Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R0214

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 214/2013 van de Raad van 11 maart 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China

PB L 73 van 15.3.2013, pp. 1–15 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 03/05/2019

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2013/214/oj

15.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 73/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 214/2013 VAN DE RAAD

van 11 maart 2013

tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde organisch beklede staalproducten van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) ("de basisverordening"), en met name artikel 9 en artikel 14, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie ("de Commissie"), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   VOORLOPIGE MAATREGELEN

(1)

De Europese Commissie ("de Commissie") heeft bij Verordening (EU) nr. 845/2012 (2) ("de voorlopige verordening") een voorlopig antidumpingrecht ("de voorlopige maatregelen") ingesteld op bepaalde organisch beklede staalproducten ("OBS") van oorsprong uit de Volksrepubliek China ("VRC").

(2)

De procedure werd ingeleid na een klacht die op 7 november 2011 door Eurofer ("de klager") was ingediend namens producenten die goed zijn voor een groot gedeelte, in dit geval meer dan 70 %, van de totale productie van OBS in de Unie. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal betreffende de dumping van OBS en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een procedure in te leiden.

2.   VERVOLG VAN DE PROCEDURE

(3)

Na de mededeling van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan was besloten voorlopige antidumpingmaatregelen in te stellen ("mededeling van de voorlopige bevindingen") hebben verscheidene belanghebbenden schriftelijk opmerkingen over de voorlopige bevindingen gemaakt. De partijen die verzochten te worden gehoord, zagen hun verzoek ingewilligd.

(4)

De Commissie is voortgegaan met het verzamelen en controleren van alle informatie die zij voor haar definitieve bevindingen noodzakelijk achtte. Bij de volgende onderneming werden aanvullende controlebezoeken gebracht:

Macrometal, Hamburg.

(5)

Vervolgens heeft de Commissie alle belanghebbenden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de aanbeveling te doen een definitief antidumpingrecht op OBS van oorsprong uit de VRC in te stellen en de bedragen die uit hoofde van het voorlopige recht als zekerheid waren gesteld, definitief te innen ("mededeling van de definitieve bevindingen"). De partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(6)

De opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht en waar nodig werden ze in aanmerking genomen.

2.1.   Onderzoektijdvak

(7)

Zoals in overweging 12 van de voorlopige verordening is vermeld, had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 (het "onderzoektijdvak" of "OT"). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van het optreden van schade had betrekking op de periode van januari 2008 tot het einde van het OT ("de beoordelingsperiode").

3.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

3.1.   Verzoeken om het uitsluiten van producten

(8)

In overwegingen 19 en 20 van de voorlopige verordening werd gesteld dat de Commissie verschillende verzoeken om het uitsluiten van producten had ontvangen en dat er nog geen conclusies waren getrokken op het tijdstip van de bekendmaking van de voorlopige verordening.

(9)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werden nog meer verzoeken ontvangen, die zijn geanalyseerd zoals hieronder wordt uiteengezet.

3.1.1.   OBS met chroom of tin bekleed

(10)

Een gebruiker van OBS heeft een verzoek ingediend om OBS met een met chroom of tin bekleed substraat van de productomschrijving uit te sluiten. Uit analyse is gebleken dat er door de bekleding met chroom of tin fysische en chemische verschillen ontstaan tussen deze productsoort en de OBS waarop dit onderzoek betrekking heeft. OBS met een met chroom of tin bekleed substraat worden bijna uitsluitend in de sector verpakking van voedingsmiddelen en in de kabelsector gebruikt. De bedrijfstak van de Unie verklaarde ook dat het niet zijn bedoeling was om dit product deel te laten uitmaken van de productomschrijving. Daarom zijn OBS met een met chroom of tin bekleed substraat van de productomschrijving van het onderzoek uitgesloten.

(11)

De China Iron and Steel Association ("CISA"), twee importeurs en een gebruiker hebben de uitsluiting van vier andere productsoorten voorgesteld. Deze verzoeken werden geanalyseerd en verworpen, zoals hieronder aangegeven.

3.1.2.   Warm gewalste platen met beschermende, organische dan wel anorganische grondverf

(12)

Dit verzoek werd verworpen, omdat deze producten niet vallen onder de GN-codes waarop dit onderzoek betrekking heeft. De verf of deklaag fungeert uitsluitend als roestwering en deze producten vallen derhalve onder GN-code 7208 en niet onder GN-code 7210 . Warm gewalste platen met een beschermende, organische dan wel anorganische grondverf zijn niet in de productomschrijving opgenomen en kunnen bijgevolg niet worden uitgesloten.

3.1.3.   OBS met een substraatdikte tussen 0,6 en 2,0 mm

(13)

De CISA en twee importeurs hebben verzocht om het uitsluiten van OBS met een substraatdikte tussen 0,6 en 2,0 mm, die goed zijn voor 5 - 10 % van de invoer uit de VRC; zij voerden aan dat de uitvoer uit de VRC en de productie van de bedrijfstak van de Unie enkel voor OBS met een substraatdikte tussen 0,25 en 0,6 mm rechtstreeks concurreren.

(14)

Dit verzoek werd verworpen omdat niet alleen de Chinese exporteurs, maar ook de bedrijfstak van de Unie OBS met een substraatdikte tussen 0,6 en 2,0 mm vervaardigen en verkopen en omdat deze producten dus duidelijk wel met elkaar concurreren. Er werd geen bewijs geleverd om aan te tonen dat OBS met een substraatdikte van meer dan 0,6 mm niet concurreren met OBS met een substraatdikte van minder dan 0,6 mm en dat het hier dus gaat om verschillende productsoorten. OBS met een substraatdikte van minder en van meer dan 0,6 mm hebben dezelfde fysische en technische basiskenmerken en worden voor dezelfde doeleinden gebruikt en zijn derhalve hetzelfde product.

3.1.4.   OBS met een substraat dat is bekleed met een aluminium-zinklegering

(15)

De twee importeurs voerden aan dat slechts vier producenten in de Unie een vergunning hebben om deze productsoort te produceren en dat slechts een onderneming deze daadwerkelijk produceert. Zij voerden ook aan dat dit product door zijn kenmerken verschilt van met zink beklede OBS.

(16)

Dit verzoek werd verworpen, omdat de twee productsoorten onderling verwisselbaar zijn en voor deels dezelfde doeleinden worden gebruikt en omdat ten minste twee medewerkende producenten in de Unie deze productsoort gedurende het onderzoektijdvak hebben vervaardigd. Opgemerkt moet worden dat slechts een medewerkende Chinese producent-exporteur deze productsoort gedurende het onderzoektijdvak naar de Unie heeft geëxporteerd.

3.1.5.   OBS met een substraat dat is bekleed met een zinklegering

(17)

Dit verzoek werd verworpen, omdat deze productsoort, in tegenstelling tot wat een gebruiker heeft verklaard, in aanzienlijke hoeveelheden door verscheidene producenten in de Unie wordt geproduceerd en verkocht en dezelfde fysische en technische basiskenmerken heeft en voor dezelfde doeleinden wordt gebruikt als andere soorten OBS.

3.2.   Verzoek om het opnemen van producten

(18)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen heeft een vereniging verzocht met chroom of tin beklede OBS, ingedeeld onder Taric-codes 7210 12 20 10 en 7210 50 00 10, in de productomschrijving op te nemen. Dit verzoek werd verworpen, omdat deze codes niet in de oorspronkelijke klacht waren opgenomen en omdat de producten die onder deze codes zijn ingedeeld, andere fysische en technische kenmerken hebben dan de producten waarop de klacht betrekking had.

3.3.   Betrokken product

(19)

Omdat de uitsluiting van met chroom of tin beklede OBS is aanvaard, worden de voorlopige bevindingen over het betrokken product in de overwegingen 13 en 14 van de voorlopige verordening door deze uitsluiting gewijzigd.

(20)

Bij het betrokken product gaat het dus om bepaalde organisch beklede staalproducten ("OBS"), d.w.z. gewalste platte producten van niet-gelegeerd of gelegeerd staal (uitgezonderd roestvrij staal), aan ten minste één zijde geverfd, gevernist of bekleed met kunststof, met uitzondering van zogenaamde "sandwichpanelen" van de soort gebruikt in de bouw, bestaande uit twee metalen buitenplaten met een stabiliserende kern van isolatiemateriaal, met uitzondering van producten met een laatste bekleding van zinkstof (een zinkrijke verf die 70 of meer gewichtspercenten zink bevat) en met uitzondering van producten met een met chroom of tin bekleed substraat, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7210 70 80 , ex 7212 40 80 , ex 7225 99 00 en ex 7226 99 70 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China ("het betrokken product").

3.4.   Soortgelijk product

(21)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen over de conclusies in de overwegingen 15 tot en met 18 van de voorlopige verordening, worden de voorlopige bevindingen met betrekking tot het soortgelijk product bevestigd.

4.   DUMPING

(22)

Verscheidene Chinese producenten-exporteurs hebben opmerkingen over dumping ingediend na de instelling van voorlopige maatregelen en de mededeling van de voorlopige bevindingen van de Commissie aan de Chinese producenten-exporteurs.

4.1.   Behandeling als marktgerichte onderneming ("BMO")

(23)

Aangezien geen opmerkingen over de BMO werden ontvangen, worden de overwegingen 21 tot en met 38 van de voorlopige verordening bevestigd. Geen van de twee groepen van medewerkende exporteurs in de VRC die om een BMO hadden verzocht, kon aantonen dat zij voldeed aan de criteria om een BMO te krijgen.

4.2.   Individuele behandeling ("IB")

(24)

Twee producenten-exporteurs in de VRC voldeden aan de criteria voor een IB (overweging 40 van de voorlopige verordening). Een andere partij herhaalde haar verzoek om een IB en een individueel onderzoek. Deze partij trok haar aanvraag voor een BMO in, maar handhaafde haar verzoek om een IB en een individueel onderzoek. Dit verzoek werd beschouwd als een verzoek om een individueel onderzoek en was derhalve een van de in overweging 41 van de voorlopige verordening vermelde verzoeken. Op grond van artikel 9, leden 5 en 6, van de basisverordening, worden individuele rechten ingesteld voor de invoer van elke exporteur of producent aan wie de in artikel 17, lid 3, van de basisverordening bedoelde individuele behandeling zal worden toegekend. Zoals in meer detail uitgelegd in de overwegingen 26 tot en met 31, werd het verzoek om een individueel recht voor deze partij verworpen.

(25)

Aangezien geen andere opmerkingen over een IB werden ontvangen, worden de overwegingen 39 tot en met 40 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.3.   Individueel onderzoek ("IO")

(26)

Acht producenten-exporteurs hebben op grond van artikel 17, lid 3, van de basisverordening een aanvraag voor een individueel onderzoek ingediend. Zoals uiteengezet in de overwegingen 41 en 42 van de voorlopige verordening, die hierbij worden bevestigd, werd een producent-exporteur, Union Steel China, die om een BMO had verzocht, geïnspecteerd in het kader van het onderzoek van zijn BMO-aanvraag.

(27)

Met betrekking tot alle andere aanvragen voor een individueel onderzoek werd geconcludeerd dat individuele onderzoeken te belastend zouden zijn en een tijdige afsluiting van het onderzoek in de weg zouden staan. Bijgevolg werden deze aanvragen niet aanvaard.

(28)

Een van de partijen voerde aan dat haar aanvraag niet kan worden beschouwd als administratief belastend, aangezien de diensten van de Commissie na de voorlopige fase nog zes maanden hebben voor de definitieve vaststelling. Verder hebben de diensten van de Commissie bij recente procedures een individueel onderzoek toegekend na de voorlopige fase.

(29)

Een andere partij, reeds genoemd in overweging 24, voerde aan dat zij een individueel onderzoek zou moeten krijgen, aangezien zij binnen de vastgestelde termijnen de nodige inlichtingen heeft verstrekt en aangezien een individueel onderzoek al was toegekend aan een andere producent-exporteur, Union Steel China.

(30)

Beslissingen over het al dan niet toekennen van een individueel onderzoek worden geval per geval genomen, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal ingediende aanvragen en de voor de beoordeling van die aanvragen beschikbare tijd. Wegens het aantal ingediende aanvragen, wegens de beperkte tijd die beschikbaar was na het onderzoek van de in de steekproef opgenomen producenten-exporteurs en van de aanvraag voor een BMO door de producent-exporteur die niet in de steekproef was opgenomen en wegens de uiterste termijnen in de procedure, die moeten worden gerespecteerd, werd in dit geval besloten dat deze aanvragen niet kunnen worden ingewilligd, zoals reeds vermeld in overweging 27.

(31)

Zoals uiteengezet in overweging 41 van de voorlopige verordening waren de omstandigheden in het geval van Union Steel China anders, aangezien deze onderneming al was geïnspecteerd in het kader van het onderzoek van haar BMO-aanvraag.

4.4.   Normale waarde

4.4.1.   Referentieland

(32)

Er werden geen verdere opmerkingen ontvangen over de keuze van Canada als referentieland. Daarom worden de overwegingen 43 tot en met 49 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.4.2.   Vaststelling van de normale waarde

(33)

De normale waarde werd berekend op basis van de gegevens die waren verstrekt door de enige medewerkende producent in het referentieland (Canada). De normale waarde werd dus vastgesteld op basis van de prijzen van de binnenlandse verkoop en de berekende normale waarde van een Canadese producent van het soortgelijke product, zoals uiteengezet in de overwegingen 50 tot en met 55 van de voorlopige verordening.

(34)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen, voerden twee Chinese producenten-exporteurs aan dat de Commissie had verzuimd noodzakelijke gegevens betreffende de normale waarde in het referentieland te verstrekken, in het bijzonder met betrekking tot de verschillende productsoorten, de vergelijkbaarheid van de producten, de representativiteit en correcties.

(35)

Deze argumenten werden gedeeltelijk aanvaard. De Commissie heeft de Chinese producenten-exporteurs alle relevante informatie betreffende de voor de berekening van de normale waarde gebruikte gegevens verstrekt die zij kon vrijgeven zonder de bepalingen van artikel 19 van de basisverordening te overtreden, d.w.z. dat zij heeft gewaarborgd dat de door de enige producent in Canada verstrekte vertrouwelijke gegevens ook als zodanig werden behandeld en niet werden doorgegeven aan andere partijen. De aan de producenten-exporteurs verstrekte informatie stelde hen in staat de in overeenstemming met de bepalingen van artikel 2 van de basisverordening gebruikte methode te begrijpen. Er werd echter vastgesteld dat meer gedetailleerde gegevens per productsoort konden worden verstrekt door marges te gebruiken om de vertrouwelijkheid van de gegevens te respecteren. Dergelijke gegevens werden bij de mededeling van de definitieve bevindingen verstrekt. Bovendien werd meer gedetailleerde informatie verstrekt over de vraag waarom sommige productsoorten niet-representatief bleken en over het niveau van de correcties van de normale waarde.

(36)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen erkende één partij dat inderdaad meer gedetailleerde gegevens waren verstrekt, maar voerde zij aan dat sommige gegevens nog ontbraken, in het bijzonder betreffende het niveau van de voor de berekening van de normale waarde gebruikte productiekosten voor productsoorten die niet op de binnenlandse markt werden verkocht.

(37)

Voor deze productsoorten die niet op de binnenlandse markt werden verkocht, werd de berekening gebaseerd op de waar nodig gecorrigeerde productiekosten van de productsoorten die het meest met het betrokken product overeenkwamen. Hoewel deze niet identiek waren aan de soorten die door de Chinese producenten-exporteurs werden uitgevoerd, vertoonden zij toch een heel sterke gelijkenis daarmee, aangezien in het algemeen enkel de dikte van de organische bekleding verschillend was. Bijgevolg werden slechts kleine verschillen in de productiekosten vastgesteld.

(38)

Zoals deze partij in haar opmerking erkende, heeft de Commissie bij de mededeling van de definitieve bevindingen meer gedetailleerde gegevens verstrekt, waarbij zij voor de presentatie van die gegevens heeft gebruikgemaakt van marges; deze gegevens hadden onder meer betrekking op de voor de berekening van de normale waarde gebruikte productiekosten, VAA-kosten en winst in het referentieland, op de totale omvang van de correcties van de normale waarde, op de definitieve normale waarde per groep productsoorten en op de representativiteit, aard en gevolgen van de correcties van de normale waarde.

(39)

Zoals uit het bovenstaande blijkt, stelde de mededeling van de definitieve bevindingen, in overeenstemming met de vereisten van artikel 20 van de basisverordening, de belanghebbenden in staat de in overeenstemming met artikel 2 van de basisverordening gebruikte methode volledig te begrijpen en werden alle partijen in de gelegenheid gesteld om opmerkingen over de mededeling van de definitieve bevindingen te maken. Daarom werd geconcludeerd dat volledig mededeling werd gedaan van de feiten en overwegingen en dat het recht van verweer van de belanghebbenden volledig werd gerespecteerd.

(40)

Een van de partijen voerde aan dat de bron van de voor de berekening van de normale waarde gebruikte verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst niet voldoende duidelijk was. In overweging 55 van de voorlopige verordening wordt echter uitgelegd dat de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten van de Canadese producent en de winstmarge van de Canadese producent voor de winstgevende productsoorten werden gebruikt wanneer de normale waarde moest worden berekend. In overeenstemming met artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening, worden de verkoopkosten, algemene kosten, administratiekosten en winst gebaseerd op de gecontroleerde kosten en gecontroleerde binnenlandse verkoop in het kader van normale handelstransacties door de producent van het referentieland.

(41)

Gezien het bovenstaande worden de overwegingen 50 tot en met 55 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.5.   Uitvoerprijs

(42)

Aangezien hierover geen opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 56 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.6.   Vergelijking

(43)

Twee partijen voerden aan dat de Commissie niet voldoende informatie had verstrekt over de vergelijkbaarheid van de productsoorten en hun representativiteit op productsoortniveau.

(44)

Zoals uiteengezet in overweging 35 heeft de Commissie de Chinese producenten-exporteurs alle relevante gegevens verstrekt die zij kon verstrekken, gelet op de bepalingen van de basisverordening inzake vertrouwelijkheid. Op grond van dit argument werd na de mededeling van de voorlopige bevindingen inderdaad meer gedetailleerde informatie per productsoort verstrekt, inclusief de redenen waarom sommige productsoorten niet-representatief bleken en de normale waarde bijgevolg moest worden berekend.

(45)

Na het controlebezoek aan de Canadese producent in het referentieland werd de normale waarde voor sommige productsoorten naar beneden gecorrigeerd voor verschillen in fysieke kenmerken, in overeenstemming met artikel 2, lid 10, onder a), van de basisverordening, hoofdzakelijk omdat werd vastgesteld dat de door de Canadese producent gebruikte organische bekleding en de door de Chinese producenten-exporteurs gebruikte organische bekleding voor sommige productsoorten van verschillende kwaliteit waren. Deze correcties hebben voor de betrokken productsoorten tot een lagere normale waarde geleid.

(46)

Een van de partijen verzocht om informatie over het bedrag van elke afzonderlijke correctie van de normale waarde. Om de vertrouwelijkheid van de door de Canadese producent verstrekte gegevens te respecteren, konden deze gegevens niet worden verstrekt. Toch werd het totale percentage van de correcties bij de mededeling van de definitieve bevindingen vermeld, waaruit bleek dat het effect van de correcties klein was.

(47)

Zoals uiteengezet in overweging 37 vertoonden de productsoorten die op de binnenlandse markt werden verkocht, indien zij niet identiek waren, toch een heel sterke gelijkenis met de door de Chinese producenten-exporteurs verkochte soorten. Deze productsoorten bleken vergelijkbaar te zijn wat betreft staalkwaliteit, substraatbreedte en -dikte en aard en gewicht van de metalen bekleding.

(48)

Waar nodig werd de correctie voor verschillen in fysieke kenmerken toegepast, zoals uiteengezet in overweging 45, wegens een kwaliteitsverschil van de gebruikte organische bekleding voor sommige productsoorten. Om de marktwaarde van het verschil te beoordelen werd rekening gehouden met het gemiddelde kostenverschil ten opzichte van de productsoort die het meest met het betrokken product overeenkomt, alsmede van de prijzen op de internationale markt.

(49)

Dezelfde partij vroeg of de vervoers- en verzekeringskosten in de VAA-kosten waren inbegrepen. Opgemerkt wordt dat deze kosten niet waren inbegrepen, aangezien de prijzen af fabriek werden vergeleken.

(50)

Een van de partijen stelde dat rekening had moeten worden gehouden met haar verzoek om een correctie met betrekking tot de waarde van drie facturen evenals met een specifieke verkooptransactie die buiten beschouwing was gebleven. Dit verzoek had betrekking op een aan een afnemer betaalde vergoeding in verband met een verkooptransactie voor het onderzoektijdvak, die was behandeld als korting op de waarde van deze drie facturen die tijdens het onderzoektijdvak waren verstuurd, waardoor de waarde van deze facturen kunstmatig werd verlaagd. Het verzoek van de onderneming werd aanvaard. De gevraagde correctie werd uitgevoerd en de verkoopstransactie, die ten onrechte buiten beschouwing was gelaten, werd bij de berekening van de uitvoerprijs meegerekend.

(51)

Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, wordt overweging 57 van de voorlopige verordening bevestigd.

4.7.   Dumpingmarge

(52)

Aangezien hierover geen opmerkingen werden ontvangen, wordt de in de overwegingen 58 tot en met 59 van de voorlopige verordening vastgestelde methode bevestigd.

(53)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werd de Commissie ervan in kennis gesteld dat enkele handelsondernemingen die het betrokken product niet produceerden, met naam werden genoemd in het dispositief van de verordening. Deze handelsondernemingen zijn uit het dispositief verwijderd, zodat nu uitsluitend producenten-exporteurs met naam worden genoemd.

(54)

Rekening houdend met de correctie van de normale waarde en de heel kleine correctie van de uitvoerprijs, zoals uiteengezet in overwegingen 45 en 50, en omdat er geen verdere opmerkingen werden ontvangen, zijn de definitieve dumpingmarges, uitgedrukt als een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, als volgt:

Naam van de onderneming

Dumpingmarge (%)

Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd, Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd, en Zhangjiagang Free Trade Zone Jiaxinda International Trade Co., Ltd

60,9

Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co. Ltd en Hangzhou P.R.P.T. Metal Material Company Ltd

48,9

Union Steel China

50,9

Andere medewerkende ondernemingen

55,0

Niet-medewerkende ondernemingen

68,1

(55)

Op basis van de in overweging 60 van de voorlopige verordening vermelde feiten werd de definitieve dumpingmarge voor de gehele VRC vastgesteld aan de hand van de hoogste dumpingmarge voor representatieve productsoorten van de producenten-exporteurs. Rekening houdend met de correctie van de normale waarde, zoals uiteengezet in overweging 45, en met de uit de uitvoersubsidies voortvloeiende compenserende rechten, die in de parallel lopende antisubsidieprocedure voor hetzelfde product werden ingesteld, en omdat er geen andere opmerkingen werden ontvangen, wordt de dumpingmarge voor het gehele land vastgesteld op 68,1 % van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring.

5.   SCHADE

5.1.   Productie in de Unie en bedrijfstak van de Unie

(56)

Aangezien geen verdere opmerkingen over de productie in de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 63 tot en met 64 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.2.   Markt van de Unie

(57)

Aangezien geen verdere opmerkingen over de markt van de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 65 tot en met 69 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.3.   Verbruik in de Unie

(58)

Naar aanleiding van de bekendmaking van de voorlopige verordening wezen sommige belanghebbenden op enkele tegenstrijdigheden in de bekendgemaakte schadegegevens. De Commissie heeft de gegevens opnieuw onderzocht en heeft waar nodig de gegevens met betrekking tot de bedrijfstak en de markt van de Unie herzien. Hoewel deze herzieningen voor sommige jaren hebben geleid tot gewijzigde cijfers, bleven de trends en derhalve ook de conclusies op basis van deze gegevens in het algemeen ongewijzigd.

(59)

Op grond van deze herziening ontwikkelde het totale verbruik in de Unie zich als volgt:

 

2008

2009

2010

OT

Verbruik (ton)

5 197 716

3 879 380

4 548 528

4 811 310

Index (2008 = 100)

100

75

88

93

(60)

Het totale verbruik op de Uniemarkt is in de beoordelingsperiode met 7 % gedaald. Tussen 2008 en 2009 was er een daling van ongeveer 25 %, voornamelijk door de wereldwijde negatieve gevolgen van de economische crisis, vooral voor de bouwnijverheid. Daarna trad een herstel in en steeg het verbruik tussen 2009 en het eind van het OT met in totaal 18 procentpunten, maar het lag nog steeds onder het beginniveau van 2008.

(61)

Aangezien er geen opmerkingen over het verbruik in de Unie werden ontvangen, worden de overwegingen 70 tot en met 72 van de voorlopige verordening bevestigd.

5.4.   Invoer in de Unie en marktaandeel

(62)

De invoer in de Unie uit de VRC ontwikkelde zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt. Het marktaandeel is gewijzigd ten gevolge van de gewijzigde verbruiksgegevens:

 

2008

2009

2010

OT

Omvang van de invoer uit de VRC (ton)

472 988

150 497

464 582

702 452

Index (2008 = 100)

100

32

98

149

Marktaandeel (%)

9,1

3,9

10,2

14,6

Index (2008 = 100)

100

43

112

160

Bron:

Eurostat.

(63)

Bovenvermelde wijziging van de verbruiksgegevens heeft het marktaandeel van de invoer uit de VRC ten opzichte van de in de voorlopige verordening bekendgemaakte gegevens gewijzigd. Trendmatig verandert er echter niets. Het marktaandeel van de invoer uit de VRC steeg aanzienlijk van 9,1 % bij de aanvang van de beoordelingsperiode tot 14,6 % aan het einde ervan. Na een daling in 2009 die de sterke daling van het verbruik door de economische crisis weerspiegelt, herstelde de invoer zich met rasse schreden; daarbij herstelde het marktaandeel zich in één jaar tot op het niveau van 2008 - d.w.z. tot op het niveau van voor de economische crisis - en overtrof het dat niveau aanzienlijk aan het eind van het OT.

5.4.1.   Invoerprijzen en prijsonderbieding

(64)

Na de mededeling van de bevindingen verzocht een producent-exporteur om nadere informatie over de berekening van de prijsonderbieding in situaties waarin er geen volstrekte overeenstemming was tussen de uit de VRC uitgevoerde productsoort en de productsoort die op de markt van de Unie werd verkocht door de bedrijfstak van de Unie. Verder verzocht hij om informatie over de vraag of een correctie voor fysieke verschillen was toegepast, wanneer geen volstrekte overeenstemming was vastgesteld.

(65)

Wanneer er geen volstrekte overeenstemming bestond tussen de uitgevoerde productsoort en de door de bedrijfstak van de Unie verkochte productsoort, heeft de Commissie de uitgevoerde productsoort vergeleken met de door de bedrijfstak van de Unie verkochte productsoort die het meest met het betrokken product overeenkwam. In deze gevallen werd, wanneer de substraatdikte het enige verschil was, een vergelijking gemaakt met de productsoort die grote overeenkomst vertoonde.

(66)

Indien meer dan een productsoort grote overeenkomst vertoonde, heeft de Commissie de uitgevoerde productsoort vergeleken met de goedkoopste productsoort die op de markt van de Unie werd verkocht, ongeacht of het substraat van deze goedkoopste productsoort dikker, of dunner, was. Derhalve bleek een correctie voor fysieke verschillen niet nodig.

(67)

Aangezien geen andere opmerkingen over de invoerprijzen en prijsonderbieding werden ontvangen, worden de overwegingen 78 tot en met 81 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.   ECONOMISCHE SITUATIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

6.1.   Inleidende opmerkingen

(68)

Aangezien geen opmerkingen over de inleidende opmerkingen inzake de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, blijven de conclusies in de overwegingen 82 tot en met 85 ongewijzigd.

6.2.   Gegevens over de gehele bedrijfstak van de Unie (macro-economische indicatoren)

(69)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen in de overwegingen 86 tot en met 92 heeft de Commissie de gegevensbronnen waarop deze bevindingen waren gebaseerd, geactualiseerd. Deze actualisering heeft de in de voorlopige verordening bekendgemaakte indicatoren niet ingrijpend gewijzigd, noch heeft zij de trends gewijzigd waarop de Commissie haar analyse van de schade had gebaseerd. De geactualiseerde gegevens zijn als volgt:

6.2.1.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2008

2009

2010

OT

Productievolume (ton)

4 447 780

3 514 965

3 992 209

4 018 310

Index (2008 = 100)

100

79

90

90

Productiecapaciteit (ton)

6 007 536

6 128 301

6 099 587

5 923 311

Index (2008 = 100)

100

102

102

99

Bezettingsgraad (%)

74

57

65

68

Index (2008 = 100)

100

77

88

92

Bron:

Klacht, antwoorden op vragenlijst.

(70)

Hoewel de gegevens enigszins zijn gewijzigd, blijven de trends en conclusies in de overwegingen 87 en 88 van de voorlopige verordening ongewijzigd en worden zij daarom bevestigd. De productie is sterk gedaald in 2009, heeft zich gedeeltelijk hersteld in 2010 en is stabiel maar nog onder het niveau van 2008 gebleven in het OT. De productiecapaciteit bleef tijdens de beoordelingsperiode constant, terwijl de bezettingsgraad de dalende tendens van de productie volgde.

6.2.2.   Omvang van de verkoop, marktaandeel en groei

 

2008

2009

2010

OT

Omvang van de verkoop (ton)

2 951 468

2 280 304

2 643 923

2 592 540

Index (2008 = 100)

100

77

90

88

Marktaandeel (%)

56,8

58,8

58,1

53,9

Index (2008 = 100)

100

104

102

95

Bron:

Klacht, antwoorden op vragenlijst.

(71)

In 2009 was er een scherpe daling van de omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers (- 23 %). In 2010 steeg de omvang van de verkoop met dertien procentpunten, maar vervolgens daalde hij gedurende het OT met twee procentpunten. De conclusies in de overwegingen 90 en 91 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

6.2.3.   Werkgelegenheid en productiviteit

 

2008

2009

2010

OT

Werkgelegenheid (in VTE)

7 088

6 470

6 097

6 046

Index (2008 = 100)

100

91

86

85

Productiviteit (ton/VTE)

627

543

655

665

Index (2008 = 100)

100

87

104

106

Bron:

Klacht, antwoorden op vragenlijst, Eurofer.

(72)

Hoewel de gegevens enigszins zijn gewijzigd, worden de conclusies over de werkgelegenheid in overweging 92 van de voorlopige verordening bevestigd.

6.3.   Gegevens over de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie (micro-economische indicatoren)

(73)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen in de overwegingen 93 tot en met 108 heeft de Commissie de gegevensbronnen waarop deze bevindingen waren gebaseerd, geactualiseerd. Deze actualisering heeft de in de voorlopige verordening bekendgemaakte indicatoren niet ingrijpend gewijzigd, noch heeft zij de trends gewijzigd waarop de Commissie haar analyse van de schade had gebaseerd. De geactualiseerde gegevens zijn als volgt:

6.3.1.   Gemiddelde prijzen per eenheid van de representatieve producenten in de Unie

(74)

Na de daling van de eenheidsprijs voor niet-verbonden afnemers in 2009 (- 21 %) en het daarmee gepaard gaande verlies, begon de eenheidsprijs zich te herstellen. In 2010 en het OT werd de bedrijfstak van de Unie geconfronteerd met een kostenstijging; deze kon maar in beperkte mate worden gecompenseerd door hogere prijzen, net genoeg om de winstgevendheid voor 2010 en het OT op hetzelfde lage niveau te houden. Dit leidde echter tot verder verlies aan marktaandeel, aangezien de Chinese invoerprijzen voortdurend de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderboden.

 

2008

2009

2010

OT

Eenheidsprijs in de EU voor niet-verbonden afnemers (EUR/ton)

1 023

805

911

994

Index (2008 = 100)

100

79

89

97

Productiekosten per eenheid (EUR/ton)

925

884

893

978

Index (2008 = 100)

100

95

97

106

Bron:

Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten.

6.3.2.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen

(75)

De tabel wordt hier gemakshalve herhaald, aangezien de gegevens en derhalve ook de conclusies niet zijn gewijzigd.

 

2008

2009

2010

OT

Winstgevendheid van de verkoop in de EU aan niet-verbonden afnemers (% van de omzet)

6,7

–9,3

2,8

2,6

Index (2008 = 100)

100

– 138

41

39

Kasstroom (EUR)

328 190 880

211 298 356

152 030 083

204 650 414

Index (2008 = 100)

100

64

46

62

Investeringen (EUR)

55 717 957

4 537 128

12 530 132

15 302 264

Index (2008 = 100)

100

8

22

27

Rendement van investeringen (%)

13,8

–13,9

5,9

6

Index (2008 = 100)

100

– 101

43

44

Bron:

Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten.

6.3.3.   Voorraden

(76)

De tabel wordt hier gemakshalve herhaald, aangezien de gegevens en derhalve ook de conclusies niet zijn gewijzigd.

 

2008

2009

2010

OT

Eindvoorraden (ton)

116 852

97 533

124 848

130 593

Index (2008 = 100)

100

83

107

112

Bron:

Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten.

6.3.4.   Werkgelegenheid, lonen en productiviteit

(77)

De tabel wordt hier gemakshalve herhaald, aangezien de gegevens en derhalve ook de conclusies niet zijn gewijzigd.

Gemiddelde arbeidskosten per werknemer (EUR, in de steekproef opgenomen EU-producenten)

60 959

57 892

58 637

62 347

Index (2008 = 100)

100

95

96

102

Bron:

Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten.

6.3.5.   Intern gebruik en interne verkoop

 

2008

2009

2010

OT

Intern gebruik en interne verkoop (ton)

1 135 987

914 412

986 386

970 757

Index (2008 = 100)

100

80

87

85

Marktaandeel (%)

22

24

22

20

Index (2008 = 100)

100

108

99

92

Bron:

Klacht en gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten.


 

2008

2009

2010

OT

Intern gebruik en interne verkoop (EUR/ton)

962

802

901

965

Index (2008 = 100)

100

83

94

100

Bron:

Gecontroleerde antwoorden van de in de steekproef opgenomen producenten.

(78)

Ondanks de correcties van de in de voorlopige verordening bekendgemaakte gegevens, blijven de bevindingen over intern gebruik en interne verkoop ongewijzigd. De gemiddelde waarde per ton van de interne verkoop bleef tijdens de beoordelingsperiode stabiel en lag 3 % onder de verkoopprijs die de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie tijdens het OT aan niet-verbonden afnemers in rekening brachten.

6.4.   Conclusie inzake schade

(79)

Op grond van het bovenstaande worden de voorlopige bevindingen van de overwegingen 110 tot en met 113 van de voorlopige verordening bevestigd.

(80)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening voerden twee partijen aan dat recentere gegevens meer relevant zijn voor de vaststelling van de schade en dat de Commissie niet 2008, maar veeleer 2009 als uitgangspunt voor de analyse van de schade had moeten nemen. Zij gaven aan dat in de jurisprudentie van de WTO is gesteld dat recentere gegevens voor de vaststelling van de schade relevanter zijn dan historische gegevens, en dat het resultaat van een jaarvergelijking heel sterk afhangt van de geselecteerde jaren, aangezien een verschuiving van één jaar tot een verschillend resultaat kan leiden. Een vergelijking vanaf 2009 tot aan het eind van het OT vertoont dan ook een andere trend dan een vergelijking vanaf het begin van de beoordelingsperiode tot aan het eind van het OT.

(81)

Dit argument werd niet aanvaard. De beoordelingsperiode was overeenkomstig de normale praktijk en de aanbevelingen van de WTO bepaald als een objectieve periode van drie tot vier jaar die loopt tot aan het eind van het onderzoektijdvak, dat bestaat uit een periode van twaalf maanden die zo kort mogelijk voor de datum van inleiding afloopt.

(82)

Zelfs als de beoordelingsperiode in 2009 was begonnen, zou nog altijd gelden dat er aanmerkelijke schade werd geleden. De bedrijfstak van de Unie had zijn streefwinst door de toename van de invoer tijdens die periode niet behaald, ondanks een toename van de productievolumes, de omvang van de verkoop en de productiviteit. De toename van de consumptie na 2009 werd veroorzaakt door de invoer uit China, en niet door de bedrijfstak van de Unie, die immers marktaandeel verloor vanaf 2009 tot aan het eind van het OT.

7.   OORZAKELIJK VERBAND

7.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(83)

Aangezien geen opmerkingen werden ontvangen, worden de voorlopige bevindingen van de overwegingen 115 tot en met 119 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Gevolgen van andere factoren

7.2.1.   Invoer uit derde landen

Land

 

2008

2009

2010

OT

Zuid-Korea

Volume (ton)

228 123

226 568

173 935

237 164

 

Index (2008 = 100)

100

99

76

104

 

Marktaandeel (%)

4,4

5,8

3,8

4,9

 

Index (2008 = 100)

100

133

87

112

 

Gemiddelde prijs

901

727

846

903

 

Index (2008 = 100)

100

81

94

100

India

Volume (ton)

159 999

149 138

155 384

141 391

 

Index (2008 = 100)

100

93

97

88

 

Marktaandeel (%)

3,1

3,8

3,4

2,9

 

Index (2008 = 100)

100

125

111

95

 

Gemiddelde prijs

932

667

773

824

 

Index (2008 = 100)

100

72

83

88

Andere landen

Volume (ton)

249 151

158 461

124 319

167 007

 

Index (2008 = 100)

100

64

50

67

 

Marktaandeel (%)

4,8

4,1

2,7

3,5

 

Index (2008 = 100)

100

85

57

72

 

Gemiddelde prijs

951

809

924

955

 

Index (2008 = 100)

100

85

97

100

Totaal van alle derde landen, m.u.v. de VRC

Volume (ton)

637 274

534 167

453 637

545 562

 

Index (2008 = 100)

100

84

71

86

 

Marktaandeel (%)

12,3

13,8

10,0

11,3

 

Index (2008 = 100)

100

112

81

92

 

Gemiddelde prijs

929

735

842

898

 

Index (2008 = 100)

100

79

91

97

Bron:

Eurostat.

(84)

De kleine wijzigingen van de gegevens van de bedrijfstak van de Unie hebben ook de gegevens over het marktaandeel van de invoer uit derde landen licht gewijzigd.

(85)

Sommige belanghebbenden zetten vraagtekens bij het besluit van de Commissie om enkel tegen China en niet tegen India en Zuid-Korea een onderzoek in te stellen, hoewel de invoervolumes en de prijsontwikkeling met die van de VRC overeenkwamen.

(86)

Zoals vastgesteld in de overwegingen 120 tot en met 122 van de voorlopige verordening is het volume van de invoer uit India in de loop van de beoordelingsperiode gedaald en is de invoer uit Zuid-Korea met slechts 4 % gestegen. De Indiase prijzen daalden met 12 % en de Zuid-Koreaanse prijzen bleven stabiel, maar lagen altijd boven die van de VRC. Het argument wordt dan ook afgewezen, aangezien de Commissie geen bewijsmateriaal of klacht heeft ontvangen dat het betrokken product uit die landen met dumping wordt ingevoerd en dat dit tot schade heeft geleid.

(87)

De bevindingen in de overwegingen 120 tot en met 122 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

7.2.2.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

 

2008

2009

2010

OT

Uitvoer, Eurostat (ton)

669 790

612 204

580 477

605 760

Index (2008 = 100)

100

91

87

90

Gemiddelde prijs (EUR/ton)

1 068

937

995

1 092

Index (2008 = 100)

100

88

93

102

Uitvoer door in de steekproef opgenomen producenten in de Unie

53 542

46 516

48 102

46 228

Index (2008 = 100)

100

87

90

86

Gemiddelde verkoopprijs (EUR/ton)

1 086

826

984

1 132

Index (2008 = 100)

100

76

91

104

Bron:

Eurostat en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst.

(88)

Aangezien er geen opmerkingen over de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie werden ontvangen, worden de bevindingen van de overwegingen 123 tot en met 124 bevestigd.

7.2.3.   Invoer uit de VRC door de bedrijfstak van de Unie

(89)

Sommige partijen bleven stellen dat de invoer uit de VRC door de bedrijfstak van de Unie, in tegenspraak met overweging 125 van de voorlopige verordening, tot 40 % van de totale invoer uit de VRC uitmaakte. Er werd geen bewijs voor dit argument geleverd en het kon niet worden bevestigd. Het argument wordt derhalve afgewezen.

(90)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde een importeur aan dat de bedrijfstak van de Unie grote hoeveelheden van het betrokken product uit de VRC invoerde en maakte hij daarbij gebruik van zijn gegevens over wederverkoop om dit te bewijzen.

(91)

Het feit dat de bedrijfstak van de Unie hoeveelheden van het betrokken product uit de VRC heeft ingevoerd, wordt niet betwist. Zelfs op basis van de eigen gegevens van de importeur bedraagt het desbetreffende volume echter minder dan 1 % van de totale invoer uit de VRC en is het derhalve verwaarloosbaar. Zoals vermeld in overweging 125 van de voorlopige verordening was de invoer uit de VRC door de bedrijfstak van de Unie tijdens het OT goed voor 2-3 % van de totale invoer.

(92)

De bevindingen van overweging 125 van de voorlopige verordening worden bevestigd.

7.2.4.   Intern gebruik en interne verkoop

(93)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen voerde de CISA opnieuw aan dat de bedrijfstak van de Unie OBS tegen een "gesubsidieerde" prijs aan zijn verbonden downstreamondernemingen beschikbaar stelde en door middel hiervan zijn concurrenten in het downstreamsegment onderbood. Er werd echter geen bewijsmateriaal geleverd om de conclusie van de Commissie in overweging 127 van de voorlopige verordening te wijzigen, namelijk dat het prijsverschil tussen verbonden en niet-verbonden verkopen klein was (2 %) en dat het in dit geval niet ging om zichzelf toegebrachte schade.

(94)

Verder trok de CISA de gegevens over de productiekosten van OBS in twijfel, en in het verlengde daarvan de prijs van OBS aan verbonden partijen. De CISA stelt op basis van de verkoopprijs van via de dompelmethode verzinkt breedbandstaal, een grondstof bij de vervaardiging van OBS, dat de productiekosten van OBS tijdens het OT niet hoger konden zijn dan 900 EUR/ton.

(95)

Hoewel de Commissie de gegevens van de CISA met betrekking tot de productiekosten van via de dompelmethode verzinkt breedbandstaal niet betwist, werden de productiekosten van OBS bij alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie gecontroleerd. De Commissie heeft zich ervan vergewist dat de volledige productiekosten (grondstoffen, verwerking, bekleding, VAA, financieringskosten enz.) overeenkomen met wat is vastgesteld in overweging 74.

(96)

De CISA voerde vervolgens aan dat OBS met verlies worden verkocht aan verbonden partijen en dat dit schade veroorzaakt voor de bedrijfstak van de Unie. Dit argument is gebaseerd op een vergelijking van de totale productiekosten (978 EUR/ton) met de gemiddelde verkoopprijs aan verbonden partijen (965 EUR/ton).

(97)

Hoewel een eenvoudige wiskundige vergelijking inderdaad zou suggereren dat de verkoop aan verbonden partijen verliesgevend is, wordt hier verondersteld dat voor de bedrijfstak van de Unie het niveau van de VAA-kosten en andere vaste uitgaven voor de verkoop even hoog zouden zijn bij de interne verkoop als bij de verkoop aan niet-verbonden partijen. Zoals vermeld in overweging 105 van de voorlopige verordening werd de verkoopprijs aan verbonden partijen bepaald volgens de kostprijs-plus-methode; de bedrijfstak van de Unie verdiende dan ook zijn kosten voor deze verkoop terug.

(98)

Aangezien hierover geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen van de overwegingen 126 tot en met 127 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.5.   Economische crisis

(99)

Na de uiterste termijn voor opmerkingen bij de mededeling van de definitieve bevindingen heeft een belanghebbende de aandacht gevestigd op de aangekondigde sluiting van een fabriek in België en op door overmacht veroorzaakte moeilijkheden voor de normale productie en het vervoer vanuit een andere fabriek in België. De belanghebbende voerde aan dat dit wijst op een te laag niveau van voorzieningszekerheid voor OBS in de EU en dat dit een reden is om importeurs en gebruikers zelf hun leverancier voor OBS in de EU en in China te laten kiezen.

(100)

Deze argumenten worden afgewezen. Omdat de bezettingsgraad in de EU laag is, betreft het hier geen probleem inzake voorziening, want de bedrijfstak van de Unie heeft voldoende beschikbare capaciteit. In elk geval werden in de in België gesloten fabriek geen OBS vervaardigd. Voorzieningszekerheid is uiteraard belangrijk, maar de hier voorgestelde rechten hebben niet tot doel de levering van OBS uit China te beëindigen, maar uitsluitend te voorkomen dat die OBS met dumping op de Uniemarkt worden verkocht.

(101)

Aangezien hierover geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de bevindingen van de overwegingen 128 en 129 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.6.   Structurele overcapaciteit

(102)

Sommige partijen voerden opnieuw aan dat de producenten in de Unie een structurele overcapaciteit hadden en meer konden produceren dan de hele Unie verbruikte. Dit argument is al eerder naar voren gebracht en werd in de overwegingen 130 tot en met 132 van de voorlopige verordening weerlegd. Aangezien hierover geen verder bewijsmateriaal werd ontvangen, wordt de conclusie van die overwegingen bevestigd.

7.2.7.   Stijging van de productiekosten

(103)

Sommige partijen stelden opnieuw dat een stijging van de productiekosten tijdens de beoordelingsperiode voor de producenten in de Unie schade veroorzaakte. Bovenvermelde gegevens tonen aan dat de productiekosten gemiddeld met slechts 6 % zijn gestegen. Zonder invoer met dumping vanuit de VRC zou de bedrijfstak van de Unie in staat moeten zijn geweest om deze stijging aan zijn afnemers door te rekenen, maar de prijzen zijn met 3 % gedaald. Het argument dat de productiekosten schade hebben veroorzaakt, wordt dan ook verworpen.

7.3.   Conclusie over het oorzakelijk verband

(104)

Gezien het bovenstaande blijven de voorlopige bevindingen in de overwegingen 133 tot en met 136 van de voorlopige verordening gehandhaafd, namelijk dat de invoer met dumping vanuit de VRC aan de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening heeft toegebracht. De voorlopige bevindingen met betrekking tot de gevolgen van de andere bekende factoren die de bedrijfstak van de Unie schade hadden kunnen toebrengen, werden eveneens bevestigd: deze factoren hebben geen zodanige rol gespeeld dat het geconstateerde oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping vanuit de VRC en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade erdoor wordt verbroken.

8.   BELANG VAN DE UNIE

8.1.   Bedrijfstak van de Unie

(105)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen werden geen nieuwe opmerkingen of gegevens met betrekking tot het belang van de producenten in de Unie ontvangen. De overwegingen 138 tot en met 143 van de voorlopige verordening met betrekking tot het belang van deze belanghebbenden worden dan ook bevestigd.

8.2.   Importeurs, handelaren en gebruikers

(106)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen werden opmerkingen ontvangen van importeurs en andere belanghebbenden; er werden echter geen nieuwe opmerkingen of gegevens ontvangen met betrekking tot het belang van importeurs, handelaren of gebruikers. De voorlopige bevindingen in de overwegingen 144 tot en met 152 van de voorlopige verordening met betrekking tot het belang van deze partijen worden dan ook bevestigd.

8.3.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(107)

Gezien het bovenstaande worden de voorlopige bevindingen met betrekking tot het belang van de Unie bevestigd, d.w.z. er zijn geen dwingende redenen om geen definitieve maatregelen in te stellen op OBS van oorsprong uit de VRC.

9.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

9.1.   Schademarge

(108)

Na de mededeling van de voorlopige bevindingen voerden twee belanghebbenden aan dat de verstrekte gegevens niet voldoende informatie en toelichting boden met betrekking tot de berekening van de prijsonderbiedings- en prijsbederfmarges. Zoals in de mededeling van de voorlopige bevindingen wordt uitgelegd, werden sommige waarden om geheimhoudingsredenen niet doorgegeven, aangezien het betrokken model slechts door een of twee producenten in de Unie werd vervaardigd. Bij de mededeling van de definitieve bevindingen werden marges voor deze modellen doorgegeven.

(109)

Verder vochten belanghebbenden aan dat voor de streefwinst van de bedrijfstak van de Unie werd uitgegaan van 6,7 % om de schademarge te berekenen. Zij voerden aan dat een zodanige winst gezien het huidig economisch klimaat te hoog en onrealistisch was en dat 2008 geen representatief jaar voor de winstgevendheid was, aangezien dit voor de staalsector een uitzonderlijk jaar was.

(110)

Dit argument wordt afgewezen. Ten eerste was de winstgevendheid voor OBS vóór 2008 immers hoger dan in 2008, wat het argument dat 2008 een uitzonderlijk jaar was, weerlegt. Ten tweede is de streefwinst de winst die zonder invoer met dumping kan worden behaald. 2008 was het laatste jaar waarin de gevolgen van de invoer met dumping nog niet helemaal werden gevoeld door de bedrijfstak van de Unie en is dan ook een geschikt uitgangspunt om de streefwinst vast te stellen.

(111)

Na de mededeling van de definitieve bevindingen vochten belanghebbenden opnieuw aan dat 6,7 % als streefwinst van de bedrijfstak van de Unie werd gebruikt en dat 2008 als een representatief jaar voor de winstgevendheid werd beschouwd. Dit argument wordt verworpen, aangezien er geen bewijsmateriaal werd verstrekt met betrekking tot hoeveel winst de bedrijfstak van de Unie in 2008 zonder de financiële crisis zou hebben gemaakt. Bovendien kan uit het argument dat de door de bedrijfstak van de Unie in 2008 gemaakte winst onder de financiële crisis heeft geleden - wat van 2008 een uitzonderlijk jaar maakt - worden afgeleid dat de in 2008 gemaakte winst lager was dan de bedrijfstak zou verwachten in een normaal jaar.

(112)

Verder wezen belanghebbenden erop dat de invoervolumes uit de VRC niet in 2008, maar in 2009 het laagste punt bereikten. Omdat de bedrijfstak van de Unie in 2009 echter niet winstgevend was, kunnen de gegevens voor 2009 niet worden gebruikt om de streefwinst voor de bedrijfstak van de Unie vast te stellen.

(113)

Verder stelde de CISA dat de winst op de verkoop aan niet-verbonden afnemers in 2008 niet kan worden gebruikt als streefwinst, aangezien het prijsverschil tussen de verkoop aan verbonden afnemers en de verkoop aan niet-verbonden afnemers het grootst was in dat jaar. Dit argument werd verworpen, omdat dit prijsverschil irrelevant is bij de berekening van de winst op de verkoop aan niet-verbonden afnemers.

(114)

De CISA stelde vervolgens voor om de streefwinst voor de verkoop van OBS aan niet-verbonden partijen in de Unie te baseren op de gemiddelde totale winst voor de multinationale onderneming ArcelorMittal in de jaren 2010 en 2011. Dit werd verworpen als betrouwbare bron om de winst op OBS in de Unie zonder invoer met dumping vast te stellen, omdat de winst van de volledige mondiale groep ArcelorMittal zeker niet representatief zou zijn voor de winst op OBS in de Unie.

(115)

Belanghebbenden betwistten verder de na invoer gemaakte kosten die werden gebruikt om de voorlopige rechten te berekenen, aangezien deze waren gebaseerd op de gegevens van slechts een importeur. In een later stadium heeft de Commissie een tweede importeur gecontroleerd en zijn gegevens zijn mede gebruikt om de na invoer gemaakte kosten te berekenen. Door het gemiddelde van beide ondernemingen te gebruiken zijn deze kosten licht gedaald, waardoor de schademarges dienovereenkomstig zijn gestegen.

(116)

Een belanghebbende heeft de methode van de Commissie voor de berekening van de prijsbederfmarge betwist. Deze betwisting berustte echter op de foutieve veronderstelling dat de Commissie de prijsbederfmarge had berekend door de marktprijs te verminderen met de gemiddelde winst van de bedrijfstak van de Unie in het OT (2,6 %) om het break-even point (d.w.z. een prijs die winst noch verlies oplevert) te verkrijgen en vervolgens dit break-even point te vermeerderen met de streefwinst.

(117)

De Commissie heeft de prijsbederfmarge berekend door de streefwinst toe te voegen aan de productiekosten voor elke productsoort. De door deze belanghebbende gesuggereerde methode is onjuist, omdat de gemiddelde winst van 2,6 % niet vanzelf op elke verkoop van elk model werd geboekt door alle ondernemingen van wie de gegevens werden gebruikt.

(118)

Verder heeft een belanghebbende de berekeningen van de schade door de Commissie betwist. Aangezien die partij niet volledig toegang had tot de gegevens die door de Commissie werden gebruikt om de schademarge te berekenen, heeft zij gepoogd deze zelf te berekenen op basis van haar eigen inschatting van het prijsverschil op de markt tussen een substraat dat is bekleed met een aluminium-zinklegering en een met zink bekleed substraat - volgens haar berekeningen een verschil van 50 US-dollar per ton. Deze "herberekening", die op onvolledige gegevens was gebaseerd, leidde tot een lagere schademarge dan die welke de Commissie had berekend en medegedeeld.

(119)

De argumenten van deze partij werden verworpen, omdat het vermeende prijsverschil niet konden worden vastgesteld op grond van een analyse van de volledige gegevens van de producenten-exporteurs en van de bedrijfstak van de Unie. Bijgevolg moet worden benadrukt dat de gegevens die de belanghebbende heeft gebruikt, onvolledig waren en derhalve niet voldoende betrouwbaar om er de berekeningen van de schade door de Commissie opnieuw mee uit te voeren.

(120)

De overwegingen 154 tot en met 158 van de voorlopige verordening worden bevestigd.

9.2.   Definitieve maatregelen

(121)

Gezien de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie moet overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening een definitief antidumpingrecht op OBS van oorsprong uit de VRC worden ingesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarge, dan wel op het niveau van de vastgestelde schademarge indien deze lager is. In dit geval moet het recht bijgevolg worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde schademarge.

(122)

Zeven niet in de steekproef opgenomen ondernemingen hebben meegewerkt aan het antidumpingonderzoek, maar niet aan het parallel lopende antisubsidieonderzoek. Voor deze ondernemingen wordt het antidumpingrecht vastgesteld op nul. In het antisubsidieonderzoek zullen deze ondernemingen worden onderworpen aan het residuele recht.

(123)

Om een gelijke behandeling van nieuwe producenten-exporteurs en de niet in de steekproef opgenomen medewerkende ondernemingen te garanderen, moet het voor laatstgenoemde ondernemingen geldende gewogen gemiddelde recht eveneens gelden voor alle nieuwe producenten die anders niet voor een nieuw onderzoek krachtens artikel 11, lid 4, van de basisverordening in aanmerking zouden komen, daar artikel 11, lid 4, niet geldt wanneer gebruik is gemaakt van een steekproef.

(124)

Op basis van het bovenstaande wordt het recht als volgt vastgesteld:

Naam van de onderneming

Subsidiemarge (%)

Dumpingmarge (%)

Schademarge (%)

Compenserend recht (%)

Antidumpingrecht (%)

Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd, Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd, en Zhangjiagang Free Trade Zone Jiaxinda International Trade Co., Ltd.

29,7

60,9

55,8

29,7

26,1

Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co. Ltd en Hangzhou P.R.P.T. Metal Material Company Ltd.

23,8

48,9

29,7

23,8

5,9

Union Steel China

26,8

50,9

13,7

13,7

0

Andere medewerkende ondernemingen in het antidumping-onderzoek (m.u.v. de ondernemingen onderworpen aan het residuele recht in de parallelle antisubsidie-Uitvoeringsverordening (EU) No 215/2013) (3)

26,8

55,0

43,0

26,8

16,2

Niet-medewerkende ondernemingen

44,7

68,1

58,3

44,7

13,6

10.   DEFINITIEVE INNING VAN HET VOORLOPIGE RECHT

(125)

Gezien de hoogte van de vastgestelde dumpingmarge en de ernst van de schade die de bedrijfstak van de Unie heeft geleden, en rekening houdende met het feit dat in het parallel lopende antisubsidieonderzoek geen voorlopige maatregelen zijn ingesteld, wordt het noodzakelijk geacht de bedragen die als zekerheid zijn gesteld uit hoofde van het bij de voorlopige verordening ingestelde voorlopige antidumpingrecht definitief te innen tot het bedrag van het ingestelde voorlopige recht. Onder die omstandigheden dient het voorlopige recht volgens de in artikel 1, lid 2, van de voorlopige verordening bepaalde percentages definitief geïnd te worden. Voorlopig als zekerheid gestelde bedragen voor producten met een met chroom of tin bekleed substraat moeten echter worden vrijgegeven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde organisch beklede staalproducten, d.w.z. gewalste platte producten van niet-gelegeerd of gelegeerd staal (uitgezonderd roestvrij staal), aan ten minste één zijde geverfd, gevernist of bekleed met kunststof, met uitzondering van zogenaamde "sandwichpanelen" van de soort gebruikt in de bouw, bestaande uit twee metalen buitenplaten met een stabiliserende kern van isolatiemateriaal, met uitzondering van producten met een laatste bekleding van zinkstof (een zinkrijke verf die 70 of meer gewichtspercenten zink bevat) en met uitzondering van producten met een met chroom of tin bekleed substraat, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7210 70 80 , ex 7212 40 80 , ex 7225 99 00 en ex 7226 99 70 (Taric-codes 7210 70 80 11, 7210 70 80 91, 7212 40 80 01, 7212 40 80 21, 7212 40 80 91, 7225 99 00 11, 7225 99 00 91, 7226 99 70 11 en 7226 99 70 91), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   Het definitieve antidumpingrecht is als volgt:

Onderneming

Recht (%)

Aanvullende Taric-code

Union Steel China

0

B311

Zhangjiagang Panhua Steel Strip Co., Ltd, Chongqing Wanda Steel Strip Co., Ltd, en Zhangjiagang Free Trade Zone Jiaxinda International Trade Co., Ltd.

26,1

B312

Zhejiang Huadong Light Steel Building Material Co. Ltd en Hangzhou P.R.P.T. Metal Material Company, Ltd.

5,9

B313

Angang Steel Company Limited

16,2

B314

Anyang Iron Steel Co., Ltd.

0

B315

Baoshan Iron & Steel Co., Ltd.

0

B316

Baoutou City Jialong Metal Works Co., Ltd.

16,2

B317

Changshu Everbright Material Technology Co., Ltd.

16,2

B318

Changzhou Changsong Metal Composite Material Co., Ltd.

16,2

B319

Cibao Modern Steel Sheet Jiangsu Co., Ltd.

0

B320

Inner Mongolia Baotou Steel Union Co., Ltd.

16,2

B321

Jiangyin Ninesky Technology Co., Ltd.

0

B322

Jiangyin Zhongjiang Prepainted Steel Mfg Co., Ltd.

0

B323

Jigang Group Co., Ltd.

16,2

B324

Maanshan Iron&Steel Company Limited

16,2

B325

Qingdao Hangang Color Coated Sheet Co., Ltd.

16,2

B326

Shandong Guanzhou Co., Ltd.

16,2

B327

Shenzen Sino Master Steel Sheet Co., Ltd.

16,2

B328

Tangshan Iron And Steel Group Co., Ltd.

16,2

B329

Tianjin Xinyu Color Plate Co., Ltd.

16,2

B330

Wuhan Iron And Steel Company Limited

16,2

B331

Wuxi Zhongcai New Materials Co., Ltd.

0

B332

Xinyu Iron And Steel Co., Ltd.

0

B333

Zhejiang Tiannu Color Steel Co., Ltd.

16,2

B334

Alle andere ondernemingen

13,6

B999

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

De bedragen die uit hoofde van het voorlopige antidumpingrecht overeenkomstig Verordening (EU) nr. 845/2012 als zekerheid zijn gesteld, worden definitief geïnd tot het bedrag van het in artikel 1 van die verordening vastgestelde voorlopige recht. Voorlopig als zekerheid gestelde bedragen voor producten met een met chroom of tin bekleed substraat moeten echter worden vrijgegeven.

Artikel 3

Wanneer een producent uit de Volksrepubliek China de Commissie voldoende bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat hij de in artikel 1, lid 1, beschreven goederen van oorsprong uit de Volksrepubliek China in het onderzoektijdvak (1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011) niet heeft uitgevoerd, niet verbonden is met een exporteur of producent op wie de bij deze verordening ingestelde maatregelen van toepassing zijn, en de betrokken goederen heeft uitgevoerd dan wel een onherroepelijke contractuele verplichting is aangegaan om een aanzienlijke hoeveelheid na afloop van het onderzoektijdvak naar de Unie uit te voeren, kan de Raad, op een na overleg in het Raadgevend Comité door de Commissie ingediend voorstel, artikel 1, lid 2, met een gewone meerderheid wijzigen teneinde voor deze producent het recht vast te stellen dat van toepassing is op de medewerkende producenten die geen deel uitmaakten van de steekproef.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

E. GILMORE


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 252 van 19.9.2012, blz. 33.

(3)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.


Top