EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 29.6.2017
COM(2017) 352 final
2017/0145(COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011
TOELICHTING
1.ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL
•Motivering en doel van het voorstel
De verordening tot oprichting van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (hierna „eu-LISA” genoemd) is vastgesteld in 2011 (Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad) en gewijzigd in 2015 bij Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad. Bij eu-LISA berust momenteel de verantwoordelijkheid voor het operationele beheer op centraal niveau van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II), het Visuminformatiesysteem (VIS) en Eurodac. Als een wetgevingsinstrument daarin voorziet, kan eu-LISA tevens worden belast met de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.
Op 1 december 2012 is eu-LISA met zijn kerntaken begonnen. Het beheert het VIS met ingang van 1 december 2012, SIS II met ingang van mei 2013 en Eurodac met ingang van juni 2013. Het eu-LISA is gevestigd in Tallinn en de systemen worden bediend vanaf de technische locatie in Straatsburg. De back-uplocatie is Sankt Johann im Pongau.
Het doel van dit voorstel is herziening van de verordening tot oprichting van het agentschap, om die aan te passen naar aanleiding van de aanbevelingen voor wetgevingswijzigingen die uit de evaluatie naar voren zijn gekomen, het functioneren van het agentschap te verbeteren en de taken ervan uit te breiden en te verstevigen. Het mandaat van het agentschap moet zo in overeenstemming worden gebracht met de uitdagingen die thans op EU-niveau spelen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Daarnaast moeten in de verordening wijzigingen worden aangebracht die voortvloeien uit juridische, feitelijke en beleidsontwikkelingen, met name het feit dat het agentschap met het beheer van nieuwe systemen zal worden belast indien de medewetgevers daarmee instemmen, en dat het agentschap dient bij te dragen tot de interoperabiliteit van de grootschalige IT-systemen, zoals beschreven in de mededeling van de Commissie over krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid van 6 april 2016, het eindverslag van de deskundigengroep op hoog niveau inzake informatiesystemen en interoperabiliteit van 11 mei 2017 en het zevende voortgangsverslag van de Commissie over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017. Ook worden de aanbevelingen van de raad van bestuur van het agentschap opgevolgd en wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat eu-LISA wellicht gemeenschappelijke technische oplossingen voor de nationale implementatie van de gedecentraliseerde systemen zal moeten hosten en beheren voor de lidstaten die dat wensen. Ten slotte wordt de verordening tot oprichting van het agentschap in overeenstemming gebracht met de beginselen van de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie van 19 juli 2012 over de gedecentraliseerde agentschappen (hierna „de gemeenschappelijke aanpak” genoemd).
Overeenkomstig artikel 31 van de oprichtingsverordening heeft de Commissie, op basis van een externe evaluatie, in nauw overleg met de raad van bestuur van eu-LISA een evaluatie van de werking van het agentschap verricht. Daarbij is onderzocht hoe en in welke mate het agentschap daadwerkelijk bijdraagt aan het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en zijn taken overeenkomstig de oprichtingsverordening uitvoert. Ook is onderzocht of het noodzakelijk is de bij de oprichtingsverordening aan eu-LISA toevertrouwde taken te herzien of uit te breiden. Op basis van de evaluatie heeft de Commissie, na raadpleging van de raad van bestuur, aanbevelingen opgesteld voor wijziging van de oprichtingsverordening en passende voorstellen gedaan aan het Europees Parlement, de Raad en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Die aanbevelingen zijn opgenomen in het Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over het functioneren van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie over de evaluatie van eu-LISA, die samen met dit voorstel zullen worden goedgekeurd.
Dit voorstel is derhalve gekoppeld aan de evaluatie van het agentschap maar hangt ook samen met andere ontwikkelingen op wetgevings- en beleidsgebied. Het houdt tevens rekening met de genoemde aanbevelingen en het advies van de raad van bestuur.
·Follow-up van de aanbevelingen van het verslag over de externe evaluatie van eu-LISA
Uit de evaluatie, die verricht werd vier jaar nadat eu-LISA in december 2012 met zijn werkzaamheden was begonnen, bleek dat het agentschap heeft aangetoond dat het in staat is zijn taken te vervullen en de nieuwe taken waarmee het wordt belast, namelijk het beheer van DubliNet en VISION en de uitvoering van de proefproject inzake slimme grenzen, op doeltreffende en efficiënte wijze op zich te nemen. Uit de evaluatie bleek tevens dat eu-LISA op doeltreffende wijze bijdraagt tot de totstandkoming van een gecoördineerde, doeltreffende en consistente IT-omgeving ter ondersteuning van de uitvoering van het beleid op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.
Enkele tekortkomingen moeten echter worden verholpen om het functioneren van het agentschap te verbeteren en de rol ervan te versterken en uit te breiden, zodat de problemen die zich momenteel op het gebied van migratie en veiligheid op EU-niveau voordoen, het hoofd kan worden geboden. De meeste bij de evaluatie aan het licht gekomen tekortkomingen kunnen zonder wijziging van de wetgeving worden verholpen. Aan de aanbevelingen van niet-wetgevende aard is door de uitvoerend directeur van eu-LISA gevolg gegeven en de raad van bestuur heeft het desbetreffende actieplan op 21 maart 2017 goedgekeurd.
Volgens de evaluatie vereisen de volgende tekortkomingen wijziging van de wetgeving:
–de communicatie-infrastructuur moet op meer samenhangende wijze worden beheerd, door de aanverwante taken die de Commissie uitvoert (met name de uitvoering van de begroting, aanschaf en vernieuwing en contractuele aangelegenheden) over te dragen aan het agentschap. Daarvoor moeten de wetgevingsinstrumenten betreffende de instelling en de werking van de door het agentschap beheerde systemen worden gewijzigd;
–het mandaat van eu-LISA moet duidelijker aangeven in hoeverre het agentschap moet samenwerken met andere agentschappen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht;
–de raad van bestuur moet jaarlijks in augustus een tussentijds verslag opstellen over de voortgang van de uitvoering van de geplande activiteiten in de eerste zes maanden van het jaar;
–de reikwijdte van de proefprojecten die eu-LISA kan uitvoeren, is beperkt tot de proefprojecten bedoeld in artikel 54, lid 2, onder a), van het financieel reglement (waarvoor een basishandeling niet vereist is), maar zou ten minste moeten worden uitgebreid tot proefprojecten waarvoor al een basishandeling bestaat.
Bij de evaluatie werd ook aanbevolen om een risicobeoordeling en een ex-antebeoordeling op te stellen voor projecten van meer dan een half miljoen EUR die eu-LISA in het kader van zijn huidige mandaat uitvoert (die dus niet voortvloeien uit een wetgevingsinstrument waarbij het agentschap wordt belast met het beheer van een nieuw systeem, waarvoor de Commissie een effectbeoordeling uitvoert). Dit is een belangrijke aanbeveling, waaraan eu-LISA de nodige aandacht moet schenken. Een wijziging van de oprichtingsverordening is daarvoor echter niet vereist, aangezien op grond van artikel 29, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie en het financieel reglement van het agentschap al evaluaties vooraf en achteraf moeten worden uitgevoerd voor alle programma’s en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich meebrengen.
Bij de evaluatie zijn ook andere aanbevelingen voor wijziging van het mandaat van eu-LISA gedaan. Onderstaande wijzigingen zouden moeten worden aangebracht in de wetgevingsinstrumenten betreffende de betrokken systemen en zouden, wat betreft de uitbreiding van de taken van eu-LISA op statistisch gebied, geen wijziging van de oprichtingsverordening vereisen:
–de taken van eu-LISA betreffende het genereren/publiceren van statistieken voor elk van de systemen moeten worden uitgebreid;
–aan eu-LISA moet de taak worden toegewezen om verslagen over gegevenskwaliteit en gegevensanalyse op te stellen, zodat de uitvoering van de rechtsinstrumenten betreffende de systemen beter kan worden gecontroleerd.
In het tegelijk met dit voorstel goedgekeurde verslag over het functioneren van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht worden de bevindingen van de evaluatie en de naar aanleiding daarvan opgestelde aanbevelingen gepresenteerd. Ook wordt opgemerkt dat de oprichtingsverordening, waarbij de taken van het agentschap zijn vastgesteld, de wettelijke, politieke en economische omstandigheden weerspiegelt zoals die ten tijde van de oprichting van het agentschap bestonden. De recente wetgevings- en beleidsontwikkelingen nopen tot verdere herziening of uitbreiding van de taken waarmee eu-LISA is belast door de oprichtingsverordening en andere wetgevingsinstrumenten (d.w.z. de rechtsinstrumenten betreffende de door eu-LISA beheerde systemen). De Commissie heeft in 2016 voorstellen ingediend waarbij het agentschap met het beheer van nieuwe systemen wordt belast: het inreis-uitreissysteem (EES), het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming en het Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie (ETIAS). Als deze initiatieven door de medewetgevers worden goedgekeurd, zijn wijzigingen van de eu-LISA-verordening noodzakelijk, die in werking moeten treden zodra die voorstellen van toepassing worden, zodat de nieuwe taken in de eu-LISA-verordening kunnen worden opgenomen, met name wat de taken van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur betreft. Het EES-voorstel bevat wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1077/2011. Wat de voorstellen tot herschikking van ETIAS en Eurodac betreft, zijn soortgelijke wijzigingen tijdens de besprekingen in de Raad door het voorzitterschap ingevoegd. Aangezien dit voorstel echter wordt ingediend voordat die drie voorstellen betreffende nieuwe systemen zijn vastgesteld, moeten ook in onderhavig voorstel de vereiste wijzigingen tussen haakjes worden weergeven, zodat zij bij de definitieve goedkeuring door de medewetgevers in de tekst kunnen worden opgenomen.
De Commissie heeft verder op 6 april 2016 een mededeling over krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid goedgekeurd. Aan eu-LISA moet in de oprichtingsverordening een uitdrukkelijk mandaat worden verleend voor de taken die het agentschap moet uitvoeren zoals beschreven in deze mededeling en in het zevende voortgangsverslag van de Commissie over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017. Dat houdt onder meer in dat in de vorm van studies en testactiviteiten steun moet worden verleend aan de Commissie en de lidstaten bij de beoordeling van de technische haalbaarheid van ontwikkelingen en maatregelen ter bevordering van de interoperabiliteit van de systemen.
In het voorstel dienen tevens de wijzigingen te worden aangebracht die voortvloeien uit de evaluatie van het SIS in 2016, zoals beschreven in de voorstellen tot wijziging van de wetgevingsinstrumenten betreffende het SIS, en uit het voorstel tot herschikking van de Eurodac-verordening.
De oprichtingsverordening wijkt bovendien af van de gemeenschappelijke aanpak die wordt beschreven in de bijlage bij de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012, hierna de „gemeenschappelijke aanpak” genoemd, en van het nieuwe Financieel Reglement en de financiële kaderregeling. Deze afwijkingen moeten bij de herziening van de wetgeving worden gecorrigeerd. Een voorbeeld is de mogelijke verlenging van de ambtstermijn van de uitvoerend directeur van de huidige maximaal drie jaar tot maximaal vijf jaar. Een tweede voorbeeld is het voorschrift betreffende de frequentie waarmee het agentschap wordt geëvalueerd: iedere vijf jaar in plaats van de huidige vier jaar.
In de verordening moet ook worden bepaald dat eu-LISA de lidstaten advies kan verlenen over de aansluiting van de nationale systemen op de centrale systemen en tevens steun/bijstand in specifieke gevallen (zoals de steun op de hotspots in Griekenland tijdens de vluchtelingencrisis begin 2016).
Ook moet eu-LISA desgevraagd steun/bijstand kunnen verlenen aan de betrokken diensten van de Commissie bij technische problemen met bestaande of nieuwe systemen.
·Follow-up van de aanbevelingen van de raad van bestuur van het agentschap
De raad van bestuur van eu-LISA is op 25 november 2016 geraadpleegd over de aanbevelingen voor wijziging van de oprichtingsverordening van het agentschap en heeft op 27 februari 2017 advies uitgebracht. De raad van bestuur was verheugd over de aanbevelingen voor wijziging en over het voornemen van de Commissie om de taken van eu-LISA uit te breiden, en heeft nog een aantal aanbevelingen voor wijzigingen gedaan. Van deze aanvullende aanbevelingen heeft de Commissie er enkele overgenomen, namelijk de uitbreiding van het takenpakket op onderzoeksgebied en de verlenging van de ambtstermijn van de voorzitters van de adviesgroepen. De raad van bestuur heeft ook voorgesteld dat het agentschap, na goedkeuring van de raad van bestuur, extra technische locaties zou moeten kunnen opzetten naast de reeds bestaande in Straatsburg (Frankrijk) en Sankt Johann im Pongau (Oostenrijk). Die aanbeveling kan de Commissie echter niet aanvaarden, aangezien de noodzaak, meerwaarde of efficiëntiewinst daarvan niet op gedegen wijze is aangetoond. De vestigingsplaatsen voor het centrale systeem en het back-upsysteem van SIS II en VIS in Straatsburg en Sankt Johann im Pongau waren door de medewetgevers al vastgesteld in de wetgevingsinstrumenten betreffende SIS II (2006 en 2007) en VIS (2008). Tijdens de onderhandelingen over het voorstel voor de verordening tot oprichting van het agentschap besloten de medewetgevers, op basis van een gezamenlijk aanbod van Estland en Frankrijk om het agentschap onderdak te bieden, dat de zetel van het agentschap in Tallinn zou worden gevestigd en de technische en back-uplocaties in Straatsburg en Sankt Johann im Pongau zouden blijven. Het agentschap heeft ook geen evaluatie verstrekt waaruit de noodzaak van een aanvullende locatie blijkt. Ter verdere vergroting van de flexibiliteit voorziet dit voorstel echter in de mogelijkheid dat de back-upsystemen in Sankt Johann im Pongau tegelijkertijd in actieve modus opereren. Dat houdt in dat transacties ook tijdens de normale werking kunnen worden verwerkt en niet alleen als de systemen zijn uitgevallen.
·Wijzigingen die nodig zijn om eu-LISA te belasten met de taken die worden genoemd in het eindverslag van de deskundigengroep op hoog niveau inzake informatiesystemen en interoperabiliteit van 11 mei 2017 en het zevende voortgangsverslag van de Commissie over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017
Deze wijzigingen omvatten onder meer het volgende:
a)eu-LISA krijgt meer bevoegdheden op het gebied van gegevenskwaliteit, behoudens de goedkeuring van specifieke voorstellen voor wijziging van de wetgeving
De aanbeveling om eu-LISA een centrale controlecapaciteit voor gegevenskwaliteit te laten ontwikkelen, die is opgenomen in de mededeling over krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid, is door de deskundigengroep op hoog niveau inzake informatiesystemen en interoperabiliteit onderzocht. De deskundigengroep was van mening dat de door de centrale systemen opgelegde of gesuggereerde geautomatiseerde controles van kwaliteit, formaat en volledigheid zouden moeten worden verbeterd of aangevuld. Er is nadere analyse nodig van de mogelijke ontwikkeling van geautomatiseerde controle van de gegevenskwaliteit ten aanzien van verschillende datavelden in SIS, VIS en Eurodac en in nieuwe systemen zoals het EES. Zo’n controlemechanisme voor gegevenskwaliteit moet de centrale systemen in staat stellen om kennelijk onjuiste of inconsistente gegevensinvoer automatisch te herkennen, zodat de lidstaat die de gegevens heeft ingevoerd deze kan verifiëren en zo nodig corrigerende maatregelen kan nemen. Dit kan worden vergemakkelijkt als er een gemeenschappelijk gegevensregister voor het opstellen van statistische verslagen en verslagen over gegevenskwaliteit wordt opgezet, een datapakhuis met uit de systemen geëxtraheerde geanonimiseerde gegevens. In het zevende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie werd opgemerkt dat de Commissie verder zal gaan met de aanbevelingen van de deskundigengroep over automatische kwaliteitscontrole, een datapakhuis dat geanonimiseerde gegevens uit relevante informatiesystemen kan analyseren voor statistieken en rapportagedoeleinden, alsmede opleidingsmodules op het gebied van gegevenskwaliteit voor medewerkers die op nationaal niveau belast zijn met het invoeren van gegevens in de systemen.
Deze nieuwe taken, inclusief het opzetten van een datapakhuis, vereisen dat in de wetgevingsinstrumenten betreffende de systemen of in een specifiek wetgevingsinstrument nadere bepalingen over gegevenskwaliteit worden opgenomen.
b)eu-LISA krijgt de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van maatregelen ter bevordering van interoperabiliteit, behoudens de goedkeuring van de desbetreffende wetgevingsvoorstellen
In het zevende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017 staat dat, overeenkomstig de mededeling van april 2016, en zoals bevestigd door de bevindingen en aanbevelingen van de deskundigengroep, de Commissie een nieuwe aanpak voor het beheer van gegevens voor grenzen en veiligheid voorstelt, waarbij alle gecentraliseerde EU-informatiesystemen voor veiligheids-, grens- en migratiebeheer interoperabel zijn, met volledige inachtneming van de grondrechten, zodat:
·de systemen gelijktijdig kunnen worden doorzocht via een Europees zoekportaal, met volledige inachtneming van doelbinding en toegangsrechten, teneinde beter gebruik te maken van de bestaande informatiesystemen, mogelijk met toepassing van meer gestroomlijnde regels voor de toegang tot het systeem voor rechtshandhavingsdoeleinden;
·de systemen gebruik kunnen maken van een gemeenschappelijke dienst voor biometrische matching, waarmee kan worden gezocht in verschillende informatiesystemen met biometrische gegevens, waarin (in geval van een treffer) een markering kan zijn aangebracht die wijst op een verband met aanverwante biometrische gegevens in andere systemen;
·de systemen gebruik kunnen maken van een gemeenschappelijk register met alfanumerieke identiteitsgegevens, waarmee kan worden nagegaan of iemand met meer dan een identiteit in verschillende gegevensbanken geregistreerd staat.
Het doel van dit voorstel is eu-LISA in staat te stellen de taken uit te voeren die voortvloeien uit het zevende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017, en het agentschap te belasten met de ontwikkeling van een Europees zoekportaal, een gemeenschappelijke dienst voor biometrische matching en een gemeenschappelijk identiteitsregister, behoudens de goedkeuring van het wetgevingsinstrument inzake interoperabiliteit.
c)er wordt beoordeeld of het noodzakelijk is dat eu-LISA gezamenlijke technische oplossingen ontwikkelt, beheert en/of host ten behoeve van de nationale implementatie van de technische aspecten die voor de belanghebbende lidstaten voortvloeien uit de EU-wetgeving inzake gedecentraliseerde systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.
Zoals vermeld in het zevende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017 wordt in het eindverslag van de deskundigengroep op hoog niveau inzake informatiesystemen en interoperabiliteit ook gewezen op het belang dat de bestaande informatiesystemen volledig worden geïmplementeerd en toegepast. De deskundigengroep heeft ook gekeken naar het gedecentraliseerde kader van Prüm voor de uitwisseling van DNA-gegevens, vingerafdrukken en voertuigkentekens, en een haalbaarheidsstudie aanbevolen naar gecentraliseerde routing met eventueel nieuwe functies. De deskundigengroep heeft aanbevolen een haalbaarheidsstudie uit te voeren naar een gecentraliseerd mechanisme voor API-gegevens, met inbegrip van de noodzaak van een centrale router. De belanghebbende lidstaten zouden daarmee kunnen beschikken over een centrale aansluiting voor luchtvaartmaatschappijen en voor de doorgifte van API-gegevens naar de nationale en de centrale systemen (EES, ETIAS). Ten aanzien van het gedecentraliseerde systeem dat bij de EU-richtlijn betreffende persoonsgegevens van passagiers (PNR) is ingesteld, heeft de deskundigengroep aanbevolen een haalbaarheidsstudie uit te voeren naar een centraal onderdeel voor API- en PNR-gegevens, met het oog op technische ondersteuning ter vergemakkelijking van de verbinding met luchtvaartmaatschappijen. De belanghebbende lidstaten zouden daarmee kunnen beschikken over een centrale aansluiting voor luchtvaartmaatschappijen en voor de doorgifte van PNR-gegevens naar de nationale systemen van de lidstaten die de PNR-richtlijn uitvoeren. De deskundigengroep was van mening dat dit de effectiviteit van de passagiersinformatie-eenheden zou vergroten, zodra de lidstaten de PNR-richtlijn hebben uitgevoerd.
Dit voorstel voorziet daarom in de mogelijkheid dat het agentschap van een groep lidstaten de opdracht krijgt een gemeenschappelijk IT-systeem te ontwikkelen, te beheren en/of te hosten waarmee zij gezamenlijk de technische aspecten kunnen implementeren van verplichtingen die voortvloeien uit de EU-wetgeving inzake gedecentraliseerde systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, behoudens de voorafgaande toestemming van de Commissie en na een besluit van de raad van bestuur. Dit kan worden geregeld door middel van een delegatieovereenkomst tussen de betrokken lidstaten en het agentschap waarbij het agentschap wordt belast met de uitvoering van de genoemde taken en de bijbehorende begroting. In zo’n geval brengt het agentschap de kosten in rekening bij de deelnemende lidstaten.
Zoals aangegeven in het zevende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie heeft de Commissie steun verleend aan de werkzaamheden die een groep lidstaten in dit stadium verrichten om e-CODEX, een systeem voor grensoverschrijdende justitiële samenwerking en digitale toegang tot juridische procedures, te onderhouden. De Commissie heeft er nota van genomen dat deze lidstaten menen dat dit geen duurzame oplossing is. De lidstaten hebben binnen de werkgroep van de Raad verschillende opties bestudeerd en zijn tot de conclusie gekomen dat het onderhoud en de werking van e-CODEX het beste zouden kunnen worden verzekerd door het bij eu-LISA onder te brengen. Om de beste oplossing te vinden, is de Commissie begonnen met een effectbeoordeling van de verschillende opties voor het onderhoud van e-CODEX. De resultaten van de effectbeoordeling komen in het najaar van 2017 beschikbaar.
·Wijzingen die in verband met de goedkeuring van het ECRIS-TCN-voorstel noodzakelijk zijn
Tot slot zijn in het voorstel tevens de wijzigingen opgenomen die vereist zijn in verband met de goedkeuring van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN) ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS-TCN) (hierna „ECRIS-TCN-systeem” genoemd).
Zoals het geval is voor de andere voorstellen waarbij het agentschap met het beheer van nieuwe systemen wordt belast, maakt ook het ECRIS-TCN-voorstel wijziging van de eu-LISA-verordening noodzakelijk. Deze wijzigingen moeten zowel in het ECRIS-TCN-voorstel als in het voorstel voor de eu-LISA-verordening worden verwerkt. Indien het ECRIS-TCN-voorstel wordt vastgesteld voordat het voorstel voor de eu-LISA-verordening wordt goedgekeurd, dan worden de in het ECRIS-TCN-voorstel opgenomen wijzigingen van de huidige eu-LISA-verordening van toepassing. Die wijzingen worden vervangen door de wijzigingen in onderhavig voorstel voor de eu-LISA-verordening, zodra laatstgenoemd voorstel is goedgekeurd. Afhankelijk van het tempo waarin beide voorstellen worden goedgekeurd, zullen de wijzigingen tijdens de onderhandelingen worden aangepast met het oog op de consistentie van de bepalingen over de taken van eu-LISA.
***
De voor eu-LISA geplande nieuwe taken/systemen versterken de reeds bevestigde meerwaarde van dit agentschap, dat drie grootschalige IT-systemen onder één dak heeft gebracht. Daardoor werd het mogelijk deskundigheid te bundelen, synergieën te creëren en een flexibeler kader tot stand te brengen dan vóór de oprichting van eu-LISA mogelijk was. De systemen waren destijds ontwikkeld en beheerd door de Commissie en bepaalde taken waren toevertrouwd aan overheidsinstanties in twee verschillende lidstaten. De nieuwe taken zijn ook bedoeld om het agentschap in staat te stellen om lidstaten, waar dat nodig is, ondersteuning te bieden.
Het initiatief zal rechtstreekse gevolgen hebben voor het agentschap, de personeelsleden ervan, onder wie de uitvoerend directeur, de leden die in de raad van bestuur en de adviesgroepen zijn vertegenwoordigd en de diensten van de Commissie die met het agentschap te maken hebben. Daarnaast zal het agentschap in breder verband voordelen bieden aan de lidstaten en agentschappen die als eindgebruikers met de systemen werken, aangezien het agentschap een grotere rol zal spelen bij toekomstige ontwikkelingen inzake IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en de lidstaten waar nodig ondersteuning zal bieden.
•Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein
Dit voorstel bouwt voort op de bestaande eu-LISA-verordening, die in 2015 is gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 603/2013 om de verordening aan te passen aan de wijzigingen die bij de verordening tot herschikking van Eurodac werden ingevoerd, onder meer wat betreft de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden. Bij onderhavig voorstel wordt het mandaat van het agentschap uitgebreid met de uitvoering van nieuwe taken. De Europese agenda’s voor veiligheid en migratie hebben de richting aangegeven voor de ontwikkeling en uitvoering van het EU-beleid voor de aanpak van de parallelle uitdagingen van migratiebeheer en strijd tegen terrorisme en georganiseerde criminaliteit. In de Europese migratieagenda werd erop gewezen dat het belangrijk is om de grootschalige IT-systemen SIS, VIS en Eurodac ten volle te benutten, omdat zij voordelen bieden voor het grensbeheer en het vermogen van Europa om irreguliere migratie te bestrijden en irreguliere migranten terug te sturen, kunnen versterken. In de migratieagenda werd tevens aangekondigd dat een nieuwe fase zou intreden met de goedkeuring van het voorstel tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES), dat de bestrijding van irreguliere migratie vergemakkelijkt doordat alle grensoverschrijdingen van onderdanen van derde landen worden geregistreerd. In de Europese veiligheidsagenda werd erop gewezen dat de agentschappen van de EU een essentiële rol spelen bij de ondersteuning van de operationele samenwerking. De lidstaten werden aangemoedigd om ten volle gebruik te maken van de ondersteuning die de agentschappen bieden op het gebied van criminaliteitsbestrijding en er werd tevens op gewezen dat intensivering van de samenwerking tussen de agentschappen moest worden bevorderd, met inachtneming van het mandaat van die agentschappen.
Door eu-LISA een grotere rol en meer verantwoordelijkheden te geven met betrekking tot bestaande en nieuwe grootschalige IT-systemen voor samenwerking en informatie-uitwisseling op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en met betrekking tot ondersteuning van de lidstaten en de Commissie, draagt dit voorstel voor een verordening bij tot een doeltreffender en zekerder grensbeheer en een verbeterde veiligheid, alsook tot het bestrijden en voorkomen van criminaliteit.
Het voorstel is bovendien in overeenstemming en geheel verenigbaar met de voorgestelde wijzigingen van de wetgevingsinstrumenten voor de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van de systemen die momenteel al door eu-LISA worden beheerd, en met de voorstellen om het agentschap met het beheer van nieuwe systemen te belasten.
•Samenhang met andere beleidsterreinen van de Unie
Dit voorstel is nauw verbonden met en vormt een aanvulling op ander beleid van de Unie, namelijk:
a)interne veiligheid: zoals in de Europese veiligheidsagenda werd benadrukt, zijn strenge gemeenschappelijke normen voor grensbeheer essentieel om grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme te voorkomen. Dit voorstel draagt voorts bij tot de totstandkoming van een hoger niveau van interne veiligheid, doordat eu-LISA in staat wordt gesteld de ontwikkeling en het operationele beheer op zich te nemen van nieuwe systemen (zoals het EES, het ETIAS en het ECRIS-TCN-systeem), alsmede aanverwante taken die daadwerkelijk tot dat doel bijdragen;
b)het gemeenschappelijk Europees asielstelsel: eu-LISA beheert Eurodac en DubliNet en zal worden belast met de ontwikkeling en het operationele beheer van het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming (voorstel herschikking Dublin), en het agentschap werkt samen met het [Asielagentschap van de Europese Unie];
c)beheer van de buitengrenzen en veiligheid: eu-LISA beheert het SIS en het VIS, die bijdragen tot een efficiënt toezicht op de buitengrenzen van de Unie, en zal worden belast met het beheer van het EES en het ETIAS;
d)gegevensbescherming: dit voorstel staat er borg voor dat eu-LISA de veiligheid van de gegevens in de centrale systemen en de communicatie-infrastructuur beschermt.
2.RECHTSGRONDSLAG, SUBSIDIARITEIT EN EVENREDIGHEID
•Rechtsgrondslag
Dit wetgevingsvoorstel is gebaseerd op artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, die de rechtsgrondslag vormen voor de wijziging van de verordening tot oprichting van eu-LISA en de rechtsinstrumenten betreffende de door het agentschap beheerde systemen.
Artikel 74 VWEU bepaalt dat maatregelen moeten worden genomen ter aanmoediging en versterking van administratieve samenwerking tussen de overheidsdiensten van de lidstaten. Dit is een passende rechtsgrondslag, aangezien het agentschap de communicatie en de samenwerking vergemakkelijkt tussen de overheidsdiensten van de lidstaten die voor bovengenoemde gebieden bevoegd zijn.
De operationele beheerstaken waarmee het agentschap wordt belast, ondersteunen de beleidsaspecten die aan de wetgevingsinstrumenten betreffende het SIS en het VIS ten grondslag liggen. Het agentschap houdt zich in technisch opzicht bezig met aangelegenheden betreffende personencontroles aan de buitengrenzen en maatregen betreffende illegale immigratie en illegaal verblijf (respectievelijk artikel 77, lid 2, onder b), en artikel 79, lid 2, onder c), VWEU, die een passende rechtsgrondslag vormen voor de taken van het agentschap die verband houden met SIS II). Wat het VIS betreft, bieden de activiteiten van het agentschap technische ondersteuning voor de procedures voor de afgifte van visa door de lidstaten: ook artikel 77, lid 2, onder a), VWEU is daarom rechtsgrondslag.
Wat Eurodac betreft, bieden de operationele beheerstaken van het agentschap technische ondersteuning bij het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag die door een onderdaan van een derde land is ingediend in een van de lidstaten (artikel 78, lid 2, onder e), VWEU), de identificatie van illegaal verblijvende of staatloze personen (artikel 79, lid 2, onder c), VWEU), de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van voor rechtshandhavingsdoeleinden relevante informatie (artikel 87, lid 2, onder a), VWEU) en de activiteiten en taken van Europol met betrekking tot het gebruik van Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden (artikel 88, lid 2, onder a), VWEU).
Artikel 82, lid 1, onder d), VWEU bepaalt dat maatregelen moeten worden vastgesteld om in het kader van strafvervolging en tenuitvoerlegging van beslissingen de samenwerking tussen de justitiële of gelijkwaardige autoriteiten van de lidstaten te bevorderen. Daarnaast bepaalt artikel 87, lid 2, onder a), VWEU dat met het oog op de ontwikkeling van een vorm van politiële samenwerking waarbij alle bevoegde autoriteiten van de lidstaten betrokken zijn, maatregelen moeten worden vastgesteld voor de verzameling, opslag, verwerking, analyse en uitwisseling van relevante informatie. Deze bepalingen vormen een goede rechtsgrondslag om het agentschap met taken op dit gebied te belasten.
De maatregelen die worden bedoeld in artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), en artikel 87, lid 2, onder a), VWEU moeten worden vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure. Bijgevolg is de gewone wetgevingsprocedure van toepassing voor de vaststelling van de verordening in haar geheel.
·Variabele geometrie
Aangezien de rechtsgrondslag van dit voorstel voor een verordening deel uitmaakt van titel V van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, speelt de variabele geometrie een rol die ontstaan is door de protocollen inzake de positie van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken. Dit voorstel voor een verordening bouwt voort op het Schengenacquis en de maatregelen inzake Eurodac. De hierna genoemde gevolgen van de diverse protocollen en associatieovereenkomsten moeten daarom in aanmerking worden genomen.
Denemarken:
Overeenkomstig het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming door de Raad van maatregelen uit hoofde van titel V van het VWEU, met uitzondering van „maatregelen tot bepaling van de derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum of […] maatregelen betreffende een uniform visummodel”. Aangezien deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op het SIS en het VIS, [het EES] en [het ETIAS], voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van bovengenoemd protocol binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop zij is vastgesteld, of het deze verordening in zijn nationaal recht zal toepassen. Overeenkomstig het gelijkaardige artikel 5 van het eerdere protocol betreffende de positie van Denemarken heeft het land besloten Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Verordening (EG) nr. 767/2008 in zijn nationale wetgeving om te zetten.
Voor zover dit voorstel betrekking heeft op Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)]. Overeenkomstig artikel 3 van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, dient Denemarken echter de Commissie ervan in kennis te stellen of het de inhoud van deze verordening zal toepassen, voor zover zij betrekking heeft op Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)]. Denemarken past de huidige Eurodac-verordening (Verordening (EU) nr. 603/2013) toe op grond van een kennisgeving uit hoofde van die overeenkomst.
[Voor zover deze verordening betrekking heeft op het ECRIS-TCN-systeem neemt Denemarken, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken.]
Verenigd Koninkrijk en Ierland:
Voor zover het betrekking heeft op SIS II als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en op het VIS, [het EES] en [het ETIAS], houdt dit voorstel een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk en Ierland, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis en Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis, niet deelnemen. Derhalve is deze voorgestelde verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en op het VIS, [het EES] en [het ETIAS], niet bindend voor of van toepassing op het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Het Verenigd Koninkrijk en Ierland kunnen verzoeken deel te mogen nemen aan de vaststelling van deze verordening, overeenkomstig artikel 4 van het Protocol (nr. 19) betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie.
Voor zover deze verordening betrekking heeft op SIS II, zoals geregeld bij Besluit 2007/533/JBZ, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland aan deze verordening deel overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het Protocol (nr. 19) betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht („protocol betreffende het Schengenacquis”), en artikel 8, lid 2, van Besluit 2000/365/EG van de Raad van 20 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis respectievelijk artikel 6, lid 2, van Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis.
Voor zover deze verordening betrekking heeft op Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)] kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland de voorzitter van de Raad in kennis stellen van hun wens om deel te nemen aan de vaststelling en toepassing ervan, overeenkomstig artikel 3 van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht. Verordening (EG) nr. 603/2013 is bindend voor het Verenigd Koninkrijk en Ierland, omdat deze lidstaten hebben medegedeeld dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en de toepassing van die verordening overeenkomstig het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht.
[Voor zover deze verordening betrekking heeft op het ECRIS-TCN-systeem, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaten. Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 kunnen het Verenigd Koninkrijk en Ierland te kennen geven dat zij aan de vaststelling van deze verordening wensen deel te nemen.]
Aangezien het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 ingevolge artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie kennisgeving heeft gedaan van zijn voornemen zich uit de Unie terug te trekken, zullen de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk tot verlenging van deze termijn besluit. Onverminderd de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord is derhalve de bovengenoemde beschrijving van de deelname van het Verenigd Koninkrijk in dit voorstel slechts van toepassing tot het moment dat het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat.
Noorwegen en IJsland:
Wat Noorwegen en IJsland betreft, houdt dit voorstel, voor zover het betrekking heeft op SIS II en het VIS, [het EES] en [het ETIAS], een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in de overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis.
Zoals vier niet-EU-lidstaten bij het Schengenacquis zijn betrokken, heeft de Unie tevens overeenkomsten gesloten waarbij deze landen ook bij de Dublinmaatregelen worden betrokken, met inbegrip van Eurodac. De overeenkomst waarbij IJsland en Noorwegen bij de Dublinmaatregelen worden betrokken, is in 2001 gesloten.
Zwitserland:
Wat Zwitserland betreft, houdt dit voorstel, voor zover het betrekking heeft op het SIS en het VIS, [het EES] en [het ETIAS], een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis, als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG van de Raad, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad.
De overeenkomst waarbij Zwitserland bij de Dublinmaatregelen wordt betrokken, is op 28 februari 2008 gesloten en met ingang van 12 december 2008 van toepassing.
Liechtenstein:
Wat Liechtenstein betreft, houdt dit voorstel, voor zover het betrekking heeft op het SIS en het VIS, [het EES] en [het ETIAS], een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis, als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG van de Raad, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/261/EG van de Raad.
De overeenkomst waarbij Liechtenstein bij de Eurodac- {en Dublin}maatregelen wordt betrokken, is op 7 maart 2011 gesloten.
Gemeenschappelijke bepalingen betreffende de landen die bij de Eurodac- {en Dublin}maatregelen zijn betrokken:
Op grond van de drie bovengenoemde overeenkomsten aanvaarden de betrokken landen de Eurodac- {en Dublin}maatregelen en de ontwikkeling daarvan zonder voorbehoud. Zij nemen geen deel aan de vaststelling van besluiten die de Eurodacmaatregelen wijzigen of daarop voortbouwen (zoals dit voorstel), maar moeten de Commissie binnen een bepaalde termijn na de goedkeuring van die besluiten door de Raad en het Europees Parlement meedelen of zij de inhoud ervan al dan niet aanvaarden.
Teneinde rechten en verplichtingen tot stand te brengen die van kracht zijn tussen Denemarken – dat zoals eerder uiteengezet op grond van een internationale overeenkomst bij de Eurodac- {en Dublin{maatregelen is betrokken – en de bovengenoemde betrokken landen, zijn door de voormalige Gemeenschap (nu de Unie) en de betrokken landen twee protocollen gesloten.
•Subsidiariteit
Het voorstel is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, aangezien het doel van de voorgestelde maatregel, namelijk het bevestigen van het feit dat eu-LISA wordt belast met het operationele beheer van het centrale SIS, het centrale VIS en de nationale interfaces, het centrale Eurodac en de bijbehorende communicatie-infrastructuur alsmede andere systemen, en met een aantal andere nieuwe taken. Deze taken kunnen niet door de afzonderlijke lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie beter op het niveau van de Unie worden uitgevoerd.
•Evenredigheid
Dit voorstel voor een verordening is bedoeld ter uitvoering van de aanbevelingen van de evaluatie en is opgesteld naar aanleiding van de ontwikkelingen die het gevolg zijn van nieuwe uitdagingen en feiten waarvoor de Unie zich gesteld ziet op het gebied van zowel migratiebeheer als interne veiligheid. Het weerspiegelt dan ook de nieuwe taken van het agentschap met betrekking tot de voorgestelde nieuwe systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. De voorgestelde verordening belast het agentschap met enkele nieuwe taken, in voorkomend geval behoudens de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten.
Het uit de EU-begroting gefinancierde agentschap krijgt de bevoegdheid uitsluitend de centrale delen van SIS II, de centrale delen van het VIS en de nationale interfaces, het centrale deel van Eurodac en de bijbehorende communicatie-infrastructuur te beheren, echter zonder de verantwoordelijkheid te krijgen voor de in de systemen ingevoerde gegevens. De lidstaten zijn bevoegd voor hun nationale systemen, hoewel het agentschap in specifieke gevallen met ruimere taken wordt belast op het gebied van advies en steun aan de lidstaten. De bevoegdheden van het agentschap blijven derhalve beperkt tot het minimum dat noodzakelijk is voor de ondersteuning van effectieve, veilige en continue gegevensuitwisseling tussen de lidstaten. Bevestiging van de oprichting van het agentschap als gespecialiseerde structuur voor het beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en uitbreiding van het mandaat en de taken van het agentschap in de voorgestelde mate wordt evenredig geacht met de legitieme belangen van de gebruikers en de kritieke aard van de systemen, waaraan hoge eisen worden gesteld op het gebied van beveiliging en beschikbaarheid.
•Keuze van het instrument
Aangezien het agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht is ingesteld bij een verordening, wordt in dit voorstel voor hetzelfde rechtsinstrument gekozen.
3.RESULTATEN VAN EX-POSTEVALUATIES, RAADPLEGINGEN VAN BELANGHEBBENDEN EN EFFECTBEOORDELINGEN
•Ex-postevaluaties/geschiktheidscontroles van bestaande wetgeving
Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1077/2011 heeft de Commissie binnen drie jaar na 1 december 2012 in nauwe samenwerking met de raad van bestuur een evaluatie van de werking van het agentschap verricht. De Commissie heeft de evaluatie uitgevoerd op basis van het verslag van een door Ernst & Young tussen maart 2015 en maart 2016 verrichte externe evaluatie, die de periode van december 2012 tot september 2015 bestrijkt. Het verslag van de externe evaluatie is gepubliceerd in maart 2016. Het verslag van de Commissie over het functioneren van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie over de evaluatie van eu-LISA worden samen met dit voorstel gepresenteerd. De resultaten van de evaluatie en de naar aanleiding daarvan opgestelde aanbevelingen worden in punt 1 samengevat.
•Raadpleging van belanghebbenden
Het voorstel van de Commissie is gebaseerd op de bovengenoemde evaluatie, die verricht is op basis van overleg met de belanghebbenden. Deze belanghebbenden zijn de lidstaten (met name hun vertegenwoordigers in de raad van de bestuur en de adviesgroepen), de met Schengen en Dublin/Eurodac geassocieerde landen, het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming, de Europese Rekenkamer, agentschappen van de EU (in het bijzonder Cepol, Frontex, EASO, Europol, Eurojust en het grondrechtenbureau), en de contractanten die bij eu-LISA zijn betrokken.
De Commissie heeft het agentschap bovendien geraadpleegd over de aanbevelingen voor wijziging van de oprichtingsverordening die naar aanleiding van de technische ontwikkelingen kunnen worden vastgesteld en het agentschap gevraagd enkele beknopte effectbeoordelingen uit te voeren waaruit de noodzaak van de wijzigingen blijkt.
Zoals de verordening voorschrijft, is de raad van bestuur van het agentschap geraadpleegd over de aanbevelingen van de Commissie tot wijziging van de verordening tot oprichting van het agentschap. Zoals onder punt 1 uiteengezet, heeft de Commissie binnen de grenzen van het mogelijke de aanbevelingen van de raad van bestuur overgenomen. Dit geldt met name voor de aanbeveling om het mandaat van het agentschap uit te breiden wat betreft onderzoek, de aanbeveling om de ambtstermijn van de voorzitters van de adviesgroepen te verlengen en de aanbeveling om het mogelijk te maken de locatie Sankt Johann im Pongau te gebruiken om de systemen in actieve modus te doen werken. Het advies van de raad van bestuur over de aanbevelingen van de Commissie is in de bijlage bij bovengenoemd verslag van de Commissie opgenomen.
•Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid
De onafhankelijke externe evaluatie van het agentschap is uitgevoerd door Ernst & Young. Dit bedrijf heeft zijn jarenlange ervaring en expertise bij de evaluatie ingezet en de belanghebbenden uitgebreid geraadpleegd. Ook is rekening gehouden met de verslagen van eu-LISA over de technische werking van SIS II en het VIS, de jaarverslagen over de activiteiten van de centrale eenheid van Eurodac en de algemene evaluatieverslagen van de Commissie over het VIS en SIS II.
•Effectbeoordeling
Het voorstel is voor een groot deel gebaseerd op de resultaten van het onder 1 genoemde externe evaluatieverslag en de aanbevelingen die in dat verband zijn gedaan.
Er is geen effectbeoordeling verricht, aangezien de conclusie van de evaluatie luidde dat de wijzigingen in wezen van technische aard zijn, in die zin dat zij hetzij vereist zijn om de werking en de operationele effectiviteit van het agentschap te verbeteren, hetzij verband houden met andere ontwikkelingen op wetgevings- of beleidsgebied, zoals het beheer van nieuwe systemen of het uitvoeren van nieuwe taken. Enerzijds wordt door deze wijzigingen het mandaat van het agentschap slechts in beperkte mate uitgebreid en is het effect ervan niet significant. Anderzijds heeft de Commissie, wat de uit ontwikkelingen op wetgevings- of beleidsgebied voortvloeiende wijzigingen betreft, geen keuze, aangezien deze ontwikkelingen juist tot de desbetreffende wijzigingen nopen.
•Grondrechten
Dit voorstel is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegd zijn. Het verruimt de taken en verantwoordelijkheden van het agentschap, met name doordat het wordt belast met het beheer van nieuwe grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. De gevolgen van het voorstel voor de grondrechten zijn echter beperkt, aangezien het agentschap heeft aangetoond dat het in staat is het operationele beheer van SIS, VIS en Eurodac op doeltreffende wijze te verzorgen en de nieuwe taken waarmee het wordt belast uit te voeren, met inachtneming van de grondrechten, en met name artikel 8 over de bescherming van persoonsgegevens. De nieuwe systemen waarmee het agentschap volgens de voorstellen wordt belast, omvatten overeenkomstig de desbetreffende wetgevingsinstrumenten passende waarborgen op het gebied van gegevensbescherming, waaraan het agentschap zich dient te houden.
Dit voorstel voldoet derhalve aan de artikelen 2 en 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.
4.GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING
De subsidie die het agentschap ontvangt ten behoeve van het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht is reeds in de begroting van de Unie opgenomen. Bij dit voorstel worden de taken van het agentschap verruimd. Voor elk nieuw systeem waarmee het agentschap wordt belast, wordt weliswaar een specifiek rechtsinstrument vastgesteld op basis van titel V van het VWEU, waarbij tevens in het voor de ontwikkeling en het operationele beheer noodzakelijke budget wordt voorzien, maar voor andere nieuwe taken die in dit voorstel zijn opgenomen, zijn specifieke middelen en een specifiek budget vereist, die in het aan dit voorstel gehechte financieel memorandum nader worden beschreven.
Dit geldt voor de taken in verband met de communicatie-infrastructuur van het SIS die aan het agentschap worden overgedragen en de taken die voortvloeien uit de mededeling over krachtigere en slimmere informatiesystemen van 6 april 2016 en het zevende voortgangsverslag van de Commissie over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017. Er moet tevens worden voorzien in een budget ter dekking van de nieuwe taken van het agentschap die inhouden dat het, indien nodig, advies en ad-hocsteun aan de lidstaten verleent en de Commissie ondersteunt bij technische aangelegenheden in verband met bestaande of nieuwe systemen.
De uitbreiding van de onderzoekstaken van het agentschap ten behoeve van de uitvoering van de onderdelen van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie die betrekking hebben op grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, moet worden gedekt door de bijdrage van de Unie waarin is voorzien in het besluit waarbij de desbetreffende taken door de Commissie aan het agentschap worden gedelegeerd.
Een groep lidstaten kan eu-LISA belasten met de ontwikkeling, het beheer en/of de hosting van gecentraliseerde oplossingen voor de uitvoering van technische aspecten die uit het EU-recht inzake gedecentraliseerde systemen voortvloeien. Deze taken dienen volledig te worden bekostigd uit de bijdragen die de betrokken lidstaten betalen ter dekking van alle kosten.
Om het agentschap in staat te stellen alle taken uit te voeren waarin dit voorstel voorziet, moet de subsidie van de Unie aan het agentschap voor 2018–2020 met 78,354 miljoen EUR worden vermeerderd en moet voor diezelfde periode in 52 extra posten worden voorzien. Dit aantal omvat 23 personeelsformatieposten (tijdelijke functionarissen), 2 arbeidscontractanten, 2 gedetacheerde nationale deskundigen en 25 arbeidscontractanten na inbesteding van uitzendkrachten. Het genoemde bedrag omvat noch het voor de nieuwe systemen vereiste budget waarin de desbetreffende wetgevingsvoorstellen voorzien, noch het budget dat vereist is voor de voorstellen tot wijziging van de bestaande systemen. Onderdeel 3.2.2 van het financieel memorandum bij dit voorstel geeft een gedetailleerde uitsplitsing per jaar en per systeem.
5.OVERIGE ELEMENTEN
•Regelingen voor monitoring, evaluatie en rapportage
Voor eu-LISA geldt de verplichting verslag uit te brengen over zijn activiteiten en zijn werkzaamheden te monitoren. Met name moet het agentschap jaarlijks een verslag opstellen over de activiteiten van het agentschap in het voorafgaande jaar, waarin onder andere de behaalde resultaten worden vergeleken met de doelstellingen van het jaarlijkse werkprogramma.
Tot de taken van de uitvoerend directeur behoort het opzetten en uitvoeren van een doeltreffend systeem voor regelmatige monitoring en evaluatie van de grootschalige IT-systemen en van het agentschap zelf, onder andere waar het gaat om de doeltreffende en efficiënte verwezenlijking van de doelstellingen ervan.
Het agentschap moet een grotere rol spelen bij het verstrekken van statistische gegevens over de systemen die het beheert. Het publiceren van die statistische gegevens behoort eveneens tot zijn taken. De precieze bepalingen hierover zullen in de specifieke wetgevingsinstrumenten worden opgenomen.
De raad van bestuur stelt elke twee jaar een verslag op over de technische werking van het SIS en het VIS, zoals verplicht op grond van de wetgevingsinstrumenten voor deze systemen. Jaarlijks wordt bovendien een verslag opgesteld over de activiteiten van het centrale systeem van Eurodac. De raad van bestuur stelt tevens de verslagen vast over de ontwikkeling en de technische werking van de nieuwe systemen waarmee het agentschap wordt belast.
De Commissie dient uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar een evaluatie van de werkzaamheden van het agentschap te verrichten. De Commissie brengt over de bevindingen van de evaluaties verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur. De uitvoerend directeur zorgt ervoor dat aan de bevindingen van de evaluatie en de naar aanleiding daarvan opgestelde aanbevelingen een passend gevolg wordt gegeven.
Het Europees Parlement en de Raad kunnen de uitvoerend directeur verzoeken om verslag uit te brengen aan die instellingen over de uitvoering van zijn taken. Voorafgaand aan de benoeming van de uitvoerend directeur en de verlenging van diens ambtstermijn moet de uitvoerend directeur bovendien worden uitgenodigd om een verklaring af te leggen voor het Europees Parlement en vragen van de bevoegde commissieleden te beantwoorden.
De belangrijkste taak van het agentschap is en blijft het verzorgen van het operationele beheer van de bestaande grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en het voorbereiden, ontwikkelen en beheren van nieuwe systemen waarmee het agentschap wordt belast op grond van wetgevingsinstrumenten uit hoofde van de artikelen 69 tot en met 89 VWEU. Met name zal het agentschap op korte termijn de volgende systemen moeten ontwikkelen: het EES en het ETIAS, behoudens de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten. Uit de eerste evaluatie van het agentschap is echter gebleken dat het mandaat van het agentschap moet worden uitgebreid. Om mogelijk te maken dat de aanbevelingen van de evaluatie en de onder punt 1 samengevatte juridische, feitelijke en beleidsontwikkelingen worden uitgevoerd, zijn in dit voorstel elementen opgenomen om de taken van het agentschap uit te breiden ten opzichte van het mandaat dat op grond van Verordening (EU) nr. 1077/2011 van toepassing is.
•Uitbreiding van het mandaat van eu-LISA
In artikel 1 worden nu de bevoegdheden van het agentschap genoemd. Met name wordt bepaald dat het agentschap met de volgende nieuwe taken kan worden belast:
–de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van het inreis-uitreissysteem (EES), DubliNet, het Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie (ETIAS), het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming en het ECRIS-TCN-systeem, behoudens de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten;
–het toezicht op de gegevenskwaliteit overeenkomstig artikel 8;
–de ontwikkeling van de nodige maatregelen met het oog op interoperabiliteit overeenkomstig artikel 9;
–de verlening van ondersteuning aan de lidstaten en de Commissie overeenkomstig artikel 12.
•Specifieke taken met betrekking tot nieuwe systemen (behoudens de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten)
Artikel 5 bis betreft de taken in verband met het inreis-uitreissysteem, dat de Commissie op 6 april 2016 heeft voorgesteld en waarover momenteel door de medewetgevers wordt onderhandeld.
Artikel 5 ter betreft de taken in verband met het Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie. Het op 16 november 2016 ingediende ETIAS-voorstel zou in het najaar van 2017 moeten worden goedgekeurd.
Artikel 5 quinquies betreft de taken in verband met het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming (toewijzingsmechanisme voor Dublin). Het herschikkingsvoorstel voor Dublin is op 4 mei 2016 ingediend en er wordt momenteel door de medewetgevers over onderhandeld.
Artikel 5 sexies betreft de taken in verband met het gecentraliseerde systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN) ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS-TCN-systeem). Het ECRIS-TCN-voorstel is op 29 juni 2017 ingediend.
•Overdracht aan het agentschap van taken van de Commissie met betrekking tot de communicatie-infrastructuur van het SIS en het VIS
Artikel 7 is aangepast in verband met de overdracht aan het agentschap van de taken van de Commissie die betrekking hebben op communicatie-infrastructuur tussen het centrale systeem en de uniforme nationale interface in elke lidstaat, die de verbinding verzorgt tussen de centrale systemen van het SIS en het VIS en de nationale infrastructuren in de lidstaten. Er wordt ook bepaald dat geen overdracht zal plaatsvinden voor de systemen die gebruikmaken van EuroDomain (momenteel alleen Eurodac), een beveiligde telecommunicatie-infrastructuur die wordt aangeboden door TESTA-ng (trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten – volgende generatie). TESTA-ng wordt beheerd en gefinancierd door de Commissie en derhalve zullen in de nabije toekomst geen contractuele taken of budgetten aan eu-LISA worden overgedragen.
•Waarborgen van gegevenskwaliteit
Artikel 8 belast het agentschap met de totstandbrenging van geautomatiseerde controlemechanismen voor gegevenskwaliteit en gemeenschappelijke indicatoren voor gegevenskwaliteit, alsook met de ontwikkeling van een centraal register voor verslagen en statistieken, behoudens specifieke wetgevingswijzigingen van de instrumenten van de bestaande systemen en/of specifieke bepalingen in nieuwe instrumenten.
•Ontwikkeling van de nodige maatregelen met het oog op interoperabiliteit
Artikel 9 belast het agentschap met de ontwikkeling van de maatregelen die nodig zijn om de interoperabiliteit van de systemen mogelijk te maken, in voorkomend geval behoudens de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten.
•Uitbreiding van de onderzoekstaken van eu-LISA
Artikel 10 breidt het mandaat van het agentschap op onderzoeksgebied uit. Met name krijgt het agentschap de opdracht de delen van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie uit te voeren die betrekking hebben op grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.
•Uitbreiding van de reikwijdte van proefprojecten
Artikel 11 breidt de reikwijdte uit van de proefprojecten die aan eu-LISA kunnen worden opgedragen. Op verzoek van de Commissie kan het agentschap door middel van een delegatieovereenkomst worden belast met begrotingsuitvoeringstaken voor conceptvalideringen die worden gefinancierd uit het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa bedoeld in Verordening (EU) nr. 515/2014. Het agentschap kan, als de raad van bestuur daartoe besluit, ook testactiviteiten plannen en verrichten voor aangelegenheden die vallen onder deze verordening en de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van alle grootschalige IT-systemen die door het agentschap worden beheerd.
•Ondersteuning van de lidstaten en de Commissie
Artikel 12 bepaalt dat het agentschap kan worden verzocht om de lidstaten advies in verband met de aansluiting van de nationale systemen op de centrale systemen te verlenen en om de lidstaten ad-hocsteun te bieden. Ook kan het agentschap worden verzocht om de Commissie advies of steun te verlenen in verband met technische aangelegenheden betreffende bestaande of nieuwe systemen, bijvoorbeeld door middel van studies en tests.
Daarnaast wordt in artikel 12 bepaald dat het agentschap ook de opdracht kan krijgen een gemeenschappelijk IT-systeem te ontwikkelen, te beheren en/of te hosten en wel van een groep van ten minste zes lidstaten, die vrijwillig kiezen voor een gecentraliseerde oplossing die hen ondersteunt bij het implementeren van de technische aspecten van verplichtingen die voortvloeien uit de EU-wetgeving inzake gedecentraliseerde systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, behoudens de voorafgaande toestemming van de Commissie en na een besluit van de raad van bestuur. In voorkomend geval belasten de betrokken lidstaten het agentschap met die taken door middel van een delegatieovereenkomst met daarin de voorwaarden voor de delegatie, de berekening van alle relevante kosten en het soort facturering.
•Uitbreiding van de mogelijkheden om de back-uplocatie voor operationele doeleinden in te zetten
Artikel 13 voorziet in de mogelijkheid dat de back-uplocatie in Sankt Johann im Pongau, ten aanzien van door het agentschap beheerde grootschalige IT-systemen, tegelijkertijd wordt ingezet voor operationele doeleinden, mits de werking van die IT-systemen bij uitval van het systeem eveneens is gewaarborgd. Nadere bijzonderheden betreffende het gebruik van de back-upsystemen worden opgenomen in het wetgevingsinstrument inzake elk specifiek systeem.
•Nieuwe taken van de raad van bestuur
In artikel 15 wordt nader bepaald welke taken aan de raad van bestuur worden opgelegd, onder meer in verband met zijn verantwoordelijkheid om voor de algemene aansturing van de activiteiten van het agentschap te zorgen. Artikel 15 wordt aangevuld om het in overeenstemming te brengen met de gemeenschappelijke aanpak die wordt beschreven in de bijlage bij de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012. Voorts wordt het artikel gewijzigd om te voorzien in een nieuwe verplichting voor de raad van bestuur om jaarlijks in augustus een tussentijds verslag op te stellen over de voortgang van de uitvoering van de geplande activiteiten in de eerste zes maanden van het jaar, alsmede in verband met de ontwikkelingen rond het nieuwe Financieel Reglement en de financiële kaderregeling en de nieuwe taken die voor de raad van bestuur voortvloeien uit het feit dat het agentschap met het operationele beheer van nieuwe systemen wordt belast.
•Wijzigingen met betrekking tot de raad van bestuur
Bij artikel 18 wordt de ambtstermijn van de voorzitter van de raad van bestuur overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak verlengd van twee jaar naar vier jaar, met een maximum van twee termijnen.
Artikel 19 wordt aangevuld met de mogelijkheid dat bepaalde EU-agentschappen de vergaderingen van de raad van bestuur bijwonen wanneer een vraagstuk op de agenda staat dat betrekking heeft op een nieuw systeem waartoe zij op grond van het desbetreffende wetgevingsinstrument als eindgebruiker toegang hebben.
•Wijzigingen met betrekking tot de taken en de ambtstermijn van de uitvoerend directeur
Artikel 21 verduidelijkt de taken van de uitvoerend directeur door aan te geven dat deze verantwoordelijk is voor het administratieve beheer van het agentschap en voor de uitvoering van de aan het agentschap opgelegde verplichtingen. Artikel 21 wordt overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak aangevuld om rekening te houden met nieuwe taken die voortvloeien uit wetgevingsinstrumenten waarbij het agentschap met het beheer van nieuwe systemen wordt belast. De verplichting van de uitvoerend directeur om aan de raad van bestuur een ontwerpopdracht voor de evaluatie van de werking van het agentschap voor te leggen, is geschrapt.
In artikel 22 wordt bepaald dat de ambtstermijn van de uitvoerend directeur, overeenkomstig de gemeenschappelijke aanpak, eenmaal met ten hoogste vijf jaar kan worden verlengd, in plaats van drie jaar zoals momenteel het geval is.
•Wijzigingen met betrekking tot de adviesgroepen (behoudens de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten)
Artikel 23 voorziet in de oprichting van adviesgroepen als bedoeld in de wetgevingsvoorstellen voor het EES, het ETIAS en het ECRIS-TCN-systeem.
•Verplichte voorafgaande goedkeuring van de veiligheidsvoorschriften door de Commissie op basis van de veiligheidsvoorschriften van de Commissie
In artikel 33 wordt bepaald dat de veiligheidsvoorschriften van het agentschap betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en gevoelige niet-gerubriceerde gegevens, na goedkeuring door de Commissie, door de raad van bestuur worden vastgesteld op basis van de veiligheidsvoorschriften die voor de Commissie gelden.
•Wijziging van het artikel over de evaluatie
Artikel 35 wordt gewijzigd om te verduidelijken dat de Commissie de werkzaamheden van het agentschap beoordeelt en over de bevindingen van de evaluaties verslag uitbrengt aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur. De evaluatie vindt om de vijf jaar plaats in plaats van om de vier jaar, om de werkwijze aan te passen aan de gemeenschappelijke aanpak inzake gedecentraliseerde agentschappen.
•Invoeging van een bepaling over samenwerking met instellingen, organen en instanties van de Unie
In artikel 37 worden de voorschriften vastgesteld over de samenwerking met de instellingen, organen en instanties van de Unie, met name die welke actief zijn op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht.
•Aanpassing van de begrotingsbepalingen aan die van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013
De artikelen 39 tot en met 42 zijn afgestemd op de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad, zoals deze in de financiële voorschriften van het agentschap zijn opgenomen.
•Invoeging van een bepaling over het voorkomen van belangenconflicten
Artikel 43 schrijft voor dat het agentschap interne voorschriften vaststelt ter voorkoming van belangenconflicten.
•Hoofdstuk VI bevat wijzigingen van andere instrumenten van de Unie
De artikelen 46 en 47 betreffen wijzigingen van de rechtsinstrumenten inzake SIS II die verband houden met de overdracht van de taken van de Commissie op het gebied van de communicatie-infrastructuur van het SIS aan het agentschap. Deze wijziging is niet nodig voor de VIS-verordening, omdat in het EES-voorstel een bepaling is opgenomen tot wijziging van artikel 26, lid 2, van de VIS-verordening, die luidt dat de beheersautoriteit (d.w.z. het agentschap) zes maanden na de inwerkingtreding van de EER-verordening belast wordt met de taken van de Commissie op het gebied van de communicatie-infrastructuur. Ten aanzien van Eurodac is geen wijziging noodzakelijk omdat de communicatie-infrastructuur van Eurodac valt onder EuroDomain, dat door de Commissie wordt beheerd en gefinancierd. Er vindt derhalve in de nabije toekomst geen overdracht van contractuele taken of budgetten aan eu-LISA plaats. Als het wetgevingsinstrument tot oprichting van het ECRIS-TCN-systeem door de medewetgevers wordt vastgesteld, zal ook het ECRIS-TCN-systeem van de infrastructuur van EuroDomain gebruikmaken en wordt de Commissie verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting, de aanschaf en vernieuwing van de communicatie-infrastructuur van ECRIS-TCN en contractuele aangelegenheden daaromtrent.
Na de vaststelling van dit voorstel moet het memorandum van overeenstemming tussen de Europese Commissie en het agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht worden gewijzigd in onderling overleg tussen de Commissie en eu-LISA, in overeenstemming met de wijzigingen met betrekking tot de communicatie-infrastructuur die in de wetgevingsinstrumenten voor de betrokken systemen zijn aangebracht.
2017/0145 (COD)
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
betreffende het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)Bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad is het Schengeninformatiesysteem ingesteld. In Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ wordt bepaald dat gedurende een overgangsperiode de Commissie belast is met het operationele beheer van het centrale SIS II. Na die overgangsperiode wordt een beheersautoriteit belast met het operationele beheer van het centrale SIS II en bepaalde aspecten van de communicatie-infrastructuur.
(2)Bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad is het Visuminformatiesysteem (VIS) ingesteld. In Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad wordt bepaald dat gedurende een overgangsperiode de Commissie verantwoordelijk is voor het operationele beheer van het VIS. Na die overgangsperiode wordt een beheersautoriteit belast met het operationele beheer van het centrale VIS en van de nationale interfaces, alsook met bepaalde aspecten van de communicatie-infrastructuur.
(3)Bij Verordening (EG) nr. 2725/2000 van de Raad is Eurodac ingesteld. Bij Verordening (EG) nr. 407/2002 van de Raad zijn de nodige uitvoeringsbepalingen vastgesteld. Bij Verordening (EG) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad zijn deze instrumenten ingetrokken en vervangen met ingang van 20 juli 2015.
(4)Het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht is opgericht bij Verordening (EU) nr. 1077/2011 van het Europees Parlement en de Raad teneinde te voorzien in het operationele beheer van het SIS, het VIS en Eurodac en van bepaalde aspecten van de communicatie-infrastructuur, en mogelijk ook in het operationele beheer van andere grootschalige informatietechnologiesystemen („IT-systemen”) op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, behoudens de vaststelling van afzonderlijke wetgevingsinstrumenten. Verordening (EU) nr. 1077/2011 is bij Verordening (EU) nr. 603/2013 gewijzigd in verband met de veranderingen die in Eurodac werden aangebracht.
(5)Aangezien de beheersautoriteit juridisch, administratief en financieel autonoom diende te zijn, moest zij de vorm aannemen van een regelgevend agentschap met rechtspersoonlijkheid. Er werd overeengekomen dat de zetel van het agentschap in Tallinn (Estland) zou worden gevestigd. Aangezien de taken met betrekking tot de technische ontwikkeling en de voorbereidingen voor het operationeel beheer van het SIS en het VIS reeds in Straatsburg (Frankrijk) werden verricht, en reeds een back-uplocatie voor deze IT-systemen was gevestigd in Sankt Johann im Pongau (Oostenrijk), ook omdat deze locaties waren bepaald in de wetgevingsinstrumenten betreffende het SIS en het VIS, dient deze situatie te worden bestendigd. Het blijft zo dat op deze twee locaties respectievelijk de taken in verband met de technische ontwikkeling en het operationeel beheer van Eurodac dienen te worden verricht en een back-uplocatie voor Eurodac dient te worden gevestigd. Deze twee locaties dienen tevens bestemd te worden voor enerzijds de technische ontwikkeling en het operationeel beheer van andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht en anderzijds, mits het desbetreffende wetgevingsinstrument daarin voorziet, voor een back-uplocatie waarmee ervoor kan worden gezorgd dat een falend grootschalig IT-systeem operationeel blijft. Teneinde de mogelijkheden voor het gebruik van de back-uplocatie zo groot mogelijk te maken, dienen op deze locatie de systemen tegelijkertijd operationeel te kunnen functioneren, mits de werking van de IT-systemen bij uitval eveneens is gewaarborgd.
Sinds de start van de activiteiten van eu-LISA op 1 december 2012 heeft het agentschap de taken op zich genomen waarmee de beheersautoriteit ten aanzien van het VIS bij Verordening (EG) nr. 767/2008 en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad is belast. Het heeft in april 2013, nadat SIS II in gebruik was gesteld, de taken overgenomen waarmee ten aanzien van SIS II bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ van de Raad de beheersautoriteit was belast, en het heeft in juni 2013 de taken op zich genomen waarmee ten aanzien van Eurodac de Commissie was belast bij Verordening (EG) nr. 2725/2000 en Verordening (EG) nr. 407/2002. Op basis van een onafhankelijke externe evaluatie werd in 2015–2016 de eerste evaluatie van de werkzaamheden van het agentschap verricht, waarvan de conclusie was dat eu-LISA het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen en de andere taken waarmee het is belast, op doeltreffende wijze uitvoert, maar dat de oprichtingsverordening op enkele punten moest worden gewijzigd; zo zouden de nog onder de Commissie ressorterende taken betreffende de communicatie-infrastructuur aan het agentschap dienen te worden overgedragen. Voortbouwende op de externe evaluatie heeft de Commissie de ontwikkelingen op feitelijk, juridisch en beleidsgebied in aanmerking genomen en in haar verslag over het functioneren van het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA) met name voorgesteld het mandaat van het agentschap uit te breiden met de taken die voortvloeien uit de door de medewetgevers goed te keuren voorstellen waarbij het agentschap met het beheer van nieuwe systemen wordt belast, en de taken bedoeld in de mededeling van de Commissie van 6 april 2016 over krachtigere en slimmere informatiesystemen, het eindverslag van de deskundigengroep op hoog niveau van 11 mei 2017 en het zevende voortgangsverslag van de Commissie over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie van 16 mei 2017, behoudens de goedkeuring van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten. In het bijzonder dient het agentschap te worden belast met de ontwikkeling van een Europees zoekportaal, een gemeenschappelijke dienst voor biometrische matching en een gemeenschappelijk gegevensregister, behoudens de goedkeuring van het wetgevingsinstrument inzake interoperabiliteit. Waar van toepassing dienen maatregelen inzake interoperabiliteit rekening te houden met de mededeling van de Commissie „Europees interoperabiliteitskader – Implementatiestrategie”.
(6)In genoemd verslag concludeerde de Commissie tevens dat het mandaat van het agentschap moet worden uitgebreid om de lidstaten advies te verlenen in verband met de aansluiting van de nationale systemen op de centrale systemen, om zo nodig ad-hocbijstand/ondersteuning te bieden en om de diensten van de Commissie bijstand/ondersteuning te bieden inzake technische kwesties die verband houden met nieuwe systemen.
(7)[Het agentschap dient derhalve te worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van het inreis-uitreissysteem dat ingesteld bij Verordening XX/XX van het Europees Parlement en de Raad van XX [tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008 en Verordening (EU) nr. 1077/2011].]
(8)[Het dient te worden belast met het operationele beheer van DubliNet, een afzonderlijk beveiligd elektronisch kanaal dat op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1560/2003 van de Commissie is opgezet, overeenkomstig Verordening XX/XX van XX betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van [Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], voor de identificatie van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving (herschikking).]
(9)[Het dient te worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van het Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie (ETIAS) dat is ingesteld bij Verordening XX/XX van XX [tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/794 en (EU) 2016/1624].]
(10)[Het dient te worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX [tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)].]
(11)[Het dient te worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van het gecentraliseerde systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen, dat is ingevoerd bij Verordening XX/XX van XX [tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN) ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (ECRIS-TCN-systeem)] en het onderhoud van de in die verordening bedoelde ECRIS-referentie-implementatie.]
(12)Het agentschap dient dezelfde rechtspersoon te blijven, met volledige continuïteit van al zijn activiteiten en procedures.
(13)De kerntaak van het agentschap dient te blijven bestaan in de uitvoering van taken voor het operationele beheer van SIS II, VIS en Eurodac, [EES], [DubliNet], [ETIAS], [het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming] en [het ECRIS-TCN-systeem], alsmede andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, indien daartoe wordt besloten. Het agentschap dient tevens de verantwoordelijkheid te dragen voor de uitvoering van de niet-normatieve technische maatregelen die vereist zijn voor de uitvoering van de taken waarmee het is belast. Deze verantwoordelijkheid dient te gelden onverminderd de normatieve taken die krachtens de verschillende wetgevingsinstrumenten betreffende de systemen waarvan het agentschap het operationele beheer verzorgt, worden vervuld door de Commissie, of door de Commissie bijgestaan door een comité. Het is niet langer gerechtvaardigd dat de Commissie bepaalde taken in verband met de communicatie-infrastructuur van de systemen behoudt en derhalve dienen deze taken, teneinde de samenhang van het beheer daarvan te vergroten, te worden overgedragen aan het agentschap. Voor de systemen die gebruikmaken van EuroDomain, een beveiligde communicatie-infrastructuur die wordt aangeboden door TESTA-ng („trans-Europese diensten voor telematica tussen overheidsdiensten – volgende generatie”, een project in de vorm van een netwerkdienst op basis van artikel 3 van Besluit nr. 922/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad), dienen de taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting, aanschaf en vernieuwing en contractuele aangelegenheden echter door de Commissie te worden behouden.
(14)Voorts dient het agentschap taken te blijven vervullen inzake opleiding met betrekking tot de technische toepassing van SIS, VIS, Eurodac en andere grootschalige IT-systemen die in de toekomst aan het agentschap worden toevertrouwd.
(15)Tevens zou het agentschap kunnen worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen ter uitvoering van de artikelen 67 tot en met 89 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Het agentschap dient uitsluitend met dergelijke taken te worden belast op basis van latere en afzonderlijke wetgevingsinstrumenten, nadat een effectbeoordeling is verricht.
(16)Het mandaat van het agentschap op onderzoeksgebied dient te worden uitgebreid om het agentschap in staat te stellen proactiever op te treden en relevante en noodzakelijke technische wijzigingen voor te stellen van de systemen waarvoor het de verantwoordelijkheid draagt. Het agentschap kan de uitvoering van onderzoeksactiviteiten die van belang zijn voor het operationele beheer van de systemen die het beheert, niet alleen monitoren maar er tevens toe bijdragen. Het dient informatie over dergelijke monitoring regelmatig door te geven aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
(17)Het agentschap dient verantwoordelijk te zijn voor de uitvoering van proefprojecten als bedoeld in artikel 54, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad. Het agentschap kan bovendien door de Commissie worden belast met begrotingsuitvoeringstaken voor conceptvalideringen die worden gefinancierd uit het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa bedoeld in Verordening (EU) nr. 515/2014 van het Europees Parlement en de Raad, overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. Het agentschap kan, als de raad van bestuur daartoe besluit, ook testactiviteiten plannen en verrichten voor aangelegenheden die vallen onder deze verordening en de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van alle grootschalige IT-systemen die door het agentschap worden beheerd. Bij de uitvoering van proefprojecten dient het agentschap in het bijzonder aandacht te schenken aan de strategie voor informatiebeheer van de Europese Unie.
(18)Het agentschap dient de lidstaten advies te verlenen in verband met de aansluiting van de nationale systemen op de centrale systemen.
(19)Het agentschap dient de lidstaten tevens ad-hocsteun te bieden, indien dat noodzakelijk is om veiligheidsredenen of vanwege buitengewone behoeften in verband met migratie. Met name dient een lidstaat die aan welbepaalde delen van zijn buitengrenzen wordt geconfronteerd met specifieke onevenredige uitdagingen op het gebied van migratie als gevolg van een sterke instroom van migranten, op technische en operationele versterking te kunnen rekenen. Deze versterking dient in hotspotgebieden te worden geboden door ondersteuningsteams voor migratiebeheer, bestaande uit deskundigen van de betrokken agentschappen van de Unie. Indien in dit verband ondersteuning door eu-LISA is vereist met betrekking tot vraagstukken die verband houden met de grootschalige IT-systemen die het beheert, dient het ondersteuningsverzoek door de Commissie aan het agentschap te worden gezonden.
(20)Het agentschap dient waar nodig tevens steun te verlenen aan de diensten van de Commissie inzake technische vraagstukken die met bestaande of nieuwe systemen samenhangen, met name ten behoeve van het opstellen van nieuwe voorstellen over door het agentschap te beheren grootschalige IT-systemen.
(21)Het dient voorts mogelijk te zijn het agentschap te belasten met de ontwikkeling, het beheer of de hosting van een gemeenschappelijk IT-systeem voor een groep lidstaten die vrijwillig kiezen voor een gecentraliseerde oplossing die hen ondersteunt bij het implementeren van de technische aspecten van verplichtingen die voortvloeien uit de Uniewetgeving inzake gedecentraliseerde grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Daarvoor dienen de voorafgaande toestemming van de Commissie en een besluit van de raad van bestuur vereist te zijn, alsmede een delegatieovereenkomst tussen de betrokken lidstaten en het agentschap; de financiering dient te geschieden door middel van bijdragen van alle betrokken lidstaten, die alle kosten dekken.
(22)Het feit dat het agentschap wordt belast met het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht laat de specifieke regels betreffende die systemen onverlet. In het bijzonder zijn de specifieke regels inzake het doel, de toegangsrechten, de beveiligingsmaatregelen en andere vereisten op het gebied van gegevensbescherming ten volle van toepassing voor elk van de grootschalige IT-systemen waarvan het agentschap het operationele beheer verzorgt.
(23)De lidstaten en de Commissie dienen vertegenwoordigd te zijn in een raad van bestuur, zodat zij effectief toezicht kunnen uitoefenen op het functioneren van het agentschap. Deze raad van bestuur dient te beschikken over de nodige bevoegdheden, met name om het jaarlijkse werkprogramma vast te stellen, zijn taken met betrekking tot de begroting van het agentschap te vervullen, de financiële regeling die van toepassing is op het agentschap vast te stellen, de uitvoerend directeur te benoemen en procedures vast te stellen voor het nemen van besluiten door de uitvoerend directeur in verband met de operationele taken van het agentschap. Bij het beheer en de werking van het agentschap dient rekening te worden gehouden met de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak inzake de gedecentraliseerde agentschappen, die op 19 juli 2012 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie is aangenomen.
(24)Wat SIS II betreft, dienen de Europese politiedienst (Europol) en de Europese Eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust), die beide krachtens Besluit 2007/533/JBZ [of Verordening XX van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006, Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie] het recht op toegang tot en directe bevraging van in het SIS opgenomen gegevens hebben, de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ op de agenda staat. De Europese grens- en kustwacht, die het recht op toegang tot en bevraging van het SIS heeft krachtens Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening XXX [betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken], dient de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Verordening (EU) 2016/1624 of Verordening XX van XX [betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken] op de agenda staat. Europol, Eurojust en de Europese grens- en kustwacht dienen alle een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de adviesgroep-SIS die bij deze verordening wordt ingesteld.
(25)Wat het VIS betreft, dient Europol de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Besluit 2008/633/JBZ op de agenda staat. Europol dient een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de adviesgroep-VIS die bij deze verordening wordt ingesteld.
(26)Wat Eurodac betreft, dient Europol de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot de toepassing van Verordening (EU) nr. 603/2013 {of Verordening XX van XX betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van [Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], voor de identificatie van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving (herschikking)} op de agenda staat; Europol dient een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de adviesgroep-Eurodac.
(27)[Wat het EES betreft, dient Europol de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot Verordening XX/XXXX [tot instelling van het EES] op de agenda staat.
(28)[Wat het ETIAS betreft, dient Europol de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot Verordening XX/XXXX [tot instelling van het ETIAS] op de agenda staat. De Europese grens- en kustwacht dient tevens de status van waarnemer te krijgen in de vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk inzake het ETIAS met betrekking tot de toepassing van Verordening XX/XX [tot instelling van het ETIAS] op de agenda staat]. Europol en de Europese grens- en kustwacht dienen beide een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de adviesgroep-[EES-ETIAS].
(29)[Wat het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/XX [tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend] betreft, dient het EASO de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur wanneer een vraagstuk betreffende dit systeem op de agenda staat.]
(30)[Wat het ECRIS-TCN-systeem betreft, dienen Eurojust, Europol [en het Europees Openbaar Ministerie] de status van waarnemer te krijgen in vergaderingen van de raad van bestuur, wanneer een vraagstuk met betrekking tot Verordening XX/XXXX [tot instelling van het ECRIS-TCN-systeem] op de agenda staat. Eurojust, Europol [en het Europees Openbaar Ministerie] dienen ook een vertegenwoordiger te mogen benoemen in de adviesgroep-ECRIS-TCN.]
(31)De lidstaten dienen in de raad van bestuur van het agentschap stemgerechtigd zijn met betrekking tot een grootschalig IT-systeem, indien zij gebonden zijn door een wetgevingsinstrument van de Unie betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat systeem. Denemarken dient eveneens stemgerechtigd te zijn met betrekking tot een bepaald grootschalig IT-systeem, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het VWEU , beslist om het wetgevingsinstrument betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat systeem in nationaal recht om te zetten.
(32)De lidstaten dienen een lid in de adviesgroep betreffende een grootschalig IT-systeem te benoemen, indien zij gebonden zijn door een wetgevingsinstrument van de Unie betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat systeem. Denemarken dient eveneens een lid in de adviesgroep betreffende een grootschalig IT-systeem te benoemen, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken beslist het wetgevingsinstrument betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat systeem in nationaal recht om te zetten.
(33)Om geheel autonoom en onafhankelijk te kunnen zijn, dient het agentschap de beschikking te krijgen over een eigen begroting, die wordt betaald uit de algemene begroting van de Europese Unie. Over de financiering van het agentschap dient overeenstemming te worden bereikt door de begrotingsautoriteit, zoals bepaald in punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 17 mei 2006 betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer. De begrotings- en de kwijtingsprocedure van de Unie dienen van toepassing te zijn. De controle van de rekeningen en van de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen dient door de Rekenkamer te worden verricht.
(34)Ten behoeve van de vervulling van zijn taken en voor zover dat voor de uitvoering daarvan nodig is, dient het agentschap ten aanzien van aangelegenheden die worden bestreken door deze verordening en de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van de door het agentschap beheerde grootschalige IT-systemen, te kunnen samenwerken met andere instellingen, organen en instanties van de Unie, met name die welke zijn ingesteld op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, in het kader van volgens het Unierecht overeengekomen werkafspraken en binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden. Deze werkafspraken dienen vooraf door de Commissie te worden goedgekeurd. Het agentschap dient voorts, indien nodig, het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging te raadplegen en de aanbevelingen van dat agentschap met betrekking tot netwerkbeveiliging op te volgen.
(35)Ten aanzien van de ontwikkeling en het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen moet het agentschap Europese en internationale normen hanteren en de strengste professionele eisen in acht nemen, in het bijzonder de strategie voor informatiebeheer van de Europese Unie.
(36)De verwerking van persoonsgegevens door het agentschap dient te voldoen aan Verordening (EG) nr. 45/2001 [of Verordening XX/2018 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van persoonsgegevens ten aanzien van de instellingen en organen van de Unie]. De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming dient bij het agentschap toegang te verkrijgen tot alle informatie die hij voor zijn onderzoek nodig heeft. De Commissie heeft op grond van artikel 28 van Verordening (EG) nr. 45/2001 de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, die op XX XX advies heeft uitgebracht.
(37)Met het oog op de transparante werking van het agentschap dient Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad op het agentschap van toepassing te zijn. Het agentschap dient met betrekking tot zijn activiteiten de grootst mogelijke transparantie te betrachten, zonder afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de doelstelling van zijn werkzaamheden. Het dient informatie over al zijn activiteiten openbaar maken. Het dient er tevens op toe te zien dat het publiek en alle belanghebbenden snel over zijn werkzaamheden worden geïnformeerd.
(38)De activiteiten van het agentschap moeten overeenkomstig artikel 228 VWEU onderworpen zijn aan het toezicht van de Europese Ombudsman.
(39)Het agentschap dient onderworpen te zijn aan Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad en moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
(40)Met het oog op open en transparante arbeidsvoorwaarden en gelijke behandeling van de personeelsleden moeten de personeelsleden (met inbegrip van de uitvoerend directeur van het agentschap) onderworpen zijn aan het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie („statuut van de ambtenaren”) en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie („regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden”) overeenkomstig Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (samen „het Statuut”), met inbegrip van de voorschriften inzake het beroepsgeheim of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht.
(41)Het agentschap is een door de Unie opgericht orgaan in de zin van artikel 208 van Verordening (EG, Euratom) nr. 966/2012 en dient zijn financiële regeling dienovereenkomstig vast te stellen.
(42)Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, moet op het agentschap van toepassing zijn.
(43)Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de oprichting van een agentschap op het niveau van de Unie dat belast is met het operationele beheer en, in voorkomend geval, de ontwikkeling van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen van de maatregel beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(44)Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat. Aangezien deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op het SIS en het VIS, [het EES] en [het ETIAS], voortbouwt op het Schengenacquis, beslist Denemarken overeenkomstig artikel 4 van bovengenoemd protocol binnen een termijn van zes maanden na de datum waarop zij is vastgesteld, of het deze verordening in zijn nationaal recht zal toepassen. Overeenkomstig artikel 3 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Denemarken betreffende de criteria en instrumenten om te bepalen welke staat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat wordt ingediend in Denemarken of een andere lidstaat van de Europese Unie en Eurodac voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin, stelt Denemarken de Commissie ervan in kennis of het de inhoud van deze verordening zal toepassen, voor zover zij betrekking heeft op Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)]. [Voor zover deze verordening betrekking heeft op het ECRIS-TCN-systeem neemt Denemarken, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken.]
(45)Voor zover de bepalingen van deze verordening betrekking hebben op het SIS, zoals geregeld bij Besluit 2007/533/JBZ, neemt het Verenigd Koninkrijk aan deze verordening deel overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het Protocol (nr. 19) betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht („protocol betreffende het Schengenacquis”), en overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis.
Voor zover de bepalingen van deze verordening betrekking hebben op het SIS, zoals geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006, en op het VIS, [het EES] [en het ETIAS], en een ontwikkeling inhouden van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt overeenkomstig Besluit 2000/365/EG, kan het Verenigd Koninkrijk de voorzitter van de Raad schriftelijk verzoeken te mogen deelnemen aan de vaststelling van deze verordening, overeenkomstig artikel 4 van het protocol betreffende het Schengenacquis. Voor zover deze verordening betrekking heeft op Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)], kan het Verenigd Koninkrijk voorts de voorzitter van de Raad in kennis stellen van zijn wens om deel te nemen aan de vaststelling en toepassing ervan, overeenkomstig artikel 3 van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht („protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland”). Voor zover de bepalingen van deze verordening betrekking hebben op het ECRIS-TCN-systeem, neemt het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat. Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 kan het Verenigd Koninkrijk te kennen geven dat het aan de vaststelling van deze verordening wenst deel te nemen.
Aangezien het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 ingevolge artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie kennisgeving heeft gedaan van zijn voornemen zich uit de Unie terug te trekken, zullen de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk tot verlenging van deze termijn besluit. Onverminderd de bepalingen van het terugtrekkingsakkoord is derhalve de bovengenoemde beschrijving van de deelname van het Verenigd Koninkrijk in dit voorstel slechts van toepassing tot het moment dat het Verenigd Koninkrijk de Europese Unie verlaat.
(46)Voor zover de bepalingen van deze verordening betrekking hebben op het SIS, zoals geregeld bij Besluit 2007/533/JBZ, neemt Ierland aan deze verordening deel overeenkomstig artikel 5, lid 1, van het Protocol (nr. 19) betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht („protocol betreffende het Schengenacquis”), en overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis.
Voor zover de bepalingen van deze verordening betrekking hebben op het SIS, zoals geregeld bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en op het VIS, [het EES] [en het ETIAS], houden zij een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis. Ierland kan de voorzitter van de Raad verzoeken te mogen deelnemen aan de vaststelling van deze verordening, overeenkomstig artikel 4 van het protocol betreffende het Schengenacquis.
Voor zover deze verordening betrekking heeft op Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)] kan Ierland voorts de voorzitter van de Raad in kennis stellen van zijn wens om deel te nemen aan de vaststelling en toepassing ervan, overeenkomstig artikel 3 van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht („protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland”). Voor zover de bepalingen van deze verordening betrekking hebben op het ECRIS-TCN-systeem, neemt Ierland overeenkomstig de artikelen 1 en 2 en artikel 4 bis, lid 1, van het Protocol (nr. 21) betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, niet deel aan de vaststelling van deze verordening, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat. Overeenkomstig artikel 3 en artikel 4 bis, lid 1, van Protocol nr. 21 kan Ierland te kennen geven dat het aan de vaststelling van deze verordening wenst deel te nemen.
(47)Wat IJsland en Noorwegen betreft, houdt deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, [het EES] [en het ETIAS], een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied dat bedoeld is in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst. Wat Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)] betreft, is deze verordening een nieuwe maatregel in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de criteria en de mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat, in IJsland of in Noorwegen wordt ingediend. Bijgevolg dienen delegaties van de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen, indien zij besluiten deze verordening in hun interne rechtsorde toe te passen, vertegenwoordigd te zijn in de raad van bestuur van het agentschap. Tussen de Unie en deze twee landen moet een nadere regeling worden overeengekomen betreffende uitgebreidere voorschriften voor de deelname van IJsland en het Koninkrijk Noorwegen aan de werkzaamheden van het agentschap.
(48)Wat Zwitserland betreft, houdt deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, [het EES] [en het ETIAS], een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis, in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied dat is bedoeld in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad. Wat Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)] betreft, is deze verordening een nieuwe maatregel in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend. Bijgevolg dient de delegatie van de Zwitserse Bondsstaat, indien deze besluit deze verordening in zijn interne rechtsorde toe te passen, vertegenwoordigd te zijn in de raad van bestuur van het agentschap. Tussen de Unie en de Zwitserse Bondsstaat moet een nadere regeling worden overeengekomen betreffende uitgebreidere voorschriften voor de deelname van Zwitserland aan de werkzaamheden van het agentschap.
(49)Wat Liechtenstein betreft, houdt deze verordening, voor zover zij betrekking heeft op SIS II en het VIS, [het EES] [en het ETIAS], een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis, als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punten A, B en G, van Besluit 1999/437/EG, gelezen in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EG van de Raad. Wat Eurodac [en het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)] betreft, is deze verordening een nieuwe maatregel in de zin van het Protocol tussen de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de criteria en mechanismen voor de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat in een lidstaat of in Zwitserland wordt ingediend. Bijgevolg dient de delegatie van het Vorstendom Liechtenstein vertegenwoordigd te zijn in de raad van bestuur van het agentschap. Tussen de Unie en het Vorstendom Liechtenstein moet een nadere regeling worden overeengekomen betreffende uitgebreidere voorschriften voor de deelname van Liechtenstein aan de werkzaamheden van het agentschap,
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ONDERWERP
Artikel 1
Onderwerp
1.Deze verordening betreft het agentschap van de Europese Unie voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht („het agentschap”), dat bij Verordening (EU) nr. 1077/2011 is opgericht.
2.Het agentschap is belast met het operationele beheer van het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS) en Eurodac.
3.[Het agentschap is belast met de opzet, de ontwikkeling en/of het operationele beheer van [het inreis-uitreissysteem (EES)], [DubliNet], [het Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie (ETIAS)], [het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming] en [het ECRIS-TCN-systeem en de referentie-implementatie van ECRIS]].
4.Het agentschap kan tevens worden belast met de opzet, de ontwikkeling en/of het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht dan die bedoeld in de leden 2 en 3, met inbegrip van reeds bestaande systemen, maar uitsluitend indien daarin is voorzien in een wetgevingsinstrument ter zake dat gebaseerd is op de artikelen 67 tot en met 89 VWEU, in voorkomend geval met inachtneming van de in artikel 10 van deze verordening bedoelde ontwikkelingen op onderzoeksgebied en de in artikel 11 van deze verordening bedoelde resultaten van proefprojecten en conceptvalideringen.
5.Operationeel beheer omvat alle taken die noodzakelijk zijn om de grootschalige IT-systemen te doen werken volgens de specifieke voorschriften die op elk van die systemen van toepassing zijn, met inbegrip van de zorg voor de communicatie-infrastructuur die door de IT-systemen wordt gebruikt. Die grootschalige IT-systemen wisselen onderling geen gegevens uit, en maken het niet mogelijk dat informatie of kennis worden gedeeld, tenzij een specifieke rechtsgrondslag daarin voorziet.
6.Het agentschap wordt tevens belast met de volgende taken:
–het toezicht op de gegevenskwaliteit, overeenkomstig artikel 8;
–het ontwikkelen van de nodige maatregelen met het oog op interoperabiliteit, overeenkomstig artikel 9;
–het uitvoeren van onderzoeksactiviteiten, overeenkomstig artikel 10;
–het uitvoeren van proefprojecten, conceptvalideringen en testactiviteiten, overeenkomstig artikel 11, alsmede
–het verlenen van ondersteuning aan de lidstaten en de Commissie, overeenkomstig artikel 12.
Artikel 2
Doelstellingen
Onverminderd de respectieve verantwoordelijkheden die bij de wetgevingsinstrumenten betreffende grootschalige IT-systemen aan de Commissie en aan de lidstaten zijn toegewezen, draagt het agentschap zorg voor:
a)de ontwikkeling van grootschalige IT-systemen door middel van een adequate projectbeheersstructuur voor de efficiënte ontwikkeling van grootschalige IT-systemen;
b)de effectieve, veilige en continue werking van de grootschalige IT-systemen;
c)het efficiënte en financieel controleerbare beheer van de grootschalige IT-systemen;
d)een gepaste hoogwaardige dienstverlening aan de gebruikers van de grootschalige IT-systemen;
e)een continue en ononderbroken dienstverlening;
f)een hoog niveau van gegevensbescherming, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften, met inbegrip van specifieke voorschriften voor elk van de grootschalige IT-systemen;
g)een passend niveau van gegevensbeveiliging en materiële beveiliging, in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften, met inbegrip van de specifieke bepalingen inzake elk van de grootschalige IT-systemen.
HOOFDSTUK II
TAKEN VAN HET AGENTSCHAP
Artikel 3
Taken in verband met het SIS
Het agentschap verricht met betrekking tot SIS II:
a)de taken die aan de beheersautoriteit zijn opgedragen bij Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ [of bij Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006, bij Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006, Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie en bij Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX inzake het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen];
b)taken met betrekking tot de opleiding van in het bijzonder het Sirene-personeel („Sirene” staat voor Supplementary Information Request at the National Entries — verzoek om aanvullende informatie bij het nationale deel) in het technische gebruik van SIS II en de opleiding van deskundigen in de technische aspecten van SIS II in het kader van de Schengenevaluatie.
Artikel 4
Taken in verband met het VIS
Het agentschap verricht met betrekking tot het VIS:
a)de taken die bij Verordening (EG) nr. 767/2008 en Besluit 2008/633/JBZ aan de beheersautoriteit zijn opgedragen;
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van het VIS.
Artikel 5
Taken in verband met Eurodac
Het agentschap verricht met betrekking tot Eurodac:
a)de taken die aan het agentschap zijn opgedragen bij Verordening (EU) nr. 603/2013 [of bij Verordening XX van XX betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van [Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], voor de identificatie van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving (herschikking)];
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van Eurodac.
[Artikel 5 bis
Taken in verband met het EES
Het agentschap verricht met betrekking tot het EES:
a)de taken die aan het agentschap zijn opgedragen bij Verordening (EU) XXX/20XX van het Europees Parlement en de Raad [van XXX tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES) voor de registratie van inreis- en uitreisgegevens en van gegevens over weigering van toegang ten aanzien van onderdanen van derde landen die de buitengrenzen van de Europese Unie overschrijden en tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang tot het EES voor rechtshandhavingsdoeleinden en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008 en Verordening (EU) nr. 1077/2011 (COM(2016) 194 final – 2016/0106 (COD))];
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van het EES.]
[Artikel 5 ter
Taken in verband met het ETIAS
Het agentschap verricht met betrekking tot het ETIAS:
a)de taken die aan het agentschap zijn opgedragen bij [Verordening (EU) XXX/20XX van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie (ETIAS) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/794 en (EU) 2016/1624 (COM(2016) 731 final – 2016/0357 (COD))];
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van het ETIAS.]
[Artikel 5 quater
Taken in verband met DubliNet
Het agentschap verricht met betrekking tot DubliNet:
a)de taken die aan het agentschap zijn opgedragen bij [Verordening (EU) XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van [Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], voor de identificatie van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving (herschikking) (COM(2016) 272 final – 2016/0132 (COD))];
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van DubliNet.]
[Artikel 5 quinquies
Taken in verband met het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming
Het agentschap verricht met betrekking tot het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) XX/20XX [tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (COM(2016) 270 final – 2016/0133 (COD))]:
a)de taken die aan het agentschap zijn opgedragen bij de verordening [tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (COM(2016) 270 final – 2016/0133 (COD))];
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming.]
[Artikel 5 sexies
Taken betreffende het ECRIS-TCN-systeem
Het agentschap verricht met betrekking tot het ECRIS-TCN-systeem:
a)de taken die aan het agentschap zijn opgedragen bij Verordening XX/XX [tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN) ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS-TCN-systeem) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011], met inbegrip van de verdere ontwikkeling en het onderhoud van de ECRIS-referentie-implementatie];
b)taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van het ECRIS-TCN-systeem en de ECRIS-referentie-implementatie.]
Artikel 6
Taken in verband met de opzet, de ontwikkeling en het operationele beheer van andere grootschalige IT-systemen
Indien het agentschap belast is met de opzet, de ontwikkeling of het operationeel beheer van andere grootschalige IT-systemen bedoeld in artikel 1, lid 4, verricht het in voorkomend geval de taken die aan hem zijn opgedragen bij het wetgevingsinstrument betreffende het betrokken systeem, alsmede taken in verband met de opleiding in het technische gebruik van die systemen.
Artikel 7
Taken betreffende de communicatie-infrastructuur
1.Het agentschap verricht alle met de communicatie-infrastructuur van de door het agentschap beheerde systemen verband houdende taken die eraan zijn opgedragen bij de wetgevingsinstrumenten betreffende de door het agentschap beheerde grootschalige IT-systemen, met uitzondering van de systemen die voor hun communicatie-infrastructuur gebruikmaken van EuroDomain, waarbij de Commissie verantwoordelijk is voor de uitvoering van de begroting, aanschaf en vernieuwing en contractuele aangelegenheden. Volgens de wetgevingsinstrumenten inzake de systemen die gebruikmaken van EuroDomain zijn de taken inzake de communicatie-infrastructuur (inclusief operationeel beheer en veiligheid) verdeeld tussen het agentschap en de Commissie. Om te garanderen dat zij hun respectieve verantwoordelijkheden op samenhangende wijze uitvoeren, hebben het agentschap en de Commissie operationele werkafspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in een memorandum van overeenstemming.
2.De communicatie-infrastructuur wordt adequaat beheerd en gecontroleerd teneinde haar tegen bedreigingen te beschermen en de veiligheid ervan en van de grootschalige IT-systemen waarvoor het agentschap verantwoordelijk is, met inbegrip van gegevens die via deze communicatie-infrastructuur uitgewisseld worden, te waarborgen.
3.Er worden door het agentschap passende maatregelen, waaronder veiligheidsplannen, vastgesteld om onder meer te voorkomen dat persoonsgegevens tijdens de doorgifte ervan of tijdens het vervoer van gegevensdragers onrechtmatig worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of gewist, in het bijzonder middels geschikte versleutelingstechnieken. Alle systeemgerelateerde operationele informatie die in de communicatie-infrastructuur circuleert, wordt versleuteld.
4.Taken betreffende het operationeel beheer van de communicatie-infrastructuur kunnen worden toevertrouwd aan externe particuliere entiteiten of organen, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. In dat geval is de netwerkprovider gebonden aan de in lid 3 bedoelde veiligheidsmaatregelen en heeft hij op geen enkele wijze toegang tot operationele gegevens van SIS II, VIS, Eurodac, [het EES], [het ETIAS], [het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming] [of het ECRIS-TCN-systeem] of de met SIS II samenhangende Sirene-uitwisseling.
5.Onverminderd de bestaande contracten over de communicatie-infrastructuren van SIS II, VIS en Eurodac, blijft het beheer van de versleutelingscodes een bevoegdheid van het agentschap en wordt het niet uitbesteed aan een externe particuliere entiteit.
Artikel 8
Gegevenskwaliteit
Voor alle systemen waarvoor het agentschap operationeel verantwoordelijk is, werkt het samen met de Commissie aan de totstandbrenging van geautomatiseerde controlemechanismen voor gegevenskwaliteit en gemeenschappelijke indicatoren voor gegevenskwaliteit, alsmede aan de ontwikkeling van een centraal register voor verslagen en statistieken, behoudens specifieke wetgevingswijzigingen van de instrumenten van de bestaande systemen en/of specifieke bepalingen in nieuwe instrumenten.
Artikel 9
Interoperabiliteit
Het agentschap ontwikkelt tevens de maatregelen die nodig zijn om interoperabiliteit van de systemen mogelijk te maken, in voorkomend geval onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende wetgevingsinstrumenten.
Artikel 10
Volgen van ontwikkelingen op onderzoeksgebied
1.Het agentschap volgt de ontwikkelingen op onderzoeksgebied die van belang zijn voor het operationele beheer van SIS II, VIS, Eurodac, [EES], [ETIAS], [het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming], het [ECRIS-TCN-systeem] en andere grootschalige IT-systemen bedoeld in artikel 1, lid 4.
2.Het agentschap kan bijdragen tot de tenuitvoerlegging van de delen van het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie die betrekking hebben op grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Daartoe heeft het agentschap, voor zover de Commissie de bevoegdheden daartoe aan het agentschap heeft gedelegeerd, de volgende taken:
(a)het beheren van een aantal stadia van de uitvoering van het programma en een aantal fasen in de cyclus van specifieke projecten op basis van de door de Commissie vastgestelde relevante werkprogramma's;
(b)het vaststellen van de instrumenten tot uitvoering van de begroting, zowel aan de ontvangsten- als aan de uitgavenzijde, en het uitvoeren van alle activiteiten die noodzakelijk zijn voor het beheer van het programma;
(c)het verlenen van steun bij de uitvoering van het programma.
3.Het agentschap brengt het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en, wat gegevensbescherming betreft, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming regelmatig op de hoogte van de in lid 1 bedoelde ontwikkelingen.
Artikel 11
Proefprojecten, conceptvalideringen en testactiviteiten
1.Op welbepaald verzoek van de Commissie, die het Europees Parlement en de Raad ten minste drie maanden vooraf heeft ingelicht, en nadat de raad van bestuur ertoe heeft besloten, kan het agentschap overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder u), van deze verordening proefprojecten zoals bedoeld in artikel 54, lid 2, onder a), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 uitvoeren ten behoeve van de ontwikkeling of het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen ter uitvoering van de artikelen 67 tot en met 89 VWEU, overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, door middel een delegatieovereenkomst.
Het agentschap stelt het Europees Parlement, de Raad en, ter zake van gegevensbescherming, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming regelmatig op de hoogte van de ontwikkeling van de in de eerste alinea bedoelde proefprojecten.
2.Voor de in artikel 54, lid 2, onder a), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 bedoelde proefprojecten die op verzoek van de Commissie worden uitgevoerd, worden voor ten hoogste twee achtereenvolgende begrotingsjaren kredieten opgenomen in de begroting.
3.Op verzoek van de Commissie of de Raad en nadat de raad van bestuur ertoe heeft besloten, kan het agentschap door middel van een delegatieovereenkomst worden belast met begrotingsuitvoeringstaken voor conceptvalideringen die worden gefinancierd uit het instrument voor financiële steun voor de buitengrenzen en visa bedoeld in Verordening (EU) nr. 515/2014, overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder c), van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.
4.Het agentschap kan testactiviteiten plannen en uitvoeren voor aangelegenheden die vallen onder deze verordening en de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van alle grootschalige IT-systemen die door het agentschap worden beheerd, nadat de raad van bestuur daartoe een besluit heeft vastgesteld.
Artikel 12
Ondersteuning van de lidstaten en de Commissie
1.Het agentschap kan worden verzocht om de lidstaten advies in verband met de aansluiting van de nationale systemen op de centrale systemen te verlenen en om de lidstaten ad-hocsteun te bieden. De verzoeken om ad-hocsteun worden ingediend bij de Commissie, die deze doorgeeft aan het agentschap. Ook kan het agentschap worden verzocht om de Commissie advies of steun te verlenen in verband met technische aangelegenheden betreffende bestaande of nieuwe systemen, bijvoorbeeld door middel van studies en tests.
2.Het agentschap kan tevens worden opgedragen een gemeenschappelijk IT-systeem te ontwikkelen, te beheren en/of te hosten door een groep van ten minste zes lidstaten die vrijwillig kiezen voor een gecentraliseerde oplossing die hen ondersteunt bij het implementeren van de technische aspecten van verplichtingen die voortvloeien uit de EU-wetgeving inzake gedecentraliseerde systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, onder voorbehoud van de voorafgaande toestemming van de Commissie en nadat de raad van bestuur daartoe een besluit heeft vastgesteld. In voorkomend geval belasten de betrokken lidstaten het agentschap met die taken door middel van een delegatieovereenkomst waarin onder meer de voorwaarden voor de delegatie, de berekening van alle relevante kosten en het soort facturering worden vastgesteld.
HOOFDSTUK III
STRUCTUUR EN ORGANISATIE
Artikel 13
Juridische status en vestigingsplaats
1.Het agentschap is een orgaan van de Unie en bezit rechtspersoonlijkheid.
2.Het agentschap geniet in elk van de lidstaten de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die er krachtens het nationale recht aan rechtspersonen wordt verleend. Het kan in het bijzonder roerende en onroerende zaken verkrijgen of vervreemden en kan in rechte optreden.
3.Het agentschap wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.
4.De zetel van het agentschap is in Tallinn (Estland).
De in artikel 1, leden 3 en 4, en de artikelen 3, 4, 5, [5 bis], [5 ter], [5 quater], [5 quinquies], [5 sexies], 6 en 7 bedoelde taken in verband met ontwikkeling en operationeel beheer worden verricht in Straatsburg (Frankrijk).
Als de wetgevingsinstrumenten die de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van elk van de systemen regelen, voorzien in een back-uplocatie of een tweede technische locatie, wordt de plaats van vestiging daarvan Sankt Johann im Pongau (Oostenrijk).
5.Beide technische locaties kunnen gelijktijdig worden gebruikt voor het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen, mits de tweede locatie ervoor kan zorgen dat beide locaties operationeel blijven wanneer een of meer van de systemen uitvallen. Meer technische locaties kunnen niet worden ingericht zonder wijziging van deze verordening.
Artikel 14
Structuur
1.De administratieve en bestuurlijke structuur van het agentschap omvat:
(a)een raad van bestuur;
(b)een uitvoerend directeur;
(c)adviesgroepen.
2.De structuur van het agentschap omvat voorts:
(a)een functionaris voor gegevensbescherming;
(b)een beveiligingsfunctionaris;
(c)een rekenplichtige.
Artikel 15
Taken van de raad van bestuur
1.De raad van bestuur heeft tot taak:
(a)te zorgen voor de algemene aansturing van de activiteiten van het agentschap;
(b)met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden de jaarbegroting van het agentschap vast te stellen en andere functies uit te oefenen met betrekking tot de begroting van het agentschap overeenkomstig hoofdstuk V;
(c)de uitvoerend directeur te benoemen en, indien relevant, zijn ambtstermijn te verlengen of hem uit zijn functie te ontheffen, overeenkomstig artikel 22;
(d)de tuchtrechtelijke bevoegdheid ten aanzien van de uitvoerend directeur uit te oefenen, en toezicht te houden op diens ambtsuitoefening, onder meer op de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur;
(e)alle beslissingen te nemen in verband met de opzet van de organisatorische structuur van het agentschap en, waar nodig, de wijziging ervan, rekening houdend met de activiteitenbehoeften van het agentschap en met het oog op een gezond begrotingsbeheer;
(f)het personeelsbeleid van het agentschap vast te stellen;
(g)het reglement van orde van het agentschap vast te stellen;
(h)een fraudebestrijdingsstrategie vast te stellen die evenredig is aan het frauderisico en rekening houdt met de kosten en baten van de uit te voeren maatregelen;
(i)regels vast te stellen voor de voorkoming en beheersing van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden;
(j)machtiging te geven tot het sluiten van werkafspraken overeenkomstig artikel 37;
(k)op voorstel van de uitvoerend directeur zijn goedkeuring te hechten aan de zetelovereenkomst en de overeenkomsten inzake de technische locatie en het back-uplocatie, ingericht overeenkomstig artikel 13, lid 4, die de uitvoerend directeur met de lidstaten van vestiging heeft ondertekend;
(l)overeenkomstig lid 2 met betrekking tot het personeel van het agentschap de bevoegdheden uit te oefenen die het Statuut toekent aan het tot aanstelling bevoegde gezag, en die de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden toekent aan het tot het sluiten van contracten bevoegde gezag ("de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag");
(m)in overeenstemming met de Commissie passende bepalingen vast te stellen voor de uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, overeenkomstig artikel 110 van het Statuut;
(n)de nodige maatregelen vast te stellen voor het detacheren van nationale deskundigen bij het agentschap;
(o)een ontwerpraming op te stellen van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap, waarin de voorlopige personeelsformatie is opgenomen, en deze elk jaar uiterlijk 31 januari in te dienen bij de Commissie;
(p)een ontwerp van enig programmeringsdocument vast te stellen, met daarin de meerjarenprogrammering van het agentschap, het werkprogramma voor het volgende jaar en een voorlopige ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap, waarin de personeelsformatie is opgenomen, en dit elk jaar uiterlijk 31 januari in te dienen bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie; hetzelfde geldt voor alle bijgewerkte versies van dat document;
(q)ieder jaar uiterlijk op 30 november met een tweederdemeerderheid van de stemgerechtigde leden het enig programmeringsdocument vast te stellen, overeenkomstig de jaarlijkse begrotingsprocedure en rekening houdend met het advies van de Commissie, en erop toe te zien dat de definitieve versie van dit enig programmeringsdocument aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt toegezonden en wordt bekendgemaakt;
(r)jaarlijks eind augustus een tussentijds verslag op te stellen over de voortgang van de uitvoering van de geplande activiteiten van het lopende jaar en dit te dienen bij de Commissie;
(s)na een beoordeling het geconsolideerde jaarverslag over de activiteiten van het agentschap in het voorgaande jaar op te stellen, waarin in het bijzonder de resultaten worden getoetst aan de doelstellingen van het jaarlijkse werkprogramma, en het verslag en de beoordeling uiterlijk 1 juli van elk jaar aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer te doen toekomen en dit jaarlijkse activiteitenverslag bekend te maken;
(t)zich te kwijten van zijn taken met betrekking tot de begroting van het agentschap, met inbegrip van de uitvoering van de in artikel 11 bedoelde proefprojecten en conceptvalideringen;
(u)overeenkomstig artikel 44 de financiële regels vast te stellen die van toepassing zijn op het agentschap;
(v)overeenkomstig het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden een rekenplichtige te benoemen, die volledig onafhankelijk is bij de uitvoering van zijn taken en die de rekenplichtige van de Commissie kan zijn;
(w)te zorgen voor een passende follow-up van de resultaten en aanbevelingen in de diverse interne en externe auditverslagen en beoordelingen, alsook van de resultaten en aanbevelingen die voortvloeien uit de onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF);
(x)de in artikel 30, lid 4, bedoelde communicatie- en verspreidingsplannen vast te stellen en regelmatig bij te werken;
(y)de nodige beveiligingsmaatregelen vast te stellen — inclusief een beveiligingsplan en een bedrijfscontinuïteits- en uitwijkplan — waarin rekening wordt gehouden met de eventuele aanbevelingen van de veiligheidsdeskundigen in de adviesgroepen;
(``)beveiligingsvoorschriften vast te stellen betreffende de bescherming van gerubriceerde gegevens en niet-gerubriceerde gevoelige gegevens, na goedkeuring door de Commissie;
(aa)een beveiligingsfunctionaris aan te stellen;
(bb)conform Verordening (EG) nr. 45/2001 een functionaris voor gegevensbescherming aan te stellen;
(cc)de praktische regeling voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast te stellen;
(dd)[de verslagen over de ontwikkeling van het EES vast te stellen overeenkomstig artikel 64, lid 2, van Verordening (EU) XX/XX van XXX tot instelling van het EES] [de verslagen over de ontwikkeling van het ETIAS vast te stellen overeenkomstig artikel 81, lid 2, van Verordening (EU) XX/XX van XXX tot instelling van het ETIAS];
(ee)[de verslagen over de ontwikkeling van het ECRIS-TCN vast te stellen overeenkomstig artikel 34, lid 3, van Verordening (EU) XX/XX van XXX tot instelling van het ECRIS-TCN];
(ff)de verslagen over de technische werking van SIS II vast te stellen overeenkomstig respectievelijk artikel 50, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 66, lid 4, van Besluit 2007/533/JBZ [of artikel 54, lid 7, van Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 71, lid 7, van Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006, Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie] en van het VIS overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 767/2008 en artikel 17, lid 3, van Besluit 2008/633/JBZ, [van het EES overeenkomstig artikel 64, lid 4, van Verordening (EU) XX/XX en van het ETIAS overeenkomstig artikel 81, lid 4, van Verordening (EU) XX/XX van XXX, en van het ECRIS-TCN-systeem en de referentie-implementatie van ECRIS overeenkomstig artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) XX/XXX;
(gg)het verslag over de activiteiten van het centrale systeem van Eurodac vast te stellen overeenkomstig artikel 40, lid 1, van Verordening (EU) nr. 603/2013 [of artikel 42 van Verordening XX van XX betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van [Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], voor de identificatie van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving (herschikking)];
(hh)formele opmerkingen vast te stellen over de verslagen van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming betreffende de audits overeenkomstig artikel 45, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1987/2006, artikel 42, lid 2, van Verordening (EG) nr. 767/2008 en artikel 31, lid 2, van Verordening (EU) nr. 603/2013, [artikel 50, lid 2, van Verordening (EU) XX/XX van XXX (tot instelling van het EES)] en [artikel 57 van Verordening (EU) XX/XX van XXX (tot instelling van het ETIAS)] en [artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) XX/XXXX (tot instelling van het ECRIS-TCN-systeem)] en ervoor te zorgen dat aan de audits passend gevolg wordt gegeven;
(ii)statistieken bekend te maken over SIS II overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 66, lid 3, van Besluit 2007/533/JBZ;
(jj)het verslag over de activiteiten van het centrale systeem van Eurodac vast te stellen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 603/2013 [of artikel 9, lid 2, van Verordening XX van XX betreffende de instelling van „Eurodac” voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van [Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend], voor de identificatie van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land of staatloze en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving (herschikking)];
(kk)[statistieken over het EES bekend te maken overeenkomstig artikel 57 van Verordening (EU) XXX/XX tot instelling van het EES;]
(ll)[statistieken over het ETIAS bekend te maken overeenkomstig artikel 73 van Verordening (EU) XXX/XX tot instelling van het ETIAS;]
(mm)[statistieken over het ECRIS-TCN-systeem en de referentie-implementatie van ECRIS bekend te maken overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) XXX/XX;]
(nn)ervoor te zorgen dat jaarlijks de lijst van bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn tot directe bevraging van de in SIS II opgenomen gegevens wordt bekendgemaakt, overeenkomstig artikel 31, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 46, lid 8, van Besluit 2007/533/JBZ, samen met de lijst van instanties van de nationale systemen van SIS II (N.SIS II) en Sirene-bureaus als bedoeld in respectievelijk artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 7, lid 3, van Besluit 2007/533/JBZ [of artikel 36, lid 8, van Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en artikel 53, lid 8, van Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006, Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie, samen met de lijst van instanties van de nationale systemen van SIS II (N.SIS II) en Sirene-bureaus die is bedoeld in respectievelijk artikel 7, lid 3, van Verordening XX van het Europees Parlement en de Raad van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles en artikel 7, lid 3, van Verordening XX/XX van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken; [alsmede de lijst van bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) XX/XXXX tot instelling van het EES]; [de lijst van bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EU) XX/XXXX tot instelling van het ETIAS] en [de lijst van bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 32 van Verordening XX/XXX tot instelling van het ECRIS-TCN-systeem};]
(oo)ervoor te zorgen dat jaarlijks de lijst van diensten wordt bekendgemaakt overeenkomstig artikel 27, lid 2, van Verordening (EU) nr. 603/2013;
(pp)ervoor te zorgen dat alle beslissingen en maatregelen van het agentschap die gevolgen hebben voor IT-systemen op Europese schaal op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, in overeenstemming zijn met het beginsel van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht;
(qq)alle andere taken te verrichten waarmee hij bij of krachtens deze verordening wordt belast.
2.De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110 van het Statuut een beslissing die is gebaseerd op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur delegeert en de voorwaarden vastlegt voor de opschorting van deze gedelegeerde bevoegdheden. De uitvoerend directeur kan deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.
Wanneer uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de uitvoerend directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk opschorten en deze bevoegdheden zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de uitvoerend directeur.
3.De raad van bestuur kan de uitvoerend directeur adviseren over alle aangelegenheden die strikt betrekking hebben op de ontwikkeling of het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen en op onderzoeksactiviteiten, proefprojecten, conceptvalideringen en testactiviteiten.
Artikel 17
Samenstelling van de raad van bestuur
1.De raad van bestuur bestaat uit één vertegenwoordiger per lidstaat en twee vertegenwoordigers van de Commissie, die allen stemgerechtigd zijn, overeenkomstig artikel 20.
2.Ieder lid van de raad van bestuur heeft een plaatsvervanger. De plaatsvervanger vertegenwoordigt het lid indien het afwezig is. De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers worden benoemd op grond van het hoge niveau van hun ervaring en deskundigheid inzake grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en van hun kennis van gegevensbescherming, met inachtneming van hun relevante bestuurlijke, administratieve en budgettaire vaardigheden. Alle partijen in de raad van bestuur trachten het verloop van hun vertegenwoordigers te beperken om de continuïteit van de werkzaamheden van de raad van bestuur te waarborgen. Alle partijen streven naar een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen in de raad van bestuur.
3.De leden en de plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vier jaar, die kan worden verlengd. Na afloop van hun ambtstermijn of bij aftreden blijven de leden in functie tot hun herbenoeming of vervanging.
4.De landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen nemen deel aan de werkzaamheden van het agentschap. Zij benoemen ieder een vertegenwoordiger en een plaatsvervanger in de raad van bestuur.
Artikel 18
Voorzitter van de raad van bestuur
1.De raad van bestuur verkiest een voorzitter en een vicevoorzitter uit de leden van de raad van bestuur die zijn aangewezen door lidstaten die ten volle gebonden zijn door wetgevingsinstrumenten van de Unie betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van de door het agentschap beheerde grootschalige IT-systemen. De voorzitter en de vicevoorzitter worden bij tweederdemeerderheid gekozen door de stemgerechtigde leden van de raad van bestuur.
De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze niet in staat is zijn taken te verrichten.
2.De ambtstermijn van de voorzitter en vicevoorzitter bedraagt vier jaar. Hun ambtstermijn kan eenmaal worden hernieuwd. Indien tijdens hun ambtstermijn hun lidmaatschap van de raad van bestuur echter eindigt, loopt hun ambtstermijn op dezelfde datum als die van de eindiging van hun lidmaatschap automatisch af.
Artikel 19
Vergaderingen van de raad van bestuur
1.De voorzitter roept de vergaderingen van de raad van bestuur bijeen.
2.De uitvoerend directeur neemt aan de beraadslagingen deel, maar heeft geen stemrecht.
3.De raad van bestuur houdt ten minste twee gewone vergaderingen per jaar. Daarnaast komt de raad van bestuur bijeen op initiatief van zijn voorzitter, op verzoek van de Commissie of op verzoek van ten minste een derde van zijn leden.
4.Europol en Eurojust kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake SIS II met betrekking tot de toepassing van Besluit 2007/533/JBZ op de agenda staat. [De Europese grens- en kustwacht kan de vergaderingen van de raad van bestuur bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake SIS II met betrekking tot de toepassing van Verordening (EU) 2016/1624 of van Verordening XXX van XXX op de agenda staat]. Europol kan de vergaderingen van de raad van bestuur ook bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake het VIS met betrekking tot de toepassing van Besluit 2008/633/JBZ op de agenda staat of wanneer een vraagstuk inzake Eurodac met betrekking tot de toepassing van Verordening (EU) nr. 603/2013 op de agenda staat. [Europol kan de vergaderingen van de raad van bestuur ook bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake het EES met betrekking tot de toepassing van Verordening XX/XXXX (tot instelling van het EES) op de agenda staat of wanneer een vraagstuk inzake het ETIAS met betrekking tot de toepassing van Verordening XX/XXXX (tot instelling van het ETIAS) op de agenda staat. De Europese grens- en kustwacht kan de vergaderingen van de raad van bestuur ook bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake het ETIAS met betrekking tot de toepassing van Verordening XX/XX van XXX op de agenda staat]. [EASO kan de vergaderingen van de raad van bestuur ook bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking) (COM(2016) 270 final, 2016/0133(COD)), op de agenda staat.] [Eurojust, Europol [het Europees Openbaar Ministerie] kunnen de vergaderingen van de raad van bestuur ook bijwonen als waarnemer, wanneer een vraagstuk inzake Verordening XX/XXX (tot invoering van een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling welke lidstaten over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN) ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS-TCN-systeem) en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 (ECRIS-TCN-systeem) op de agenda staat.] De raad van bestuur kan andere personen wier mening van belang kan zijn, uitnodigen de vergaderingen als waarnemer bij te wonen.
5.De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers kunnen zich, overeenkomstig het reglement van orde, laten bijstaan door adviseurs of deskundigen die lid zijn van een van de adviesgroepen.
6.Het agentschap vervult de secretariaatstaken voor de raad van bestuur.
Artikel 20
Stemprocedure in de raad van bestuur
1.Onverminderd lid 5 van dit artikel, en artikel 15, lid 1, onder b), en artikel 22, leden 1 en 8, besluit de raad van bestuur bij meerderheid van al zijn stemgerechtigde leden.
2.Onverminderd lid 3 heeft ieder lid van de raad van bestuur één stem. Bij afwezigheid van een stemgerechtigd lid mag zijn plaatsvervanger diens stemrecht uitoefenen.
3.Ieder lid dat is benoemd door een lidstaat die is gebonden door een wetgevingsinstrument van de Unie betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van een door het agentschap beheerd grootschalig IT-systeem, kan zijn stem uitbrengen bij de behandeling van een vraagstuk dat betrekking heeft op dat grootschalige IT-systeem.
Denemarken kan zijn stem uitbrengen met betrekking tot een bepaald grootschalig IT-systeem, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken beslist het wetgevingsinstrument betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat grootschalige IT-systeem in nationaal recht om te zetten.
4.Indien de leden het oneens zijn over de vraag of een stemming al dan niet betrekking heeft op een bepaald grootschalig IT-systeem, wordt de beslissing dat dit niet het geval is, genomen bij tweederdemeerderheid van de leden van de raad van bestuur.
5.De voorzitter neemt aan de stemming deel.
6.De uitvoerend directeur neemt niet aan de stemming deel.
7.Het reglement van orde van de raad van beheer bepaalt de nadere bijzonderheden van de stemprocedure en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de quorumvoorschriften, indien van toepassing.
Artikel 21
Verantwoordelijkheden van de uitvoerend directeur
1.De uitvoerend directeur beheert het agentschap. De uitvoerend directeur ondersteunt de raad van bestuur en legt er verantwoording aan af. De uitvoerend directeur brengt desgevraagd verslag uit aan het Europees Parlement over de uitvoering van zijn taken. De Raad kan de uitvoerend directeur uitnodigen verslag uit te brengen over de uitvoering van zijn taken.
2.De uitvoerend directeur treedt op als wettelijke vertegenwoordiger van het agentschap.
3.De uitvoerend directeur is verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die bij deze verordening aan het agentschap zijn toegewezen. De uitvoerend directeur is in het bijzonder verantwoordelijk voor:
(a)de dagelijkse leiding van het agentschap;
(b)de werking van het agentschap overeenkomstig deze verordening;
(c)het opstellen en uitvoeren van de door de raad van bestuur vastgestelde procedures, besluiten, strategieën, programma’s en activiteiten, binnen de grenzen die in deze verordening, de bepalingen ter uitvoering ervan, en de toepasselijke wetgeving zijn vastgesteld;
(d)het opstellen van het enig programmeringsdocument en het indienen ervan bij de raad van bestuur na raadpleging van de Commissie;
(e)de uitvoering van het enig programmeringsdocument en de verslaglegging over de uitvoering ervan aan de raad van bestuur;
(f)het opstellen van het geconsolideerd jaarverslag over de activiteiten van het agentschap en het ter beoordeling en goedkeuring indienen ervan bij de raad van bestuur;
(g)het opstellen van een actieplan naar aanleiding van de conclusies van interne en externe auditverslagen en evaluaties alsmede van de onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), en het aan de Commissie tweemaal per jaar en aan de raad van bestuur op regelmatige basis verslag uitbrengen over de voortgang;
(h)het beschermen van de financiële belangen van de Unie door toepassing van maatregelen ter voorkoming van fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, zonder afbreuk te doen aan de onderzoeksbevoegdheid van OLAF, door middel van effectieve controles en, indien onregelmatigheden worden vastgesteld, door terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen en waar nodig doeltreffende, evenredige en afschrikkende administratieve sancties, waaronder financiële;
(i)het opstellen van een fraudebestrijdingsstrategie voor het agentschap en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;
(j)het opstellen van een ontwerp van de financiële regels die van toepassing zijn op het agentschap en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie;
(k)het opstellen van de ontwerpbegroting voor het volgende jaar op basis van activiteitsgestuurd begroten;
(l)het opstellen van de ontwerpraming van ontvangsten en uitgaven van het agentschap;
(m)het uitvoeren van de begroting van het agentschap;
(n)het opzetten en toepassen van een effectief systeem voor regelmatige monitoring en evaluatie van:
i) grootschalige IT-systemen, met inbegrip van statistische informatie; alsmede
ii) het agentschap, met inbegrip van de doeltreffende en doelmatige verwezenlijking van de doelstellingen ervan;
(o)het onverminderd artikel 17 van het Statuut vaststellen van vertrouwelijkheidsvoorschriften, teneinde te voldoen aan artikel 17 van Verordening (EG) nr. 1987/2006, artikel 17 van Besluit 2007/533/JBZ, artikel 26, lid 9, van Verordening (EG) nr. 767/2008 en artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 603/2013; [artikel 34, lid 4, van Verordening XX/XXXX (tot instelling van het EES),] [artikel 64, lid 2, van Verordening XX/XXXX (tot instelling van het ETIAS)] en [artikel 11, lid 16, van Verordening XX/XXX (tot instelling van het ECRIS-TCN-systeem)];
(p)het onderhandelen over de zetelovereenkomst en, na goedkeuring door de raad van bestuur, het ondertekenen van de overeenkomsten inzake de technische locatie en het back-uplocatie met de regeringen van de lidstaten van vestiging;
(q)het opstellen van een praktische regeling voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;
(r)het opstellen van de nodige beveiligingsmaatregelen, met inbegrip van een veiligheidsplan, een bedrijfscontinuïteitsplan en een uitwijkplan en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;
(s)het opstellen van de verslagen over de technische werking van elk van de in artikel 15, lid 1, onder ff), bedoelde grootschalige IT-systemen en het in artikel 15, lid 1, onder gg), bedoelde jaarverslag over de activiteiten van het centraal systeem van Eurodac, op basis van de toezichts- en evaluatieresultaten, en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;
(t)[het opstellen van de verslagen over de ontwikkeling van het EES bedoeld in artikel 64, lid 2, van Verordening XX/XXX [ tot instelling van het EES] en over de ontwikkeling van het ETIAS bedoeld in artikel 81, lid 2, van Verordening XX/XXXX [tot instelling van het ETIAS], het verslag over de ontwikkeling van het ECRIS-TCN-systeem bedoeld in artikel 34, lid 3, van Verordening XX/XXXX [tot instelling van het ECRIS-TCN-systeem] en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur;]
(u)het met het oog op bekendmaking opstellen van de lijst van bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn tot directe bevraging van de in SIS II opgenomen gegevens, met inbegrip van de lijst van N.SIS II-instanties en Sirene-bureaus [en de lijst van bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn tot directe bevraging van de in het EES, het ETIAS en het ECRIS-TCN-systeem opgenomen gegevens] bedoeld in artikel 15, lid 1, onder nn), en van de lijst van autoriteiten bedoeld in artikel 15, lid 1, onder oo), en het ter goedkeuring voorleggen ervan aan de raad van bestuur.
4.De uitvoerend directeur verricht alle andere taken waarmee hij in overeenstemming met deze verordening wordt belast.
5.
De uitvoerend directeur beslist of het voor de efficiënte en effectieve uitvoering van de taken van het agentschap noodzakelijk is een of meer personeelsleden te vestigen in een of meer lidstaten. Alvorens te besluiten om een lokaal kantoor te vestigen, dient de uitvoerend directeur voorafgaande toestemming te verkrijgen van de Commissie, de raad van bestuur en de betrokken lidstaat/lidstaten. In het besluit wordt het toepassingsgebied van de in dat lokale kantoor te verrichten activiteiten omschreven, op zodanige wijze dat onnodige kosten en verdubbeling van administratieve functies van het agentschap worden vermeden. Op technische locaties verrichte activiteiten mogen niet in een lokaal kantoor worden verricht.
Artikel 22
Benoeming van de uitvoerend directeur
1.Na een open en transparante selectieprocedure benoemt de raad van bestuur de uitvoerend directeur uit een lijst van door de Commissie voorgedragen kandidaten. De selectieprocedure houdt in dat in het Publicatieblad van de Europese Unie en elders een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling wordt geplaatst. De raad van bestuur benoemt de uitvoerend directeur op basis van persoonlijke verdiensten, ervaring op het gebied van grootschalige IT-systemen, capaciteiten inzake administratie, financiën en beheer, en kennis van gegevensbescherming. De raad van bestuur neemt het besluit betreffende tot benoeming van de uitvoerend directeur bij tweederdemeerderheid van alle stemgerechtigde leden.
2.De door de raad van bestuur gekozen kandidaat wordt verzocht vóór de benoeming een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden. Nadat de verklaring is afgelegd, spreekt het Europees Parlement bij advies een oordeel over de geselecteerde kandidaat uit en zendt dit toe aan de raad van bestuur. De raad van bestuur laat het Europees Parlement weten hoe met het advies rekening is gehouden. Zolang de kandidaat niet is benoemd, geldt het advies als persoonlijk en vertrouwelijk.
3.De ambtstermijn van de uitvoerend directeur is vijf jaar. Aan het einde van deze termijn voert de Commissie een beoordeling uit waarbij rekening wordt gehouden met een evaluatie van de door de uitvoerend directeur bereikte resultaten en de toekomstige taken en uitdagingen van het agentschap.
4.Op grond van een voorstel van de Commissie, waarin rekening wordt gehouden met de in lid 3 bedoelde beoordeling, kan de raad van bestuur de ambtstermijn van de uitvoerend directeur eenmaal verlengen met ten hoogste vijf jaar.
5.De raad van bestuur stelt het Europees Parlement in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de uitvoerend directeur te verlengen. De uitvoerend directeur wordt verzocht in de maand die aan een verlenging voorafgaat een verklaring voor de bevoegde commissie(s) van het Europees Parlement af te leggen en vragen van de commissieleden te beantwoorden.
6.Een uitvoerend directeur wiens ambtstermijn is verlengd, mag na afloop van de volledige termijn niet deelnemen aan een andere selectieprocedure voor hetzelfde ambt.
7.De uitvoerend directeur kan uitsluitend uit zijn functie worden ontheven bij besluit van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie.
8.De raad van bestuur neemt besluiten over de benoeming van de uitvoerend directeur, de verlenging van diens ambtstermijn en de ontheffing van de uitvoerend directeur uit zijn functie met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden.
9.Voor het sluiten van de arbeidsovereenkomst met de raad van bestuur wordt het agentschap vertegenwoordigd door de voorzitter van de raad van bestuur. De uitvoerend directeur wordt in dienst genomen als tijdelijke functionaris van het agentschap overeenkomstig artikel 2, onder a), van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
Artikel 23
Adviesgroepen
1.De volgende adviesgroepen verstrekken de raad van bestuur expertise inzake de grootschalige IT-systemen, in het bijzonder bij de opstelling van het jaarlijkse werkprogramma en van het jaarlijkse activiteitenverslag:
(a)de adviesgroep-SIS II;
(b)de adviesgroep-VIS;
(c)de adviesgroep-Eurodac;
(d)[de adviesgroep-[EES-][ETIAS]];
(e)[de adviesgroep voor het ECRIS-TCN-systeem];
(f)elke andere adviesgroep betreffende een grootschalig IT-systeem, indien daarin is voorzien in het toepasselijke wetgevingsinstrument betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van dat grootschalige IT-systeem.
2.De verschillende lidstaten die zijn gebonden door een wetgevingsinstrument van de Unie betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van een bepaald grootschalig IT-systeem, alsook de Commissie, benoemen elk een lid van de desbetreffende adviesgroep, voor een eenmaal hernieuwbare termijn van vier jaar.
Denemarken benoemt eveneens een lid van de adviesgroep met betrekking tot een grootschalig IT-systeem, indien het op grond van artikel 4 van het Protocol (nr. 22) betreffende de positie van Denemarken beslist het wetgevingsinstrument betreffende de ontwikkeling, de instelling, de werking en het gebruik van dat grootschalige IT-systeem in nationaal recht om te zetten.
Ieder land dat in het kader van een bepaald grootschalig IT-systeem bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis, de Eurodac-maatregelen en de maatregelen betreffende andere grootschalige IT-systemen is betrokken, benoemt een lid van de adviesgroep betreffende dat grootschalige IT-systeem.
3.Europol en Eurojust [en de Europese grens- en kustwacht] kunnen elk een vertegenwoordiger in de adviesgroep-SIS II benoemen. Europol kan ook een vertegenwoordiger benoemen in de VIS-adviesgroep en in de Eurodac-adviesgroep [en de adviesgroep-EES-ETIAS]. [De Europese grens- en kustwacht kan ook een vertegenwoordiger in de adviesgroep-EES-ETIAS benoemen]. [Eurojust, Europol, [en het Europees Openbaar Ministerie] kunnen ook een vertegenwoordiger in de adviesgroep voor het ECRIS-TCN-systeem benoemen.]
4.De leden van de raad van bestuur en hun plaatsvervangers mogen geen lid zijn van een adviesgroep. De uitvoerend directeur of zijn vertegenwoordiger kan alle vergaderingen van de adviesgroepen als waarnemer bijwonen.
5.De procedures voor de werking van en de samenwerking tussen de adviesgroepen worden vastgelegd in het reglement van orde van het agentschap.
6.Bij het opstellen van een advies streven de leden van elke adviesgroep zoveel mogelijk naar consensus. Indien geen consensus wordt bereikt, geldt als advies het gemotiveerde standpunt van de meerderheid van de leden. De gemotiveerde minderheidsstandpunten worden eveneens genotuleerd. Artikel 20, leden 3 en 4, is van overeenkomstige toepassing. De leden die landen vertegenwoordigen welke zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen, mogen hun mening kenbaar maken over onderwerpen ten aanzien waarvan zij niet stemgerechtigd zijn.
7.Iedere lidstaat die en ieder land dat is betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen faciliteert de werkzaamheden van de adviesgroepen.
8.Ten aanzien van het voorzitterschap van de adviesgroepen is artikel 18 van overeenkomstige toepassing.
HOOFDSTUK IV
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 24
Personeel
1.Het Statuut, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden en de voorschriften die in onderling overleg zijn vastgesteld door de instellingen van de Unie ter uitvoering van het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, zijn van toepassing op het personeel van het agentschap, met inbegrip van de uitvoerend directeur.
2.Voor de toepassing van het Statuut geldt het agentschap als een orgaan in de zin van artikel 1 bis, lid 2, van het Statuut.
3.Het personeel van het agentschap bestaat uit ambtenaren, tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten. Wanneer een arbeidsovereenkomst die de uitvoerend directeur wenst te verlengen, volgens de Regeling een overeenkomst van onbepaalde duur zou worden, verleent de raad van bestuur jaarlijks toestemming.
4.Het agentschap neemt geen uitzendkrachten in dienst voor het verrichten van taken die als gevoelige financiële taken worden beschouwd.
5.De Commissie en de lidstaten kunnen ambtenaren en nationale deskundigen voor een bepaalde duur bij het agentschap detacheren. Bij besluit van de raad van bestuur worden de voorschriften vastgesteld voor de detachering van nationale deskundigen bij het agentschap.
6.Onverminderd artikel 17 van het Statuut, past het agentschap de nodige voorschriften inzake het beroepsgeheim, of een gelijkwaardige geheimhoudingsplicht toe.
7.De raad van bestuur stelt, met instemming van de Commissie, de uitvoeringsmaatregelen vast die zijn bedoeld in artikel 110 van het Statuut.
Artikel 25
Algemeen belang
De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de leden van de adviesgroepen verbinden zich ertoe in het algemeen belang te handelen. Zij leggen daartoe jaarlijks een schriftelijke publieke verklaring af.
De lijst van de leden van de raad van bestuur wordt op de website van het agentschap bekendgemaakt.
Artikel 26
Zetelovereenkomst en overeenkomsten inzake de technische locaties
1.
De regelingen betreffende de huisvesting van het agentschap in de lidstaten van vestiging en de voorzieningen die deze lidstaten moeten treffen, alsmede de bijzondere regels die in deze lidstaten van toepassing zijn op de uitvoerend directeur, de leden van de raad van bestuur, de personeelsleden van het agentschap en hun gezinsleden, worden vastgelegd in een overeenkomst inzake de zetel van het agentschap en overeenkomsten inzake de technische locaties tussen het agentschap en de lidstaten van vestiging, die gesloten worden nadat goedkeuring van de raad van bestuur is verkregen.
2.
De lidstaten van vestiging van het agentschap bieden optimale voorwaarden voor de goede werking van het agentschap, waaronder meertalig, Europees gericht onderwijs en passende vervoersverbindingen.
Artikel 27
Voorrechten en immuniteiten
Het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is op het agentschap van toepassing.
Artikel 28
Aansprakelijkheid
1.De contractuele aansprakelijkheid van het agentschap wordt beheerst door het recht dat van toepassing is op de betrokken overeenkomst.
2.Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitrageclausule in een door het agentschap gesloten overeenkomst.
3.In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het agentschap in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn afdelingen of door zijn personeel bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade.
4.Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd voor geschillen over de vergoeding van de in lid 3 bedoelde schade.
5.De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het agentschap wordt beheerst door de op hen van toepassing zijnde bepalingen van het Statuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.
Artikel 29 Talenregeling
1.De bepalingen van Verordening nr. 1 zijn van toepassing op het agentschap.
2.Onverminderd hetgeen op grond van artikel 342 VWEU wordt besloten, worden het enig programmeringsdocument en het jaarlijkse activiteitenverslag, bedoeld in artikel 15, lid 1, onder r) en s), van deze verordening in alle officiële talen van de instellingen van de Unie opgesteld.
3.De raad van bestuur kan een besluit over de werktalen nemen, onverminderd de verplichtingen vervat in de leden 1 en 2.
4.De vertalingen ten behoeve van het agentschap worden gemaakt door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.
Artikel 30
Transparantie en communicatie
1.Verordening (EG) 1049/2001 is van toepassing op de bij het agentschap berustende documenten.
2.De raad van bestuur stelt de praktische regeling voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast. Op voorstel van de uitvoerend directeur stelt de raad van bestuur regels vast betreffende de toegang tot de documenten van het agentschap, met inachtneming van Verordening (EG) nr. 1049/2001.
3.Tegen een besluit van het agentschap op grond van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan, onder de in respectievelijk artikel 228 en artikel 263 van het VWEU bepaalde voorwaarden, een klacht worden ingediend bij de Europese Ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie.
4.Het agentschap voert een communicatiebeleid dat beantwoordt aan de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van grootschalige IT-systemen en kan op eigen initiatief, binnen de grenzen van zijn bevoegdheden, communicatieactiviteiten ontplooien. Het draagt er in het bijzonder zorg voor dat het publiek en alle belanghebbenden, in aanvulling op de in artikel 15, lid 1, onder r), s), (ii), (jj), [(kk)],[(ll)] en [(mm)], en artikel 42, lid 9, genoemde publicaties, snel objectieve, correcte, betrouwbare, volledige en begrijpelijke informatie omtrent zijn werkzaamheden ontvangen. De toewijzing van middelen voor communicatieactiviteiten mag geen afbreuk doen aan de daadwerkelijke uitvoering van de in de artikelen 3 tot en met 12 bedoelde taken van het agentschap. De communicatieactiviteiten worden uitgevoerd in overeenstemming met de desbetreffende door de raad van bestuur vastgestelde communicatie- en verspreidingsplannen.
5.Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon heeft het recht zich schriftelijk in één van de officiële talen van de Unie tot het agentschap te richten. Hij heeft het recht een antwoord in dezelfde taal te ontvangen.
Artikel 31
Gegevensbescherming
1.Onverminderd de gegevensbeschermingsvoorschriften die zijn vervat in de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van de grootschalige IT-systemen, zijn de door het agentschap overeenkomstig deze verordening verwerkte persoonsgegevens onderworpen aan Verordening (EG) nr. 45/2001 [Verordening (EU) XX/2018 betreffende de bescherming van persoonsgegevens voor de instellingen en organen van de Unie].
2.De raad van bestuur stelt maatregelen vast voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 45/2001 [Verordening (EU) XX/2018 inzake de bescherming van persoonsgegevens voor instellingen en organen van de Unie] door het agentschap, onder meer betreffende de functionaris voor gegevensbescherming. Deze maatregelen worden vastgesteld na raadpleging van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
Artikel 32
Doelen van de verwerking van persoonsgegevens
1.Het agentschap mag persoonsgegevens uitsluitend verwerken voor de volgende doelen:
(a)het uitvoeren van zijn taken in verband met het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen die krachtens de EU-wetgeving aan het agentschap zijn toevertrouwd;
(b)het uitvoeren van administratieve taken.
2.Wanneer het agentschap persoonsgegevens verwerkt voor het in lid 1, onder a), genoemde doel, zijn de specifieke voorschriften inzake gegevensbescherming en -beveiliging van toepassing die zijn vervat in de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van de grootschalige IT-systemen die door het agentschap worden beheerd.
Artikel 33
Beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde informatie en gevoelige niet-gerubriceerde informatie
1.Het agentschap stelt eigen veiligheidsvoorschriften vast op grond van de beginselen en regels die zijn vastgelegd in de veiligheidsvoorschriften van de Commissie voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI) en gevoelige niet-gerubriceerde informatie, waaronder voorschriften betreffende de uitwisseling, verwerking en opslag van dergelijke informatie, zoals omschreven in Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 en 2015/444. Voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie met de betrokken instanties van een derde land is voorafgaande toestemming van de Commissie vereist.
2.De veiligheidsvoorschriften worden na goedkeuring door de Commissie door de raad van bestuur vastgesteld. Het agentschap kan alle nodige maatregelen nemen om de uitwisseling van voor zijn taken relevante informatie met de Commissie en de lidstaten en, indien van toepassing, de relevante agentschappen van de Unie, te vergemakkelijken. Het agentschap ontwikkelt en beheert een informatiesysteem voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie met deze actoren overeenkomstig Besluit 2013/488/EU van de Raad en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie. De raad van bestuur bepaalt, in overeenstemming met artikel 2 en artikel 15, lid 1, onder y), van deze verordening de interne organisatie van het agentschap die nodig is om aan de toepasselijke beveiligingsbeginselen te voldoen.
Artikel 34
Beveiliging van het agentschap
1.Het agentschap handhaaft de veiligheid en de orde in de gebouwen en lokalen en op de terreinen die het gebruikt. Het agentschap past de beveiligingsbeginselen en de relevante bepalingen van de wetgevingsinstrumenten betreffende de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van grootschalige IT-systemen toe.
2.De lidstaten van vestiging treffen alle effectieve en passende maatregelen om de orde en de veiligheid in de onmiddellijke omgeving van de door het agentschap gebruikte gebouwen, lokalen en terreinen te handhaven, en bieden het agentschap, in overeenstemming met de toepasselijke zetelovereenkomst en de overeenkomsten inzake de technische locatie en het back-uplocatie, de nodige bescherming, met dien verstande dat zij de vrije toegang van de door het agentschap gemachtigde personen tot de gebouwen, lokalen en terreinen moeten waarborgen.
Artikel 35
Evaluatie
1.Uiterlijk vijf jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en daarna om de vijf jaar beoordeelt de Commissie overeenkomstig haar richtsnoeren de prestaties van het agentschap met betrekking tot zijn doelstellingen, mandaat, taken en locaties. De evaluatie betreft voorts de bijdrage van het agentschap aan de totstandbrenging van een gecoördineerde, kostenefficiënte en coherente IT-omgeving op het niveau van de Unie voor het beheer van grootschalige IT-systemen ter ondersteuning van de uitvoering van beleid inzake justitie en binnenlandse zaken (JBZ). Bij de evaluatie wordt in het bijzonder beoordeeld of het mandaat van het agentschap moet worden gewijzigd en welke financiële gevolgen dergelijke wijzigingen hebben.
2.Als de Commissie van oordeel is dat het voortbestaan van het agentschap niet langer gerechtvaardigd is in het licht van zijn doelstellingen, mandaat en taken, kan zij voorstellen om deze verordening dienovereenkomstig te wijzigen of in te trekken.
3.De Commissie brengt aan het Europees Parlement, de Raad en de raad van bestuur verslag uit van haar evaluatiebevindingen. De resultaten van de evaluatie worden openbaar gemaakt.
Artikel 36
Administratieve onderzoeken
Overeenkomstig artikel 228 van het Verdrag zijn de activiteiten van het agentschap onderworpen aan onderzoeken door de Europese Ombudsman.
Artikel 37
Samenwerking met instellingen, organen en instanties van de Unie
1.Voor aangelegenheden die onder deze verordening vallen, werkt het agentschap samen met de Commissie, andere instellingen van de Unie en andere organen en instanties van de Unie, met name die welke zijn ingesteld op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, en in het bijzonder het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten.
2.Het agentschap werkt samen met de Commissie in het kader van werkafspraken tot vaststelling van operationele werkmethoden.
3.Indien nodig, raadpleegt het agentschap het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging en volgt het de aanbevelingen van dit agentschap met betrekking tot netwerkbeveiliging op.
4.De samenwerking met de organen en instanties van de Unie vindt plaats in het kader van werkafspraken. Deze afspraken worden vooraf door de Commissie goedgekeurd. Deze afspraken kunnen erin voorzien dat meerdere agentschappen binnen de grenzen van hun respectieve mandaten en onverlet hun kerntaken, gezamenlijk gebruikmaken van diensten, indien dat passend is gezien de nabijheid van de locaties of gezien het beleidsgebied.
5.De in lid 1 bedoelde instellingen, organen en instanties van de Unie gebruiken van het agentschap ontvangen informatie uitsluitend binnen de grenzen van hun bevoegdheden en met inachtneming van de grondrechten, met inbegrip van de voorschriften inzake gegevensbescherming. Verdere doorgifte van door het agentschap verwerkte persoonsgegevens aan andere instellingen, organen en instanties van de Unie wordt afhankelijk gesteld van specifieke werkafspraken over de uitwisseling van persoonsgegevens en van voorafgaande toestemming door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Elke doorgifte van persoonsgegevens door het agentschap vindt plaats in overeenstemming met de gegevensbeschermingsbepalingen van de artikelen 31 en 32. Wat de behandeling van gerubriceerde informatie betreft, houden die afspraken in dat de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan van de Unie handelt volgens beveiligingsvoorschriften en -normen die gelijkwaardig zijn aan die welke door het agentschap worden toegepast.
Artikel 38
Deelname van landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen
1.Het agentschap staat open voor deelname van derde landen die met de Unie associatieovereenkomsten in die zin hebben gesloten.
2.Regelingen betreffende met name de aard, de reikwijdte en de omvang van, alsook de nadere regels voor de deelname van de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen aan de werkzaamheden van het agentschap, met inbegrip van bepalingen ten aanzien van de financiële bijdragen, het personeel en het stemrecht, worden getroffen krachtens de desbetreffende bepalingen van de in lid 1 bedoelde associatieovereenkomsten.
HOOFDSTUK V
OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING
AFDELING 1
ENIG PROGRAMMERINGSDOCUMENT
Artikel 39
Enig programmeringsdocument
1.Jaarlijks stelt de uitvoerend directeur overeenkomstig door de Commissie verstrekte richtsnoeren een enig programmeringsdocument op, bestaande uit een jaarlijks programma en een meerjarenprogramma voor het volgende jaar, overeenkomstig artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie en van de financiële regels bedoeld in artikel 44.
Het enig programmeringsdocument bevat een meerjarenprogramma, een jaarlijks werkprogramma, alsmede zijn begroting en informatie over zijn middelen, zoals uitvoerig beschreven in de in artikel 44 genoemde financiële regels van het agentschap.
2.De raad van bestuur stelt elk jaar na raadpleging van de adviesgroepen het ontwerp van enig programmeringsdocument vast en zendt het uiterlijk 31 januari toe aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie; dit gebeurt ook met alle daarna bijgewerkte versies van dat document.
3.De raad van bestuur stelt ieder jaar uiterlijk 30 november, met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden het enig programmeringsdocument vast, overeenkomstig de jaarlijkse begrotingsprocedure en rekening houdend met het advies van de Commissie. De raad van bestuur ziet erop toe dat de definitieve versie van dit enig programmeringsdocument aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt toegezonden en wordt bekendgemaakt. De raad van bestuur stelt ieder jaar uiterlijk 30 november, rekening houdend met het advies van de Commissie, met een tweederdemeerderheid van zijn stemgerechtigde leden het werkprogramma van het agentschap voor de volgende jaren vast, overeenkomstig de jaarlijkse begrotingsprocedure en het wetgevingsprogramma van de Unie op de onder de artikelen 67 tot en met 89 VWEU vallende gebieden, en zorgt ervoor dat het vastgestelde programmeringsdocument aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie wordt toegezonden en wordt bekendgemaakt.
4.Het enig programmeringsdocument wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie en wordt, indien nodig, dienovereenkomstig aangepast. Het vastgestelde enig programmeringsdocument wordt vervolgens aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie toegezonden en bekendgemaakt.
5.In het jaarlijks werkprogramma voor het volgende jaar worden gedetailleerde doelstellingen en beoogde resultaten opgenomen, met inbegrip van prestatie-indicatoren. Het bevat tevens een beschrijving van te financieren acties en een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere actie worden toegewezen overeenkomstig de beginselen van activiteitsgestuurd begroten en beheer. Het jaarlijkse werkprogramma is consistent met het in lid 6 bedoelde meerjarige werkprogramma. Het vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar. De raad van bestuur past het vastgestelde jaarlijkse werkprogramma aan wanneer het agentschap een nieuwe taak krijgt toegewezen. Iedere wezenlijke wijziging van het jaarlijkse werkprogramma wordt vastgesteld door middel van dezelfde procedure als die welke voor het oorspronkelijke jaarlijkse werkprogramma geldt. De raad van bestuur kan aan de uitvoerend directeur de bevoegdheid delegeren om niet-wezenlijke wijzigingen door te voeren in het jaarlijkse werkprogramma.
6.Het meerjarige programma omvat een beschrijving van de algemene strategische programmering, met inbegrip van doelstellingen, beoogde resultaten en prestatie-indicatoren. Het behelst ook de programmering van de middelen, met inbegrip van de meerjarige begroting en de personele middelen. Deze programmering van de middelen wordt jaarlijks bijgewerkt. De strategische programmering wordt in voorkomend geval geactualiseerd, met name om rekening te houden met de resultaten van de in artikel 35 bedoelde evaluatie.
Artikel 40
Vaststelling van de begroting
1.De uitvoerend directeur stelt jaarlijks, rekening houdend met de door het agentschap verrichte werkzaamheden, een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar, met inbegrip van een ontwerp voor de personeelsformatie, en zendt deze aan de raad van bestuur toe.
2.De raad van bestuur stelt, op basis van een ontwerpraming van de uitvoerend directeur, een ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven van het agentschap voor het volgende begrotingsjaar vast, met inbegrip van het ontwerp van personeelsformatie. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar stuurt de raad van bestuur deze ontwerpen als onderdeel van het enig programmeringsdocument toe aan de Commissie en aan de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen.
3.De Commissie zendt de ontwerpraming, samen met het voorlopige ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, toe aan het Europees Parlement en de Raad (de begrotingsautoriteit).
4.Op basis van deze ontwerpraming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht voor de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het ontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig de artikelen 313 en 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.
5.De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de bijdrage aan het agentschap goed.
6.De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het agentschap vast.
7.De raad van bestuur stelt de begroting van het agentschap vast. De begroting wordt definitief wanneer de algemene begroting van de Europese Unie definitief is vastgesteld. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.
8.Deze procedure wordt tevens gevolgd in geval van wijziging van de begroting, ook als die betrekking heeft op de personeelsformatie.
9.De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te uit te voeren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. Hij brengt de Commissie daarvan op de hoogte. Een tak van de begrotingsautoriteit die advies wil uitbrengen, stelt de raad van bestuur hiervan binnen twee weken na ontvangst van de informatie over het project in kennis. Indien het agentschap geen antwoord ontvangt, kan het project worden uitgevoerd. Op bouwprojecten die significante gevolgen kunnen hebben voor de begroting van het agentschap, zijn de bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van toepassing.
AFDELING 2
INRICHTING, UITVOERING EN CONTROLE VAN DE BEGROTING
Artikel 41
Structuur van de begroting
1.Voor elk begrotingsjaar, dat samenvalt met het kalenderjaar, worden alle ontvangsten en uitgaven van het agentschap geraamd en in de begroting van het agentschap opgenomen.
2.De ontvangsten en uitgaven van het agentschap moeten in evenwicht zijn.
3.Onverminderd andere inkomsten bestaan de ontvangsten van het agentschap uit:
(a)een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgevoerde bijdrage van de Unie;
(b)een bijdrage van de landen die bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen zijn betrokken en deelnemen aan de werkzaamheden van het agentschap als vastgesteld in de respectieve associatieovereenkomsten en in de in artikel 38 bedoelde regeling, waarin hun financiële bijdrage wordt bepaald;
(c)financiering van de Unie in de vorm van delegatieovereenkomsten overeenkomstig de in artikel 44 bedoelde financiële regels van het agentschap en met de bepalingen van de relevante instrumenten ter ondersteuning van het beleid van de Unie;
(d)bijdragen die lidstaten betalen voor de diensten die hun worden verleend overeenkomstig de in artikel 12 genoemde delegatieovereenkomst;
(e)eventuele vrijwillige financiële bijdragen van de lidstaten.
4.De uitgaven van het agentschap omvatten de bezoldiging van het personeel, uitgaven voor administratie en infrastructuur en werkingskosten.
Artikel 42
Uitvoering van en toezicht op de begroting
1.De uitvoerend directeur voert de begroting van het agentschap uit.
2.De uitvoerend directeur doet de begrotingsautoriteit jaarlijks alle relevante informatie over de resultaten van de evaluatieprocedures toekomen.
3.De rekenplichtige van het agentschap zendt de voorlopige rekeningen voor het jaar N uiterlijk op 1 maart van het begrotingsjaar N+1 toe aan de rekenplichtige van de Commissie en aan de Rekenkamer. De voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen worden overeenkomstig artikel 147 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 door de rekenplichtige van de Commissie geconsolideerd.
4.Het agentschap zendt uiterlijk op 31 maart van het jaar N+1 een verslag over het budgettair en financieel beheer voor het jaar N toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de Commissie.
5.De rekenplichtige van de Commissie zendt de voorlopige rekeningen van het agentschap voor het jaar N, die met de rekeningen van de Commissie zijn geconsolideerd, uiterlijk op 31 maart van het jaar N+1 aan de Rekenkamer toe.
6.Overeenkomstig artikel 148 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad maakt de uitvoerend directeur na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het agentschap, onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het agentschap op en doet hij deze ter advies toekomen aan de raad van bestuur.
7.De raad van bestuur brengt een advies uit over de definitieve rekeningen van het agentschap voor het jaar N.
8.Uiterlijk op 1 juli van het jaar N+1 zendt de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen, vergezeld van het advies van de raad van bestuur, toe aan de het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de landen die zijn betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen.
9.De definitieve rekeningen voor het jaar N worden uiterlijk op 15 november van het jaar N+1 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
10.De uitvoerend directeur dient uiterlijk op 30 september van het jaar N+1 een antwoord op de opmerkingen van de Rekenkamer in bij deze instelling. De uitvoerend directeur zendt het antwoord tevens toe aan de raad van bestuur.
11.De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het jaar N, overeenkomstig artikel 165, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.
12.Vóór 15 mei van het jaar N+2 verleent het Europees Parlement op aanbeveling van de Raad, die met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluit, de uitvoerend directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het begrotingsjaar N.
Artikel 43
Voorkoming van belangenconflicten
Het agentschap stelt interne voorschriften vast op grond waarvan de leden van zijn organen en zijn personeelsleden gedurende hun dienst of ambtstermijn situaties dienen te vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en zij deze situaties dienen te rapporteren.
Artikel 44
Financiële regeling
De financiële regels die van toepassing zijn op het agentschap wordt vastgesteld door de raad van bestuur, na raadpleging van de Commissie. Deze financiële regeling wijkt niet af van gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013, tenzij dit in verband met de werking van het agentschap specifiek vereist is en de Commissie vooraf toestemming heeft verleend.
Artikel 45
Fraudebestrijding
1.Met het oog op de bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten is Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van toepassing.
2.Het agentschap treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt op basis van het model in de bijlage bij dat akkoord onmiddellijk passende regels op die op alle personeelsleden van het agentschap van toepassing zijn.
De Rekenkamer is bevoegd om audits te verrichten, op basis van documenten en inspecties ter plaatse, bij alle begunstigden, contractanten en subcontractanten die van het agentschap middelen van de Unie hebben ontvangen.
3.OLAF kan overeenkomstig de bepalingen en procedures van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2185/96 van de Raad onderzoeken verrichten, waaronder controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in verband met een subsidie of een door het agentschap gefinancierde overeenkomst.
4.Onverminderd de leden 1, 2 en 3 bevatten contracten, subsidieovereenkomsten en subsidiebesluiten van het agentschap bepalingen die de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk machtigen om dergelijke controles en onderzoeken te verrichten, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.
HOOFDSTUK VI
WIJZIGING VAN ANDERE INSTRUMENTEN VAN DE UNIE
Artikel 46
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) [of van Verordening XX van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006]
In Verordening (EG) nr. 1987/2006 [of in Verordening XX van XX betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van grenscontroles, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1987/2006] wordt artikel 15, leden 2 en 3, vervangen door:
“2) De beheersautoriteit wordt belast met alle taken die betrekking hebben op de communicatie-infrastructuur, en met name:
a) toezicht;
b) beveiliging;
c) coördinatie van de betrekkingen tussen de lidstaten en de dienstverlener;
d) begrotingsuitvoeringstaken;
e) aanschaf en vernieuwing; en
f) contractuele aangelegenheden.”
Artikel 47
Wijziging van Besluit 2007/533/JBZ van de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) [of van Verordening XX van XX van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006, Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie].
In Besluit 2007/533/JBZ van de Raad [of in Verordening XX van XX van het Europees Parlement en de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 515/2014 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1986/2006, Besluit 2007/533/JBZ van de Raad en Besluit 2010/261/EU van de Commissie] wordt artikel 15, leden 2 en 3, vervangen door:
“2. De beheersautoriteit wordt tevens belast met alle taken die betrekking hebben op de communicatie-infrastructuur, en met name:
a) toezicht;
b) beveiliging;
c) coördinatie van de betrekkingen tussen de lidstaten en de dienstverlener;
d) begrotingsuitvoeringstaken;
e) aanschaf en vernieuwing; en
f) contractuele aangelegenheden.”
HOOFDSTUK VII
OVERGANGSBEPALINGEN
Artikel 48
Overgangsbepalingen inzake de uitvoerend directeur
De directeur van eu-LISA die is benoemd op grond van artikel 18 van Verordening (EU) 1077/2011 vervult voor de resterende duur van zijn ambtstermijn de taken van uitvoerend directeur als bepaald in artikel 21 van deze verordening.
HOOFDSTUK VIII
SLOTBEPALINGEN
Artikel 49 Intrekking
Verordening (EU) nr. 1077/2011 wordt ingetrokken.
Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening.
Artikel 50
Inwerkingtreding en toepasselijkheid
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel,
Voor het Europees Parlement
Voor de Raad
De voorzitter
De voorzitter
FINANCIEEL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
1.2.Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur
1.3.Aard van het voorstel/initiatief
1.4.Doelstelling(en)
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.6.Duur en financiële gevolgen
1.7.Beheersvorm(en)
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
2.2.Beheers- en controlesysteem
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.2.Geraamde gevolgen voor de beleidskredieten
3.2.3.Geraamde gevolgen voor de administratieve kredieten
3.2.4.Verenigbaarheid met het huidig meerjarig financieel kader
3.2.5.Bijdragen van derden
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
FINANCIEEL MEMORANDUM
1.KADER VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
1.1.Benaming van het voorstel/initiatief
Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1987/2006 en Besluit 2007/533/JBZ en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1077/2011.
1.2.Betrokken beleidsterrein(en) in de ABM/ABB-structuur
Beleidsterrein: Migratie en Binnenlandse zaken (titel 18)
Activiteit: Binnenlandse veiligheid (hoofdstuk 18.02)
1.3.Aard van het voorstel/initiatief
◻ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie
◻ Het voorstel/initiatief betreft een nieuwe actie na een proefproject/een voorbereidende actie
⌧ Het voorstel/initiatief betreft de verlenging van een bestaande actie
◻ Het voorstel/initiatief betreft een actie die wordt omgebogen naar een nieuwe actie
1.4.Doelstelling(en)
1.4.1.De met het voorstel/initiatief beoogde strategische meerjarendoelstelling(en) van de Commissie
Specifieke doelstelling nr. 1.2 Grensbeheer: Levens redden en de EU-buitengrenzen beveiligen
- IT-systemen en -technologieën voor slimme grenzen gebruiken om de binnenlandse veiligheid te verbeteren en het voor bonafide reizigers gemakkelijker maken om de grens over te steken.
Efficiënter beheer van onze grenzen houdt ook in dat beter gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden die IT-systemen en technologieën bieden. De EU beschikt momenteel over drie grootschalige IT-systemen die onder de verantwoordelijkheid van DG HOME vallen: Eurodac voor de administratie van asielaanvragen, het Visuminformatiesysteem (VIS) voor visumaanvragen en het Schengeninformatiesysteem (SIS II) voor de uitwisseling van informatie over personen en voorwerpen die door de bevoegde autoriteiten zijn gesignaleerd. Het agentschap blijft verantwoordelijk voor deze drie grootschalige IT-systemen.
DG HOME presenteerde op 6 april 2016 een voorstel betreffende de instelling van een inreis-uitreissysteem (EES), dat door eu-LISA zou moeten worden ontwikkeld met het oog op ingebruikneming in 2020. De implementatie van een EU-breed inreis-uitreissysteem zal onder meer leiden tot de automatisering van bepaalde taken en activiteiten in verband met grenscontroles. Dit proces zal zorgen voor een homogene en systematische controle van de toegestane verblijfsduur van onderdanen van derde landen. Het systeem registreert de naam, het type reisdocument, biometrische gegevens en de plaats en datum van inreis en uitreis. Dit maakt het voor bonafide reizigers gemakkelijker om de grens over te steken. Wie langer blijft dan is toegestaan, kan zo worden opgespoord en personen zonder documenten in het Schengengebied kunnen worden geïdentificeerd. Het inreis-uitreissysteem van de EU zal dan ook van doorslaggevend belang zijn voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van het visumbeleid en voor het maximaliseren van de positieve economische impact van het aantrekken van meer toeristen en andere bezoekers die om persoonlijke of beroepsmatige redenen reizen; tegelijkertijd worden irreguliere migratie en veiligheidsrisico’s zoveel mogelijk beperkt.
Voorts zal eu-LISA, onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende rechtsinstrumenten, worden belast met de ontwikkeling van andere grootschalige IT-systemen, zoals het geautomatiseerde systeem voor registratie en monitoring en inzake het toewijzingsmechanisme voor verzoeken om internationale bescherming en het Europees systeem voor reisinformatie en autorisatie (ETIAS), een centraal EU-systeem waarmee, voordat niet-visumplichtige onderdanen van derde landen aankomen bij de grens, kan worden geverifieerd of zij in aanmerking komen voor toegang tot het Schengengebied en met name of hun aanwezigheid in het Schengengebied een veiligheidsrisico zou vormen. Ten opzichte van de huidige situatie (d.w.z. zonder ETIAS) voegt ETIAS een extra stelselmatige controle toe door vroegtijdige verificatie aan de hand van de relevante gegevensbanken en beoordeling van de risico's uit het oogpunt van veiligheid, volksgezondheid en irreguliere migratie mogelijk te maken. In het kader van ETIAS zijn bij de risicobeoordeling van de meest complexe en problematische gevallen autoriteiten van de lidstaten betrokken.
Eu-LISA wordt ook belast met het ECRIS-TCN-systeem, een gecentraliseerd systeem voor de vaststelling van de lidstaten die over informatie beschikken inzake veroordelingen van onderdanen van derde landen en staatlozen (TCN), ter aanvulling en ondersteuning van het Europees Strafregisterinformatiesysteem (ECRIS).
Specifieke doelstelling(en) en betrokken ABM/ABB-activiteit(en):
Specifieke doelstelling nr. 1.2
Grensbeheer: levens redden en de EU-buitengrenzen beveiligen.
Betrokken ABM/ABB-activiteit(en):
Gerelateerd aan het uitgavenprogramma ISF – Grenzen en visa, Horizon 2020.
1.4.2.Verwacht(e) resulta(a)t(en) en gevolg(en)
Vermeld de gevolgen die het voorstel/initiatief zou moeten hebben op de begunstigden/doelgroepen.
Het agentschap in staat stellen ervoor te blijven zorgen dat:
- grootschalige IT-systemen efficiënt worden ontwikkeld door middel van een adequate projectbeheerstructuur;
- grootschalige IT-systemen op effectieve, veilige en continue wijze werken;
- grootschalige IT-systemen onder efficiënt en financieel controleerbaar beheer staan;
- de dienstverlening aan de gebruikers van grootschalige IT-systemen van toereikende kwaliteit is;
- een continue, ononderbroken dienstverlening wordt verzekerd;
- een hoog niveau van gegevensbescherming wordt verzekerd, overeenkomstig de toepasselijke voorschriften, met inbegrip van specifieke voorschriften voor elk van de grootschalige IT-systemen;
- een passende niveau van gegevensbeveiliging en materiële beveiliging wordt verzekerd, conform de toepasselijke voorschriften, met inbegrip van de specifieke bepalingen inzake elk van de grootschalige IT-systemen.
1.4.3.Resultaat- en effectindicatoren
Vermeld de indicatoren aan de hand waarvan kan worden nagegaan in hoeverre het voorstel/initiatief is uitgevoerd.
In het jaarlijks werkprogramma voor het volgende jaar worden gedetailleerde doelstellingen en beoogde resultaten, met inbegrip van prestatie-indicatoren, opgenomen. Het bevat ook een beschrijving van te financieren acties en een indicatie van de financiële en personele middelen die aan iedere actie worden toegewezen overeenkomstig de beginselen betreffende activiteitsgestuurd begroten en beheer. Het werkprogramma vermeldt duidelijk de taken die zijn toegevoegd, gewijzigd of geschrapt ten opzichte van het vorige begrotingsjaar. In het jaarlijks verslag over de activiteiten van het agentschap moeten de resultaten aan de hand van die indicatoren worden beschreven.
Vanaf 2017 geeft de Commissie om de vijf jaar opdracht voor een onafhankelijke externe evaluatie van het optreden van het agentschap. Bij die evaluatie worden de prestaties van het agentschap beoordeeld met betrekking tot zijn doelstellingen, mandaat, taken en locatie. De evaluatie betreft voorts de bijdrage van het agentschap aan een gecoördineerde, kostenefficiënte en coherente IT-omgeving op het niveau van de Unie voor het beheer van grootschalige IT-systemen ter ondersteuning van de uitvoering van beleid inzake justitie en binnenlandse zaken (JBZ). Bij de evaluatie wordt in het bijzonder beoordeeld of het mandaat van het agentschap moet worden gewijzigd (en welke financiële gevolgen dergelijke wijzigingen hebben).
1.5.Motivering van het voorstel/initiatief
1.5.1.Behoefte(n) waarin op korte of lange termijn moet worden voorzien
De eerste evaluatie van het werk van het agentschap, die in 2015-2016 is verricht op basis van een onafhankelijke externe evaluatie, leidde tot de conclusie dat eu-LISA zich op doeltreffende wijze kwijt van het operationele beheer van de grootschalige IT-systemen en andere taken waarmee het is belast, maar ook dat een aantal wijzigingen moet worden aangebracht in de oprichtingsverordening; zo moeten de nog bij de Commissie berustende taken in verband met de communicatie-infrastructuur aan het agentschap worden overgedragen. Voortbouwend op de externe evaluatie hield de Commissie rekening met de beleidsmatige, juridische en feitelijke ontwikkelingen en stelde zij met name voor om het mandaat van het agentschap uit te breiden met de taken die voortvloeien uit de vaststelling door de medewetgevers van voorstellen waarbij het agentschap wordt belast met het beheer van nieuwe systemen, de taken bedoeld in de mededeling van de Commissie van 6 april 2016 over krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid, in het eindverslag van 11 mei 2017 van de deskundigengroep op hoog niveau inzake informatiesystemen en interoperabiliteit en in het zevende voortgangsverslag over de totstandbrenging van een echte en doeltreffende Veiligheidsunie, dat de Commissie heeft vastgesteld op 16 mei 2017. Het mandaat van het agentschap moet ook worden uitgebreid om de lidstaten advies te verstrekken in verband met de aansluiting van de nationale systemen op de centrale systemen, om zo nodig ad-hocbijstand/ondersteuning te bieden en om de diensten van de Commissie bijstand/ondersteuning te verlenen inzake technische kwesties die verband houden met nieuwe systemen. Het agentschap moet bijdragen aan de ontwikkelingen op onderzoeksgebied die van belang zijn voor het operationele beheer van de systemen die het beheert. Het moet informatie over dergelijke ontwikkelingen doorgeven aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
Het mandaat van het agentschap moet ook worden uitgebreid met de ontwikkeling, de werking, het onderhoud en/of het hosten van gezamenlijke technische oplossingen voor de nationale tenuitvoerlegging van verplichtingen die voortvloeien uit de EU-wetgeving inzake gedecentraliseerde grootschalige systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht voor belanghebbende lidstaten. Hiertoe zou een delegatieovereenkomst tussen de betrokken lidstaten en het agentschap kunnen worden gesloten waarbij het agentschap de verantwoordelijkheid krijgt voor voornoemde taken en het overeenkomstige budget.
Het agentschap moet in de eerste plaats verantwoordelijk blijven voor het operationeel beheer van SIS II, het VIS en Eurodac, alsmede – als de medewetgevers daartoe besluiten – voor andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht. Voorts moet het agentschap de taken vervullen in verband met opleiding in de technische toepassing van de IT-systemen die eraan zijn toevertrouwd. Tevens zou het agentschap kunnen worden belast met de opzet, de ontwikkeling en het operationeel beheer van andere grootschalige IT-systemen ter uitvoering van de artikelen 67 tot en met 89 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Het agentschap dient uitsluitend met dergelijke taken te worden belast op basis van latere, afzonderlijk vast te stellen wetgevingsinstrumenten, nadat een effectbeoordeling is verricht.
1.5.2.Toegevoegde waarde van de deelname van de EU
De voorgestelde maatregel heeft ten doel de overdracht van het operationele beheer van het centrale deel van SIS, het centrale deel van VIS en de nationale interfaces, het centrale deel van Eurodac, de communicatie-infrastructuur en andere systemen te bevestigen, alsmede om nieuwe extra taken aan eu-LISA toe te vertrouwen. Deze taken kunnen niet door de afzonderlijke lidstaten worden verwezenlijkt en kunnen beter op het niveau van de Unie worden vervuld.
Volgens de Europese migratieagenda moet "grensbeheer" worden beschouwd als een van de "vier pijlers voor beter migratiebeheer". Om de buitengrenzen te beveiligen en efficiënter te beheren, moet beter gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die IT-systemen en -technologieën bieden.
Dit voorstel voorziet in een duurzame oplossing voor het beheer van SIS II, VIS, Eurodac en andere grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, door synergieën optimaal te benutten en voor schaalvoordelen te zorgen.
1.5.3.Nuttige ervaring die bij soortgelijke activiteiten in het verleden is opgedaan
Het initiatief is onder meer gebaseerd op een grondige analyse van de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van Verordening (EU) 1077/2011, met inbegrip van de krachtens artikel 31 van die verordening verrichte evaluatie van de werking van het agentschap.
1.5.4.Verenigbaarheid en eventuele synergie met andere passende instrumenten
Dit voorstel bouwt voort op de bestaande eu-LISA-verordening, die nadien in 2015 bij Verordening (EU) 603/2013 is gewijzigd om rekening te houden met de wijzigingen die zijn ingevoerd bij de herschikte Eurodac-verordening, waaronder de toegang tot Eurodac voor rechtshandhavingsdoeleinden. Dit voorstel breidt het mandaat van het agentschap uit zodat dit nieuwe taken op zich kan nemen. De Europese agenda's voor veiligheid en migratie geven de richting aan voor de ontwikkeling en uitvoering van het EU-beleid voor de parallelle uitdagingen van migratiebeheer en de bestrijding van terrorisme en georganiseerde criminaliteit. De Europese migratieagenda benadrukte het belang van een volledig gebruik van SIS II, VIS, Eurodac en andere grootschalige IT-systemen die ten goede zouden kunnen komen aan het grensbeheer en aan Europa’s capaciteit om irreguliere migratie te beperken en illegale migranten te doen terugkeren. Ook werd in de agenda opgemerkt dat een nieuwe fase zou ingaan met de vaststelling van het voorstel van een inreis-uitreissysteem (EES), dat de bestrijding van irreguliere migratie zou bevorderen door een register in te voeren van grensoverschrijdende bewegingen van onderdanen van derde landen. In de Europese veiligheidsagenda werd herhaald dat EU-agentschappen een cruciale rol spelen door de operationele samenwerking te ondersteunen. De agenda moedigde de lidstaten aan om ten volle gebruik te maken van ondersteuning door de agentschappen bij het aanpakken van criminaliteit door middel van gezamenlijk optreden. Ook werd gepleit voor het bevorderen van nauwere samenwerking tussen de agentschappen, met inachtneming van hun respectieve mandaten.
Met dit initiatief draagt de Commissie bij tot efficiënter en betrouwbaarder grensbeheer, verscherpte beveiliging en krachtiger bestrijding en voorkoming van criminaliteit door de rol en verantwoordelijkheden van eu-LISA te versterken – niet alleen ten aanzien van bestaande en nieuwe grootschalige informatietechnologiesystemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht, maar ook ter ondersteuning van de lidstaten en de Commissie.
Voorts is het initiatief strokend en volledig in overeenstemming met de voorgestelde wijzigingen van de wetgevingsinstrumenten inzake de ontwikkeling, de oprichting, de werking en het gebruik van de grootschalige IT-systemen die thans door eu-LISA worden beheerd, alsook met de voorstellen om nieuwe systemen aan het agentschap toe te vertrouwen.
Dit voorstel moet worden gezien in samenhang met de acties genoemd in de mededeling van 6 april 2016 over „Krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid”, waarin wordt gesteld dat de EU haar IT-systemen, gegevensarchitectuur en informatie-uitwisseling op het gebied van grensbeheer, rechtshandhaving en terrorismebestrijding moet versterken en verbeteren.
1.6.Duur en financiële gevolgen
◻ Voorstel/initiatief met een beperkte geldigheidsduur
–◻
Voorstel/initiatief is van kracht vanaf [DD/MM]JJJJ tot en met [DD/MM]JJJJ
–◻
Financiële gevolgen vanaf JJJJ tot en met JJJJ
⌧
Voorstel/initiatief met een onbeperkte geldigheidsduur
–Uitvoering met een opstartperiode vanaf JJJJ tot en met JJJJ,
–gevolgd door een volledige uitvoering.
1.7.Beheersvorm(en)
◻Direct beheer door de Commissie via
–◻
uitvoerende agentschappen
◻ Gedeeld beheer met de lidstaten
⌧ Indirect beheer door begrotingsuitvoeringstaken te delegeren aan:
◻ internationale organisaties en hun agentschappen (geef aan welke);
◻ de EIB en het Europees Investeringsfonds;
⌧ de in de artikelen 208 en 209 bedoelde organen;
◻ publiekrechtelijke organen;
◻ privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, voor zover zij voldoende financiële garanties bieden;
◻ privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die voldoende financiële garanties bieden;
◻ personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.
Opmerkingen
2.BEHEERSMAATREGELEN
2.1.Regels inzake het toezicht en de verslagen
Vermeld frequentie en voorwaarden.
Er zijn al tal van mechanismen voor toezicht op en evaluatie van de werking van het agentschap voorhanden; met name het programmeringsdocument is wat dat betreft een doeltreffend instrument. Wanneer het voorstel wordt vastgesteld, moet om de vijf jaar worden geëvalueerd of het agentschap doeltreffend werkt, terwijl er op grond van de bestaande verordening om de vier jaar evaluaties moeten worden verricht.
De jaarlijkse verslagleggingsverplichtingen van het agentschap hebben betrekking op de opstelling van het geconsolideerde jaarverslag en de definitieve rekeningen.
2.2.Beheers- en controlesysteem
2.2.1.Mogelijke risico’s
Het belangrijkste risico op de korte termijn is de vraag of eu-LISA genoeg capaciteit heeft om alle nieuwe taken te vervullen waarmee het wordt belast, mede gezien de moeilijkheden die zich bij de technische ontwikkeling van de systemen zouden kunnen voordoen en die de tijdige voltooiing in gevaar zouden kunnen brengen. Dit instrument biedt eu-LISA voldoende middelen om de beoogde taken te verrichten, hoewel het ontbreken van gedegen activiteitsgestuurd beheer de taak van eu-LISA zou kunnen bemoeilijken. De Commissie heeft eu-LISA meermaals verzocht om een dergelijk toezicht snel in te voeren.
2.2.2.Controlemiddel(en)
Als agentschap van de Unie voert eu-LISA de toepasselijke methoden voor de controle van gedecentraliseerde agentschappen uit die reeds waren opgenomen in Verordening (EU) nr. 1077/2011.
Het financieel reglement van eu-LISA, dat gebaseerd is op de financiële kaderregeling voor de agentschappen, voorziet in de benoeming van een interne auditor en de vaststelling van interne auditeisen.
2.3.Maatregelen ter voorkoming van fraude en onregelmatigheden
Vermeld de bestaande en geplande preventie- en beschermingsmaatregelen.
Artikel 45 van de voorgestelde verordening heeft betrekking op fraudebestrijding. Het zorgt bepaalt dat Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 betreffende onderzoeken door OLAF van toepassing is op eu-LISA en verleent OLAF en de Rekenkamer de bevoegdheid om verdere audits en onderzoeken uit te voeren. Dit artikel is in overeenstemming met de modeltekst voor de gedecentraliseerde agentschappen.
Voorts heeft eu-LISA op 18 november 2015 een fraudebestrijdingsstrategie plus bijbehorend actieplan vastgesteld.
3.GERAAMDE FINANCIËLE GEVOLGEN VAN HET VOORSTEL/INITIATIEF
3.1.Rubriek(en) van het meerjarig financieel kader en betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven
·Bestaande begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarige financiële kader:
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Rubriek 3 - Veiligheid en burgerschap
|
GK/NGK.
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten
|
van derde landen
|
in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement.
|
|
3
|
18.0207 – Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA)
|
GK
|
JA
|
NEE
|
NEE
|
JA/NEE
|
·Te creëren nieuwe begrotingsonderdelen
In volgorde van de rubrieken van het meerjarige financiële kader en de begrotingsonderdelen.
|
Rubriek van het meerjarige financiële kader:
|
Begrotingsonderdeel
|
Soort uitgave
|
Bijdrage
|
|
|
Nummer[Rubriek………………………………………]
|
GK/NGK
|
van EVA-landen
|
van kandidaat-lidstaten
|
van derde landen
|
in de zin van artikel 21, lid 2, onder b), van het Financieel Reglement.
|
|
[…]
|
[XX.YY.YY.YY]
[…]
|
[…]
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
JA/NEE
|
3.2.Geraamde gevolgen voor de uitgaven
3.2.1.Samenvatting van de geraamde gevolgen voor de uitgaven
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Rubriek van het meerjarig financieel
kader
|
3
|
Veiligheid en burgerschap
|
|
eu-LISA
|
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
Jaar n+4 en later
|
TOTAAL
|
|
Titel 1
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Basis volgens programmeringsdocument eu-LISA 2018-2020
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
16,326
|
14,196
|
14,839
|
|
|
|
45,361
|
|
Nieuwe instrumenten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• EES
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
1,876
|
1,876
|
4,221
|
|
|
|
7,973
|
|
• ETIAS
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
1 638
|
1 813
|
2 684
|
|
|
|
6 135
|
|
• SIS II – Grenzen
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
0,210
|
0,210
|
0,210
|
|
|
|
0,630
|
|
• SIS II – Terugkeer
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
0,070
|
0,070
|
0,070
|
|
|
|
0,210
|
|
• Eurodac Plus
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
0,268
|
0,268
|
0,268
|
|
|
|
0,804
|
|
• ECRIS
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
0,263
|
0,350
|
0,350
|
|
|
|
0,963
|
|
Herziening voor extra personele middelen
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
2,902
|
3,178
|
3,454
|
|
|
|
9,534
|
|
Kosten arbeidscontractanten – inbesteding van externe diensten
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
1,520
|
1,520
|
1,520
|
|
|
|
4,560
|
|
Totaal titel 1:
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
25,073
|
23,481
|
27,616
|
|
|
|
76,170
|
|
Titel 2:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Basis
|
Vastleggingen
|
|
|
10,455
|
0,125
|
9,832
|
|
|
|
20,412
|
|
Nieuwe instrumenten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• ETIAS
|
Vastleggingen
|
|
|
1,658
|
1,395
|
1,395
|
|
|
|
4,448
|
|
Herziening voor extra begrotingsmiddelen
|
Vastleggingen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Kosten arbeidscontractanten – inbesteding van externe diensten
|
Vastleggingen
|
|
|
-1,157
|
-1,157
|
-1,157
|
|
|
|
-3,470
|
|
Totaal titel 2:
|
Vastleggingen
|
|
|
10,957
|
0,363
|
10,070
|
|
|
|
21,391
|
|
Titel 3:
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Basis
|
Vastleggingen
|
|
|
58,918
|
73,093
|
64,492
|
|
|
|
196,503
|
|
Nieuwe instrumenten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• EES
|
Vastleggingen
|
|
|
57,513
|
144,325
|
21,605
|
|
|
|
223,443
|
|
• ETIAS
|
Vastleggingen
|
|
|
23,467
|
11,023
|
55,800
|
|
|
|
90,290
|
|
• SIS II – Grenzen
|
Vastleggingen
|
|
|
12,893
|
2,051
|
1,982
|
|
|
|
16,926
|
|
• SIS II – Terugkeer
|
Vastleggingen
|
|
|
2,520
|
0,447
|
0,447
|
|
|
|
3,414
|
|
• Eurodac Plus
|
Vastleggingen
|
|
|
11,870
|
5,600
|
0
|
|
|
|
17,470
|
|
• Dublin
|
Vastleggingen
|
|
|
0,983
|
0,135
|
0,735
|
|
|
|
1,853
|
|
• ECRIS
|
Vastleggingen
|
|
|
3,766
|
3,766
|
3,766
|
|
|
|
11,298
|
|
Herziening voor extra begrotingsmiddelen
|
Vastleggingen
|
|
|
22,577
|
22,576
|
22,577
|
|
|
|
67,730
|
|
• Kosten arbeidscontractanten – inbesteding van externe diensten
|
Vastleggingen
|
|
|
-0,644
|
-0,644
|
-0,644
|
|
|
|
-1,933
|
|
• Overdracht van de communicatie-infrastructuur van DG HOME naar eu-LISA.
|
Vastleggingen
|
|
|
19,221
|
19,221
|
19,221
|
|
|
|
57,663
|
|
• Studies / Adviezen
|
Vastleggingen
|
|
|
4,000
|
4,000
|
4,000
|
|
|
|
12,000
|
|
Totaal titel 3:
|
Vastleggingen
|
|
|
194,507
|
263,017
|
171,403
|
|
|
|
628,927
|
|
Titel 1, 2, 3 – basis COM(2013) 519
|
Vastleggingen
|
|
|
85,700
|
87,414
|
89,163
|
|
|
|
262,277
|
|
|
Betalingen
|
|
|
85,700
|
87,414
|
89,163
|
|
|
|
262,277
|
|
Titel 1, 2, 3 – nieuwe instrumenten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
• EES
|
Vastleggingen
|
|
|
59,389
|
146,201
|
25,826
|
|
|
|
231,416
|
|
|
Betalingen
|
|
|
42,135
|
102,904
|
19,345
|
|
|
|
164,384
|
|
• ETIAS
|
Vastleggingen
|
|
|
26,763
|
14,231
|
59,879
|
|
|
|
100,873
|
|
|
Betalingen
|
|
|
26,763
|
14,231
|
59,879
|
|
|
|
100,873
|
|
• SIS II – Grenzen
|
Vastleggingen
|
|
|
13,103
|
2,261
|
2,192
|
|
|
|
17,556
|
|
|
Betalingen
|
|
|
2,710
|
8,103
|
4,861
|
|
|
|
15,674
|
|
• SIS II – Terugkeer
|
Vastleggingen
|
|
|
2,590
|
0,517
|
0,517
|
|
|
|
3,624
|
|
|
Betalingen
|
|
|
1,078
|
2,029
|
0,517
|
|
|
|
3,624
|
|
• Eurodac Plus
|
Vastleggingen
|
|
|
12,138
|
5,868
|
0,268
|
|
|
|
18,274
|
|
|
Betalingen
|
|
|
8,577
|
4,188
|
8,908
|
|
|
|
21,673
|
|
• Dublin
|
Vastleggingen
|
|
|
0,983
|
0,135
|
0,735
|
|
|
|
1,853
|
|
|
Betalingen
|
|
|
0,983
|
0,135
|
0,735
|
|
|
|
1,853
|
|
• ECRIS
|
Vastleggingen
|
|
|
4,029
|
4,116
|
4,116
|
|
|
|
12,261
|
|
|
Betalingen
|
|
|
2,146
|
4,116
|
4,116
|
|
|
|
10,378
|
|
Titel 1, 2, 3 – Herziening voor extra begrotingsmiddelen
|
Vastleggingen/betalingen
|
|
|
25,842
|
26,118
|
26,394
|
|
|
|
78,354
|
|
TOTAAL kredieten
voor eu-LISA
|
Vastleggingen
|
=1+1a+3a
|
|
230,537
|
286,861
|
209,090
|
|
|
|
726,488
|
|
|
Betalingen
|
=2+2a
+3b
|
|
199,380
|
274,408
|
216,812
|
|
|
|
690,600
|
Rubriek van het meerjarig financieel
kader
|
5
|
„Administratieve uitgaven”
|
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
Zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
DG: HOME
|
|
• Personele middelen
|
|
2,001
|
2,001
|
2,001
|
|
|
|
6,003
|
|
• Andere administratieve uitgaven
|
|
0,340
|
0,340
|
0,340
|
|
|
|
1,020
|
|
TOTAAL DG HOME
|
Kredieten
|
|
2,341
|
2,341
|
2,341
|
|
|
|
7,023
|
|
TOTAAL kredieten
voor RUBRIEK 5
van het meerjarig financieel kader
|
(totaal vastleggingen = totaal betalingen)
|
|
2,341
|
2,341
|
2,341
|
|
|
|
7,023
|
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
Zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
TOTAAL kredieten
onder de RUBRIEKEN 1 tot en met 5
van het meerjarig financieel kader
|
Vastleggingen
|
|
232 878
|
289 202
|
211 431
|
|
|
|
733 511
|
|
|
Betalingen
|
|
201 721
|
276 749
|
219 153
|
|
|
|
697 623
|
3.2.2.Geraamde gevolgen voor de kredieten van eu-LISA
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn geen beleidskredieten nodig
–⌧
Voor het voorstel/initiatief zijn beleidskredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
Vastleggingskredieten, in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Vermeld doelstellingen en outputs
⇩
|
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
Zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
TOTAAL
|
|
|
OUTPUTS
|
|
|
Soort
|
Gem. kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Aantal
|
Kosten
|
Totaal aantal
|
Totale kosten
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 1 Werking bestaande systemen...
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Gedeelde systeeminfrastructuur
|
|
|
|
|
|
15,767
|
|
8,851
|
|
6,666
|
|
|
|
|
|
|
|
31,284
|
|
- SIS II
|
|
|
|
|
|
15,575
|
|
19,740
|
|
12,300
|
|
|
|
|
|
|
|
47,615
|
|
- VIS/BMS
|
|
|
|
|
|
20,053
|
|
38,578
|
|
39,602
|
|
|
|
|
|
|
|
98,233
|
|
- Eurodac
|
|
|
|
|
|
2,550
|
|
2,825
|
|
2,825
|
|
|
|
|
|
|
|
8,200
|
|
- Externe steun
– Vergaderingen/missies/opleiding
|
|
|
|
|
|
5,501
|
|
3,626
|
|
3,626
|
|
|
|
|
|
|
|
12,753
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 1
|
|
|
|
59,446
|
|
73,620
|
|
65,019
|
|
|
|
|
|
|
|
198,085
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 2 – Ontwikkeling van nieuwe systemen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Inreis-uitreissysteem
|
|
|
|
|
|
57,513
|
|
144,325
|
|
21,605
|
|
|
|
|
|
|
|
223,443
|
|
- ETIAS
|
|
|
|
|
|
23,467
|
|
11,023
|
|
55,800
|
|
|
|
|
|
|
|
90,290
|
|
- ECRIS
|
|
|
|
|
|
3,766
|
|
3,766
|
|
3,766
|
|
|
|
|
|
|
|
11,298
|
|
- Dublin-toewijzingssysteem
|
|
|
|
|
|
0,983
|
|
0,135
|
|
0,735
|
|
|
|
|
|
|
|
1,853
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 2
|
|
|
|
85,729
|
|
159,249
|
|
81,906
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 3 – Beoordeling van bestaande systemen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- SIS II – Grenzen
|
|
|
|
|
|
12,893
|
|
2,051
|
|
1,982
|
|
|
|
|
|
|
|
16,926
|
|
- SIS II – Terugkeer
|
|
|
|
|
|
2,520
|
|
0,447
|
|
0,447
|
|
|
|
|
|
|
|
3,414
|
|
Eurodac
|
|
|
|
|
|
11,870
|
|
5,600
|
|
0
|
|
|
|
|
|
|
|
17,470
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 3
|
|
|
|
27,283
|
|
8,099
|
|
2,429
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
SPECIFIEKE DOELSTELLING NR. 4 – Aanvullende taken
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- Kosten arbeidscontractanten – inbesteding van externe diensten
|
|
|
|
|
|
-1,171
|
|
-1,171
|
|
-1,171
|
|
|
|
|
|
|
|
-3,515
|
|
- overdracht netwerk
|
|
|
|
|
|
19,221
|
|
19,221
|
|
19,221
|
|
|
|
|
|
|
|
57,663
|
|
- Studies / Adviezen
|
|
|
|
|
|
4,000
|
|
4,000
|
|
4,000
|
|
|
|
|
|
|
|
12,000
|
|
Subtotaal voor specifieke doelstelling nr. 4
|
|
|
|
22,049
|
|
22,049
|
|
22,049
|
|
|
|
|
|
|
|
66,148
|
|
TOTALE KOSTEN
|
|
|
|
194,507
|
|
263,017
|
|
171,403
|
|
|
|
|
|
|
|
628,927
|
3.2.3.Geraamde gevolgen voor de personele middelen van eu-LISA
3.2.3.1.Samenvatting
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn geen administratieve kredieten nodig
–⌧
Voor het voorstel/initiatief zijn administratieve kredieten nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
|
|
COM(2013) 519: basis
|
|
113
|
113
|
113
|
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen waarin al is voorzien
|
|
9
|
9
|
9
|
|
|
Arbeidscontractanten waarin al is voorzien
|
|
30
|
30
|
30
|
|
|
Tijdelijke functionarissen voor de ontwikkeling van het inreis-uitreissysteem (COM(2016) 194) – onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende rechtsinstrumenten
|
|
14
|
14
|
14
|
|
|
Tijdelijke functionarissen voor de ontwikkeling van het ETIAS (COM(2016) 731) – onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende rechtsinstrumenten
|
|
7
|
7
|
7
|
|
|
Arbeidscontractanten voor de ontwikkeling van ETIAS (COM(2016) 731) – onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende rechtsinstrumenten
|
|
10
|
12,5
|
25
|
|
|
Arbeidscontractanten voor de herschikking van SIS II Grens / Politie / Terugkeer (COM(2016) 881, 882 en 883) – onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende rechtsinstrumenten
|
|
4
|
4
|
4
|
|
|
Tijdelijke functionarissen voor de herschikking van Eurodac (COM(2016) 272) – onder voorbehoud van de vaststelling van de desbetreffende rechtsinstrumenten
|
|
2
|
2
|
2
|
|
|
Arbeidscontractanten voor de ontwikkeling van het ECRIS
|
|
5
|
5
|
5
|
|
|
Totaal tijdelijke functionarissen waarin al is voorzien, met inbegrip van de voorstellen inzake Eurodac
|
|
136
|
136
|
136
|
|
|
Totaal arbeidscontractanten waarin al is voorzien, met inbegrip van voorstellen inzake ETIAS, het herschikte SIS II en ECRIS
|
|
49
|
51,5
|
64
|
|
|
Totaal gedetacheerde nationale deskundigen waarin al is voorzien, met inbegrip van voorstellen inzake EES, ETIAS, het herschikte SIS II, Eurodac en ECRIS
|
|
9
|
9
|
9
|
|
|
TOTAAL tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen met inbegrip van voorstellen inzake EES, ETIAS, het herschikte SIS II, Eurodac en ECRIS
|
|
194
|
196,5
|
209
|
|
|
Extra arbeidscontractanten (inbesteding 25 uitzendkrachten en 2 arbeidscontractanten (ter versterking van het juridische en interne auditteam))
|
|
27
|
27
|
27
|
|
|
Extra gedetacheerde nationale deskundigen ter ondersteuning van de uitvoering van de nieuwe activiteiten waarvoor zakelijke deskundigheid vanuit de lidstaten vereist is
|
|
2
|
2
|
2
|
|
|
Extra tijdelijke functionarissen voor het bureau technische ondersteuning: 18 AD (geleidelijke toename), artikelen 9, 10, 11 en 12.
(Het bureau technische ondersteuning krijgt de volgende taken: a) technische ondersteuning verlenen bij de uitrol van de interoperabiliteitsagenda, b) lidstaten helpen de nationale infrastructuren beter af te stemmen op de EU-systemen, c) gemeenschappelijke gecentraliseerde IT-oplossingen ontwikkelen om (groepen) lidstaten te helpen bij de toepassing van gedecentraliseerde IT-systemen, en d) relevante onderzoeksactiviteiten monitoren en uitvoeren).
Vereiste beroepsprofielen:
- 2 projectbeheerders (2 AD)
- 2 algemene analisten / bedrijfsdeskundigen, verantwoordelijk voor technische effectbeoordelingen en technische evaluaties vooraf (2 AD)
- 2 systeemarchitecten, verantwoordelijk voor het ontwerpen van IT-oplossingen voor de vastgestelde uitdagingen (2 AD)
- 1 IT-deskundige, verantwoordelijk voor de kostenbeoordeling (1AD)
- data-analist, verantwoordelijk voor het analyseren en waarborgen van consistentie van gegevens tussen systemen (1 AD)
- 2 testdeskundigen, verantwoordelijk voor proefprojecten, conceptvalideringen, prototypeontwikkeling en testactiviteiten (2 AD)
- 5 specialisten op het gebied van beveiliging, biometrie en netwerken, voor het beoordelen, ontwerpen en toepassen van IT-oplossingen (5 AD)
- 3 onderzoeksmedewerkers, voor het monitoren en uitvoeren van relevante onderzoeksactiviteiten (2 AD en 1 AST)
|
|
14
|
16
|
18
|
|
|
Extra tijdelijke functionarissen voor andere activiteiten (2 AD)
- financiën en administratie: 1 arbeidscontractant/inkoper (1 AD)
- netwerk (na de overgang van contractuele verantwoordelijkheden voor de communicatie-infrastructuur – voor de informatie-uitwisseling tussen VIS en SIS) van de Commissie naar eu-LISA) (1 AD)
|
|
2
|
2
|
2
|
|
|
Extra tijdelijke functionarissen voor aanvullende bestuurlijke middelen (1 AD afdelingshoofd en 2 AD eenheidshoofden) voor toezicht op het nieuwe bureau technische ondersteuning
|
|
3
|
3
|
3
|
|
|
Totaal extra tijdelijke functionarissen
|
|
19
|
21
|
23
|
|
|
TOTAAL extra tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
48
|
50
|
52
|
|
|
TOTAAL-GENERAAL (met inbegrip van personeelsleden waarvoor het voorbehoud van vaststelling van EES, ETIAS, SIS II, het herschikte Eurodac en ECRIS geldt)
|
|
242
|
246,5
|
261
|
|
Geraamde gevolgen voor de lijst van het aantal ambten
A – Extra tijdelijke functionarissen
De volgende extra personeelsleden zijn nodig om de nieuwe taken als omschreven in de artikelen 9, 10, 11 en 12 van deze verordening te kunnen vervullen. Deze nieuwe taken kunnen niet worden verricht met de personele en financiële middelen die zijn opgenomen in de oorspronkelijke programmering voor het agentschap en de versterkingen die zijn opgenomen in het in 2016 vastgestelde financieel memorandum, die alleen het opzetten van EES, ETIAS en het herschikte Eurodac dekten.
Het agentschap zal voor het uitvoeren van zijn nieuwe taken een speciaal permanent team vormen dat bekend is met de commerciële en technische context van de relevante informatiesystemen, zowel bij eu-LISA als in de lidstaten. Dit bureau technische ondersteuning krijgt de volgende taken:
(b)de uitrol van de interoperabiliteitsagenda technisch ondersteunen
Zoals is bepaald in de artikelen 9 en 11, wordt het agentschap verantwoordelijk voor verdere maatregelen met het oog op interoperabiliteit van informatiesystemen voor grenzen en veiligheid. In dat kader houdt het zich onder meer bezig met technische studies, proefprojecten, conceptvalideringen, prototypeontwikkeling en testactiviteiten. Deze taken kunnen niet worden uitgevoerd met de huidige middelen, die zijn toegewezen voor de werking van de bestaande systemen en de ontwikkeling van nieuwe systemen, zonder de deugdelijke werking/ontwikkeling van deze systemen in gevaar te brengen.
(c)de lidstaten helpen hun nationale infrastructuur beter af te stemmen op de EU-systemen
Artikel 12 bepaalt dat eu-LISA tot taak heeft de lidstaten ad-hocsteun te bieden bij kwesties die verband houden met de aansluiting op de centrale systemen. Daarbij gaat het om noodresponsen zoals die waarin tijdens de migratiecrisis op de hotspots is voorzien, toen eu-LISA werd verzocht om technische beoordelingen te verrichten, aanbevelingen te doen voor het afstemmen van de nationale infrastructuren op de EU-systemen en mobiele oplossingen te ontwikkelen. Voorts zou eu-LISA de Commissie tevens ondersteunen bij technische kwesties in verband met bestaande of nieuwe systemen.
(d)gemeenschappelijke gecentraliseerde IT-oplossingen ontwikkelen om (groepen) lidstaten te helpen bij de toepassing van gedecentraliseerde IT-systemen
Op grond van artikel 12 kan eu-LISA gehoor geven aan verzoeken van (een groep) lidstaten in verband met de ontwikkeling, het onderhoud of het hosten van gemeenschappelijke gecentraliseerde IT-oplossingen voor het nakomen van verplichtingen die voortvloeien uit de EU-wetgeving inzake gedecentraliseerde grootschalige IT-systemen. Het optreden van eu-LISA is verplicht als zulks in een behoefte voorziet en duidelijk is vastgesteld dat EU-optreden toegevoegde waarde biedt en commerciële IT-dienstverleners daar niet voor kunnen zorgen.
In dat geval verricht eu-LISA een voorstudie om het effect van dergelijke verzoeken en met name de financiële gevolgen te beoordelen. Als er eenmaal concrete projecten zijn vastgesteld en overeengekomen met de verzoekende lidstaten (via een delegatieovereenkomst met de van de lidstaten te ontvangen bijdragen), moeten deze worden opgenomen in de gewone programmacyclus van eu-LISA. Dit vraagt eveneens om een permanent team dat bekend is met de commerciële en technische context en zowel binnen eu-LISA als in de lidstaten de voorbereidende activiteiten verricht en de ontwikkelingen begeleidt. Als deze activiteiten toenemen en er meerdere projecten tegelijk dienen te worden uitgevoerd, moeten de middelen dienovereenkomstig worden aangepast. Voorbeelden van dergelijke activiteiten zijn mogelijke ontwikkelingen van gemeenschappelijke technische platforms voor communicatie met de luchtvaartmaatschappijen in het kader van API/PNR. Er wordt uitgegaan van een geleidelijke toename, aangezien concrete projecten mettertijd zullen worden vastgesteld en uitgevoerd.
(e)relevante onderzoeksactiviteiten monitoren en uitvoeren
Artikel 10 belast eu-LISA met een aantal taken op het gebied van onderzoek. Het agentschap zal de onderzoeksontwikkelingen volgen die van belang zijn voor het operationele beheer van zijn systemen. Ook kan het bijdragen tot de uitvoering van relevante delen van het kaderprogramma voor onderzoek. Als sterk gespecialiseerd orgaan op het gebied van IT en biometrie kan eu-LISA waarde aan dit programma toevoegen. Het is bij uitstek in staat om follow-up te geven aan projecten op deze gebieden, aangezien noch de Commissie noch het Uitvoerend Agentschap onderzoek over vergelijkbare deskundigheid beschikt.
Naast de tijdelijke functionarissen voor de nieuwe taken van het bureau technische ondersteuning zijn er ook tijdelijke functionarissen nodig voor:
–financiën en administratie (versterking van de administratieve ondersteuning in verband met de verhoging van het door het agentschap beheerde budget). Volgens de externe evaluatie dient het agentschap beslist een gedegen systeem voor activiteitsgestuurd beheer op te zetten. Dit wordt des te belangrijker nu het agentschap grote budgettaire verantwoordelijkheden krijgt;
–het netwerk (de communicatie-infrastructuur voor de gegevensuitwisseling van VIS en SIS), voor zover verantwoordelijkheden overgaan van de Commissie naar eu-LISA (zie artikel 7);
–beheer van het agentschap: Naar verwachting zal het totale aantal personeelsleden van het agentschap tussen nu en 2020 verdubbelen. Hierdoor zal het agentschap zijn organisatiestructuur moeten aanpassen en nieuwe leidinggevende functies moeten creëren, met name voor het toezicht op het nieuwe bureau technische ondersteuning. Bij de externe evaluatie is duidelijk vastgesteld dat hieraan behoefte is, naast de reeds beschreven extra taken (die eveneens nopen tot versterking van de beheerscapaciteit van het agentschap).
Voor de uitvoering van voornoemde taken moet de lijst van het aantal ambten worden uitgebreid met in totaal 23 extra tijdelijke functionarissen.
|
Functiegroep
|
|
Jaar 2018
|
Jaar 2019
|
Jaar 2020
|
|
Extra AD’s
|
|
18
|
20
|
22
|
|
Extra AST’s
|
|
1
|
1
|
1
|
|
EINDTOTAAL
|
|
19
|
21
|
23
|
B – Vervanging van huidige uitzendkrachten door arbeidscontractanten
Vastgesteld is dat een aantal uitzendkrachten intern moet worden aangenomen om te voorzien in de met het huidige fragiele veiligheidsklimaat samenhangende operationele behoeften, het bij de evaluatie van het agentschap vastgestelde personeelstekort en de behoeften in verband met bedrijfscontinuïteit en wettelijke conformiteit. Het agentschap is van plan van extern personeel gebruik te blijven maken als dat een betere oplossing is, bv. wanneer het gaat om kortetermijnvervanging of specialisten voor beperkte projecten. In veel andere gevallen wordt uitbesteding echter als ineffectief en inefficiënt gezien. Externe uitzendkrachten zijn in veel opzichten niet gelijkwaardig aan het reguliere personeel van het agentschap (het verloop is zeer hoog en de motivatie gebrekkig doordat langetermijnperspectieven en doorgroeimogelijkheden ontbreken, doorgaans ontbreekt het aan topvaardigheden/deskundigheid, er is geen disciplinaire verantwoording, er gelden veiligheidsbeperkingen inzake toegang tot informatie en middelen van het agentschap (met name relevant door het mandaat en de operationele praktijk van eu-LISA) en integratie is moeilijk, gezien de beperkte toegang tot de infrastructuur van het agentschap (zoals financiële software, het documentbeheersysteem en personele middelen). Om al deze redenen is het in het gezamenlijk belang van alle betrokkenen dat eu-LISA minder afhankelijk wordt van externe dienstverleners.
De 25 vte’s waarin dient te voorzien door inbesteding van arbeidscontractanten moeten zorgen voor:
·de toenemende operationele behoeften: de externe evaluatie heeft uitgewezen dat de groei van de door eu-LISA beheerde IT-systemen, de toename ervan in omvang en capaciteit (recente upgrades van Eurodac, toepassing van AFIS in SIS, capaciteitsuitbreiding van VIS, enz.) en de grotere complexiteit van de verwerkingen nopen tot het opzetten van een zeer streng operationeel kader, met name door de toepassing van ITSM (beheer van IT-diensten). Voor de ontwikkeling en het beheer van dit systeem heeft het agentschap behoefte aan gemotiveerd veiligheidsbewust personeel in langdurig dienstverband, dat doeltreffend kan voortbouwen op ononderbroken ervaring. Voorts bevatte de evaluatie de aanbeveling om een evaluatie- en projectbeheersbureau (EPMO) op te zetten om zijn interne projectbeheersmodel verder te ontwikkelen. Het opzetten van ITSM en EMPO werd als cruciaal aangemerkt;
·veiligheid: belangrijke en gevoelige posten op gebieden als projectbeheer, planning en beveiliging moeten worden vervuld door geïntegreerd, verantwoordingsplichtig en veiligheidsbewust personeel in langdurig dienstverband. De evaluatie heeft uitgewezen dat het van kritiek belang is de competenties inzake beveiligingsbeheer te versterken en een aantal functies op beveiligingsgebied te scheiden;
·bedrijfscontinuïteit: de door eu-LISA beheerde systemen zijn van kritiek belang voor de werking van het Schengengebied en de veiligheid van Europa. Bedrijfscontinuïteit is daarvoor essentieel en wettelijk verplicht. Er mag geen afbreuk aan worden gedaan door niet-verantwoordingsplichtig, slecht gemotiveerd extern personeel dat een risico uit het oogpunt van de veiligheid vormt;
·aanbestedings-/financieringsactiviteiten: Volgens de externe evaluatie dient het agentschap beslist een gedegen systeem voor activiteitsgestuurd beheer op te zetten. Dit wordt des te belangrijker nu aan het agentschap grote budgettaire verantwoordelijkheden worden verleend voor het verrichten van bestaande en nieuwe taken en activiteiten. Eu-LISA heeft extra personeel nodig voor een deskundige, correcte en efficiënte aanpak van aanbestedingen en het financieel beheer. Ook voor deze taken, die niet door uitzendkrachten kunnen worden vervuld, is gemotiveerd, verantwoordelijk en verantwoordingsplichtig personeel nodig is, dat het agentschap en zijn behoeften kent.
Daarnaast heeft de Commissie vastgesteld dat er twee arbeidscontractanten nodig zijn voor:
–het versterken van het juridische team van eu-LISA (1 arbeidscontractant) teneinde de kwaliteit van de juridische productie te verbeteren, maar ook om eu-LISA in staat te stellen een interne juridische capaciteit op te bouwen, zodat het agentschap de juridische impact van voorgenomen maatregelen kan beoordelen;
–het versterken van het interne-auditteam om de tenuitvoerlegging van het jaarlijkse interne-auditplan te waarborgen (1 arbeidscontractant) en om een interne capaciteit op te bouwen voor het uitvoeren van alle nodige evaluaties vooraf die momenteel ontbreken.
Twee gedetacheerde nationale deskundigen zijn nodig om te voorzien in de nodige bedrijfsdeskundigheid inzake de nationale IT-omgevingen. Dit is nodig om de toepasselijke technische antwoorden te kunnen bieden bij het ontwerpen van IT-oplossingen en de huidige pool van gedetacheerde nationale deskundigen moet in het licht van de nieuwe taken worden versterkt.
In de huidige beveiligingsomgeving, waarin IT-systemen en interoperabiliteit een centrale rol spelen bij de beoogde oplossingen voor meer veiligheid op Europees niveau, levert eu-LISA een belangrijke bijdrage. De lidstaten en de Commissie hebben het agentschap nodig voor het beheren van betrouwbare IT-systemen voor grenzen en veiligheid, het verhelpen van lacunes in de infrastructuur van IT-systemen en het ontwikkelen van interoperabiliteit.
In deze context is het voor het succes van eu-LISA van groot belang dat het agentschap kan putten uit een pool van stabiele personele middelen en moet het voornemen om personeel intern aan te nemen zo spoedig mogelijk gestalte krijgen.
|
Arbeidscontractanten
|
|
Jaar 2018
|
Jaar 2019
|
Jaar 2020
|
|
Totaal
|
|
27
|
27
|
27
|
|
Gedetacheerde nationale deskundigen
|
|
Jaar 2018
|
Jaar 2019
|
Jaar 2020
|
|
Totaal
|
|
2
|
2
|
2
|
Aanwervingen vinden plaats in het eerste semester van elk begrotingsjaar
3.2.3.2.Geraamde behoefte aan personele middelen voor het verantwoordelijke DG
–◻
Voor het voorstel/initiatief zijn geen personele middelen nodig.
–⌧
Voor het voorstel/initiatief zijn personele middelen nodig, zoals hieronder nader wordt beschreven:
Raming in een geheel getal (of met hoogstens 1 decimaal)
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
Zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
|
·Posten opgenomen in de lijst van het aantal ambten (ambtenaren en tijdelijke functionarissen)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
18 01 01 01 (zetel en vertegenwoordigingen van de Commissie)
|
|
14,5
|
14,5
|
14,5
|
|
|
|
|
XX 01 01 02 (delegaties)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
XX 01 05 01 (onderzoek door derden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10 01 05 01 (eigen onderzoek)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
•Extern personeel (in voltijdsequivalenten)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
XX 01 02 01 (AC, END, INT van de „totale financiële middelen”)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
XX 01 02 02 (AC, AL, END, INT en JED in de delegaties)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
XX 01 04 yy
|
- zetel
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
- delegaties
|
|
|
|
|
|
|
|
|
XX 01 05 02 (AC, END, INT – onderzoek door derden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
10 01 05 02 (AC, END, INT – eigen onderzoek)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Ander begrotingsonderdeel (te vermelden)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL
|
|
14,5
|
14,5
|
14,5
|
|
|
|
In DG HOME zijn extra personele middelen nodig om follow-up te kunnen geven aan de nieuwe activiteiten van het agentschap. Voor de nieuwe systemen waarvoor betrokkenheid van de Commissie en voorbereidende werkzaamheden vereist zijn, zullen nieuwe adviesgroepen worden opgericht. Ook zullen alle nieuwe taken die aan het agentschap worden toevertrouwd, leiden tot de productie van technische verslagen en de organisatie van proefprojecten en conceptvalideringen die de diensten van de Commissie zullen moeten aanpassen en volgen. Het zeer beperkte technische team van DG HOME moet dan ook worden versterkt. Daarnaast worden 1,5 vte’s toegevoegd ter dekking van de betrokkenheid van DG JUST bij de ontwikkeling van ECRIS-TCN en de voorbereiding van de nodige uitvoeringshandelingen in verband met de specificaties van het systeem. Bovenop de bestaande basis van 6,5 zijn in DG HOME en DG JUST 9,5 extra posten nodig.
Beschrijving van de uit te voeren taken:
|
Ambtenaren en tijdelijk personeel
|
Coördinatie en follow-up van het agentschap door de Commissie: Naast de 5 bestaande vte’s is er behoefte aan 1 biometriedeskundige, 2 algemene IT-deskundigen, 1 veiligheidsdeskundige, 1 financieel medewerker en 3 beleidsambtenaren voor follow-up van de raad van bestuur/adviesgroep en effectbeoordelingen/evaluaties vooraf voor DG HOME en 1,5 vte’s voor DG JUST.
|
|
Extern personeel
|
|
De beschrijving van de kostenberekening per voltijdsequivalent dient in het derde onderdeel van bijlage V, deel 3, te worden opgenomen.
3.2.4.Verenigbaarheid met het huidig meerjarig financieel kader
–⌧
Het voorstel/initiatief is verenigbaar met het huidig meerjarig financieel kader.
–◻
Het voorstel/initiatief vergt herprogrammering van de betrokken rubriek van het meerjarig financieel kader.
Zet uiteen welke herprogrammering nodig is, onder vermelding van de betrokken begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.
[…]
–◻
Het voorstel/initiatief vergt toepassing van het flexibiliteitsinstrument of herziening van het meerjarig financieel kader.
Zet uiteen wat nodig is, onder vermelding van de betrokken rubrieken en begrotingsonderdelen en de desbetreffende bedragen.
[…]
3.2.5.Bijdragen van derden
–Het voorstel/initiatief voorziet niet in medefinanciering door derden
–Het voorstel/initiatief voorziet in medefinanciering, zoals hieronder wordt geraamd:
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
|
Jaar
N
|
Jaar
N+1
|
Jaar
N+2
|
Jaar
N+3
|
Zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
Totaal
|
|
Medefinancieringsbron
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
TOTAAL medegefinancierde kredieten
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3.3.Geraamde gevolgen voor de ontvangsten
–◻
Het voorstel/initiatief heeft geen financiële gevolgen voor de ontvangsten.
–⌧
Het voorstel/initiatief heeft de hieronder beschreven financiële gevolgen:
voor de eigen middelen
voor de diverse ontvangsten
in miljoen EUR (tot op drie decimalen)
|
Begrotingsonderdeel voor ontvangsten:
|
Voor het lopende begrotingsjaar beschikbare kredieten
|
Gevolgen van het voorstel/initiatief:
|
|
|
|
|
Jaar
2018
|
Jaar
2019
|
Jaar
2020
|
zoveel jaren als nodig om de duur van de gevolgen weer te geven (zie punt 1.6)
|
|
Artikel 6313
Bijdrage van de geassocieerde Schengenlanden (CH, NO, LI, IS)
|
|
|
p.m.
|
p.m.
|
p.m.
|
|
|
|
Voor de diverse ontvangsten die worden "toegewezen", vermeld het (de) betrokken begrotingsonderde(e)l(en) voor uitgaven.
Vermeld de wijze van berekening van de gevolgen voor de ontvangsten.
De begroting omvat een bijdrage van de landen die volgens de respectieve overeenkomsten betrokken zijn bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis en de Eurodac-maatregelen.