EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32010D0700

Besluit van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende het standpunt met betrekking tot de vaststelling van bepalingen voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels dat de Europese Unie zal innemen in de Associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds

PB L 306 van 23/11/2010, p. 21–21 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2010/700/oj

23.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/21


BESLUIT VAN DE RAAD

van 21 oktober 2010

betreffende het standpunt met betrekking tot de vaststelling van bepalingen voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels dat de Europese Unie zal innemen in de Associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds

(2010/700/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 79, lid 2, onder b), in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 65 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds (1) („de overeenkomst”), stelt de Associatieraad bij besluit de nodige bepalingen voor de uitvoering van de in artikel 64 van de overeenkomst vermelde doelstellingen vast.

(2)

Overeenkomstig doelstelling 2.3.3, eerste streepje, van het Actieplan EU-Israël dat de Associatieraad op 11 april 2005 heeft goedgekeurd in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid, moet de Associatieraad een besluit ter uitvoering van artikel 65 van de overeenkomst vaststellen.

(3)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken.

(4)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en onverminderd artikel 4 van dit protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt van de Europese Unie in de Associatieraad die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds, betreffende de uitvoering van artikel 64 van de overeenkomst, zal worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van de Associatieraad.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 21 oktober 2010.

Voor de Raad

De voorzitster

J. MILQUET


(1)  PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.


Top

23.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/22


Ontwerp

BESLUIT Nr. …/… VAN DE ASSOCIATIERAAD

die is opgericht bij de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds

van …

betreffende de in de Euro-mediterrane overeenkomst vervatte bepalingen voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels

DE ASSOCIATIERAAD,

Gezien de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds (1), en met name artikel 65,

Overwegende het volgende:

(1)

Artikel 64 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds („de overeenkomst”), voorziet in de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van Israël en de lidstaten en stelt de beginselen voor deze coördinatie vast.

(2)

Overeenkomstig artikel 65 van de Overeenkomst stelt de Associatieraad een besluit vast ter uitvoering van de in artikel 64 vermelde doelstellingen.

(3)

Overeenkomstig doelstelling 2.3.3, eerste streepje, van het Actieplan EU-Israël dat de Associatieraad op 11 april 2005 heeft goedgekeurd in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid, moet de Associatieraad een besluit ter uitvoering van artikel 65 van de overeenkomst vaststellen.

(4)

Wat de toepassing van het non-discriminatiebeginsel betreft, kunnen, behoudens het recht op export van bepaalde socialezekerheidsprestaties, aan dit besluit geen extra rechten worden ontleend die voortvloeien uit bepaalde feiten of gebeurtenissen die zich op het grondgebied van de andere overeenkomstsluitende partij hebben voorgedaan en die krachtens de wetgeving van de betrokken overeenkomstsluitende partij niet in aanmerking worden genomen.

(5)

Bij de toepassing van dit besluit hebben Israëlische werknemers slechts recht op gezinsuitkeringen als hun gezinsleden legaal bij die werknemers wonen in de lidstaat waar deze werken. Dit besluit houdt geen recht op gezinsuitkeringen in voor gezinsleden die in een ander land, bijvoorbeeld Israël, wonen.

(6)

De bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en van Verordening (EEG) nr. 574/72 zijn bij Verordening (EG) nr. 859/2003 (2) van de Raad reeds uitgebreid tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder die bepalingen vielen. Het in artikel 64, lid 1, eerste streepje, van de overeenkomst vervatte beginsel dat tijdvakken van verzekering die Israëlische werknemers in de verschillende lidstaten hebben vervuld, worden samengeteld met betrekking tot het recht op bepaalde prestaties, is reeds in Verordening (EG) nr. 859/2003 vervat.

(7)

Om de toepassing van de coördinatievoorschriften te vergemakkelijken, kan het nodig zijn bijzondere bepalingen vast te stellen die in overeenstemming zijn met de specifieke kenmerken van de wetgeving van Israël.

(8)

Om de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten en Israël soepel te laten functioneren, moeten er specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de samenwerking tussen de lidstaten en Israël en tussen de betrokkene en het orgaan van het bevoegde land.

(9)

Om de personen op wie dit besluit van toepassing is, te beschermen en om te voorkomen dat zij door de inwerkingtreding van dit besluit rechten verliezen, moeten overgangsbepalingen worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Definities

1.   In dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „overeenkomst”: de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de staat Israël, anderzijds;

b)   „verordening”: Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (3) die van toepassing is in de lidstaten van de Europese Unie;

c)   „uitvoeringsverordening”: Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (4);

d)   „lidstaat”: een lidstaat van de Europese Unie;

e)   „werknemer”:

i)

voor de toepassing van de wetgeving van een lidstaat: een persoon die een werkzaamheid in loondienst verricht in de zin van artikel 1, onder a), van de verordening;

ii)

voor de toepassing van de Israëlische wetgeving: een persoon die een werkzaamheid in loondienst verricht in de zin van die wetgeving;

f)   „gezinslid”:

i)

voor de toepassing van de wetgeving van een lidstaat: een gezinslid in de zin van artikel 1, onder i), van de verordening;

ii)

voor de toepassing van de Israëlische wetgeving: een gezinslid in de zin van die wetgeving;

g)   „wetgeving”:

i)

met betrekking tot de lidstaten: wetgeving in de zin van artikel 1, onder l), van de verordening, die van toepassing is op prestaties die onder dit besluit vallen;

ii)

met betrekking tot Israël: de overeenstemmende wetgeving die in Israël van toepassing is op de prestaties die onder dit besluit vallen;

h)   „prestaties”:

ouderdomspensioenen,

nabestaandenpensioenen,

prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten,

invaliditeitspensioenen;

gezinsbijslagen;

i)   „exporteerbare prestaties”:

i)

met betrekking tot de lidstaten:

ouderdomspensioenen,

nabestaandenpensioenen,

prestaties in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten,

invaliditeitspensioenen;

in de zin van de verordening, met uitzondering van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als vermeld in bijlage X bij de verordening;

ii)

met betrekking tot Israël: de overeenstemmende prestaties op grond van de Israëlische wetgeving, met uitzondering van bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende prestaties als vermeld in bijlage I bij dit besluit.

2.   De overige in dit besluit gebruikte termen worden verstaan volgens de definities:

a)

met betrekking tot de lidstaten: in de verordening en de uitvoeringsverordening;

b)

met betrekking tot Israël: in de overeenstemmende wetgeving die in Israël van toepassing is.

Artikel 2

Personele werkingssfeer

Dit besluit is van toepassing op:

a)

werknemers die Israëlisch onderdaan zijn en legaal werken of legaal hebben gewerkt op het grondgebied van een lidstaat en op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en hun nabestaanden;

b)

de gezinsleden van de onder a) bedoelde werknemers, mits deze gezinsleden legaal bij de betrokken werknemer wonen of gewoond hebben terwijl deze werknemer in een lidstaat werkt;

c)

werknemers die onderdaan van een lidstaat zijn en legaal werken of legaal hebben gewerkt op het grondgebied van Israël en op wie de Israëlische wetgeving van toepassing is of geweest is, en hun nabestaanden, en

d)

de gezinsleden van de onder c) bedoelde werknemers, mits deze gezinsleden legaal bij de betrokken werknemer in Israël wonen of gewoond hebben terwijl deze werknemer in Israël werkt.

Artikel 3

Gelijkheid van behandeling

1.   Werknemers die Israëlisch onderdaan zijn en legale arbeid verrichten in een lidstaat, en hun gezinsleden die legaal bij hen wonen, worden, wat de prestaties in de zin van artikel 1, onder h), betreft, niet op grond van hun nationaliteit gediscrimineerd ten opzichte van de onderdanen van de lidstaten waar zij werken.

2.   Werknemers die onderdaan van een lidstaat zijn en legale arbeid verrichten in Israël, en hun gezinsleden die legaal bij hen wonen, worden, wat de prestaties in de zin van artikel 1, onder h), betreft, niet op grond van hun nationaliteit gediscrimineerd ten opzichte van Israëlische onderdanen.

DEEL II

BETREKKINGEN TUSSEN DE LIDSTATEN EN ISRAËL

Artikel 4

Opheffing van woonplaatsvereisten

1.   Exporteerbare prestaties in de zin van artikel 1, lid 1, onder i), waarop de in artikel 2, onder a) en c), bedoelde personen recht hebben, kunnen niet worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende:

i)

wat een prestatie op grond van de wetgeving van een lidstaat betreft, op het grondgebied van Israël woont, of

ii)

wat een prestatie op grond van de wetgeving van Israël betreft, op het grondgebied van een lidstaat woont.

2.   Gezinsleden van een werknemer, zoals bedoeld in artikel 2, onder b), hebben recht op exporteerbare prestaties in de zin van artikel 1, lid 1, onder i), op dezelfde wijze als de gezinsleden van een werknemer die onderdaan is van de betrokken lidstaat, wanneer laatstgenoemden op het grondgebied van Israël wonen.

3.   Gezinsleden van een werknemer, zoals bedoeld in artikel 2, onder d), hebben recht op de exporteerbare prestaties in de zin van artikel 1, lid 1, onder i), op dezelfde wijze als de gezinsleden van een werknemer die onderdaan is van Israël, wanneer deze gezinsleden op het grondgebied van een lidstaat wonen.

DEEL III

DIVERSE BEPALINGEN

Artikel 5

Samenwerking

1.   De lidstaten en Israël verstrekken elkaar alle informatie over wijzigingen in hun wetgeving die van invloed kunnen zijn op de uitvoering van dit besluit.

2.   Bij de toepassing van dit besluit zijn de autoriteiten en organen van de lidstaten en Israël elkaar behulpzaam als betrof het de toepassing van hun eigen wetgeving. De administratieve bijstand van deze autoriteiten en organen is in principe kosteloos. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten en Israël kunnen evenwel overeenkomen om bepaalde kosten te vergoeden.

3.   Voor de toepassing van dit besluit kunnen de autoriteiten en de organen van de lidstaten en Israël zich rechtstreeks met elkaar en met de betrokkenen of hun gemachtigden in verbinding stellen.

4.   Met het oog op de correcte toepassing van dit besluit moeten de organen en personen die onder dit besluit vallen, elkaar wederzijds inlichtingen verstrekken en samenwerken.

5.   De betrokkenen moeten de organen van de bevoegde lidstaat of, indien Israël het bevoegde land is, van Israël en de organen van de lidstaat van verblijf of, indien Israël het land van verblijf is, van Israël, zo spoedig mogelijk in kennis stellen van veranderingen in hun persoonlijke of gezinssituatie die gevolgen hebben voor hun recht op prestaties op grond van dit besluit.

6.   Indien niet voldaan wordt aan de informatieplicht als bedoeld in lid 5, kunnen overeenkomstig het nationale recht evenredige maatregelen worden getroffen. Deze maatregelen zijn echter gelijkwaardig aan de maatregelen die in soortgelijke, onder het nationale recht vallende situaties van toepassing zijn en mogen in de praktijk de uitoefening van de bij dit besluit aan de betrokkenen verleende rechten niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

7.   De lidstaten en Israël kunnen nationale bepalingen vaststellen die voorwaarden bevatten om na te gaan of iemand voor de prestaties in aanmerking komt, teneinde in aanmerking te nemen dat de begunstigden verblijven of wonen buiten het grondgebied van de staat waar het debiteurorgaan zich bevindt. Dergelijke bepalingen zijn proportioneel, vrij van elke vorm van discriminatie op grond van nationaliteit en in overeenstemming met de beginselen van dit besluit. Dergelijke bepalingen worden meegedeeld aan de Associatieraad.

Artikel 6

Geneeskundig onderzoek en administratieve controle

1.   Dit artikel is van toepassing op de in artikel 2 bedoelde personen die exporteerbare prestaties als bedoeld in artikel 1, lid 1, onder i), ontvangen, en op de organen die belast zijn met de uitvoering van dit besluit.

2.   Indien een rechthebbende op of aanvrager van prestaties, dan wel een lid van diens gezin, op het grondgebied van een lidstaat woont of verblijft terwijl het debiteurorgaan zich in Israël bevindt, dan wel in Israël woont of verblijft terwijl het debiteurorgaan zich in een lidstaat bevindt, wordt het geneeskundig onderzoek op verzoek van laatstgenoemd orgaan verricht door het orgaan van de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende, volgens de procedures die zijn vastgelegd in de door dit orgaan toegepaste wetgeving.

Het debiteurorgaan stelt het orgaan van de woon- of verblijfplaats in kennis van eventuele speciale vereisten waaraan moet worden voldaan en van aspecten waaraan in het geneeskundig onderzoek aandacht moet worden besteed.

Het orgaan van de woon- of verblijfplaats doet aan het debiteurorgaan dat om het geneeskundig onderzoek heeft verzocht een rapport toekomen.

Het debiteurorgaan behoudt zich het recht voor de rechthebbende door een arts van zijn keuze te laten onderzoeken, hetzij op het grondgebied waar de rechthebbende op of aanvrager van prestaties verblijft of woont, hetzij in het land waar het debiteurorgaan zich bevindt. De rechthebbende kan echter alleen worden verzocht zich naar de staat van het debiteurorgaan te begeven, indien hij in staat is de reis te ondernemen zonder dat dit zijn gezondheid schaadt en mits reis- en verblijfkosten voor rekening komen van het debiteurorgaan.

3.   Indien een rechthebbende op of aanvrager van prestaties, of een lid van diens gezin, op het grondgebied van een lidstaat woont of verblijft terwijl het debiteurorgaan zich in Israël bevindt, dan wel in Israël woont of verblijft terwijl het debiteurorgaan zich in een lidstaat bevindt, wordt de administratieve controle op verzoek van dit orgaan verricht door het orgaan van de woon- of verblijfplaats van de rechthebbende.

Het orgaan van de woon- of verblijfplaats doet aan het debiteurorgaan dat om de administratieve controle heeft verzocht een rapport toekomen.

Het debiteurorgaan behoudt zich het recht voor de rechthebbende door een deskundige van zijn keuze te laten onderzoeken. De rechthebbende kan echter alleen worden verzocht zich naar de staat van het debiteurorgaan te begeven, indien hij in staat is de reis te ondernemen zonder dat dit zijn gezondheid schaadt en mits reis- en verblijfkosten voor rekening komen van het debiteurorgaan.

4.   Eén of meer lidstaten en Israël kunnen andere administratieve bepalingen overeenkomen, op voorwaarde dat zij de Associatieraad hiervan op de hoogte brengen.

5.   In afwijking van het in artikel 5, lid 2, van dit besluit neergelegde beginsel van kosteloze administratieve samenwerking, worden de daadwerkelijke uitgaven voor de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde onderzoeken en controles, door het debiteurorgaan dat om de onderzoeken en controles had verzocht, terugbetaald aan het orgaan dat werd verzocht de onderzoeken en controles uit te voeren.

Artikel 7

Toepassing van artikel 79 van de overeenkomst

Artikel 79 van de overeenkomst wordt toegepast indien een partij van oordeel is dat de andere partij de verplichtingen als neergelegd in de artikelen 5 en 6 niet heeft nageleefd.

Artikel 8

Bijzondere bepalingen betreffende de toepassing van de Israëlische wetgeving

Zo nodig kan de Associatieraad bijzondere bepalingen betreffende de toepassing van de Israëlische wetgeving opnemen in bijlage II.

Artikel 9

Administratieve procedures van bestaande bilaterale overeenkomsten

De administratieve procedures die zijn vervat in bestaande bilaterale overeenkomsten tussen een lidstaat en Israël kunnen van toepassing blijven, mits zulke procedures de bij dit besluit vastgestelde rechten en verplichtingen van de betrokkenen niet nadelig beïnvloeden.

Artikel 10

Overeenkomsten ter aanvulling van de procedures voor de toepassing van dit besluit

Een of meer lidstaten en Israël kunnen overeenkomsten sluiten ter aanvulling van de administratieve procedures voor de toepassing van dit besluit, in het bijzonder wat het voorkomen en bestrijden van fraude en gebreken betreft.

DEEL IV

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 11

Overgangsbepalingen

1.   Aan dit besluit kunnen geen rechten worden ontleend voor het tijdvak dat aan de datum van inwerkingtreding voorafgaat.

2.   Onverminderd lid 1 ontstaat krachtens dit besluit ook een recht indien dit recht betrekking heeft op een gebeurtenis die vóór de datum van inwerkingtreding heeft plaatsgevonden.

3.   Prestaties die niet zijn toegekend of zijn geschorst wegens de nationaliteit of woonplaats van de betrokkene, worden op verzoek van de betrokkene toegekend of hervat met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit, mits de vroeger toegekende rechten niet in de vorm van een afkoopsom zijn vereffend.

4.   Indien het in lid 3 bedoelde verzoek binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt ingediend, worden de aan dit besluit te ontlenen rechten met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit verkregen, zonder dat de wetgeving van een lidstaat of Israël betreffende het verval of de beperking van rechten op de betrokkenen kan worden toegepast.

5.   Indien het in lid 3 bedoelde verzoek na afloop van de termijn van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit wordt ingediend, worden de niet vervallen of niet verjaarde rechten verkregen met ingang van de datum waarop het verzoek is ingediend, tenzij gunstigere bepalingen van de wetgeving van een lidstaat of Israël van toepassing zijn.

Artikel 12

Bijlagen bij dit besluit

1.   De bijlagen bij dit besluit vormen een integrerend deel daarvan.

2.   Op verzoek van Israël kunnen deze bijlagen door een besluit van de Associatieraad worden gewijzigd.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te

Voor de Associatieraad

De voorzitter


(1)  PB L 147 van 21.6.2000, blz. 3.

(2)  PB L 124 van 20.5.2003, blz. 1.

(3)  PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.

(4)  PB L 284 van 30.10.2009, blz. 1.


BIJLAGE I

LIJST VAN DE BIJZONDERE, NIET OP PREMIE- OF BIJDRAGEBETALING BERUSTENDE PRESTATIES VAN ISRAËL


BIJLAGE II

BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE DE TOEPASSING VAN DE WETGEVING VAN ISRAËL

Top