Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012R0176

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 176/2012 van de Commissie van 1 maart 2012 tot wijziging van de bijlagen B, C en D bij Richtlijn 90/429/EEG van de Raad wat betreft de veterinairrechtelijke voorschriften voor brucellose en de ziekte van Aujeszky Voor de EER relevante tekst

PB L 61 van 2.3.2012, pp. 1–9 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

⏵Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 20/04/2021; stilzwijgende opheffing door 32016R0429

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2012/176/oj

2.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 61/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 176/2012 VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2012

tot wijziging van de bijlagen B, C en D bij Richtlijn 90/429/EEG van de Raad wat betreft de veterinairrechtelijke voorschriften voor brucellose en de ziekte van Aujeszky

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 90/429/EEG van de Raad van 26 juni 1990 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften van toepassing op het intracommunautaire handelsverkeer in sperma van varkens en de invoer daarvan (1), en met name artikel 17,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 90/429/EEG zijn de veterinairrechtelijke voorwaarden vastgesteld voor het handelsverkeer in sperma van varkens binnen de Unie en de invoer daarvan uit derde landen.

(2)

Richtlijn 90/429/EEG bepaalt dat voor het handelsverkeer bestemd sperma moet zijn gewonnen bij varkens waarvan de gezondheidsstatus voldoet aan bijlage B bij die richtlijn. Hoofdstuk I van bijlage B stelt de voorwaarden vast voor het toelaten van dieren in erkende spermacentra. In hoofdstuk II van die bijlage worden verplichte routinetests voor in een erkend spermacentrum gehouden dieren vastgesteld.

(3)

Bovendien bepaalt Richtlijn 90/429/EEG dat voor het handelsverkeer bestemd sperma moet zijn gewonnen, behandeld, opgeslagen en vervoerd overeenkomstig bijlage C bij die richtlijn. Die bijlage stelt de voorwaarden vast waaraan in erkende centra gewonnen sperma moet voldoen om in het handelsverkeer binnen de Unie te mogen worden gebracht. Punt 4 van bijlage C bij Richtlijn 90/429/EEG bepaalt dat de lidstaten het binnenbrengen op hun grondgebied of een regio van hun grondgebied van sperma afkomstig uit spermacentra waar ook tegen de ziekte van Aujeszky ingeënte beren worden toegelaten, mogen weigeren wanneer dat grondgebied of die regio is erkend als vrij van de ziekte van Aujeszky.

(4)

Ten slotte wordt in bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG een model van een diergezondheidscertificaat voor de handel in dat product vastgesteld.

(5)

Beschikking 2008/185/EG van de Commissie van 21 februari 2008 betreffende aanvullende garanties ten aanzien van de ziekte van Aujeszky voor het intracommunautaire handelsverkeer van varkens, en betreffende criteria voor de over deze ziekte te verstrekken gegevens (2) stelt aanvullende garanties voor het handelsverkeer in varkens binnen de Unie in verband met de ziekte van Aujeszky vast. Voor de samenhang van de wetgeving van de Unie moeten de veterinairrechtelijke voorschriften voor mannelijke donorvarkens en het sperma daarvan, als vastgesteld in bijlage B bij Richtlijn 90/429/EEG, in overeenstemming worden gebracht met Beschikking 2008/185/EG.

(6)

Ook moet in punt 4 van bijlage C bij Richtlijn 90/429/EEG een bepaling worden ingevoegd die de lidstaten ertoe verplicht de andere lidstaten en de Commissie ervan in kennis te stellen dat zij gebruikmaken van hun recht om sperma van varkens te weigeren dat is geproduceerd in de spermacentra die varkens houden die tegen de ziekte van Aujeszky zijn ingeënt.

(7)

De Commissie heeft het Europees Agentschap voor voedselveiligheid (EFSA) verzocht de geschiktheid te beoordelen van de gebufferde Brucella-antigeentest (bengaals-roodtest) die momenteel de enige toegelaten test voor de diagnose van brucellose in bijlage B bij Richtlijn 90/429/EEG is en een wetenschappelijk advies uit te brengen over de geschiktheid van andere beschikbare diagnosetests met het oog op de opneming daarvan in die bijlage.

(8)

Op 5 juni 2009 heeft de EFSA een wetenschappelijk advies van het panel voor diergezondheid en dierenwelzijn (AHAW) goedgekeurd op grond van een verzoek van de Commissie in verband met varkensbrucellose (Brucella suis) (3). De EFSA heeft geconcludeerd dat een competitieve enzyme-linked immunosorbent assay (cELISA) en een indirecte enzyme-linked immunosorbent assay (iELISA) voor de opsporing van antilichamen tegen een Brucella suis-besmetting in aanmerking komen voor het testen van donorvarkens met het oog op de toelating tot spermacentra en de verplichte routinetests tijdens het verblijf in en bij het verlaten van dergelijke centra. Daarom moeten die tests worden opgenomen in bijlage B bij Richtlijn 90/429/EEG naast de huidige gebufferde Brucella-antigeentest (bengaals-roodtest).

(9)

Bovendien moet het protocol in hoofdstuk I van bijlage B bij Richtlijn 90/429/EEG worden herzien met het oog op de weerlegging of de bevestiging van een vermoeden van brucellose bij toelating van dieren tot spermacentra en moet in hoofdstuk II van die bijlage worden bepaald dat het herstel van de gezondheidsstatus van een spermacentrum moet worden uitgevoerd onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van een lidstaat.

(10)

Het model van het diergezondheidscertificaat voor het handelsverkeer in sperma van varkens binnen de Unie, als bedoeld in bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG, moet in overeenstemming worden gebracht met de wijzigingen in de bijlagen B en C. Het model van het diergezondheidscertificaat moet ook worden gepresenteerd overeenkomstig de gestandaardiseerde opmaak van veterinaire certificaten, als vastgesteld in Verordening (EG) nr. 599/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 tot vaststelling van een geharmoniseerd model voor een certificaat en inspectieverslag voor het intracommunautaire handelsverkeer in dieren en producten van dierlijke oorsprong (4).

(11)

De bijlagen B, C en D bij Richtlijn 90/429/EEG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(12)

Om een verstoring van het handelsverkeer te vermijden, moet het gebruik van diergezondheidscertificaten die vóór de invoering van de wijzigingen door deze verordening zijn afgegeven overeenkomstig bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG, gedurende een overgangsperiode onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen B, C en D bij Richtlijn 90/429/EEG worden vervangen door de tekst, vastgesteld in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

De lidstaten mogen het handelsverkeer in sperma van varkens dat vergezeld gaat van een diergezondheidscertificaat dat uiterlijk op 31 mei 2012 is afgegeven overeenkomstig het model van bijlage D bij Richtlijn 90/429/EEG in de versie die gold voordat de wijzigingen bij deze verordening zijn aangebracht, toestaan gedurende een overgangsperiode die loopt tot en met 31 juli 2012.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 1 juni 2012.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 62.

(2)   PB L 59 van 4.3.2008, blz. 19.

(3)  The EFSA Journal (2009) 1144, 1-112, (http://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/doc/1144.pdf).

(4)   PB L 94 van 31.3.2004, blz. 44.


BIJLAGE

„BIJLAGE B

HOOFDSTUK I

Voorwaarden voor de toelating van varkens tot een spermacentrum

1.

Alle varkens („dieren”) die tot een spermacentrum worden toegelaten, moeten vóór de toelating:

1.1.

gedurende ten minste 30 dagen in quarantaine zijn gehouden in speciaal daartoe door de bevoegde autoriteit erkende voorzieningen, waar uitsluitend dieren met ten minste dezelfde gezondheidsstatus aanwezig zijn („quarantainevoorzieningen”);

1.2.

en voordat zij in de in punt 1.1 bedoelde quarantainevoorzieningen worden binnengebracht:

1.2.1.

zijn gekozen uit beslagen of bedrijven:

a)

die vrij zijn van brucellose overeenkomstig het hoofdstuk over varkensbrucellose van de Terrestrial Animal Health Code van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE);

b)

waar in de voorgaande twaalf maanden geen tegen mond-en-klauwzeer ingeënte dieren aanwezig zijn geweest;

c)

waar in de voorafgaande twaalf maanden geen klinische, serologische, virologische of pathologische tekenen van de ziekte van Aujeszky zijn geconstateerd;

d)

die zich niet bevinden in een gebied waar krachtens de wetgeving van de Unie beperkende maatregelen zijn ingesteld als gevolg van het uitbreken van een infectieuze of besmettelijke ziekte bij als landbouwhuisdier gehouden varkens, waaronder mond-en-klauwzeer, vesiculaire varkensziekte, vesiculaire stomatitis, klassieke varkenspest en Afrikaanse varkenspest;

1.2.2.

niet eerder zijn gehouden in een beslag met aan lagere status dan die beschreven in punt 1.2.1;

1.3.

binnen 30 dagen vóór het binnenbrengen in de in punt 1.1 bedoelde quarantainevoorzieningen negatief hebben gereageerd op de volgende tests, uitgevoerd overeenkomstig de in de desbetreffende wetgeving vastgestelde of bedoelde normen:

a)

wat brucellose betreft, een gebufferde Brucella-antigeentest (bengaals-roodtest) of een cELISA of een iELISA;

b)

wat de ziekte van Aujeszky betreft:

i)

bij niet-ingeënte dieren, een ELISA voor de opsporing van antilichamen tegen de gehele virus van de ziekte van Aujeszky of zijn glycoproteïne B (ADV-gB) of glycoproteïne D (ADV-gD) of een serumneutralisatietest;

ii)

bij dieren die zijn ingeënt met een gE-deletievaccin, een ELISA voor de opsporing van antilichamen tegen glycoproteïne E van de virus van de ziekte van Aujeszky (ADV-gE);

c)

wat klassieke varkenspest betreft, een antilichaam-ELISA of een serumneutralisatietest.

Wanneer dieren bij de onder a), bedoelde brucellosetests positief blijken te zijn, mogen dieren met negatieve resultaten op hetzelfde bedrijf niet in de quarantainevoorzieningen worden toegelaten totdat de brucellosevrije status van de beslagen of bedrijven van oorsprong van de positief reagerende dieren is bevestigd.

De bevoegde autoriteit kan toestaan dat de in dit punt bedoelde tests in de quarantainevoorzieningen worden uitgevoerd, mits de resultaten bekend zijn vóórdat de in punt 1.1 vastgestelde quarantaineperiode begint.

Wat de ziekte van Aujeszky betreft, moeten de overeenkomstig deze richtlijn uitgevoerde serologische tests voldoen aan de normen van bijlage III bij Beschikking 2008/185/EG van de Commissie van 21 februari 2008 betreffende aanvullende garanties ten aanzien van de ziekte van Aujeszky voor het intracommunautaire handelsverkeer van varkens, en betreffende criteria voor de over deze ziekte te verstrekken gegevens (1).

1.4.

zijn onderworpen aan de volgende tests, uitgevoerd op monsters die zijn verzameld gedurende de laatste 15 dagen van de in punt 1.1 vastgestelde quarantaineperiode:

a)

wat brucellose betreft, een gebufferde Brucella-antigeentest (bengaals-roodtest) of een cELISA of een iELISA;

b)

wat de ziekte van Aujeszky betreft:

i)

bij niet-ingeënte dieren, een ELISA voor de opsporing van antilichamen tegen de gehele virus van de ziekte van Aujeszky of zijn glycoproteïne B (ADV-gB) of glycoproteïne D (ADV-gD) of een serumneutralisatietest;

ii)

bij dieren die zijn ingeënt met een gE-deletievaccin, een ELISA voor de opsporing van antilichamen tegen glycoproteïne E van de virus van de ziekte van Aujeszky (ADV-gE).

Als dieren positief blijken te zijn bij de onder a) bedoelde tests op brucellose en het vermoeden van brucellose niet overeenkomstig punt 1.5.2 is weerlegd, moeten die dieren onmiddellijk uit de quarantainevoorzieningen worden verwijderd.

Als dieren positief blijken te zijn bij de onder b) bedoelde tests op de ziekte van Aujeszky, moeten die dieren onmiddellijk uit de quarantainevoorzieningen worden verwijderd.

Als een groep dieren in quarantaine wordt geplaatst, moet de bevoegde autoriteit alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de resterende dieren die negatief op de onder a) en b) bedoelde tests hebben gereageerd, een toereikende gezondheidsstatus hebben voordat zij overeenkomstig deze bijlage tot het spermacentrum worden toegelaten.

1.5.

Genomen maatregelen bij een vermoeden van brucellose:

1.5.1.

Het volgende protocol moet worden uitgevoerd ten aanzien van dieren die bij de in punt 1.4, onder a), bedoelde test positief op brucellose zijn getest:

a)

de positieve sera worden onderworpen aan ten minste een van de in punt 1.4, onder a), vastgestelde alternatieve tests, die niet is uitgevoerd op de in punt 1.4 bedoelde monsters;

b)

een epidemiologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het(de) bedrijf(bedrijven) van oorsprong van de positief reagerende dieren;

c)

op de dieren die positief zijn getest bij de in punt 1.4, onder a) en punt 1.5.1, onder a), bedoelde tests, wordt ten minste een van de volgende tests uitgevoerd op monsters die ten minste zeven dagen na de in punt 1.4 bedoelde datum van verzameling van de monsters zijn verzameld:

i)

gebufferde Brucella-antigeentest (bengaals-roodtest);

ii)

serumagglutinatietest;

iii)

complementbindingsreactie;

iv)

cELISA;

v)

iELISA.

1.5.2.

Het vermoeden van brucellose wordt weerlegd, als:

a)

de in punt 1.5.1, onder a), bedoelde herhalingstest een negatief resultaat heeft opgeleverd, het epidemiologische onderzoek in het(de) bedrijf(bedrijven) van oorsprong de aanwezigheid van varkensbrucellose niet heeft aangetoond en de in punt 1.5.1, onder c), bedoelde test met negatief resultaat is uitgevoerd, of

b)

het epidemiologische onderzoek in het(de) bedrijf(bedrijven) van oorsprong de aanwezigheid van varkensbrucellose niet heeft aangetoond en alle dieren waarvan het resultaat bij de in punt 1.5.1, onder a) of c), bedoelde tests positief was, in elk geval met negatief resultaat zijn onderworpen aan een post-mortemonderzoek en een test voor de opsporing van de ziekteverwekker van varkensbrucellose.

1.5.3.

Nadat het vermoeden van brucellose is weerlegd, mogen alle dieren uit de in punt 1.4, tweede alinea, bedoelde quarantainevoorzieningen tot het spermacentrum worden toegelaten.

2.

Alle tests moeten in een erkend laboratorium worden uitgevoerd.

3.

De dieren mogen slechts tot een spermacentrum worden toegelaten met de uitdrukkelijke toestemming van de dierenarts van het centrum. Alle dieren die het spermacentrum binnenkomen en verlaten, moeten worden geregistreerd.

4.

Dieren die in een spermacentrum worden toegelaten, mogen op de dag van toelating geen klinische ziektetekenen vertonen.

5.

Alle dieren moeten, onverminderd punt 6, direct afkomstig zijn uit de quarantainevoorzieningen, die op de datum van verzending aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij bevinden zich niet in een gebied waar krachtens de wetgeving van de Unie beperkende maatregelen zijn ingesteld als gevolg van het uitbreken van een infectieuze of besmettelijke ziekte bij als landbouwhuisdier gehouden varkens, waaronder mond-en-klauwzeer, vesiculaire varkensziekte, vesiculaire stomatitis, klassieke varkenspest en Afrikaanse varkenspest;

b)

in de laatste dertig dagen vóór de datum van verzending zijn geen klinische, serologische, virologische of pathologische tekenen van de ziekte van Aujeszky geconstateerd.

6.

De dieren mogen direct uit een spermacentrum naar een ander centrum met gelijke gezondheidsstatus zonder quarantaine of tests worden overgebracht, mits aan de in punt 5 vastgestelde voorwaarden wordt voldaan en de in hoofdstuk II vermelde verplichte routinetests zijn uitgevoerd tijdens de twaalf maanden vóór de datum van de overbrenging.

Deze dieren mogen niet direct of indirect in contact komen met evenhoevige dieren met een lagere gezondheidsstatus en de gebruikte vervoermiddelen moeten vóór gebruik zijn schoongemaakt en ontsmet.

7.

Voor de uitvoering van punt 6 en voor het handelsverkeer tussen de lidstaten moeten de dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat voor fokvarkens overeenkomstig model 2 in bijlage F bij Richtlijn 64/432/EEG, met een van de volgende aanvullende garanties, overeenkomend met hun status, waarbij door toevoeging van het onderstaande aan punt C van dat certificaat het volgende wordt gecertificeerd:

„7.

De dieren zijn direct afkomstig uit:

(1) hetzij

(een spermacentrum dat voldoet aan Richtlijn 90/429/EEG.)

(1) of

(de quarantainevoorzieningen en voldoen aan de voorwaarden voor toelating tot spermacentra, als vastgesteld in hoofdstuk I van bijlage B bij Richtlijn 90/429/EEG.)

(1) of

(een bedrijf waar zij zijn onderworpen aan de bepalingen van het toelatingsprotocol vóór de quarantaine en er voldaan wordt aan de voorwaarden voor toelating tot de quarantaine, als vastgesteld in de punten 1.2 en 1.3 en punt 2 van hoofdstuk I van bijlage B bij Richtlijn 90/429/EEG.)”.

HOOFDSTUK II

Verplichte routinetests voor in een spermacentrum gehouden dieren

1.

De verplichte routinetests moeten als volgt worden uitgevoerd:

1.1.

Alle in een spermacentrum gehouden dieren moeten met negatief resultaat de onderstaande tests ondergaan:

a)

wat brucellose betreft, een gebufferde Brucella-antigeentest (bengaals-roodtest) of een cELISA of een iELISA;

b)

wat de ziekte van Aujeszky betreft:

i)

bij niet-ingeënte dieren, een ELISA voor de opsporing van antilichamen tegen de gehele virus van de ziekte van Aujeszky of tegen zijn glycoproteïne B (ADV-gB) of glycoproteïne D (ADV-gD) of een serumneutralisatietest;

ii)

bij dieren die zijn ingeënt met een gE-deletievaccin, een ELISA voor de opsporing van antilichamen tegen glycoproteïne E van de virus van de ziekte van Aujeszky (ADV-gE);

c)

wat klassieke varkenspest betreft, een antilichaam-ELISA of een serumneutralisatietest.

1.2.

De in punt 1.1 vermelde tests moeten worden uitgevoerd op monsters die zijn genomen:

a)

van alle dieren onmiddellijk vóór het verlaten van het spermacentrum of bij aankomst in het slachthuis, en in geen geval later dan twaalf maanden na de datum van toelating tot het spermacentrum, of

b)

van ten minste 25 % van de dieren in het spermacentrum elke drie maanden en de dierenarts van het centrum moet erop toezien dat de bemonsterde dieren representatief zijn voor de totale populatie van dat centrum, met name ten aanzien van leeftijdsgroepen en huisvesting.

1.3.

Wanneer de tests worden uitgevoerd overeenkomstig punt 1.2, onder b), moet de dierenarts van het centrum erop toezien dat alle dieren ten minste één keer tijdens hun verblijf in het spermacentrum en ten minste elke twaalf maanden na de datum van toelating, als zij langer dan twaalf maanden in het centrum verblijven, overeenkomstig punt 1.1 worden getest.

2.

Alle tests moeten in een erkend laboratorium worden uitgevoerd.

3.

Indien een van de in punt 1.1 genoemde tests een positief resultaat oplevert, moet het dier worden afgezonderd en mag sperma dat sinds de laatste negatieve test van dat dier is gewonnen, niet binnen de Unie in het handelsverkeer worden gebracht.

Sperma dat van elk dier in het spermacentrum sinds de datum van de laatste negatieve test van dat dier is gewonnen, moet afzonderlijk worden opgeslagen en mag niet binnen de Unie in het handelsverkeer worden gebracht, totdat de gezondheidsstatus van dat centrum is hersteld onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van de lidstaat.

„BIJLAGE C

Voorwaarden voor sperma dat in een spermacentrum is gewonnen en voor het handelsverkeer binnen de Unie is bestemd

1.

Sperma moet afkomstig zijn van dieren die:

a)

geen klinische ziektetekenen vertonen op de datum waarop het sperma wordt gewonnen;

b)

niet tegen mond- en klauwzeer zijn ingeënt;

c)

voldoen aan de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage B;

d)

niet worden gebruikt voor natuurlijke dekking;

e)

worden gehouden in spermacentra die zich niet mogen bevinden in een gebied waar krachtens de bepalingen van de wetgeving van de Unie beperkende maatregelen zijn ingesteld als gevolg van het uitbreken van een infectieuze of besmettelijke ziekte bij als landbouwhuisdier gehouden varkens, waaronder mond-en-klauwzeer, vesiculaire varkensziekte, vesiculaire stomatitis, klassieke varkenspest en Afrikaanse varkenspest;

f)

worden gehouden in spermacentra waar in de periode van 30 dagen vóór de datum van de winning geen klinische, serologische, virologische of pathologische tekenen van de ziekte van Aujeszky zijn geconstateerd.

2.

Een efficiënte combinatie van antibiotica, met name tegen leptospiren, moet aan het sperma na eindverdunning of aan het verdunningsmiddel worden toegevoegd.

Wanneer het gaat om diepgevroren sperma, moeten vóór het invriezen antibiotica aan het sperma worden toegevoegd.

2.1.

De in punt 2 bedoelde combinatie van antibiotica moet zorgen voor een effect dat ten minste gelijkwaardig is aan de volgende concentratie in het uiteindelijke verdunde sperma:

a)

niet minder dan 500 μg streptomycine per ml eindverdunning;

b)

niet minder dan 500 IU penicilline per ml eindverdunning;

c)

niet minder dan 150 μg lincomycine per ml eindverdunning;

d)

niet minder dan 300 μg spectinomycine per ml eindverdunning.

2.2.

Onmiddellijk na de toevoeging van de antibiotica moet het verdunde sperma gedurende ten minste 45 minuten op een temperatuur van ten minste 15 °C worden gehouden.

3.

Voor het handelsverkeer binnen de Unie bestemd sperma moet:

a)

vóór de verzending worden opgeslagen overeenkomstig punt 2, onder d), van hoofdstuk I en punt 6, onder a), b), e) en f), van hoofdstuk II van bijlage A;

b)

naar de lidstaat van bestemming worden vervoerd in recipiënten die vóór gebruik zijn schoongemaakt en ontsmet of gesteriliseerd en die vóór de verzending uit het spermacentrum zijn verzegeld.

4.

De lidstaten mogen het binnenbrengen op hun grondgebied of een regio van hun grondgebied van sperma afkomstig uit spermacentra waar tegen de ziekte van Aujeszky ingeënte dieren worden toegelaten, weigeren wanneer dat grondgebied of die regio is erkend als vrij van de ziekte van Aujeszky overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 64/432/EEG.

De lidstaten die gebruik willen maken van de bepalingen in de eerste alinea moeten de Commissie en de andere lidstaten vóór de indiening van de desbetreffende aanvraag van hun voornemen in kennis stellen.

„BIJLAGE D

Model van diergezondheidscertificaat voor het handelsverkeer binnen de Unie in sperma van varkens

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld
”

(1)   PB L 59 van 4.3.2008, blz. 19.


Top