EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31976L0308

Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, alsmede van landbouwheffingen en douanerechten

OJ L 73, 19.3.1976, p. 18–23 (DA, DE, EN, FR, IT, NL)
Greek special edition: Chapter 02 Volume 002 P. 126 - 131
Spanish special edition: Chapter 02 Volume 003 P. 46 - 51
Portuguese special edition: Chapter 02 Volume 003 P. 46 - 51
Special edition in Finnish: Chapter 02 Volume 002 P. 66 - 70
Special edition in Swedish: Chapter 02 Volume 002 P. 66 - 70
Special edition in Czech: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Estonian: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Latvian: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Lithuanian: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Hungarian Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Maltese: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Polish: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Slovak: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Slovene: Chapter 02 Volume 001 P. 44 - 49
Special edition in Bulgarian: Chapter 02 Volume 001 P. 35 - 40
Special edition in Romanian: Chapter 02 Volume 001 P. 35 - 40

No longer in force, Date of end of validity: 29/06/2008; opgeheven door 32008L0055 . Latest consolidated version: 01/05/2004

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1976/308/oj

31976L0308

Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, alsmede van landbouwheffingen en douanerechten

Publicatieblad Nr. L 073 van 19/03/1976 blz. 0018 - 0023
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 2 Deel 2 blz. 0066
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 02 Deel 2 blz. 0126
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 2 Deel 2 blz. 0066
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 02 Deel 3 blz. 0046
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 02 Deel 3 blz. 0046


++++

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 15 maart 1976

betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw , alsmede van landbouwheffingen en douanerechten

( 76/308/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 100 ,

Gelet op Verordening ( EEG ) nr . 729/70 van de Raad van 21 april 1970 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ( 1 ) , laatstelijk gewijzigd bij Verordening ( EEG ) nr . 2788/72 ( 2 ) , inzonderheid op artikel 8 , lid 3 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 3 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 4 ) ,

Overwegende dat in het huidige stadium een schuldvordering die het voorwerp uitmaakt van een door de autoriteiten van een Lid-Staat opgestelde titel in een andere Lid-Staat niet kan worden ingevorderd ;

Overwegende dat de nationale bepalingen op het gebied van de invordering , uitsluitend door het feit dat hun werkingssfeer beperkt is tot het nationale grondgebied , een hindernis vormen voor de instelling of de werking van de gemeenschappelijke markt ; dat deze situatie integrale en rechtvaardige toepassing van de communautaire voorschriften , met name op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid , onmogelijk maakt en frauduleuze handelingen vergemakkelijkt ;

Overwegende dat het derhalve noodzakelijk is gemeenschappelijke regels voor wederzijdse bijstand op het gebied van de invordering vast te stellen ;

Overwegende dat deze regels van toepassing moeten zijn op de invordering , zowel van de schuldvorderingen die voortvloeien uit de diverse maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van volledige of gedeeltelijke financiering door het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw , als van de landbouwheffingen en de douanerechten in de zin van artikel 2 van Besluit 70/243/EGKS , EEG , Euratom van 21 april 1970 betreffende de vervanging van de financiële bijdragen van de Lid-Staten door eigen middelen van de Gemeenschappen ( 5 ) en van artikel 128 van de Akte van Toetreding ; dat zij eveneens van toepassing moeten zijn op de invordering van kosten en interessen in verband met deze schuldvorderingen ;

Overwegende dat de wederzijdse bijstand moet inhouden dat de aangezochte autoriteit enerzijds aan de verzoekende autoriteit de inlichtingen verstrekt die haar van nut zijn voor de invordering van de schuldvorderingen die zijn ontstaan in de Lid-Staat waar zij is gevestigd en overgaat tot notificatie aan de debiteur van alle akten met betrekking tot deze schuldvorderingen welke uitgaan van deze Lid-Staat , en anderzijds op verzoek van de verzoekende autoriteit schuldvorderingen welke zijn ontstaan in de Lid-Staat waar laatstgenoemde is gevestigd , invordert ;

Overwegende dat deze verschillende vormen van bijstand door de aangezochte autoriteit moeten worden toegepast met inachtneming van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die ter zake gelden in de Lid-Staat waar zij is gevestigd ;

Overwegende dat de wijze waarop de verzoeken om bijstand door de verzoekende autoriteit moeten worden opgesteld , dient te worden vastgesteld en dat de bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aangezochte autoriteit hieraan in sommige gevallen geen gevolg behoeft te geven , limitatief moeten worden omschreven ;

Overwegende dat wanneer de aangezochte autoriteit voor rekening van de verzoekende autoriteit een schuldvordering moet invorderen , zij , indien de in de Lid-Staat waar zij is gevestigd geldende bepalingen dit toelaten , en in overleg met de verzoekende autoriteit , aan de debiteur uitstel van betaling moet kunnen verlenen of een betaling in termijnen toestaan ; dat de eventueel te innen interessen uit hoofde van het verlenen van deze faciliteiten dienen te worden overgemaakt aan de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd ;

Overwegende dat de aangezochte autoriteit op een met redenen omkleed verzoek van de verzoekende autoriteit eveneens , voor zover de in de Lid-Staat waar zij is gevestigd geldende bepalingen dit toelaten , moet kunnen overgaan tot het nemen van conservatoire maatregelen om de invordering te waarborgen van de schuldvorderingen die zijn ontstaan in de verzoekende Lid-Staat ; dat deze schuldvoederingen echter geen enkel voorrecht mogen genieten in de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd ;

Overwegende dat het gedurende de invorderingsprocedure in de Lid-Staat waar de aangezoechte autoriteit is gevestigd , kan voorkomen dat de schuldvordering of de in de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd afgegeven executoriale titel door de belanghebbende wordt betwist ; dat in dit geval moet worden bepaald dat de zaak door deze voor de bevoegde instantie van de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd , dient te worden gebracht en dat de aangezochte autoriteit de executieprocedure die zij heeft ingezet , dient te schorsen totdat deze bevoegde instantie heeft beslist ;

Overwegende dat er dient te worden bepaald dat de in het kader van de wederzijdse bijstand betreffende invordering verstrekte documenten en inlichtingen niet voor andere doeleinden mogen worden gebruikt ;

Overwegende dat de bepalingen van deze richtlijn geen beperking mogen vormen voor de wederzijdse bijstand welke sommige Lid-Staten elkaar op grond van bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen verlenen ;

Overwegende dat een harmonieuze werking van de wederzijdse bijstand dient te worden gewaarborgd en dat daartoe in een communautaire procedure moet worden voorzien waardoor de praktische toepassingsbepalingen binnen passende termijnen kunnen worden vastgesteld ; dat er een Comité moet worden ingesteld ten einde een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie ter zake tot stand te brengen ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1

In deze richtlijn worden de regels vastgesteld , die in de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten dienen te worden opgenomen ten einde de invordering in elke Lid-Staat te verzekeren van de in artikel 2 bedoelde schuldvorderingen , die in een andere Lid-Staat zijn ontstaan .

Artikel 2

Deze richtlijn is van toepassing op alle schuldvorderingen die verband houden met :

a ) de restituties , interventies en andere maatregelen die deel uitmaken van het stelsel van algehele of gedeeltelijke financiering door het Europees Oriëntatie - en Garantiefonds voor de Landbouw , met inbegrip van de in het kader van deze acties te innen bedragen ;

b ) de landbouwheffingen in de zin van artikel 2 , sub a ) , van Besluit 70/243/EGKS , EEG , Euratom en van artikel 128 , sub a ) , van de Akte van Toetreding ;

c ) de douanerechten in de zin van artikel 2 , sub b ) , van genoemd besluit en van artikel 128 , sub b ) , van de Akte van Toetreding ;

d ) de kosten en interessen , verbonden aan de invordering van de hierboven bedoelde schuldvorderingen .

Artikel 3

In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder :

- " verzoekende autoriteit " , de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat die een verzoek tot bijstand indient betreffende een schuldvordering , als bedoeld in artikel 2 ,

- " aangezochte autoriteit " , de bevoegde autoriteit van een Lid-Staat tot welke een verzoek tot bijstand is gericht .

Artikel 4

1 . Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit haar de inlichtingen die haar van nut zijn voor de invordering van een schuldvordering .

Ten einde zich deze inlichtingen te verschaffen , oefent de aangezochte autoriteit de bevoegdheden uit die zijn vastgesteld bij de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke van toepassing zijn voor de invordering van soortgelijke schuldvorderingen , ontstaan in de Lid-Staat waar zij gevestigd is .

2 . Het verzoek om inlichtingen vermeldt de naam en het adres van de persoon waarop de te verstrekken inlichtingen betrekking hebben , alsmede de aard en het bedrag van de schuldvordering uit hoofde waarvan het verzoek wordt ingediend .

3 . De aangezochte autoriteit is niet gehouden inlichtingen te verstrekken :

a ) welke zij niet zou kunnen verkrijgen voor de invordering van soortgelijke schuldvorderingen , ontstaan in de Lid-Staat waar zij gevestigd is ;

b ) waarmee een commercieel , een industrieel of een beroepsgeheim zou worden onthuld ;

c ) of waarvan mededeling een aantasting zou kunnen vormen van de veiligheid of de openbare orde van deze Staat .

4 . De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan het verzoek tot inlichtingen .

Artikel 5

1 . Op verzoek van de verzoekende autoriteit gaat de aangezochte autoriteit over tot notificatie aan de geadresseerde , volgens de in de Lid-Staat waar zij gevestigd is voor de notificatie van overeenkomstige akten geldende rechtsregels , van alle , met inbegrip van de gerechtelijke , akten en beslissingen met betrekking tot een schuldvordering en/of de invordering daarvan , welke uitgaan van de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd .

2 . Het verzoek tot notificatie vermeldt de naam en het adres van de geadresseerde , de aard en het onderwerp van de te notifiëren akte of beslissing en , in voorkomend geval , de naam en het adres van de debiteur en de in de akte of de beslissing bedoelde schuldvordering , alsmede alle andere nuttige inlichtingen .

3 . De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld op de hoogte van het gevolg dat aan het verzoek tot notificatie is gegeven en meer in het bijzonder van de datum waarop de akte of de beslissing aan de geadresseerde is toegezonden .

Artikel 6

1 . Op verzoek van de verzoekende autoriteit gaat de aangezochte autoriteit volgens de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de invordering van soortgelijke schuldvorderingen , ontstaan in de Lid-Staat waar zij gevestigd is , over tot invordering van de schuldvorderingen waarvoor een executoriale titel bestaat .

2 . Daartoe wordt elke schuldvordering ten aanzien waarvan een verzoek tot invordering bestaat , behandeld als een schuldvordering van de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd , behoudens toepassing van artikel 12 .

Artikel 7

1 . Het verzoek tot invordering van een schuldvordering dat de verzoekende autoriteit tot de aangezochte autoriteit richt , dient vergezeld te gaan van een officieel exemplaar of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van de executoriale titel , afgegeven in de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd en , in voorkomend geval , van het origineel of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van andere voor de invordering benodigde documenten .

2 . De verzoekende autoriteit kan slechts een verzoek tot invordering indienen :

a ) indien de schuldvordering en/of de executoriale titel niet betwist worden in de Lid-Staat waar zij gevestigd is ;

b ) wanneer zij in de Lid-Staat waar zij gevestigd is , deinvorderingsprocedure heeft ingesteld , welke op basis van de in lid 1 bedoelde titel kan worden uitgevoerd , en de genomen maatregelen niet hebben geleid tot volledige betaling van de schuldvordering .

3 . Het verzoek tot invordering vermeldt de naam en het adres van de betrokken persoon , de aard van de schuldvordering , het bedrag van de hoofdsom en van de verschuldigde interessen en kosten , alsmede alle andere nuttige inlichtingen .

4 . Het verzoek tot invordering omvat bovendien een verklaring van de verzoekende autoriteit , waarin de datum wordt aangegeven vanaf welke de tenuitvoerlegging mogelijk is volgens de in de Lid-Staat waar zij gevestigd is geldende rechtsregels , en waarin wordt bevestigd dat aan de in lid 2 gestelde voorwaarden is voldaan .

5 . De verzoekende autoriteit doet de aangezochte autoriteit , zodra zij hiervan kennis heeft , alle nuttige inlichtingen toekomen die betrekking hebben op de zaak welke de aanleiding was voor het verzoek tot invordering .

Artikel 8

De executoriale titel van de schuldvordering wordt , in voorkomend geval , en volgens de in de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd geldende bepalingen , bekrachtigd , erkend , aangevuld of vervangen door een executoriale titel geldend voor het grondgebied van deze Lid-Staat .

Het bekrachtigen , erkennen , aanvullen of vervangen van de titel dient zo spoedig mogelijk te geschieden na ontvangst van het verzoek tot invordering . Dit kan niet worden geweigerd wanneer de executoriale titel voor de Lid-Staat waar de verz * ende autoriteit is gevestigd , in behoorlijke vorm is opgesteld .

Ingeval het vervullen van een van deze formaliteiten aanleiding geeft tot een onderzoek of een betwisting in verband met de schuldvordering en/of de executoriale titel , afgegeven door de verzoekende autoriteit , is artikel 12 van toepassing .

Artikel 9

1 . De invordering geschiedt in de valuta van de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd .

2 . De aangezochte autoriteit kan , indien de in de Lid-Staat waar zij gevestigd is geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dit toelaten , en na raadpleging van de verzoekende autoriteit , aan de debiteur uitstel van betaling verlenen of een betaling in termijnen toestaan . De door de aangezochte autoriteit uit hoofde van dit uitstel van betaling geïnde interessen dienen te worden overgemaakt aan de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd .

Tevens dienen aan de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd , alle andere interessen te worden overgemaakt die zijn geïnd voor niet tijdige betaling krachtens de in de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen .

Artikel 10

De in te vorderen schuldvorderingen genieten geen enkel voorrecht in de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd .

Artikel 11

De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld op de hoogte van het gevolg dat zij aan het verzoek tot invordering heeft gegeven .

Artikel 12

1 . Indien gedurende de invorderingsprocedure de schuldvordering en/of de in de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd afgegeven executoriale titel door een belanghebbende worden betwist , wordt de zaak door deze voor de bevoegde instantie van de Lid-Staat gebracht , waar de verzoekende autoriteit is gevestigd , overeenkomstig de in deze laatste Lid-Staat geldende rechtsregels . Deze vordering moet door de verzoekende autoriteit worden genotifieerd aan de aangezochte autoriteit . Bovendien kan zij door de belanghebbende worden genotifieerd aan de aangezochte autoriteit .

2 . Zodra de aangezochte autoriteit de in lid 1 bedoelde notificatie heeft ontvangen , hetzij van de verzoekende autoriteit , hetzij van de belanghebbende , schorst zij de executieprocedure in afwachting van de beslissing van de op dit gebied bevoegde instantie . Indien zij dit nodig acht , kan zij , onverminderd artikel 13 , overgaan tot het nemen van conservatoire maatregelen om de invordering te waarborgen , voor zover de in de Lid-Staat waar zij gevestigd is geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zulks toestaan voor soortgelijke schuldvorderingen .

3 . Wanneer de betwisting betrekking heeft op uitvoeringsmaatregelen die zijn getroffen in de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd , wordt de zaak voor de bevoegde instantie van deze Lid-Staat gebracht , overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van deze Lid-Staat .

4 . Wanneer de bevoegde instantie waarvoor de zaak overeenkomstig lid 1 is gebracht , een gewone of administratieve rechter is , vormt de uitspraak van deze rechter , voor zover zij gunstig is voor de verzoekende autoriteit en zij het mogelijk maakt om de schuldvordering in de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit gevestigd is , in te vorderen , de " executoriale titel " in de zin van de artikelen 6 , 7 en 8 en wordt de schuldvordering op grond van deze uitspraak ingevorderd .

Artikel 13

Op met redenen omkleed verzoek van de verzoekende autoriteit gaat de aangezochte autoriteit over tot het nemen van conservatoire maatregelen ten einde de invordering van een schuldvordering te waarborgen , voor zover de in de Lid-Staat waar zij gevestigd is , geldende wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen zulks toestaan .

Voor de tenuitvoerlegging van de eerste alinea zijn artikel 6 , artikel 7 , leden 1 , 3 en 5 , en de artikelen 8 , 11 , 12 en 14 van overeenkomstige toepassing .

Artikel 14

De aangezochte autoriteit is niet gehouden :

a ) de in de artikelen 6 tot en met 13 genoemde bijstand te verlenen , indien de invordering van de schuldvordering , wegens de situatie van de debiteur , ernstige moeilijkheden van economische of sociale aard zou kunnen opleveren in de Lid-Staat waar zij gevestigd is ;

b ) over te gaan tot invordering van de schuldvordering wanneer de verzoekende autoriteit , op het grondgebied van de Lid-Staat waar zij gevestigd is , niet alle middelen tot invordering van genoemde schuldvordering heeft uitgeput .

De aangezochte autoriteit brengt de verzoekende autoriteit op de hoogte van de beweegredenen die zich verzetten tegen het voldoen aan het verzoek tot bijstand . Deze met redenen omklede weigering wordt tevens ter kennis van de Commissie gebracht .

Artikel 15

1 . De vraagstukken met betrekking tot de verjaring worden uitsluitend geregeld door de rechtsregels die gelden in de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd .

2 . De overeenkomstig het verzoek tot bijstand door de aangezochte autoriteit genomen maatregelen tot invordering , die , indien zij door de verzoekende autoriteit zouden zijn genomen , tot gevolg zouden hebben gehad dat de verjaring volgens de rechtsregels die gelden in de Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd , zou zijn opgeschort of onderbroken , worden , voor wat dit gevolg betreft , beschouwd als te zijn genomen in deze laatste Staat .

Artikel 16

De voor toepassing van deze richtlijn aan de aangezochte autoriteit verstrekte documenten en inlichtingen kunnen door deze slechts worden medegedeeld :

a ) aan de in het verzoek tot bijstand bedoelde persoon ;

b ) aan de personen en autoriteiten belast met de invordering van de schuldvorderingen , en uitsluitend voor dat doel ;

c ) aan de gerechtelijke instanties waarbij zaken met betrekking tot de invordering van de schuldvorderingen aanhangig worden gemaakt .

Artikel 17

De verzoeken om bijstand en de bijgevoegde stukken worden vergezeld van een vertaling in de officiële taal of in een van de officiële talen van de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd , onverminderd het recht van deze laatste om van het overleggen van een dergelijke vertaling af te zien .

Artikel 18

De Lid-Staten zien wederzijds af van iedere vergoeding van de kosten die voortvloeien uit de wederzijdse bijstand welke zij elkaar overeenkomstig deze richtlijn verlenen .

De Lid-Staat waar de verzoekende autoriteit is gevestigd , blijft echter ten opzichte van de Lid-Staat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd , verantwoordelijk voor de geldelijke gevolgen van eisen die als niet gerechtvaardigd zijn erkend , voor wat betreft de gegrondheid van de schuldvordering of de geldigheid van de door de verzoekende autoriteit afgegeven titel .

Artikel 19

De Lid-Staten delen elkaar de lijst mede van de autoriteiten die gemachtigd zijn verzoeken om bijstand in te dienen of te ontvangen .

Artikel 20

1 . Er is ingesteld een " Comité voor invordering " , hierna te noemen het " Comité " , dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en onder voorzitterschap staat van een vertegenwoordiger van de Commissie .

2 . Het Comité stelt zijn reglement van orde vast .

Artikel 21

Het Comité kan elk vraagstuk betreffende de toepassing van deze richtlijn onderzoeken , dat door zijn voorzitter , hetzij op diens initiatief , hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde wordt gesteld .

Artikel 22

1 . De praktische bepalingen voor de toepassing van artikel 4 , leden 2 en 4 , artikel 5 , leden 2 en 3 , artikel 7 , leden 1 , 3 en 5 , de artikelen 9 en 11 en artikel 12 , lid 1 , evenals die betreffende de omrekening , de overmaking van de ingevorderde bedragen en de vaststelling van een minimumbedrag van de schuldvorderingen waarvoor een verzoek tot bijstand kan worden ingediend , worden vastgesteld volgens de procedure van de leden 2 en 3 .

2 . De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het Comité een ontwerp voor van de vast te stellen bepalingen . Het Comité brengt over dit ontwerp advies uit binnen een termijn die de voorzitter kan bepalen naar gelang van de urgentie van het betrokken vraagstuk . Het spreekt zich uit met een meerderheid van 41 stemmen , waarbij de stemmen van de Lid-Staten worden gewogen overeenkomstig het bepaalde in artikel 148 , lid 2 , van het Verdrag . De voorzitter neemt geen deel aan de stemming .

3 . a ) De Commissie stelt de beoogde bepalingen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité .

b ) Wanneer de beoogde bepalingen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of bij gebreke van een advies , doet de Commissie onverwijld een voorstel aan de Raad betreffende de vast te stellen bepalingen . De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen .

c ) Indien na verloop van een termijn van drie maanden , te rekenen vanaf de indiening van het voorstel bij de Raad , deze geen besluit heeft genomen , worden de voorgestelde bepalingen door de Commissie vastgesteld .

Artikel 23

De bepalingen van deze richtlijn doen geen afbreuk aan de toepassing van de meer uitgebreide wederzijdse bijstand welke sommige Lid-Staten elkaar krachtens overeenkomsten of regelingen verlenen of zouden kunnen verlenen , met inbegrip van het gebied van de notificatie van gerechtelijke of buitengerechtelijke akten .

Artikel 24

De Lid-Staten doen de nodige maatregelen in werking treden om uiterlijk op 1 januari 1978 aan deze richtlijn te voldoen .

Artikel 25

Elke Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de maatregelen die hij treft voor de toepassing van deze richtlijn . De Commissie doet deze inlichtingen toekomen aan de overige Lid-Staten .

Artikel 26

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 15 maart 1976 .

Voor de Raad

De Voorzitter

R . VOUEL

( 1 ) PB nr . L 94 van 28 . 4 . 1970 , blz . 13 .

( 2 ) PB nr . L 295 van 30 . 12 . 1972 , blz . 1 .

( 3 ) PB nr . C 19 van 12 . 4 . 1973 , blz . 38 .

( 4 ) PB nr . C 69 van 28 . 8 . 1973 , blz . 3 .

( 5 ) PB nr . L 94 van 28 . 4 . 1970 , blz . 19 .

Top