This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Het recht tot toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel
De richtlijn zorgt ervoor dat verdachten en beschuldigde personen in strafprocedures en de gevraagde personen in Europese procedures voor uitvaardiging van een bevel tot aanhouding (hierna „burgers” genoemd) toegang hebben tot een advocaat en het recht hebben om te communiceren terwijl hun vrijheid hen ontnomen is.
Burgers moeten toegang hebben tot een advocaat zonder onnodige vertraging:
Meer specifiek behandelt de wet:
Met betrekking tot personen die onder een Europees aanhoudingsbevel vallen, bepaalt de richtlijn het recht op toegang tot een advocaat in het uitvoerende EU-land en tot aanstelling van een advocaat in het desbetreffende land.
Burgers aan wie de vrijheid is ontnomen, hebben het recht om zonder onnodige vertraging:
Als de vrijheid hen ontnomen is in een ander EU-land dan hun eigen land, hebben ze het recht om hun consulaire instantie in te lichten, om bezoek van hen te ontvangen, om met hen te communiceren en om hen een wettelijke vertegenwoordiger te laten regelen.
De richtlijn bevat de mogelijkheid om tijdelijk af te wijken van bepaalde rechten in uitzonderlijke situaties en onder strikt gedefinieerde voorwaarden (bijvoorbeeld indien er een dringende noodzaak is om ernstige negatieve gevolgen voor het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van een persoon te voorkomen).
Richtlijn (EU) 2016/1919 zet de gemeenschappelijke minimumvoorschriften uiteen met betrekking tot het recht op rechtsbijstand voor verdachten, beklaagden en gevraagde personen ter verzekering van de doeltreffendheid van Richtlijn (EU) 2013/48. EU-landen zijn vereist om ervoor te zorgen dat verdachten en beklaagden die niet over toereikende financiële middelen beschikken om de bijstand van een advocaat te betalen, recht hebben op rechtsbijstand wanneer de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. EU-landen kunnen een vermogenstoets toepassen (om te beoordelen of de persoon in kwestie niet over voldoende financiële middelen beschikt om voor rechtsbijstand te betalen), een onderzoek naar de gegrondheid (om te beoordelen of het bieden van rechtsbijstand in het belang van een behoorlijke rechtspleging is) of beide om te bepalen of rechtsbijstand moet worden verleend.
Richtlijn (EU) 2016/1919 is de laatste wettekst die is gepland als onderdeel van de routekaart ter versterking van de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures die is goedgekeurd door de Raad in november 2009.
Deze richtlijn moet in EU-landen voor in nationaal recht worden omgezet.
De richtlijn is vanaf van toepassing en moest voor in de EU-landen in nationaal recht worden omgezet.
Zie voor meer informatie:
Richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming (PB L 294 van , blz. 1-12)
laatste bijwerking