Dit document is overgenomen van EUR-Lex
Document 52001DC0053
Communication from the Commission to the Council and European Parliament - Ten years after Rio: Preparing for the World Summit on Sustainable Development in 2002
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Tien jaar na Rio: Voorbereiding op de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in 2002
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Tien jaar na Rio: Voorbereiding op de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in 2002
/* COM/2001/0053 def. */
Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement - Tien jaar na Rio: Voorbereiding op de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in 2002 /* COM/2001/0053 def. */
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT - Tien jaar na Rio: Voorbereiding op de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in 2002 SAMENVATTING Na de Aarde-top in Rio de Janeiro in 1992 waren de verwachtingen hoog gespannen. De internationale gemeenschap besloot daar tot een ambitieuze en allesomvattende strategie om via een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling uitdagingen op het gebied van milieu en ontwikkeling aan te gaan. Hoewel er enige vooruitgang is geboekt, zijn de verwachtingen niet uitgekomen. De druk op het milieu en de natuurlijke hulpbronnen is sinds Rio groter geworden en de armoede is wereldwijd gezien blijven toenemen. Vooralsnog blijft het bij mooie woorden wanneer gesproken wordt over een omschakeling naar duurzame productie- en consumptiepatronen. Om de mondiale problemen aan te pakken, moeten zowel Noord als Zuid actie ondernemen. Dit is alleen mogelijk wanneer er veranderingen plaatsvinden die een politieke uitdaging vormen. Tien jaar na Rio biedt de Wereldtop over duurzame ontwikkeling in 2002 een gelegenheid om de geest van Rio nieuw leven in te blazen. Tevens krijgen alle landen de kans hernieuwde politieke toezeggingen te doen om duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen. Het is de taak van de EU in de voorbereidingen voor de top van 2002 en tijdens de conferentie zelf een leiderschapsrol te vervullen. Teneinde een doeltreffende EU-bijdrage aan de top van 2002 te verzekeren, beoogt deze mededeling in de EU een gecoördineerd voorbereidingsproces op gang te brengen, door: (1) een voorstel te doen inzake de strategische doelstellingen van de EU en fundamentele vraagstukken die op de top aan de orde moeten komen; (2) synergieën met aanverwante processen onder de aandacht te brengen - meer bepaald de duurzame-ontwikkelingsstrategie van de EU, het weldra vast te stellen Milieu actieprogramma, het integratieproces van Cardiff en andere daarmee verband houdende sectorale strategieën (bijv. inzake energie en transport) - als basis voor een geloofwaardige en doorslaggevende EU-bijdrage aan de top; (3) aan te geven welke voorbereidende maatregelen in de aanloop naar de top genomen moeten worden. Op grond van een evaluatie van de vorderingen sinds Rio worden in deze mededeling vier strategische doelstellingen voorgesteld waarvoor de EU zich op de top sterk dient te maken: - grotere mondiale rechtvaardigheid en een effectief partnerschap voor duurzame ontwikkeling; - betere integratie en samenhang op internationaal niveau; - vaststelling van doelen op het gebied van milieu en ontwikkeling om de politieke besluitvaardigheid nieuw leven in te blazen en aan te scherpen; en - een doeltreffendere actie op nationaal niveau en internationale monitoring terzake. De top moet een doel- en toekomstgerichte agenda hebben en er moet dan ook niet opnieuw over de uitkomsten van Agenda 21 of Rio worden onderhandeld. Vier onderling nauw verbonden vraagstukken kunnen worden genoemd: - Bescherming van de natuurlijke hulpbronnen die van belang zijn voor economische ontwikkeling: De nadruk wordt gelegd op eco-efficiëntie en de mogelijkheid om wat dit betreft een doel te stellen. Ook moet via een kwantificeerbaar doel worden vastgelegd dat de tendens tot geleidelijke uitputting van de natuurlijke rijkdommen tegen 2015 moet zijn omgebogen. Voorrang dient te worden gegeven aan kwesties die nauw met economische ontwikkeling zijn verbonden: zoet water, energie en grondgebruik. - Integratie van milieu en armoedebestrijding: De top moet zorgen voor een beter inzicht in de verbanden die er bestaan tussen armoede en de verslechtering van het milieu. Voorts moet hij een betere integratie en samenhang in de mondiale-ontwikkelingsagenda en in de armoedebestrijding van de kant van internationale financiële instellingen bevorderen door de drie pijlers van duurzame ontwikkeling beter te integreren. - Verduurzaming van mondialisering: Economische mondialisering biedt zowel mogelijkheden als uitdagingen. De groei van de internationale handel en de investeringen dient een constante positieve factor te worden in het streven naar duurzaamheid. Hiertoe moeten overigens niet zelden acties worden ondernomen die de sfeer van handel en investeringen overstijgen. Zo is het bijvoorbeeld nodig dat de slechte regionale en nationale spreiding van de voordelen van de mondialisering, inclusief de digitale scheidslijn, wordt aangepakt en dat er met bedrijfsleven en industrie partnerschappen worden opgebouwd. - Versterking van goede governance en participatie zowel op internationaal als op nationaal niveau: Internationaal gezien is de vraag of de huidige institutionele structuur in staat is te reageren op de nieuwe uitdagingen van economische mondialisering en duurzame ontwikkeling. Op het nationale vlak moet de top van 2002 het belang beklemtonen van beginselen als democratie, goede governance, toegang tot informatie en de rechtspraak, en participatie. De EU moet flexibel zijn en een evenwichtige agenda opstellen waarmee de ontwikkelingslanden akkoord gaan. Als het om hoofdzaken gaat, moet de EU zich niet in haar stellingen ingraven, maar haar standpunten geleidelijk ontwikkelen, waarbij ook rekening wordt gehouden met de doelen die intern overeengekomen moeten worden. Financiële en technische bijstand voor duurzame ontwikkeling blijft een belangrijke kwestie, aangezien de ontwikkelingslanden gedesillusioneerd zijn omdat de rijkere landen hun politieke toezeggingen niet zijn nagekomen. De EU moet trachten het debat te richten op de actie die in de toekomst nodig is om grotere vooruitgang te boeken. De top van 2002 moet de primaire rol van nationale middelen erkennen, alsmede de rol die de liberalisering van de handel en particuliere geldstromen, met name directe buitenlandse investeringen, kunnen spelen in het werven van meer fondsen voor duurzame ontwikkeling. Tegelijkertijd dient de top te erkennen dat de internationale geldstromen zó moeten worden gestuurd dat de gemaakte vorderingen niet worden tenietgedaan door negatieve gevolgen voor de ecologische rijkdommen of de rechtvaardigheid. Met het oog op de behoeften van de EU is het van wezenlijk belang te kijken naar financiële middelen ter realisering van haar beleidsvoorstellen voor 2002, inclusief steun voor technologieoverdracht en capaciteitsopbouw. Nog belangrijker is het echter te beschikken over een solide basis om binnen de EU duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen en daardoor ook bij te dragen aan duurzame ontwikkeling wereldwijd. Daarom legt de mededeling ook de nadruk op het verband met andere processen op EU-niveau - zonder vooruit te lopen op de uitkomst daarvan - en op de noodzaak om het aanvullend en wederzijds versterkend karakter daarvan te garanderen. Omdat tijdens Rio+5 alle landen hebben beloofd vóór 2002 strategieën voor duurzame ontwikkeling te implementeren, moet de EU met een doeltreffende strategie naar de top gaan. Ten slotte moet de EU haar voorbereidingsproces versnellen. Er wordt voorgesteld een stuurgroep in het leven te roepen die ervoor moet ijveren dat op Europees niveau door belanghebbenden voorbereidingen worden getroffen en dat er een belangrijk publiek evenement wordt georganiseerd betreffende de beoordeling van de uitvoering van de Rio-overeenkomsten tot dusver. De NGO's moeten meer dan voorheen worden aangemoedigd om hun rol van pleitbezorgers van duurzame ontwikkeling te vervullen. Tevens moet een hand worden uitgestoken naar de ontwikkelingslanden en moeten de participatie van de burgermaatschappij en regionale voorbereidingen op pan-Europees niveau worden ondersteund. MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT Tien jaar na Rio: Voorbereiding op de Wereldtop over Duurzame Ontwikkeling in 2002 1. de politieke uitdaging van 2002 Tijdens de Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling in 1992, de zogenaamde Aarde-top van Rio de Janeiro, besloot de internationale gemeenschap tot een ambitieuze en allesomvattende strategie om via een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling uitdagingen op het gebied van milieu en ontwikkeling aan te gaan. Na de Rio-conferentie waren de verwachtingen hoog gespannen. Sinds de conferentie zijn echter acht jaar verstreken en de fundamentele uitdagingen op het gebied van duurzame ontwikkeling gelden nog steeds. Er is nationaal en internationaal milieubeleid ontwikkeld en een reeks mondiale doelen voor de armoedebestrijding vastgesteld sinds 1992. De uitputting van de natuurlijke hulpbronnen gaat evenwel nog steeds door, de verontreiniging, met name van lucht en zeeën, neemt toe en een groeiend aantal mensen wordt arm geboren of tot armoede gedreven en leeft van minder dan een dollar per dag. De economische en sociale kloof tussen de rijkste en de armste landen wordt nog altijd groter. De tienjarenevaluatie van Rio in 2002 biedt de mogelijkheid de geest van solidariteit en politieke vastbeslotenheid die Rio kenmerkte, weer aan te wakkeren. Of de top zal slagen, hangt ditmaal af van een aantal factoren: Op de allereerste plaats moeten de ontwikkelde landen laten zien dat zij werkelijk bereid zijn hun niet-duurzame productie- en consumptiepatronen te wijzigen. Dit betekent dat de EU uitvoering moet geven aan enkele ambitieuze projecten ter ondersteuning van duurzame ontwikkeling. Hiertoe dient tijdens de komende top van Göteborg een duurzame-ontwikkelingsstrategie te worden vastgesteld die o.a. gebaseerd is op de integratiestrategieën die als vervolg op de top van Cardiff zijn voorbereid [1]. De atmosfeer en de kans van slagen in 2002 zullen worden beïnvloed door de vorderingen op het stuk van de klimaatverandering - met name wanneer de te hervatten werkzaamheden van de zesde Conferentie der Partijen met succes worden bekroond - en de wereldwijde bosproblematiek, alsook door de bekrachtiging en tenuitvoerlegging van enkele recentelijk gesloten internationale milieuverdragen. [1] Door de Raad (Vervoer, Energie, Landbouw, Ontwikkeling, Industrie, Interne Markt, Visserij, Economie/Financiën en Algemene Zaken). Ten tweede is de algehele atmosfeer ook afhankelijk van de manier waarop wordt omgegaan met de impasse die is veroorzaakt door de verwachtingen van de ontwikkelingslanden en het feit dat de OESO-landen onvoldoende financiële middelen voor ontwikkelingshulp ter beschikking stellen. De Europese Unie heeft een belangrijke bijdrage aan de top van Rio geleverd. Zij heeft hard gewerkt om Agenda 21 hoog op de lijst van politieke prioriteiten in Europa en de wereld te houden. Europa blijft de katalysator als het gaat om sociaal-economische samenwerking. De EU moet in 2002 haar leiderschapsrol blijven vervullen. Om deze uitdagingen aan te gaan, is een eensgezind, samenhangend en toekomstgericht standpunt van de EU van cruciale betekenis. Derhalve moet een voorbereidingsproces op gang worden gebracht waarbij alle EU-lidstaten, belanghebbenden en partners over de gehele wereld worden betrokken. Vroegtijdige en open voorbereidingen zijn nodig om de EU in staat te stellen een effectieve bijdrage te leveren en een leidinggevende rol te spelen. Teneinde een doeltreffende EU-bijdrage aan de top in 2002 te verzekeren, beoogt deze mededeling - op basis van een beoordeling van de vooruitgang die sinds de top van Rio is geboekt - in de EU een gecoördineerd voorbereidingsproces op gang te brengen, door: (1) een voorstel te doen voor de strategische doelstellingen van de EU en mogelijke fundamentele vraagstukken die op de top aan de orde moeten komen; (2) synergieën met gerelateerde EU-processen onder de aandacht te brengen als basis voor een geloofwaardige en doorslaggevende EU-bijdrage aan de top; (3) aan te geven welke voorbereidende maatregelen in de aanloop naar de top genomen moeten worden. In deze mededeling wordt niet getracht uiteen te zetten wat de belangrijkste EU-standpunten voor de top zouden kunnen zijn; evenmin wordt er vooruitgelopen op de uitkomst van lopende interne EU-processen op dit punt. De mededeling wijst enkele fundamentele probleemgebieden met betrekking tot duurzame ontwikkeling aan, over de oplossing waarvan de wereld in 2002 een consensus moet bereiken. Zij kijkt ook naar de verbanden tussen diverse processen in Europa en wereldwijd. Deze aanpak versterkt de noodzaak voor de EU, over een krachtige en ambitieuze Europese duurzame-ontwikkelingsstrategie te beschikken. De sectorale-integratiestrategieën die de uitvoering vormen van de door de Europese Raad van Cardiff gegeven opdracht, het komende Milieuactieplan, effectieve actieplannen in het kader van de Biodiversiteitstrategie, ook met betrekking tot ontwikkeling, een Europees programma inzake klimaat verandering en een EU-strategie inzake chemische stoffen zijn eveneens van essentieel belang. Hetzelfde geldt voor snelle vorderingen bij de uitvoering van het nieuwe ontwikkelingsbeleid en een grotere samenhang tussen milieu-, ontwikkelings-, handels-, energie-, transport-, landbouw-, visserij- en OTO-beleid. Tezamen zorgen al deze activiteiten voor een wezenlijke inbreng met het oog op het standpunt van de EU in 2002. Evenzo zullen de VN-conferentie over de minst ontwikkelde landen en de VN-financiering voor ontwikkeling alsmede de OESO-werkzaamheden inzake duurzame ontwikkeling een breder platform verschaffen waardoor de EU aan een consensus voor de top kan werken. 2. achtergrond 2.1. Het Rio-proces De Conferentie van de Verenigde Naties over Milieu en Ontwikkeling (UNCED) in Rio de Janeiro in 1992 vormde een belangrijke doorbraak in de internationale diplomatie en de ontwikkeling van het internationale recht, en de eerste van een serie VN-topconferenties in de jaren negentig. Daar herbevestigde men de betekenis van het begrip duurzame ontwikkeling dat door de commissie Brundtland was geïntroduceerd, d.w.z. het streven te voorzien in de behoeften van vandaag zonder dat toekomstige generaties belemmerd worden in hun eigen behoeften te voorzien. Sindsdien is dit begrip verder verfijnd, met name op de Sociale Top van Kopenhagen, zodat duurzame ontwikkeling nu geacht wordt drie pijlers te hebben, te weten economische ontwikkeling, sociale ontwikkeling en milieubescherming. De conferentie nam de Rio-beginselen, Agenda 21 en de beginselen inzake bossen aan. Twee belangrijke bindende overeenkomsten over klimaatverandering en biodiversiteit werden aangenomen en er begonnen onderhandelingen over een overeenkomst ter bestrijding van woestijnvorming en het Barbados-actieprogramma voor kleine eilandstaten in ontwikkeling, die beide in 1994 werden gesloten. Tijdens de top werd de VN-commissie voor duurzame ontwikkeling (CSD) ingesteld om toezicht te houden op de uitvoering van Agenda 21. Agenda 21 is een zeer compleet document bestaande uit veertig hoofdstukken, meer dan honderd programmagebieden en drieduizend aanbevelingen. Het heeft betrekking op belangrijke sectoren als landbouw, industrie en stadsbeheer, een reeks milieuprioriteiten als behoud van de biodiversiteit, bescherming van de zeeën en oceanen, klimaatverandering, gevaarlijk afval, toxische chemicaliën en water, alsmede een serie multisectorale kwesties als technologieoverdracht, armoede, bevolking en handel. Het weerspiegelt de meningen van een brede groep belanghebbenden. Als zodanig vormt het een blauwdruk op de lange termijn voor duurzame ontwikkeling in de 21ste eeuw. De CSD heeft de aanzet gegeven tot een aantal internationale processen, bijvoorbeeld de onderhandelingen die hebben geleid tot de sluiting van de VN-overeenkomst over de visbestanden (UNFSA) en het informele VN-overleg over oceanen en zeerecht (UNICPOLOS). Wat de bossen betreft, is in de plaats van het Intergouvernementele Panel (IPF) nu het Intergouvernementele Forum (IFF) gekomen, dat op zijn beurt het Bossenforum van de VN (UNFF) heeft ingesteld. Tijdens de negende speciale zitting van de Algemene Vergadering van de VN (Rio+5) in 1997 hebben de regeringen de voortgang in de uitvoering van de in Rio gedane toezeggingen geëvalueerd. Hoewel er vorderingen waren gemaakt, werd de evaluatie gekenmerkt door algemene ontevredenheid over de snelheid waarmee de uitvoering op dat moment plaatsvond. De ontwikkelingslanden waren ook teleurgesteld omdat de ontwikkelde landen zich niet hielden aan hun belofte de omvang van de officiële ontwikkelingshulp te vergroten en omdat er onvoldoende nieuwe en aanvullende middelen beschikbaar werden gesteld om de toenemende kosten in verband met de aanpak van mondiale problemen te dekken. Rio+5 in 1997 stelde evenwel twee belangrijke nieuwe doelen: grotere meetbare vooruitgang boeken en de implementatie van nationale duurzame-ontwikkelingsstrategieën vóór de volgende evaluatie, die voor 2002 werd vastgesteld. Tevens werd de aandacht verschoven naar de voornaamste economische sectoren, te weten energie, vervoer en toerisme. 2.2. Voorbereidingen - stand van zaken De Algemene Vergadering van de VN heeft op zijn 55e zitting in december 2000 een resolutie over Rio+10 aangenomen. Deze resolutie voorziet in het houden van een VN-topconferentie (de "Wereldtop over duurzame ontwikkeling") in Zuid-Afrika in 2002. De Wereldtop over duurzame ontwikkeling zal worden voorbereid door de tiende zitting van de CSD, die in april 2001 wordt geopend met een procedurele zitting en die voorts drie voorbereidende werkbijeenkomsten ("PrepCom's") in 2002 zal omvatten, waarvan de derde en laatste op ministerniveau in Indonesië wordt gehouden. Het resultaat van de onderhandelingen is in overeenstemming met het standpunt dat de EU met het oog op de achtste zitting van de CSD in april 2000 had uitgewerkt in verband met Rio+10. In de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN worden de belangrijkste thema's die aan de orde dienen te komen, echter niet nader omschreven [2]. [2] Op de achtste vergadering van de CSD had de EU de volgende thema's voorgesteld: armoede en milieu, inclusief de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling; ombuigen van de tendens tot uitputting van de natuurlijke rijkdommen door een efficiënter gebruik van hulpbronnen; milieu en veiligheid (mogelijke conflictdreiging als gevolg van milieudruk); uitvoering van duurzame-ontwikkelingsstrategieën op nationaal en lokaal niveau; versterking van het internationale en nationale institutionele kader voor duurzame ontwikkeling; vervolg en verdere evaluatie, inclusief het toekomstige werkprogramma voor de CSD. Zowel de EU-lidstaten en andere hoofdrolspelers als de milieu- en ontwikkelings-NGO's en de belangenverenigingen van het bedrijfsleven hebben de voorbereidingen van de top reeds aangevat. Op basis van de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN kan ook het VN-secretariaat nu een begin maken met de voorbereiding van de Wereldtop over duurzame ontwikkeling. 3. resultaten en uitdagingen 3.1. Ontwikkelingen sinds Rio De Rio-conferentie heeft de verwachting gewekt dat milieu- en ontwikkelingsproblemen via een wereldwijd partnerschap voor duurzame ontwikkeling zouden worden opgelost. In de jaren negentig vielen een aantal positieve tendensen waar te nemen zoals economische groei, een grotere beschikbaarheid van gezondheidsdiensten, betere communicatiemiddelen en vervoer, spectaculaire vooruitgang van de bio wetenschappen en de daarmee samenhangende technieken, sterkere participatie van de burgermaatschappij en toenemende bewustwording van milieuvraagstukken. Ook heeft de internationale gemeenschap een aantal wereldwijde milieukwesties aangepakt - sommige met succes, bijv. door de dreigingen voor stratosferisch ozon te verminderen. In het algemeen is de niet-duurzame tendensen die ten tijde van Rio gangbaar waren, echter geen halt toegeroepen. Integendeel, de druk op het milieu en op de natuurlijke hulpbronnen neemt toe, zowel in het Noorden als in het Zuiden. Vele natuurlijke hulpbronnen (als water, grond en bodem, bossen en visbestanden) worden reeds (bijna) overgeëxploiteerd. Afval en emissies vormen een serieuze bedreiging voor de gezondheid van de wereldbevolking. Op dit moment leven er 6 miljard mensen op onze aardbol en hoewel de groei afneemt, zal dit aantal in 2050 naar verwachting zijn gestegen tot ongeveer 9 miljard. Aan deze groei, die vrijwel volledig voor rekening van de ontwikkelingslanden komt, kunnen negatieve ecologische en sociale consequenties verbonden zijn. Er zijn immense inspanningen nodig om in de komende 50 jaar nog eens 3 miljard mensen extra te kunnen voeden, zelfs bij de huidige consumptieniveaus [3]. De problemen die momenteel aan de orde zijn, zullen meer acuut worden naarmate meer landen een hoger consumptieniveau bereiken en zich bezig gaan houden met economische praktijken die nopen tot een intensief gebruik van hulpbronnen. [3] GEO 2000, UNEP 1999. Uit enkele voorbeelden blijkt welke obstakels de internationale gemeenschap uit de weg moet ruimen om een meer duurzame toekomst voor de mensheid te bewerkstelligen: * Hoewel het mondiale energieverbruik aanmerkelijk is gestegen [4], hebben twee miljard mensen geen betaalbare en adequate toegang tot energiediensten. Voor een derde van de wereldbevolking blijft hout de belangrijkste energiebron. Hoewel de koppeling tussen groei van het BBP en toename van het energiegebruik in de OESO-landen is verbroken, laat het zich aanzien dat het energieverbruik de komende decennia sterk zal toenemen. De omschakeling op hernieuwbare energiebronnen verloopt ook traag. [4] Het mondiale energieverbruik bedroeg in 1990 in totaal 101,29 x 1012 kWh, in 1997 111,37 x 1012 kWh en zal in 2010 naar verwachting 146,54 x 1012 kWh belopen. De uitstoot van koolstofdioxide nam toe van 5,836 x 106 Mt in 1990 tot 6,175 x 106 Mt in 1997 (Bron: Energy Information Administration (EIA)). * Het waterverbruik stijgt ieder jaar met twee tot drie procent. Zoetwaterbronnen worden sneller verbruikt dan de natuur kan aanvullen. Ongeveer een derde van de wereldbevolking woont reeds in landen met een matige tot grote waterspanning. 20% van de wereldbevolking ontbeert toegang tot veilig drinkwater, terwijl 50% geen veilige rioolwaterzuivering kent. Daarnaast blijft in de gehele wereld de vervuiling van rivieren, meren en grondwater een belangrijke reden tot zorg [5]. [5] GEO 2000, UNEP 1999. * In 1990 hadden verkeerde landbouwpraktijken bijgedragen tot een achteruitgang van de kwaliteit van 562 miljoen hectare grond, ofwel ongeveer 38% van de ruwweg 1,5 miljard hectare akkerland wereldwijd. Sinds 1990 zijn de grondverliezen blijven toenemen, met een jaarlijkse extra afname van 5 tot 6 miljoen hectare door een ernstige verslechtering van de bodemgesteldheid [6]. In Afrika worden de productieverliezen door bodemerosie alleen al geraamd op meer dan 8%. In enkele landen in Azië en het Midden-Oosten is dit cijfer zelfs 20%. [6] GEO I, UNEP 1997. * Wat betreft de biodiversiteit loopt 25% van de zoogdiersoorten en 11% van de vogelsoorten het gevaar uit te sterven [7]. Dit is in hoofdzaak het gevolg van de vernietiging van habitats. De introductie van exoten in ecosystemen leidt ertoe dat de plaats van ecologisch gespecialiseerde soorten door sterk concurrerende "generalisten" wordt ingenomen [8]. [7] IUCN, 2000. [8] Het milieu in de Europese Unie op de drempel van een nieuwe eeuw, EMA 1999. * Mondiaal gezien ging tussen 1990 en 1995 56 miljoen hectare bos verloren: in de ontwikkelingslanden nam het aantal hectare bos in totaal met 65 miljoen af, hetgeen overeenkomt met een jaarlijks verliespercentage van 0,65% (grotendeels oerbossen met een rijke biodiversiteit), wat gedeeltelijk werd gecompenseerd door een toename van bijna 9 miljoen hectare in de ontwikkelde wereld [9]. [9] FAO. * De blootstelling aan gevaarlijke chemicaliën in het milieu, zoals pesticiden, lood en kwik maar ook nieuwe chemicaliën die op de markt komen, blijft in de gehele wereld voortduren. Van deze verontreinigende stoffen geven vooral zware metalen en persistente organische verbindingen reden tot bezorgdheid omdat zij vele jaren in het milieu blijven, wijdverspreid zijn en via de voedselketen nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid van de mens [10]. [10] GEO 2000, UNEP 1999. * Ten gevolge van een hele reeks factoren, waaronder een te grote visserijcapaciteit, is circa 44% van de belangrijkste visbestanden volledig geëxploiteerd, 16% overbevist en nog eens 6% totaal uitgeput [11]. De aanvoer van zeevis geeft een vertragende groei te zien; in sommige gevallen wordt zelfs een afname geconstateerd. De productie uit aquacultuur neemt snel toe, wat al tot bepaalde negatieve gevolgen voor de betrokken ecosystemen heeft geleid. Mariene habitats zoals koraalriffen en mangroves worden eveneens aangetast. [11] The state of world fisheries and aquaculture, FAO 1998. De wereld is er ook niet rechtvaardiger op geworden. De inkomensverschillen tussen rijk en arm, zowel binnen landen als tussen welvarende en armere landen in het algemeen blijven toenemen, hetgeen betekent dat er mondiaal gezien minder rechtvaardigheid is. Een relatief klein percentage van de wereldbevolking en landen gebruikt nog steeds het merendeel van de economische middelen en natuurlijke hulpbronnen die in de wereld aanwezig zijn. Wereldwijd heeft de bevolkingsgroei ertoe geleid dat het aantal mensen dat in absolute armoede leeft, blijft toenemen: mondiaal leeft één persoon op vijf van minder dan één dollar per dag [12]. Het aantal landen met meer dan 40% ondervoede kinderen verdubbelde bijna van zeven in 1992 tot dertien in 1998; het betreft vooral landen in Zuid-Azië. [12] A better world for all, UN-WB-IMF-OECD, 2000. De situatie van de arme landen met hoge schulden is bijzonder zorgwekkend: daar is het BNP per hoofd van de bevolking sinds 1992 gedaald, met name als gevolg van afnemende exportinkomsten, een trage groei en een toename van de bevolking. Vergeleken met andere lage-inkomenslanden hebben zij minder vooruitgang geboekt als het gaat om het terugdringen van het analfabetisme en de babysterfte en het verlagen van het vruchtbaarheidscijfer. Het schuldenverlichtingsinitiatief van de G7 heeft hoop gewekt, maar de feitelijke uitvoering van het initiatief verloopt traag. Anderzijds hebben er op het sociale vlak enkele bemoedigende ontwikkelingen plaatsgevonden. In het bijzonder geldt dat het schoolbezoek in het lager onderwijs in de meeste regio's toeneemt. De kloof tussen het aantal schoolgaande meisjes en jongens wordt ook kleiner en het aantal volwassenen dat kan lezen en schrijven, is in de jaren negentig eveneens toegenomen. De gezondheidssituatie is ook verbeterd naarmate de economie zich ontwikkelde en de gezondheidszorg toegankelijker werd. Er blijven echter substantiële regionale verschillen bestaan en sommige tendensen baren zorg: - Nog steeds sterft 20% van de kinderen in ontwikkelingslanden vóór de leeftijd van 5 jaar, tegenover minder dan 1% in de ontwikkelde landen [13]. Gaat men uit van de huidige trends, dan ligt de wereld niet op koers om de doelstelling van de OESO-commissie voor ontwikkelingshulp (DAC), namelijk de baby- en kindersterfte tegen 2015 met twee derde terugbrengen, te verwezenlijken. Dit is gedeeltelijk het gevolg van het feit dat 20% van de wereldbevolking geen toegang heeft tot veilig water en dat minstens twee keer zoveel mensen niet over behoorlijke rioolwaterzuiveringsfaciliteiten beschikken [14]. [13] A better world for all, UN-WB-IMF-OECD, 2000. [14] GEO 2000, UNEP 1999. - Aids is er de oorzaak van dat de levensverwachting in de ontwikkelingslanden in de jaren negentig niet is verbeterd. Zowel in 1993 als in 1997 bedroeg deze gemiddeld 65 jaar. Erger is dat aids sinds 1990 in 33 landen heeft gezorgd voor een lagere levensverwachting (voornamelijk in Afrika ten zuiden van de Sahara) [15]. [15] WHO, 2000. 3.2. Fundamentele problemen bij de uitvoering van de Rio-agenda De continuering van niet-duurzame consumptie- en productiepatronen Er bestaat een scherp contrast tussen het consumptieniveau van geïndustrialiseerde en ontwikkelingslanden [16]. Zo verbruikt een Noord-Amerikaan gedurende zijn hele leven tot vijftig keer zoveel hulpbronnen als de gemiddelde inwoner van de meeste ontwikkelingslanden. Voortdurende economische groei in de geïndustrialiseerde landen vormt in combinatie met de bevolkingsaanwas en het natuurlijke verlangen van ontwikkelingslanden om op het stuk van materiële welstand een inhaalbeweging tot stand te brengen, een steeds grotere belasting voor het milieu en de natuurlijke hulpbronnen. [16] Living Planet Report 2000, WWF 2000. Niet-duurzame consumptie- en productiepatronen zijn schadelijk voor het milieu en in economisch opzicht ondoeltreffend en verkwistend. Het ombuigen van de huidige trends is dan ook zowel een ecologische als een economische noodzaak. Het is voorts een noodzakelijke voorwaarde voor het ontwikkelingsproces in ontwikkelingslanden, met name als men wil kunnen garanderen dat voldoende hulpmiddelen beschikbaar zijn om in de basisbehoeften van de armen te voorzien. Dat er geen vooruitgang wordt geboekt in het doorbreken van de niet-duurzame consumptie- en productiepatronen is grotendeels te wijten aan het feit dat ecologische externaliteiten niet in economische activiteiten worden geïnternaliseerd. Voorts moet aan de consument juiste, relevante en gemakkelijk te begrijpen informatie worden verstrekt die hem in staat stelt een gemotiveerde keuze te maken voor producten en diensten die milieuvriendelijker zijn dan de alternatieven. Van even groot belang is een partnerschap met het bedrijfsleven om de milieuprestaties van de bedrijven te verbeteren. Gebrek aan financiële middelen Agenda 21 hield zich bezig met de cruciale vraag van de financiering van duurzame ontwikkeling, waarbij de blik met name werd gericht op de behoeften van de ontwikkelingslanden en overgangseconomieën. De behoefte aan nieuwe en aanvullende middelen voor de aanpak van de wereldwijde milieuproblematiek werd in 1992 volledig erkend. Dit heeft evenwel niet geleid tot meer financiële bijstand voor de ontwikkelingslanden. Integendeel, de officiële ontwikkelingshulp (OOH), inclusief schuldenverlichting, die in 1992 0,33% van het BBP van de donoren vormde, nam af tot 0,22% in 1998 [17], hoewel deze sindsdien licht is gestegen. Het streven naar een OOH van 0,7% van het BNP werd in Rio bekrachtigd, maar is bij lange na niet gehaald. [17] EU-donoren droegen gemiddeld 0,34% van hun BNP bij, niet-EU-donoren gemiddeld slechts 0,18%. OOH vormt gemiddeld slechts 1,7% van de overheidsinvesteringen in ontwikkelings landen. Het zou contraproductief werken indien men zich voor de financiering van duurzame ontwikkeling uitsluitend op de OOH zou richten. De belangrijkste bron of middelen komen bijna altijd uit het land zelf. Toch is OOH van strategisch belang voor het dekken van "eenmalige" kosten van de overgang naar duurzame ontwikkeling (capaciteitsopbouw, aanpassing van de wetgeving, enz.). Er dient meer nadruk te worden gelegd op de rol van overheidssteun, zowel van financiële als niet-financiële aard, voor het beschikbaar maken van de collectieve goederen en diensten waarin in het algemeen niet via particuliere financiering wordt voorzien. Specifieke randvoorwaarden zijn bijvoorbeeld duidelijk omschreven en afdwingbare toegangs- en exploitatierechten met betrekking tot hulpbronnen en een stabiel economisch kader. Voor de armste landen speelt OOH een veel belangrijker rol in de staatsbegroting en minder ontwikkelingshulp betekende minder middelen voor maatregelen om het milieu te beschermen. Hoewel de hoeveelheid steun achteruit is gegaan, is er kwalitatieve vooruitgang geboekt in de zin dat het milieu een integraal onderdeel begint te vormen van zowel de beleidsdialoog als de concrete programma's in het veld. Een positieve factor daarbij is het feit dat in het kader van multilaterale en bilaterale steunprogramma's nu systematischer gebruik wordt gemaakt van een milieubeoordeling. De toepassing daarvan op het niveau van plannen, programma's en beleidsvoornemens zou wel eens een van de belangrijkste bijdragen kunnen vormen tot duurzame ontwikkeling. Daarnaast heeft de toename sinds 1992 van de handelsstromen en particuliere kapitaalstromen, inclusief directe buitenlandse investeringen, naar ontwikkelings landen de vermindering van de officiële hulp overvloedig gecompenseerd en voor technologie overdracht gezorgd. Er kan meer worden gedaan om de voordelen van deze tendens te versterken. De handel kan doorslaggevend zijn voor de financiering van duurzame ontwikkeling, indien de producten duurzaam worden geproduceerd en de vervoerskosten worden geïnternaliseerd. Directe buitenlandse investeringen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan duurzame ontwikkeling, zeker indien zij kunnen steunen op een binnenlands beleid dat transparantie en stabiliteit garandeert. Dit betekent echter niet dat officiële ontwikkelingshulp overbodig is, aangezien de diverse potentieel begunstigde landen, en de diverse activiteiten binnen ieder land, niet in dezelfde mate van deze particuliere kapitaalstromen profiteren. Particuliere ondernemingen investeren niet vaak in activiteiten van openbaar belang als institutionele opbouw, onderzoek van ontwikkelings vraagstukken en milieubescherming. Ontoereikende respons van internationale instellingen De internationale respons op de hier omschreven uitdagingen is onvoldoende gebleken. De Rio-conferentie in 1992 heeft aan een aantal VN-organen taken toegewezen en geleid tot de oprichting van de Commissie voor Duurzame Ontwikkeling (CSD), die als opdracht kreeg het VN-systeem richting duurzame ontwikkeling te doen evolueren en economische, sociale en milieuaspecten in de VN-activiteiten te integreren. De CSD heeft de belangrijkste groepen op het wereldtoneel bijeengebracht en een aantal processen op gang gebracht (bijvoorbeeld met betrekking tot bossen en oceanen), maar haar besluiten lijken niet veel effect te hebben gesorteerd wat betreft de daadwerkelijke totstandbrenging van duurzame ontwikkeling. Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de relatie tussen de duurzame-ontwikkelingsagenda van het Rio-proces en andere ontwikkelings processen van de VN onduidelijk is. Een betere samenhang tussen de ontwikkelingsdoelen is nodig, zoals in de Millenniumverklaring van de Algemene Vergadering van de VN wordt betoogd. Hoewel Agenda 21 allesomvattend is, kent hij geen prioriteiten en hoewel hij een enorm aantal streefdata en -maatregelen bevat, bestaat er geen overkoepelend doel dat de deelnemers politiek gezien verenigt. Er wordt ook onvoldoende aangegeven hoe de soms zeer brede doelstellingen van Agenda 21 naar de praktijk moeten worden vertaald. Tekortkomingen op het stuk van binnenlandse governance en capaciteit Op nationaal niveau blijkt een groeiende aandacht voor duurzame-ontwikkelingsdoelen te bestaan, maar de voortgang is fragmentarisch. Verscheidene landen hebben op basis van de toezeggingen in Rio overheidsstrategieën voor duurzame ontwikkeling uitgedacht. Tot dusver wordt van 70 landen gemeld dat zij strategieën hebben geïmplementeerd [18]. Hoe doeltreffend deze werkelijk zijn, is evenwel nog steeds niet bekend. Ook zijn er in verschillende landen nationale raden voor duurzame ontwikkeling of equivalenten daarvan opgezet, waardoor belanghebbenden op nationaal niveau kunnen participeren, maar in de meeste landen heeft de burgermaatschappij nog steeds geen toegang tot informatie en kan zij evenmin aan de besluitvorming deelnemen. De versterking van institutionele capaciteit of de instelling van nieuwe beleidsmechanismen hebben niet altijd geresulteerd in een succesvolle integratie van beleidsmaatregelen. De exploitatie van de wetenschappelijke kennis en de aanpassing en acceptatie van duurzamere en schonere technologieën verlopen langzaam. [18] Raad voor de Aarde (Earth Council), 2000. 4. een leiderspositie voor de eu in de wereld Op de top zal de EU dienen aan te tonen dat zij zowel intern als in relatie tot derde landen vooruitgang heeft geboekt. Op basis van een aantal thans lopende processen moet het mogelijk zijn dit doel te bereiken. De duurzame-ontwikkelingsstrategie van de EU en de sectorale strategieën die deze ten uitvoer leggen, het komende Milieuactieprogramma en de integratiestrategieën van Cardiff zouden elkaar moeten aanvullen en wederzijds versterken. De standpunten van de EU voor de top worden beïnvloed of zelfs bepaald door deze andere beleidsdocumenten. De duurzame-ontwikkelingsstrategie bevat de respons van de EU op de Rio+5-toezeggingen aangaande nationale duurzame-ontwikkelings strategieën. De milieupijler van een en ander wordt het nieuwe, eerlang vast te stellen Milieu actieprogramma. Andere recente EU-initiatieven zijn gekoppeld aan de economische en sociale pijlers van duurzame ontwikkeling - bijv. op het terrein van de werkgelegenheid (Luxemburg), de versterking van werkgelegenheid, economische hervormingen en sociale cohesie als onderdeel van de kenniseconomie (Lissabon), of nog recenter de opstelling van een agenda inzake sociaal beleid voor de EU. Ook bepaalde beleidsontwikkelingen op het gebied van vervoer- en energiebeleid zijn van belang [19], omdat deze ontwikkelingen de economische, sociale en milieuaspecten van duurzame ontwikkeling op een geïntegreerde manier benaderen. [19] Groenboek over de continuïteit van de energievoorziening (29 november 2000), de mededeling van de Commissie inzake de olievoorziening van de Europese Unie (COM(2000)631 def.) en de aanstaande herziening van het gemeenschappelijk vervoerbeleid. Door al deze onderling gekoppelde processen elkaar wederzijds te laten ondersteunen, zou de EU op het internationale toneel veel geloofwaardiger kunnen opereren. Ook moet worden toegezien op de onderlinge samenhang en complementariteit van de strategieën van de EU-lidstaten. Tegelijkertijd zal de top helpen publieke steun binnen de EU te mobiliseren, de beleidsdiscussie over duurzame ontwikkeling een zekere mate van urgentie te geven en een effectieve stap in de richting van integratie in het EU-beleid te zetten. Niet alle vraagstukken die in een Europese strategie worden behandeld, zijn mondiaal gezien van belang en niet alle vraagstukken die tijdens de top in 2002 worden behandeld, moeten in een EU-strategie worden opgenomen. Niettemin moeten de duurzame-ontwikkelingsstrategie van Göteborg en de overige genoemde processen er ook toe bijdragen dat er een gezonde basis wordt gelegd voor de belangrijkste standpunten van de EU voor de top, bijvoorbeeld: * De EU kan een positieve bijdrage leveren als het gaat om de integratie van milieudoelstellingen in ander beleid. Lessen die tijdens het Cardiff-proces zijn geleerd, kunnen ook op internationaal niveau worden toegepast. * Wil de EU geloofwaardig zijn, dan moeten de intern overeengekomen acties en doelstellingen de basis vormen voor haar standpunten tijdens de top over zaken als een efficiënt gebruik van hulpbronnen. De internationale aspecten van het nieuwe Milieuactieprogramma, de strategie inzake klimaatverandering en de actieplannen inzake biodiversiteit moeten het uitgangspunt vormen voor de EU-doelstellingen betreffende essentiële milieukwesties. Insgelijks dienen beleidsopties en maatregelen waarover intern overeenstemming is bereikt, de basis te vormen voor het EU-standpunt op specifieke gebieden (bijvoorbeeld vervoer en energie). Van essentieel belang is dat vooruitgang wordt geboekt in een aantal internationale processen, en met name dat de hervatting van de zesde vergadering van de Conferentie der Partijen bij het Verdrag inzake klimaatverandering in mei 2001 met succes wordt bekroond. Een belangrijke bijdrage aan een geloofwaardig standpunt van de EU voor 2002 is de ratificatie en uitvoering van alle relevante internationale overeenkomsten door de EU binnen de gestelde termijnen. De ratificatie van het Protocol van Kyoto blijft misschien wel het belangrijkste wapenfeit, maar ook de ratificatie van het Verdrag van Rotterdam, het Protocol van Cartagena inzake Bioveiligheid en een toekomstig POP-verdrag zijn van grote betekenis. Eveneens relevant zijn het Verdrag van Aarhus en andere op de VN-ECE gebaseerde overeenkomsten alsook de internationale visserijverdragen. De uitbreiding van de Europese Unie kan wel eens de grootste bijdrage zijn die de EU aan wereldwijde duurzame ontwikkeling kan leveren. Door EU-beleid en -wetgeving ook in Midden- en Oost-Europa in te voeren, zullen milieubescherming, sociale ontwikkeling en economische groei namelijk met sprongen vooruitgaan. De bewustwording van de uitdagingen die dit met zich meebrengt, zal waarschijnlijk alleen maar toenemen naarmate 2002 dichterbij komt. Deze regio is ook nog eens de enige die in de jaren negentig grotere steunbedragen heeft ontvangen. In relatie tot de ontwikkelingslanden vormt de ontwikkelingssamenwerking van de EU een belangrijke uiting van het Europese engagement op het punt van wereldwijde duurzame ontwikkeling. In totaal verlenen de Europese Gemeenschap en de lidstaten ongeveer 55% van de internationale officiële ontwikkelingshulp en meer dan twee derde van de subsidiesteun. Onlangs heeft de Raad een nieuw EG-ontwikkelingsbeleid aangenomen waarin maatregelen worden geschetst om de ontwikkelings samenwerking weer op het terugdringen van de armoede te richten. De mededeling wordt aangevuld door de in het kader van Cardiff uitgewerkte milieu-integratiestrategie alsook door mededelingen over armoede, overdraagbare ziekten, vervoer, visserij, enz. 5. strategische doelstellingen van de eu voor de top Zoals hierboven was te zien, is het Rio-proces door een veelvoud van factoren zijn vitaliteit kwijtgeraakt. Het belangrijkste resultaat van de Wereldtop over duurzame ontwikkeling moet zijn een hernieuwde politieke toezegging om Rio nieuw leven in te blazen en Agenda 21 uit te voeren. Hiertoe moet de top op bepaalde strategische punten vooruitgang boeken. Dit zijn: Rechtvaardigheid en partnerschap De top moet resulteren in een hernieuwde atmosfeer van partnerschap tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Dit kan o.a. worden bereikt door de ontwikkelingslanden te verzekeren dat de zorg voor het milieu wereldwijd die de ontwikkelde landen hebben, geen voorrang heeft boven de ontwikkelingsdoelen. Leidraad voor de top moet derhalve de oorspronkelijke gedachte zijn dat bij duurzame ontwikkeling economische en sociale ontwikkeling en milieubescherming onderling afhankelijk zijn en elkaar wederzijds versterken. Voorts moet er in de voorbereidingen voor en de uitkomst van de top een duidelijk besef van rechtvaardigheid aanwezig zijn, waarbij handen en voeten wordt gegeven aan de notie gemeenschappelijke maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden, zoals deze tot uiting komt in Beginsel 7 van de Rio-beginselen inzake milieu en ontwikkeling. Intergenerationele rechtvaardigheid, d.w.z. het garanderen van een duurzame toekomst voor toekomstige generaties, maakt integrerend deel uit van het begrip "duurzame ontwikkeling" en dient eveneens een belangrijk richtsnoer te vormen. Integratie en samenhang op internationaal niveau Net als de EU werkt aan de invoering van het integratiebeginsel van het Verdrag van Amsterdam in al haar beleid, moet de top helpen de integratie van milieu-, sociale en economische doelen op internationaal niveau te bevorderen, zowel binnen als buiten het VN-systeem. Ook moet op het gebied van internationale samenwerking een grotere mate van samenhang worden bewerkstelligd tussen de activiteiten die naar aanleiding van de belangrijkste VN-topconferenties (Rio, Cairo, Beijing en Kopenhagen) werden ontwikkeld, dit in lijn met de uitvoering van de Verklaring van de VN-millenniumtop. Milieu- en ontwikkelingsdoelen Rio heeft te lijden gehad van te vage formuleringen. Om de politieke besluitvaardigheid nieuw leven in te blazen en aan te scherpen, kunnen er doelen worden vastgesteld. Sinds Rio is door donoren een reeks zogenaamde internationale-ontwikkelingsdoelen vastgesteld, die over het algemeen tijdens de belangrijkste VN-topconferenties of het vervolg daarop zijn overeengekomen. Deze zijn nu door de Millenniumtop van de VN bekrachtigd en moeten een integrerend onderdeel gaan vormen van alle VN-processen, inclusief Rio. Het enige doel dat in Rio is vastgesteld is echter dat er tegen 2002 nationale duurzame-ontwikkelingsstrategieën moeten zijn geïmplementeerd. In tegenstelling tot de overige binnen de VN overeengekomen doelen betreft het hier een procesdoel. Er kunnen andere, meer specifieke doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling worden aangenomen (zie punt 6.1). Doeltreffende actie op nationaal niveau en internationaal toezicht - nationale strategieën voor duurzame ontwikkeling De top moet de deelnemers ertoe aansporen het doel van Rio inzake duurzame-ontwikkelingsstrategieën te verwezenlijken. De werkzaamheden van de DAC van de OESO, die in samenwerking met enkele ontwikkelingslanden worden uitgevoerd, zijn gericht op beginselen en benaderingen die op de planning moeten worden toegepast om een land betere handvatten voor het bereiken van duurzame ontwikkeling te verschaffen. De top moet deze bredere maar effectievere omschrijving van het doel goedkeuren en mechanismen creëren om landen te helpen de strategieën te verwezenlijken en toezicht op de voortgang te houden. Een permanente onderlinge evaluatie door de deelnemers ter aanvulling op de jaarlijkse verslaglegging aan de CSD zou een zeer waardevolle uitkomst van de top zijn. Voorts moet de top de agenda en voorschriften vaststellen voor het vervolg en het toezicht op de uitvoering van Agenda 21, die nog steeds doorgaat, en wel via een mechanisme voor toekomstige evaluatie. Het vervolg op lokaal niveau is eveneens van belang en moet worden ondersteund in de vorm van "lokale Agenda 21"- of Habitat-processen. 6. hoofdpunten voor de agenda van de top De agenda van de top moet evenwichtig zijn en aandachtspunten van Noord en Zuid en milieu- en ontwikkelingsvraagstukken bevatten. Hij moet ook aantrekkelijk zijn voor staats- of regeringshoofden, d.w.z. een hoog politiek gehalte hebben, en baanbrekend zijn, net als in Rio. Op basis van een totaalbeoordeling van de uitvoering van Agenda 21, die begin 2002 tijdens CSD-10 moet plaatsvinden, en teneinde de hierboven beschreven strategische doelstellingen te verwezenlijken, moet de conferentie op de toekomst gericht zijn. Het zou in dit stadium voorbarig zijn een gedetailleerd standpunt uit te werken over welke hoofdpunten tijdens de top moeten worden behandeld. De agenda dient te worden gebaseerd op een consensus over de totaalbeoordeling. Voorts is het niet in het belang van de EU te vroeg haar standpunt hierover vast te leggen. Het is juist goed flexibel te blijven om een goed evenwicht tussen Noord en Zuid mogelijk te maken. Bovendien moet de hoofdmoot van het EU-standpunt over de diverse kwesties die mogelijk op de top aan de orde komen, worden ontwikkeld met inachtneming van andere processen, voornamelijk de duurzame-ontwikkelingsstrategie van Göteborg, de Cardiff-strategieën, het nieuwe Milieuactieprogramma en het beleid inzake ontwikkelingssamenwerking en de EG-strategieën voor landensteun. Nu reeds is duidelijk dat tijdens de top niet opnieuw moet worden onderhandeld over Agenda 21 of over andere aspecten van de uitkomsten van Rio. Er moeten enkele belangrijke thema's aan de orde komen waarvoor bijzonder moeilijk een oplossing kan worden gevonden, er moet naar vooruitgang worden gestreefd als het gaat om enkele zaken die in Rio niet zijn afgehandeld, zoals technologieoverdracht en capaciteitsopbouw, en er moet worden gekeken naar nieuwe tendensen sinds Rio. De overkoepelende thema's armoedebestrijding en duurzame productie en consumptie, die in 1997 werden overeengekomen, zijn nog steeds relevant. Hoewel de gerichtheid op armoede en ontwikkeling van fundamenteel belang is voor duurzame ontwikkeling, moet evenveel aandacht worden geschonken aan milieubescherming en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen. Gebeurt dat niet, dan bestaat er geen rechtvaardiging voor het Rio-proces, dat slechts een kopie zou vormen van andere ontwikkelingsprocessen van de VN. Om een evenwichtige en toekomstgerichte agenda op te stellen, moeten vier onderling nauw verbonden vraagstukken geïntegreerd worden behandeld: - Bescherming van de natuurlijke hulpbronnen die van belang zijn voor economische ontwikkeling - Integratie van milieu en armoedebestrijding - Verduurzaming van mondialisering - Versterking van goede governance en participatie 1. Bescherming van de natuurlijke hulpbronnen die van belang zijn voor economische ontwikkeling De Wereldtop over duurzame ontwikkeling moet zich concentreren op kwesties betreffende natuurlijke hulpbronnen die van bijzondere betekenis zijn voor de economische ontwikkeling. De verbanden tussen de uitputting van de natuurlijke hulpbronnen en veiligheid kunnen eveneens worden besproken. De top kan er toe bijdragen dat milieubescherming het hart van het preventieve veiligheidsbeleid gaat vormen. De top moet zich richten op kwesties die niet doeltreffend via andere intergouvernementele processen worden behandeld. Het kan van belang zijn zaken te bespreken die verband houden met natuurlijke hulpbronnen als oceanen en zeeën en bossen en met overeenkomsten op het gebied van klimaatverandering en biodiversiteit, afhankelijk van de vorderingen die vóór 2002 op deze terreinen zijn gemaakt, maar deze moeten in principe op de agenda van de top geen prioriteit krijgen. Anderzijds blijft - zoals reeds op Rio+5 in 1997 werd gesteld - het vinden van een oplossing voor de niet-duurzame productie en consumptie een overkoepelende prioriteit. De ontkoppeling van economische groei en milieudruk moet een hoofonderdeel van het debat tijdens de top worden. Vast staat dat de diverse landen een gemeenschappelijke maar toch gedifferentieerde verantwoordelijkheid dragen, zodat deze kwestie ook voor veel ontwikkelingslanden relevant is. De voornaamste boodschap is de noodzaak van een andere in plaats van een beperkte groei. Een eco-efficiëntiedoel kan een belangrijk streven voor de top zijn waarmee kan worden ingespeeld op de noodzaak om productie- en consumptiepatronen te veranderen, met name in de ontwikkelde landen. Bij een dergelijk doel kan het gaan om een streefcijfer, dan wel gewoon om een procesdoel (bijv. de ontwikkeling van beleidsmaatregelen en instrumenten om een duurzame productie en consumptie te bevorderen). De CSD heeft enkele van de belangrijkste zaken betreffende natuurlijke hulpbronnen opgespoord waarvoor mondiale samenwerking bijzonder moeilijk is gebleken. Deze kwesties zijn relevant voor de gehele wereld, hoewel zij waarschijnlijk belangrijker zijn voor de ontwikkelingslanden dan voor de geïndustrialiseerde landen, zoals in hoofdstuk 3 is uitgelegd. * Energie: De energieproblematiek betreft zowel de toegang tot energie als de milieueffecten ervan. Ze omvat aspecten als luchtverontreiniging en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De EU heeft het voortouw genomen in het nastreven van "gemeenschappelijke actiedoelen" om iedereen toegang tot veilige en duurzame energie te verschaffen, maar dient zich terzake nog van meer steun te verzekeren. Ook de kwestie van de mogelijke vaststelling van een kwantitatieve doelstelling met betrekking tot het aandeel van duurzame energiebronnen en/of de penetratie van alternatieve autobrandstoffen op de markt kunnen aan de orde worden gesteld. * Zoet water: Toegang tot veilig zoet water is een belangrijke eis voor economische ontwikkeling, die steeds sterker zal worden. Er worden verscheidene mondiale en regionale conferenties over de zoetwaterproblematiek gehouden. Deze leggen een basis, maar tijdens de top kan een actieplan worden aangenomen dat rioolwaterbeheer moet omvatten. * Grondgebruik en bodemverval: Dit vraagstuk gaat een belangrijke rol spelen en de ontwikkelingslanden, met name in Afrika, zullen er sterk op aandringen dat het aan de orde wordt gesteld. Het is een horizontale kwestie die verschillende economische sectoren, inclusief de landbouw, behelst. Er kan op mondiaal niveau worden overeengekomen de huidige tendens tot uitputting van de natuurlijke hulpbronnen tegen 2015 zowel mondiaal als nationaal daadwerkelijk om te buigen, zoals momenteel door de DAC van de OESO wordt nagestreefd. Tevens kunnen sectorale doelen (bijv. inzake bossen, water, bodem) worden afgesproken, mogelijk op basis van indicatoren. 2. Integratie van milieu en armoedebestrijding Hoewel de conferentie in 2002 geen kopie moet worden van andere lopende VN-processen (bijv. Kopenhagen, Financiering voor ontwikkeling, de Conferentie over de Minst Ontwikkelde Landen in 2001 of het vervolg op de VN-millenniumtop), dient armoedebestrijding een van de voornaamste aandachtspunten van de top te vormen. Rio heeft laten zien dat er een nauwe relatie is tussen armoede en milieuverontreiniging. Vele milieuproblemen worden veroorzaakt door een gebrek aan sociale rechtvaardigheid en economische ontwikkeling en vele milieuproblemen vormen een belemmering voor het terugdringen van de armoede en voor economische ontwikkeling. Zo worden heel vaak de armen het zwaarst door de aantasting van het milieu getroffen en zijn vooral zij de dupe wanneer er onvoldoende toegang is tot basisdiensten als schoonwatervoorziening en rioolwaterzuivering. Er zijn vele voorbeelden van win-winbenaderingen waardoor zowel de sociale situatie als de milieukwaliteit worden verbeterd. Vaak wordt daarbij de armen geleerd de natuurlijke rijkdommen waarvan zij leven, zelf te beheren. Inzicht in deze positieve verbanden tussen milieubescherming en armoedebestrijding is van cruciale betekenis. Een van de fundamentele resultaten van Rio was een consensus die inhield dat we het geloof moeten laten varen dat milieuproblemen alleen bij economische groei kunnen worden aangepakt. De top moet deze consensus nogmaals bevestigen en de positieve verbanden beklemtonen. In overeenstemming hiermee en in lijn met de Verklaring van de Millenniumtop moet de top van 2002 ons aanzetten tot een meer geïntegreerd en samenhangend vervolg op de ontwikkelingsdoelen van de VN-topconferenties in de jaren negentig. De top van 2002 moet bevorderen dat voor alle regeringen, relevante internationale organisaties en financiële instellingen het milieu een factor van belang wordt bij hun pogingen om deze doelen op terreinen als gezondheid, onderwijs en sekse te verwezenlijken. Hij moet ook de belangrijkste aandachtspunten van die andere processen doeltreffend integreren. 3. Verduurzaming van mondialisering Door de beïnvloeding van economische, sociale en milieupatronen in de gehele wereld heeft het mondialiseringsproces gevolgen voor duurzame ontwikkeling. Tijdens de top in 2002 moeten de vraagstukken die daardoor ontstaan, worden geïdentificeerd en aangepakt. De internationale handel in goederen en diensten en de internationale stromen van kapitaal, mensen en kennis maken deel uit van het mondialiseringsproces en de economische groei. Algemeen wordt aanvaard dat dit proces de economische ontwikkeling bevordert, maar de netto-effecten op duurzame ontwikkeling zullen afhangen van het antwoord op de vraag of mondialisering en economische groei resulteren in een eco-efficiënter gebruik van de hulpmiddelen dan wel in extra druk op de schaarse natuurlijke hulpbronnen. Daarom moet aandacht worden besteed aan het effect van de liberalisering van investeringen en handel op duurzaamheid [20]. [20] In verband hiermee is de Commissie de dialoog aangegaan met de burgermaatschappij, waarbij het de bedoeling is, in het kader van het handelsbeleid beter rekening te houden met het duurzaamheidsaspect. De WTO is de uitdrukking van een open en niet-discriminatoir handelssysteem, en duurzame ontwikkeling is een doelstelling die in het eerste onderdeel van de preambule van het Verdrag van Marrakesh tot oprichting van de WTO is vastgelegd. Hoewel de totstandbrenging van duurzame handel ook afhankelijk is van nationale maatregelen die buiten het toepassingsgebied van de WTO-overeenkomsten vallen, is het van essentieel belang dat een Nieuwe Ronde van multilaterale handelsbesprekingen wordt aangevat die "duurzame ontwikkeling" als centrale doelstelling heeft. Een Nieuwe Ronde zou voordelen hebben voor alle betrokken partijen, met name door het scheppen van betere kansen voor de handel en het vaststellen van betere multilaterale regels. * De handel kan en moet een doorslaggevende rol spelen in duurzame ontwikkeling door de participatie en rechtvaardige integratie van ontwikkelingslanden, inclusief de minst ontwikkelde landen, in de wereldeconomie verder te bevorderen. Hoewel het ongetwijfeld belangrijk is dat de lokale markten worden versterkt, zouden de minst ontwikkelde landen en andere landen met weinig inkomsten de kansen dienen te grijpen die het multilaterale systeem biedt, ook op de snel groeiende mondiale dienstenmarkt (bijv. in de toeristische sector). Zij dienen te kunnen profiteren van een betere toegang tot de markt en van het betere multilaterale regelgevingskader dat door de nieuwe WTO-ronde tot stand zal worden gebracht. Het initiatief om de Europese markten open te stellen voor export uit de minst ontwikkelde landen dient verder gestalte te krijgen: het is een nuttige stap om de armste landen betere mogelijkheden te verschaffen om inkomsten te verwerven. Dit voorbeeld verdient navolging van andere geïndustrialiseerde landen. Een betere toegang tot de markt alléén is echter geen panacee voor de problemen van de minst ontwikkelde landen: de noodzakelijke hervormingen in deze landen dienen gericht te zijn op capaciteitsopbouw met het oog op de uitvoering van de bestaande overeenkomsten alsmede op betere op de handel gerichte technische bijstand. Een en ander omvat geïntensiveerde en verbeterde programma's voor steun voor de aanbodzijde (bijv. op het gebied van investeringsbevordering, vaardigheidstraining, technologieoverdracht, versterking van vervoer- en exportfaciliteiten, ontwikkeling van verkoopkanalen, enz.). * Wat de relatie tussen WTO en milieubeleid betreft, gaat het in hoofdzaak om de volgende vraagstukken: (i) verduidelijking van de WTO-regels, met name in verband met etikettering, verwerkings- en productiemethoden, handels maatregelen in het kader van multilaterale milieuverdragen en voorzorgs maatregelen, en (ii) bevordering van de handel in milieuvriendelijke producten en diensten. In dit verband moeten concrete manieren worden onderzocht om de export van milieuvriendelijke producten uit ontwikkelingslanden te vergemakkelijken. Tegelijk bestaat er een groeiende behoefte aan een doortastend nationaal en internationaal beleid om bestaande en opkomende milieuproblemen het hoofd te bieden, zodat wordt gegarandeerd dat handel en milieu elkaar ten goede komen. * Wat de sociale dimensie van duurzame ontwikkeling betreft: handel kan een bijdrage leveren tot sociale ontwikkeling door een verbetering van de levens- en werkomstandigheden en door de bestrijding van sociale uitsluiting, met name in ontwikkelingslanden. De bijdrage van de WTO dient vooral te worden toegespitst op analyse en een dialoog met de IAO. Voor het bedrijfsleven is een cruciale rol weggelegd waar het erop aankomt te garanderen dat de mondialisering bijdraagt tot duurzame ontwikkeling. Sinds Rio is het steeds meer bij deze problematiek betrokken geraakt, maar nu moeten harde toezeggingen worden gedaan. Rio haalde de NGO's binnen; nu moet de top het bedrijfsleven en met name de multinationale ondernemingen ertoe brengen om bepaalde verbintenissen aan te gaan. Een nieuwe cultuur van milieuaansprakelijkheid is nodig, zoals uitgewerkt in de Verklaring van Malmö van het eerste Wereldwijde Ministeriële Milieuforum (29-31 mei 2000). Dat bij de consument interesse bestaat voor de publiekelijk aangegane verbintenissen, de geboekte vooruitgang en de aan de orde zijnde problemen kan een aanzienlijke stimulans vormen om ervoor te zorgen dat die verbintenissen ook concrete resultaten opleveren. De multilaterale "Rio+10-coalitie" van belanghebbende partijen uit het bedrijfsleven, die in juni 2000 het licht heeft gezien, kan hier zeker ook een nuttige rol spelen. De afgelopen jaren is er vooruitgang geboekt en er wordt steeds vaker een beroep gedaan op het begrip bedrijfsverantwoordelijkheid. De onlangs aangenomen OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen verschaffen een waardevol instrument om verantwoording en verantwoordelijkheid te bevorderen. Organisaties zoals de World Business Council for Sustainable Development (WBCSD) hebben eveneens op deze ontwikkelingen geanticipeerd en met name in grote internationale bedrijven een zekere vooruitgang geboekt op het stuk van efficiënter gebruik van hulpbronnen en vermindering van emissies en afvalproductie. Echter, ook al zijn deze ontwikkelingen bemoedigend, er moet nog veel werk worden verzet voordat de beste praktijk breder en systematischer door particuliere deelnemers aan het marktgebeuren wordt toegepast. De totstandkoming van een nieuwe "informatiemaatschappij" is een andere opvallende ontwikkeling die met de mondialisering verband houdt. Hierdoor ontstaan problemen die samenhangen met de "digitale scheidslijn" die niet alleen dwars doorheen landen loopt, maar ook tussen de generaties en tussen ontwikkelde en ontwikkelingslanden. Er moet onderzoek worden verricht naar de mogelijkheden van de informatiemaatschappij om met minder druk op het milieu de economische ontwikkeling te versterken, terwijl toegang en capaciteit voor de ontwikkelings landen en de armen worden gegarandeerd. De bevordering van duurzame mondialisering vereist dat een intensievere samenwerking tussen alle betrokken internationale instellingen wordt bevorderd teneinde hun individuele knowhow optimaal te benutten en synergieën tot stand te brengen. Ook moet ervoor worden gezorgd dat de internationale financiële instellingen meer aandacht krijgen voor het duurzaamheidsaspect. 4. Versterking van goede governance en participatie Een punt van toenemend belang voor de top is de mondiale governance op het gebied van duurzame ontwikkeling. De huidige institutionele situatie werd reeds lang geleden gecreëerd en zou wel eens geen antwoord kunnen hebben op de nieuwe uitdagingen van een wereld die gekenmerkt wordt door mondialisering. Daarom is het nodig te kijken wat de perspectieven zijn voor meer governance op het gebied van duurzame ontwikkeling. Daarom moet de rol van de CSD opnieuw worden bezien en moet worden onderzocht of de VN-structuren toereikend zijn voor duurzame ontwikkeling, rekening houdend met de totaliteit van de ontwikkelingsstructuren van de VN. Het gebrek aan regionale structuren in de meeste delen van de wereld vormt een ander punt dat verdient te worden onderzocht. Goede governance is een eerste voorwaarde voor duurzame ontwikkeling. Op nationaal niveau vormt het scheppen of uitbreiden van een wettelijk kader van transparante en democratische instellingen die van hun doen en laten verantwoording afleggen, een essentiële vereiste voor duurzame ontwikkeling; onder dit kader vallen ook maatregelen ter bevordering en bescherming van de mensenrechten, ter ondersteuning van een actieve en georganiseerde burgermaatschappij en ter bestrijding van corruptie. De Millenniumtop van de VN heeft goede governance op nationaal niveau bekrachtigd. Een en ander kan echter verder worden uitgewerkt, en de ondersteuning van die intentie door een mondiale top zou dan ook een goede zaak zijn. Voor de plaatselijke gemeenschappen is de belangrijkste rol weggelegd bij het ontwerpen, plannen en ten uitvoer leggen van duurzaamheids strategieën. Daartoe moet, vooral bij de plaatselijke bevolking, meer in mensen worden geïnvesteerd. De burgermaatschappij (milieu- en ontwikkelings-NGO's, bedrijfsleven en industrie, de sociale partners, enz.) is niet alleen nationaal maar ook internationaal een factor van grote betekenis geworden. Voor de sociale partners is bijvoorbeeld een belangrijke rol weggelegd, die op plaatselijk niveau moet worden geconsolideerd om cohesie en duurzame ontwikkeling te garanderen. In vele landen bestaan evenwel nog steeds beperkingen, alsmede in vele internationale instellingen en processen. De beginselen van het Verdrag van Aarhus inzake toegang tot informatie en de rechtspraak en participatie moeten wereldwijd worden nagestreefd. De ondersteuning van soortgelijke structuren als de regionale milieucentra kan worden overwogen. Ook jongeren moeten de gelegenheid krijgen meer betrokken te raken. De rol van de media wordt eveneens steeds belangrijker in een wereld die gekenmerkt wordt door mondialisering. Bewustmaking en de totstandkoming van gemeenschappelijke waarden zijn noodzakelijk om op alle niveaus duurzame ontwikkeling te bevorderen. Dit veronderstelt het bestaan van onafhankelijke en objectieve media. De top moet niet alleen zelf een mediagebeurtenis worden, maar ook een platform verschaffen voor mediaperspectieven op de langere termijn. 7. uitvoeringsmiddelen Voor de deelnemende ontwikkelingslanden blijven de primaire aandachtspunten de omvang van de officiële ontwikkelingshulp, technologieoverdracht en capaciteitsopbouw. Het Zuiden toetst de politieke toezeggingen van het Noorden nog steeds vooral aan werkelijke vooruitgang als het gaat om de beloofde steun ter hoogte van 0,7% van het BNP. Deze vooruitgang is van strategisch belang ook al zijn particuliere geldstromen economisch gezien nu belangrijker. Om de top in 2002 te laten slagen, moet er internationaal meer aan de wensen van het Zuiden worden voldaan. Er moeten doeltreffende strategieën worden gevonden om uit deze fundamentele impasse te komen. Deze moeten betrekking hebben op de omvang, kwaliteit en inhoud van de ontwikkelingshulp. Wat het eerste punt betreft zijn er positieve tekenen in de zin dat belangrijke donoren daaromtrent politieke verklaringen hebben opgesteld, maar tot dusver is slechts weinig van echte daadkracht gebleken. Daarnaast moet de EU bereid zijn specifieke voorstellen over wezenlijke zaken als energie, zoet water of bodemverval ook geldelijk te ondersteunen. Er zijn tekenen dat steeds meer erkend wordt dat de financiering van de steun een complexe aangelegenheid is. Het VN-proces inzake Financiering voor ontwikkeling kan misschien de patstelling rond deze kwestie enigszins doorbreken en een innovatief financieringsmechanisme aanreiken. In dit verband kan de derde VN-conferentie over de minst ontwikkelde landen een belangrijke rol spelen. Duurzame ontwikkeling dient in deze processen te worden betrokken. Voorts moet het Wereldmilieufonds (WMF) in april 2002 volledig zijn aangevuld, hetgeen de top zal beïnvloeden. De rol van de EU in de financiële besprekingen over het WMF en bredere ontwikkelingssteun behoeft heroverweging. Terwijl de EU wat het milieu betreft één front vormt, is zij er nog niet in geslaagd haar financiële kracht uno animo aan te wenden. De particuliere geldstromen naar de ontwikkelingslanden zijn in de jaren negentig drastisch gestegen, hoewel niet alle regio's daarvan evenveel profiteerden en de toename niet gelijkelijk over de tijd was verdeeld. De particuliere geldstromen behelzen nu vijfmaal het bedrag van de officiële steun. Dit betekent dat de ontwikkelingslanden echt belang hebben bij de totstandbrenging van een partnerschap met het wereldwijde bedrijfsleven. Ook wetenschappelijke en technologische samenwerking met de ontwikkelings landen is een cruciaal element om de doelstellingen van Rio inzake technologieoverdracht en capaciteitsopbouw te realiseren. Er bestaat behoefte aan een - in samenwerking met andere partners tot stand te brengen - objectieve en gevalideerde kennisbank. Via onderzoek op het gebied van beleid, beheer van ecosystemen en de menselijke dimensie van ontwikkeling en door gebruikmaking van specifieke technologische instrumenten kan de EU strategische allianties tot stand brengen en duurzame ontwikkeling actief bevorderen. Dat onderzoek dient probleemgestuurd, interdisciplinair en sectoroverschrijdend te zijn. Daarbij moet rekening worden gehouden met de sociaal-culturele, economische en ecologische specificiteit van de vereiste kennis en de noodzaak om te investeren in menselijk en institutioneel kapitaal in de partnerlanden. Het onderzoek dient gericht te zijn op een meer evenwichtig compromis tussen landbouwprioriteiten en het behoud van de biodiversiteit in de ecosystemen. Van essentieel belang is dat de nationale en internationale inspanningen op het gebied van landbouwonderzoek (bijvoorbeeld die van de CGIAR-centra) de nieuwe kennis en technologieën aanpassen en benutten, en zowel van deze nieuwe als van traditionele kennis en methoden gebruik maken om duurzamere producten en praktijken te ontwikkelen waardoor op de economische, sociale en milieubehoeften wordt ingespeeld. 8. de voorbereiding van de eu Om zich internationaal als leider te kunnen profileren, moet de EU zich tijdig en doelgericht voorbereiden. Zij moet de deelnemende ontwikkelingslanden hierbij zo veel mogelijk betrekken en er dient samenhang met de EU-standpunten te zijn. Derhalve moet een doeltreffend voorbereidingskader worden gecreëerd. Dit behoort de EU-instellingen, de lidstaten, de burgermaatschappij (NGO's, belangen organisaties van het bedrijfsleven, de sociale partners, enz.) en andere partners te omvatten. 8.1. Waarborgen van een efficiënte EU-coördinatie en interinstitutionele dialoog De EU zal in 2002 moeten kunnen aantonen dat zij "grotere meetbare vooruitgang" heeft geboekt, overeenkomstig het doel dat tijdens de Rio+5-evaluatie in 1997 werd vastgelegd. De regelmatige verslaglegging voor de top moet worden gebruikt als basis voor een discussie op EU-niveau (Europees Parlement en lidstaten) over de uitvoering van Agenda 21 en de Rio-overeenkomsten, inclusief de verdragen. Het streven is te helpen een grotere consensus te bereiken over de staat van uitvoering van Agenda 21. De Commissie zal voor CSD-10 een dergelijk verslag opstellen, waaraan onder meer het Europees Milieuagentschap een bijdrage zal dienen te leveren. Het verschaft een overzicht van de respons van de EU op de Rio-toezeggingen en laat daarbij o.a. zien hoe Agenda 21 en latere CSD-uitkomsten gevolgen hebben gehad voor activiteiten op het vlak van ontwikkelings- en economische samenwerking. Het werk moet tussen de EU-landen worden verdeeld zodat de EU zoveel mogelijk invloed kan uitoefenen. Dit dient te worden ondersteund door uitwisseling van informatie om te voorkomen dat dingen dubbel worden gedaan en samenhang te waarborgen. Evenzo moet de EU-coördinatie bij de Verenigde Naties (voornamelijk in New York en Nairobi) worden versterkt. Om te zorgen voor een grotere samenhang tussen de internationale ontwikkelingsprocessen, moet er worden gestreefd naar betere koppelingen met de overige VN-processen, o.a. door andere ministeries intensiever aan de voorbereidingen van de Raad voor de top te laten deelnemen. De contacten tussen de verschillende groepen binnen de Raad dienen te worden versterkt. De parlementaire samenwerking op internationaal gebied groeit en geeft een extra dimensie aan de intergouvernementele processen. Het Europees Parlement moet een actieve bijdrage aan de voorbereidingen leveren en dient in de delegatie van de Gemeenschap op de top vertegenwoordigd te zijn. Het Comité van de Regio's en het Economisch en Sociaal Comité moeten er ook bij worden betrokken. 8.2. Bevordering van de dialoog met de burgermaatschappij Een van de belangrijkste resultaten van Rio was de grotere en meer gestructureerde participatie van de burgermaatschappij. De burgermaatschappij, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen zijn reeds begonnen met voorbereidingen die in het governmentproces zouden moeten worden geïntegreerd, en zij dienen met betrekking tot de resultaten van de top hun verantwoordelijkheid op te nemen. Vertegenwoordigers van dergelijke groepen moeten als adviseurs deel uitmaken van EU-delegaties voor de top. Er wordt een EU-stuurgroep ingesteld die ervoor moet ijveren dat NGO's en andere maatschappelijke organisaties actief bij de voorbereidingen op regionaal niveau worden betrokken en daaraan een bijdrage kunnen leveren. De Commissie draagt zorg voor een hoge mate van transparantie in de voorbereidingen voor de top, o.a. via haar Europa-website en een interactieve dialoog met de burgermaatschappij. De participatie van de burgermaatschappij binnen de lidstaten moet eveneens worden gewaarborgd, en dit proces dient de hele scala van belanghebbenden bij en deelnemers aan het duurzame-ontwikkelingsgebeuren te omvatten. De nationale raden voor duurzame ontwikkeling en de equivalenten daarvan hebben op Europees en mondiaal niveau een eerste bespreking gevoerd over de voorbereidingen op de tienjarenevaluatie van Rio, maar zij zouden nauwer bij de voorbereidingen voor de top kunnen worden betrokken. Eind 2001 zou een belangrijk evenement voor de burgermaatschappij kunnen worden georganiseerd, mogelijk in samenwerking met het Europees Parlement en de lidstaten. Het moet een bijdrage leveren aan de bovengenoemde beoordeling van de uitvoering van Agenda 21 door de EU en er dient te worden gesproken over haar platform voor de top. 8.3. Versterking van de dialoog met de partners De Unie kan niet geïsoleerd werken en moet alle beschikbare mechanismen en processen aanwenden om een wereldwijde betrokkenheid bij de top te verzekeren. Ten eerste moet de EU een dialoog met de kandidaatlanden aangaan over de voorbereidingen voor de top; onder meer de informele ministeriële bijeenkomsten bieden hiertoe een mogelijkheid. Ten tweede moet de EU zorgen voor een pan-Europese voorbereiding voor de top via de VN-ECE. Er kan een beroep worden gedaan op de regionale milieucentra om de participatie van de burgermaatschappij in Midden- en Oost-Europese landen te ondersteunen. Door het Barcelona-proces en de Euro-mediterrane dialoog nieuw leven in te blazen, ontstaat er een mogelijkheid om onze zuiderburen bij de zaak te betrekken en optimaal gebruik te maken van de Commissie voor duurzame ontwikkeling van het Middellandse-Zeegebied. Insgelijks biedt Baltic 21 een goed platform voor samenwerking in het Oostzeegebied. Het project voor duurzame ontwikkeling en de milieuperspectieven en -strategie van de OESO, die in mei 2001 op ministerieel niveau door de OESO-Raad zullen worden aangenomen, kunnen ook een rol spelen in het bereiken van een consensus tussen de ontwikkelde landen. Tevens moeten vroegtijdig koppelingen tot stand worden gebracht tussen regionale processen onderling (bijvoorbeeld de regionale commissies van de VN) en tussen die processen enerzijds en het mondiale voorbereidingsproces en de voorbereidende activiteiten van de burgermaatschappij anderzijds. Voorts is een dialoog met de ontwikkelingslanden nodig om een positieve uitkomst in 2002 te garanderen. Men moet werkelijk beseffen dat het proces en de voorbereidingen op de essentiële vraagstukken een zaak zijn van de wereldgemeenschap. Het is van belang de voorbereidingen van de ontwikkelingslanden te ondersteunen, inclusief de burgermaatschappij. Er moet eveneens steun worden gegeven aan de regionale processen in ontwikkelingslanden. Samenwerkingsverbanden tussen regeringen of regio's kunnen bruikbare hulpmiddelen vormen om een sterkere participatie van de ontwikkelingslanden te bewerkstelligen. Eén insteek voor de dialoog wordt gevormd door de reguliere activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking die mogelijkheden bieden om de Rio-agenda sneller te kunnen verwezenlijken. De EU, bijvoorbeeld, heeft volop de gelegenheid dit te doen in de zes concentratiegebieden van haar ontwikkelingssamenwerking (d.w.z. handel en ontwikkeling; integratie en samenwerking; steun voor macro-economisch beleid en sociale sectoren; vervoer, voedselzekerheid en duurzame plattelandsontwikkeling; en institutionele capaciteitsopbouw en goede governance). 9. conclusies De Aarde-top in Rio in 1992 vormde een mijlpaal in mondiaal partnerschap en wekte hoge verwachtingen ten aanzien van duurzame ontwikkeling. De in Rio aangegane fundamentele uitdagingen zijn in het algemeen echter nog steeds van kracht. De top in 2002 biedt de gelegenheid om de tien jaar eerder gedane toezeggingen te vernieuwen. Daarnaast kan, wat nog belangrijker is, de aandacht van het publiek worden getrokken en doelgericht gewerkt worden aan de politieke bereidheid om grotere toezeggingen te doen, zodat een stap voorwaarts wordt gezet in de uitvoering van de duurzame-ontwikkelingsagenda. De Europese Unie heeft een aanzienlijke bijdrage aan de top van Rio geleverd. Zij heeft hard gewerkt om Agenda 21 hoog op de lijst van politieke prioriteiten in Europa en de wereld te houden. De EU moet in 2002 een leiderschapsrol blijven vervullen. Hiertoe dient het volgende te gebeuren: * De voorbereidingen voor de top in 2002 en de Europese duurzame-ontwikkelingsstrategie, het nieuwe Milieuactieprogramma, het Europese werkgelegenheidsbeleid, het nieuwe ontwikkelingsbeleid en de EG-landenstrategieën moeten goed op elkaar worden afgestemd en moeten elkaar in belangrijke mate aanvullen. * De EU moet een doelgerichte agenda ondersteunen die zich concentreert op wezenlijke duurzame-ontwikkelingsvraagstukken, waarbij vooruitgang meetbaar is en realistische toezeggingen worden gedaan, en een evenwichtige agenda waarin aandachtspunten van Noord en Zuid en milieu- en ontwikkelingskwesties zijn opgenomen. * De EU moet geloofwaardig zijn, d.w.z. een solide basis hebben om binnen de EU duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen en een positieve bijdrage te leveren aan duurzame ontwikkeling wereldwijd. * Het is van belang ervoor te zorgen dat de middelen voor de uitvoering toereikend zijn. Beleidsinitiatieven moeten financieel worden ondersteund, inclusief steun voor technologieoverdracht en capaciteits- en institutionele opbouw. * Het is belangrijk dat vóór 2002 wat betreft bepaalde internationale kwesties vooruitgang wordt geboekt om een politiek klimaat te scheppen dat bevorderlijk is voor een effectieve uitkomst. Dit omvat processen als de belangrijkste milieuverdragen, inclusief klimaatveranderingen, ontwikkelingsprocessen als Financiering voor ontwikkeling, schuldenverlichting en ontwikkelingen op het gebied van handel en investeringen. * Er dient zo snel mogelijk met de voorbereidingen te worden begonnen, waarbij de burgermaatschappij wordt betrokken en een hand wordt uitgestoken naar partners in de rest van de wereld. Er moet ook steun worden verleend aan voorbereidingsprocessen in Oost-Europa en de ontwikkelingslanden.