Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32025R0486

Uitvoeringsverordening (EU) 2025/486 van de Commissie van 17 maart 2025 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever

C/2025/1567

PB L, 2025/486, 18.3.2025, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/486/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 25/12/2025

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/486/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2025/486

18.3.2025

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2025/486 VAN DE COMMISSIE

van 17 maart 2025

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de voorwaarden en procedures in verband met de status van toegelaten CBAM-aangever

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2023/956 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 tot instelling van een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie (1), en met name artikel 5, lid 8, en artikel 17, lid 10,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) 2023/956 zijn de regels voor het indienen van een aanvraag om een toegelaten CBAM-aangever te worden (de “aanvraag”), en de criteria en procedures voor het verlenen van die toelating vastgesteld.

(2)

Importeurs moeten een aanvraag indienen om de in bijlage I bij Verordening (EU) 2023/956 vermelde goederen in het douanegebied van de Unie te kunnen invoeren. Importeurs van elektriciteit, waarop artikel 5, lid 4, van die verordening van toepassing is, moeten worden aangemerkt als toegelaten CBAM-aangevers zonder dat zij een aanvraag hoeven in te dienen.

(3)

De Commissie moet uitvoeringsvoorschriften voor de indiening van aanvragen en voor de toelatingsprocedure vaststellen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de noodzaak om de administratieve lasten tot een minimum te beperken, door zo veel mogelijk een beroep te doen op geautomatiseerde procedures en eigen verklaringen.

(4)

Om toelating te krijgen, moet een aanvrager, voorafgaand aan de eerste invoer van goederen, een aanvraag indienen bij zijn lidstaat van vestiging via een standaardvorm waarin het CBAM-register voorziet.

(5)

Om te waarborgen dat het besluit van de bevoegde autoriteit op volledige en actuele informatie is gebaseerd, moet het de aanvrager worden toegestaan om, voordat de bevoegde autoriteit haar besluit neemt, een gemotiveerd verzoek tot aanpassing van de in zijn aanvraag verstrekte informatie in te dienen. Dit recht mag geen afbreuk doen aan het recht van de aanvrager om te allen tijde van de verwerkingsverantwoordelijke een rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen, overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(6)

Om te waarborgen dat, enerzijds, de bevoegde autoriteit de aanvraag naar behoren kan onderzoeken en de raadplegingsprocedure kan uitvoeren en, anderzijds, aanvragers tijdig een besluit over hun aanvraag ontvangen, moet de bevoegde autoriteit tot wie een aanvraag is gericht, binnen een redelijke termijn over de aanvraag besluiten. Die termijn mag niet meer dan 120 kalenderdagen bedragen.

(7)

Zo nodig moet de bevoegde autoriteit de aanvrager om aanvullende informatie kunnen verzoeken. In dat geval moet de bevoegde autoriteit de termijn voor de behandeling van de aanvraag met een redelijke termijn kunnen verlengen.

(8)

Om de implementatie van het toelatingsproces tijdens de eerste maanden van toepassing van deze verordening te vergemakkelijken, is een verlenging van de termijn waarbinnen de bevoegde autoriteiten een besluit over de aanvraag moeten nemen, noodzakelijk.

(9)

De termijn voor de behandeling van de aanvraag kan worden verlengd wanneer onderzoek nodig is om vast te stellen of de aanvrager betrokken is geweest bij ernstige of herhaalde inbreuken.

(10)

Om toelating te kunnen krijgen, moeten importeurs van elektriciteit waarop artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2023/956 van toepassing is, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van invoer ervan in kennis stellen dat artikel 5, lid 4, van die verordening op hen van toepassing is, en moeten zij haar documenten ter staving voorleggen.

(11)

Om te waarborgen dat alleen bonafide importeurs toegelaten CBAM-aangever worden, moeten de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat de aanvragers niet betrokken zijn geweest bij ernstige of herhaalde inbreuken op de wetgeving gedurende een redelijke termijn voor de indiening van een aanvraag, of bij economische strafbare feiten gedurende de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag, en dat zij financieel solide zijn.

(12)

Ingevolge een risicobeoordeling door de bevoegde autoriteit kan naleving van de criteria van artikel 17, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956 worden vastgesteld op basis van de in artikel 5, lid 5, punt e), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde verklaring op erewoord. Indien nodig kan de bevoegde autoriteit de aanvrager om een strafrechtelijk uittreksel verzoeken om de in de aanvraag verstrekte informatie te bevestigen.

(13)

Voorts moeten de regels betreffende de raadplegingsprocedure de bevoegde autoriteit in staat stellen bij de Commissie en andere bevoegde autoriteiten informatie te verzamelen om na te gaan of de aanvrager aan de toelatingscriteria voldoet. Uit in de overgangsperiode ontvangen gegevens blijkt dat importeurs die jaarlijks goederen invoeren voor een gewicht minder dan één ton, beperkte grensoverschrijdende activiteiten verrichten; daarom moet in de voor de raadplegingsprocedure vastgestelde termijn een dienovereenkomstig onderscheid worden gemaakt.

(14)

Om een evenredige toepassing van de toelatingsprocedure te waarborgen, kunnen de bevoegde autoriteiten bij hun beoordeling van de toelatingscriteria rekening houden met de specifieke kenmerken van de aanvrager, met name micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, om onnodige administratieve lasten voor hen te vermijden.

(15)

Indien de aanvrager gedurende de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar van indiening van de aanvraag niet als rechtspersoon was gevestigd, dient de bevoegde autoriteit een zekerheidstelling te verlangen. De inschrijving van die zekerheid moet binnen een bij deze verordening vastgestelde termijn in het CBAM-register worden geregistreerd. De bevoegde autoriteit moet erop toezien dat de zekerheid toereikend blijft, onder meer door in voorkomend geval een aanpassing ervan te eisen, en moet de zekerheid vrijgeven wanneer aan de voorwaarden van artikel 17, lid 7, van Verordening (EU) 2023/956 is voldaan.

(16)

Om te waarborgen dat toegelaten CBAM-aangevers aan de toelatingscriteria blijven voldoen, moeten de bevoegde autoriteiten, op eigen initiatief, nadat een toelating is verleend, de toelatingscriteria opnieuw kunnen beoordelen wanneer zij informatie ontvangen van een andere bevoegde autoriteit of de Commissie dan wel van de toegelaten CBAM-aangever.

(17)

De personen van wie de status van toegelaten CBAM-aangever wordt ingetrokken, moeten al hun verplichtingen nakomen voor goederen die vóór de intrekking zijn ingevoerd. Wanneer de status van toegelaten CBAM-aangever wordt ingetrokken, wordt de toegekende CBAM-rekening gesloten mits aan alle verplichtingen is voldaan overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) 2023/956. Een CBAM-rekening kan slechts binnen de in artikel 19, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde beoordelingstermijn opnieuw worden geopend. Na die termijn wordt de CBAM-rekening definitief gesloten.

(18)

De bepalingen betreffende de aanvraag voor de status van toegelaten CBAM-aangever en die betreffende de toekenning van die status hangen nauw met elkaar samen, aangezien zij betrekking hebben op de indiening van de aanvraag en op de criteria en de procedure voor de toelating. Met het oog op de samenhang moeten de krachtens artikel 5, lid 8, en de krachtens artikel 17, lid 10, van Verordening (EU) 2023/956 vereiste bepalingen in één enkele verordening worden opgenomen.

(19)

Deze verordening moet met ingang van 28 maart 2025 van toepassing zijn zodat het toelatingsproces van CBAM-aangevers vlot kan verlopen en tegelijkertijd het IT-systeem voor het CBAM-register kan worden ontwikkeld om uiterlijk op 1 januari 2026 volledig operationeel te zijn.

(20)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht, met name het recht op bescherming van persoonsgegevens. De verwerking van persoonsgegevens mag alleen plaatsvinden met het oog op maatregelen in verband met het toekennen of intrekken van de status van toegelaten CBAM-aangever, zoals omschreven in deze verordening. De verwerking van persoonsgegevens dient te geschieden in overeenstemming met het Unierecht inzake de bescherming van persoonsgegevens. Er moeten met name passende waarborgen worden ingesteld om de rechten van betrokkenen te beschermen wanneer persoonsgegevens uit hoofde van artikel 10 van Verordening (EU) 2016/679 moeten worden verwerkt. Naast andere technische en organisatorische maatregelen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten nemen, moeten die waarborgen specifieke maatregelen omvatten om ongeoorloofde toegang tot of openbaarmaking van die gegevens te voorkomen.

(21)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (3) en heeft op 27 november 2024 een advies uitgebracht.

(22)

Om te zorgen voor een tijdige toepassing ervan, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(23)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het CBAM-comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Aanvraag om toegelaten CBAM-aangever te worden

Artikel 1

Aanvraagprocedures

1.   De procedures voor de aanvraag om toegelaten CBAM-aangever te worden (“de aanvraag”), verlopen via het CBAM-register in elektronische vorm.

2.   Bij het aanvragen van een toelating verstrekt elke in artikel 5 van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde aanvrager de in dat artikel vermelde informatie.

3.   Indien de aanvrager een in een derde land gevestigde rechtspersoon is en zich in een van de in artikel 5, punt 31, b), van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) bedoelde situaties bevindt, verstrekt de aanvrager zijn adres in dat derde land, zijn vestigingsadres en het EORI-nummer in de lidstaat waar de aanvraag wordt ingediend.

4.   Aan elke aanvraag wordt automatisch een uniek aanvraagreferentienummer toegekend in het CBAM-register.

Artikel 2

Aanpassingen van de ingediende aanvraag

1.   De aanvrager stelt de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen in de in de aanvraag verstrekte informatie en dient een verzoek tot aanpassing van die informatie in voordat een besluit over de aanvraag is genomen. De aanvrager dient het verzoek tot aanpassing, samen met alle relevante informatie en bewijsstukken, in bij de bevoegde autoriteit.

2.   Een verzoek tot aanpassing van de in artikel 5, lid 5, punten a), c) en h), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde informatie vereist geen motivering en de informatie wordt automatisch aangepast en geregistreerd.

3.   De aanvrager motiveert een verzoek tot aanpassing van de in artikel 5, lid 5, punten d) tot en met g), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde informatie in het verzoek tot aanpassing.

4.   De bevoegde autoriteit kan de in artikel 4, lid 1, vastgestelde termijn met 30 kalenderdagen verlengen indien zij de aanvraag opnieuw moet beoordelen als gevolg van het verzoek van de aanvrager om de in de aanvraag verstrekte informatie aan te passen.

5.   Indien de gevraagde aanpassingen substantieel zijn, kan de bevoegde autoriteit de aanvraag afwijzen en de indiening van een nieuwe aanvraag eisen.

Artikel 3

Intrekking van de aanvraag nadat de raadplegingsprocedure is ingeleid

Wanneer de aanvrager de aanvraag intrekt nadat een raadplegingsprocedure overeenkomstig artikel 11, lid 1, is ingeleid, zet de bevoegde autoriteit de raadplegingsprocedure stop en stelt zij de bevoegde autoriteiten in de andere lidstaten en de Commissie (de “geraadpleegde partijen”) in kennis van de intrekking.

Artikel 4

Beoordeling van de aanvraag door de bevoegde autoriteit

1.   De bevoegde autoriteit beoordeelt de aanvraag binnen 120 kalenderdagen te rekenen vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.

2.   Om te beoordelen of aan de criteria van artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956 is voldaan, kan de bevoegde autoriteit rekening houden met het volgende:

a)

conclusies van deskundigen;

b)

conclusies van derden;

c)

door de aanvrager verstrekte audits.

3.   De bevoegde autoriteit documenteert de beoordeling van de naleving van de criteria van artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956 en de resultaten daarvan.

4.   Indien de aanvrager niet in de lidstaat van indiening van de aanvraag is gevestigd, wijst de bevoegde autoriteit de aanvraag af. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager onverwijld in kennis van de afwijzing en de redenen daarvoor.

5.   In afwijking van lid 1 beoordeelt de bevoegde autoriteit, voor aanvragen om een toegelaten CBAM-aangever te worden die vóór 15 juni 2025 zijn ingediend, de aanvraag binnen 180 kalenderdagen.

Artikel 5

Verzoek om aanvullende informatie door de bevoegde autoriteit

1.   De bevoegde autoriteit kan de aanvrager om aanvullende informatie verzoeken die nodig is voor de beoordeling van de voorwaarden en de naleving van de criteria van artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956.

2.   De aanvrager verstrekt de bevoegde autoriteit de overeenkomstig lid 1 gevraagde informatie, in voorkomend geval met inbegrip van bewijsstukken, binnen de door de autoriteit vastgestelde termijn. Die termijn mag niet meer bedragen dan 30 kalenderdagen vanaf de datum van het verzoek om aanvullende informatie.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteit om aanvullende informatie verzoekt, kan de in artikel 4, lid 1, vastgestelde termijn met maximaal 30 kalenderdagen worden verlengd. De bevoegde autoriteit stelt de aanvrager in kennis van die verlenging en de redenen daarvoor.

4.   De beoordeling van een aanvraag in de gevallen waarin overeenkomstig dit artikel om aanvullende informatie wordt verzocht, mag niet langer dan 180 kalenderdagen duren vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 6

Voornemen om een negatief besluit te nemen en beroep

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit voornemens is de toekenning van de status van toegelaten CBAM-aangever te weigeren, stelt zij de aanvrager daarvan in kennis en biedt zij hem de mogelijkheid opmerkingen in te dienen.

2.   De bevoegde autoriteit vermeldt in de kennisgeving aan de aanvrager het volgende:

a)

haar voornemen om de toekenning van de status van toegelaten CBAM-aangever te weigeren, alsook de redenen daarvoor;

b)

de termijn waarbinnen de aanvrager opmerkingen kan maken.

3.   De in lid 2, punt b), bedoelde termijn gaat in op de datum waarop de bevoegde autoriteit de aanvrager kennis heeft gegeven, en bedraagt ten hoogste 30 kalenderdagen.

4.   Na het verstrijken van de in de lid 2, punt b), bedoelde termijn kan de bevoegde autoriteit, rekening houdende met de opmerkingen van de aanvrager, haar definitieve besluit nemen.

5.   Indien de bevoegde autoriteit weigert de status van toegelaten CBAM-aangever toe te kennen en de aanvrager het recht van beroep heeft uitgeoefend, registreert de bevoegde autoriteit de instelling van het beroep en het resultaat ervan in het CBAM-register.

Artikel 7

Datum waarop het besluit over de aanvraag van kracht wordt

1.   Een besluit over de aanvraag wordt van kracht op de datum waarop de bevoegde autoriteit dat besluit in het CBAM-register registreert en het aan de aanvrager ter kennis is gebracht in het CBAM-register.

2.   Indien een zekerheid moet worden geregistreerd overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) 2023/956, wordt het in lid 1 bedoelde besluit van kracht op de dag van registratie van de zekerheid overeenkomstig artikel 13 van deze verordening.

Artikel 8

Identificatie van importeurs van elektriciteit

1.   Elke persoon aan wie overeenkomstig artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2023/956 expliciet capaciteit voor de invoer van elektriciteit is toegewezen en die die capaciteit voor invoer nomineert, verstrekt binnen een maand na de in artikel 5, lid 4, van die verordening bedoelde douaneaangifte de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de douaneaangifte is ingediend, de volgende informatie:

a)

die douaneaangifte die betrekking heeft op de invoer van elektriciteit;

b)

de in artikel 5, lid 5, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde informatie;

c)

een vermelding dat capaciteit voor de invoer van elektriciteit aan hem is toegewezen en dat die capaciteit voor invoer is genomineerd overeenkomstig artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) 2023/956;

d)

documenten ter staving van de in punt c) van dit lid bedoelde vermelding.

Artikel 9

Ernstige of herhaalde inbreuken

1.   Aan de criteria van artikel 17, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956 wordt voldaan wanneer de aanvrager, de personen die belast zijn met de CBAM-aangelegenheden van de aanvrager, de personen die de leiding hebben over de aanvrager, en de personen die zeggenschap hebben over de leiding van de aanvrager, aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

er is geen besluit, genomen na een administratieve of gerechtelijke procedure, waarin wordt geconcludeerd dat die personen in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag betrokken zijn geweest bij ernstige of herhaalde inbreuken op de douanewetgeving, belastingvoorschriften, regels inzake marktmisbruik dan wel op Verordening (EU) 2023/956 of op grond van die verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen;

b)

zij hebben in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen strafblad met ernstige strafbare feiten in verband met hun economische activiteiten.

2.   Indien de aanvrager minder dan vijf jaar geleden is opgericht, beoordeelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van vestiging de aanvraag op basis van de documenten en informatie waarover zij beschikt.

3.   De bevoegde autoriteit verzoekt om de volgende informatie, indien dat nodig is om zich ervan te vergewissen dat de aanvrager niet betrokken is geweest bij ernstige of herhaalde inbreuken zoals bedoeld in artikel 17, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956:

a)

strafrechtelijk uittreksel of enig ander document dat krachtens het nationale recht wordt aanvaard als strafrechtelijk uittreksel van de natuurlijke persoon die de toelating aanvraagt;

b)

strafrechtelijk uittreksel, of enig ander document dat krachtens het nationale recht wordt aanvaard als strafrechtelijk uittreksel, van de uiteindelijk begunstigde van de rechtspersoon die als aanvrager optreedt, en van de bestuurders van die rechtspersoon.

4.   Wanneer de bevoegde autoriteit verzoekt om het strafrechtelijk uittreksel of enig ander document dat krachtens het nationale recht wordt aanvaard als strafrechtelijk uittreksel zoals bedoeld in lid 3, registreert de bevoegde autoriteit de redenen voor dat verzoek. De bevoegde autoriteit bewaart het strafrechtelijk uittreksel of enig ander document dat krachtens het nationale recht wordt aanvaard als strafrechtelijk uittreksel, niet langer nadat het besluit tot verlening van de toelating is genomen. Wanneer een besluit tot weigering is genomen overeenkomstig artikel 6, lid 4, worden dat strafblad of die documenten slechts bewaard gedurende de looptijd van het beroep overeenkomstig artikel 6, lid 5, indien van toepassing. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat de toegang tot strafrechtelijke uittreksels wordt beperkt tot personen die in die bevoegde autoriteit verantwoordelijk zijn voor de beoordeling van ernstige of herhaalde inbreuken.

Artikel 10

Voorwaarden voor financiële draagkracht en operationele capaciteit

1.   Aan de criteria van artikel 17, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2023/956 wordt voldaan wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de aanvrager is niet verwikkeld in een faillissementsprocedure;

b)

de aanvrager heeft geen wezenlijke achterstand bij de betaling van douanerechten, belastingen of heffingen die op of in verband met de invoer van goederen worden geheven, en bij de naleving van verplichtingen uit hoofde van financiële regelgeving;

c)

de aanvrager toont aan dat hij over voldoende financiële draagkracht beschikt om zijn verplichtingen na te komen en zijn verbintenissen gestand te doen, rekening houdende met de aard en de omvang van de verrichte economische activiteit, door opgave van de financiële cijfers en alle andere financiële informatie;

d)

de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die geschikt is voor het nakomen van de geraamde verplichtingen om CBAM-certificaten in te leveren, en beschikt over interne controles om fouten in CBAM-aangiften en het beheer van CBAM-certificaten te voorkomen, op te sporen en te corrigeren, en om illegale of onregelmatige transacties te voorkomen en op te sporen.

2.   Indien de aanvrager minder dan twee jaar is gevestigd, wordt de in artikel 17, lid 2, punt b), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde financiële draagkracht gecontroleerd en beoordeeld op basis van de beschikbare gegevens en informatie.

3.   Bij het onderzoek van de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden onderzoekt de bevoegde autoriteit de in de aanvraag verstrekte gegevens en, indien nodig, de samen met de aanvraag verstrekte bewijsstukken, en houdt zij rekening met de specifieke kenmerken van de aanvrager, waaronder de informatie over de geraamde omvang van de invoer die de aanvrager overeenkomstig artikel 5, lid 5, punt g), van Verordening (EU) 2023/956 heeft verstrekt.

Artikel 11

Raadplegingsprocedure en vorm voor het verlenen van een toelating

1.   De bevoegde autoriteit leidt, in elektronische vorm via het CBAM-register, de raadplegingsprocedure in met de geraadpleegde partijen als bedoeld in artikel 17, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) 2023/956 (de “raadplegingsprocedure”) binnen 45 kalenderdagen vanaf het tijdstip waarop zij de in artikel 1, lid 1, bedoelde aanvraag heeft ontvangen.

2.   Tijdens de raadplegingsprocedure start de bevoegde autoriteit de raadpleging van deze partijen over de volgende punten:

a)

of zij bezwaar hebben tegen het verlenen van de status van toegelaten CBAM-aangever;

b)

of de aanvrager een toelatingsaanvraag in hun lidstaat heeft ingediend;

c)

of de aanvrager een toelating is verleend in hun lidstaat;

d)

of er geen toelating van de aanvrager is ingetrokken in hun lidstaat.

3.   Wanneer een geraadpleegde partij in de raadplegingsprocedure over informatie beschikt dat de aanvrager mogelijkerwijs niet voldoet aan een of meer van de voorwaarden en criteria voor de toekenning van de status van toegelaten CBAM-aangever, registreert zij onverwijld haar standpunt, dat zij naar behoren documenteert en motiveert, in het CBAM-register.

4.   De geraadpleegde partijen in de raadplegingsprocedure hebben via het CBAM-register toegang tot het EORI-nummer, de contactgegevens, de status van de aanvraag en de in lid 3 bedoelde antwoorden van de geraadpleegde partijen.

5.   De bevoegde autoriteit kan de geraadpleegde partijen om aanvullende informatie en documentatie verzoeken indien zij dit na de in lid 3 bedoelde antwoorden van die geraadpleegde partijen noodzakelijk acht. Een geraadpleegde partij die om aanvullende informatie en documentatie is verzocht, levert die aanvullende informatie en documentatie binnen vijf werkdagen.

Artikel 12

Raadplegingstermijn

1.   De bevoegde autoriteit stelt een termijn vast waarbinnen de geraadpleegde partijen hun opmerkingen overeenkomstig artikel 11, lid 3, moeten geven.

2.   De in lid 1 bedoelde termijn mag niet meer dan vijf werkdagen bedragen wanneer, volgens de in de aanvraag verstrekte informatie, de geraamde jaarlijkse omvang van de invoer van goederen gelijk is aan of lager is dan één ton.

3.   De in lid 1 bedoelde termijn mag niet meer dan vijftien werkdagen bedragen wanneer, volgens de in de aanvraag verstrekte informatie, de geraamde jaarlijkse omvang van de invoer van goederen hoger is dan één ton.

4.   De bevoegde autoriteit kan de overeenkomstig de leden 2 en 3 vastgestelde raadplegingstermijn verlengen in elk van de volgende gevallen:

a)

de aanvrager verzoekt om aanpassingen overeenkomstig artikel 2 die door de bevoegde autoriteit zijn aanvaard en die relevant zijn voor de raadpleging;

b)

de geraadpleegde partij vraagt meer tijd vanwege de aard van de uit te voeren onderzoeken;

c)

de in punt b) bedoelde verlenging mag niet meer dan vijftien werkdagen bedragen.

5.   Wanneer de geraadpleegde partijen niet antwoorden binnen de overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 vastgestelde raadplegingstermijnen, wordt aan de voorwaarden en criteria waarvoor de raadpleging heeft plaatsgevonden, geacht te zijn voldaan.

HOOFDSTUK II

Zekerheid

Artikel 13

Zekerheidstelling

Wanneer een zekerheid als bedoeld in artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) 2023/956 moet worden gesteld, wordt de zekerheid gesteld door de aanvrager bij de bevoegde autoriteit en geregistreerd door de bevoegde autoriteit in het CBAM-register.

Artikel 14

Toezicht op de zekerheid

1.   De bevoegde autoriteit die de status van toegelaten CBAM-aangever verleent, oefent toezicht uit op de zekerheid.

2.   De toegelaten CBAM-aangever zorgt ervoor dat de zekerheid voldoende hoog is om het aantal CBAM-certificaten te dekken dat hij overeenkomstig artikel 22 van Verordening (EU) 2023/956 met betrekking tot de ingevoerde goederen zou moeten inleveren in vergelijking met de overeenkomstig artikel 5, lid 5, punt g), van die verordening verrichte ramingen.

3.   De toegelaten CBAM-aangever ziet erop toe dat de zekerheid te allen tijde op het in lid 2 bedoelde niveau blijft.

4.   De bevoegde autoriteit herbeoordeelt het bedrag van de zekerheid en verzoekt indien nodig om een aanpassing van de zekerheid om te voldoen aan artikel 16 van deze verordening en artikel 17, lid 6, van Verordening (EU) 2023/956.

Artikel 15

Aanvaarding van andere vormen van zekerheidstelling

De bevoegde autoriteit stelt de Commissie in kennis van de aanvaarding van een andere vorm van garantie overeenkomstig artikel 17, lid 5, tweede alinea, van Verordening (EU) 2023/956.

Artikel 16

Aanpassing van de zekerheid

1.   Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat een aanpassing van een zekerheid noodzakelijk is om aan de vereisten van artikel 17, lid 6, van Verordening (EU) 2023/956 te voldoen, verlangt zij van de toegelaten CBAM-aangever dat hij de zekerheid onverwijld aanpast.

2.   Een besluit tot aanpassing van het bedrag van een zekerheid wordt gebaseerd op het in de douaneaangifte aangegeven bedrag aan ingevoerde goederen en andere relevante informatie waarover de bevoegde autoriteit beschikt. Die informatie wordt door de bevoegde autoriteit toegankelijk gemaakt voor de toegelaten CBAM-aangever.

3.   De CBAM-aangever stelt de aangepaste zekerheid binnen een door de bevoegde autoriteit gestelde termijn, die niet langer mag zijn dan twee maanden nadat het in lid 1 bedoelde verzoek is gedaan. De bevoegde autoriteit registreert de aangepaste zekerheid onverwijld in het CBAM-register.

4.   De bevoegde autoriteit kan de in lid 3 vastgestelde termijn verlengen indien de toegelaten CBAM-aangever daartoe een met redenen omkleed verzoek indient. Indien toegestaan, mag de verlengde termijn niet langer zijn dan drie maanden na het verzoek tot aanpassing van de zekerheid door de bevoegde autoriteit.

5.   Indien de toegelaten CBAM-aangever de aangepaste zekerheid niet stelt binnen de in lid 3 of lid 4 vastgestelde termijn, naargelang het geval, leidt de bevoegde autoriteit de in artikel 22 bedoelde intrekkingsprocedure in.

HOOFDSTUK III

Toelating

Artikel 17

Informatie van de toelating

1.   Het besluit tot verlening van de status van toegelaten CBAM-aangever bevat ten minste de in de bijlage gespecificeerde informatie. De toelating wordt vervolgens in het CBAM-register geregistreerd als “actief”.

2.   Het overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2023/956 toegekende CBAM-rekeningnummer vermeldt de lidstaat van de bevoegde autoriteit die de status van toegelaten CBAM-aangever heeft verleend.

Artikel 18

Herbeoordeling van de status van toegelaten CBAM-aangever

1.   De bevoegde autoriteit die de status van toegelaten CBAM-aangever heeft verleend, herbeoordeelt die status op gezette tijden, en ten minste in de volgende gevallen:

a)

de door de toegelaten CBAM-aangever overeenkomstig artikel 5, lid 7, van Verordening (EU) 2023/956 verstrekte informatie is gewijzigd;

b)

de bevoegde autoriteit beschikt over informatie waaruit blijkt dat mogelijk niet langer is voldaan aan de voorwaarde van artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956;

c)

de bevoegde autoriteit beschikt over informatie waaruit blijkt dat mogelijk niet is voldaan aan de in artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde criteria voor het verlenen van de status van toegelaten CBAM-aangever;

d)

het EORI-nummer is overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nietig verklaard.

2.   De bevoegde autoriteit in een andere lidstaat dan die van de bevoegde autoriteit die de status van toegelaten CBAM-aangever heeft verleend, en de Commissie stellen die bevoegde autoriteit er onverwijld van in kennis wanneer de toegelaten CBAM-aangever betrokken is geweest bij ernstige of herhaalde inbreuken op de douanewetgeving, belastingvoorschriften of regels inzake marktmisbruik overeenkomstig artikel 17, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956.

Artikel 19

Conclusies van de herbeoordeling

1.   Indien de bevoegde autoriteit die de status van toegelaten CBAM-aangever heeft verleend, op basis van de in artikel 18 bedoelde herbeoordeling concludeert dat de status van toegelaten CBAM-aangever moet worden aangepast, stelt zij de toegelaten CBAM-aangever onverwijld in kennis van haar conclusies.

2.   De toegelaten CBAM-aangever kan binnen 30 kalenderdagen op de overeenkomstig lid 1 verrichte kennisgeving antwoorden.

3.   De bevoegde autoriteit leidt de procedure voor de intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever in overeenkomstig artikel 22 van deze verordening indien zij, rekening houdende met eventuele opmerkingen van de toegelaten CBAM-aangever overeenkomstig lid 2, concludeert dat deze niet langer voldoet aan de criteria en voorwaarden voor een toelating overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) 2023/956.

HOOFDSTUK IV

Intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever

Artikel 20

Algemene bepalingen betreffende de intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever

1.   De persoon van wie de status van toegelaten CBAM-aangever is ingetrokken, heeft de verplichting om een CBAM-aangifte in te dienen overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2023/956 voor goederen die vóór de intrekking zijn ingevoerd.

2.   De persoon van wie de status van toegelaten CBAM-aangever is ingetrokken, kan te allen tijde opnieuw een toelating aanvragen indien aan de verplichtingen van lid 1 is voldaan.

Artikel 21

Intrekkingsprocedure op verzoek van de toegelaten CBAM-aangever

1.   Indien de toegelaten CBAM-aangever om intrekking van zijn toelating verzoekt, vermeldt hij de reden en de datum met ingang waarvan de intrekking van kracht moet worden (intrekkingsdatum). De intrekkingsdatum kan niet voorafgaan aan de datum van indiening van het verzoek tot intrekking. De bevoegde autoriteit registreert de redenen voor het verzoek tot intrekking.

2.   Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde intrekkingsdatum vóór of op 31 mei van het jaar valt, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd vóór de intrekkingsdatum en die niet anderszins in een CBAM-aangifte zijn opgenomen.

3.   Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde intrekkingsdatum na 31 mei van het jaar valt, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd tussen 1 januari van dat jaar en de intrekkingsdatum.

4.   De toegelaten CBAM-aangever die om intrekking verzoekt, dient de in lid 2 of lid 3 bedoelde aangifte in binnen een maand na de in lid 1 bedoelde intrekkingsdatum.

5.   Indien de toegelaten CBAM-aangever de in lid 2 of lid 3 van dit artikel bedoelde aangifte niet kan indienen, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis samen met het in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoek tot intrekking. De toegelaten CBAM-aangever verstrekt de bevoegde autoriteit, op de intrekkingsdatum, de in artikel 6, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens.

6.   De bevoegde autoriteit stelt binnen één maand na de intrekkingsdatum de CBAM-aangifte op voor de ingevoerde goederen die niet anderszins in een CBAM-aangifte zijn opgenomen, op basis van de overeenkomstig lid 5 ontvangen informatie, de overeenkomstig artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2023/956 meegedeelde informatie, de informatie waarover zij beschikt, en de ingebedde emissies, bepaald aan de hand van standaardwaarden volgens de in bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde methoden.

7.   Het totale aantal CBAM-certificaten dat wordt berekend op basis van de gegevens die zijn verstrekt in de in de leden 2, 3 en 6 bedoelde aangifte, wordt binnen vijftien kalenderdagen ingeleverd door de toegelaten CBAM-aangever die om intrekking verzoekt.

8.   Een toegelaten CBAM-aangever kan het verzoek tot intrekking van zijn toelating te allen tijde herroepen voordat de bevoegde autoriteit op het verzoek tot intrekking heeft besloten.

9.   De bevoegde autoriteit stelt de toegelaten CBAM-aangever, de Commissie en de andere bevoegde autoriteiten in kennis van de intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever.

Artikel 22

Voornemen van de bevoegde autoriteit om de intrekkingsprocedure in te leiden

1.   Wanneer de bevoegde autoriteit voornemens is een toelating in te trekken, beoordeelt zij de in artikel 17, lid 8, van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde voorwaarden en criteria, zoals gespecificeerd in de artikelen 9 en 10 van deze verordening.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteit zich ervan vergewist of de toegelaten CBAM-aangever betrokken is geweest bij ernstige of herhaalde inbreuken op de verplichting om CBAM-certificaten in te leveren als bedoeld in artikel 22, lid 1, van Verordening (EU) 2023/956 of op de verplichting om te zorgen voor een voldoende aantal CBAM-certificaten op de CBAM-rekening als bedoeld in artikel 22, lid 2, van die verordening, houdt zij rekening met de volgende factoren:

a)

de bereidheid van de toegelaten CBAM-aangever om te voldoen aan het verzoek om het juiste aantal CBAM-certificaten in te leveren, of om te zorgen voor een voldoende aantal CBAM-certificaten op de CBAM-rekening;

b)

het opzettelijke of nalatige gedrag van de toegelaten CBAM-aangever;

c)

het gedrag van de toegelaten CBAM-aangever in het verleden;

d)

de mate waarin de toegelaten CBAM-aangever meewerkt om de inbreuk of het herhaalde gedrag te beëindigen;

e)

of de toegelaten CBAM-aangever vrijwillig maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat soortgelijke inbreuken in de toekomst worden gepleegd.

3.   De bevoegde autoriteit kan de toegelaten CBAM-aangever verzoeken om aanvullende informatie te verstrekken en opmerkingen te maken over de informatie waarop zij voornemens is haar besluit tot intrekking van de toelating te baseren, voordat zij een dergelijk besluit neemt of een raadplegingsprocedure overeenkomstig artikel 25 inleidt. De bevoegde autoriteit stelt een termijn van ten hoogste tien werkdagen vast waarbinnen de aangever de gevraagde informatie moet verstrekken of opmerkingen moet maken.

Artikel 23

Besluit om de status van toegelaten CBAM-aangever in te trekken

1.   Uit hoofde van de overeenkomstig artikel 22 verrichte beoordeling, en nadat de toegelaten CBAM-aangever overeenkomstig artikel 27 is gehoord, kan door de bevoegde autoriteit een besluit tot intrekking worden genomen. Het besluit tot intrekking wordt onverwijld in het CBAM-register ter kennis gebracht.

2.   Indien het besluit tot intrekking vóór of op 31 mei van het jaar ter kennis is gebracht, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd vóór de datum van kennisgeving van het besluit tot intrekking en die niet anderszins onder een CBAM-aangifte vallen.

3.   Indien het besluit tot intrekking na 31 mei van het jaar ter kennis gebracht, bevat de CBAM-aangifte de in artikel 6, lid 2, punten a), b) en c), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, de in artikel 6, lid 2, punt d), van die verordening bedoelde informatie met betrekking tot goederen die zijn ingevoerd tussen 1 januari van dat jaar en de datum van kennisgeving van het besluit tot intrekking.

4.   De persoon van wie de toelating is ingetrokken, dient de in lid 2 of lid 3 bedoelde aangifte in binnen een maand na de datum waarop de intrekking ter kennis is gebracht.

5.   Indien de persoon van wie de toelating is ingetrokken, de in lid 2 of lid 3 van dit artikel bedoelde aangifte niet kan indienen, stelt hij de bevoegde autoriteit daarvan in kennis binnen één maand na de kennisgeving van het besluit tot intrekking en verstrekt hij die autoriteit onmiddellijk de in artikel 6, lid 2, punt a), van Verordening (EU) 2023/956 bedoelde gegevens.

6.   De bevoegde autoriteit stelt binnen één maand na de datum van ontvangst van de in lid 5 van dit artikel bedoelde kennisgeving een CBAM-aangifte op voor de ingevoerde goederen die niet anderszins in een CBAM-aangifte zijn opgenomen, op basis van de overeenkomstig lid 5 ontvangen informatie, de overeenkomstig artikel 25, lid 3, van Verordening (EU) 2023/956 meegedeelde informatie, de informatie waarover zij beschikt, en de ingebedde emissies, bepaald aan de hand van standaardwaarden volgens de in bijlage IV bij Verordening (EU) 2023/956 vastgestelde methoden.

7.   Het totale aantal CBAM-certificaten dat is berekend op basis van de gegevens die zijn verstrekt in de in de leden 2, 3 en 6 bedoelde aangifte, wordt binnen vijftien kalenderdagen ingeleverd door de persoon van wie de toelating is ingetrokken.

Artikel 24

Datum van vankrachtwording

1.   De intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever wordt van kracht op de dag na de datum waarop het besluit tot intrekking ter kennis is gebracht overeenkomstig artikel 21, lid 9, en artikel 23, lid 1, van deze verordening. De kennisgeving van dat besluit wordt geregistreerd in het CBAM-register en de CBAM-aangever wordt geacht ervan in kennis te zijn gesteld.

2.   De intrekking heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de invoer van goederen, en de daarmee samenhangende emissies, die heeft plaatsgevonden vóórdat de persoon van wie de status van toegelaten CBAM-aangever is ingetrokken, in het CBAM-register als zodanig is geregistreerd.

3.   Indien een CBAM-toelating is ingetrokken overeenkomstig artikel 21 of artikel 23, houdt de CBAM-rekening tot het vijfde jaar na de intrekking de status “gesloten” overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) 2023/956. Na die periode wordt de CBAM-rekening definitief gesloten.

4.   De bevoegde autoriteit heropent een “gesloten” CBAM-rekening om de eigenaar in staat te stellen te voldoen aan de verplichting om het juiste aantal CBAM-certificaten in te leveren na de herziening van een ingediende CBAM-aangifte overeenkomstig artikel 19, lid 5, van Verordening (EU) 2023/956.

Artikel 25

Onmiddellijke intrekking

1.   De bevoegde autoriteit kan besluiten de status van toegelaten CBAM-aangever in te trekken in de volgende gevallen:

a)

de conclusies van de in artikel 19 bedoelde herbeoordeling rechtvaardigen dit;

b)

de toegelaten CBAM-aangever heeft zijn economische activiteit stopgezet;

c)

het besluit tot verlening van de toelating is genomen op basis van onjuiste of onvolledige informatie en de toegelaten CBAM-aangever wist of had redelijkerwijze moeten weten dat de informatie onjuist of onvolledig was.

2.   Nadat de toegelaten CBAM-aangever is gehoord overeenkomstig artikel 27, kan de bevoegde autoriteit hem in het CBAM-register onverwijld in kennis stellen van de onmiddellijke intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever en van de redenen daarvoor.

3.   De in lid 2 bedoelde kennisgeving bevat de vereisten overeenkomstig artikel 23, leden 2 tot en met 7.

4.   Indien de bevoegde autoriteit heeft besloten tot onmiddellijke intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever, wijzigt zij de status van de toelating in “ingetrokken”.

Artikel 26

Raadplegingsprocedure voor intrekking

1.   De bevoegde autoriteit leidt de raadplegingsprocedure met de geraadpleegde partijen in elektronische vorm in het CBAM-register in, geeft aan dat zij voornemens is de status van toegelaten CBAM-aangever in te trekken, en verzoektt met het oog op haar besluit om aanvullende informatie over de criteria van artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) 2023/956.

2.   Indien een van de geraadpleegde partijen van oordeel is dat de toegelaten CBAM-aangever niet voldoet aan een of meer van de voorwaarden en criteria voor de toelating die intrekking op grond van artikel 17, lid 8, van Verordening (EU) 2023/956 rechtvaardigen, stelt zij de bevoegde autoriteit die de raadplegingsprocedure heeft ingeleid, in kennis van haar standpunt, dat zij naar behoren documenteert en motiveert.

3.   De bevoegde autoriteit kan de geraadpleegde partijen om aanvullende informatie en documentatie verzoeken indien zij dit noodzakelijk acht om op de intrekking te kunnen besluiten.

4.   De bevoegde autoriteit stelt een termijn voor de raadplegingsprocedure vast, die niet meer mag bedragen dan vijftien werkdagen, te rekenen vanaf de datum waarop zij de voorwaarden en criteria heeft meegedeeld die de geraadpleegde partijen moeten onderzoeken.

De bevoegde autoriteit kan een kortere termijn vaststellen indien de ernst van de acties van de toegelaten CBAM-aangevers dit rechtvaardigt.

5.   Indien de geraadpleegde partijen niet antwoorden binnen de voor de raadplegingsprocedure vastgestelde termijn, wordt aan de voorwaarden en criteria waarvoor de raadplegingsprocedure heeft plaatsgevonden, geacht te zijn voldaan.

Artikel 27

Recht om te worden gehoord in het kader van intrekking en beroep

1.   De bevoegde autoriteit biedt de toegelaten CBAM-aangever de mogelijkheid te worden gehoord voordat zij de status van toegelaten CBAM-aangever intrekt.

2.   In haar kennisgeving aan de toegelaten CBAM-aangever vermeldt de bevoegde autoriteit het volgende:

a)

de verwijzing naar de documenten en de informatie waarop de bevoegde autoriteit voornemens is haar besluit te baseren;

b)

de termijn, die ten hoogste vijftien werkdagen bedraagt, waarbinnen de toegelaten CBAM-aangever opmerkingen kan maken;

c)

in voorkomend geval, de termijn, die ten hoogste vijf werkdagen bedraagt, waarbinnen de toegelaten CBAM-aangever die het voorwerp uitmaakt van de in artikel 25 bedoelde onmiddellijke intrekking, opmerkingen kan maken.

3.   Indien de toegelaten CBAM-aangever vóór het verstrijken van de in lid 2, punt b) of punt c), bedoelde termijn een standpunt kenbaar maakt, kan de bevoegde autoriteit overgaan tot definitieve besluitvorming, in voorkomend geval rekening houdende met de opmerkingen, tenzij de betrokkene tegelijkertijd het voornemen kenbaar maakt om binnen de gestelde termijn verdere opmerkingen te maken.

4.   Indien de bevoegde autoriteit de status van toegelaten CBAM-aangever intrekt en het recht om beroep in te stellen wordt uitgeoefend, vermeldt zij dat beroep en registreert zij de conclusies van de beroepsprocedure in het CBAM-register.

5.   Het in lid 4 bedoelde beroep schorst het besluit tot intrekking niet.

HOOFDSTUK V

Gegevensbescherming

Artikel 28

Bescherming van persoonsgegevens

1.   De persoonsgegevens die in deze verordening zijn gespecificeerd en die in het overeenkomstig artikel 14, lid 6, van Verordening (EU) 2023/956 opgezette CBAM-register worden geregistreerd, worden verwerkt met het oog op maatregelen die betrekking hebben op de verlening en de intrekking van de status van toegelaten CBAM-aangever.

2.   Met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde verwerking van persoonsgegevens wordt de bevoegde autoriteit die de status van toegelaten CBAM-aangever verleent of intrekt, aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, lid 7, van Verordening (EU) 2016/679.

3.   Er worden geen bijzondere categorieën van gegevens, zoals omschreven in artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679 en artikel 10 van Verordening (EU) 2018/1725, geregistreerd met het oog op het aanvragen en het verlenen van de status van toegelaten CBAM-aangever.

HOOFDSTUK VI

Slotbepalingen

Artikel 29

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 28 maart 2025.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 maart 2025.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 130 van 16.5.2023, blz. 52, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/956/oj.

(2)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).

(3)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG ( PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).

(4)  Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/952/oj).


BIJLAGE

Inhoud van het besluit tot verlening van de status van toegelaten CBAM-aangever

Informatie

Is de toegelaten CBAM-aangever een indirecte douanevertegenwoordiger?

Toegelaten CBAM-aangever

— —

Naam en adres

— — —

Naam

— — —

Straat en huisnummer

— — —

Postcode

— — —

Plaats

— — —

Land

— —

Identificatie actor

— — —

EORI-nummer

Contactpersoon

— —

Naam

— —

E-mail:

— —

Telefoonnummer

Algemene gegevens

— —

CBAM-rekeningnummer

— —

Bevoegde autoriteit die het besluit neemt

— —

Status toelating

— —

Datum afgifte toelating


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2025/486/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top