This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (tot 2022)
Het doel van deze verordening is de justitiële samenwerking tussen de EU-landen te verbeteren en te vereenvoudigen en de bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken te bespoedigen.
Verordening (EG) nr. 1206/2001 wordt met ingang van ingetrokken en vervangen door Verordening (EU) 2020/1783 (zie samenvatting).
De verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer een gerecht van een EU-land:
Er mag alleen een verzoek worden gedaan om bewijsmateriaal te verkrijgen voor gebruik in een zaak die reeds is of zal worden aangespannen.
De EU-landen moeten een lijst opstellen van gerechten die bevoegd zijn om bewijsmateriaal te verzamelen en hun territoriale en/of bijzondere bevoegdheid aangeven (zoals een speciaal gerecht dat de bevoegdheid heeft om crimineel vermogen te confisqueren). Een verzoek wordt door het gerecht waarbij de zaak is of zal worden aangespannen (het „verzoekende gerecht”), rechtstreeks gericht tot het gerecht in de lidstaat die het bewijsmateriaal moet verzamelen (het „aangezochte gerecht”).
Elk EU-land wijst een autoriteit als centrale autoriteit aan, die is belast met:
Verzoeken moeten ingediend worden via de standaardformulieren die in de verordening worden voorgeschreven. Deze formulieren moeten gegevens bevatten zoals:
Het verzoek moet worden gesteld in de officiële taal van het EU-land waar het aangezochte gerecht zich bevindt, of in een andere taal die dat land aanvaardt.
Het verzoek wordt behandeld volgens het nationale recht van het aangezochte EU-land. Dat moet gebeuren binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek.
De behandeling van een verzoek kan slechts worden geweigerd als:
Als de behandeling van een verzoek wordt geweigerd, deelt het aangezochte gerecht dit aan het verzoekende gerecht mee binnen zestig dagen na ontvangst van het verzoek.
Als dit mogelijk is volgens het nationale recht van het land van het verzoekende gerecht kunnen vertegenwoordigers van dat gerecht aanwezig zijn wanneer het aangezochte gerecht de gevraagde gerechtelijke handeling verricht. Hetzelfde geldt voor de partijen en hun eventuele vertegenwoordigers.
De verordening maakt het voor twee of meer EU-landen niet onmogelijk overeenkomsten te sluiten of in stand te houden om verzoeken sneller of gemakkelijker te kunnen behandelen.
In 2007 publiceerde de Europese Commissie een verslag over de toepassing van de verordening. Daarin werd vastgesteld dat er nog steeds bepaalde maatregelen genomen moeten worden om de werking van de verordening te verbeteren, Dit zijn:
In december 2017 heeft de Commissie het initiatief genomen voor een openbare raadpleging over de modernisering van justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en handelszaken in de EU. De raadpleging heeft betrekking op Verordening (EG) nr. 1393/2007 inzake de betekening en de kennisgeving van stukken en op de verordening die in deze samenvatting wordt besproken.
Verordening (EG) nr. 1206/2001 wordt met ingang van ingetrokken en vervangen door Verordening (EU) 2020/1783.
De verordening is sinds van toepassing, met uitzondering van:
Deze drie artikelen zijn sinds van toepassing.
Denemarken neemt niet deel aan de verordening.
Zie voor meer informatie:
Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174, , blz. 1-24)
Achtereenvolgende wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1206/2001 werden in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.
laatste bijwerking