This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52010AP0309
Guidelines for the employment policies of the Member States * European Parliament legislative resolution of 8 September 2010 on the proposal for a Council decision on guidelines for the employment policies of the Member States: Part II of the Europe 2020 Integrated Guidelines (COM(2010)0193 – C7-0111/2010 – 2010/0115(NLE))
Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten * Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 (COM(2010)0193 – C7-0111/2010 – 2010/0115(NLE))
Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten * Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 (COM(2010)0193 – C7-0111/2010 – 2010/0115(NLE))
PB C 308E van 20.10.2011, pp. 116–137
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
20.10.2011 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
CE 308/116 |
Woensdag 8 september 2010
Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
P7_TA(2010)0309
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 8 september 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten: Deel II van de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 (COM(2010)0193 – C7-0111/2010 – 2010/0115(NLE))
2011/C 308 E/28
(Raadpleging)
Het Europees Parlement,
gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2010)0193),
gelet op artikel 148, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C7-0111/2010),
gelet op artikel 55 van zijn Reglement,
gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0235/2010),
|
1. |
hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement; |
|
2. |
verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dienovereenkomstig te wijzigen; |
|
3. |
verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen; |
|
4. |
wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie; |
|
5. |
herhaalt zijn al lang bestaande verzoek aan de Commissie en de Raad om het Parlement de nodige tijd te geven (in geen geval minder dan vijf maanden) voor de uitoefening van zijn raadgevende rol, zoals omschreven in artikel 148, lid 2, van het VWEU, met betrekking tot de herziening van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten; |
|
6. |
verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie. |
|
DOOR DE COMMISSIE VOORGESTELDE TEKST |
AMENDEMENT |
||||||||||||
|
Amendement 1 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 1 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 2 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 2 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 3 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 2 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 4 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 4 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 5 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 5 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 6 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 5 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 7 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 6 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 8 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 7 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 9 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 8 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 10 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 8 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 11 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 9 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 12 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 9 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 13 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 9 ter (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 60 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 9 quater (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 14 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 10 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 15 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 11 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 16 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 11 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 61 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 11 ter (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 17 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 12 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 18 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 13 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 19 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 13 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 20 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 13 ter (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 62 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 13 quater (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 21 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 14 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 22 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 14 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 23 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 15 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 24 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 16 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 63 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 16 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 25 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 17 |
|||||||||||||
|
|
||||||||||||
|
Amendement 26 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Overweging 17 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
|
||||||||||||
|
Amendement 27 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Artikel 2 |
|||||||||||||
|
De lidstaten houden in hun werkgelegenheidsbeleid rekening met de richtsnoeren in de bijlage en leggen dit beleid vast in nationale hervormingsprogramma's. De lidstaten dienen hervormingsprogramma's op te stellen die in overeenstemming zijn met de geïntegreerde richtsnoeren van Europa 2020 . |
De lidstaten geven in hun werkgelegenheidsbeleid uitvoering aan de richtsnoeren in de bijlage en leggen dit beleid vast in nationale hervormingsprogramma's. De sociale en werkgelegenheidseffecten van de nationale hervormingsplannen, die in overeenstemming moeten zijn met de doelstellingen van die richtsnoeren , moeten nauwlettend in het oog worden gehouden . |
||||||||||||
|
Amendement 28 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Artikel 2 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
Artikel 2 bis Bij het opzetten en uitvoeren van hun nationale hervormingsprogramma's die rekening houden met de in de bijlage opgenomen richtsnoeren, zorgen de lidstaten voor een doeltreffende aanpak van het sociaal en werkgelegenheidsbeleid. Belanghebbenden, o.a. op regionaal en plaatselijk niveau en met inbegrip van degenen die betrokken zijn bij de verschillende aspecten van de Europa 2020-strategie, parlementaire organen en sociale partners worden nauw bij het opzetten, uitvoeren, controleren en evalueren van deze programma's betrokken, alsook bij het vaststellen van de streefcijfers en indicatoren. De follow-up van de in de bijlage opgenomen centrale EU-streefcijfers geschiedt via passende subdoelen en indicatoren, met inbegrip van resultaatsindicatoren alsmede nationale streefcijfers, indicatoren en scoreborden. De lidstaten houden rekening met deze streefcijfers en indicatoren alsook met de richtsnoeren en landenspecifieke aanbevelingen die de Raad tot de lidstaten richt. De lidstaten houden nauwgezet toezicht op de gevolgen voor de werkgelegenheid en de sociale consequenties van de hervormingen die in het kader van de respectieve nationale hervormingsprogramma's worden doorgevoerd. Bij de rapportage over de toepassing van de in de bijlage opgenomen richtsnoeren volgen de lidstaten de in Unieverband overeen te komen opzet en nemen zij dezelfde elementen op om duidelijkheid, transparantie en vergelijkbaarheid tussen de lidstaten te waarborgen. |
||||||||||||
|
Amendement 29 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – titel |
|||||||||||||
|
Amendement 30 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea -1 (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
De lidstaten stemmen hun nationale streefcijfers af op het opvoeren van de arbeidsparticipatie voor vrouwen en mannen tot 75 % in 2020, met als doel volledige werkgelegenheid te bereiken, met name door meer jongeren, oudere werknemers, laaggeschoolden, personen met een handicap en minderheden, met name de Roma, aan een baan te helpen en legale migranten beter te integreren. Daarnaast stemmen de lidstaten hun nationale streefcijfers zodanig af dat het percentage 15 tot 24 jarige vrouwen en mannen in het onderwijs, in opleiding of met een baan tot ten minste 90 % wordt verhoogd. De lidstaten verhogen de werkgelegenheidsgraad met 10 % tegen 2014, met de nadruk op specifieke groepen:
Het aantal langdurige werklozen moet met 10 % worden verminderd. |
||||||||||||
|
Amendement 31 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 1 |
|||||||||||||
|
De lidstaten dienen de door de Europese Raad goedgekeurde flexizekerheidsbeginselen te integreren in hun arbeidsmarktbeleid en toe te passen. Daarbij dienen zij volop gebruik te maken van ondersteuning van het Europees Sociaal Fonds om de arbeidsmarktparticipatie op te voeren, segmentering, inactiviteit en genderongelijkheid te bestrijden en structurele werkloosheid terug te dringen. Maatregelen voor meer flexibiliteit en zekerheid dienen zowel evenwichtig te zijn, als elkaar te versterken. De lidstaten dienen dan ook een combinatie van flexibele en betrouwbare arbeidsovereenkomsten, een actief arbeidsmarktbeleid, een effectief systeem voor levenslang leren, beleid ter bevordering van arbeidsmobiliteit, en adequate socialezekerheidsstelsels in te voeren, zodat werknemers probleemloos van baan kunnen veranderen en zowel de rechten van werklozen duidelijk worden vastgelegd als hun plicht om actief naar werk te zoeken. |
Om dit doel te bereiken, verplichten de lidstaten zich ertoe de groei te bevorderen en zodoende nieuwe, fatsoenlijke banen te scheppen alsook het innovatiepotentieel van de economie, met name van KMO's, te vergroten en het bedrijfsleven van administratieve en niet-tarifaire belemmeringen te verlossen. Daartoe dienen de lidstaten eveneens ondersteunende regelgeving te ontwikkelen die rekening houdt met de uiteenlopende bedrijfsomstandigheden en de rechten van de werknemers, zodat voor alle ondernemingsvormen gelijkwaardige concurrentie- en steunvoorwaarden gelden. Om de toegang van vrouwen en jongeren tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, door rekening te houden met de demografische uitdagingen, moeten de voorwaarden voor voldoende kinderopvangmogelijkheden worden gecreëerd, zodat voor elk kind in de voorschoolse leeftijd een plaats in de kinderopvang buiten het gezin beschikbaar is en elke jongere in nauwe samenwerking met de sociale partners na voltooiing van een schoolopleiding binnen vier maanden een echte baan resp. een opleidingsplaats kan worden aangeboden. Voor langdurig werklozen moeten inzetbaarheidsmaatregelen beschikbaar zijn waarvoor kwantitatieve doelen moeten worden vastgesteld om een preventief arbeidsmarktbeleid te versterken. Daarom moet ten minste 25 % van alle langdurig werklozen deelnemen aan actieve arbeidsmarktmaatregelen in de vorm van geavanceerde opleidingscursussen, onderwijs en/of omscholing. |
||||||||||||
|
Amendement 32 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 2 |
|||||||||||||
|
De lidstaten dienen de sociale dialoog te intensiveren en arbeidsmarktsegmentering te bestrijden met maatregelen om tijdelijke, onzekere en onvolledige werkgelegenheid, alsook zwart werken tegen te gaan. Arbeidsmobiliteit dient te worden beloond. De kwaliteit van de banen en de arbeidsvoorwaarden dienen te worden bevorderd door op te treden tegen lage lonen en door ook werknemers met vaste contracten en zelfstandigen passende sociale zekerheid te bieden. De diensten voor arbeidsvoorziening dienen te worden versterkt en dienen allen bij te staan (ook jongeren en mensen die werkloos dreigen te worden); degenen die het verst van de arbeidsmarkt staan dienen individueel te worden begeleid. |
De lidstaten dienen in samenwerking met de sociale partners de arbeidsparticipatie op te voeren door activerende maatregelen, met name voor jongeren, laagopgeleiden en personen die bijzondere bescherming en/of steun nodig hebben, door middel van adviesdiensten en een op de behoefte van de arbeidsmarkt afgestemde opleiding en vervolgopleiding . De lidstaten dienen gelijke behandeling en gelijke beloning voor gelijke arbeid op dezelfde arbeidsplaats zoals bepaald in de artikelen 18 en 157 van het Verdrag betreffende de Europese Unie te waarborgen en te versterken. De kwaliteit van de banen moet ook worden aangepakt door vermindering van het aantal werkende armen. Verder dienen de lidstaten de inzetbaarheid van legale migranten door middel van passende programma's te verbeteren . Daarnaast zijn voortgezette inspanningen en innovatieve programma's nodig voor de herintegratie van personen met een handicap op de arbeidsmarkt, onder meer door middel van gesubsidieerde arbeidsplaatsen . De lidstaten dienen de belemmeringen weg te nemen die de toegang van nieuwkomers tot de arbeidsmarkt bemoeilijken, het scheppen van arbeidsplaatsen te steunen, sociale innovatie te bevorderen en de kwaliteit en doeltreffendheid van de arbeidsbureaus te verbeteren, met inbegrip van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening. Arbeidsbureaus moeten voorzien in opleidings- en begeleidingsprogramma's, met name op het gebied van informatie- en communicatietechnologieën, alsook in toegang tot hogesnelheidsinternet voor werkzoekenden, met name ouderen, legale migranten, etnische minderheden en personen met een handicap, om hun zoektocht naar werk zoveel mogelijk te vergemakkelijken . Individuele en collectieve vormen van zelfstandig ondernemerschap via ondernemingen van de sociale economie moeten in dit verband worden ondersteund. Er moeten speciale maatregelen worden genomen tegen de overheersende positie van vrouwen in slecht betaalde banen en de werkgelegenheid van vrouwen in leidinggevende functies moet doeltreffender worden bevorderd om genderspecifieke segmentering van de arbeidsmarkt te voorkomen. In het bijzonder moeten de regels betreffende de arbeidstijd flexibeler worden gemaakt, zodat arbeid mogelijk is die tegemoetkomt aan de behoefte om werk en gezin te combineren en een flexibelere overgang van het beroepsleven naar het leven na de pensionering mogelijk maakt . De lidstaten moeten maatregelen nemen om de vaders meer te betrekken bij de zorg voor de kinderen en hun belastingstelsels herzien zodat deze de werkgelegenheid bevorderen . Externe en interne flexizekerheidsstrategieën voor meer flexibiliteit, om efficiënter op productiecycli te kunnen reageren, moeten beter worden toegepast door een actief arbeidsmarktbeleid en adequate socialezekerheidsstelsels die in het kader van alle arbeidsvormen voor de werknemers beschikbaar zijn, zodat het veranderen van baan niet tot onevenredige financiële lasten leidt . Er moet worden benadrukt dat flexibiliteit zonder sociale zekerheid geen duurzame manier is om de werkgelegenheid te verhogen. Dit moet worden aangevuld met een duidelijke verplichting om het zoeken naar werk actief te steunen. Nieuwe arbeidsvormen zoals atypisch tijdelijk werk, deeltijdwerk en telewerk of arbeidsmobiliteit mogen er niet toe leiden dat de individuele en collectieve arbeidsrechten en de sociale zekerheid van de betrokkenen worden aangetast . Er dient te worden vermeden dat nieuwe vormen van arbeid worden gecreëerd ten koste van normale (voltijdse, vaste) contracten. Ook zijn inspanningen nodig ter bestrijding van zwart werk door middel van effectieve maatregelen om arbeidsrechten te controleren en te implementeren. Door de IAO gepromoot fatsoenlijk werk en „goed werk” moeten als leidend beginselen gelden voor zowel werkgelegenheidsschepping als integratie op de arbeidsmarkt. Bij het verbeteren van de werking en de prestaties van de arbeidsmarkt moeten de lidstaten sociaal partnerschap bevorderen en de sociale partners actief betrekken bij de uitwerking van nationaal beleid, en hun recht om, overeenkomstig nationaal recht en gebruik, collectieve arbeidsovereenkomsten te sluiten en toe te passen onverkort waarborgen. |
||||||||||||
|
Amendement 33 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 2 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
Het is van het allergrootste belang arbeidsplaatsen van hoge kwaliteit te creëren die ook op de langere termijn nodig zijn en een hoge toegevoegde waarde hebben. Daarom is het essentieel dat het onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid veranderingen in de economische structuur ondersteunt. In de regel zullen banen die tijdens een economische crisis verloren gaan na de crisis niet meer in dezelfde aantallen in de zelfde sectoren terugkomen. Het onderwijsstelsel moet daarom flexibel reageren op de behoeften van de arbeidsmarkt, die op de nieuwe economische structuur zijn afgestemd. Het werkgelegenheidsbeleid moet ervoor zorgen dat werknemers een zo soepel mogelijke overgang kunnen maken tussen verschillende sectoren van de economie en verschillende situaties op de arbeidsmarkt. Het is daarom nog noodzakelijker dan in het verleden om als uitgangspunt doelstellingen op lange termijn te nemen en de nadruk meer te leggen op gecoördineerde maatregelen op het gebied van het ondernemings-, onderwijs- en werkgelegenheidsbeleid. |
||||||||||||
|
Amendement 34 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 3 |
|||||||||||||
|
Teneinde het concurrentievermogen op te voeren en de arbeidsparticipatie (van met name laaggeschoolden) te vergroten, dienen de lidstaten overeenkomstig het tweede richtsnoer voor het economisch beleid de belasting- en uitkeringsstelsels te herzien en te onderzoeken in hoeverre de overheidsdiensten de nodige steun kunnen bieden . De lidstaten dienen de arbeidsparticipatie op te voeren door maatregelen te treffen die actief ouder worden, gendergelijkheid en gelijke beloning bevorderen, en die jongeren, gehandicapten, legale migranten en andere kwetsbare groepen helpen integreren in de arbeidsmarkt. Het beleid voor evenwicht tussen werk en privéleven dient met betaalbare kinderopvang en innovatieve arbeidspatronen te zorgen voor een hogere arbeidsparticipatiegraad, met name onder jongeren, ouderen en vrouwen; het beleid dient er in het bijzonder op gericht te zijn dat hooggekwalificeerde vrouwen die werkzaam zijn op wetenschappelijk en technisch gebied actief blijven . De lidstaten dienen ook de belemmeringen waardoor nieuwkomers moeilijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt weg te nemen, zelfstandige activiteit en nieuwe banen te ondersteunen op gebieden als groene werkgelegenheid en de zorgsector, en sociale innovatie te bevorderen . |
In dit verband dient volop gebruik te worden gemaakt van de middelen van het Europees Sociaal Fonds om de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt en de kwaliteit van banen te verbeteren door maatregelen te nemen om persoonlijke vaardigheden te ontwikkelen en te voldoen aan kwaliteitseisen bij beroepen met goede toekomstmogelijkheden. Ter bevordering van de beroepsmobiliteit moeten de lidstaten de bereidheid tot mobiliteit binnen de Europese Unie door middel van prikkels verbeteren. Daartoe moeten de regels voor het verkrijgen van subsidie uit hoofde van het Europees Sociaal Fonds worden getoetst en zo mogelijk vereenvoudigd. De nationale begrotingen en de algemene begroting van de EU, met inbegrip van het Europees Sociaal Fonds en het Fonds voor aanpassing aan de globalisering, moeten worden gecoördineerd en moeten erop gericht worden de beroepsbevolking voor te bereiden op een duurzame economie . Daartoe dienen de lidstaten ruime bekendheid te geven aan het doel van deze fondsen en de voorwaarden om ervoor in aanmerking te kunnen komen . |
||||||||||||
|
Amendement 35 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 3 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
De lidstaten bevorderen de microfinancieringsfaciliteit van de EU als voorbeeld van de combinatie van economische en sociale maatregelen om de economische groei en de werkgelegenheid te bevorderen. De nationale en EU-microfinancieringsfaciliteiten gaan gepaard met specifieke opleidings- en begeleidingsprogramma's en sociale-uitkeringenstelsels waarmee een minimuminkomen in het eerste jaar na het opstarten van de zaak wordt gegarandeerd, om van ondernemerschap een reële optie te maken. |
||||||||||||
|
Amendement 36 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 3 ter (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
De lidstaten moeten ook sociale diensten van algemeen belang, met name diensten op het gebied van werkgelegenheid, gezondheid en huisvesting, bevorderen en hierin investeren, waarbij deze diensten voldoende gefinancierd moeten worden. |
||||||||||||
|
Amendement 37 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 7 – alinea 4 |
|||||||||||||
|
De centrale doelstelling van de EU, waarop de lidstaten hun nationale streefcijfers zullen afstemmen, houdt in dat de arbeidsparticipatie voor vrouwen en mannen in de leeftijdsgroep van 20-64 jaar tot 2020 toeneemt tot 75 %, door meer jongeren, ouderen en laagopgeleiden aan een baan te helpen en legale migranten beter te integreren. |
Schrappen |
||||||||||||
|
Amendement 38 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 8 – titel |
|||||||||||||
|
Amendement 39 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea -1 (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
De lidstaten stemmen hun nationale streefcijfers vast op een beperking van het percentage voortijdige schoolverlaters tot minder dan 10 % in 2020 en op een verhoging van het percentage 30- tot 34-jarigen met een voltooide tertiaire of gelijkwaardige opleiding tot ten minste 40 %. |
||||||||||||
|
Amendement 40 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 1 |
|||||||||||||
|
De lidstaten dienen de productiviteit en de inzetbaarheid te bevorderen door te zorgen voor voldoende kennis en vaardigheden om nu en in de toekomst aan de vraag op de arbeidsmarkt te kunnen voldoen. Naast kwaliteitsbasisonderwijs en aantrekkelijke beroepsopleidingen dient er te worden gezorgd voor prikkels om een leven lang te leren en tweedekansonderwijs te volgen, zodat elke volwassene zich verder kan bekwamen; ook is een gericht immigratie- en integratiebeleid geboden . De lidstaten dienen systemen voor de erkenning van verworven competenties te ontwikkelen , belemmeringen voor de geografische en arbeidsmobiliteit van werknemers weg te nemen en de verwerving van transversale competenties en creativiteit te bevorderen. Hierbij dienen zij met name laagopgeleiden te ondersteunen en de inzetbaarheid van oudere werknemers te vergroten, maar ook opleiding, vaardigheden en ervaring te stimuleren van hoogopgeleide werknemers, zoals onderzoekers . |
De beschikbaarstelling van hoogwaardig onderwijs op de basisschool en aantrekkelijke beroepsopleidingen die de werknemers helpen om hun vaardigheden aan de arbeidsmarkt aan te passen, zijn voor de lidstaten belangrijke prioriteiten. Deze moeten worden aangevuld met tweedekansonderwijs voor met name jongeren tussen 25 en 35 jaar, dat een verplicht aanbod voor (beroeps)onderwijs omvat, en prikkels om een leven lang te leren, waarbij de sociale partners worden verzocht de daartoe benodigde tijd beschikbaar te stellen en de beroepsopleidingen ook financieel te steunen . Met name verplichten de lidstaten zich ertoe het percentage vroegtijdige schoolverlaters tot minder dan 10 % te beperken en het migratie- en integratiebeleid met taalonderricht en maatschappijleer aan te vullen . De lidstaten dienen ook systemen voor de erkenning van verworven vaardigheden en competenties te ontwikkelen. |
||||||||||||
|
Amendement 41 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 2 |
|||||||||||||
|
In samenwerking met de sociale partners en het bedrijfsleven dienen de lidstaten te zorgen voor meer opleidingsmogelijkheden en betere school- en beroepskeuzebegeleiding, gepaard aan stelselmatige voorlichting over het arbeidsaanbod, bevordering van het ondernemerschap en betere anticipatie op de behoeften aan vaardigheden. Investeringen in personeelsontwikkeling, bijscholing en een leven lang leren dienen te worden gestimuleerd door gezamenlijke financiële bijdragen van overheden, particulieren en werkgevers. Om jongeren – en met name degenen die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen – te steunen, dienen de lidstaten in samenwerking met de sociale partners regelingen in te voeren om pas afgestudeerden te helpen bij het vinden van een eerste baan of aanvullende onderwijs- of opleidingsmogelijkheden (bv. een stage), en dienen zij snel in actie te komen wanneer jongeren werkloos worden . Er dient regelmatig te worden nagegaan of het bijscholings- en anticipatiebeleid vruchten afwerpt, om vast te stellen welke punten voor verbetering vatbaar zijn en de onderwijs- en opleidingssystemen beter te laten aansluiten bij de behoeften op de arbeidsmarkt. De lidstaten dienen de EU-middelen volledig in te zetten om deze doelstellingen te ondersteunen . |
In samenwerking met de sociale partners en de bedrijven dienen de lidstaten te zorgen voor meer opleidingsmogelijkheden , inclusief beroepsopleiding, en betere school- en beroepskeuzebegeleiding, gepaard aan stelselmatige voorlichting over en passende maatregelen ter bevordering van het arbeidsaanbod, ondernemerschap en ontwikkeling van KMO's, en de anticipatie op kwaliteitseisen te verbeteren . Personeelsontwikkeling, bijscholing en nascholing moeten worden gefinancierd door gezamenlijke financiële bijdragen van werkgevers en overheden. Iedereen moet te allen tijde toegang hebben tot onderwijs en opleiding van goede kwaliteit en vroegtijdige schoolverlaters moeten weer in het onderwijssysteem kunnen worden opgenomen . De lidstaten dienen zodanig in het onderwijs te investeren dat het doel om de vaardigheden van de beroepsbevolking te verbeteren, wordt bereikt, mede rekening houdend met informele en niet-formele leervormen. Daarbij dienen de hervormingen, vooral in verband met de inzetbaarheid, erop gericht te zijn via bij- en nascholing of kennis op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie (ict) het verwerven van kerncompetenties te waarborgen die elke werknemer nodig heeft om in een kenniseconomie succesvol te zijn . Er dienen maatregelen te worden genomen om ervoor te zorgen dat leermobiliteit van jongeren en docenten de norm wordt. De lidstaten dienen te zorgen voor grotere openheid van de onderwijs- en (beroeps)opleidingsstelsels voor alle leeftijden en betere afstemming op de arbeidsmarkt, met name door nationale kwalificatiekaders voor flexibele leertrajecten ten uitvoer te leggen, en door partnerschappen tussen de (beroeps)onderwijswereld en de arbeidsmarkt te ontwikkelen, met inbegrip van betaalde stages, ten einde het percentage mensen met een hoger onderwijs- en beroepsopleidingsdiploma aanzienlijk te verhogen . |
||||||||||||
|
Amendement 42 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 8 – alinea 2 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
Er dient regelmatig te worden nagegaan of het bijscholings- en anticipatiebeleid vruchten afwerpt, om vast te stellen welke punten voor verbetering vatbaar zijn en de onderwijs- en opleidingssystemen beter te laten aansluiten bij de behoeften op de arbeidsmarkt. De lidstaten dienen de EU-middelen volledig in te zetten om deze doelstellingen te ondersteunen. |
||||||||||||
|
Amendement 43 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 8 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
Richtsnoer 8 bis: Het beleid inzake sociale en economische cohesie versterken ter ondersteuning van de werkgelegenheid De lidstaten verbinden zich ertoe hun nationale streefcijfers intern en onder elkaar zodanig overeen te komen, aan te vullen, te coördineren en aan te passen dat onevenwichtigheden qua economische ontwikkeling tussen regio's worden verminderd. De lidstaten zijn zich ervan bewust dat het cohesiebeleid geen ondergeschikt, maar een doeltreffend en ondersteunend instrument voor de richtsnoeren is, aangezien het aandacht heeft voor specifieke regionale kenmerken, regio's steunt om hun sociaaleconomische problemen op te lossen en verschillen verkleint. De geïntegreerde aanpak, het beheer op verschillende niveaus en de associatiebeginselen moeten de kern van het beheer en de basis van de strategie vormen, aangezien met name het regionale en het locale niveau een uiterst belangrijke rol spelen als instrument om de talloze economische en sociale subjecten te bereiken die productieve werkzaamheden verrichten in de Europese Unie, met name de KMO's en vooral de ondernemingen met een sociale grondslag. Het cohesiebeleid is derhalve niet alleen een bron van stabiele financiering, maar ook een krachtig instrument voor de economische ontwikkeling, en daardoor ook een instrument ter bevordering van de werkgelegenheid in alle regio's van de Europese Unie. De lidstaten moeten meer investeren in vervoer, energie, telecommunicatie en IT-infrastructuur en ten volle gebruik maken van de Europese structuurfondsen. De deelname van mogelijke begunstigden aan door de Unie medegefinancierde programma's moet worden aangemoedigd door de uitvoeringssystemen te vereenvoudigen. Daartoe dienen de lidstaten synergieën te creëren tussen hun cohesiebeleid en andere bestaande sectorale beleidsvormen, in overeenstemming met een geïntegreerde benadering, aangezien cohesie geen kostenpost is, maar kracht geeft, een ongebruikt potentieel benut, structurele verschillen tussen landen en regio's verkleint, de groei doet toenemen en het concurrentievermogen van de regio's van de Unie in een geglobaliseerde wereld verbetert, de effecten van de wereldwijde economische crisis compenseert en sociaal kapitaal van de Unie genereert. |
||||||||||||
|
Amendement 44 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 9 – titel en alinea 1 |
|||||||||||||
|
Richtsnoer 9: De prestaties van de onderwijs- en opleidingsstelsels op alle niveaus verbeteren en deelname aan tertiair onderwijs vergroten Teneinde iedereen toegang te bieden tot onderwijs en opleiding van goede kwaliteit en de onderwijsresultaten te verbeteren, dienen de lidstaten doeltreffend te investeren in onderwijs- en opleidingsstelsels. Dit dient met name de vaardigheden van de beroepsbevolking van de EU ten goede te komen, zodat zij kan inspelen op de snel veranderende behoeften van de moderne arbeidsmarkt. De maatregelen dienen alle sectoren te bestrijken (van voorschools onderwijs en basisonderwijs tot hoger onderwijs, beroepsonderwijs en –opleiding tot en met opleidingsprogramma's voor volwassenen) en ook rekening te houden met niet-formele en informele leervormen. Er zijn hervormingen nodig om ervoor te zorgen dat iedere burger de kerncompetenties verwerft die hij nodigt heeft om succesvol te zijn in een kenniseconomie; daarbij komt het vooral aan op inzetbaarheid, bij- en nascholing en ict-vaardigheden. Er dienen maatregelen te worden getroffen om ervoor te zorgen dat leermobiliteit van jongeren en docenten de norm wordt. De lidstaten dienen te zorgen voor grotere openheid van de onderwijs- en opleidingsstelsels en voor betere afstemming op de arbeidsmarkt, met name door nationale kwalificatiekaders voor flexibele leertrajecten in te voeren en door partnerschappen tussen de onderwijswereld en de arbeidsmarkt te ontwikkelen. Het beroep van docent moet aantrekkelijker worden gemaakt. Het hoger onderwijs dient toegankelijker te worden gemaakt voor niet-traditionele leerlingen en de deelname aan tertiair of gelijkwaardig onderwijs dient toe te nemen. De lidstaten dienen alle nodige maatregelen te treffen om voortijdige schoolverlating te voorkomen, teneinde het aantal jongeren terug te dringen dat geen baan heeft en evenmin onderwijs of een opleiding volgt. |
Schrappen |
||||||||||||
|
Amendement 45 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 9 – alinea 2 |
|||||||||||||
|
De centrale doelstelling van de EU, waarop de lidstaten hun nationale streefcijfers zullen afstemmen, houdt in dat het percentage voortijdige schoolverlaters wordt teruggebracht tot 10 % en dat het percentage van de bevolking in de leeftijdsgroep van 30-34 jaar dat tertiair of gelijkwaardig onderwijs heeft voltooid, stijgt tot ten minste 40 % in 2020. |
Schrappen |
||||||||||||
|
Amendement 46 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 10 – titel |
|||||||||||||
|
Amendement 47 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 10 – alinea -1 (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
De lidstaten stellen hun nationale streefcijfers zodanig vast dat het aantal Europeanen dat onder de nationale armoedegrens leeft, met 25 % wordt verminderd, door ruim 20 miljoen mensen een uitweg uit de armoede te bieden, met name via beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid en onderwijs. |
||||||||||||
|
Amendement 48 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 10 – alinea 1 |
|||||||||||||
|
De inspanningen van de lidstaten om armoede te bestrijding dienen volwaardige deelname aan het maatschappelijk en economisch leven te bevorderen en werkgelegenheid te stimuleren. Hierbij dient volop te worden gebruikgemaakt van het Europees Sociaal Fonds. Ook dient er te worden gestreefd naar het waarborgen van gelijke kansen , onder meer door toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten en overheidsdiensten (waaronder online-diensten, conform richtsnoer 4) en tot met name gezondheidszorg te verzekeren . De lidstaten dienen doeltreffende antidiscriminatiemaatregelen te treffen . Om sociale uitsluiting te bestrijden, mensen kansen te bieden en arbeidsparticipatie te bevorderen, dienen socialezekerheidsstelsels , mogelijkheden om een leven lang te leren en actieve integratiemaatregelen te worden verbeterd, zodat mensen gedurende verschillende fasen van hun leven kansen krijgen en worden behoed voor het gevaar van sociale uitsluiting. De socialezekerheids- en pensioenstelsels dienen te worden gemoderniseerd, zodat zij passende inkomenssteun en toegang tot de gezondheidszorg – en daarmee sociale cohesie – kunnen waarborgen en tegelijkertijd financieel houdbaar blijven . De uitkeringsstelsels dienen met name te worden gebruikt om in overgangssituaties inkomenszekerheid te bieden en armoede te bestrijden, vooral met betrekking tot groepen die het kwetsbaarst zijn voor sociale uitsluiting, zoals eenoudergezinnen, minderheden, gehandicapten, kinderen en jongeren, bejaarden, legale migranten en daklozen. Ook dienen de lidstaten ten behoeve van deze groepen de sociale economie en sociale innovatie actief te bevorderen. |
Bestrijding van armoede en uitsluiting blijft een essentiële taak. Bij het nastreven van dit doel is het noodzakelijk om voor alle sociale groepen gelegenheden te scheppen om op de arbeidsmarkt te kunnen participeren of daarnaar terug te keren, ongeacht hun woonplaats of onderwijspeil. Het is noodzakelijk een juist evenwicht te vinden tussen het verschaffen van voldoende zekerheid aan de mensen en het in stand houden van hun motivatie om te gaan werken en een inkomen te verdienen. Om dit doel te bereiken, moeten de lidstaten zich beijveren om armoede , met inbegrip van armoede onder mensen met werk, te bestrijden, volwaardige deelname , naar eigen keuze van de mensen, aan het politieke, maatschappelijke, culturele en economische leven te bevorderen en werkgelegenheid te stimuleren, waarbij gebruik moet worden gemaakt van het Europees Sociaal Fonds. Bijzondere aandacht wordt hier van de lidstaten gevraagd voor de steeds groter wordende groep van de „working poor”. Om concrete doelstellingen omtrent armoedebestrijding te formuleren, zal duidelijk moeten worden vastgesteld hoe armoede te „meten”. De norm dat 60 % van het mediane inkomen verdienen wordt gekenmerkt als „arm” moet genuanceerd worden. Armoede kan niet via een dergelijke eenzijdige indicator worden vastgesteld. Er moet worden gezorgd voor het waarborgen van gelijke kansen en van toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten en overheidsdiensten (waaronder online-diensten, conform richtsnoer 4) met name op sociaal vlak en op het gebied van werkgelegenheid, gezondheidszorg en huisvesting, zodanig dat deze ook beschikbaar zijn voor de kwetsbare en zwakkere bevolkingsgroepen . De lidstaten dienen er voorts op toe te zien dat de mondelinge en schriftelijke informatie die de overheid geeft duidelijk en volledig is, en dat bij afwijzing van een aanvraag een motivering wordt verstrekt en wordt meegedeeld welke beroepsmogelijkheden er voor de betrokkene openstaan. Het beginsel dat geen sprake mag zijn van discriminatie tussen mannen en vrouwen met dezelfde opleiding en hetzelfde soort werk dient in de lidstaten voor alle soorten arbeidsverhoudingen juridisch bindend te zijn. Om sociale uitsluiting te bestrijden, mensen kansen te bieden om een actieve rol in de maatschappij te spelen en arbeidsparticipatie te bevorderen, dienen socialezekerheidsstelsels en actieve integratiemaatregelen verder te worden verbeterd, zodat mensen kansen en vooruitzichten op een baan krijgen waarbij rekening wordt gehouden met de uiteenlopende behoeften en verantwoordelijkheden gedurende verschillende fasen van hun leven , worden behoed voor het gevaar van sociale uitsluiting en dat met name degenen die het verst van de arbeidsmarkt afstaan, steun krijgen voor kwalitatief goede arbeid. Daarom moeten in het kader van een actief arbeidsmarktbeleid efficiënte strategieën voor opleiding en banenschepping worden ontworpen voor wie door een gebrek aan opleiding van de arbeidsmarkt is uitgesloten. Tegelijkertijd dienen de socialezekerheids- en pensioenstelsels zodanig te worden gemoderniseerd dat zij een inkomen boven de armoededrempel kunnen waarborgen en deelname aan het sociale leven en toegang tot de gezondheidszorg mogelijk kunnen maken, terwijl de financiële houdbaarheid van deze systemen moet worden gehandhaafd . De uitkeringsstelsels dienen in overgangssituaties inkomenszekerheid te bieden en armoede te bestrijden, vooral met betrekking tot groepen die het kwetsbaarst zijn voor sociale uitsluiting, zoals eenoudergezinnen, minderheden, gehandicapten, kinderen en jongeren, bejaarden, legale migranten en daklozen. De lidstaten zijn in het bijzonder gehouden kinderarmoede te bestrijden via passende maatregelen, zodat kinderen niet in hun persoonlijke ontwikkeling worden beperkt en niet worden achtergesteld bij hun intrede in het beroepsleven als gevolg van armoedegerelateerde belemmeringen van hun ontwikkeling. Van buitengewoon belang is het verzekeren van gelijke toegang tot onderwijs voor kinderen uit arme gezinnen en het bieden van gelijke kansen aan hen, opdat zij aan de sociale uitsluiting kunnen ontsnappen wanneer zij volwassen zijn. Ter versteviging van de inkomenszekerheid in alle levensfasen moeten de lidstaten zorg dragen voor een passend minimuminkomen, dat in elk geval boven de armoedegrens moet liggen, met inachtneming van de verschillende culturen, collectieve arbeidsovereenkomsten en wettelijke regelingen in de lidstaten . Ook dienen de lidstaten de sociale economie en sociale innovaties actief te bevorderen, met het oog op de verschillende sociale risico's die zich in het leven kunnen voordoen , met name waar het de meest kwetsbare groepen betreft, en de daadwerkelijke uitvoering van de goedgekeurde maatregelen ter bestrijding van discriminatie. Bij het duurzamer maken van de overheidsfinanciën moeten de lidstaten in het bijzonder aandacht besteden aan de positieve effecten van een verbeterde sociale cohesie op de nationale begroting. Minder armoede en meer participatie leiden tot een daling van de sociale uitgaven en meer belastinginkomsten. De lidstaten moeten hoge minimumnormen voor arbeidskwaliteit garanderen, om armoede onder werkenden uit te roeien. |
||||||||||||
|
Amendement 49 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 10 – alinea 1 bis (nieuw) |
|||||||||||||
|
|
De sociale-beschermingsstelsels, inclusief pensioenen en gezondheidszorg, moeten worden versterkt en gemoderniseerd, om ervoor te zorgen dat ze sociaal adequaat en financieel duurzaam zijn en dat ze aangepast zijn aan de veranderende behoeften, waarbij zij tegelijkertijd iedereen in de Europese Unie adequate bescherming moeten bieden tegen sociale onzekerheden, bijvoorbeeld gezondheidsproblemen, werkloosheid en armoede. De sociale bescherming bij kortetermijncontracten, die vooral een zaak zijn van vrouwen, in het bijzonder zwangere vrouwen, moet door de lidstaten worden verbeterd. |
||||||||||||
|
Amendement 50 |
|||||||||||||
|
Voorstel voor een besluit Bijlage – Richtsnoer 10 – alinea 2 |
|||||||||||||
|
De centrale doelstelling van de EU, waarop de lidstaten hun nationale streefcijfers zullen afstemmen, houdt in dat het aantal Europeanen dat onder de nationale armoedegrens leeft, met 25 % wordt verminderd, door ruim 20 miljoen mensen een uitweg uit de armoede te bieden. |
Schrappen |
||||||||||||