Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020CJ0338

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 6 oktober 2021.
D.P.
Verzoek van de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Wederzijdse erkenning – Geldelijke sancties – Kaderbesluit 2005/214/JBZ – Gronden tot weigering van erkenning of tenuitvoerlegging – Artikel 20, lid 3 – Besluit waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd – Eerbiediging van de rechten van de verdediging – Kennisgeving van stukken in een taal die de veroordeelde niet begrijpt – Vertaling van de essentiële elementen van het besluit.
Zaak C-338/20.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2021:805

 ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

6 oktober 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Justitiële samenwerking in strafzaken – Wederzijdse erkenning – Geldelijke sancties – Kaderbesluit 2005/214/JBZ – Gronden tot weigering van erkenning of tenuitvoerlegging – Artikel 20, lid 3 – Besluit waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd – Eerbiediging van de rechten van de verdediging – Kennisgeving van stukken in een taal die de veroordeelde niet begrijpt – Vertaling van de essentiële elementen van het besluit”

In zaak C‑338/20,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź, Polen) bij beslissing van 7 juli 2020, ingekomen bij het Hof op 22 juli 2020, in de procedure betreffende de erkenning en tenuitvoerlegging van een geldelijke sanctie die is opgelegd aan

D.P.,

in tegenwoordigheid van:

Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta (rapporteur), vicepresident van het Hof, L. Bay Larsen, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: M. Bobek,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

de Prokuratura Rejonowa Łódź-Bałuty, vertegenwoordigd door J. Szubert, Prokurator Regionalny,

de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,

de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman, P. Huurnink en J. Langer als gemachtigden,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Rynkowski en M. Wasmeier als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 september 2021,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties (PB 2005, L 76, blz. 16), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2005/214”).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een procedure ingeleid door het Centraal Justitieel Incassobureau, Ministerie van Veiligheid en Justitie (CJIB) (Nederland), ter verkrijging van de erkenning en de tenuitvoerlegging in Polen van een geldelijke sanctie die in Nederland aan D.P. is opgelegd wegens een inbreuk op de verkeersregels.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

De overwegingen 1 en 2 van kaderbesluit 2005/214 luiden:

„(1)

De Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 heeft het beginsel van wederzijdse erkenning onderschreven, dat de hoeksteen van de justitiële samenwerking binnen de [Europese] Unie moet worden in zowel burgerlijke als strafzaken.

(2)

Het beginsel van wederzijdse erkenning moet worden toegepast op geldelijke sancties die door rechterlijke of bestuurlijke autoriteiten zijn opgelegd, zodat dergelijke sancties in een andere lidstaat dan die waar zij worden opgelegd, gemakkelijker ten uitvoer kunnen worden gelegd.”

4

Artikel 1 van dit kaderbesluit, met als opschrift „Definities”, bepaalt het volgende:

„In dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a)

beslissing: een onherroepelijke beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, indien de beslissing is gegeven door:

[...]

ii)

een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter, ten aanzien van een naar het recht van de beslissingsstaat strafbaar feit, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter;

iii)

een andere autoriteit van de beslissingsstaat dan een rechter ten aanzien van een feit dat naar het nationale recht van de beslissingsstaat wordt bestraft als inbreuk op de rechtsvoorschriften, mits de betrokkene de gelegenheid heeft gehad de zaak te doen behandelen door een met name in strafzaken bevoegde rechter;

[...]

b)

geldelijke sanctie: de verplichting tot betaling van

i)

een geldsom die in geval van veroordeling wegens een strafbaar feit bij beslissing is opgelegd;

[...]”

5

Artikel 3 van dat kaderbesluit, „Grondrechten”, is als volgt verwoord:

„Dit kaderbesluit heeft niet tot gevolg dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.”

6

Artikel 4 van het kaderbesluit, „Toezending van beslissingen en inschakeling van de centrale autoriteit”, bepaalt in lid 1:

„Een beslissing, vergezeld van het in dit artikel bedoelde certificaat, kan worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar de natuurlijke persoon of rechtspersoon tegen wie de beslissing is gegeven, eigendom heeft of inkomsten geniet, gewoonlijk verblijf houdt of, in geval van een rechtspersoon, zijn statutaire zetel heeft.”

7

Artikel 5 van kaderbesluit 2005/214, „Toepassingsgebied”, luidt in lid 1:

„Tot erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen kunnen leiden, overeenkomstig dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid, de navolgende in de beslissingsstaat strafbare feiten, zoals omschreven in het recht van die staat:

[...]

gedragingen in strijd met de verkeersregels, met inbegrip van overtredingen van de rij‑ en rusttijdenwetgeving en van de wetgeving inzake gevaarlijke goederen,

[...]”

8

Artikel 6 van dit kaderbesluit is als volgt verwoord:

„De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat erkent de overeenkomstig artikel 4 toegezonden beslissing zonder verdere formaliteiten en neemt onverwijld alle nodige maatregelen tot tenuitvoerlegging ervan, tenzij zij beslist zich te beroepen op een van de in artikel 7 genoemde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging.”

9

Artikel 7 van dat kaderbesluit, „Gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging”, bepaalt:

„[...]

2.   De bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat kan tevens weigeren de beslissing te erkennen of ten uitvoer te leggen, indien vaststaat dat:

[...]

g)

volgens het in artikel 4 bedoelde certificaat de betrokkene, in het geval van een schriftelijke procedure, niet in overeenstemming met het recht van de beslissingsstaat persoonlijk of via een naar het nationale recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, alsmede van de termijnen waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden aangewend;

[...]

3.   In de gevallen bedoeld in lid 1 en in lid 2, onder c), g), i) en j), raadpleegt de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, voordat zij besluit een beslissing geheel of gedeeltelijk niet te erkennen of niet ten uitvoer te leggen, de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, in voorkomend geval met het verzoek onverwijld alle noodzakelijke gegevens te verstrekken.”

10

Artikel 20, lid 3, van voornoemd kaderbesluit luidt:

„Iedere lidstaat kan zich verzetten tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing, indien het in artikel 4 bedoelde certificaat doet vermoeden dat de grondrechten of de fundamentele rechtsbeginselen, zoals neergelegd in artikel 6 [VEU], niet zijn geëerbiedigd. De in artikel 7, lid 3, bedoelde procedure is dan van toepassing.”

Pools recht

11

Artikel 611ff, § 1, van de Kodeks postępowania karnego (wetboek van strafvordering), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bepaalt:

„Wanneer een lidstaat van de Unie, in dit hoofdstuk aangeduid als ,beslissingsstaat’, om de tenuitvoerlegging van een onherroepelijk geworden beslissing inzake een geldelijke sanctie verzoekt, dient deze beslissing ten uitvoer te worden gelegd door de rechter in eerste aanleg in het gebied waar de pleger eigendom heeft of inkomsten geniet dan wel gewoonlijk of tijdelijk verblijf houdt [...]”.

12

Overeenkomstig artikel 611fg, § 1, punt 9, van de Kodeks postępowania karnego, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, kan een Poolse rechterlijke instantie de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing weigeren indien de persoon op wie die beslissing betrekking heeft blijkens het toegezonden certificaat niet naar behoren in kennis is gesteld van de mogelijkheid en van het recht om daartegen beroep in te stellen.

Nederlands recht

13

Volgens de aanwijzingen in de verwijzingsbeslissing is het CJIB een centraal bestuursrechtelijk orgaan dat bevoegd is voor de inning en incasso van geldboeten voor strafbare feiten die zijn gepleegd op het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden.

14

Tegen geldboeten die zijn opgelegd door het CJIB kan binnen zes weken beroep worden ingesteld bij de officier van justitie.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

15

Op 21 januari 2020 heeft het CJIB bij de verwijzende rechter, de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi (rechter in eerste aanleg Łódź, Polen), een verzoek ingediend tot erkenning en tenuitvoerlegging van zijn beschikking van 22 juli 2019, die op 2 september 2019 definitief is geworden en waarbij aan D.P., die woonachtig is in Polen, een geldboete van 210 EUR was opgelegd wegens een op 11 juli 2019 begane inbreuk op de verkeersregels, te weten het besturen van een voertuig waarvan twee banden niet aan de gestelde eisen voldeden.

16

In antwoord op een verzoek om inlichtingen van deze rechter aan het CJIB heeft het CJIB aangegeven dat de beschikking van 22 juli 2019 zonder Poolse vertaling ervan aan de adressaat was betekend. Het heeft daaraan toegevoegd dat dit besluit in het Nederlands was opgesteld en vergezeld ging van aanvullende uitleg in het Engels, Frans en Duits, alsook van een link naar de website www.cjib.nl, waarop informatie in het Pools stond over onder meer de wijze waarop de betrokkene de geldboete kon betalen, daartegen beroep kon instellen en contact kon opnemen met het CJIB om aanvullende vragen te stellen of nadere uitleg te krijgen.

17

Ter terechtzitting voor de verwijzende rechter heeft D.P. uitgelegd dat hij omstreeks begin december 2019 een brief uit Nederland heeft ontvangen die geen Poolse vertaling bevatte en waarop hij dus, omdat hij de inhoud ervan niet begreep, niet kon reageren.

18

Hoewel de verwijzende rechter erkent dat kaderbesluit 2005/214 geen enkele bepaling bevat waar uitdrukkelijk uit blijkt dat de adressaat van een besluit waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, daar een vertaling van moet ontvangen, is hij niettemin van oordeel dat, net als kennisgevingen betreffende strafbare feiten die vallen binnen de werkingssfeer van richtlijn (EU) 2015/413 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 ter facilitering van de grensoverschrijdende uitwisseling van informatie over verkeersveiligheidsgerelateerde verkeersovertredingen (PB 2015, L 68, blz. 9) en die van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures (PB 2010, L 280, blz. 1), ieder besluit waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd in de zin van kaderbesluit 2005/214, aan de veroordeelde moet worden meegedeeld in een taal die hij begrijpt, zodat diegene zijn rechten van verdediging kan uitoefenen en zodat zijn recht op een eerlijk proces kan worden gewaarborgd.

19

In deze context verwijst de verwijzende rechter naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (hierna: „EVRM”), en met name naar de arresten van het EHRM van 28 augustus 2018, Vizgirda tegen Slovenië (CE:ECHR:2018:0828JUD005986808), en 21 februari 1984, Öztürk tegen Duitsland (CE:ECHR:1984:1023JUD000854479), waaruit zou blijken dat, ten eerste, het recht op een vertaling van de rechterlijke beslissing en op informatie over de mogelijkheid om beroep in te stellen een van de wezenlijke elementen van het recht op een eerlijk proces is, en, ten tweede, de in artikel 6 EVRM gewaarborgde rechten ook gelden in minder ernstige zaken, waaronder zaken die betrekking hebben op overtredingen. Het Hof zelf heeft in het arrest van 12 oktober 2017, Sleutjes (C‑278/16, EU:C:2017:757), geoordeeld dat de verplichting om te zorgen voor een vertaling ook geldt in zaken betreffende kleinere inbreuken.

20

Daarop heeft de Sąd Rejonowy dla Łodzi-Śródmieścia w Łodzi de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Mag de autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat, wegens schending van het recht op een eerlijk proces, op grond van bepalingen waarbij artikel 20, lid 3, van kaderbesluit [2005/214] is omgezet in nationaal recht weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie is opgelegd ten uitvoer te leggen, wanneer deze beslissing aan de bestrafte persoon is betekend zonder bijgevoegde vertaling in een taal die hij begrijpt?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214 aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat toestaat de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing, in de zin van artikel 1, onder a), van dit kaderbesluit, waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, wanneer die beslissing aan de geadresseerde is betekend zonder bijgevoegde vertaling in een taal die hij begrijpt.

22

Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat het kaderbesluit, zoals blijkt uit in het bijzonder de artikelen 1 en 6 alsmede de overwegingen 1 en 2 ervan, tot doel heeft om een doeltreffend mechanisme tot stand te brengen voor de grensoverschrijdende erkenning en tenuitvoerlegging van onherroepelijke beslissingen waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon ten gevolge van het plegen van een van de in artikel 5 van het kaderbesluit opgesomde strafbare feiten (arrest van 4 maart 2020, Bank BGŻ BNP Paribas, C‑183/18, EU:C:2020:153, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

Kaderbesluit 2005/214 beoogt immers om, zonder over te gaan tot harmonisering van het strafrecht van de lidstaten, te garanderen dat geldelijke sancties binnen de lidstaten ten uitvoer worden gelegd op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning (arrest van 4 maart 2020, Bank BGŻ BNP Paribas, C‑183/18, EU:C:2020:153, punt 49).

24

Het aan de opzet van kaderbesluit 2005/214 ten grondslag liggende beginsel van wederzijdse erkenning vereist dat de lidstaten, ingevolge artikel 6 van dit kaderbesluit, in beginsel een overeenkomstig artikel 4 daarvan toegezonden beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, zonder verdere formaliteiten erkennen en onverwijld alle maatregelen nemen tot tenuitvoerlegging daarvan, waarbij de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging strikt moeten worden uitgelegd (arrest van 4 maart 2020, Bank BGŻ BNP Paribas, C‑183/18, EU:C:2020:153, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25

Wat met name dergelijke weigeringsgronden betreft, bevat artikel 7 van kaderbesluit 2005/214 in de leden 1 en 2 een uitdrukkelijke opsomming van de gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging van beslissingen die binnen de werkingssfeer ervan vallen.

26

Bovendien kan kaderbesluit 2005/214 volgens artikel 3 ervan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast. Om die reden bepaalt artikel 20, lid 3, van dat kaderbesluit eveneens dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat in geval van schending van de in artikel 6 VEU bepaalde grondrechten of fundamentele rechtsbeginselen kan weigeren een beslissing waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, te erkennen en ten uitvoer te leggen [arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 37].

27

Indien het in artikel 4 van kaderbesluit 2005/214 bedoelde certificaat dat de beslissing vergezelt waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd, doet vermoeden dat de grondrechten of de in artikel 6 VEU neergelegde fundamentele rechtsbeginselen mogelijkerwijs zijn geschonden, mogen de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingslidstaat dus weigeren om een dergelijke beslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen op basis van een van de in artikel 7, leden 1 en 2, van dit kaderbesluit opgesomde gronden tot weigering van de erkenning of tenuitvoerlegging, alsook op basis van artikel 20, lid 3, ervan [arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

28

Tot die grondrechten behoren, ten eerste, het recht op een eerlijk proces, dat integrerend deel uitmaakt van het recht op een effectieve rechterlijke bescherming, en, ten tweede, de rechten van de verdediging, die zijn verankerd in respectievelijk artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die volgens de toelichtingen bij dit Handvest (PB 2007, C 303, blz. 17) overeenstemmen met respectievelijk de leden 1 en 3 van artikel 6 EVRM.

29

Zoals de advocaat-generaal in punt 75 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft het Hof erkend dat een verkeersovertreding een „strafbaar feit” vormt [zie in die zin arrest van 22 juni 2021, Latvijas Republikas Saeima (Strafpunten), C‑439/19, EU:C:2021:504, punten 8693 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. Bijgevolg, en zoals blijkt uit de rechtspraak van het EHRM met betrekking tot artikel 6 EVRM, die krachtens artikel 52, lid 3, van het Handvest van de grondrechten in aanmerking moet worden genomen voor de uitlegging van artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest, valt de procedure betreffende een geldelijke sanctie die voor een dergelijk strafbaar feit is opgelegd, met inbegrip van de fase die aan het proces voorafgaat, binnen de werkingssfeer van artikel 6, leden 1 en 3, EVRM (zie in die zin EHRM, 19 oktober 2004, Falk tegen Nederland, CE:ECHR:2004:1019DEC006627301, en 20 oktober 2015, Dvorski tegen Kroatië, CE:ECHR:2015:1020JUD0025, § 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30

De adressaten van een beslissing die binnen de werkingssfeer van kaderbesluit 2005/214 valt, kunnen zich dus beroepen op de in artikel 47, tweede alinea, en artikel 48, lid 2, van het Handvest van de grondrechten verankerde grondrechten, en de autoriteiten van de lidstaten moeten er dus op toezien dat deze rechten worden geëerbiedigd.

31

Derhalve moet worden bepaald welke eventuele vertaalverplichtingen er krachtens die bepalingen rusten op de autoriteiten van de beslissende lidstaat, wanneer van een dergelijke beslissing kennis moet worden gegeven.

32

In dit verband moet worden opgemerkt dat kaderbesluit 2005/214 niet bepaalt op welke concrete wijze de adressaat van een beslissing in de zin van artikel 1, onder a), van dit kaderbesluit, waarbij hem een geldelijke sanctie voor een verkeersovertreding wordt opgelegd, daarvan in kennis moet worden gesteld. Artikel 7, lid 2, onder g), van dit kaderbesluit geeft immers enkel aan dat de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat kan weigeren een dergelijke beslissing te erkennen en ten uitvoer te leggen indien komt vast te staan dat volgens het in artikel 4 van dat kaderbesluit bedoelde certificaat de betrokkene, in het geval van een schriftelijke procedure, niet in overeenstemming met het recht van de beslissingslidstaat persoonlijk of via een naar het nationale recht bevoegde vertegenwoordiger in kennis is gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, alsmede van de termijnen waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden aangewend.

33

Door aldus naar de wettelijke regeling van de lidstaten te verwijzen, heeft de Uniewetgever het aan hen overgelaten om te beslissen over de manier waarop de betrokkene in kennis wordt gesteld van zijn recht om de zaak te betwisten, de termijnen waarbinnen dat rechtsmiddel moet worden aangewend en het tijdstip waarop die termijnen ingaan, voor zover de kennisgeving doeltreffend is en de eerbiediging van het recht op effectieve rechterlijke bescherming en de uitoefening van de rechten van de verdediging worden gewaarborgd [zie in die zin arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34

In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat de eerbiediging van het recht op effectieve rechterlijke bescherming niet alleen vereist dat wordt gewaarborgd dat beslissingen daadwerkelijk en snel worden ontvangen, dat wil zeggen ter kennis worden gebracht van degenen tot wie zij zijn gericht [zie in die zin arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak], maar ook dat een dergelijke kennisgeving hen in staat stelt nauwkeurig kennis te nemen van de gronden waarop de jegens hen genomen beslissing is gebaseerd, alsook van de rechtsmiddelen die tegen een dergelijke beslissing openstaan en de daartoe gestelde termijn, zodat zij in staat zijn hun rechten op doeltreffende wijze te verdedigen en met volledige kennis van zaken te beslissen of het zinvol is deze beslissing in rechte aan te vechten (zie naar analogie arrest van 18 juli 2013, Commissie e.a./Kadi, C‑584/10 P, C‑593/10 P en C‑595/10 P, EU:C:2013:518, punt 100 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

35

Voorts omvat de eerbiediging van de rechten van de verdediging volgens artikel 6, lid 3, EVRM het recht van de betrokkene om onverwijld, „in een taal die hij verstaat” en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging.

36

In dit verband heeft het EHRM geoordeeld dat deze bepaling de beschuldigde het recht toekent om niet alleen op de hoogte te worden gesteld van de reden van de beschuldiging, dat wil zeggen van de hem ten laste gelegde materiële feiten waarop de beschuldiging is gebaseerd, maar ook van de juridische kwalificatie van die feiten, en wel in detail, aangezien nauwkeurige en volledige informatie over hetgeen een beschuldigde ten laste wordt gelegd, en dus de juridische kwalificatie die de rechter aan de hem verweten feiten zou kunnen geven, een wezenlijke voorwaarde is voor een eerlijk verloop van het proces (zie in die zin EHRM, 25 maart 1999, Pélissier en Sassi tegen Frankrijk, CE:ECHR:1999:0325JUD00254449, §§ 51 en 52).

37

Bovendien heeft het EHRM geoordeeld dat artikel 6, lid 3, EVRM weliswaar geen verplichting oplegt om een buitenlandse verdachte een schriftelijke vertaling te verstrekken van elk schriftelijk bewijs of elk officieel stuk van het dossier, maar dat deze bepaling niettemin vereist dat bij de kennisgeving van de tegen die persoon ingebrachte „beschuldiging” de grootst mogelijke omzichtigheid wordt betracht. De tenlastelegging speelt volgens deze rechter immers een doorslaggevende rol bij de strafvervolging, aangezien de verdachte vanaf de betekening ervan officieel schriftelijk in kennis wordt gesteld van de juridische en feitelijke grondslag van hem ten laste gelegde feiten. Hieruit volgt dat een verdachte die niet vertrouwd is met de door het betrokken gerecht gebruikte taal, in de praktijk kan worden benadeeld indien hem niet ook een vertaling van de tenlastelegging wordt verstrekt in een taal die hij begrijpt (zie in die zin EHRM, 28 augustus 2018, Vizgirda tegen Slovenië, CE:ECHR:2018:0828JUD005986808, §§ 75‑78).

38

Bovendien moet de verificatie door de nationale autoriteiten van de talenkennis van een verdachte die de procestaal onvoldoende beheerst, met het oog op diens behoefte aan taalkundige bijstand, worden verricht aan de hand van verschillende factoren, zoals de aard van het strafbare feit en de mededelingen van de nationale autoriteiten aan de verdachte, waarbij een reeks open vragen kan volstaan om die behoefte vast te stellen (zie in die zin EHRM, 28 augustus 2018, Vizgirda tegen Slovenië, CE:ECHR:2018:0828JUD 005986808, § 84).

39

Uit de punten 34 tot en met 38 van het onderhavige arrest volgt dus dat eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en van de rechten van de verdediging vereist dat de autoriteiten van de lidstaten die een geldelijke sanctie opleggen in de zin van artikel 1, onder a), van kaderbesluit 2005/214, waarborgen dat de betrokkene, bij de kennisgeving van de beslissing waarbij die sanctie wordt opgelegd, in een voor hem begrijpelijke taal wordt geïnformeerd over de elementen daarvan die essentieel zijn om hem in staat te stellen de tegen hem ingebrachte beschuldiging te begrijpen en zijn rechten van verdediging ten volle uit te oefenen, of over de mogelijkheid om zo nodig een vertaling van die elementen te verkrijgen. Deze elementen omvatten met name de feiten die ten grondslag liggen aan de meegedeelde beslissing, de vastgestelde overtreding, de opgelegde sanctie, de tegen deze beslissing openstaande rechtsmiddelen, de daartoe gestelde termijn en de aanduiding van de instantie waarbij het beroep moet worden ingesteld. Indien de betrokkene aangeeft dat een vertaling noodzakelijk is, staat het aan de bevoegde autoriteiten van de beslissingslidstaat om alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat die vertaling zo spoedig mogelijk wordt gemaakt.

40

Bijgevolg kan de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat zich op grond van artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214 verzetten tegen de erkenning en de tenuitvoerlegging van een beslissing, in de zin van artikel 1, onder a), van dat kaderbesluit, waarbij de adressaat ervan een geldelijke sanctie wordt opgelegd, wanneer die beslissing aan hem is betekend zonder bijgevoegde vertaling van de in het vorige punt genoemde elementen in een taal die hij begrijpt en zonder hem in voorkomend geval de mogelijkheid te bieden een dergelijke vertaling te verkrijgen.

41

In dit verband moet worden benadrukt dat deze autoriteit concreet en nauwkeurig moet nagaan, gelet op met name de aard van de inbreuk, de mededelingen van de nationale autoriteiten aan voorbedoelde adressaat en de feitelijke omstandigheden die aan de betekende beslissing ten grondslag liggen, of deze adressaat de taal waarin die beslissing hem is meegedeeld begrijpt.

42

Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, moet het bestaan van een schending van de rechten van de verdediging en van het recht op effectieve rechterlijke bescherming immers worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval, met name de aard van de handeling in kwestie, de context van de vaststelling ervan en de rechtsregels die de betrokken materie regelen (arrest van 26 juli 2017, Sacko, C‑348/16, EU:C:2017:591, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

43

Zoals de Europese Commissie terecht heeft opgemerkt in haar schriftelijke opmerkingen, moet daarnaast de autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat, alvorens te weigeren een beslissing in de zin van artikel 1, onder a), van kaderbesluit 2005/214 te erkennen of ten uitvoer te leggen, krachtens artikel 7, lid 3, van dit kaderbesluit de beslissende autoriteit verzoeken om alle noodzakelijke gegevens, en moet de beslissende autoriteit haar deze gegevens verstrekken [zie in die zin arrest van 5 december 2019, Centraal Justitieel Incassobureau (Erkenning en tenuitvoerlegging van geldelijke sancties), C‑671/18, EU:C:2019:1054, punten 44 en 45 aldaar aangehaalde rechtspraak].

44

Gelet op voorgaande overwegingen moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214 aldus moet worden uitgelegd dat het de autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat toestaat de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing, in de zin van artikel 1, onder a), van dit kaderbesluit, waarbij een geldelijke sanctie voor een verkeersovertreding is opgelegd, wanneer die beslissing aan de geadresseerde is betekend zonder bijgevoegde vertaling, in een taal die hij begrijpt, van de elementen daarvan die essentieel zijn om hem in staat te stellen de tegen hem ingebrachte beschuldiging te begrijpen en zijn rechten van verdediging ten volle uit te oefenen, en hem daarbij niet de mogelijkheid is geboden om op verzoek een dergelijke vertaling te verkrijgen.

Kosten

45

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 20, lid 3, van kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het de autoriteit van de tenuitvoerleggingslidstaat toestaat de tenuitvoerlegging te weigeren van een beslissing, in de zin van artikel 1, onder a), van dit kaderbesluit, waarbij een geldelijke sanctie voor een verkeersovertreding is opgelegd, wanneer die beslissing aan de geadresseerde is betekend zonder bijgevoegde vertaling, in een taal die hij begrijpt, van de elementen daarvan die essentieel zijn om hem in staat te stellen de tegen hem ingebrachte beschuldiging te begrijpen en zijn rechten van verdediging ten volle uit te oefenen, en hem daarbij niet de mogelijkheid is geboden om op verzoek een dergelijke vertaling te verkrijgen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Pools.

Top