem beperken. 2. Gedurende de
programmeringsperiode mag slechts één keer steun worden verleend voor een
bepaald EU‑vissersvaartuig of voor een specifiek type vistuig. 3. Er mag slechts steun worden
verleend voor vistuigen of in lid 1 bedoelde voorzieningen die aantoonbaar
beter selecteren op grootte of een geringere impact op de niet‑doelsoorten
hebben dan de standaard vistuigen of andere voorzieningen die zijn toegestaan
op grond van het EU‑recht of het nationale recht van de lidstaten dat is
vastgesteld in het kader van de regionalisering zoals bedoeld in [GVB‑verordening]. 4. De steun wordt verleend aan: (a)
eigenaren van een EU‑vissersvaartuig dat als actief
is geregistreerd en dat in de twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening
van de aanvraag gedurende ten minste 60 dagen visserijactiviteiten op zee heeft
verricht; (b)
vissers die eigenaar zijn van het te vervangen
vistuig en die in de twee jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de
aanvraag gedurende ten minste 60 dagen aan boord van een EU‑vissersvaartuig
hebben gewerkt; (c)
door de lidstaten erkende vissersorganisaties. Artikel 37
Innovatie in verband met de
instandhouding van mariene biologische hulpbronnen 1. Om de afschaffing van de
teruggooi te bevorderen en de overgang te vergemakkelijken naar een exploitatie
van de levende mariene biologische hulpbronnen op een niveau dat het mogelijk
maakt de populaties van de gevangen soorten boven een peil te brengen en te
houden dat de MSY kan opleveren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
projecten ten bate van de ontwikkeling of de invoering van nieuwe technische of
organisatorische kennis die leidt tot een beperking van de impact van de
visserijactiviteiten op het milieu of tot een duurzamer gebruik van de mariene
biologische hulpbronnen. 2. Op grond van dit artikel
gefinancierde concrete acties worden uitgevoerd in samenwerking met een op
grond van het nationale recht van de lidstaten erkende wetenschappelijke of
technische organisatie die de resultaten van deze concrete acties evalueert. 3. De lidstaten geven
overeenkomstig artikel 143 voldoende ruchtbaarheid aan de resultaten van op
grond van dit artikel gefinancierde concrete acties. 4. Het aandeel van de
vissersvaartuigen dat betrokken is bij op grond van dit artikel gefinancierde
projecten mag niet groter zijn dan 5 % van de vissersvaartuigen van de
nationale vloot of niet meer dan 5 % van de brutotonnage van de nationale
vissersvloot, berekend bij de indiening van de aanvraag. 5. Concrete acties die het
testen van nieuwe vistuigen of vistechnieken behelzen, worden uitgevoerd binnen
de grenzen van de aan de betrokken lidstaat toegewezen vangstmogelijkheden. 6. De netto‑inkomsten die
voortvloeien uit de deelname van het vissersvaartuig aan de concrete actie,
worden in mindering gebracht op de subsidiabele uitgaven van de concrete actie. 7. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van de wijze waarop de in lid 6 bedoelde netto‑inkomsten
voor een relevante periode worden berekend. Artikel 38
Bescherming en herstel van de
mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen in het kader van duurzame
visserijactiviteiten 1. Om de betrokkenheid van de
vissers bij de bescherming en het herstel van de mariene biodiversiteit en de
mariene ecosystemen, met inbegrip van de diensten die zij in het kader van
duurzame visserijactiviteiten leveren, te bevorderen, kan uit het EFMZV steun
worden verleend voor de volgende concrete acties: (a)
het verzamelen van afval op zee, zoals verloren
vistuig en zwerfvuil; (b)
het bouwen of installeren van vaste of
verplaatsbare voorzieningen om de mariene flora en fauna te beschermen en te
ontwikkelen; (c)
het bijdragen tot een beter beheer of een betere
instandhouding van de hulpbronnen; (d)
het beheren, herstellen en monitoren van
NATURA 2000‑sites overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21
mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora
en fauna[28],
overeenkomstig Richtlijn 2009/147/EG van Europees Parlement en de Raad inzake
het behoud van de vogelstand[29],
en overeenkomstig de prioritaire actiekaders die zijn vastgesteld op grond van
Richtlijn 92/43/EEG; (e)
het beheren, herstellen en monitoren van beschermde
mariene gebieden met het oog op de tenuitvoerlegging van de in artikel 13, lid 4,
van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad bedoelde
ruimtelijke beschermingsmaatregelen; (f)
het deelnemen aan andere acties ten bate van de
instandhouding en de ontwikkeling van de biodiversiteit en ecosysteemdiensten,
zoals het herstel van specifieke mariene en kusthabitats ter ondersteuning van
de duurzaamheid van de visbestanden. 2. In dit artikel bedoelde
concrete acties worden uitgevoerd door publiekrechtelijke instanties met
medewerking van vissers, door de lidstaten erkende vissersorganisaties of
niet-gouvernementele organisaties, in partnerschap met vissersorganisaties of
plaatselijke visserijgroepen zoals bedoeld in artikel 62. 3. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van: (a)
de soorten concrete acties die subsidiabel zijn
krachtens lid 1 van het onderhavige artikel; (b)
de kosten die subsidiabel zijn krachtens lid 1 van
het onderhavige artikel Artikel 39
Matiging van de
klimaatverandering 1. Om de gevolgen van de
klimaatverandering te matigen, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor: (a)
investeringen aan boord om de uitstoot van
verontreinigende stoffen of broeikasgassen te reduceren en de energie‑efficiency
van de vissersvaartuigen te verhogen; (b)
audits en regelingen op het gebied van energie‑efficiency. 2. De steunverlening mag niet
bijdragen tot de vervanging of de modernisering van hoofd‑ of hulpmotoren. De
steun wordt slechts verleend aan eigenaren van vissersvaartuigen en gedurende
de programmeringsperiode mag slechts een keer steun worden verleend voor een
bepaald vissersvaartuig. 3. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de omschrijving van de investeringen die subsidiabel zijn
krachtens lid 1, onder a). Artikel 40
Productkwaliteit en gebruik
van ongewenste vangsten 1. Om de kwaliteit van de
gevangen vis te verbeteren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor daarop
gerichte investeringen aan boord. 2. Om het gebruik van ongewenste
vangsten te verbeteren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen aan boord die tot doel hebben ongewenste vangsten van commerciële
bestanden optimaal te gebruiken en de onvoldoende gebruikte delen van de
gevangen vis te valoriseren overeenkomstig artikel 15 van [GVB‑verordening] en
artikel 8, onder b), van [Verordening (EU) nr. inzake de gemeenschappelijke
marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten]. 3. Gedurende de
programmeringsperiode mag op grond van dit artikel slechts één keer steun
worden verleend voor een bepaald vissersvaartuig of een bepaalde begunstigde. 4. De in lid 1 bedoelde steun
wordt slechts verleend aan eigenaren van een EU‑vissersvaartuig dat in de twee
jaar voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag gedurende ten
minste 60 dagen visserijactiviteiten op zee heeft verricht. Artikel 41
Vissershavens, aanlandings-
en beschuttingsplaatsen 1. Om de kwaliteit van het
aangelande product, de energie‑efficiency, de milieubescherming en de
veiligheids‑ en arbeidsomstandigheden te verbeteren, kan uit het EFMZV steun
worden verleend voor investeringen ter verbetering van de infrastructuur van
vissershavens en aanlandingsplaatsen, met inbegrip van investeringen in
voorzieningen voor de verzameling van afval en zwerfvuil op zee. 2. Om het gebruik van ongewenste
vangsten te faciliteren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen in vissershavens en aanlandingsplaatsen die gericht zijn op het
optimale gebruik van ongewenste vangsten van commerciële bestanden en de
valorisering van onvoldoend gebruikte delen van de gevangen vis overeenkomstig
artikel 15 van [GVB‑verordening] en artikel 8, onder b), van [Verordening (EU)
nr. inzake de gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten]. 3. Ter verhoging van de
veiligheid van de vissers kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen voor de bouw of de modernisering van beschuttingsplaatsen. 4. Er mag geen steun worden
verleend voor de aanleg van nieuwe havens, nieuwe aanlandingsplaatsen of nieuwe
afslagen. Artikel 42
Binnenvisserij 1. Om de impact van de
binnenvisserij op het milieu te verminderen en de energie‑efficiency, de
kwaliteit van de aangelande vis en de veiligheids‑ en arbeidsomstandigheden te
verbeteren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor: (a)
in artikel 33 bedoelde investeringen in
voorzieningen aan boord of afzonderlijke voorzieningen, overeenkomstig de in
dat artikel vastgestelde voorwaarden; (b)
in artikel 36 bedoelde investeringen in
voorzieningen, overeenkomstig de in dat artikel vastgestelde voorwaarden; (c)
in artikel 39 bedoelde investeringen aan boord en
audits en regelingen op het gebied van energie‑efficiency, overeenkomstig de in
dat artikel vastgestelde voorwaarden; (d)
in artikel 41 bedoelde investeringen in bestaande
havens en aanlandingsplaatsen, overeenkomstig de in dat artikel vastgestelde
voorwaarden. 2. Voor de toepassing van lid 1: (a)
gelden verwijzingen die in de artikelen 33, 36 en 39
naar vissersvaartuigen worden gemaakt, als verwijzingen naar vaartuigen die
uitsluitend in binnenwateren actief zijn; (b)
gelden verwijzigen die in artikel 36 worden
gemaakt, als verwijzingen naar het milieu waarin het binnenvisserijvaartuig
actief is; 3. Om de diversifiëring door
binnenvissers te ondersteunen, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor de
aanpassing van vaartuigen die in de binnenvisserij actief zijn naar andere
activiteiten buiten de visserij, overeenkomstig de in artikel 32 vastgestelde
voorwaarden. 4. Voor de toepassing van lid 3
gelden verwijzingen die in de artikel 32 naar vissersvaartuigen worden gemaakt,
als verwijzingen naar vaartuigen die uitsluitend in binnenwateren actief zijn. 5. Om de aquatische flora en
fauna te beschermen en te ontwikkelen, kan uit het EFMZV steun worden verleend
voor de participatie van binnenvissers bij het beheren, herstellen en monitoren
van de NATURA 2000‑sites die rechtstreeks in verband staan met
visserijactiviteiten, en bij het rehabiliteren van binnenwateren, met inbegrip
van paaigronden en migratieroutes voor migrerende soorten, onverminderd artikel
38, lid 1, onder d). 6. De lidstaten zorgen ervoor
dat vaartuigen die krachtens dit artikel steun ontvangen, hun activiteiten
uitsluitend in binnenwateren blijven ontplooien. HOOFDSTUK II
Duurzame ontwikkeling van de aquacultuur Artikel 43
Specifieke doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde steun draagt bij
tot de verwezenlijking van de in artikel 6, leden 2 en 4, bedoelde EU‑prioriteiten. Artikel 44
Algemene voorwaarden 1. De in dit hoofdstuk bedoelde
steun wordt slechts verleend aan aquacultuurbedrijven, tenzij uitdrukkelijk
anders wordt bepaald. 2. Indien de concrete acties
betrekking hebben op investeringen in voorzieningen of infrastructuur die borg
moeten staan voor de inachtneming van de in het EU‑recht vastgestelde
voorschriften op het gebied van milieu, gezondheid van mens en dier, hygiëne en
dierenwelzijn en die na 2014 van kracht worden, mag de hier bedoelde steun
worden verleend tot de datum waarop de normen bindend worden voor de bedrijven. Artikel 45
Innovatie 1. Om innovatie in de
aquacultuur te stimuleren, kan uit het EFMZV steun worden verleend ten bate van
concrete acties: (a)
voor de invoering van nieuwe technische of
organisatorische kennis in aquacultuurbedrijven die tot doel heeft de impact
van deze bedrijven op het milieu te reduceren of een duurzamer gebruik van de
hulpbronnen in de aquacultuur te bevorderen; (b)
voor de ontwikkeling of de invoering van ten
opzichte van de stand van de techniek nieuwe of substantieel verbeterde
producten en nieuwe of verbeterde processen en beheers‑ en organisatiesystemen. 2. In dit artikel bedoelde
concrete acties worden uitgevoerd in samenwerking met een op grond van het
nationale recht van de lidstaten erkende wetenschappelijke of technische
organisatie die de resultaten van deze concrete acties evalueert. 3. De lidstaten geven
overeenkomstig artikel 143 voldoende ruchtbaarheid aan de resultaten van op
grond van het onderhavige artikel gefinancierde concrete acties. Artikel 46
Investeringen in de
offshore aquacultuur en de non-food aquacultuur 1. Om aquacultuurmethoden met
een groot groeipotentieel te bevorderen, kan uit het EFMZV steun worden
verleend voor investeringen in de ontwikkeling van offshore aquacultuur en
non-food aquacultuur. 2. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de omschrijving van de soorten concrete acties en de
subsidiabele kosten in dit verband. Artikel 47
Nieuwe bronnen van inkomsten
en toegevoegde waarde 1. Om het ondernemerschap in de
aquacultuur te bevorderen, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen die bevorderlijk zijn voor: (a)
het toevoegen van waarde aan aquacultuurproducten,
met name door de aquacultuurbedrijven toe te staan hun eigen
aquacultuurproductie te verwerken, af te zetten en rechtstreeks te verkopen; (b)
het diversifiëren van het inkomen van de
aquacultuurbedrijven via de ontwikkeling van nieuwe aquacultuursoorten met
goede marktvooruitzichten; (c)
het diversifiëren van het inkomen van de
aquacultuurbedrijven via de ontwikkeling van aanvullende activiteiten buiten de
aquacultuur. 2. De in artikel 1, onder c),
bedoelde steun wordt slechts verleend aan aquacultuurbedrijven indien de
aanvullende activiteiten die zij buiten de aquacultuur ontplooien, in verband
staan met de kernactiviteit van het bedrijf (d.w.z. aquacultuur), zoals
hengeltoerisme, aquacultuurgebonden milieudiensten of educatieve activiteiten
in verband met aquacultuur. Artikel 48
Beheers‑, verzorgings‑ en
adviesdiensten voor aquacultuurbedrijven 1. Om de globale prestatie en
het concurrentievermogen van de aquacultuurbedrijven te verbeteren, kan uit het
EFMZV steun worden verleend voor: (a)
het opzetten van beheers‑, verzorgings‑ en
adviesdiensten voor aquacultuurbedrijven; (b)
het verstrekken van adviesdiensten op het gebied
van technische, wetenschappelijke, juridische of economische aangelegenheden
aan aquacultuurbedrijven. 2. De in lid 1, onder b),
bedoelde adviesdiensten hebben betrekking op: (a)
de behoeften van de aquacultuurbedrijven op het
gebied van het beheer dat vereist is om aan de nationale en de EU‑wetgeving
inzake milieubescherming en aan de voorschriften inzake maritieme ruimtelijke
ordening te voldoen; (b)
de milieueffectbeoordeling; (c)
de behoeften van de aquacultuurbedrijven op het
gebied van het beheer dat vereist is om te voldoen aan de EU‑wetgeving inzake
de gezondheid en het welzijn van waterdieren en de volksgezondheid; (d)
gezondheids‑ en veiligheidsnormen die gebaseerd
zijn op nationale en EU‑wetgeving; (e)
afzet‑ en bedrijfsstrategieën. 3. De in lid 1, onder a),
bedoelde steun wordt slechts verleend aan publiekrechtelijke instanties die
geselecteerd zijn om bedrijfsadviesdiensten op te zetten. De in lid 1, onder
b), bedoelde steun wordt slechts verleend aan aquacultuur‑kmo's of
aquacultuurproducentenorganisaties. 4. Voor elk van de in lid 2,
onder a) tot en met e) bedoelde adviesdiensten wordt gedurende de
programmeringsperiode slechts één keer steun aan de betrokken
aquacultuurbedrijven verleend. Artikel 49
Bevordering van menselijk
kapitaal en netwerkvorming 1. Om het menselijk kapitaal en
de netwerkvorming in de aquacultuur te bevorderen, kan uit het EFMZV steun
worden verleend voor: (a)
een leven lang leren, de verspreiding van
wetenschappelijke kennis en innovatieve praktijken en de verwerving van nieuwe
beroepsvaardigheden in de aquacultuur; (b)
netwerkvorming en uitwisseling van ervaringen en
beste praktijken tussen aquacultuurbedrijven of beroepsorganisaties en andere
belanghebbende partijen, waaronder wetenschappelijke organisaties of
organisaties die gelijke kansen van mannen en vrouwen bevorderen. 2. De in lid 1, onder a),
bedoelde steun wordt niet verleend aan grote aquacultuurbedrijven. Artikel 50
Vergroting van het potentieel
van aquacultuurlocaties 1. Om bij te dragen tot de
ontwikkeling van de aquacultuurlocaties en de aquacultuurinfrastructuur, kan
uit het EFMZV steun worden verleend voor: (a)
het afbakenen en in kaart brengen van gebieden die
het best geschikt zijn voor de ontwikkeling van aquacultuur, in voorkomend
geval met inachtneming van processen voor maritieme ruimtelijke ordening; (b)
het verbeteren van de infrastructuur van de
aquacultuurgebieden, onder meer middels landinrichting, energiebevoorrading of
waterbeheer; (c)
maatregelen die de bevoegde autoriteiten in het
kader van artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2009/147/EG of artikel 16, lid 1, van
Richtlijn 92/43/EG vaststellen en uitvoeren om ernstige schade aan de
aquacultuur te voorkomen. 2. De hier bedoelde steun mag
slechts worden verleend aan publiekrechtelijke instanties. Artikel 51
Aantrekken van nieuwe
aquacultuurexploitanten 1. Om het ondernemerschap in de
aquacultuur te stimuleren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor het
opzetten van aquacultuurbedrijven door beginnende exploitanten. 2. De in lid 1 bedoelde steun
wordt aan beginnende aquacultuurexploitanten verleend op voorwaarde dat deze: (a)
over voldoende beroepsvaardigheden en deskundigheid
beschikken; (b)
voor het eerst een micro‑ of kleine
aquacultuuronderneming opzetten als hoofd van een dergelijke onderneming; (c)
een bedrijfsplan voor de ontwikkeling van hun
aquacultuuractiviteiten indienen. 3. Beginnende
aquacultuurexploitanten komen voor de verwerving van de nodige
beroepsvaardigheden in aanmerking voor in artikel 49, lid 1, onder a), bedoelde
steun. Artikel 52
Bevordering van een
aquacultuur die wordt gekenmerkt door een hoog niveau van milieubescherming Om de impact van de aquacultuur op het milieu
substantieel te reduceren, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor
investeringen: (a)
die leiden tot een substantiële reductie van de
impact van de aquacultuurbedrijven op het water, met name door de gebruikte
hoeveelheid water te verminderen of de kwaliteit van de reststromen te
verbeteren, onder meer dankzij de invoering van multitrofe aquacultuursystemen; (b)
die leiden tot een beperking van de negatieve
impact van de aquacultuurbedrijven op de natuur of de biodiversiteit; (c)
in de aankoop van voorzieningen die de
aquacultuurbedrijven beschermen tegen wilde roofdieren die worden beschermd op
grond van Richtlijn 2009/147/EEG van het Europees Parlement en de Raad en
Richtlijn 92/43/EG van de Raad; (d)
die leiden tot meer energie‑efficiency en tot de
omschakeling van aquacultuurbedrijven op hernieuwbare energiebronnen; (e)
in het herstel van bestaande aquacultuurvijvers via
de verwijdering van slib, of in maatregelen voor de preventie van
slibafzetting. Artikel 53
Omschakeling naar
milieubeheer‑ en milieu‑auditregelingen en naar biologische aquacultuur 1. Om de ontwikkeling van een
biologische of energie-efficiënte aquacultuur te bevorderen, kan uit het EFMZV
steun worden verleend voor: (a)
de omschakeling van conventionele productiemethoden
naar de biologische aquacultuur in de zin van Verordening (EG) nr. 834/2007 van
de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van
biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91[30], en overeenkomstig Verordening
(EG) nr. 710/2009 van de Commissie van 5 augustus 2009 houdende wijziging van
Verordening (EG) nr. 889/2008 tot vaststelling van de bepalingen ter uitvoering
van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad, betreffende de vaststelling van
uitvoeringsbepalingen voor de biologische dierlijke aquacultuurproductie en de
biologische productie van zeewier[31]; (b)
deelname aan de milieubeheer- en
milieuauditsystemen van de EU die zijn ingesteld bij Verordening (EG) nr. 761/2001
van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige
deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en
milieuauditsysteem (EMAS)[32]. 2. De hier bedoelde steun wordt
slechts verleend aan begunstigden die zichzelf ertoe verbinden ten minste 3
jaar aan het EMAS deel te nemen of ten minste 5 jaar aan de voorschriften
inzake biologische productie te voldoen. 3. De hier bedoelde steun wordt
verleend in de vorm van een compensatie die maximaal twee jaar wordt uitbetaald
gedurende de periode van omschakeling naar de biologische productie of
gedurende de voorbereiding van de deelname aan het EMAS‑systeem. 4. De lidstaten berekenen de
compensatie op basis van: (a)
de gederfde inkomsten of de extra kosten gedurende
de periode van omschakeling van de conventionele naar de biologische productie,
wat concrete acties op grond van lid 1, onder a), betreft; (b)
de extra kosten die voortvloeien uit het aanvragen
en het voorbereiden van de deelname aan het EMAS‑systeem, wat concrete acties
op grond van lid 1, onder b), betreft; Artikel 54
Aquacultuur die
milieudiensten levert 1. Om de ontwikkeling van een
aquacultuur die milieudiensten levert, te bevorderen, kan uit het EFMZV steun
worden verleend voor: (a)
aquacultuurmethoden die compatibel zijn met
specifieke milieubehoeften en die onderworpen zijn aan specifieke
beheersvoorschriften die voortvloeien uit de aanwijzing van NATURA 2000‑gebieden
in overeenstemming met Richtlijn 92/43/EEG van de Raad en Richtlijn 2009/147/EG
van het Europees Parlement en de Raad; (b)
deelname aan maatregelen voor de
ex situ instandhouding en de ex situ reproductie van
waterdieren in het kader van door overheidsinstanties of onder toezicht van
overheidsinstanties ontwikkelde instandhoudingsprogramma's en programma's voor
het herstel van de biodiversiteit; (c)
vormen van extensieve aquacultuur, onder meer op
het gebied van milieu‑instandhouding en –verbetering, biodiversiteit en beheer
van het landschap en de traditionele kenmerken van aquacultuurgebieden. 2. De in lid 1, onder a),
bedoelde steun kan worden verleend in de vorm van een jaarlijkse compensatie
voor de extra kosten of de gederfde inkomsten die terug te voeren zijn op de in
de betrokken gebieden geldende beheersvoorschriften in verband met de
tenuitvoerlegging van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad of Richtlijn 2009/147/EG
van het Europees Parlement en de Raad. 3. De in lid 1, onder c),
bedoelde steun wordt slechts verleend op voorwaarde dat de begunstigden
zichzelf ertoe verbinden ten minste vijf jaar aquamilieuvoorschriften in acht
te nemen die verder gaan dan op grond van het EU‑ en het nationale recht
vereist is. De milieubaten van de concrete actie worden aangetoond aan de hand
van een voorafgaande beoordeling door een bevoegde instantie die door de
lidstaat wordt aangewezen, tenzij de milieubaten van een bepaalde concrete
actie al zijn aangetoond. 4. De in lid 1, onder c),
bedoelde steun wordt verleend in de vorm van een jaarlijkse compensatie voor de
extra kosten die zijn gemaakt. 5. De lidstaten geven
overeenkomstig artikel 143 voldoende ruchtbaarheid aan de resultaten van op
grond van het onderhavige artikel gefinancierde concrete acties. Artikel 55
Maatregelen op het gebied van
volksgezondheid 1. Weekdierkwekers die de oogst van
kweekweekdieren uitsluitend omwille van de volksgezondheid tijdelijk moeten
stilleggen, krijgen hiervoor steun uit het EFMZV. 2. De hier bedoelde steun mag
slechts worden verleend indien de oogst tijdelijk wordt stilgelegd omdat de
weekdieren verontreinigd zijn als gevolg van de groei van toxineproducerend
plankton of als gevolg van de aanwezigheid van biotoxinehoudend plankton, en
indien: a) de verontreiniging
langer duurt dan vier opeenvolgende maanden; of b) het verlies als
gevolg van de stillegging van de oogst meer bedraagt dan 35 % van de jaarlijkse
omzet van het betrokken bedrijf, berekend op basis van de gemiddelde omzet van
dat bedrijf in de voorgaande drie jaar. 3. De hier bedoelde compensatie
kan in de programmeringsperiode gedurende maximaal 12 maanden worden verleend. Artikel 56
Maatregelen op het gebied van
diergezondheid en dierenwelzijn 1. Om de dierengezondheid en het
dierenwelzijn in aquacultuurbedrijven te bevorderen, met name op het gebied van
preventie en bioveiligheid, kan uit het EFMZV steun worden verleend voor: (a)
de bestrijding en de uitroeiing van ziekten in de
aquacultuur overeenkomstig Richtlijn 2009/470/EG betreffende bepaalde uitgaven
op veterinair gebied; (b)
de ontwikkeling van algemene en soortenspecifieke
beste praktijken of gedragscodes inzake de behoeften van de aquacultuursector
op het gebied van bioveiligheid of dierenwelzijn; (c)
het bevorderen van een grotere beschikbaarheid van
diergeneesmiddelen voor gebruik in de aquacultuur, en het bevorderen van het
adequate gebruik van deze geneesmiddelen door farmaceutische studies te laten
verrichten en informatie te verspreiden en uit te wisselen. 2. De in lid 1, onder c),
bedoelde steun mag niet worden verleend voor de aankoop van diergeneesmiddelen. 3. De lidstaten geven overeenkomstig
artikel 143 voldoende ruchtbaarheid aan de resultaten van op grond van lid 1,
onder c), gefinancierde studies en zien toe op adequate rapportage over deze
resultaten. 4. De hier bedoelde steun mag
tevens worden verleend aan publiekrechtelijke instanties. Artikel 57
Aquacultuurbestandsverzekering 1. Om het inkomen van de
aquacultuurexploitanten te vrijwaren, kan uit het EFMZV steun worden verleend
in de vorm van een bijdrage in een aquacultuurbestandsverzekering tegen
verliezen die het gevolg zijn van: (a)
natuurrampen: (b)
ongunstige weersomstandigheden; (c)
plotse veranderingen van de waterkwaliteit; (d)
ziekten in de aquacultuur of vernieling van
productievoorzieningen. 2. Ongunstige
weersomstandigheden of de uitbraak van een ziekte in de aquacultuur moeten
officieel als zodanig worden erkend door de betrokken lidstaat. De lidstaten stellen in voorkomend geval vooraf
criteria vast op grond waarvan deze officiële erkenning wordt verleend. 3. De hier bedoelde steun wordt
slechts verleend voor contracten ter verzekering van aquacultuurbestanden die
in lid 1 bedoelde verliezen dekken die overeenstemmen met meer dan 30 % van de
gemiddelde jaarproductie van de betrokken aquacultuurexploitant. HOOFDSTUK III
Duurzame ontwikkeling van visserijgebieden Deel 1
Toepassingsgebied en doelstellingen Artikel 58
Toepassingsgebied Uit het EFMZV wordt steun verleend om de
visserijgebieden duurzaam te ontwikkelen aan de hand van een door de
gemeenschap aangestuurde plaatselijke ontwikkelingsbenadering zoals bedoeld in
artikel 28 van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen]. Artikel 59
Specifieke doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde steun draagt bij
tot de verwezenlijking van de in artikel 6, lid 1, bedoelde EU‑prioriteiten. Deel 2
Visserijgebieden, plaatselijke partnerschappen en plaatselijke
ontwikkelingsstrategieën Artikel 60
Visserijgebieden 1. Om voor steun in aanmerking
te komen, moet een visserijgebied: (a)
beperkt zijn in omvang en in de regel kleiner zijn
dan NUTS‑niveau 3 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale
eenheden voor de statistiek in de zin van Verordening (EG) nr. 1059/2003 van
het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van
een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek
(NUTS)[33]; en (b)
met name wat de visserij‑ en de aquacultuursector
betreft, geografisch, economisch en sociaal coherent zijn en op het vlak van
personele, financiële en economische middelen voldoende kritische massa
bezitten om als draagvlak voor een uitvoerbare plaatselijke
ontwikkelingsstrategie te fungeren. 2. De lidstaten stellen in het
operationele programma de procedure voor de selectie van de gebieden vast, met
inbegrip van de toepasselijke criteria. Artikel 61
Geïntegreerde plaatselijke
ontwikkelingsstrategieën 1. Met het oog op de toepassing
van het EFMZV worden de in artikel 28, lid 1, onder c), van [Verordening (EU)
nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde geïntegreerde
plaatselijke ontwikkelingsstrategieën gebaseerd op de interactie tussen de
actoren en projecten van de verschillende plaatselijke economische sectoren in
het algemeen en van de visserij‑ en de aquacultuursector in het bijzonder. 2. Om bij te dragen tot de
verwezenlijking van de in artikel 59 bedoelde doelstellingen, moeten de
plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ervoor zorgen dat: (a)
de visserij‑ en de aquacultuursector optimaal
betrokken worden bij de duurzame ontwikkeling van de kustvisserijgebieden en de
binnenvisserijgebieden; (b)
de plaatselijke gemeenschappen optimaal gebruik
maken van en baat hebben bij de kansen die gepaard gaan met maritieme
ontwikkeling en kustontwikkeling. 3. De strategieën zijn afgestemd
op de kansen en behoeften die in het gebied zijn geïdentificeerd, alsmede op
het EU‑prioriteiten voor het EFMZV. De strategieën zijn toegespitst op
uiteenlopende gebieden, gaande van de visserij op zich tot bredere onderwerpen,
zoals diversifiëring van visserijgebieden. De strategie behelst meer dan een
verzameling van concrete acties of de juxtapositie van sectorale maatregelen. 4. Om voor EFMZV‑financiering in
aanmerking te komen, bevatten de in artikel 29 van [Verordening (EU) nr. […]
inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde geïntegreerde plaatselijke
ontwikkelingsstrategieën ten minste ook de volgende elementen: (a)
een beschrijving en motivering van het lidmaatschap
van de plaatselijke visserijgroep; (b)
een motivering van de voorgestelde EFMZV‑begroting
en de verdeling van de financiële middelen over de vastgestelde plaatselijke
prioriteiten. 5. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de inhoud van het actieplan zoals bedoeld in artikel 29, lid 1,
onder e), van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen]. 6. De lidstaten stellen in het
operationele programma criteria voor de selectie van plaatselijke
ontwikkelingsstrategieën vast die een weerspiegeling zijn van de toegevoegde
waarde van de door de gemeenschap aangestuurde benadering. Artikel 62
Plaatselijke visserijgroepen 1. Met het oog op de toepassing
van het EFMZV worden de in artikel 28, lid 1, onder b) van [Verordening (EU)
nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde plaatselijke groepen
aangewezen als plaatselijke visserijgroepen. 2. De plaatselijke visserijgroepen
stellen op basis van ten minste de in artikel 61 genoemde elementen een
geïntegreerde plaatselijke ontwikkelingsstrategie voor, en zijn
verantwoordelijk voor de uitvoering daarvan. 3. De plaatselijke
visserijgroepen: (a)
geven het voornaamste aandachtspunt van hun
strategie en de sociaaleconomische samenstelling van het betrokken gebied weer
door te zorgen door een evenwichtige vertegenwoordiging van de voornaamste
belanghebbende partijen, onder meer uit de particuliere en de openbare sector
en uit het maatschappelijk middenveld; (b)
zien toe op een significante vertegenwoordiging van
de visserij‑ en de aquacultuursector. 4. Indien voor de plaatselijke
ontwikkelingsstrategie naast EFMZV‑steun nog steun uit andere fondsen wordt
verleend, wordt voor de uit het EFMZV gefinancierde projecten een specifieke
selectie‑orgaan opgericht overeenkomstig de in lid 3 opgenomen criteria. 5. De plaatselijke
visserijgroepen voeren ten minste de in artikel 30, lid 3, van [Verordening
(EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] vastgestelde taken uit. 6. De plaatselijke
visserijgroepen kunnen extra taken uitvoeren die aan hen worden gedelegeerd
door de beheersautoriteit en/of het betaalorgaan. 7. In het operationele programma
wordt een beschrijving gegeven van de taken van respectievelijk de plaatselijke
visserijgroepen, de beheersautoriteit/het betaalorgaan bij de tenuitvoerlegging
van de strategie. Deel 3
Subsidiabele concrete acties Artikel 63
Steun uit de EFMZV voor
geïntegreerde plaatselijke ontwikkeling 1. De concrete acties die op
grond van dit deel voor steun in aanmerking komen, zijn vastgesteld in artikel 31
van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen]
vastgestelde taken. 2. Plaatselijke groepen kunnen
de bevoegde betaalorganen verzoeken om betaling van een voorschot wanneer het
operationele programma in deze mogelijkheid voorziet. Het bedrag van de
voorschotten mag niet meer bedragen dan 50 % van de overheidssteun voor de
werkingskosten. Artikel 64
Voorbereidende steun 1. Voorbereidende steun wordt
verleend voor capaciteitsopbouw, opleiding en netwerkvorming met het oog op de
voorbereiding en de uitvoering van een plaatselijke ontwikkelingsstrategie. 2. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de omschrijving van de subsidiabele kosten van de in lid 1
vermelde activiteiten. Artikel 65
Uitvoering van plaatselijke
ontwikkelingsstrategieën 1. Er kan steun voor de
uitvoering van plaatselijke ontwikkelingsstrategieën worden verleend die
gericht is op: (a)
het toevoegen van waarde, het creëren van
werkgelegenheid en het bevorderen van innovatie in alle stadia van de
leveringsketen van de visserij‑ en de aquacultuursector; (b)
het ondersteunen van de diversifiëring van de
economische bedrijvigheid in visserijgebieden, met name naar andere maritieme
sectoren, en het ondersteunen van de werkgelegenheidscreatie in
visserijgebieden, met name in andere maritieme sectoren; (c)
het versterken en optimaal benutten van de
milieubaten van de visserijgebieden, onder meer via concrete acties ter
matiging van de klimaatverandering; (d)
het bevorderen van het maatschappelijk welzijn en
het culturele erfgoed, inclusief het maritieme culturele erfgoed, in
visserijgebieden; (e)
het versterken van de rol van
visserijgemeenschappen in de plaatselijke ontwikkeling en in het bestuur op het
gebied van plaatselijke visserijhulpbronnen en maritieme activiteiten. 2. De hier bedoelde steun kan
tevens worden verleend voor maatregelen zoals bedoeld in de hoofdstukken I en
II van deze titel, op voorwaarde dat er een duidelijke reden bestaat om deze
maatregelen plaatselijk te beheren. Wanneer steun wordt verleend voor concrete
acties die met deze maatregelen stroken, gelden de desbetreffende voorwaarden
en de percentages van de bijdragen per concrete actie zoals bedoeld in de
hoofdstukken I en II van deze titel. Artikel 66
Samenwerkingsactiviteiten 1. De in artikel 31, onder c),
van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
steun kan worden verleend voor: (a)
interterritoriale of transnationale
samenwerkingsprojecten; (b)
voorbereidende technische ondersteuning voor
interterritoriale en transnationale samenwerkingsprojecten, op voorwaarde dat
de plaatselijke groepen kunnen aantonen bezig te zijn met de uitvoering van een
project. Onder "interterritoriale samenwerking"
wordt verstaan samenwerking binnen een lidstaat. Onder
„transnationale samenwerking” wordt verstaan samenwerking tussen gebieden in
verscheidene lidstaten en met gebieden in derde landen. 2. Plaatselijke visserijgroepen
kunnen in het kader van het EFMZV naast andere plaatselijke visserijgroepen ook
plaatselijke publiekprivate partnerschappen als partner hebben die de
plaatselijke ontwikkelingsstrategie binnen of buiten de Unie uitvoeren. 3. Wanneer de
samenwerkingsprojecten niet door de plaatselijke visserijgroepen worden
geselecteerd, stellen de lidstaten een regeling inzake doorlopende aanvragen
voor samenwerkingsprojecten vast. Zij maken uiterlijk twee jaar na de datum van
de goedkeuring van hun operationele programma de nationale of regionale
administratieve procedures voor de selectie van transnationale
samenwerkingsprojecten bekend, alsmede een lijst van subsidiabele kosten. 4. De goedkeuring van de
samenwerkingsprojecten vindt uiterlijk vier maanden na de datum van indiening
van de projecten plaats. 5. De lidstaten delen de
goedgekeurde transnationale samenwerkingsprojecten mee aan de Commissie. Artikel 67
Werkingskosten en
dynamiseringskosten 1. De in artikel 31, onder d),
van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
werkingskosten zijn kosten die verband houden met het beheer van de uitvoering
van de plaatselijke ontwikkelingsstrategie door de plaatselijke
visserijgroepen. 2. De in artikel 31, onder d),
van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
kosten van de dynamisering van het visserijgebied zijn kosten die verband
houden met concrete acties betreffende voorlichting over de plaatselijke
ontwikkelingsstrategie en met projectontwikkelingstaken. 3. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de omschrijving van de subsidiabele kosten van de concrete
acties zoals bedoeld in de leden 1 en 2. HOOFDSTUK IV
Maatregelen in verband met afzet en verwerking Artikel 68
Specifieke doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde steun draagt bij
tot de verwezenlijking van de in de hoofdstukken I en II van deze titel
vastgestelde specifieke doelstellingen. Artikel 69
Productie- en
afzetprogramma's 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend door de voorbereiding en de uitvoering van productie‑ en
afzetprogramma's zoals bedoeld in artikel 32 van [Verordening (EU) nr. inzake
de gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten]. 2. Uitgaven die verband houden
met productie‑ en afzetprogramma's komen slechts in aanmerking voor een EFMZV‑bijdrage
nadat het in artikel 32, lid 4, van [Verordening (EU) nr. inzake de
gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten] bedoelde jaarverslag is goedgekeurd door de bevoegde
autoriteiten van de lidstaten. 3. De op grond van dit artikel
aan een producentenorganisatie verleende steun bedraagt jaarlijks niet meer dan
3 % van de gemiddelde jaarwaarde van de productie die die
producentenorganisatie bij eerste verkoop heeft afgezet in de periode 2009 ‑ 2011.
De op grond van dit artikel aan een pas erkende producentenorganisatie
verleende steun bedraagt jaarlijks niet meer dan 3 % van de gemiddelde
jaarwaarde van de productie die de leden van die producentenorganisatie bij
eerste verkoop hebben afgezet in de periode 2009 – 2011. 4. De lidstaten kunnen 50 %
van de steun voorschieten nadat het productie‑ en afzetprogramma is goedgekeurd
overeenkomstig artikel 32, lid 2, van [Verordening (EU) nr. inzake de
gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten]. 5. De in lid 1 bedoelde steun
wordt verleend aan producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties. Artikel 70
Opslagsteun 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor erkende producentenorganisaties en unies van
producentenorganisaties die in bijlage II bij Verordening (EU) nr. [inzake de
gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten] vermelde producten opslaan, op voorwaarde dat die
producten worden opgeslagen overeenkomstig de artikelen 35 en 36 van die
verordening: (a)
de opslagsteun mag niet meer bedragen dan de
technische en financiële kosten van de maatregelen die vereist zijn voor de
stabilisatie en de opslag van de betrokken producten; (b)
de hoeveelheden waarvoor opslagsteun kan worden
verleend, mogen niet meer bedragen dan 15 % van de hoeveelheden van het
betrokken product die jaarlijks door de producentenorganisatie te koop worden
aangeboden; (c)
de jaarlijks verleende steun mag niet meer bedragen
dan het onderstaande procentuele aandeel van de gemiddelde jaarwaarde van de
productie die de leden van de producentenorganisatie bij eerste verkoop hebben
afgezet in de periode 2009 – 2011. Wanneer de
leden van de producentenorganisatie in de periode 2009 – 2011 geen
productie hebben afgezet, wordt de gemiddelde jaarwaarde van de productie die
de leden in de eerste drie productiejaren hebben afgezet, in aanmerking
genomen: –
1 % in 2014 –
0,8 % in 2015 –
0,6 % in 2016 –
0,4 % in 2017 –
0,2 % in 2018 2. De in lid 1 bedoelde steun
wordt tegen 2019 geleidelijk uitgefaseerd. 3. De steun mag slechts worden
verleend nadat de betrokken producten voor menselijke consumptie op de markt
zijn gebracht. 4. De lidstaten bepalen het
bedrag van de binnen hun grondgebied toepasselijke technische en financiële
kosten als volgt: (a)
de technische kosten worden jaarlijks berekend op
basis van de rechtstreekse kosten in verband met de voor stabilisatie en opslag
vereiste maatregelen; (b)
de financiële kosten worden jaarlijks berekend aan
de hand van de rentevoet die jaarlijks in elke lidstaat wordt vastgesteld; (c)
de technische en financiële kosten worden
bekendgemaakt. 5. De lidstaten voeren controles
uit om na te gaan of de producten waarvoor opslagsteun wordt verleend, voldoen
aan de in dit artikel vastgestelde voorwaarden. Met het oog op deze inspecties
houden de begunstigden van de opslagsteun een register bij van elke categorie
producten die worden ingeslagen en later weer voor menselijke consumptie op de
markt worden gebracht. Artikel 71
Afzetmaatregelen 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor afzetmaatregelen ten bate van visserij‑ en
aquacultuurproducten die gericht zijn op: (a)
het verbeteren van de voorwaarden voor het op de
markt brengen van: i) soorten waarvan er
een overschot is of die onderbevist zijn; ii) ongewenste
vangsten die worden aangeland overeenkomstig artikel 15 van [GVB‑verordening]
en artikel 8, onder b), tweede streepje, van [Verordening (EU) nr. inzake de
gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten]; iii) producten die
worden verkregen aan de hand van methoden met een lage milieu‑impact, of
biologische aquacultuurproducten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007
van de Raad inzake de biologische productie; (b)
het verbeteren van de kwaliteit, door het
stimuleren van: i) de indiening van
aanvragen tot registratie van producten op grond van Verordening (EG) nr. 510/2006
van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische
aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen[34]; ii) de certificering
en afzetbevordering voor onder meer duurzame visserij‑ en aquacultuurproducten
en milieuvriendelijke verwerkingsmethoden; iii) de rechtstreekse
afzet van visserijproducten door kleinschalige kustvissers; (c)
het bevorderen van de transparantie van de
productie en de markten, en het verrichten van marktonderzoek; (d)
het opstellen van standaardcontracten die verenigbaar
zijn met het EU‑recht; (e)
het opzetten van producentenorganisaties, unies van
producentenorganisaties en brancheorganisaties zoals erkend in het kader van
hoofdstuk II, afdeling III, van [Verordening (EU) nr. inzake de
gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aquacultuurproducten]; (f)
het houden van regionale, nationale of
transnationale afzetbevorderingscampagnes voor visserijproducten en
aquacultuurproducten. 2. In lid 1, onder b), bedoelde
concrete acties kunnen onder meer betrekking hebben op de integratie van
productie‑, verwerkings‑ en afzetactiviteiten die in de leveringsketen
plaatsvinden. Artikel 72
Verwerking van
visserijproducten en aquacultuurproducten 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor de volgende investeringen in de verwerking van
visserijproducten en aquacultuurproducten: (a)
investeringen die energie helpen besparen of de
milieu‑impact helpen reduceren, met inbegrip van afvalbehandeling; (b)
investeringen voor de verwerking van soorten met
weinig of geen commercieel belang; (c)
investeringen voor de verwerking van bijproducten
van de voornaamste verwerkingsactiviteiten; (d)
investeringen voor de verwerking van biologische
aquacultuurproducten zoals bedoeld in de artikelen 6 en 7 van Verordening (EG)
nr. 834/2007 van de Raad. 2. De in lid 1 bedoelde steun
wordt slechts verleend via de financiële instrumenten zoals bedoeld in titel IV
van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen]. HOOFDSTUK
V
Compensatie van in de ultraperifere gebieden gemaakte extra kosten in verband
met visserijproducten en aquacultuurproducten Artikel 73
Compensatieregeling 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend ten bate van de compensatieregeling die is ingevoerd bij
Verordening (EG) nr. 791/2007 van de Raad tot instelling van een regeling ter
compensatie van de extra kosten voor de afzet van bepaalde visserijproducten
van de ultraperifere gebieden van de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden,
Frans Guyana en Réunion. 2. Elke betrokken lidstaat
bepaalt voor zijn in artikel 1 bedoelde gebieden de lijst van de voor
compensatie in aanmerking komende visserijproducten en aquacultuurproducten en
de hoeveelheid van die producten. 3. Bij het opstellen van de in
lid 2 bedoelde lijst en hoeveelheid nemen de lidstaten alle ter zake relevante
factoren in aanmerking, met name de noodzaak ervoor te zorgen dat de
compensatie volledig verenigbaar is met de GVB‑voorschriften. 4. De compensatie wordt niet
verleend voor visserijproducten en aquacultuurproducten die: (a)
zijn gevangen door vaartuigen van derde landen, met
uitzondering van vissersvaartuigen die de vlag van Venezuela voeren en in EU‑wateren
actief zijn; (b)
zijn gevangen door EU‑vissersvaartuigen die niet in
een haven van een van de in lid 1 bedoelde gebieden zijn geregistreerd; (c)
zijn ingevoerd uit derde landen. 5. Lid 4, onder b), is niet van
toepassing indien de bestaande capaciteit van de verwerkingssector in het
betrokken ultraperifere gebied de hoeveelheid grondstoffen die overeenkomstig
de in dit artikel vastgestelde bepalingen wordt geleverd, overschrijdt. Artikel 74
Berekening van de compensatie De compensatie wordt betaald aan
marktdeelnemers die in de betrokken regio's actief zijn, en wordt berekend met
inachtneming van: (a)
voor elk visserijproduct of voor elk
aquacultuurproduct: de extra kosten die gepaard gaan met
de specifieke handicaps van het betrokken gebied, en (b)
andere soorten overheidsmaatregelen die van invloed
zijn op het niveau van de extra kosten. Artikel 75
Compensatieplan 1. De betrokken lidstaten dienen
bij de Commissie voor elk betrokken gebied een compensatieplan in met daarin de
in artikel 73 bedoelde lijst en hoeveelheid, het in artikel 74 bedoelde
compensatieniveau en de in artikel 108 bedoelde bevoegde autoriteit. 2. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van de inhoud van het compensatieplan, met
inbegrip van de criteria voor de berekening van de extra kosten die gepaard
gaan met de specifieke handicaps van de betrokken gebieden. HOOFDSTUK VI
Begeleidende maatregelen voor het gemeenschappelijk visserijbeleid onder
gedeeld beheer Artikel 76
Toepassingsgebied in
geografische zin In afwijking van artikel 2 is dit hoofdstuk
tevens van toepassing op concrete acties die buiten het grondgebied van de
Europese Unie worden uitgevoerd. Artikel 77
Specifieke doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen
ondersteunen de uitvoering van de artikelen 37 en 46 van [GVB‑verordening]. Artikel 78
Controle en handhaving 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor de tenuitvoerlegging van een EU‑systeem voor controle,
inspectie en handhaving zoals bedoeld in artikel 46 van [GVB‑verordening] en in
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot
vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de
regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen[35]. 2. Met name de volgende soorten
concrete acties komen in aanmerking voor steun: (a)
de aankoop en/of de ontwikkeling van technologieën,
met inbegrip van hardware en software, vaartuigdetectiesystemen (VDS), CCTV‑systemen
en IT‑netwerken voor het verzamelen, beheren, valideren, analyseren en
uitwisselen van gegevens met betrekking tot de visserij, voor het ontwikkelen
van steekproefmethoden voor deze gegevens, en voor het totstandbrengen van een
verbinding met sectoroverschrijdende gegevensuitwisselingssystemen; (b)
de aankoop en de installatie van de componenten die
nodig zijn voor de transmissie van gegevens door bij de visserij en de afzet
van visserijproducten betrokken actoren aan de betrokken autoriteiten van de
lidstaat en de EU, met inbegrip van de voor controledoeleinden vereiste
componenten voor elektronische registratie- en rapportagesystemen (ERS),
volgsystemen voor vaartuigen (VMS) en automatische identificatiesystemen (AIS); (c)
de aankoop en de installatie van de componenten die
nodig zijn ter waarborging van de traceerbaarheid van visserijproducten en
aquacultuurproducten zoals bedoeld in artikel 58 van Verordening (EG) nr. 1224/2009
van de Raad; (d)
de uitvoering van programma’s voor het uitwisselen
van gegevens tussen de lidstaten en de gezamenlijke analyse daarvan; (e)
de modernisering en de aankoop van
patrouillevaartuigen, ‑vliegtuigen en ‑helikopters, op voorwaarde dat deze ten
minste 60 % van de tijd voor visserijcontroledoeleinden worden gebruikt; (f)
de aankoop van andere controle‑instrumenten,
waaronder apparatuur om het motorvermogen te meten en weegapparatuur; (g)
de uitvoering van proefprojecten inzake
visserijcontrole, met inbegrip van de analyse van vis‑DNA en de ontwikkeling
van websites inzake controle; (h)
programma's voor de opleiding en uitwisseling van
personeelsleden die zijn belast met monitoring-, controle- en bewakingstaken op
visserijgebied, ook op het niveau van meerdere lidstaten; (i)
de kosten-batenanalyse en de beoordeling van de
audits die de bevoegde autoriteiten hebben uitgevoerd en van de uitgaven die
zij hebben gedaan in het kader van hun monitoring‑, controle‑ en
bewakingsopdracht; (j)
initiatieven, met inbegrip van seminars en het gebruik
van media-instrumenten, om enerzijds de vissers en andere actoren zoals
inspecteurs, openbare aanklagers en rechters, en anderzijds het grote publiek
bewuster te maken van de noodzaak om illegale, ongemelde en ongereglementeerde
visserij te bestrijden en om de GVB-voorschriften toe te passen. 3. De in lid 2, onder h), i) en
j), opgenomen maatregelen komen slechts voor steun in aanmerking indien zij
betrekking hebben op door een overheidsinstantie verrichte
controleactiviteiten. 4. Met betrekking tot in lid 2,
onder d) en h),opgenomen maatregelen wordt slechts een van de betrokken
lidstaten als betaalorgaan aangewezen. Artikel 79
Verzameling van gegevens 1. Uit het EFMZV wordt steun
verleend voor de verzameling, het beheer en het gebruik van primaire biologische,
technische, ecologische en sociaaleconomische gegevens zoals in het kader van
het in artikel 37, lid 5, van [GVB‑verordening] bedoelde meerjarenprogramma van
de Unie. 2. Met name de volgende soorten
concrete acties komen in aanmerking voor steun: (a)
het beheer en het gebruik van gegevens voor
wetenschappelijke analyse en voor de uitvoering van het GVB; (b)
nationale meerjarige steekproefprogramma’s; (c)
mariene monitoring van de commerciële en de
recreatievisserij; (d)
onderzoeken op zee; (e)
deelname van vertegenwoordigers van de lidstaten
aan regionale coördinatievergaderingen zoals bedoeld in artikel 37, lid 4, [GVB‑verordening],
aan vergaderingen van regionale organisaties voor visserijbeheer waarbij de EU
overeenkomstsluitende partij of waarnemer is, of aan vergaderingen van
internationale organisaties die belast zijn met het verstrekken van
wetenschappelijk advies. TITEL VI
ONDER DIRECT BEHEER GEFINANCIERDE MAATREGELEN HOOFDSTUK I
Geïntegreerd maritiem beleid Artikel 80
Toepassingsgebied in
geografische zin In afwijking van artikel 2 is dit hoofdstuk
tevens van toepassing op concrete acties die buiten het grondgebied van de
Europese Unie worden uitgevoerd. Artikel 81
Toepassingsgebied en
doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde steun draagt bij
tot de ontwikkeling en de uitvoering van het geïntegreerd maritiem beleid van
de Unie. De steun heeft tot doel: (a)
de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van een
geïntegreerd bestuur inzake maritieme en kustgerelateerde zaken op plaatselijk,
regionaal, nationaal, internationaal en EU‑niveau en op het niveau van het
betrokken zeegebied te bevorderen, met name door: i) maatregelen te
stimuleren om de lidstaten en de EU‑regio's aan te moedigen tot de
ontwikkeling, invoering of uitvoering van een geïntegreerd maritiem bestuur; ii) de dialoog en de
samenwerking met en tussen de lidstaten en de belanghebbende partijen op het
gebied van mariene en maritieme zaken te bevorderen, onder meer via de
ontwikkeling van zeegebiedstrategieën; iii) sectoroverschrijdende
samenwerkingsplatforms en ‑netwerken te stimuleren, waaraan wordt deelgenomen
door onder meer vertegenwoordigers van overheidsinstanties, regionale en
plaatselijke overheden, de industriesector, de toeristische sector, bij
onderzoek betrokken partijen, burgers, organisaties van het maatschappelijk
middenveld en de sociale partners; iv) de uitwisseling van
beste praktijken en de dialoog op internationaal niveau, onder meer in de vorm
van een bilaterale dialoog met derde landen, te stimuleren, onverminderd andere
overeenkomsten of regelingen tussen de EU en de betrokken derde landen; v) de zichtbaarheid van
de geïntegreerde benadering van maritieme zaken te vergroten en zowel de
overheid en de particuliere sector als het grote publiek bewuster te maken van
deze aanpak; (b)
bij te dragen tot de ontwikkeling van
sectoroverschrijdende initiatieven ten bate van de maritieme sectoren en/of het
sectorale beleid die rekening houden met en voortbouwen op bestaande
instrumenten en initiatieven, met name op het gebied van: i) geïntegreerde maritieme
bewaking, met als doel de efficiëntie en de doeltreffendheid via de sector‑ en
grensoverschrijdende uitwisseling van informatie te verbeteren met inachtneming
van bestaande en toekomstige systemen; ii) maritieme
ruimtelijke ordening en geïntegreerd beheer van kustgebieden; iii) de geleidelijke
ontwikkeling van een omvattende, openbaar toegankelijke en degelijke mariene‑kennisbasis
om het delen, hergebruiken en verspreiden van deze gegevens en deze kennis
tussen verschillende gebruikersgroepen te vergemakkelijken; (c)
duurzame economische groei, werkgelegenheid,
innovatie en nieuwe technologieën in opkomende en toekomstgerichte maritieme
sectoren in kustgebieden te ondersteunen op een manier die complementair is aan
de bestaande sectorale en nationale activiteiten; (d)
de bescherming van het mariene milieu, met name de
biodiversiteit ervan alsmede beschermde mariene gebieden zoals de NATURA 2000‑gebieden,
te bevorderen, het duurzame gebruik van de mariene en kusthulpbronnen te
stimuleren en de grenzen van de duurzaamheid van menselijke activiteiten met
een impact op het mariene milieu nader te omschrijven, met name in de context
van de kaderrichtlijn mariene strategie Artikel 82
Subsidiabele concrete acties 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor concrete acties die overeenstemmen met de in artikel 81
vastgestelde doelstellingen, zoals: (a)
studies; (b)
projecten, waaronder testprojecten en
samenwerkingsprojecten; (c)
publieksvoorlichting, uitwisseling van beste
praktijken, bewustmakingscampagnes en de bijbehorende communicatie‑ en
verspreidingsactiviteiten zoals publiciteitscampagnes, evenementen,
ontwikkeling en onderhoud van websites en platforms van belanghebbende
partijen, met inbegrip van communicatie betreffende politieke prioriteiten van
de Europese Unie die betrekking hebben op de algemene doelstellingen van deze
verordening; (d)
conferenties, seminars en workshops; (e)
uitwisseling van beste praktijken,
coördinatieactiviteiten, met inbegrip van informatie‑uitwisselingsnetwerken en
stuurmechanismen voor zeegebiedstrategieën; (f)
de ontwikkeling, de exploitatie en het onderhoud
van IT‑systemen en ‑netwerken voor het verzamelen, beheren, valideren,
analyseren en uitwisselen van gegevens met betrekking tot de visserij, voor het
ontwikkelen van steekproefmethoden voor deze gegevens, en voor het
totstandbrengen van een verbinding met sectoroverschrijdende
gegevensuitwisselingssystemen. 2. Ter verwezenlijking van de in
artikel 81, onder b), vastgestelde specifieke doelstellingen, namelijk de
ontwikkeling van sectoroverschrijdende concrete acties, kan uit het EFMZV steun
worden verleend voor: (a)
de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van
technische instrumenten voor geïntegreerde maritieme bewaking die met name tot
doel hebben een gedecentraliseerde structuur voor gegevensuitwisseling op
maritiem gebied (CISE: common information sharing
environment) te ontwikkelen, te exploiteren en te onderhouden, met name door
bestaande en toekomstige systemen met elkaar te verbinden; (b)
activiteiten op het gebied van coördinatie en
samenwerking tussen de lidstaten met als doel een maritieme ruimtelijk ordening
en een geïntegreerd beheer van kustgebieden te ontwikkelen, met inbegrip van
systemen en praktijken voor de uitwisseling en monitoring van gegevens,
evaluatieactiviteiten, het opzetten en exploiteren van deskundigennetwerken en
het opzetten van een programma om de capaciteit op te bouwen die de lidstaten
met het oog op maritieme ruimtelijke ordening nodig hebben; (c)
de technische instrumenten voor het opzetten en
exploiteren van een operationeel Europees marien observatie- en datanetwerk dat
het via samenwerking tussen de instellingen van de lidstaten die bij het
netwerk betrokken zijn, gemakkelijker maakt mariene gegevens te verzamelen,
samen te voegen, op kwaliteit te controleren, te hergebruiken en te
verspreiden. HOOFDSTUK II
Begeleidende maatregelen voor het gemeenschappelijk visserijbeleid en het
geïntegreerd maritiem beleid onder direct beheer Artikel 83
Toepassingsgebied in
geografische zin In afwijking van artikel 2 is dit hoofdstuk
tevens van toepassing op concrete acties die buiten het grondgebied van de
Europese Unie worden uitgevoerd. Artikel 84
Specifieke doelstellingen De in dit hoofdstuk bedoelde maatregelen
dragen bij tot de tenuitvoerlegging van het GVB en het GMB, met name op het gebied
van: (a)
wetenschappelijk advies in het kader van het GVB; (b)
specifieke controle‑ en handhavingsmaatregelen in
het kader van het GVB; (c)
vrijwillige bijdragen aan internationale
organisaties; (d)
adviesraden; (e)
marktonderzoek; (f)
communicatieactiviteiten betreffende het
gemeenschappelijk visserijbeleid en het geïntegreerd maritiem beleid. Artikel 85
Wetenschappelijk advies en
wetenschappelijke kennis 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor de aanlevering van de wetenschappelijke informatie die
nodig is voor een goede en doeltreffende besluitvorming op het gebied van het
beheer van het GVB, met name via projecten op het gebied van toegepast
onderzoek die rechtstreeks verband houden met de verstrekking van
wetenschappelijke standpunten en wetenschappelijk advies. 2. Met name de volgende soorten
concrete acties komen in aanmerking voor steun: (a)
studies en proefprojecten die nodig zijn voor de
tenuitvoerlegging en de ontwikkeling van het GVB, onder meer op het gebied van
alternatieve technieken voor een duurzaam visserijbeheer; (b)
de voorbereiding en verstrekking van
wetenschappelijke standpunten en wetenschappelijk advies door wetenschappelijke
instellingen, waaronder internationale adviesorganisaties die belast zijn met
de beoordeling van de bestanden, door onafhankelijke deskundigen en door
onderzoeksinstellingen; (c)
deelname van deskundigen aan vergaderingen over
wetenschappelijke en technische visserijaangelegenheden, aan
deskundigengroepen, aan internationale adviesorganisaties en aan vergaderingen
waar een bijdrage van visserijdeskundigen vereist is; (d)
uitgaven die de Commissie doet voor diensten in
verband met het verzamelen, beheren en gebruiken van gegevens, in verband met
de organisatie en het beheer van deskundigenvergaderingen over visserij en het
beheer van jaarlijkse werkprogramma's betreffende visserijgerelateerde
wetenschappelijke en technische expertise, in verband met de verwerking van
dataoproepen en datareeksen, en in verband met de voorbereidingsfase die
voorafgaat aan het verstrekken van wetenschappelijke standpunten en
wetenschappelijk advies; (e)
samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van
gegevensverzameling, inclusief het opzetten en exploiteren van
geregionaliseerde databanken voor de opslag, het beheer en het gebruik van
gegevens die bevorderlijk zijn voor de regionale samenwerking, de
gegevensverzameling en het gegevensbeheer en de wetenschappelijke expertise ter
ondersteuning van het visserijbeheer. Artikel 86
Controle en handhaving 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor de tenuitvoerlegging van een EU‑systeem voor controle,
inspectie en handhaving zoals bedoeld in artikel 46 [GVB‑verordening] en in
Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot
vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de
regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen. 2. Met name de volgende soorten
concrete acties komen in aanmerking voor steun: (a)
gezamenlijke aankopen van patrouillevaartuigen, ‑vliegtuigen
en ‑helikopters door verschillende lidstaten uit hetzelfde geografische gebied,
op voorwaarde dat deze ten minste 60 % van de tijd voor
visserijcontroledoeleinden worden gebruikt; (b)
uitgaven in verband met de beoordeling en de
ontwikkeling van nieuwe controletechnologieën; (c)
alle operationele uitgaven in verband met de
inspecties die de inspecteurs van de Commissie verrichten op de uitvoering van
het GVB door de lidstaten, en in het bijzonder de uitgaven voor
inspectiebezoeken, veiligheidsvoorzieningen, de opleiding van de inspecteurs,
vergaderingen en de huur of aanschaf door de Commissie van inspectiemiddelen
zoals bedoeld in titel X van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20
november 2009. 3. Met betrekking tot de in lid 2,
onder a), opgenomen maatregel wordt slechts één van de betrokken lidstaten als
begunstigde aangewezen Artikel 87
Vrijwillige bijdragen aan
internationale organisaties Uit het EFMZV kan steun worden verleend voor
de volgende soorten concrete acties op het gebied van internationale
betrekkingen: (a)
vrijwillige financiële bijdragen aan de
organisaties van de Verenigde Naties en andere organisaties die actief zijn op
het gebied van het zeerecht; (b)
vrijwillige financiële bijdragen voor de
voorbereiding van nieuwe internationale organisaties of internationale
verdragen die van belang zijn voor de Europese Unie; (c)
vrijwillige financiële bijdragen voor door
internationale organisaties uitgevoerde werkzaamheden of programma's die van
bijzonder belang zijn voor de Europese Unie; (d)
financiële bijdragen voor activiteiten (werk-,
informele of buitengewone vergaderingen van de overeenkomstsluitende partijen)
die de belangen van de Europese Unie in internationale organisaties dienen en
de samenwerking met haar partners in die organisaties versterken. Wanneer het in dit verband in het belang van de Europese Unie is dat
vertegenwoordigers van derde landen aanwezig zijn tijdens onderhandelingen en
vergaderingen in internationale fora en organisaties, worden de kosten van de
deelname van deze vertegenwoordigers uit het EFMZV betaald. Artikel 88
Adviesraden 1. Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor de werkingskosten van de adviesraden die krachtens artikel
52 van [GVB‑verordening] zijn opgericht. 2. Een adviesraad met
rechtspersoonlijkheid kan in zijn hoedanigheid van organisatie die een
doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft, EU‑steun aanvragen. Artikel 89
Marktonderzoek Uit het EFMZV kan steun worden verleend voor
activiteiten die de Commissie overeenkomstig artikel 49 van [Verordening (EU)
nr. [...] inzake de gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en
aqaucultuurproducten] verricht op het gebied van de ontwikkeling en de
verspreiding van marktonderzoeksresultaten met betrekking tot visserijproducten
en aquacultuurproducten. Artikel 90
Communicatieactiviteiten in
verband met het gemeenschappelijk visserijbeleid en het geïntegreerd maritiem
beleid Uit het EFMZV kan steun
worden verleend voor: (a)
de kosten van voorlichtings‑ en
communicatieactiviteiten in verband met het gemeenschappelijk visserijbeleid en
het geïntegreerd maritiem beleid, met inbegrip van: (b)
de kosten in verband met het maken, vertalen
en verspreiden van schriftelijk, audiovisueel en elektronisch materiaal dat is
toegesneden op de specifieke behoeften van de verschillende doelgroepen; (c)
de kosten in verband met de voorbereiding en de
organisatie van evenementen en vergaderingen waar informatie wordt verstrekt en
de standpunten van de verschillende partijen die betrokken zijn bij het
gemeenschappelijke visserijbeleid en het geïntegreerd maritiem beleid, worden
ingewonnen; (d)
de reis‑ en verblijfskosten van deskundigen
en vertegenwoordigers van belanghebbende partijen die door de Commissie voor
haar vergaderingen worden uitgenodigd. (e)
de kosten in verband met de communicatie
betreffende politieke prioriteiten van de Europese Unie die betrekking hebben
op de algemene doelstellingen van deze verordening. HOOFDSTUK III
Technische bijstand Artikel 91
Technische bijstand op
initiatief van de Commissie Uit het EFMZV kan op initiatief van de
Commissie ten bedrage van maximaal 1,1 % van dit fonds steun worden
verleend voor: (a)
de voor de uitvoering van de onderhavige
verordening vereiste maatregelen inzake technische bijstand zoals bedoeld in
artikel 51, lid 1, van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke
bepalingen]; (b)
de tenuitvoerlegging van
duurzamevisserijovereenkomsten en de deelname van de EU aan regionale
organisaties voor visserijbeheer; (c)
het opzetten van een Europees netwerk van
plaatselijke visserijgroepen met het oog op capaciteitsopbouw,
informatieverspreiding, uitwisseling van ervaring en van beste praktijken, en
samenwerking tussen plaatselijke partnerschappen. Dit
netwerk werkt samen met in het kader van het EFRO, het ESF en het ELFPO
opgezette organisaties voor plaatselijke ontwikkeling die actief zijn op het
gebied van netwerkvorming en technische ondersteuning, met name op het gebied
van de activiteiten van deze organisaties met betrekking tot plaatselijke
ontwikkeling en transnationale samenwerking. Artikel 92
Technische bijstand op
initiatief van de lidstaten 1. Uit het EFMZV kan op
initiatief van de Commissie ten bedrage van maximaal 5 % van het totale bedrag
voor het operationele programma steun worden verleend voor: a) de maatregelen
inzake technische bijstand zoals bedoeld in artikel 52, lid 1, van [Verordening
(EU) nr. [...] inzake gemeenschappelijke bepalingen]; b) het opzetten van
nationale netwerken voor de verspreiding van informatie, de opbouw van
capaciteit, de uitwisseling van beste praktijken en de ondersteuning van de
samenwerking tussen de plaatselijke visserijgroepen in het door hen bestreken
grondgebied. 2. In uitzonderlijke en naar
behoren gemotiveerde omstandigheden kan het in lid opgenomen maximum worden
overschreden. 3. Kosten in verband met de
certificerende instantie komen niet in aanmerking voor steun op grond van lid 1. 4. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de omschrijving van de activiteiten van de in lid 1 bedoelde
nationale netwerken. TITEL VII
TENUITVOERLEGGING ONDER GEDEELD BEHEER HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen Artikel 93
Toepassingsgebied Deze titel is van toepassing op onder gedeeld
beheer gefinancierde maatregelen zoals bedoeld in titel V. HOOFDSTUK II
Uitvoeringsmechanisme Deel 1
Steun uit het EFMZV Artikel 94
Bepaling van de
cofinancieringspercentages 1. In het besluit van de
Commissie tot goedkeuring van een operationeel programma wordt de maximale
EFMZV‑bijdrage tot dat programma vastgesteld. 2. De EFMZV‑bijdrage wordt
berekend op basis van het bedrag aan subsidiabele overheidsuitgaven. In het operationele programma wordt vastgesteld
welke procentuele bijdrage uit het EFMZV van toepassing is op elke doelstelling
die is vastgesteld in het kader van de EU‑prioriteiten voor het EFMZV zoals
bedoeld in artikel 6. De maximale procentuele bijdrage uit
het EFMZV bedraagt 75 % van de subsidiabele overheidsuitgaven. De minimale procentuele bijdrage uit het EFMZV
bedraagt 20%. 3. In afwijking van lid 2
bedraagt de bijdrage uit het EFMZV: (a)
100 % van de subsidiabele overheidsuitgaven,
wanneer het opslagsteun betreft zoals bedoeld in artikel 70; (b)
100 % van de subsidiabele overheidsuitgaven,
wanneer het het compensatiesysteem betreft zoals bedoeld in artikel 73; (c)
50 % van de subsidiabele overheidsuitgaven, wanneer
het steun betreft zoals bedoeld in artikel 78, lid 2 onder e); (d)
80 % van de subsidiabele overheidsuitgaven, wanneer
het steun betreft zoals bedoeld in artikel 78, lid 2, onder a) tot en met d),
en onder f) tot en met j); (e)
65 % van de subsidiabele overheidsuitgaven, wanneer
het steun betreft zoals bedoeld in artikel 79. Artikel 95
Intensiteit van de
overheidssteun 1. De lidstaten passen op de
totale subsidiabele uitgaven voor de concrete actie een maximale
overheidssteunintensiteit van 50 % toe. 2. In afwijking van lid 1 passen
de lidstaten een overheidssteunintensiteit van 100 % van de subsidiabele
overheidsuitgaven voor de concrete actie toe wanneer: (a)
de begunstigde een publiekrechtelijke instantie is; (b)
de concrete actie betrekking heeft op opslagsteun
zoals bedoeld in artikel 70; (c)
de concrete actie betrekking heeft op het
compensatiesysteem zoals bedoeld in artikel 73; (d)
de concrete actie betrekking heeft op
gegevensverzameling zoals bedoeld in artikel 79. 3. In afwijking van lid 1 kunnen
de lidstaten een overheidssteunintensiteit van 50 % tot en met 100 %
van de totale subsidiabele uitgaven toepassen wanneer de concrete actie wordt
uitgevoerd in het kader van titel V, hoofdstuk III, en deze concrete actie
voldoet aan één van de volgende criteria: (a)
collectief belang; (b)
collectieve begunstigde; (c)
openbare toegang tot de resultaten van de concrete
actie; (d)
innovatieve kenmerken van het project op
plaatselijke niveau. 4. In afwijking van lid 1 zijn
de in bijlage I opgenomen aanvullende percentages voor de overheidssteunintensiteit
van toepassing. 5. De minimale
overheidssteunintensiteit bedraagt 20 % van de totale subsidiabele
uitgaven voor de concrete actie. 6. De Commissie bepaalt middels
uitvoeringshandelingen die volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde
onderzoeksprocedure worden vastgesteld, hoe de verschillende percentages voor
overheidssteunintensiteit worden toegepast wanneer aan verschillende, in
bijlage I vastgestelde voorwaarden is voldaan. Deel 2
Financieel beheer en gebruik van de euro Artikel 96
Regelingen voor voorfinanciering 1. Met inachtneming van de algemene voorschriften van artikel 72 van
[Verordening(EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] en met
inachtneming van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van het
operationele programma betaalt de Commissie een initieel
voorfinancieringsbedrag voor de hele programmeringsperiode. Dit bedrag
komt overeen met 4 % van de bijdrage die uit de EU‑begroting voor het
betrokken operationele programma wordt betaald. Het bedrag
kan, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen, in twee tranches
worden opgesplitst. 2. De
renteopbrengsten van de voorfinanciering worden voor het betrokken operationele
programma bestemd en in mindering gebracht op het in de einddeclaratie van de
uitgaven vermelde bedrag aan overheidsuitgaven. Artikel 97
Boekjaar Het boekjaar heeft betrekking op de gedane
uitgaven en de geïnde ontvangsten die het betaalorgaan voor begrotingsjaar
"N", dat begint op 16 oktober van jaar "N-1" en eindigt op 15
oktober van jaar "N", heeft opgenomen in de rekeningen van de EFMZV‑begroting. Artikel 98
Tussentijdse betalingen 1. Voor
elk operationeel programma worden tussentijdse betalingen verricht. Zij worden
berekend door het cofinancieringspercentage voor elke EU‑prioriteit toe te
passen op de voor die prioriteit gecertificeerde overheidsuitgaven. 2. Onder
voorbehoud van de beschikbaarheid van middelen verricht de Commissie
tussentijdse betalingen om de uitgaven te vergoeden die de erkende
betaalorganen hebben gedaan voor de tenuitvoerlegging van de programma's. 3. Elke tussentijdse betaling
wordt verricht mits is voldaan aan de volgende eisen: a) de indiening bij de
Commissie, overeenkomstig artikel 124, lid 1, onder c), van een door het
erkende betaalorgaan ondertekende uitgavendeclaratie; b) geen overschrijding
van de totale EFMZV‑bijdrage die voor elke EU‑prioriteit voor de hele looptijd
van het betrokken programma is toegekend; c) de indiening bij de
Commissie van het meest recente jaarverslag over de uitvoering van het
operationele programma. 4. Indien
een van de in lid 3 vastgestelde eisen niet in acht is genomen, meldt de
Commissie dit onmiddellijk aan het erkende betaalorgaan. Indien
een van de in lid 3, onder a) en c), vastgestelde eisen niet in acht is
genomen, is de uitgavendeclaratie niet ontvankelijk. 5. De Commissie verricht de
betrokken tussentijdse betalingen binnen 45 dagen te rekenen vanaf de
registratie van een uitgavendeclaratie die voldoet aan de in lid 3 vastgestelde
voorschriften, onverminderd de artikelen 123 en 127. 6. De erkende
betaalorganen stellen de tussentijdse uitgavendeclaraties voor de operationele
programma's op en sturen deze toe aan de Commissie binnen de termijnen die de
Commissie vaststelt middels uitvoeringshandelingen die zij aanneemt volgens de
in artikel 151, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. De tussentijdse
uitgavendeclaraties voor de op of na 16 oktober gedane uitgaven worden ten
laste van de begroting van het volgende jaar gebracht. Artikel 99
Betaling van het saldo en
afsluiting van het programma 1. Na
ontvangst van het laatste jaarverslag over de voortgang van de uitvoering van
een operationeel programma betaalt de Commissie, onder voorbehoud van de
beschikbaarheid van middelen, het saldo op basis van het vigerende
financieringsplan, de jaarrekeningen voor het laatste jaar van uitvoering van
het betrokken operationele programma en het betrokken goedkeuringsbesluit. Deze rekeningen worden uiterlijk 6 maanden na de einddatum voor de
subsidiabiliteit van de uitgaven ingediend bij de Commissie en hebben betrekking
op de uitgaven die het betaalorgaan tot en met de einddatum voor de
subsidiabiliteit van de uitgaven heeft gedaan. 2. Het saldo wordt betaald
uiterlijk zes maanden nadat de in lid 1 bedoelde informatie en documenten door
de Commissie ontvankelijk zijn bevonden en de laatste jaarrekening is
goedgekeurd. Onverminderd artikel 100 worden de na de saldobetaling resterende
vastleggingen binnen zes maanden door de Commissie doorgehaald. 3. Indien
het laatste jaarlijkse voortgangsverslag en de documenten die nodig zijn voor
de goedkeuring van de rekeningen over het laatste jaar van uitvoering van het
programma, niet binnen de in lid 1 vastgestelde termijn aan de Commissie zijn
toegezonden, wordt het saldo overeenkomstig artikel 100 ambtshalve doorgehaald. Artikel 100
Doorhaling Het gedeelte van
een vastlegging voor een operationeel programma dat uiterlijk op 31 december
van het tweede jaar na het jaar van de vastlegging niet is gebruikt voor de
voorfinanciering of voor tussentijdse betalingen of waarvoor uiterlijk op deze
datum geen uitgavendeclaratie bij haar is ingediend die voldoet aan de in
artikel 98, lid 3, genoemde eisen, wordt door de Commissie doorgehaald. Artikel 101
Gebruik van de euro 1. De in het voorgelegde
operationele programma van de lidstaat vastgestelde bedragen, de bedragen van
gecertificeerde uitgavenstaten, betalingsaanvragen en uitgaven zoals vermeld in
de jaarverslagen en het eindverslag over de uitvoering worden in euro
uitgedrukt. 2. De lidstaten die op de datum
van de betalingsaanvraag de euro niet als munteenheid hebben aangenomen,
rekenen de bedragen van de in de nationale munteenheid gedane uitgaven om in
euro. Deze omrekening in euro gebeurt aan de hand van de
maandelijkse boekhoudkundige koers voor de euro van de Commissie in de maand
waarin de uitgave in de rekeningen van het betaalorgaan van het betrokken
operationele programma is opgenomen. Deze boekhoudkundige
wisselkoers wordt maandelijks elektronisch bekendgemaakt door de Commissie. 3. Bedragen die in de nationale
munteenheid worden teruggevorderd door lidstaten die op de datum van de
terugvordering de euro niet als munteenheid hebben aangenomen, worden in euro
omgerekend aan de hand van de in lid 2 bedoelde koers. 4. Wanneer de euro de
munteenheid van een lidstaat wordt, blijft de in lid 3 beschreven
omrekeningsprocedure van toepassing op alle uitgaven die in de rekeningen van
het betaalorgaan zijn opgenomen vóór de datum van inwerkingtreding van de vaste
omrekeningskoers tussen de nationale munteenheid en de euro. Deel 3
Subsidiabiliteit van de uitgaven en duurzaamheid Artikel 102
Subsidiabele uitgaven 1. Met inachtneming van artikel 55,
lid 1, van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen]
worden de door de begunstigden verrichte betalingen gestaafd aan de hand van
facturen en betalingsbewijzen. 2. Alleen indirecte kosten die
onder titel V, hoofdstuk III, vallen, komen in aanmerking voor een EFMZV‑bijdrage. 3. In afwijking van artikel 55,
lid 7, van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen]
komen uitgaven die naar aanleiding van een wijziging van het programma
overeenkomstig artikel 22, lid 2, subsidiabel zijn geworden, pas voor steun in
aanmerking met ingang van 1 januari van het jaar na indiening van de betrokken
wijziging. Artikel 103
Berekening van vereenvoudigde
kosten, extra kosten en gederfde inkomsten Wanneer steun wordt verleend op basis van
vereenvoudigde kosten, extra kosten of gederfde inkomsten, zorgen de lidstaten
ervoor dat de betrokken berekeningen deugdelijk en nauwkeurig zijn en op
voorhand zijn vastgesteld op basis van een eerlijke, evenwichtige en
verifieerbare berekening. Artikel 104
Voorschotten 1. Voorschotten worden pas
betaald wanneer een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie ten belope van 100
% van het voor te schieten bedrag is gesteld. 2. Van de publiekrechtelijke
begunstigden mogen gemeenten, regionale instanties en verenigingen daarvan en
publiekrechtelijke instanties voorschotten ontvangen. 3. Een door een
overheidsinstantie ter beschikking gestelde garantiefaciliteit wordt beschouwd
als gelijkwaardig aan de in lid 1 bedoelde garantie op voorwaarde dat de
instantie zich ertoe verbindt het door die garantie gedekte bedrag te betalen
wanneer geen recht op betaling van het voorschot wordt vastgesteld. 4. De garantie kan worden
vrijgegeven zodra het bevoegde betaalorgaan vaststelt dat de werkelijke
uitgaven in verband met de overheidsbijdrage voor de concrete actie hoger zijn
dan het voorschot. Artikel 105
Geldigheidsduur van de
criteria voor ontvankelijkheid van de concrete acties 1. De begunstigde blijft, na de
indiening van zijn aanvraag, gedurende de hele periode van uitvoering van de
concrete actie en, voor bepaalde soorten concrete acties, ook nog gedurende een
nader bepaalde periode na de laatste betaling aan de in artikel 12, lid 1,
bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoen. 2. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van: (a)
de soorten concrete acties waarvoor ook nog na de
laatste betaling aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden moet worden voldaan, en (b)
de in lid 1 bedoelde periode. De Commissie oefent deze machtiging uit met
volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel en in het volledige besef
van het risico dat niet‑naleving van de respectieve GVB‑voorschriften een
ernstige bedreiging vormt zowel voor de duurzame exploitatie van de levende
mariene biologische hulpbronnen op een niveau dat het mogelijk maakt de
populaties van de gevangen soorten boven een peil te brengen en te houden dat
de MSY kan opleveren, als voor de duurzaamheid van de betrokken bestanden of
voor de instandhouding van het mariene milieu. HOOFDSTUK III
Beheers- en controlesystemen Artikel 106
Verantwoordelijkheden van de
lidstaten De lidstaten zorgen voor het opzetten van een
beheers‑ en controlesysteem voor het operationele programma dat borg staat een
duidelijke verdeling van afzonderlijke taken over de beheersautoriteit, het
betaalorgaan en de certificerende instantie. De lidstaten
zorgen ervoor dat hun systeem gedurende de gehele programmeringsperiode
doeltreffend functioneert. Artikel 107
Bevoegde autoriteiten 1. De lidstaten wijzen voor elk
operationeel programma de volgende autoriteiten aan: (a)
de met het beheer van het betrokken programma
belaste beheersautoriteit, die hetzij een op nationaal of regionaal niveau
werkende publiekrechtelijke of privaatrechtelijke organisatie kan zijn, hetzij
de lidstaat zelf wanneer die taak door hem wordt verricht; (b)
het erkende betaalorgaan in de zin van artikel 109; (c)
de certificerende instantie in de zin van artikel 112. 2. De lidstaten omschrijven
duidelijk de taken van de beheersautoriteit, het betaalorgaan en, in het kader
van duurzame plaatselijke ontwikkeling, de in artikel 62 bedoelde plaatselijke
groepen, wat betreft de toepassing van de subsidiabiliteits- en
selectiecriteria en de selectieprocedure voor projecten. Artikel 108
Beheersautoriteit 1. De beheersautoriteit is
ervoor verantwoordelijk dat het programma op efficiënte, doeltreffende en
correcte wijze wordt beheerd en uitgevoerd, en zorgt er met name voor dat: (a)
er een geschikt beveiligd elektronisch systeem is
voor het registreren, bijhouden, beheren en rapporteren van statistische
informatie over het programma en de uitvoering ervan met het oog op monitoring
en evaluatie, en met name informatie die nodig is om de voortgang naar de
vastgestelde doelstellingen en EU‑prioriteiten te monitoren; (b)
de Commissie op kwartaalbasis relevante gegevens
ontvangt over de voor financiering geselecteerde concrete acties, met inbegrip
van de belangrijke kenmerken van de begunstigde en de concrete actie; (c)
de begunstigden en de andere bij de uitvoering van
de concrete acties betrokken instanties: i) worden
geïnformeerd over hun verplichtingen die uit de toegekende steun voortvloeien,
en voor alle verrichtingen betreffende de concrete actie hetzij een
afzonderlijk boekhoudsysteem, hetzij een passende boekhoudkundige code
gebruiken; ii) op de hoogte zijn
van de eisen inzake de verstrekking van gegevens aan de beheersautoriteit en
inzake de registratie van de outputs en resultaten; (d)
de in artikel 48 van [Verordening (EU) nr. […]
inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde voorafgaande evaluatie in
overeenstemming is met het in artikel 131 van de onderhavige verordening
bedoelde evaluatie‑ en monitoringsysteem, en dat deze evaluatie wordt
goedgekeurd en bij de Commissie wordt ingediend; (e)
er een in artikel 49 van [Verordening (EU) nr. […]
inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoeld evaluatieplan voorhanden is, dat
de in artikel 140 van de onderhavige verordening bedoelde evaluatie achteraf
binnen de aldaar vastgestelde termijn wordt verricht, dat deze evaluatie in
overeenstemming is met het in artikel 131 van de onderhavige verordening
bedoelde monitoring‑ en evaluatiesysteem en dat deze evaluatie wordt ingediend
bij het in artikel 136 van de onderhavige verordening bedoelde monitoringcomité
en bij de Commissie; (f)
het in artikel 136 bedoelde monitoringcomité de
nodige informatie en documenten ontvangt om toezicht op de uitvoering van het
programma te kunnen uitoefenen in het licht van de specifieke doelstellingen en
prioriteiten ervan; (g)
het in artikel 138 bedoelde jaarlijkse
uitvoeringsverslag wordt opgesteld, met inbegrip van geaggregeerde
monitoringtabellen, en dat dit verslag, na goedkeuring ervan door het in
artikel 136 bedoelde monitoringcomité, wordt ingediend bij de Commissie; (h)
dat het betaalorgaan, voordat de betalingen worden
geautoriseerd, alle nodige gegevens inzake de voor financiering geselecteerde
concrete acties ontvangt, met name inzake de toegepaste procedures en de
verrichte controles; (i)
bekendheid wordt gegeven aan het programma door
potentiële begunstigden, beroepsorganisaties, de economische en sociale
partners, organisaties voor de bevordering van gelijke kansen voor mannen en
vrouwen en de betrokken niet‑gouvernementele organisaties, met inbegrip van
milieuorganisaties, te informeren over de door het programma geboden
mogelijkheden en over de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van de
financiering in het kader van het programma, alsook door de begunstigden van de
bijdrage van de Unie en het brede publiek te informeren over de rol van de Unie
in het programma. 2. De lidstaat of de
beheersautoriteit kan een of meer intermediaire instanties, waaronder regionale
of plaatselijke autoriteiten of niet-gouvernementele organisaties, aanwijzen
die worden belast met het beheer of de uitvoering van concrete acties in het
kader van het operationele programma. 3. Indien een deel van de taken
van de beheersautoriteit wordt gedelegeerd aan een andere organisatie, blijft
de beheersautoriteit er volledig verantwoordelijk voor dat deze taken efficiënt
en correct worden beheerd en uitgevoerd. De beheersautoriteit zorgt ervoor dat
er passende bepalingen zijn om de andere organisatie in staat te stellen alle
voor de uitvoering van deze taken vereiste gegevens en informatie te
verkrijgen. Artikel 109
Erkenning van de
betaalorganen en intrekking van die erkenning 1. De betaalorganen zijn
nationale gespecialiseerde diensten of instanties die verantwoordelijk zijn
voor het beheer en de controle van de uitgaven. Behoudens betalingen kan de
uitvoering van deze taken worden gedelegeerd. 2. Als betaalorgaan erkennen de
lidstaten de diensten of instanties die voldoen aan de erkenningscriteria die
de Commissie uit hoofde van artikel 111, lid 2, heeft vastgesteld. 3. De verantwoordelijke persoon
van het erkende betaalorgaan stelt de informatie op als bedoeld in artikel 75,
lid 1, onder ), b) en c), van [Verordening (EU) nr. […] inzake
gemeenschappelijke bepalingen]. 4. Wanneer een erkend betaalorgaan niet of niet meer aan een of meer van
de in lid 2 bedoelde erkenningscriteria voldoet, trekt de lidstaat de erkenning
ervan in tenzij het betaalorgaan binnen een naargelang van de ernst van het
probleem vast te stellen termijn de nodige aanpassingen verricht. 5. De betaalorganen zorgen voor
het beheer en de controle van de verrichtingen in verband met de openbare
interventie waarvoor zij verantwoordelijk zijn, en blijven eindverantwoordelijk
op dit gebied. Artikel 110
Volledige uitkering van
betalingen aan de begunstigden Tenzij in de EU-wetgeving uitdrukkelijk anders
is bepaald, worden betalingen die verband houden met de financiering in het
kader van deze verordening, volledig aan de begunstigden uitgekeerd. Artikel 111
Bevoegdheden van de Commissie Om een goede werking van het in artikel 106
vastgestelde systeem te waarborgen, wordt de Commissie ertoe gemachtigd
overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking
tot: a) minimale
voorwaarden voor de erkenning van betaalorganen betreffende interne omgeving,
controleactiviteiten, informatie en communicatie en monitoring, alsook regels
betreffende de procedure voor verlening en intrekking van de erkenning; b) regels
betreffende het toezicht op en de procedure voor de herziening van de erkenning
van de betaalorganen; c) de
verplichtingen van de betaalorganen wat betreft de inhoud van hun
verantwoordelijkheden op het gebied van beheer en controle. Artikel 112
Certificerende instanties 1. De certificerende
instantie is een door de lidstaat aangewezen publieke of particuliere
auditorganisatie die een oordeel geeft over de beheersverklaring betreffende de
volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid van de jaarrekeningen van het
betaalorgaan, over de goede werking van het internecontrolesysteem ervan, over
de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, en over de
naleving van het beginsel van een goed financieel beheer. Deze certificerende
instantie is operationeel onafhankelijk van zowel het betrokken betaalorgaan
als de beheersautoriteit en de autoriteit die dat betaalorgaan heeft erkend. 2. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van voorschriften voor de status van de
certificerende instanties, voor de specifieke taken, waaronder de controles die
zij moeten verrichten, en voor de door deze instanties op te stellen
certificaten en rapporten, samen met de begeleidende documenten. Artikel 113
Ontvankelijkheid van de door
de betaalorganen verrichte betalingen De uitgaven in het kader van gedeeld beheer
overeenkomstig titel V en in het kader van technische bijstand zoals bedoeld in
artikel 92 mogen slechts door de EU worden gefinancierd wanneer die uitgaven
zijn gedaan door erkende betaalorganen. HOOFDSTUK IV
Controle door de lidstaten Artikel 114
Verantwoordelijkheden van de
lidstaten 1. De lidstaten stellen in het
kader van het EFMZ alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en alle
andere maatregelen vast die nodig zijn om een doeltreffende bescherming van de
financiële belangen van de Unie te waarborgen, en met name om: (a)
zich te vergewissen van de wettigheid en
regelmatigheid van de gefinancierde verrichtingen, onder meer om te verifiëren
of de medegefinancierde producten en diensten zijn geleverd en of de door de
begunstigden gedeclareerde uitgaven door hen zijn betaald en voldoen aan het
toepasselijke EU‑ en nationale recht, aan het operationele programma en aan de
voorwaarden voor de steun voor de concrete actie; (b)
ervoor te zorgen dat de begunstigden die betrokken
zijn bij de uitvoering van concrete acties die op basis van werkelijk gemaakte
subsidiabele kosten worden vergoed, hetzij een afzonderlijk boekhoudsysteem,
hetzij een passende boekhoudkundige code gebruiken voor alle verrichtingen die
op een concrete actie betrekking hebben; (c)
procedures in te stellen die garanderen dat alle
documenten met betrekking tot uitgaven en audits die nodig zijn om voor een
toereikend controlespoor te zorgen, worden bewaard overeenkomstig artikel 62,
onder g), van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke
bepalingen]; (d)
een doeltreffende fraudepreventie te bieden, vooral
op de gebieden met een hoger risiconiveau, die zorgt voor een afschrikkende
werking en waarbij rekening wordt gehouden met de kosten en baten en met de
evenredigheid van de maatregelen; (e)
onregelmatigheden en fraude te voorkomen, op te
sporen en te corrigeren; (f)
overeenkomstig EU- of nationaal recht de vereiste
financiële correcties toe te passen die doeltreffend, afschrikkend en evenredig
zijn; (g)
onverschuldigd betaalde bedragen met rente terug te
vorderen en zo nodig gerechtelijke procedures in te leiden. 2. De lidstaten zetten
efficiënte beheers- en controlesystemen op om ervoor te zorgen dat deze
verordening wordt nageleefd. 3. Met het oog op de
inachtneming van de in lid 1, onder a) en b), bedoelde vereisten omvatten de
door de lidstaten opgezette systemen: (a)
administratieve controles voor elke betalingsaanvraag
van begunstigden; (b)
controles ter plaatse van concrete acties. Wat de controles ter plaatse betreft, trekt de
verantwoordelijke autoriteit haar steekproef voor controles uit de hele
populatie van aanvragers en bestaat de steekproef, waar dat dienstig is, uit
een aselect gedeelte en een op een risicoanalyse gebaseerd gedeelte teneinde
een representatief foutenpercentage te verkrijgen en de controles ook toe te
spitsen op de belangrijkste fouten. 4. Controles ter plaatse van
individuele concrete acties krachtens lid 3, onder b), kunnen
steekproefsgewijs worden uitgevoerd. 5. Als de beheersautoriteit
tevens begunstigde van het operationele programma is, moeten de regelingen voor
de in lid 1, onder a), bedoelde controles een adequate scheiding van
functies garanderen. 6. De lidstaten delen aan de
Commissie de bepalingen en maatregelen mee die op grond van de leden 1, 2, 3 en
5 zijn vastgesteld. Door de lidstaten vastgestelde voorwaarden ter aanvulling
van de in deze verordening opgenomen bepalingen moeten controleerbaar zijn. 7. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vaststellen die gericht zijn op een
uniforme toepassing van de leden 1 tot en met 4. Deze uitvoeringshandelingen
worden vastgesteld volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde
onderzoeksprocedure. 8. De Commissie neemt
overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen waarin voorschriften
voor de regelingen voor het in lid 1, onder c), bedoelde
controlespoor worden vastgesteld. Artikel 115
Terugvordering van onverschuldigd
betaalde bedragen 1. In het in artikel 114, lid 1,
onder g), bedoelde geval vorderen de lidstaten onverschuldigd betaalde bedragen
terug, verhoogd met rente bij laattijdige betaling. Zij melden dergelijke
gevallen aan de Commissie en houden haar op de hoogte van het verloop van de
desbetreffende administratieve en gerechtelijke procedures. 2. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van voorschriften inzake de in lid 1 bedoelde
verplichtingen van de lidstaten. Artikel 116
Onregelmatigheden 1. De lidstaten vorderen
onverschuldigd betaalde bedragen die verband houden met onregelmatigheden of
andere gevallen van niet‑naleving, binnen een jaar na de eerste indicatie dat
zo'n onregelmatigheid heeft plaatsgevonden, terug van de begunstigde en nemen
de desbetreffende bedragen op in het debiteurenboek van het betaalorgaan. 2. Indien
geen inning heeft plaatsgevonden binnen vier jaar na de datum van het verzoek
tot terugbetaling of binnen acht jaar na die datum als over de terugvordering
een zaak is aangespannen bij een nationale rechtbank, worden de financiële
gevolgen van de niet-inning door de betrokken lidstaat gedragen, zulks
onverminderd de eis dat de betrokken lidstaat de terugvorderingsprocedures
overeenkomstig artikel 115 moet voortzetten. Indien in het kader van de
terugvorderingsprocedure in een administratief of gerechtelijk besluit met een
definitief karakter wordt geconstateerd dat er geen sprake is van een onregelmatigheid,
declareert de betrokken lidstaat de financiële last die hij op grond van de
eerste alinea van het onderhavige lid heeft gedragen, aan het EFMZV als
uitgave. 3. In naar behoren gemotiveerde
gevallen kan een lidstaat besluiten de terugvordering niet voort te zetten. Een
dergelijk besluit kan alleen in de volgende gevallen worden genomen: (a)
indien het totaal van de reeds gemaakte en de nog
te verwachten terugvorderingskosten hoger is dan het te innen bedrag, of (b)
indien de inning
onmogelijk blijkt als gevolg van de overeenkomstig het nationale recht van de
betrokken lidstaat geconstateerde en erkende insolventie van de debiteur of van
de personen die juridisch aansprakelijk zijn voor de onregelmatigheid. Wanneer het in de
eerste alinea bedoelde besluit wordt genomen voordat lid 2 van toepassing is op
het nog uitstaande bedrag, worden de financiële gevolgen van de niet‑inning
gedragen door de EU-begroting. 4. De
ten laste van de lidstaat komende financiële gevolgen van de toepassing van lid
2 worden door de betrokken lidstaat opgenomen in de jaarrekeningen die op grond
van artikel 125, lid 1, onder c), iii), bij de Commissie moeten worden
ingediend. De Commissie controleert de jaarlijkse rekeningen en besluit zo
nodig middels een uitvoeringshandeling deze te wijzigen. 5. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen besluiten om ten laste van de EU‑begroting gebrachte
bedragen in de volgende gevallen aan EU-financiering te onttrekken: (a)
de lidstaat heeft de in lid 1 genoemde termijnen
niet in acht genomen; (b)
zij is van oordeel dat het door een lidstaat
krachtens lid 3 genomen besluit om de terugvordering niet voort te zetten,
ongegrond is; (c)
zij is van oordeel dat de onregelmatigheid of de
niet-inning het gevolg is van onregelmatigheden of nalatigheden die te wijten
zijn aan de overheidsdiensten of een andere officiële instantie van de
betrokken lidstaat. 6. Voordat in dit artikel
bedoelde besluiten middels uitvoeringshandelingen worden vastgesteld, wordt de
in artikel 129, lid 6, bedoelde procedure toegepast. Artikel 117
Financiële correcties door de
lidstaten 1. De lidstaten zijn in eerste
instantie verantwoordelijk voor het onderzoeken van onregelmatigheden en andere
gevallen van niet‑naleving, voor het toepassen van de vereiste financiële
correcties en voor het voortzetten van terugvorderingen. Bij een systemische
onregelmatigheid breidt de lidstaat zijn onderzoek uit tot alle concrete acties
die invloed kunnen ondervinden van die onregelmatigheid. 2. De lidstaat past de
financiële correcties toe die noodzakelijk zijn in verband met eenmalige of
systemische onregelmatigheden of andere gevallen van niet‑naleving die bij
concrete acties of het operationele programma zijn geconstateerd. De door de
lidstaat verrichte correcties bestaan in een volledige of gedeeltelijke
intrekking van de overheidsbijdrage aan de concrete actie of het operationele
programma. De lidstaat houdt rekening met de aard en de ernst van de
onregelmatigheden en met het financiële verlies voor de EFMZV en past een
evenredige correctie toe. Financiële correcties worden door het betaalorgaan
opgenomen in de jaarrekeningen voor het boekjaar waarin tot de intrekking wordt
besloten. 3. Wanneer sprake is van
financiële correcties op uitgaven die rechtstreeks verbonden zijn met de niet‑naleving
van artikel 105, stellen de lidstaten het bedrag van de correctie vast op basis
van de ernst van de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften door de begunstigde,
het economische voordeel dat voortvloeit uit de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften
of het belang van de EFMZV‑bijdrage voor de economische activiteit van de
begunstigde. 4. De overeenkomstig lid 1
ingetrokken bijdrage uit het EFMZV kan door de lidstaat, behoudens lid 5,
worden hergebruikt binnen het betrokken operationele programma. 5. De overeenkomstig lid 2
ingetrokken bijdrage mag niet worden hergebruikt voor de concrete actie(s)
waarop de correctie is toegepast, en mag, als het gaat om een financiële
correctie voor een systemische onregelmatigheid of andere gevallen van niet‑naleving,
evenmin worden hergebruikt voor concrete acties die invloed kunnen ondervinden
van die systematische onregelmatigheid of andere gevallen van niet‑naleving. HOOFDSTUK V
Controle door de Commissie Deel 1
Uitstel en schorsing van betalingen Artikel 118
Uitstel van betalingen De gedelegeerde ordonnateur in de zin van het
Financieel Reglement kan de termijn voor een aanvraag betreffende een
tussentijdse betaling maximaal negen maanden uitstellen in de in artikel 74,
lid 1, onder a), b) en c), van [Verordening (EU) nr. […] inzake
gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde gevallen en bovendien ook indien de
Commissie in een middels een uitvoeringshandeling aangenomen besluit heeft
vastgesteld dat een lidstaat verplichtingen in het kader van het GVB
aantoonbaar niet is nagekomen en deze niet‑naleving van invloed kan zijn op de
in een gecertificeerde uitgavenstaat opgenomen uitgaven waarvoor een
tussentijdsebetalingsaanvraag is ingediend. Artikel 119
Schorsing van betalingen 1. De Commissie kan de
tussentijdse betalingen in verband met het operationele programma middels een
uitvoeringshandeling geheel of gedeeltelijk schorsen indien: (a)
het beheers- en controlesysteem van het
operationele programma ernstige tekortkomingen vertoont waarvoor geen
corrigerende maatregelen zijn genomen; (b)
uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat
verband houden met een ernstige onregelmatigheid of andere gevallen van niet‑naleving
ten aanzien waarvan geen corrigerende maatregelen zijn genomen; (c)
de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen
te nemen om een einde te maken aan de situatie op grond waarvan de betalingen
krachtens artikel 118 zijn uitgesteld; (d)
het monitoringsysteem ernstige tekortkomingen
vertoont op het gebied van kwaliteit en betrouwbaarheid; (e)
de Commissie in een middels een uitvoeringshandeling
aangenomen besluit heeft vastgesteld dat een lidstaat zijn verplichtingen in
het kader van het GVB niet is nagekomen. Deze niet‑naleving
kan van invloed zijn op de in een gecertificeerde uitgavenstaat opgenomen
uitgaven waarvoor een tussentijdsebetalingsaanvraag is ingediend; (f)
de in artikel 17, lid 5, en artikel 20, lid 3, van
[Verordening (EU) nr. [...] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
voorwaarden zijn vervuld. 2. De Commissie kan middels een
uitvoeringshandeling besluiten de tussentijdse betalingen geheel of
gedeeltelijk te schorsen nadat zij de lidstaat in de gelegenheid heeft gesteld
binnen twee maanden zijn opmerkingen te maken. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen die volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure
worden aangenomen, voorschriften over het deel van de betalingen dat kan worden
geschorst, vaststellen. Deze bedragen moeten evenredig zijn aan de aard en het
belang van de tekortkoming, de onregelmatigheid of het geval van niet‑naleving
door de lidstaat. 3. De Commissie besluit middels
een uitvoeringshandeling om de gehele of gedeeltelijke schorsing van de
tussentijdse betalingen op te heffen indien de lidstaat de nodige maatregelen
heeft genomen om opheffing van de schorsing mogelijk te maken. Indien
dergelijke maatregelen niet door de lidstaten worden genomen, kan de Commissie
middels een uitvoeringshandeling besluiten financiële correcties toe te passen
door de EU‑bijdrage aan het operationele programma geheel of gedeeltelijk in te
trekken overeenkomstig artikel 128 en overeenkomstig de in artikel 129 bedoelde
procedure. Artikel 120
Bevoegdheden van de Commissie 1. De Commissie wordt ertoe
gemachtigd overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met
betrekking tot de vaststelling van de in artikel 118 en artikel 119, lid 1,
onder e), bedoelde gevallen van niet‑naleving en onder meer van de lijst van
ter zake relevante GVB‑bepalingen die van essentieel belang zijn voor de
instandhouding van de mariene biologische hulpbronnen. 2. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen voorschriften over de uitstel‑ en de schorsingsprocedure
vaststellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in
artikel 151, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Deel 2
Goedkeuring van de rekeningen en financiële correcties Artikel 121
Controles ter plaatse door de
Commissie 1. Onverminderd de controles die
de lidstaten verrichten in het kader van hun nationale wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen of artikel 287 van het Verdrag, en
onverminderd de controles in het kader van artikel 322 van het Verdrag, kan de
Commissie in de lidstaten controles ter plaatse organiseren om met name na te
gaan: a) of de
administratieve praktijken in overeenstemming zijn met de EU‑voorschriften; b) of de nodige
bewijsstukken voorhanden zijn en of deze corresponderen met de uit het EFMZV
gefinancierde concrete acties; c) op welke wijze de
uit het ELGF of het ELFPO gefinancierde concrete acties worden uitgevoerd en
gecontroleerd. 2. De personen die de Commissie
voor de controles ter plaatse heeft gemachtigd, of de ambtenaren van de
Commissie die handelen in het kader van de hun verleende bevoegdheden, hebben
toegang tot de boeken en alle andere documenten, met inbegrip van de op een
elektronische informatiedrager opgestelde of ontvangen en bewaarde documenten
en metagegevens die betrekking hebben op de uit het EFMZV gefinancierde
uitgaven. 3. De bevoegdheden om controles
ter plaatse te verrichten, doen niet af aan de toepassing van nationale
bepalingen op grond waarvan bepaalde handelingen alleen mogen worden verricht
door ambtenaren die daartoe specifiek krachtens de nationale wetgeving zijn
aangewezen. De door de Commissie gemachtigde personen nemen onder meer niet
deel aan bezoeken thuis of aan formele ondervragingen van personen in het kader
van de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat. Wel hebben zij toegang
tot de aldus verkregen informatie. 4. Vóór een controle ter plaatse
stelt de Commissie de betrokken lidstaat of de lidstaat op wiens grondgebied de
controle moet plaatsvinden, tijdig daarvan in kennis. Ambtenaren van de
betrokken lidstaat kunnen aan deze controle deelnemen. 5. Op verzoek van de Commissie
en met instemming van de betrokken lidstaat voeren de bevoegde instanties van
deze lidstaat aanvullende controles uit van of onderzoeken naar de concrete
acties die onder deze verordening vallen. Ambtenaren van de Commissie of door
haar gemachtigde personen kunnen aan deze controles deelnemen. 6. Ter verbetering van de
controles kan de Commissie met instemming van de betrokken lidstaten
overheidsdiensten van deze lidstaten bij bepaalde controles of onderzoeken
betrekken. 7. De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen die volgens de in artikel 151, lid 2, bedoelde
raadplegingsprocedure worden aangenomen, voorschriften vaststellen met
betrekking tot de procedures voor de uitvoering van de in de leden 5 en 6
bedoelde aanvullende controles. Artikel 122
Toegang tot informatie 1. De
lidstaten houden alle informatie die voor de goede werking van het EFMZV nodig
is, ter beschikking van de Commissie en nemen alle adequate maatregelen om de
controles die de Commissie in het kader van het beheer van de EU‑financiering
nuttig acht, met inbegrip van controles ter plaatse, te vergemakkelijken. 2. Op
verzoek van de Commissie delen de lidstaten haar de wettelijke en
bestuursrechtelijke bepalingen mee die zij voor de tenuitvoerlegging van de
EU-handelingen inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid hebben vastgesteld,
voor zover deze handelingen financiële gevolgen hebben voor het EFMZV. 3. De lidstaten houden alle
informatie ter beschikking van de Commissie die betrekking heeft op
geconstateerde onregelmatigheden en gevallen waarin mogelijk sprake is van
fraude, en op de stappen die zijn gezet om onverschuldigd betaalde bedragen die
verband houden met deze onregelmatigheden en fraudegevallen, terug te vorderen
uit hoofde van artikel 116. Artikel 123
Toegang tot documenten De erkende betaalorganen bewaren de
bewijsstukken betreffende de verrichte betalingen en de documenten over de
uitvoering van de bij de EU-wetgeving voorgeschreven administratieve en fysieke
controles en stellen deze documenten en informatie ter beschikking van de
Commissie. Wanneer deze documenten worden bewaard door
een in opdracht van een betaalorgaan handelende instantie die belast is met de
autorisatie van de uitgaven, dient deze instantie bij het erkende betaalorgaan
verslagen in over het aantal verrichte controles, over de inhoud ervan en over
de in het licht van de resultaten ervan genomen maatregelen. Artikel 124
Goedkeuring van de rekeningen 1. Vóór 30 april van het jaar na
het betrokken begrotingsjaar en op basis van de overeenkomstig artikel 125,
onder c), verstrekte informatie besluit de Commissie middels
uitvoeringshandelingen over de goedkeuring van de rekeningen van de erkende
betaalorganen. 2. Het in lid 1 bedoelde besluit
tot goedkeuring van de rekeningen heeft betrekking op de volledigheid, de
juistheid en de waarheidsgetrouwheid van de ingediende jaarrekeningen. Het
besluit wordt vastgesteld onverminderd de besluiten die later uit hoofde van
artikel 128 worden vastgesteld. Artikel 125
Melding van informatie De lidstaten melden de volgende gegevens,
verklaringen en documenten aan de Commissie: (a)
met betrekking tot het erkende betaalorgaan: i) het besluit tot
erkenning ; ii) de functie; iii) in voorkomend
geval, de intrekking van de erkenning, (b)
met betrekking tot de certificerende instantie: i) de naam; ii) het adres, (c)
met betrekking tot maatregelen die verband houden
met de gefinancierde concrete acties: i) de door het erkende
betaalorgaan ondertekende uitgavendeclaraties die tevens gelden als
betalingsaanvraag, vergezeld van de nodige gegevens; ii) de geactualiseerde
ramingen van de uitgavendeclaraties die in de loop van het jaar zullen worden
ingediend, alsmede de ramingen van de uitgavendeclaraties voor het volgende
begrotingsjaar; iii) de
beheersverklaring en de jaarrekeningen van de erkende betaalorganen; iv) een samenvatting
van de resultaten van alle beschikbare audits en controles die zijn uitgevoerd. Artikel 126
Vertrouwelijkheid De lidstaten en de Commissie zetten alle
nodige stappen ter waarborging van de vertrouwelijkheid van de informatie die
wordt verstrekt of verkregen in het kader van de controles ter plaatse of in
het kader van maatregelen op het gebied van de goedkeuring van de rekeningen
die in het kader van deze verordening ten uitvoer zijn gelegd. De beginselen die zijn neergelegd in artikel 8
van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende
de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden
uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese
Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden[36], zijn van toepassing op die
gegevens. Artikel 127
Bevoegdheden van de Commissie De Commissie kan middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vaststellen inzake: (a)
de vorm, de inhoud, de frequentie, de termijnen en
de wijze van toezending of terbeschikkingstelling aan de Commissie van: i) de uitgavendeclaraties
en de ramingen van de uitgaven alsmede de actualisering daarvan, waaronder de
bestemmingsontvangsten; ii) de
beheersverklaring en de jaarrekeningen van de betaalorganen, alsmede de
resultaten van alle beschikbare audits en controles die zijn uitgevoerd; iii) de verslagen
betreffende de certificering van de rekeningen; iv) de
identificatiegegevens van de erkende betaalorganen en van de certificerende
instanties; v) de nadere bepalingen
betreffende de boeking en betaling van de uit het EFMZV gefinancierde uitgaven; vi) de kennisgevingen
van de door de lidstaten verrichte financiële correcties in het kader van de
concrete acties of de operationele programma's, alsmede de samenvattende
overzichten van de in verband met onregelmatigheden door de lidstaten ingeleide
terugvorderingsprocedures; vii) informatie over de
maatregelen die zijn genomen om de financiële belangen van de Commissie te
beschermen; (b)
de wijze van uitwisseling van informatie en
documenten tussen de Commissie en de lidstaten en het opzetten van
informatiesystemen waaronder het soort, de vorm en de inhoud van de door die
systemen te verwerken gegevens en de regels voor de bewaring ervan; (c)
de toezending van informatie, documenten,
statistieken en verslagen door de lidstaten aan de Commissie, alsmede de
termijnen en de wijze van toezending; (d)
de samenwerkingsverplichtingen waaraan de lidstaten
moeten voldoen met het oog op de toepassing van de artikelen 121 en 122. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld
volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure. Artikel 128
Toepassing van financiële
correcties door de Commissie en criteria voor de financiële correcties 1. Onverminderd artikel 20, lid 4,
en artikel 77 van [Verordening (EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke
bepalingen] past de Commissie financiële correcties toe door de EU‑bijdrage aan
een operationeel programma middels uitvoeringshandelingen geheel of
gedeeltelijk in te trekken als zij, na het nodige onderzoek, tot de conclusie
komt dat: (a)
het beheers- en controlesysteem van het programma
ernstige tekortkomingen vertoont die een risico inhouden voor de reeds voor het
operationele programma betaalde EU‑bijdrage; (b)
de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat
onregelmatigheden vertonen of beïnvloed zijn door een ander geval van niet‑naleving,
en deze uitgaven niet door de lidstaat zijn gecorrigeerd voordat de in dit lid
bedoelde correctieprocedure werd ingeleid; (c)
een lidstaat niet aan zijn verplichtingen uit
hoofde van artikel 117 heeft voldaan voordat de in dit lid bedoelde correctieprocedure
werd ingeleid; (d)
de uitgaven in een gecertificeerde uitgavenstaat
beïnvloed zijn door gevallen van niet‑naleving door de lidstaten van GVB‑voorschriften
die van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de mariene
biologische hulpbronnen. 2. Met betrekking tot de in lid 1,
onder a), b) en c), bedoelde gevallen baseert de Commissie haar financiële
correcties op geconstateerde individuele onregelmatigheden of andere
individuele gevallen van niet‑naleving, waarbij zij rekening houdt met de
systemische aard van de onregelmatigheid of het geval van niet‑naleving. Wanneer
het bedrag van de onregelmatige uitgaven die aan het EFMZV in rekening zijn
gebracht, niet precies kan worden bepaald, past de Commissie een forfaitaire of
een geëxtrapoleerde financiële correctie toe. 3. Met betrekking tot in lid 1,
onder b), bedoelde gevallen in het kader van een geval van niet‑naleving van
artikel 105 en met betrekking tot in lid 1, onder d), bedoelde gevallen baseert
de Commissie haar financiële correcties uitsluitend op de uitgaven die
rechtstreeks in verband staan met de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften. Bij
het bepalen van het bedrag van een correctie houdt de Commissie rekening met de
ernst van de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften door de lidstaat of door de
begunstigde, met het economische voordeel dat voortvloeit uit de niet‑naleving
van de GVB‑voorschriften of met het belang van de EFMZV‑bijdrage voor de
economische activiteit van de begunstigde. 4. Wanneer het bedrag van de
uitgaven die in verband staan met de niet‑naleving van de GVB‑voorschriften,
niet precies kan worden bepaald, past de Commissie een forfaitaire of een
geëxtrapoleerde financiële correctie toe overeenkomstig lid 6, onder a). 5. Indien de Commissie haar
standpunt baseert op feiten die zijn geconstateerd door andere auditeurs dan
die van haar eigen diensten, trekt zij met betrekking tot de financiële
consequenties haar eigen conclusies, na onderzoek van de op grond van artikel 117
door de betrokken lidstaat genomen maatregelen, de op grond van artikel 125,
onder c), gemelde gegevens en de eventuele antwoorden van de lidstaat. 6. De Commissie wordt gemachtigd
om overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen vast te stellen met
betrekking tot: (a)
de vaststelling van de criteria voor het bepalen
van het niveau van de toe te passen financiële correctie in het geval van
forfaitaire of geëxtrapoleerde financiële correcties; (b)
de opsomming van de in lid 1, onder d), bedoelde
GVB‑voorschriften die van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de
mariene biologische hulpbronnen. Artikel 129
Procedure 1. Voordat de Commissie middels
een uitvoeringshandeling tot een financiële correctie besluit, leidt zij de
procedure in door de lidstaat in kennis te stellen van haar voorlopige
conclusies en deze lidstaat te verzoeken binnen twee maanden zijn opmerkingen
te doen toekomen. 2. Als de Commissie een
geëxtrapoleerde of forfaitaire financiële correctie voorstelt, wordt de
lidstaat in de gelegenheid gesteld om, door onderzoek van de betrokken
documentatie, aan te tonen dat de werkelijke omvang van de onregelmatigheid of
een ander geval van niet‑naleving, waaronder niet‑naleving van de GVB‑voorschriften,
geringer is dan de Commissie in haar beoordeling stelt. In overleg met de
Commissie kan de lidstaat dit onderzoek beperken tot een passend deel of
passende steekproef van de betrokken documentatie. Behalve in naar behoren
gemotiveerde gevallen mag dit onderzoek niet langer duren dan een aanvullende
termijn van twee maanden na de in lid 1 bedoelde termijn van twee maanden. 3. De Commissie houdt rekening
met alle bewijsstukken die de lidstaat binnen de in de leden 1 en 2 bedoelde
termijnen aanvoert. 4. Als de lidstaat de voorlopige
conclusies van de Commissie niet aanvaardt, nodigt de Commissie de lidstaat uit
voor een hoorzitting om te waarborgen dat zij haar conclusies over de
toepassing van de financiële correctie op alle relevante informatie en
opmerkingen kan baseren. 5. Als de Commissie financiële
correcties toepast, doet zij dit middels uitvoeringshandelingen en binnen zes
maanden na de datum van de hoorzitting of, als de lidstaat ermee instemt na de
hoorzitting aanvullende informatie in te dienen, binnen zes maanden na de datum
van ontvangst van die informatie. De
Commissie houdt rekening met alle in de loop van de procedure ingediende
informatie en opmerkingen. Als er geen hoorzitting plaatsvindt, begint de
termijn van zes maanden twee maanden na de datum van de door de Commissie
gezonden uitnodiging voor de hoorzitting. 6. Wanneer de Commissie of de
Rekenkamer onregelmatigheden in de naar de Commissie gestuurde jaarrekeningen
ontdekt, wordt het met de resulterende financiële correctie overeenstemmende
bedrag in mindering gebracht op de EFMZV‑steun voor het operationele programma. Artikel 130
Verplichtingen van de
lidstaten Een door de Commissie toegepaste financiële
correctie laat de verplichting van de lidstaat tot terugvordering van bedragen
op grond van artikel 117, lid 2, van deze verordening en tot
terugvordering van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van
het Verdrag en van artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van
de Raad[37]
onverlet. HOOFDSTUK VI
Monitoring, evaluatie, informatie en communicatie Deel 1
VASTSTELLING VAN EEN MONITORING‑ EN EVALUATIESYTEEM EN DE DOELSTELLINGEN VAN
DAT SYSTEEM Artikel 131
Monitoring- en
evaluatiesysteem 1. Om de prestatie van het EFMZV
te meten, wordt een gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiesysteem voor
gedeeld beheerde concrete acties in het kader van het EFMZV opgezet. Met het oog
op een effectieve meting van de prestatie wordt de Commissie ertoe gemachtigd
overeenkomstig artikel 150 gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking
tot de inhoud en de opzet van dit kader. 2. De impact van het EFMZV wordt
afgetoetst aan de in artikel 6 bedoelde EU‑prioriteiten. De Commissie stelt middels uitvoeringshandelingen
de reeks indicatoren voor deze EU‑prioriteiten vast. Deze
uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 151, lid 3,
bedoelde onderzoeksprocedure. 3. De lidstaten verstrekken de
Commissie alle informatie die nodig is voor de monitoring en de evaluatie van
de betrokken maatregelen. De Commissie houdt rekening met de gegevensbehoeften
en de synergieën tussen potentiële gegevensbronnen, en met name met het eventuele
gebruik ervan voor statistische doeleinden. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vast met betrekking tot de door de
lidstaten te melden informatie en met betrekking tot de gegevensbehoeften en de
synergieën tussen potentiële gegevensbronnen. Deze uitvoeringshandelingen
worden vastgesteld volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde
onderzoeksprocedure. 4. De Commissie brengt om de
vier jaar verslag over de tenuitvoerlegging van dit artikel uit aan het
Europees Parlement en de Raad. Het eerste verslag wordt uiterlijk op 31
december 2017 ingediend. Artikel 132
Doelstellingen Het monitoring- en evaluatiesysteem heeft tot
doel: (a)
de voortgang en de verwezenlijkingen van het
maritiem beleid en het visserijbeleid aan te tonen en de impact, doelmatigheid,
doeltreffendheid en relevantie van de concrete acties in het kader van het
EFMZV te evalueren; (b)
bij te dragen tot specifieker gerichte steun voor
het maritiem beleid en het visserijbeleid; (c)
een gemeenschappelijk leerproces met betrekking tot
monitoring en evaluatie te ondersteunen; (d)
met het oog op het besluitvormingsproces degelijke,
op bewijsmateriaal gebaseerde evaluaties van de concrete acties in het kader
van het EFMZV te verstrekken. Deel 2
TECHNISCHE BEPALINGEN Artikel 133
Gemeenschappelijke
indicatoren 1. Om aggregatie van gegevens op
EU‑niveau mogelijk te maken, wordt in het in artikel 131 bedoelde monitoring-
en evaluatiesysteem een lijst van gemeenschappelijke indicatoren vastgesteld
die op elk programma toepasbaar zijn en betrekking hebben op zowel de
uitgangssituatie als de financiële uitvoering, de outputs, de resultaten en de
impact van het programma. 2. De gemeenschappelijke
indicatoren staan in verband met de mijlpalen en streefdoelen die in
overeenstemming met de in artikel 6 bedoelde EU‑prioriteiten zijn vastgesteld
in de operationele programma's. Deze gemeenschappelijke indicatoren worden
gebruikt voor het in artikel 19, lid 1, van [Verordening (EU) nr. [..] inzake
gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde prestatiekader en maken het mogelijk de
voortgang, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de beleidsuitvoering te
toetsen aan de doelstellingen en streefdoelen op EU‑, nationaal en
programmaniveau Artikel 134
Elektronisch
informatiesysteem 1. Belangrijke informatie over
de uitvoering van het programma, over elke voor financiering geselecteerde
concrete actie alsook over voltooide concrete acties, die nodig is voor
monitoring en evaluatie, met inbegrip van belangrijke kenmerken van de
begunstigde en het project, wordt elektronisch geregistreerd en bijgehouden. 2. De Commissie zorgt ervoor dat
er een geschikt beveiligd elektronisch systeem voor het registreren, bijhouden
en beheren van belangrijke informatie is en brengt verslag uit over monitoring
en evaluatie. Artikel 135
Informatieverstrekking Begunstigden van EFMZV‑steun, met inbegrip van
plaatselijke groepen, verbinden zich ertoe de beheersautoriteit en/of de
aangewezen evaluatoren of andere instanties die zijn aangewezen om namens haar
functies uit te oefenen, alle nodige informatie te verstrekken om monitoring en
evaluatie van het programma mogelijk te maken, met name met betrekking tot het
halen van specifieke doelstellingen en prioriteiten. Deel 3
Monitoring Artikel 136
Monitoringprocedures 1. De in artikel 108 bedoelde
beheersautoriteit en het in artikel 41 van [Verordening (EU) nr. [..] inzake
gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde monitoringcomité monitoren de kwaliteit
van uitvoering van de programma's. 2. De beheersautoriteit en het
monitoringcomité monitoren de operationele programma's aan de hand van
financiële, output- en doelindicatoren. Artikel 137
Verantwoordelijkheden van het
monitoringcomité Het monitoringcomité vervult de in artikel 43
van [Verordening (EU) nr. [..] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
functies en controleert bovendien de prestatie van het operationele programma
en de doeltreffendheid van de uitvoering ervan. Daartoe
vervult het monitoringcomité de volgende functies: (a)
binnen vier maanden na het besluit tot goedkeuring
van het programma wordt het geraadpleegd en brengt het advies uit over de
criteria voor de selectie van de gefinancierde concrete acties; de selectiecriteria worden herzien naargelang van de behoeften in het
kader van de programmering; (b)
het onderzoekt de activiteiten en outputs met
betrekking tot het evaluatieplan van het programma; (c)
het onderzoekt acties in het programma met
betrekking tot de naleving van de voorafgaande voorwaarden; (d)
het bestudeert de jaarlijkse uitvoeringsverslagen
en keurt deze goed voordat ze aan de Commissie worden toegezonden; (e)
het onderzoekt acties om gelijkheid van mannen en
vrouwen, gelijke kansen en non‑discriminatie, met inbegrip van toegankelijkheid
voor mensen met een handicap, te bevorderen; (f)
het wordt niet geraadpleegd over het in artikel 23
bedoelde jaarlijkse werkprogramma voor gegevensverzameling. Artikel 138
Jaarlijks uitvoeringsverslag 1. Uiterlijk op 31 mei 2016 en 31
mei van elk daaropvolgend jaar tot en met 2023 dient de lidstaat bij de
Commissie een jaarlijks uitvoeringsverslag in over de uitvoering van het
operationele programma in het vorige kalenderjaar. Het in 2016 ingediende
verslag heeft betrekking op de kalenderjaren 2014 en 2015. 2. Naast de in artikel 44 van
[Verordening (EU) nr. [...] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde
elementen bevat het uitvoeringsverslag: (a)
informatie over vastleggingen en uitgaven,
uitgesplitst naar maatregel; (b)
een samenvatting van de activiteiten die verricht
zijn in verband met het evaluatieplan; (c)
informatie over de niet‑naleving van de in artikel 105
bedoelde voorwaarden in verband met de geldigheidsduur, en van de door de
lidstaten ondernomen corrigerende actie, onder meer in het geval van
noodzakelijke financiële correcties zoals bedoeld in artikel 117, lid 2. 3. Naast de in artikel 44 van [Verordening
(EU) nr. [...] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde elementen bevat
het in 2017 en 2019 ingediende jaarlijkse uitvoeringsverslag enerzijds een
beoordeling van de vooruitgang die is geboekt met de toepassing van een
geïntegreerde benadering van het gebruik van het EFMZV en andere financiële
instrumenten van de EU ter ondersteuning van de territoriale ontwikkeling,
onder meer via plaatselijke ontwikkelingsstrategieën, en anderzijds een
overzicht van de mate waarin de in het operationele programma opgenomen
streefdoelen voor elke prioriteit zijn verwezenlijkt. 4. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen voorschriften vast met betrekking tot de vorm en de
presentatie van de jaarlijkse uitvoeringsverslagen. Deze uitvoeringshandelingen
worden vastgesteld volgens de in artikel 151, lid 3, bedoelde
onderzoeksprocedure. Deel 4
Evaluatie Artikel 139
Algemene bepalingen 1. De Commissie stelt middels
uitvoeringshandelingen de elementen vast die moeten worden opgenomen in de
verslagen van de in de artikelen 48 en 50 van [Verordening (EU) nr. […] inzake
gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde voorafgaande evaluaties en evaluaties
achteraf en stelt de minimumeisen voor het in artikel 49 van [Verordening (EU)
nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde evaluatieplan vast. Deze
uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 151, lid 3,
bedoelde onderzoeksprocedure. 2. De lidstaten zorgen ervoor
dat de evaluaties in overeenstemming zijn met het overeenkomstig artikel 131
overeengekomen gemeenschappelijke evaluatiesysteem, organiseren de productie en
verzameling van de nodige gegevens en verstrekken de verschillende gegevens die
het monitoringsysteem oplevert, aan de evaluatoren. 3. De evaluatieverslagen worden
door de lidstaten ter beschikking gesteld op internet en door de Commissie op
de website van de Unie. Artikel 140
Voorafgaande evaluatie De lidstaten zorgen ervoor dat de evaluator
die de voorafgaande evaluatie uitvoert, reeds in een vroeg stadium bij het
ontwikkelingsproces van het EFMZV‑programma is betrokken, met inbegrip van de
ontwikkeling van de in artikel 20, lid 1, onder b), bedoelde analyse, het
ontwerp van de interventieaanpak voor het programma en de vaststelling van de
streefdoelen van het programma. Artikel 141
Evaluatie achteraf Overeenkomstig artikel 50 van [Verordening
(EU) nr. […] inzake gemeenschappelijke bepalingen] stellen de lidstaten een
verslag van de evaluatie achteraf van het operationele programma op. Dat
verslag wordt uiterlijk op 31 december 2023 bij de Commissie ingediend. Artikel 142
Samenvattingen van evaluaties Onder verantwoordelijkheid van de Commissie
worden op het niveau van de Unie samenvattingen van de voorafgaande evaluaties
en de evaluaties achteraf opgesteld. De samenvattingen van
de evaluatieverslagen worden uiterlijk op 31 december van het jaar na de
indiening van de desbetreffende evaluaties voltooid. Deel 5
Informatie en communicatie Artikel 143
Informatie en publiciteit 1. Overeenkomstig artikel 108,
lid 1, onder i), zorgt het betaalorgaan in samenwerking met de
beheersautoriteit voor: (a)
de oprichting van één website of portaalsite die
informatie over het operationele programma in die lidstaat geeft, alsook
toegang tot dat programma; (b)
de verstrekking van informatie aan potentiële
begunstigden over de financieringsmogelijkheden in het kader van het
operationele programma; (c)
het bij de burgers van de Unie onder de aandacht
brengen van de rol en de verwezenlijkingen van het EFMZV door middel van
voorlichtings- en communicatieacties betreffende de resultaten en de impact van
partnerschapscontracten, operationele programma's en concrete acties. 2. Om de steun uit het EFMZV
inzichtelijk te maken, houden de lidstaten een lijst in CSV- of XML-formaat van
de concrete acties bij, die via de website of portaalsite toegankelijk is en
een lijst en samenvatting van het operationele programma bevat. De lijst van concrete acties wordt ten minste elke
drie maanden bijgewerkt. In bijlage IV wordt vastgesteld welke gegevens de
lijst van concrete acties ten minste moet bevatten, met inbegrip van specifieke
informatie betreffende concrete acties in het kader van de artikelen 28, 37, 45,
54 en 56. 3. In bijlage IV zijn
voorschriften vastgesteld betreffende de op het publiek gerichte voorlichtings-
en publiciteitsmaatregelen, alsook betreffende de op aanvragers en begunstigden
gerichte voorlichtingsmaatregelen. 4. De technische kenmerken van
voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen voor concrete acties alsmede de
instructies over de vormgeving van het embleem en een beschrijving van de
genormaliseerde kleuren worden door de Commissie vastgesteld middels
uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 151, lid 2, bedoelde
raadplegingsprocedure. TITEL VIII
TENUITVOERLEGGING ONDER DIRECT BEHEER HOOFDSTUK I
Algemene bepalingen Artikel 144
Toepassingsgebied Deze titel is van toepassing op onder direct
beheer gefinancierde maatregelen zoals bedoeld in titel VI. HOOFDSTUK II
Controle Artikel 145
Bescherming van de financiële
belangen van de Unie 1. De Commissie neemt de nodige
maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van krachtens de
onderhavige verordening gefinancierde maatregelen, de financiële belangen van
de Unie worden beschermd door het toepassen van preventieve maatregelen tegen
fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, door het verrichten van
doelmatige controles en, wanneer onregelmatigheden worden ontdekt, door het
terugvorderen van onverschuldigd betaalde bedragen en, in voorkomend geval,
door het opleggen van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties. 2. De Commissie of haar
vertegenwoordigers en de Rekenkamer zijn bevoegd om op basis van documenten en
controles ter plaatse audits van alle begunstigden, contractanten en
subcontractanten die EU‑middelen hebben ontvangen, te verrichten. Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)
kan overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 controles ter
plaatse en inspecties van direct of indirect bij de financiering betrokken
marktdeelnemers uitvoeren, teneinde vast te stellen of de financiële belangen
van de Europese Unie nadeel hebben ondervonden van fraude, corruptie of andere
illegale activiteiten met betrekking tot subsidieovereenkomsten,
subsidiebesluiten, contracten of EU‑financiering. Onverminderd de vorige alinea's worden de
Commissie, de Rekenkamer en OLAF in samenwerkingsovereenkomsten met derde
landen en internationale organisaties, in subsidieovereenkomsten en
subsidiebesluiten en in contracten die voortvloeien uit de uitvoering van deze
verordening, uitdrukkelijk gemachtigd tot het verrichten van dergelijke audits,
inspecties en controles ter plaatse. Artikel 146
Audits 1. Ambtenaren van de Commissie
en van de Rekenkamer of hun vertegenwoordigers mogen tot drie jaar na de
eindbetaling door de Commissie audits ter plaatse van krachtens deze
verordening gefinancierde concrete acties verrichten op voorwaarde dat deze
audit, behoudens dringende gevallen, ten minste tien werkdagen vooraf is
aangekondigd. 2. Ambtenaren van de Commissie
en van de Rekenkamer of hun vertegenwoordigers die naar behoren gemachtigd zijn
tot het verrichten van audits ter plaatse, krijgen inzage in de boeken en alle
andere documenten, inclusief in elektronische vorm opgetekende of ontvangen en
vastgelegde documenten en metagegevens die betrekking hebben op uitgaven die
gefinancierd zijn overeenkomstig deze verordening. 3. De in lid 2 bedoelde
auditbevoegdheden doen niet af aan de toepassing van nationale bepalingen die
bepaalde handelingen voorbehouden aan bij de nationale wetgeving specifiek aangewezen
ambtenaren. Met name nemen ambtenaren van de Commissie en van de Rekenkamer of
hun vertegenwoordigers niet deel aan huiszoekingen of aan de formele
ondervraging van personen overeenkomstig de nationale wetgeving van de
betrokken lidstaat. Wel hebben zij toegang tot de aldus verkregen informatie. 4. Indien op grond van deze
verordening toegekende financiële EU‑steun vervolgens wordt toegewezen aan een
derde als eindbegunstigde, verstrekt de oorspronkelijke begunstigde, aangezien
hij de ontvanger van de financiële EU‑steun is, de Commissie alle relevante
informatie over de identiteit van die eindbegunstigde. 5. Met het oog op de
bovenbedoelde audits moeten de begunstigden alle betrokken documenten gedurende
een periode van maximaal drie jaar na de eindbetaling door de Commissie
beschikbaar houden. Artikel 147
Schorsing van betalingen en
verlaging en annulering van de financiële bijdrage 1. Indien de Commissie van
mening is dat financiële EU‑middelen niet in overeenstemming met de bij deze
verordening of bij enig ander toepasselijk EU‑besluit vastgestelde voorwaarden
zijn gebruikt, meldt zij dit aan de begunstigden die vervolgens een maand vanaf
de datum van die kennisgeving de tijd krijgen om hun opmerkingen aan de
Commissie toe te zenden. 2. Indien de begunstigden niet
binnen die termijn antwoorden of de Commissie niet tevreden is met de door hen
gemaakte opmerkingen, verlaagt de Commissie de toegekende financiële bijdrage,
trekt zij deze in of schorst zij de betalingen. Elk onverschuldigd betaald
bedrag moet aan de Commissie worden terugbetaald. Over niet tijdig
terugbetaalde bedragen kan rente worden aangerekend volgens de voorwaarden van
[het Financieel Reglement]. HOOFDSTUK III
Evaluatie en verslaglegging Artikel 148
Evaluatie 1. De op grond van deze verordening
gefinancierde concrete acties worden regelmatig gemonitord om de uitvoering
ervan te kunnen volgen. 2. De Commissie draagt zorg voor
een regelmatige onafhankelijke externe evaluatie van de gefinancierde concrete
acties. Artikel 149
Verslaglegging De Commissie dient bij het Europees Parlement
en de Raad de volgende documenten in: (a)
uiterlijk op 31 maart 2017, een verslag over de
tussentijdse evaluatie dat betrekking heeft op de behaalde resultaten en de
kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van de op grond van
deze verordening gefinancierde concrete acties; (b)
uiterlijk op 30 augustus 2018, een mededeling over
de voortzetting van de op grond van deze verordening gefinancierde concrete
acties; (c)
uiterlijk op 31 december 2021, een verslag over de
evaluatie achteraf. TITEL IX
PROCEDURELE BEPALINGEN Artikel 150
Uitoefening van de
bevoegdheidsdelegatie 1. De bevoegdheid tot
vaststelling van gedelegeerde handelingen wordt aan de Commissie verleend onder
de in dit artikel gestelde voorwaarden. 2. De in de artikelen 12, 33, 37,
38, 39, 46, 61, 64, 67, 75, 92, 105, 111, 112, 114, 115, 119, 127, 131 en 153
bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt met ingang van 1 januari 2014 verleend
voor onbepaalde tijd. 3. De bevoegdheid tot
vaststelling van de in de artikelen 12, 33, 37, 38, 39, 46, 61, 64, 67, 75, 92,
105, 111, 112, 114, 115, 119, 127, 131 en 153 bedoelde gedelegeerde handelingen
kan te allen tijde worden ingetrokken door het Europees Parlement of door de
Raad. Een besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit
genoemde bevoegdheid. Het besluit treedt in werking op de dag na de
bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een
latere datum die in het besluit wordt vermeld. Het besluit laat de geldigheid
van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Zodra de Commissie een
gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad
daarvan gelijktijdig in kennis. 5. Een krachtens de artikelen 12,
33, 37, 38, 39, 46, 61, 64, 67, 75, 92, 105, 111, 112, 114, 115, 119, 127, 131
and 153 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt pas in werking als noch het
Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van 2 maanden na de datum
van kennisgeving bezwaar heeft gemaakt tegen de gedelegeerde handeling, of als
zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie vóór het verstrijken van
deze termijn heeft meegedeeld niet voornemens te zijn bezwaar te maken. Op
initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee
maanden worden verlengd. Artikel 151
Comitologie 1. De Commissie wordt bij de
tenuitvoerlegging van de voorschriften van het Europees Fonds voor Maritieme
Zaken en Visserij terzijde gestaan door een Comité voor het Fonds voor
Maritieme Zaken en Visserij. Dit comité is een comité in de zin van Verordening
(EU) nr. 182/2011. 2. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. 3. Wanneer naar dit lid wordt
verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. TITEL X
SLOTBEPALINGEN Artikel 152
Intrekking 1. De Verordeningen (EG) nr. 1198/2006,
(EG) nr. 861/2006, (EU) nr. […/2011 tot vaststelling van een programma ter
ondersteuning van de verdere ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem
beleid], (EG) nr. 791/2007, (EG) nr. 2328/2003 en artikel 103 van Verordening
(EG) nr. 1224/2009 worden op 1 januari 2014 ingetrokken. 2. Verwijzingen naar de
ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar de onderhavige
verordening. Artikel 153
Overgangsbepalingen 1. Om de overgang van de
systemen die zijn vastgesteld bij de Verordeningen EG) nr. 1198/2006, (EG) nr. 861/2006,
(EU) nr. […/2011 tot vaststelling van een programma ter ondersteuning van de
verdere ontwikkeling van een geïntegreerd maritiem beleid], en (EG) nr. 791/2007,
naar het bij de onderhavige verordening vastgestelde systeem te
vergemakkelijken, wordt de Commissie ertoe gemachtigd overeenkomstig artikel 150
gedelegeerde handelingen aan te nemen met betrekking tot de voorwaarden om de
steun die de Commissie op grond van die verordeningen goedkeurt, te integreren
in de op grond van de onderhavige verordening verleende steun, onder meer op
het gebied van technische bijstand en evaluaties achteraf. 2. Deze verordening doet geen
afbreuk aan de voortzetting noch aan de wijziging, met inbegrip van de gehele
of gedeeltelijke intrekking, van de betrokken projecten tot de afsluiting
daarvan of van de steun die de Commissie heeft goedgekeurd op grond van de
Verordeningen EG) nr. 1198/2006, (EG) nr. 861/2006, (EU) nr. […/2011 tot
vaststelling van een programma ter ondersteuning van de verdere ontwikkeling
van een geïntegreerd maritiem beleid], (EG) nr. 791/2007 en artikel 103 van
Verordening (EG) nr. 1224/2009 of van enige andere regelgeving die op 31
december 2013 op de betrokken bijstand van toepassing is. 3. Aanvragen die uit hoofde van
Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad zijn ingediend, blijven geldig. Artikel 154
Inwerkingtreding en
toepassing Deze verordening treedt in werking op de dag
na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening is verbindend in al
haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Gedaan te Brussel, Voor het Europees Parlement Voor de Raad De voorzitter De
voorzitter BIJLAGE I Specifieke
steunintensiteit Concrete acties || Percentpunten met betrekking tot de kleinschalige kustvisserij komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met: || 25 op de afgelegen Griekse eilanden komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met || 35 in de ultraperifere gebieden komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met || 35 uitgevoerd door vissersorganisaties of andere collectieve begunstigden buiten titel V, hoofdstuk III, komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met || 10 uitgevoerd door producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met || 20 inzake controle en handhaving in het kader van artikel 78 komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met || 30 inzake controle en handhaving met betrekking tot de kleinschalige kustvisserij in het kader van artikel 78 komen in aanmerking voor een verhoging van het steunpercentage met || 40 uitgevoerd door andere dan onder de definitie van kmo's vallende ondernemingen worden gefinancierd met een steunpercentage dat wordt gereduceerd met || 20 BIJLAGE II [Jaarlijkse verdeling van de
vastleggingskredieten voor de periode 2014 ‑ 2020] BIJLAGE
III Algemene voorafgaande voorwaarden Gebied || Voorafgaande voorwaarden || Criteria waaraan moet worden voldaan 1. Bestrijding van discriminatie || Het bestaan van een mechanisme voor de effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep[38] en Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming[39]. || – Effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de Richtlijnen 2000/78/EG en 2000/43/EG van de Raad, door middel van: – institutionele regelingen voor de tenuitvoerlegging en de tenuitvoerlegging van en het toezicht op deze richtlijnen; – een strategie inzake opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de tenuitvoerlegging van de fondsen betrokken is; – maatregelen ter versterking van de administratieve capaciteit voor de tenuitvoerlegging en toepassing van deze richtlijnen. 2. Gendergelijkheid || Het bestaan van een strategie voor de bevordering van gendergelijkheid en een mechanisme voor de effectieve toepassing ervan. || – Effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van een speciale strategie voor de bevordering van gendergelijkheid, door middel van: – een systeem voor de verzameling en analyse van gegevens en indicatoren, onderverdeeld naar geslacht, voor de ontwikkeling van een wetenschappelijk onderbouwd genderbeleid; – een plan en voorafgaande criteria om doelstellingen inzake gendergelijkheid door middel van gendernormen en -richtsnoeren te integreren; – tenuitvoerleggingsmechanisme, met inbegrip van een genderinstantie en deskundigheid om de steunmaatregelen op te stellen, te monitoren en te evalueren. 3. Personen met een handicap || Het bestaan van een mechanisme voor de effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van het VN‑Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. || – Effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap door middel van: – de tenuitvoerlegging van maatregelen in overeenstemming met artikel 9 van het VN‑Verdrag, teneinde belemmeringen en barrières in verband met de toegankelijkheid voor personen met een handicap te voorkomen, te identificeren en op te heffen; – institutionele regelingen voor de tenuitvoerlegging van en het toezicht op het VN-Verdrag in overeenstemming met artikel 33 van dat Verdrag; – een strategie inzake opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de tenuitvoerlegging van de fondsen betrokken is; – maatregelen ter versterking van de administratieve capaciteit voor de tenuitvoerlegging en toepassing van het VN-Verdrag, inclusief passende regelingen om op de naleving van de toegankelijkheidsvereisten toe te zien. 4. Overheidsopdrachten || Het bestaan van een mechanisme voor de effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de Richtlijnen 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten[40], en een toereikend toezicht en toereikende bewaking ter zake || – Een effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de Richtlijnen 2004/18/EG en 2004/17/EG wordt gewaarborgd door: – de volledige omzetting van de Richtlijnen 2004/18/EG en 2004/17/EG; – institutionele regelingen voor de tenuitvoerlegging en de toepassing van en het toezicht op de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten; – maatregelen tot waarborging van een toereikend toezicht en een toereikende bewaking in verband met transparante gunningsprocedures voor contracten, en voldoende informatie daarover; – een strategie inzake opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van het personeel dat bij de tenuitvoerlegging van de fondsen betrokken is; – maatregelen ter versterking van de administratieve capaciteit voor de tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten. 5. Staatssteun || Het bestaan van een mechanisme voor de effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-wetgeving inzake staatssteun. || – Effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-wetgeving inzake staatssteun door middel van: – institutionele regelingen voor de tenuitvoerlegging en de toepassing van en het toezicht op de EU-wetgeving inzake staatssteun; – een strategie inzake opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de tenuitvoerlegging van de fondsen betrokken is; – maatregelen ter versterking van de administratieve capaciteit voor de tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-voorschriften inzake staatssteun. 6. Milieuwetgeving inzake milieueffectbeoordeling (MEB) en strategische milieueffectbeoordeling (SMEB) || Het bestaan van een mechanisme voor de effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-milieuwetgeving met betrekking tot de MEB en SMEB in overeenstemming met Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten[41] en Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's[42]. || – Effectieve tenuitvoerlegging en toepassing van de EU-milieuwetgeving door middel van: – een volledige en juiste omzetting van de MEB- en SMEB-richtlijnen; – institutionele regelingen voor de tenuitvoerlegging en de toepassing van en het toezicht op de MEB- en SMEB-richtlijnen; – een strategie inzake opleiding en informatieverspreiding ten behoeve van personeel dat bij de tenuitvoerlegging van de MEB- en SMEB-richtlijnen betrokken is; – maatregelen om een toereikende administratieve capaciteit te waarborgen. 7. Statistische systemen en resultaatindicatore || Het bestaan van een statistisch systeem voor evaluaties om de doeltreffendheid en het effect van de programma's te beoordelen. Het bestaan van een doeltreffend systeem van resultaatindicatoren om toezicht te houden op de voortgang en om een effectbeoordeling uit te voeren. || – Er bestaat een meerjarenplan voor de tijdige verzameling en aggregatie van gegevens met onder meer: – de identificatie van bronnen en mechanismen voor statistische validering; – regelingen voor publicatie en openbare toegankelijkheid; – een doeltreffend systeem van resultaatindicatoren, waarbij: – voor elk programma resultaatindicatoren worden geselecteerd die informatie verschaffen over die aspecten van het welzijn en de vooruitgang van personen die aanleiding zijn voor uit het programma gefinancierde beleidsacties; – streefdoelen voor deze indicatoren worden vastgelegd; – voor elke indicator de volgende vereisten in acht worden genomen: robuustheid en statistische validering, een duidelijke normatieve interpretatie, responsiviteit ten aanzien van het beleid, tijdige verzameling en openbare toegankelijkheid van de gegevens; – toereikende procedures worden vastgesteld om te waarborgen dat voor alle uit het programma gefinancierde concrete acties een doeltreffend systeem van indicatoren wordt vastgesteld. Specifieke voorafgaande voorwaarden 1. PRIORITEITGERELATEERDE VOORWAARDEN EU‑prioriteit voor EFMZV / GSK Thematische doelstelling (TD) || Voorafgaande voorwaarde || Criteria waaraan moet worden voldaan EFMZV‑prioriteit: 2. Bevordering van een innovatieve, concurrerende en kennisgebaseerde visserij 3. Bevordering van een innovatieve, concurrerende en kennisgebaseerde aquacultuur TD 3: Vergroting van de concurrentiekracht van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) || Starten van een onderneming: Er zijn specifieke acties uitgevoerd voor de effectieve tenuitvoerlegging van de "Small Business Act" (SBA) en van de evaluatie ervan van 23 februari 2011, inclusief het principe "Denk eerst klein". || De specifieke acties omvatten onder meer: – maatregelen om de voor het starten van een onderneming benodigde tijd en kosten terug te brengen tot respectievelijk drie werkdagen en 100 euro; – maatregelen om de tijd die een onderneming nodig heeft om voor het uitoefenen van een specifieke activiteit een vergunning te verkrijgen terug te brengen tot 3 maanden; – een mechanisme voor de systematische beoordeling van het effect van wetgeving op kmo's door middel van een kmo-toets, waarbij zo nodig rekening wordt gehouden met de grootte van de onderneming. EFMZV‑prioriteit: 3. Bevordering van een innovatieve, concurrerende en kennisgebaseerde aquacultuur 5. Bevordering van een duurzame en hulpbronefficiënte aquacultuur TD 6: Bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen || Het opstellen, tegen 2014, van een nationaal strategisch meerjarenplan inzake aquacultuur zoals bedoeld in artikel 43 van [GVB‑verordening] || – Ten laatste op de datum van indiening van het OP wordt het nationaal strategisch meerjarenplan inzake aquacultuur bij de Commissie ingediend. – Het OP bevat informatie over de complementariteit met het nationaal strategisch meerjarenplan inzake aquacultuur. EFMZV‑prioriteit: 6. Bevordering van de tenuitvoerlegging van het GVB TD 6: Bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen || De administratieve capaciteit om te voldoen aan de in artikel 37 van [GVB‑verordening] vastgestelde gegevensvereisten voor het visserijbeheer, is aantoonbaar aanwezig. || – De administratieve capaciteit om een meerjarenprogramma voor gegevensverzameling – dat door het WTECV moet worden beoordeeld en door de Commissie moet worden goedgekeurd - voor te bereiden en toe te passen, is aantoonbaar aanwezig. – De administratieve capaciteit om een jaarlijks werkprogramma voor gegevensverzameling – dat door het WTECV moet worden beoordeeld en door de Commissie moet worden goedgekeurd - voor te bereiden en toe te passen, is aantoonbaar aanwezig. – Er is voldoende capaciteit aan personele middelen voorhanden om bilaterale of multilaterale overeenkomsten met andere LS aan te gaan indien de werkzaamheden voor de tenuitvoerlegging van de gegevensverzamelingsvereisten worden gedeeld. EFMZV‑prioriteit: 6. Bevordering van de tenuitvoerlegging van het GVB TD 6: Bescherming van het milieu en bevordering van een efficiënt gebruik van hulpbronnen || De administratieve capaciteit voor de tenuitvoerlegging van de controle‑, inspectie‑ en handhavingsregeling zoals bedoeld in artikel 46 van [GVB‑verordening] en in Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad, is aantoonbaar aanwezig. || De specifieke acties betreffen onder meer: – de aantoonbaar aanwezige administratieve capaciteit om het in artikel 19, onder l), bedoelde nationale controleprogramma 2014-2020 voor te bereiden en uit te voeren – de aantoonbaar aanwezige administratieve capaciteit om het nationale controleactieprogramma voor meerjarenprogramma's voor te bereiden en uit te voeren (artikel 46 van de controleverordening) – de aantoonbaar aanwezige administratieve capaciteit om een gemeenschappelijk controleprogramma dat samen met andere lidstaten kan worden ontwikkeld, voor te bereiden en uit te voeren (artikel 94 van de controleverordening) – de aantoonbaar aanwezige administratieve capaciteit om een specifiek controle‑ en inspectieprogramma voor te bereiden en uit te voeren (artikel 95 van de controleverordening) – de aantoonbaar aanwezige administratieve capaciteit om een systeem van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor ernstige inbreuken toe te passen (artikel 90 van de controleverordening) – de aantoonbaar aanwezige administratieve capaciteit om het puntensysteem voor ernstige inbreuken toe te passen (artikel 92 van de controleverordening) Voldoende personele middelen om de controleverordening ten uitvoer te leggen BIJLAGE IV
Voorlichting en communicatie over steun uit het EFMZV
1.
Lijst van concrete acties
De in artikel 143 bedoelde lijst van concrete
acties bevat de volgende gegevensvelden in ten minste een van de officiële
talen van de lidstaat: –
naam van de begunstigde (alleen rechtspersonen; geen namen van natuurlijke personen vermelden); –
CFR‑nummer (Community Fleet Register) van de
vissersvaartuigen zoals bedoeld in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 26/2004
van de Commissie van 30 december 2003[43]
(alleen invullen als de concrete actie in verband staat met een
vissersvaartuig); –
naam van de concrete actie; –
samenvatting van de concrete actie; –
begindatum van de concrete actie; –
einddatum van de concrete actie (verwachte datum
van de materiële voltooiing of volledige uitvoering van de concrete actie); –
totale subsidiabele uitgaven; –
bedrag van de EU‑bijdrage; –
postcode van de concrete actie; –
land; –
vermelding van de betrokken EU‑prioriteit; –
datum van de laatste bijwerking van de lijst van
concrete acties. De titel van de gegevensvelden en de naam van
de concrete acties moeten tevens in ten minste een andere officiële taal van de
Europese Unie worden verstrekt.
2.
Op het publiek gerichte voorlichtings- en
publiciteitsmaatregelen
2.1.
Verantwoordelijkheden van de lidstaten
1. De lidstaat ziet erop toe dat
de voorlichtings‑ en publiciteitsmaatregelen een zo ruim mogelijke aandacht in
de media krijgen, waarbij op het aangewezen niveau verschillende
communicatievormen en ‑methoden worden gebruikt. 2. De lidstaat is
verantwoordelijk voor de organisatie van ten minste de volgende voorlichtings-
en publiciteitsmaatregelen: (a)
een belangrijke voorlichtingsactiviteit waarbij
bekendheid wordt gegeven aan de start van het operationele programma; (b)
ten minste twee keer tijdens de
programmeringsperiode: een belangrijke
voorlichtingsactiviteit om reclame te maken voor de financieringsmogelijkheden
en de gevolgde strategie en om de resultaten van het operationele programma te
presenteren; (c)
het uithangen van de vlag van de Europese Unie voor
het gebouw van elke beheersautoriteit of op een andere voor het publiek
zichtbare plaats bij dat gebouw; (d)
het langs elektronische weg bekendmaken van de
lijst van concrete acties in overeenstemming met punt 1; (e)
het geven van voorbeelden van concrete acties per
operationeel programma op de algemene website of op de site van het
operationele programma die via de portaalsite toegankelijk is; de voorbeelden moeten worden gegeven in een door velen gesproken
officiële taal van de Europese Unie die niet de officiële taal of een van de
officiële talen van de betrokken lidstaat is; (f)
het geven van een korte samenvatting van concrete
acties betreffende innovatie en eco‑innovatie op een specifiek deel van de
algemene website; (g)
het actualiseren van informatie over de uitvoering
van de operationele programma's, met inbegrip van de belangrijkste resultaten
ervan, op de algemene website of op de site van het operationele programma die
via de portaalsite toegankelijk is. 3. In overeenstemming met de
nationale wetgeving en praktijken worden de volgende instanties door de
beheersautoriteit bij de voorlichtings- en publiciteitsmaatregelen betrokken: (h)
de in artikel 5 van [Verordening (EU) nr. [...]
inzake gemeenschappelijke bepalingen] bedoelde partners; (i)
de centra voor voorlichting over Europa en de
vertegenwoordigingen van de Commissie in de lidstaten; (j)
onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Deze instanties zorgen voor een grootschalige
verspreiding van de in artikel 143, lid 1, onder a) en b), bedoelde informatie.
3.
Maatregelen tot voorlichting van potentiële
begunstigden en van begunstigden
3.1.
Maatregelen tot voorlichting
van potentiële begunstigden
1. De beheersautoriteit ziet
erop toe dat aan potentiële begunstigden en aan alle belanghebbenden op ruime
schaal informatie wordt verstrekt over de doelstellingen van het operationele
programma en de in het kader van het EFMZV geboden financieringsmogelijkheden. 2. De beheersautoriteit ziet
erop toe dat de potentiële begunstigden ten minste de volgende informatie
ontvangen: (k)
de subsidiabiliteitsvoorwaarden waaronder uitgaven
voor steun uit een operationeel programma in aanmerking komen; (l)
een beschrijving van de voorwaarden inzake de
ontvankelijkheid van aanvragen, de procedures voor het onderzoek van de
financieringsaanvragen en de termijnen; (m)
de criteria aan de hand waarvan concrete acties
voor steun worden geselecteerd; (n)
de contacten op nationaal, regionaal of lokaal
niveau waar informatie over de operationele programma's kan worden verkregen; (o)
de vereiste dat in de aanvragen, in evenredigheid
met de omvang van de concrete actie, communicatieactiviteiten worden
voorgesteld om het publiek in te lichten over het doel van de concrete actie en
over de EU-steun ervoor.
3.2.
Maatregelen tot voorlichting van de begunstigden
De beheersautoriteit deelt de begunstigden mee
dat zij door financiering te aanvaarden ermee instemmen op de in
overeenstemming met artikel 143, lid 2, gepubliceerde lijst van concrete acties
te worden opgenomen. FINANCIEEL MEMORANDUM 1. KADER
VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 1.1. Titel van het
voorstel/initiatief 1.2. Betrokken
beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur 1.3. Aard
van het voorstel/initiatief 1.4. Doelstellingen
1.5. Motivering
van het voorstel/initiatief 1.6. Duur
en financiële gevolgen 1.7. Beheersvorm(en)
2. BEHEERSMAATREGELEN
2.1. Regels
voor het toezicht en de verslaglegging 2.2. Beheers-
en controlesysteem 2.3. Maatregelen
ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden 3. GERAAMDE
FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF 3.1. Rubriek(en)
van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)el(en) voor
uitgaven 3.2. Geraamde
gevolgen voor de uitgaven 3.2.1. Samenvatting van de
geraamde gevolgen voor de uitgaven 3.2.2. Geraamde
gevolgen voor de beleidskredieten 3.2.3.
Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten 3.2.4. Verenigbaarheid
met het huidige meerjarig financieel kader 3.2.5. Bijdragen
van derden in de financiering 3.3. Geraamde gevolgen voor de ontvangsten FINANCIEEL
MEMORANDUM
4.
KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
4.1.
Benaming van het
voorstel/initiatief
[Voorstel
voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees
Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij [tot intrekking van Verordening (EG) nr.
1198/2006 van de Raad, Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad en Verordening
(EU) nr. XXX/2011van de Raad inzake het geïntegreerd maritiem beleid]
4.2.
Betrokken beleidsterrein(en)
in de ABM/ABB-structuur[44]
[Beleidsterrein
Titel 11 "Maritieme Zaken en Visserij" van Rubriek 2…] Specificeer
bestaande begrotingsonderdelen die tot een nieuw begrotingsonderdeel worden
samengevoegd: Begrotingslijnen
post‑2013:
4.3.
Aard van het voorstel/initiatief
¨ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie (inzake het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en
Visserij [tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad,
Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad en Verordening (EU) nr. XXX/2011van
de Raad inzake het geïntegreerd maritiem beleid voor de volgende
financieringsperiode 2014‑ 2020) ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een
voorbereidende actie[45] ¨ Het
voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie ¨ Het
voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe
actie
4.4.
Doelstellingen
4.4.1.
De met het voorstel/initiatief beoogde strategische
meerjarendoelstelling(en) van de Commissie
Het
nieuwe financiële instrument zal met name bijdragen tot 3
vlaggenschipinitiatieven in het kader van de Europa 2020‑strategie: 1) efficiënt gebruik van hulpbronnen, 2) de innovatie‑Unie en 3) de
agenda voor nieuwe vaardigheden en banen. Overeenkomstig de Europa 2020‑strategie
worden met het toekomstige financieringsinstrument de volgende doelstellingen
nagestreefd: -
ondersteuning van de doelstellingen van het hervormd gemeenschappelijk
visserijbeleid door het bevorderen van een duurzame en rendabele visserij en
aquacultuur -
ondersteuning van de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het
geïntegreerd maritiem beleid -
ondersteuning van een evenwichtige territoriale ontwikkeling van de
visserijgebieden.
4.4.2.
Specifieke doelstelling(en) en betrokken
ABM/ABB-activiteit(en)
Specifieke
doelstellingen onder gedeeld beheer Dimensie || Specifieke doelstellingen Verhoging van de werkgelegenheid en de territoriale cohesie || – stimulering van de economische groei, de sociale inclusie, de werkgelegenheidscreatie en de arbeidsmobiliteit in kustgemeenschappen en landinwaarts gelegen gemeenschappen die aangewezen zijn op de visserij en de aquacultuur – diversifiëring van de visserijactiviteiten naar andere sectoren van de maritieme economie, en uitbreiding van de maritieme economie, onder meer in het kader van de matiging van de klimaatverandering Bevordering van een innovatieve, concurrerende en kennisgebaseerde visserij || – steun voor de intensivering van technologische ontwikkeling, innovatie en kennisoverdracht – verbetering van het concurrentievermogen en de rendabiliteit van de visserij, met name van de kleinschalige kustvisserij, en verbetering van de veiligheid en de arbeidsomstandigheden in de visserij – ontwikkeling van nieuwe beroepsvaardigheden en een leven lang leren – verbetering van de organisatie van de markt voor visserijproducten Bevordering van een innovatieve, concurrerende en kennisgebaseerde aquacultuur || – steun voor de intensivering van technologische ontwikkeling, innovatie en kennisoverdracht – versterking van het concurrentievermogen en de rendabiliteit van aquacultuurondernemingen, in het bijzonder van kmo's; – ontwikkeling van nieuwe beroepsvaardigheden en een leven lang leren – verbetering van de organisatie van de markt voor aquacultuurproducten Bevordering van een duurzame en hulpbronefficiënte visserij || – reductie van de impact van de visserij op het mariene milieu – bescherming en herstel van de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen, met inbegrip van de diensten die deze leveren Bevordering van een duurzame en hulpbronefficiënte aquacultuur || – versterking van de ecosystemen die verbonden zijn met de aquacultuur en bevordering van een hulpbronefficiënte aquacultuur – bevordering van een aquacultuur die wordt gekenmerkt door een hoog niveau van milieubescherming. dierengezondheid, dierenwelzijn, volksgezondheid en veiligheid Bevordering van de tenuitvoerlegging van het GVB || – het beschikbaar stellen van wetenschappelijke kennis en gegevensverzameling – het ondersteunen van controle en handhaving, het versterken van de institutionele capaciteit en efficiënte overheidsdiensten Specifieke doelstellingen onder direct
beheer Dimensie || Specifieke doelstellingen Innovatie en kennisgebaseerde visserij || – verbetering van de organisatie van de markt voor visserijproducten (waarnemerspost) Duurzame en hulpbronefficiënte visserij || – uitbreiding van de wetenschappelijke kennisbasis en intensivering van de gegevensverzameling met het oog op een duurzaam visserijbeheer – versterking van de naleving via controles Ontwikkeling en tenuitvoerlegging van het GMB || – ontwikkeling van sectoroverschrijdende instrumenten voor een betere beleidsvorming (maritieme ruimtelijke ordening, geïntegreerde maritieme bewaking, mariene kennis) – bevordering van de beleidsintegratie om een duurzaam en grensoverschrijdend/ecosysteemgebaseerd beheer van Europese zeegebieden mogelijk te maken Bestuur op het gebied van het GVB en het GMB || – bevordering van een geïntegreerd bestuur van het GVB, maritieme zaken en kustgerelateerde zaken – intensivering en stroomlijning van de betrokkenheid van de belanghebbende partijen bij het visserijbeheer en de aquacultuur door financiële EU‑steun te verlenen aan de adviesraden – ondersteuning via dekking van kosten van voorlichtings‑ en communicatieactiviteiten in verband met het GVB en het GMB, en via dekking van kosten voor deskundigen en vertegenwoordigers van de belanghebbende partijen die deelnemen aan Commissievergaderingen over het GVB en het GMB Betrokken AMB/ABB-activiteit(en) 11 01 ADMINISTRATIEVE UITGAVEN VOOR HET BELEIDSTERREIN MARITIEME ZAKEN
EN VISSERIJ 11 02 VISSERIJMARKTEN 11 03 INTERNATIONALE VISSERIJ EN ZEERECHT (gedeeltelijk) 11 04 BEHEER VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VISSERIJBELEID 11 06 EUROPEES VISSERIJFONDS (EVF) 11 07 INSTANDHOUDING, BEHEER EN EXPLOITATIE VAN DE LEVENDE AQUATISCHE
HULPBRONNEN 11 08 CONTROLE EN HANDHAVING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK VISSERIJBELEID 11 09 MARITIEM BELEID
4.4.3.
Verwacht(e) result(a)at(en) en verwachte impact in
het kader van gedeeld en direct beheer
Vermeld de gevolgen
die het voorstel/initiatief zou moeten hebben voor de begunstigden/doelgroepen. In
het voorstel voor de periode na 2013 wordt een belangrijk financieringinstrument
aangereikt voor de tenuitvoerlegging van het hervormd gemeenschappelijk
visserijbeleid. Voorgesteld wordt de dure en
ondoeltreffende vlootsubsidies stop te zetten en in overeenstemming met
Europa 2020 in te zetten op een beperkt aantal ecologische, economische en
sociale GVB‑doelstellingen met bijzondere nadruk op duurzame visserij, groene
innovatie, een snellere overgang naar nieuwe methoden voor visserijbeheer, en
het creëren van groei en banen in gemeenschappen die op de visserij zijn
aangewezen. De
resultaten en de impact zullen afhangen van de operationele programma's die de
lidstaten bij de Commissie indienen. Aan de lidstaten zal
worden gevraagd in hun programma's streefdoelen op te nemen. Belanghebbende partij || Omschrijving van belanghebbende partij || Voornaamste belangen/effecten Begunstigden || De vangstsector van de EU || – Eigenaren, exploitanten en bemanning van EU-vaartuigen || – Rendabiliteit van de bedrijven – Grotere veerkracht bij economische schokken, bedrijfsplanning op de lange termijn – Nieuwe vaardigheden, betere marketing en afzetbevordering. Duurzame visserij met minder teruggooi. De aquacultuursector in de EU || – Eigenaren, exploitanten en personeel van aquacultuurondernemingen || – Rendabiliteit van de bedrijven – Meer marktstimuli voor duurzame/extensieve aquacultuur, inclusief voor de NATURA 2000‑gebieden – Bekostigen van de milieuvoorschriften – Nieuwe vaardigheden, betere marketing en afzetbevordering Op visserij aangewezen gemeenschappen || – Gemeenschappen die voor hun levensonderhoud zijn aangewezen op visserij of aquacultuur || – Rendabiliteit van op visserij aangewezen kustgebieden en landinwaarts gelegen gebieden. Verwerkende sector || – Bedrijven die ingevoerde en in EU-wateren gevangen hulpbronnen verwerken || – Meer concurrentievermogen en toegevoegde waarde, stabiele bevoorrading met kwaliteitsproducten Onderzoekssector || – Verstrekking van GVB‑gerelateerde en mariene gegevens door wetenschappelijke onderzoeksorganisaties en de wetenschappelijke gemeenschap. || – Tijdige verstrekking van degelijke, robuuste en uitgebreide gegevens over de visserij met het oog op een op kennis gebaseerd beleid. Verbetering van de mariene kennis, gegevensintegratie Overheden en organisaties || – Nationale, regionale en lokale organisaties die betrokken zijn bij de gegevensverzameling en de handhaving en controle van het GVB – Adviesraden, ROVB's || – Steun voor een meer efficiënte, doeltreffende en praktische taakuitvoering – Nationale, regionale en lokale organisaties die de kust beschermen, het mariene milieu monitoren, en borg staan voor grenscontrole en maritieme veiligheid || – Steun voor een meer efficiënte, doeltreffende en praktische taakuitvoering – Verbetering van de zichtbaarheid van de problemen en financiële behoeften van kustgebieden, inclusief een betere coördinatie en een strategischer gebruik van financiële EU‑middelen Anderen || Maritieme sectoren in de EU || – Marktdeelnemers met economische activiteiten aan de kust of offshore (commerciële vloot, toerisme, havens, enz.) || – Betere beveiliging en veiligheid – Minder administratieve belasting op maritiem gebied via stabiele en geïntegreerde structuren voor maritiem bestuur (incl. ruimtelijke ordening) – Betere communicatie tussen de maritieme sectoren (maritieme clusters in zeegebieden) Consumenten || – Verbruikers van visserijproducten en aquacultuurproducten || – Beschikbaarheid van hoogwaardige visserijproducten en aquacultuurproducten met een hoge voedingswaarde Derde landen || – De visserijsectoren die met de EU-vloten concurreren – Aquacultuurproducenten en exporteurs van aquacultuurproducten naar de EU – Overheidsdiensten || – Toegang tot de EU‑markt – Ontwikkeling van sectorale capaciteit via toegang tot EU‑steun NGO's het maatschappelijk middenveld en de EU‑burger || – Milieu‑NGO's – Het brede publiek dat belang stelt in het GMB, de visserijsectoren en het mariene milieu en zich daaromtrent zorgen maakt || – Duurzaam beheer van zeeën en kustgebieden, incl. de instandhouding van vispopulaties, de mariene biodiversiteit en de maatschappelijke belevingswaarde van oceanen, rivieren en meren – Ontwikkeling van een sectoroverschrijdende collectieve verantwoordelijkheid voor milieuduurzaamheid
4.4.4.
Resultaat- en effectindicatoren in het kader van
gedeeld beheer
Vermeld de indicatoren
aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is
uitgevoerd. De
voorstellen voorzien in de vaststelling van een gemeenschappelijk monitoring-
en evaluatiekader om de prestaties van het GVB te meten. Dat
kader omvat alle instrumenten die verband houden met monitoring en evaluatie. Het
effect van deze GVB‑maatregelen wordt gemeten aan de hand van de volgende
indicatoren (indicatief): –
Verhoging van de bruto toegevoegde waarde per
werknemer in de visserijvloot en in de aquacultuur –
Brandstofefficiëntie van de visvangst –
Energiekosten in de aquacultuur –
Verhoging van de waarde of het volume van de
producten die via producentenorganisaties worden aangeboden –
Teruggooipercentage van commercieel geëxploiteerde
vissoorten –
Mate van naleving van de gegevensoproepen –
Aantal beoordeelde bestanden ten opzichte van het
totale aantal geëxploiteerde bestanden –
Aantal geconstateerde ernstige inbreuken –
Aantal door plaatselijke partnerschappen gecreëerde
en behouden banen De
Commissie bepaalt middels uitvoeringshandelingen de voor deze doelstellingen
specifieke indicatoren.
4.5.
Motivering van het
voorstel/initiatief
4.5.1.
Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet
worden voorzien
Met
het oog op de verwezenlijking van de meerjarendoelstellingen van het GVB en de
naleving van de ter zake relevante Verdragsvoorschriften wordt in dit voorstel
het wetgevingskader voor het GVB voor de periode na 2013 neergelegd.
4.5.2.
Toegevoegde waarde van de
deelname van de EU
Volgens
het VWEU heeft de Unie de exclusieve bevoegdheid voor de instandhouding van de
mariene biologische rijkdommen en de gedeelde bevoegdheid voor de rest van het
GVB. In het kader van het GVB worden hulpbronnen beheerd
die verschillende lidstaten gemeenschappelijk hebben en die nauw verbonden zijn
met bepaalde grensoverschrijdende mariene ecosystemen. Het
resultaat van deze voorstellen om de EU op weg te zetten naar een duurzame
visserij (denk aan de magere resultaten van het GVB tot dusverre en de
vooruitgang die de partners van de EU op dat vlak hebben geboekt) zal een
kritieke test zijn voor de geloofwaardigheid van de manier waarop de EU het
leiderschap van de duurzame‑ontwikkelingsagenda opeist, en zal tegelijkertijd
één van de essentiële elementen zijn in het Europa 2020‑vlaggenschipinitiatief
inzake efficiënt gebruik van hulpbronnen.
4.5.3.
Belangrijkste uit soortgelijke activiteiten
getrokken lering
Op
basis van de evaluatie van het huidige beleidskader, van uitvoerig overleg met
belanghebbenden en van een analyse van de toekomstige uitdagingen en behoeften
is een uitgebreide effectbeoordeling uitgevoerd. Gedetailleerde
informatie hierover is te vinden in de effectbeoordeling en de toelichting die
bij de wetgevingsvoorstellen is gevoegd.
4.5.4.
Samenhang en eventuele synergie met andere
relevante instrumenten in het kader van gedeeld beheer
De
wetgevingsvoorstellen waarop dit financieel memorandum betrekking heeft, moeten
worden gezien in de ruimere context van het voorstel voor een integrale
kaderverordening waarbij gemeenschappelijke voorschriften voor de onder het
gemeenschappelijk strategisch kader vallende fondsen (EFMZV, EFRO, ESF,
Cohesiefonds en ELFPO) worden vastgesteld. De
kaderverordening zal in aanzienlijke mate bijdragen tot het verminderen van de
administratieve lasten, het doelmatig besteden van de financiële EU-middelen en
het in praktijk brengen van vereenvoudigingen. Dit alles vormt ook de basis
voor de nieuwe concepten van het gemeenschappelijk strategisch kader voor al
deze fondsen, en voor de in het vooruitzicht gestelde partnerschapscontracten,
die ook betrekking zullen hebben op deze fondsen. Met
het gemeenschappelijk strategisch kader, zoals het zal worden vastgesteld,
worden de doelstellingen en prioriteiten van de Europa 2020-strategie omgezet
in prioriteiten voor zowel het EFMZV als het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en
het ELFPO, hetgeen een geïntegreerde aanwending van de fondsen met het oog op
het bereiken van gemeenschappelijke doelstellingen moet garanderen. Het
gemeenschappelijk strategisch kader bevat ook mechanismen voor de coördinatie
met andere ter zake relevante beleidstakken en instrumenten van de Unie.
4.6.
Duur van de actie en van de financiële gevolgen
¨ Voorstel/initiatief met een beperkte
geldigheidsduur –
¨ Voorstel/initiatief is van kracht vanaf 1.1.2014 tot en met 31.12.2020
–
¨ Financiële gevolgen vanaf 2014 tot en met 2023 ¨ Voorstel/initiatief met een onbeperkte
geldigheidsduur –
Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en
met JJJJ, –
gevolgd door een volledige uitvoering.
4.7.
Beheersvorm(en)[46]
¨ Direct gecentraliseerd beheer door de Commissie ¨ Indirect gecentraliseerd beheer door delegatie van uitvoeringstaken aan: –
¨ uitvoerende agentschappen –
¨ door de Gemeenschappen opgerichte organen[47] –
¨ nationale publiekrechtelijke organen of organen met een
openbaredienstverleningstaak –
¨ personen aan wie de uitvoering van specifieke acties in het
kader van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is toevertrouwd
en die worden genoemd in het desbetreffende basisbesluit in de zin van artikel 49
van het Financieel Reglement ¨ Gedeeld beheer met
lidstaten ¨ Gedecentraliseerd beheer met derde landen ¨ Gezamenlijk beheer
met internationale organisaties (geef aan welke) Verstrek, indien meer
dan een beheersvorm is aangekruist, extra informatie onder
"Opmerkingen". Opmerkingen Gedeeld
beheer: Titels III, IV en V Direct beheer: Titels VI en VII
5.
BEHEERSMAATREGELEN
5.1.
Monitoring‑ en verslagleggingsvoorschriften in het
kader van gedeeld beheer
Vermeld frequentie en
voorwaarden. Het
Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) is een van de fondsen
die zijn ingebed in het gemeenschappelijk strategisch kader (GSK). Hoewel het leeuwendeel van de uitgaven die in het kader van dit
instrument worden gedaan, gedeeld zal worden beheerd, is er een klein aandeel
van de uitgaven dat de Commissie direct zal beheren. I. GEDEELD BEHEER Voor
elk operationeel programma wordt een monitoringcomité opgericht en verder zijn
de jaarverslagen over de uitvoering van elk operationeel programma een
essentieel onderdeel van de benadering. De
monitoringcomités komen ten minste een keer per jaar bijeen. Het systeem wordt
gecompleteerd door jaarlijkse evaluatievergaderingen van de Commissie met de
lidstaten. Niet
alleen wordt voor elk operationeel programma een uitvoeringsverslag opgesteld,
de voortgangsverslagen (over de uitvoering van de partnerschapscontracten) die
de lidstaten in 2017 en 2019 moeten indienen, zullen worden samengevat in
strategische verslagen die de Commissie zal voorbereiden en aan de EU‑instellingen
zal overleggen. In 2018 en 2020 neemt de Commissie in haar
jaarlijkse voortgangsverslag voor de voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad
een hoofdstuk op waarin het strategische verslag wordt samengevat, met
bijzondere aandacht voor de geboekte vooruitgang bij de verwezenlijking van de
EU‑prioriteiten. Voorts zullen de lidstaten voor hun EFMZV‑programma een
verslag over de evaluatie achteraf voorbereiden. Dat verslag wordt uiterlijk op
31 december 2023 bij de Commissie ingediend. In
het kader van het monitoring‑ en verslagleggingssysteem zullen kwantitatieve en
kwalitatieve gegevens worden gebruikt. De kwantitatieve
instrumenten behelzen zowel financiële als fysieke informatie. De fysieke
informatie houdt verband met outputindicatoren en de ontwikkeling van
resultaatindicatoren. De Commissie heeft een reeks outputindicatoren
gespecificeerd die zij zal gebruiken voor het aggregeren van gegevens op
EU-niveau. Op belangrijke tijdstippen van de uitvoeringsperiode (2017 en 2019)
zullen in het kader van de jaarlijke uitvoeringsverslagen aanvullende analyses
over de voortgang van de programma's moeten worden gemaakt. Bij het monitoring-
en verslagleggingssysteem wordt optimaal gebruik gemaakt van de mogelijkheden
voor elektronische gegevensoverdracht. Hierbij
moet worden vermeld dat maatregelen die vroeger direct werden beheerd, nu in
het kader van gedeeld beheer zullen worden gefinancierd: -
maatregelen inzake afzet en verwerking en maatregelen ter ondersteuning van de
marktorganisatie voor visserij en ter compensatie van extra kosten voor
visserijproducten in de ultraperifere gebieden, en -
maatregelen ter ondersteuning van de controle‑, inspectie‑ en
handhavingsregeling, en maatregelen ter ondersteuning van de
gegevensverzameling. II. DIRECT BEHEER In
het kader van direct beheer worden uit het EFMZV de volgende uitgaven
gefinancierd: -
uitgaven in verband met maatregelen ter ondersteuning van de ontwikkeling en
tenuitvoerlegging van het geïntegreerd maritiem beleid; -
uitgaven in verband met maatregelen ter ondersteuning van wetenschappelijk
advies en wetenschappelijke kennis, adviesraden, vrijwillige bijdragen aan
internationale organisaties, de tenuitvoerlegging van de bepaalde maatregelen
in het kader van de controle‑, inspectie‑ en handhavingsregeling en
communicatieactiviteiten, en -
technische bijstand. Voor
de eerste twee regelingen zal de Commissie middels uitvoeringshandelingen
jaarlijkse werkprogramma's vaststellen. In de EFMZV‑wetgeving
wordt vastgesteld welke informatie inzake subsidies en overheidsopdrachten in
deze programma's moet worden opgenomen. Voorts wordt voorzien in regelmatige
monitoring en periodieke verslaglegging. In het kader hiervan dient de
Commissie de volgende stukken in te dienen bij het Europees Parlement en de
Raad: -
uiterlijk op 31 maart 2017, een verslag over een tussentijdse evaluatie dat
betrekking heeft op de behaalde resultaten en de kwalitatieve en kwantitatieve
aspecten van de uitvoering van de op grond van deze verordening gefinancierde
acties; -
uiterlijk op 30 augustus 2018, een mededeling over de voortzetting van de op
grond van deze verordening gefinancierde acties; -
uiterlijk op 31 december 2021, een verslag over de evaluatie achteraf.
5.2.
Beheers‑ en controlesysteem in
het kader van gedeeld beheer
5.2.1.
Mogelijke risico's
Sinds
2008 vermeldt de Europese Rekenkamer in zijn jaarverslag een geschat
foutenpercentage voor het beleidsgebied landbouw en natuurlijke hulpbronnen
voor elk begrotingsjaar (begrotingsjaren 2007-2010) op basis van een
onafhankelijk samengestelde aselecte steekproef van verrichtingen. Volgens de ramingen van de Rekenkamer ligt het percentage meest
waarschijnlijke fouten tussen 2 % en 5 % (begrotingsjaren 2007, 2009)
en lager dan 2 % voor begrotingsjaar 2008. Voor begrotingsjaar 2010 is een
percentage van 2,3 % bekendgemaakt. De Rekenkamer concludeert dat de
toezichts‑ en controlesystemen er voor een deel in slagen de regelmatigheid van
de betalingen te garanderen. De
steekproef die de Rekenkamer voor haar jaarlijkse audit heeft gebruikt, is ook
dit jaar weer klein (voor begrotingsjaar 2010 zijn 12 betalingen getoetst,
onder meer op het gebied van milieu, maritieme zaken en visserij, en gezondheid
en consumentenbescherming). Voor het FIOV en het EVF zijn
slechts enkele fouten gerapporteerd. Van de betalingen in de steekproef van de
Rekenkamer voor de begrotingsjaren 2006 en 2007 had geen enkele betrekking op
het FIOV. Voor
zover tendenzen in de fouten kunnen worden geconstateerd, blijken de meest
frequente fouten die in de afgelopen 3 jaar zijn vastgesteld, betrekking te
hebben op de niet‑naleving van de publiciteitsvoorschriften (41 % - maar
in alle gevallen zonder financiële gevolgen) en de financiering van niet‑subsidiabele
kostencategorieën (30 %), waaronder niet‑subsidiabele
onderaannemingskosten. Bovendien bleek bij één project de
subsidiabiliteitsperiode te zijn overschreden. De resterende fouten betreffen
andere (niet‑kwantificeerbare) nalevingsaspecten. Alle
kwantificeerbare fouten houden verband met subsidiabiliteit. I. GEDEELD BEHEER 1. Programmeringsperiode 1994-1999 (afgesloten) Het
totale foutenpercentage voor deze programmeringperiode kan worden vastgesteld
op basis van de cumulatieve correcties die tegen eind 2010 (toen alle
programma's afgesloten waren) zijn opgelegd (€99m of 3,88 % van het
toegewezen bedrag). 2. Programmeringsperiode 2000-2006 (FIOV) Aangezien
de programma's nog niet zijn afgeloten, kan het totale foutenpercentage voor
deze programmeringsperiode het best worden geraamd door de jaren in aanmerking
te nemen toen het programma op "kruissnelheid" lag, i.e. vanaf 2005. Op basis daarvan blijkt het jaarlijkse foutenpercentage voor het FIOV
(berekend als het aggregaat van de fouten die zijn geconstateerd bij
gedetailleerde tests van projecten, systeemauditwerkzaamheden en potentiële
forfaitaire correcties) steeds rond 1 % van de jaarlijks gedane betalingen
te liggen. Op
basis van het bovenstaande wordt het globale foutenpercentage voor deze
programmeringsperiode geraamd op ca. 2 %. 3. Programmeringsperiode 2007-2013 (EVF) Uitgaande
van alle reeds beschikbare auditresultaten wordt ervan uitgegaan dat het
foutenpercentage onder 2 % zal blijven. Voor 2009
bleek uit de analyse van de jaarlijkse controleverslagen, nationale verslagen
en DG‑verslagen over programma's van de categorieën 2b en 3 dat aan maximaal 1,18 %
van alle tijdens het jaar verrichte betalingen een risico verbonden was. Voor 2010
bedraagt dat percentage 1,44 %. II. DIRECT BEHEER De
foutenpercentages moeten ook vanuit een meerjarenperspectief worden onderzocht,
aangezien DG MARE in een bepaald jaar audits verricht die betrekking
hebben op tijdens meerdere jaren gedeclareerde en betaalde uitgaven. Wanneer rekening wordt gehouden met de voor de voorgaande jaren
geldende foutenpercentages die in het kader van controles achteraf van 2006, 2007,
2008 en 2009 zijn geconstateerd, bedragen de meerjarige foutenpercentages van
steekproeven van gegevensverzamelingsprogramma's en bewakings‑ en
controleprogramma's respectievelijk 1,89 % en 4,33 % (tijdens
controles achteraf geconstateerd bedrag aan niet‑subsidiabele uitgaven,
vergeleken met het bedrag aan financiële verrichtingen die daadwerkelijk
achteraf zijn gecontroleerd). Voor
het programma markten en ultraperifere gebieden zijn in 2010 of de daaraan
voorafgaande jaren geen niet‑subsidiabele uitgaven geconstateerd.
5.2.2.
Controlemiddel(en)
I. GEDEELD BEHEER De
controlemechanismen die het EFMZV‑instrument na 2013 zullen schragen, zullen
aanzienlijk verschillen van de vorige. Zo zullen de
lidstaten de volgende drie instanties moeten aanwijzen. 1. Beheersautoriteit De
taak van de beheersautoriteit komt globaliter neer op het uitoefenen van
toezicht op de programma‑uitvoering. De lidstaat moet
beslissen of bespaard kan worden door de instanties in te zetten die dit werk
momenteel voor het EVF verrichten of door deze taken toe te wijzen aan een voor
een ander fonds bevoegde beheersautoriteit. Ongeacht de aard en de reikwijdte
van de controles die de beheersautoriteit mag verrichten (elk lidstaat stelt
zijn eigen regelingen op dit gebied vast), moet de beheersautoriteit er met
name voor zorgen dat het betaalorgaan (dat eindverantwoordelijk is voor de
betaling) alle vereiste gegevens ontvangt, met name inzake de procedures en de
controles voor concrete acties die voor financiering zijn geselecteerd,
alvorens de betalingen worden geautoriseerd. 2. Betaalorgaan Het
betaalorgaan moet aan bepaalde erkenningscriteria voldoen (voor de componenten
van een doeltreffend beheers‑ en controlesysteem, zie bijlage I bij Verordening
(EG) nr. 885/2006 van de Commissie). Zo niet kan de
lidstaat de erkenning van het betaalorgaan intrekken en kan het betaalorgaan de
Commissie niet meer verzoeken het EU‑geld uit te betalen. Het betaalorgaan kan
taken delegeren, behalve wanneer het om betalingen gaat, maar blijft wel
eindverantwoordelijk voor de goede uitvoering ervan. Met
het oog op de goedkeuring van de rekeningen is het bovendien de taak van het betaalorgaan
om de gegevens over de jaarrekeningen ter beschikking te stellen, waaronder de
beheersverklaring betreffende de volledigheid, nauwkeurigheid en waarachtigheid
van de jaarrekeningen, de goede werking van de internecontrolesystemen, de
wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen en de
eerbiediging van het beginsel van goed financieel beheer. Een
ander document dat moet worden overgelegd is een samenvattend verslag van alle
beschikbare verrichte audits en controles, met een analyse van vastgestelde
tekortkomingen met een systemisch of repetitief karakter en met opgave van de
reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen. 3. Certificerende instantie De
certificerende instantie moet operationeel onafhankelijk zijn van zowel het
betaalorgaan als de autoriteit die dit orgaan erkent, en moet over de nodige
technische expertise beschikken (zij moet zich namelijk houden aan de
internationale standaarden voor accountantscontrole). Net
zoals in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) is deze
instantie verantwoordelijk voor de jaarlijkse audit van de rekeningen van alle
betaalorganen. De certificerende instantie moet een verslag van haar
bevindingen opstellen, moet (via een certificaat) een auditoordeel over de
waarachtigheid, volledigheid en nauwkeurigheid van de rekeningen van de
betaalorganen uitbrengen en een oordeel over de beheersverklaring betreffende
de elementen die in de vorige alinea worden vermeld. De
invoering van een systeem voor de jaarlijks goedkeuring van de rekeningen moet
nationale en regionale autoriteiten er extra toe stimuleren om met het oog op
de jaarlijkse mededeling van gecertificeerde rekeningen aan de Commissie tijdig
de nodige kwaliteitscontroles uit te voeren. Hierdoor
wordt het huidige financiële beheer versterkt en wordt beter gegarandeerd dat
onregelmatige uitgaven op jaarbasis en niet pas aan het eind van de
programmeringsperiode uit de rekeningen worden verwijderd. Dit
is echter alleen haalbaar wanneer de Commissie en de lidstaten erin slagen de
voornaamste hierboven beschreven risico's te beperken. II. CONTROLEMETHODEN VAN DE COMMISSIE IN HET KADER VAN GEDEELD BEHEER Uitstel en schorsing van betaling De
gedelegeerde ordonnateur kan een tussentijdse betaling maximaal negen maanden
uitstellen als een lidstaat niet aan de EU‑voorschriften voldoet. Bij ernstiger gevallen van niet‑naleving worden de betalingen aan de
lidstaten geschorst. Deze schorsing wordt pas weer ingetrokken als de lidstaat
kan aantonen de nodige corrigerende maatregelen te hebben genomen. In extreme
gevallen kan de EU‑bijdrage aan het programma worden geannuleerd. Financiële correcties Hoewel
de lidstaat in eerste instantie verantwoordelijk is voor het identificeren van
onregelmatigheden, het terugvorderen van de daarmee gemoeide bedragen en het
toepassen van financiële correcties, heeft de Commissie de bevoegdheid om
specifieke of forfaitaire correcties op te leggen. Hierbij
moet rekening worden gehouden met de aard en de ernst van de onregelmatigheid
en moeten de financiële gevolgen van de tekortkomingen worden beoordeeld. III. CONTROLEMETHODEN VAN DE COMMISSIE IN HET KADER VAN DIRECT BEHEER Wil
men ervoor zorgen dat de vigerende wetgeving wordt nageleefd en dat alleen
daadwerkelijk subsidiabele uitgaven worden voorgesteld, dan moeten alle
programma's worden gecontroleerd alvorens al dan niet te worden goedgekeurd. De
operationele diensten gaan met behulp van het financieringsbesluit van de
Commissie en het betrokken programma na of de gedeclareerde uitgaven
subsidiabel en coherent zijn. Voorafgaand
aan de autorisatie van vastleggingen of betalingen worden de verrichtingen
geverifieerd op basis van de ingediende gevens en het betalingsbewijs om zo de
subsidiabiliteit van de betalingsaanvragen te garanderen. Om
onregelmatigheden te voorkomen voert de Commissie monitoringbezoeken in de vorm
van controles ter plaatse uit om de daadwerkelijke uitvoering van de
programma's te controleren en om vóór de betaling na te gaan of de kosten
subsidiabel zijn. Het
directoraat‑generaal controleert de financiële verrichtingen vooraf en ziet er
bovendien op toe dat de documenten en procedures in verband met
overheidsopdrachten en subsidies voor 100 % vooraf worden geverifieerd. De
aanbestedings‑ en subsidiëringsprocedures worden gedecentraliseerd beheerd door
de operationele eenheden van het directoraat‑generaal die bevoegd zijn voor de
operationele verificatie. Bovendien wordt centraal een
aanvullende onafhankelijke verificatie uitgevoerd door de begrotingseenheid die
in de loop van de hele procedure controles verricht, zoals het evalueren van
(het ontwerpbestek van) aanbestedingen en van uitnodigingen tot het indienen
van voorstellen, kennisgevingen van overheidsopdrachten, evaluatie‑ en
gunningsverslagen, gunningsbesluiten en contracten/overeenkomsten. Bovendien
bestaat er een onafhankelijk adviescomité (de "Procurement Examination
Group") die alle procedures voor aanbestedingen die de gepubliceerde
drempel overschrijden, onderzoekt en de gedelegeerde ordonnateur adviseert over
de rechtmatigheid en de regelmatigheid van de procedures. IV. CONTROLEMETHODEN VAN DE COMMISSIE VOOR ALLE EFMZV‑UITGAVEN Op
alle financiële verrichtingen van het directoraat‑generaal worden vooraf
operationele en financiële verificaties toegepast. Audits van Commissie Tijdens
de uitvoeringsperiode voert de dienst van DG MARE die bevoegd is voor
audits achteraf, met behulp van uitvoerige tests systeemaudits uit om de
werking van de systemen te borgen, en verplicht deze dienst de lidstaten ertoe
tekortkomingen in het systeem en onregelmatige uitgaven te corrigeren. Met het oog op de borging maakt de Commissie gebruik van de resultaten
van haar eigen audits en van de resultaten van de nationale auditautoriteit. De
audits worden op basis van een risicoanalyse geselecteerd. V. CONTROLEKOSTEN EN KOSTENEFFICIËNTIE DG MARE
heeft contact opgenomen met de 15 lidstaten die samen 93 % van de EVF‑uitgaven
voor hun rekening nemen en heeft bij hen geactualiseerde gegevens in dit
verband opgevraagd. De lidstaten werd verzocht om voor 2010
de kosten in verband met het controleren van de uit het EVF gefinancierde
maatregelen te ramen. In de template is een illustratie opgenomen van de
reikwijdte van de controles, zoals gesuggereerd door DG BUDG. Toen
deze tekst werd opgesteld, was de analyse van de tot dan toe ontvangen
informatie nog niet afgerond en moest een aantal lidstaten nog antwoorden. Het zou dus voorbarig zijn nu al een antwoord te geven op de vraag of
de kosten die de lidstaten voor de EVF‑controles maken, in overeenstemming zijn
met de door DG REGIO gerapporteerde resultaten. "De kosten van de
controletaken (op nationaal en regionaal niveau, exclusief de kosten van de
Commissie) worden geschat op circa 2 % van de totale financiering in de
periode 2007-2013.[48]" Verwacht
wordt dat de foutenpercentages en de controlekosten in de volgende
programmeringsperiode door de bank genomen niet veel zullen verschillen van die
in het kader van het EVF. De volgende voorstellen
kunnen de controlekosten doen toenemen: - Afschaffing van de premies voor de sloop van vaartuigen en voor
tijdelijke stopzetting: Relatief eenvoudig te
beheren en te controleren; heeft de begunstigden weinig
last bezorgd. In de nieuwe programmeringsperiode bestaat geen alternatief voor
deze premies. De controlekosten en de foutenpercentages voor nieuwe maatregelen
kunnen aanvankelijk hoger liggen aangezien de lidstaten en de begunstigden tijd
nodig hebben om zich aan de nieuwe voorschriften aan te passen. De volgende voorstellen kunnen de controlekosten doen afnemen: - Forfaitaire bedragen / vereenvoudigde kosten: Geen bewijsstukken ter staving van de kosten vereist, dus: • minder
zware eisen op het gebied van controles • geen
problemen meer in verband met het aantonen van de subsidiabiliteit, met als
gevolg een lager foutenpercentage • geen
verplichting voor de begunstigden om documenten lang te bewaren, met minder
administratieve rompslomp tot gevolg. - Vereenvoudigde systemen met betrekking tot het
cofinancieringspercentage en de steunintensiteit: Deze
zullen gemakkelijker toepasbaar en verifieerbaar zijn. • één
cofinancieringspercentage van 75 % voor alle gebieden[49] ten opzichte van de huidige 3; • één
steunintensiteit van 50 % van de totale subsidiabele uitgaven[50] ten opzichte van de huidige 24. Lidstaten
die beslissen gebruik te maken van de diensten van betaalorganen die in het
kader van het GLB al erkend zijn voor het verrichten van ELGF‑ en ELFPO‑betalingen,
en van de diensten van de bestaande certificerende instanties, zullen bovendien
profiteren van de lagere administratieve kosten die gepaard gaan met een
gemeenschappelijk systeem.
5.3.
Maatregelen ter voorkoming van
fraude en onregelmatigheden in het kader van gedeeld beheer
Vermeld de bestaande
en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen De
diensten voor de structuurfondsen hebben samen met OLAF een gezamenlijke
strategie voor fraudepreventie ontwikkeld die voorziet in een reeks maatregelen
van de Commissie en de lidstaten om fraude bij structurele acties in het kader
van gedeeld beheer te voorkomen. In
de mededeling van de Commissie over een fraudebestrijdingsstrategie (COM(2011) 376
definitief van 24.6.2011) wordt de bestaande strategie als beste praktijk
aangeprezen en worden aanvullende maatregelen voorgesteld, met als
belangrijkste het voorstel van de Commissie om in verordeningen voor de periode
2014 ‑ 2020 de lidstaten te verplichten doeltreffende en aan de
vastgestelde frauderisico's evenredige fraudepreventiemaatregelen te nemen. In
artikel 86, lid 4, onder c), van het huidige voorstel van de Commissie worden de
lidstaten uitdrukkelijk verplicht een dergelijke strategie in te voeren. Dit moet het fraudebewustzijn bij alle instanties in de lidstaten die
bij het beheer en de controle van middelen betrokken zijn, vergroten en
daardoor het risico van fraude verminderen. Op grond van het betrokken voorstel
voor een verordening zouden de lidstaten ertoe worden verplicht doeltreffende
en aan de vastgestelde frauderisico's evenredige fraudepreventiemaatregelen te
nemen.
6.
GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
6.1.
Rubriek(en) van het meerjarig financieel
kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
· Bestaande begrotingsonderdelen In volgorde van de
rubrieken van het meerjarig financieel kader en de begrotingsonderdelen. In het kader van gedeeld beheer Rubriek van het meerjarige financieel kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage Nummer [Omschrijving………………………...……] || GK/ NGK ([51]) || van EVA[52]-landen || van kandidaat-lidstaten[53] || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement RUBRIEK 2 Duurzame groei – natuurlijke hulpbronnen || 11.02: Visserijmarkten 11.06: Europees Visserijfonds (EVF) 11.07 01: Instandhouding, beheer en exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen 11.08: Controle en handhaving van het gemeenschappelijk visserijbeleid || GK || NEEN || NEEN || NEEN || NEEN In het kader van direct beheer Rubriek van het meerjarig financieel kader || Begrotingsonderdeel || Soort uitgave || Bijdrage Nummer [Omschrijving……………………...……….] || GK/ NGK ([54]) || van EVA[55]-landen || van kandidaat-lidstaten[56] || van derde landen || in de zin van artikel 18, lid 1, onder a bis), van het Financieel Reglement RUBRIEK 2 Duurzame groei – natuurlijke hulpbronnen || 11.01: Administratieve uitgaven voor het beleidsterrein "Maritieme zaken en visserij" 11.02: Visserijmarkten 11.03 03: Voorbereidende werkzaamheden voor nieuwe internationale organisaties in de visserijsector en andere niet‑verplichte bijdragen aan internationale organisaties 11.04: Beheer van het gemeenschappelijk visserijbeleid 11.06 11: Europees Visserijfonds (EVF) — Operationele technische bijstand 11.07 02: Instandhouding, beheer en exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen 11.08: Controle en handhaving van het gemeenschappelijk visserijbeleid 11.09: Maritiem beleid || GK || NEEN || NEEN || NEEN || NEEN
6.2.
Geraamde gevolgen voor de uitgaven
6.2.1.
Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de
uitgaven
in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Rubriek van het meerjarig financieel kader: || Nummer 2 || Duurzame groei – natuurlijke hulpbronnen DG: MARE || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || 2021 || 2022 || 2023 of later || TOTAAL Beleidskredieten || || || || || || || || || || || Nummer begrotingsonderdeel Gedeeld beheer || Vastleggingen || (1) || 732 || 748 || 768 || 787 || 812 || 828 || 845 || || || || 5 520 Betalingen (indicatief) || (2) || 220,8 || 441,6 || 662,4 || 662,4 || 662,4 || 662,4 || 662,4 || 662,4 || 607,2 || 276 || 5 520 Nummer begrotingsonderdeel Direct beheer || Vastleggingen || (1a) || 115 || 129 || 140 || 142 || 145 || 149 || 155 || || || || 975 Betalingen (indicatief) || (2a) || 28,75 || 89,75 || 128,25 || 137,75 || 142,25 || 145,25 || 149,5 || 114,75 || 38,75 || || 975 Uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten[57] TECHNISCHE BIJSTAND || || || || || || || || || || || Nummer begrotingsonderdeel 11 01 04 01 - 11 01 04 02 – 11 01 04 03 - 11 01 04 04 - 11 01 04 05 - 11 01 04 06 – 11 01 04 07 - 11 01 04 08 - 11 06 11 || || (3) || 10 || 10 || 10 || 10 || 10 || 11 || 11 || || || || 72 TOTAAL kredieten || Vastleggingen || =1+1a +3 || 857 || 887 || 918 || 939 || 967 || 988 || 1 011 || || || || 6567 Betalingen (indicatief) || =2+2a +3 || 259,55 || 541,35 || 800,65 || 810,15 || 814,65 || 818,65 || 822,9 || 777,15 || 645,95 || 276 || 6 567 TOTAAL beleidskredieten || Vastleggingen || (4) || 847 || 877 || 908 || 929 || 957 || 977 || 1000 || || || || 6 495 Betalingen (indicatief) || (5) || 249,55 || 531,35 || 790,65 || 800,15 || 804,65 || 807,65 || 811,9 || 777,15 || 645,95 || 276 || 6 495 TOTAAL uit het budget van specifieke programma's gefinancierde administratieve kredieten || (6) || 10 || 10 || 10 || 10 || 10 || 11 || 11 || || || || 72 TOTAAL kredieten voor het EFMZV || Vastleggingen || =4+ 6 || 857 || 887 || 918 || 939 || 967 || 988 || 1011 || || || || 6 567* Betalingen (indicatief) || =5+ 6 || 259,99 || 541,35 || 800,65 || 810,15 || 814,65 || 818,65 || 822,9 || 777,15 || 645,95 || 276 || 6 567* * Naast het bedrag voor het EFMZV is een
enveloppe voorzien voor duurzamevisserijovereenkomsten en het lidmaatschap van
de EU in internationale organisaties en regionale organisaties voor
visserijbeheer, die elk hun eigen basisbesluit hebben. Voor
deze twee acties samen is een bedrag van 968 miljoen uitgetrokken dat op de
volgende manier wordt verdeeld: 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL 146 || 141 || 136 || 136 || 136 || 137 || 136 || 968 Rubriek van het meerjarig financieel kader: || 5 || "Administratieve uitgaven" in miljoen euro (tot op 3 decimalen) || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Jaar 2021 || Jaar 2022 || 2023 of later || TOTAAL DG: MARE || Personele middelen || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || || || || 80,024 Overige administratieve uitgaven || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || || || || 22,820 TOTAAL DG MARE || Kredieten || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || || || || 102,844 TOTAAL kredieten voor RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || (totaal vastleggingen = totaal betalingen) || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || || || || 102,844 in miljoen euro (tot op 3 decimalen) || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Jaar 2021 || Jaar 2022 || 2023 of later || TOTAAL TOTAAL kredieten voor RUBRIEKEN 1 t/m 5 van het meerjarig financieel kader || Vastleggingen || 871,692 || 901,692 || 932,692 || 953,692 || 981,692 || 1 002,692 || 1 025,692 || || || || 6 669,844 Betalingen || 274,242 || 556,042 || 815,342 || 824,842 || 829,342 || 833,342 || 837,592 || 777,15 || 645,95 || 276 || 6 669,844
6.2.2.
Geraamde gevolgen voor de
beleidskredieten
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig. –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals
hieronder nader wordt beschreven: Op EU‑niveau worden strategische prioriteiten
vastgesteld en in samenwerking met de lidstaten worden gemeenschappelijke outputindicatoren
vastgesteld. De met deze indicatoren verbonden
kwantificeerbare streefdoelen worden pas bekend wanneer de door de lidstaten
ingediende operationele programma's door de Commissie worden aangenomen. Bijgevolg
kunnen vóór 2013/2014 geen streefdoelen voor de output worden aangegeven. Specifieke doelstelling in het kader van gedeeld beheer vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3
decimalen) Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output[58] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING[59] • Steun voor innovatie en kennisoverdracht • Versterking van het concurrentievermogen en de rendabiliteit van de visserij, en in het bijzonder van de kleinschalige kustvisserij • Ontwikkeling van nieuwe beroepsvaardigheden • Verbetering van de organisatie van de markt voor visserijproducten • Steun voor innovatie en kennisoverdracht • Versterking van het concurrentievermogen en de rendabiliteit van aquacultuurondernemingen, en in het bijzonder van kmo's • Ontwikkeling van nieuwe beroepsvaardigheden • Verbetering van de organisatie van de markt voor aquacultuurproducten • Reductie van de impact van de visserij op het mariene milieu • Bescherming en herstel van de mariene biodiversiteit en de mariene ecosystemen in het kader van duurzame visserij • Uitbreiding van de wetenschappelijke kennisbasis en intensivering van de gegevensverzameling met het oog op een duurzaam visserijbeheer • Versterking van de naleving via controles • Versterking van ecosystemen die afhankelijk zijn van de aquacultuur en bevordering van de hulpbronefficiënte aquacultuur • Reductie van de impact van de visserij op het mariene milieu • Stimulering van de economische groei, de sociale inclusie en de werkgelegenheidscreatie in kustgemeenschappen en landinwaarts gelegen gemeenschappen die aangewezen zijn op de visserij en de aquacultuur • Diversifiëring van de visserijactiviteiten naar andere sectoren van de maritieme economie, en uitbreiding van de maritieme economie Output wordt later vastgesteld || || || || 731 || || 746 || || 766 || || 785 || || 809 || || 826 || || 843 || || 5 506 Subtotaal voor de specifieke doelstelling || || 731 || || 746 || || 766 || || 785 || || 809 || || 826 || || 843 || || 5 506 TOTALE KOSTEN || || 731 || || 746 || || 766 || || 785 || || 809 || || 826 || || 843 || || 5 506 Specifieke
doelstellingen in het kader van direct beheer Controle Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output[60] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING[61] || Versterking van de naleving via controles Steun voor gezamenlijke (i.e. multinationale) controlevaartuigen in een geografisch gebied || Aantal gezamenlijk door lidstaten gekochte vaartuigen || 6,25 (80% van de totale prijs van 7,812) || 4 || 25 || 2 || 12,5 || 4 || 25 || 2 || 12,5 || 2 || 12,5 || 2 || 12,5 || 2 || 12,5 || 18 || 112,5 Steun voor gezamenlijke (i.e. multinationale) controlevaartuigen in een geografisch gebied || Aantal gezamenlijk door lidstaten gekochte helikopters || 12,5 (80% van de totale prijs van 15,625) || || || 1 || 12,5 || || || 1 || 12,5 || 1 || 12,5 || || || || || 3 || 37,5 Steun voor gezamenlijke (i.e. multinationale) controlevaartuigen in een geografisch gebied || Aantal gezamenlijk door lidstaten gekochte vliegtuigen || 13,5 (80% van de totale prijs van 16,875) || || || || || || || || || || || 1 || 13,5 || 1 || 13,5 || 2 || 27 - Output || Aantal gezamenlijk door lidstaten uitgevoerde inspecties || n.v.t. || || || || || || || || || || || || || || || || Inspectiebezoeken met het oog op de toepassing van de GVB‑voorschriften || Aantal door Commissie-inspecteurs verrichte inspecties, audits en verificaties || 6,667 || 150 || 1 || 150 || 1 || 150 || 1 || 150 || 1 || 150 || 1 || 150 || 1 || 150 || 1 || 1050 || 7 Vergaderingen van visserijdeskundigengroepen met het oog op de toepassing van de GVB‑voorschriften || Aantal vergaderingen van visserijdeskundigengroepen || 0,017 || 30 || 0,5 || 30 || 0,5 || 30 || 0,5 || 30 || 0,5 || 30 || 0,5 || 30 || 0,5 || 30 || 0,5 || 210 || 3,5 - Output || Ontwikkeling van IT‑applicaties ter ondersteuning van inspecties en controles || n.v.t. || || 1,5 || || 1,5 || || 1,5 || || 1,5 || || 15 || || 1,5 || || 1,5 || || 10,5 Totaal voor de specifieke doelstelling || || 28 || || 28 || || 28 || || 28 || || 28 || || 29 || || 29 || || 198 Visserijmarkt vastleggingskredieten, in miljoen euro (tot op 3
decimalen) Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output[62] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING De marktdeelnemers helpen hun productie beter te plannen en af te zetten, en openbare instanties helpen hun inzicht in de marktsituatie te verbeteren en het beleid toe te passen aan de hand van doorlopend verstrekte betrouwbare en gemakkelijk toegankelijke martkinformatie[63]. - Output || Informatie voor beleidsmakers || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 35 Subtotaal voor de specifieke doelstelling || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 35 TOTALE KOSTEN || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 5 || || 35 Wetenschappelijk
advies Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || Totale OUTPUT Soort output[64] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING Het verkrijgen van wetenschappelijk en economisch onderbouwde informatie als basis voor GVB‑verordeningsvoorstellen en daaraan gerelateerde acties van de lidstaten || || || || || || || || || || || || || || || || Studies betreffende het GVB || Onderzoeks- en adviesverslagen || || * || 1,688 || * || 1,739 || * || 1,791 || * || 1,845 || * || 1,9 || * || 1,957 || * || 2,016 || * || 12,936 Steun voor WTECV‑vergaderingen door het GCO || Logistieke steun || || 27 || 1,126 || 27 || 1,159 || 27 || 1,194 || 27 || 1,23 || 27 || 1,267 || 27 || 1,305 || 27 || 1,344 || 189 || 8,625 Werking WTECV || Vergoedingen voor deskundigen || || * || 1,013 || * || 1,043 || * || 1,075 || * || 1,107 || * || 1,14 || * || 1,174 || * || 1,21 || * || 7,762 Advies inzake visbestanden en ecosystemen || Databanken en expertise || || * || 1,688 || * || 1,739 || * || 1,791 || * || 1,845 || * || 1,9 || * || 1,957 || * || 2,016 || * || 12,936 Wetenschapelijke partnerschappen || Studieprojecten || || * || 2,251 || * || 2,319 || * || 2,388 || * || 2,46 || * || 2,534 || * || 2,61 || * || 2,688 || * || 17,25 Advies over ecosystemen en economische aspecten || Adviesverslagen || || * || 1,234 || * || 5,001 || * || 4,761 || * || 6,513 || * || 6,259 || * || 5,997 || * || 6,726 || * || 36,491 Subtotaal voor de specifieke doelstelling || || 9 || || 13 || || 13 || || 15 || || 15 || || 15 || || 16 || || 96 TOTALE KOSTEN || || 9 || || 13 || || 13 || || 15 || || 15 || || 15 || || 16 || || 96 Regionale gegevensverzameling, studies en
wetenschappelijk advies Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output[65] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING[66] Gegevensverzameling - samenwerking (regionaal) || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || Databanken regionaal || 0,5 || 2 || 1 || 2 || 1 || 2 || 1 || 2 || 1 || 2 || 1 || 2 || 1 || 2 || 1 || 14 || 7 - Output || Coördinatieprojecten regionaal || 0,5 || 2 || 1 || 6 || 3 || 6 || 3 || 6 || 3 || 4 || 2 || 4 || 2 || 8 || 4 || 36 || 18 Subtotaal voor de specifieke doelstelling || 4 || 2 || 8 || 4 || 8 || 4 || 8 || 4 || 6 || 3 || 6 || 3 || 10 || 5 || 50 || 25 SPECIFIEKE DOELSTELLING Studies || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || Studies || 0,5 || 10 || 5 || 10 || 5 || 10 || 5 || 10 || 5 || 12 || 6 || 12 || 6 || 14 || 7 || 78 || 39 Subtotaal voor de specifieke doelstelling || 10 || 5 || 10 || 5 || 10 || 5 || 10 || 5 || 12 || 6 || 12 || 6 || 14 || 7 || 78 || 39 || || || || || || || || || || || || || || || || TOTALE KOSTEN || || 7 || || 9 || || 9 || || 9 || || 9 || || 9 || || 12 || || 64 Bestuur Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output[67] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING[68] Bestuur van het GVB || || || || || || || || || || || || || || || || - Output: Adviesraden || Diensten || 0,33 || 9 || 3 || 9 || 3 || 9 || 3 || 9 || 3 || 9 || 3 || 9 || 3 || 9 || 3 || 9 || 21 - Output: voorlichting, communicatie en Commissievergaderingen met deskundigen/belanghebbenden || Producten || 0,1 || 40 || 4 || 40 || 4 || 50 || 5 || 50 || 5 || 50 || 5 || 60 || 6 || 60 || 6 || 350 || 35 || || || || || || || || || || || || || || || || || || Subtotaal voor de specifieke doelstelling || 49 || 7 || 49 || 7 || 59 || 8 || 59 || 8 || 59 || 8 || 69 || 9 || 69 || 9 || 359 || 56 TOTALE KOSTEN || 49 || 7 || 49 || 7 || 59 || 8 || 59 || 8 || 59 || 8 || 69 || 9 || 69 || 9 || 359 || 56 Geïntegreerd maritiem beleid Vermeld doelstellingen en outputs || || || Jaar || Jaar || Jaar || Jaar || Jaar || Jaar || Jaar || TOTAAL || 2014 || 2015 || 2016 || 2017 || 2018 || 2019 || 2020 || OUTPUTS || Soort output [1] || Gem. kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Aantal || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale || outputs || outputs || outputs || outputs || outputs || outputs || outputs || kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 1: Bevordering geïntegreerd maritiem bestuur op lokaal, regionaal, nationaal, internationaal, EU‑ en zeegebiedsniveau || || || || || || || || || || || || || || || || Output: Acties ter ondersteuning van geïntegreerde benaderingen van maritieme zaken in de lidstaten en in de Europese zeegebieden || || 3,01 || || 3,33 || || 3,93 || || 3,93 || || 4,06 || || 4,06 || || 4,25 || || 26,57 Output: Aantal bilaterale en regionale kaders en vergaderingen met sleutelpartners, ter verbetering van de internationale samenwerking op het gebied van maritieme zaken || || 0,16 || || 0,17 || || 0,21 || || 0,21 || || 0,21 || || 0,21 || || 0,22 || || 1,39 Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1 || || 3,17 || || 3,50 || || 4,14 || || 4,14 || || 4,27 || || 4,27 || || 4,47 || || 27,96 SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 2: Ontwikkeling van sectoroverschrijdende acties die ten goede komen aan verschillende maritieme sectoren en/of sectorale beleidsgebieden || || || || || || || || || || || || || || || || Output: Acties ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van maritieme ruimtelijke ordening in de lidstaten en in de Europese zeegebieden || || 1,76 || || 2,50 || || 3,99 || || 3,99 || || 4,28 || || 4,28 || || 4,73 || || 25,53 Output: Aantal tussen de sectoren uitgewisselde gegevensreeksen over bewaking || || 11,34 || || 12,50 || || 14,81 || || 14,81 || || 15,28 || || 15,28 || || 15,98 || || 100,00 Output: Aantal downloads van gegevens die geïntegreerd zijn via het Europees marien observatie- en datanetwerk || || 23,82 || || 26,25 || || 31,11 || || 31,11 || || 32,09 || || 32,09 || || 33,54 || || 210,01 Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2 || || 36,92 || || 41,25 || || 49,91 || || 49,91 || || 51,65 || || 51,65 || || 54,25 || || 335,54 SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 3: Steun voor duurzame groei, werkgelegenheid en innovatie in de maritieme sectoren || || || || || || || || || || || || || || || || Output: Aantal geselecteerde projecten met directe innovatiesteun || || 2,27 || || 2,51 || || 2,96 || || 2,96 || || 3,05 || || 3,05 || || 3,20 || || 20,00 Output: Aantal bewustmakings‑ en disseminatieacties op nationaal, regionaal en EU‑niveau || || 1,13 || || 1,25 || || 1,48 || || 1,48 || || 1,53 || || 1,53 || || 1,60 || || 10,00 Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 3 || || 3,40 || || 3,76 || || 4,44 || || 4,44 || || 4,58 || || 4,58 || || 4,80 || || 30,00 SPECIFIEKE DOELSTELLING nr. 4: Bescherming van het mariene milieu en duurzaam gebruik van de mariene en kusthulpbronnen || || || || || || || || || || || || || Output: Acties ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn mariene strategie || || || 5,50 || || 5,50 || || 5,50 || || 5,50 || || 5,50 || || 5,50 || || 5,50 || || 38,50 TOTALE KOSTEN || || 49 || || 54 || || 64 || || 64 || || 66 || || 66 || || 69 || || 432 Regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's)
– op vrijwillige basis Vermeld doelstellingen en outputs ò || || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL OUTPUT Soort output[69] || Gem. kosten van de output || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Aantal outputs || Kosten || Totaal aantal outputs || Totale kosten SPECIFIEKE DOELSTELLING[70] || || || || || || || || || || || || || || || || - Output || Voorbereidende werkzaamheden voor nieuwe internationale organisaties in de visserijsector en andere niet‑verplichte bijdragen aan internationale organisaties || || 18 || 10 || 18 || 13 || 18 || 13 || 18 || 13 || 18 || 14 || 18 || 16 || 18 || 15 || 126 || 94 TOTALE KOSTEN || 18 || 10 || 18 || 13 || 18 || 13 || 18 || 13 || 18 || 14 || 18 || 16 || 18 || 15 || 126 || 94
6.2.3.
Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
6.2.3.1.
Samenvatting
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve
kredieten nodig –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve
kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven: in miljoen euro (tot
op 3 decimalen) || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 || TOTAAL RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || || || || || || || || Personele middelen || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 11,432 || 80,024 Overige administratieve uitgaven || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 3,260 || 22,820 Subtotaal RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 14,692 || 102,844 Buiten RUBRIEK 5[71] van het meerjarig financieel kader || || || || || || || || Personele middelen || 1,724 || 1,724 || 1,724 || 1,724 || 1,724 || 1,724 || 1,724 || 12,068 Andere administratieve uitgaven || 8,276 || 8,276 || 8,276 || 8,276 || 8,276 || 9,276 || 9,276 || 59,932 Subtotaal buiten RUBRIEK 5 van het meerjarig financieel kader || 10 || 10 || 10 || 10 || 10 || 11 || 11 || 72 TOTAAL || 24,692 || 24,692 || 24,692 || 24,692 || 24,692 || 25,692 || 25,692 || 174,844 Geraamde personeelsbehoeften –
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig
–
¨ Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig,
zoals hieronder nader wordt beschreven: Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1
decimaal) || || Jaar 2014 || Jaar 2015 || Jaar 2016 || Jaar 2017 || Jaar 2018 || Jaar 2019 || Jaar 2020 Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen) || || 11 01 01 01 (Brussel/Luxemburg en vertegenwoordigingen van de Commissie) || 82 || 82 || 82 || 82 || 82 || 82 || 82 || XX 01 01 02 (delegaties) || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || 1 || XX 01 05 01 (onderzoek door derden) || || || || || || || || 10 01 05 01 (eigen onderzoek) || || || || || || || || Extern personeel (in voltijdequivalenten: VTE)[72] || || 11 01 02 01 (AC, INT, END van de "totale financiële middelen") || 12 || 12 || 12 || 12 || 12 || 12 || 12 || XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties) || || || || || || || || 11 01 04 || - zetel[73] || 16 || 16 || 16 || 16 || 16 || 16 || 16 || - delegaties || 7 || 7 || 7 || 7 || 7 || 7 || 7 || xx 01 05 02 (AC, INT, END - indirect onderzoek) || || || || || || || || 10 01 05 02 (AC, INT, END - direct onderzoek) || || || || || || || || Andere begrotingsonderdelen (te vermelden) || || || || || || || || TOTAAL || 118 || 118 || 118 || 118 || 118 || 118 || 118 XX is het
beleidsterrein of de begrotingstitel. De benodigde personele
middelen zullen worden gefinancierd uit de middelen die reeds voor het beheer
van deze actie zijn toegewezen en/of binnen het DG zijn herverdeeld, eventueel
aangevuld met middelen die in het kader van de jaarlijkse toewijzingsprocedure
met inachtneming van de budgettaire beperkingen aan het beherende DG kunnen
worden toegewezen. Beschrijving van de
uit te voeren taken: Ambtenaren en tijdelijke functionarissen || Extern personeel ||
6.2.4.
Verenigbaarheid met het
huidige meerjarig financieel kader
–
¨ Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het volgend
meerjarig financieel kader. –
¨ Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken
rubriek van het meerjarig financieel kader Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder
vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen. –
¨ Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het
flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarig financieel kader[74]. Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de
betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.
6.2.5.
Bijdragen van derden in het
kader van gedeeld beheer
–
Het voorstel/initiatief voorziet niet in
cofinanciering door derden –
¨ Het voorstel/initiatief voorziet in cofinanciering door de lidstaten,
samen met de Europese financiering. Het exacte bedrag kan pas worden
gekwantificeerd na vaststelling van de operationele programma's: kredieten in miljoen euro (tot op 3 decimalen) || Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || … invullen: zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) || Totaal Cofinancieringsbron || || || || || || || || TOTAAL gecofinancierde kredieten || || || || || || || ||
6.3.
Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–
¨ Het voorstel heeft geen financiële gevolgen voor de
ontvangsten. –
¨ Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven
financiële gevolgen · ¨ voor de
eigen middelen · ¨ voor de diverse ontvangsten in miljoen euro (tot op 3 decimalen) Begrotingsonderdeel voor ontvangsten || Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten || Gevolgen van het voorstel/initiatief[75] Jaar N || Jaar N+1 || Jaar N+2 || Jaar N+3 || zoveel kolommen als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6) Artikel …. || || || || || || || || Voor de diverse
ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de)
betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven. Vermeld de wijze van
berekening van de gevolgen voor de ontvangsten. [1] PB
C [...] van [...], blz. [...]. [2] PB
C [...] van [...], blz. [...]. [3] PB
L 223 van 15.8.2006, blz. 1. [4] PB
L 160 van 14.6.2006, blz. 1. [5] PB
L 209 van 11.8.2005, blz. 1. [6] PB
L 176 van 6.7.2007, blz. 1. [7] COM(2010)
2020 definitief van 3.3.2010. [8] PB L 164 van 25.6.2008,
blz. 19. [9] PB
L 286 van 29.10.2008, blz. 1. [10] PB
L 343 van 22.12.2009, blz. 1. [11] COM(2011)
615 definitief. [12] COM(2002)
511 definitief. [13] PB
L [...] van [...], blz. [...]. [14] PB
L 176 van 6.7.2007, blz. 1. [15] COM(2007)
575 definitief van 10.10.2007. [16] Conclusies
van de Raad Algemene Zaken van 14 juni 2010, resolutie van het EP van 21
oktober 2010 over het geïntegreerd maritiem beleid
(GMB) - Beoordeling van de bereikte vooruitgang en nieuwe
uitdagingen; advies van het Comité van de regio's over "De ontwikkeling
van een geïntegreerd maritiem beleid en mariene kennis 2020". [17] PB
L [...] van [...], blz. [...]. [18] COM(2009)
163 definitief van 22.4.2009. [19] Arrest
van het Hof van 9.11.2010, gevoegde zaken C‑92/09 en C‑93/09, Schecke. [20] PB
L 55 van 28.2.2011, blz. 13. [21] COM(2011)
425 definitief. [22] COM(2011)
615 definitief. [23] PB
L 148 van 6.6. 2002. [24] PB
L 134 van 30.4.2004, blz. 114. [25] PB
L 5 van 9.1.2004, blz. 25. [26] PB
L [...] van [...], blz. [...]. [27] PB
L [...] van [...], blz. [...]. [28] PB
L 206 van 22.7.1992, blz. 7. [29] PB
L 20 van 26.1.2010, blz. 7. [30] PB
L 189 van 20.7.2007, blz. 1. [31] PB
L 204 van 6.8.2009, blz. 15. [32] PB
L 114 van 24.4.2001, blz. 1. [33] PB
L 154 van 21.6.2003, blz. 1. [34] PB
L 93 van 31.3.2006, blz. 12; PB L 335M van 13.12.2008, blz. 213 (MT). [35] PB
L 343 van 22.12.2009, blz. 1. [36] PB
L 292 van 15.11.1996, blz. 2. [37] PB
L 83 van 27.3.1999, blz. 1. [38] PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16. [39] PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22. [40] PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1. [41] PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40. [42] PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30. [43] PB L 5 van 9.1.2004, blz. 25. [44] ABM:
Activity-Based Management (activiteitsgestuurd beheer) – ABB: Activity-Based
Budgeting (activiteitsgestuurde begroting). [45] In
de zin van artikel 49, lid 6, onder a) of b), van het Financieel
Reglement. [46] Nadere
gegevens over de beheersvormen en verwijzingen naar het Financieel Reglement
zijn beschikbaar op BudgWeb: http://www.cc.cec/budg/man/budgmanag/budgmanag_en.html [47] In
de zin van artikel 185 van het Financieel Reglement. [48] Studie
"Regional governance in the context of globalisation: reviewing
governance mechanisms & administrative costs. Administrative
workload and costs for Member State public authorities of the implementation of
ERDF and Cohesion Fund", 2010. [49] Met
uitzondering van maatregelen op het gebied van gegevensverzameling en controle. [50] Duidelijk
omschreven en vanuit beleidsoogpunt gemotiveerde uitzonderingen (kleinschalige
visserij, collectieve acties, perifere Griekse eilanden, ultraperifere
gebieden). [51] GK
= gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten. [52] EVA:
Europese Vrijhandelsassociatie. [53] Kandidaat-lidstaten
en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke
Balkan. [54] GK
= gesplitste kredieten/NGK = niet-gesplitste kredieten. [55] EVA:
Europese Vrijhandelsassociatie. [56] Kandidaat-lidstaten
en, in voorkomend geval, potentiële kandidaat-lidstaten van de Westelijke
Balkan. [57] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [58] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [59] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [60] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [61] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [62] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [63] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [64] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [65] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [66] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [67] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [68] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [69] Outputs
zijn de te verstrekken producten en diensten (bijv. aantal gefinancierde
studentenuitwisselingen, aantal km aangelegde wegen, enz.). [70] Zoals
beschreven in punt 1.4.2. "Specifieke doelstelling(en)…". [71] Technische
en/of administratieve bijstand en uitgaven ter ondersteuning van de uitvoering
van programma's en/of acties van de EU (vroegere "BA"-onderdelen),
onderzoek door derden, eigen onderzoek. [72] AC=
Agent Contractuel (arbeidscontractant); INT= Intérimaire (uitzendkracht); JED=
Jeune Expert en Délégation (jonge deskundige in delegaties); AL= Agent Local
(plaatselijk functionaris); END= Expert National Détaché (gedetacheerd
nationaal deskundige). [73] Vooral
voor structuurfondsen, Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling
(ELFPO) en Europees Visserijfonds (EVF). [74] Zie
de punten 19 en 24 van het Interinstitutioneel Akkoord. [75] Wat
de traditionele eigen middelen betreft (douanerechten, suikerheffingen) zijn de
aangegeven bedragen nettobedragen, dat wil zeggen de brutobedragen na aftrek
van 25 % invorderingskosten.