Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0133

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 13 juli 2017.
Christian Ferenschild tegen JPC Motor SA.
Verzoek van de Cour d'appel de Mons om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Verkoop van en garantie voor consumptiegoederen – Richtlijn 1999/44/EG – Artikel 5, lid 1 – Termijn voor aansprakelijkheid van de verkoper – Verjaringstermijn – Artikel 7, lid 1, tweede alinea – Gebruikte goederen – Contractuele beperking van de aansprakelijkheid van de verkoper.
Zaak C-133/16.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:541

ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

13 juli 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Verkoop van en garantie voor consumptiegoederen – Richtlijn 1999/44/EG – Artikel 5, lid 1 – Termijn voor aansprakelijkheid van de verkoper – Verjaringstermijn – Artikel 7, lid 1, tweede alinea – Tweedehandsgoederen – Contractuele beperking van de aansprakelijkheid van de verkoper”

In zaak C‑133/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen, België) bij beslissing van 22 februari 2016, ingekomen bij het Hof op 4 maart 2016, in de procedure

Christian Ferenschild

tegen

JPC Motor SA,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: J. L. da Cruz Vilaça, kamerpresident, M. Berger (rapporteur), A. Borg Barthet, E. Levits en F. Biltgen, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Christian Ferenschild, vertegenwoordigd door P.‑E. Partsch, avocat,

de Belgische regering, vertegenwoordigd door J. Van Holm, J.‑C. Halleux en M. Jacobs als gemachtigden,

de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Pesendorfer als gemachtigde,

de Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door G. Goddin en D. Roussanov als gemachtigden, vervolgens door G. Goddin en C. Valero als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 april 2017,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB 1999, L 171, blz. 12).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Christian Ferenschild en JPC Motor SA betreffende, met name, een vordering tot vergoeding van de schade die eerstgenoemde heeft geleden doordat het voertuig dat hij bij laatstgenoemde had gekocht, een gebrek aan overeenstemming vertoonde.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

3

Overweging 7 van richtlijn 1999/44 luidt:

„Overwegende dat de goederen vooral moeten overeenstemmen met de overeenkomst; dat overeenstemming met de overeenkomst kan worden beschouwd als een gemeenschappelijk beginsel van de diverse nationale rechtstradities; dat het in bepaalde nationale rechtstradities wellicht niet mogelijk is om op grond van uitsluitend dit beginsel een minimaal beschermingsniveau voor de consument te waarborgen; dat voor dergelijke rechtstradities aanvullende nationale bepalingen van nut kunnen zijn om de bescherming van de consument te waarborgen voor gevallen waarin de partijen in de overeenkomst geen specifieke bedingen hebben opgenomen dan wel bedingen of afspraken die direct of indirect voorzien in afstand of beperking van de rechten van de consument en – voor zover de betrokken rechten voortvloeien uit deze richtlijn –, niet bindend zijn voor de consument”.

4

Overweging 16 van deze richtlijn luidt:

„Overwegende dat de specifieke aard van tweedehandsgoederen het in de regel onmogelijk maakt ze te vervangen; dat het recht van de consument op vervanging derhalve voor deze goederen over het algemeen niet kan worden uitgeoefend; dat de lidstaten kunnen toestaan dat de partijen voor dergelijke goederen een kortere aansprakelijkheidstermijn overeenkomen”.

5

Overweging 17 van deze richtlijn luidt:

„Overwegende dat het passend is de termijn te beperken waarbinnen de verkoper aansprakelijk is voor een gebrek aan overeenstemming dat bestaat ten tijde van de aflevering van de goederen; dat de lidstaten voorts een verjaringstermijn kunnen vaststellen waarbinnen de consumenten hun rechten kunnen uitoefenen, doch dat deze verjaringstermijn niet mag verstrijken binnen twee jaar na de aflevering van de goederen; dat, indien de verjaringstermijn volgens de nationale wetgeving niet ingaat ten tijde van de aflevering van de goederen, de totale duur van de verjaringstermijn volgens de nationale wetgeving niet korter mag zijn dan twee jaar vanaf het tijdstip van aflevering”.

6

Overweging 24 van richtlijn 1999/44 luidt:

„Overwegende dat de lidstaten de mogelijkheid moeten hebben op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vast te stellen of te handhaven teneinde de consument een nog hoger beschermingsniveau te bieden”.

7

Artikel 1 van deze richtlijn, met als opschrift „Werkingssfeer en definities”, bepaalt in lid 1:

„Deze richtlijn beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, teneinde in het kader van de interne markt een eenvormig minimumniveau van consumentenbescherming te verzekeren.”

8

Artikel 3 van deze richtlijn, met als opschrift „Rechten van de consument”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.   De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.

2.   In geval van gebrek aan overeenstemming, heeft de consument het recht dat de goederen kosteloos door herstelling of vervanging in overeenstemming worden gebracht, overeenkomstig lid 3, of dat de prijs op passende wijze wordt verminderd of dat de koopovereenkomst met betrekking tot deze goederen wordt ontbonden, overeenkomstig de leden 5 en 6.”

9

Artikel 5 van dezelfde richtlijn, met als opschrift „Termijnen”, bepaalt in lid 1:

„De verkoper is aansprakelijk krachtens artikel 3 wanneer het gebrek aan overeenstemming zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar vanaf de aflevering van de goederen. Indien voor de uitoefening van de in artikel 3, lid 2, vermelde rechten in de nationale wetgeving een verjaringstermijn geldt, kan die niet verstrijken binnen een periode van twee jaar vanaf de aflevering.”

10

Artikel 7 van richtlijn 1999/44, met het opschrift „Dwingend karakter”, bepaalt in lid 1:

„Contractuele bedingen of afspraken die zijn overeengekomen met de verkoper voordat het gebrek aan overeenstemming ter kennis van de verkoper is gebracht en die direct of indirect voorzien in afstand of beperking van uit deze richtlijn voortvloeiende rechten, binden, onder de in het nationale recht geldende voorwaarden, de consument niet.

De lidstaten kunnen bepalen dat de verkoper en de consument voor tweedehandsgoederen in de overeenkomst voorwaarden of afspraken kunnen overeenkomen omtrent een kortere aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper dan die van artikel 5, lid 1. Deze termijn mag niet korter zijn dan één jaar.”

11

Artikel 8 van deze richtlijn, met het opschrift „Nationaal recht en minimum aan bescherming”, luidt als volgt:

„1.   De uit deze richtlijn voortvloeiende rechten worden uitgeoefend onverminderd andere rechten die de consument krachtens nationale voorschriften inzake contractuele of niet-contractuele aansprakelijkheid kan doen gelden.

2.   De lidstaten kunnen op het door deze richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vaststellen of handhaven voor zover deze met het Verdrag verenigbaar zijn, teneinde de consument een hogere graad van bescherming te verzekeren.”

Belgisch recht

12

In het Belgische recht is richtlijn 1999/44 omgezet in het burgerlijk wetboek bij de wet van 1 september 2004 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen (Belgisch Staatsblad van 21 september 2004, blz. 68384), die op 1 januari 2005 in werking is getreden.

13

Artikel 1649 quater van het burgerlijk wetboek bepaalt het volgende:

„§ 1.

De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de levering van de goederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf voornoemde levering.

[...]

In afwijking van het eerste lid kunnen voor de tweedehandsgoederen de verkoper en de consument een kortere termijn dan twee jaar overeenkomen zonder dat die termijn korter dan één jaar mag zijn.

[...]

§ 3.

De rechtsvordering van de consument verjaart na verloop van één jaar vanaf de dag waarop hij het gebrek aan overeenstemming heeft vastgesteld, zonder dat die termijn vóór het einde van de termijn van twee jaar, bedoeld in § 1, mag verstrijken.

[...]”

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

14

Op 21 september 2010 kocht Ferenschild, een Nederlands staatsburger die in België woont, bij JPC Motor een tweedehandsauto voor 14000 EUR.

15

Op 22 september 2010 weigerde de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (België) die auto in te schrijven omdat hij in het Schengeninformatiesysteem als gestolen was gesignaleerd. Dientengevolge werd vastgesteld dat de auto een gebrek aan overeenstemming vertoonde.

16

Op 7 oktober 2010 meldde de rechtsbijstandverzekeraar van Ferenschild dat gebrek aan overeenstemming aan JPC Motor, die hij aansprakelijk stelde op grond dat het betrokken voertuig een functioneel verborgen gebrek vertoonde. Hij maande JPC Motor aan het voertuig terug te nemen en het bedrag waartegen het was verkocht, terug te betalen, onder voorbehoud van eventuele kosten of schade geleden tussen de verkoopdatum en de toekomstige datum van de annulering van de verkoop.

17

Nadat JPC Motor stappen had ondernomen, kwam uit dat in werkelijkheid niet de auto zelf, maar de boorddocumenten waren gestolen om in Italië een soortgelijk voertuig van frauduleuze herkomst „om te katten”. Op 7 januari 2011 kon het door Ferenschild gekochte voertuig dan ook regelmatig worden ingeschreven door de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen.

18

Op 21 oktober 2011 sommeerde Ferenschilds raadsman JPC Motor om zijn cliënt de schade te vergoeden die het gevolg was van het gebrek aan overeenstemming van het betrokken voertuig.

19

JPC Motor betwistte de schadevordering met het argument dat die tardief was ingesteld. Op 12 maart 2012 dagvaardde Ferenschild de onderneming voor de tribunal de commerce de Mons (rechtbank van koophandel Bergen, België) teneinde vergoeding te verkrijgen van de schade die hij had geleden wegens het gebrek aan overeenstemming van het betrokken voertuig. Hij vorderde vergoeding van de kosten voor de huur van een vervangwagen, van de gemaakte administratiekosten en van het waardeverlies van het gekochte voertuig, vermeerderd met de compensatoire en gerechtelijke interesten vanaf 7 oktober 2010.

20

Bij vonnis van 9 januari 2014 wees de tribunal de commerce de Mons Ferenschilds vordering af.

21

Op 3 april 2014 heeft Ferenschild tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Mons (hof van beroep Bergen).

22

Op 8 juni 2015 heeft de cour d’appel de Mons geoordeeld dat het verkochte voertuig een gebrek aan overeenstemming vertoonde in de zin van de artikelen 1649 bis en volgende van het burgerlijk wetboek, maar dat dat gebrek kennelijk was verholpen door de inschrijving van het voertuig. Toch is ambtshalve de behandeling heropend om partijen in de gelegenheid te stellen conclusies in te dienen over met name de verjaring van de vordering.

23

Aangaande de verjaring van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering wijst de verwijzende rechter er ten eerste op dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de „garantietermijn” en de „verjaringstermijn”.

24

Hij zet dienaangaande uiteen dat de in artikel 1649 quater, § 1, van het burgerlijk wetboek bedoelde garantietermijn een termijn van twee jaar is, te rekenen vanaf de levering van het goed. Volgens de derde alinea van die bepaling kunnen partijen bij de verkoopovereenkomst voor tweedehandsgoederen overeenkomen die termijn terug te brengen tot een termijn van ten minste één jaar. In casu hebben partijen in het hoofdgeding van die mogelijkheid tot verkorting van de garantietermijn tot één jaar gebruikgemaakt.

25

De verjaringstermijn, vervolgens, is bepaald in artikel 1649 quater, § 3, van het burgerlijk wetboek en is een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de consument het gebrek aan overeenstemming vaststelt. Die termijn mag evenwel niet verstrijken vóór het einde van de in § 1 van dat artikel bedoelde termijn van twee jaar.

26

De verwijzende rechter constateert ten tweede dat in het onderhavige geval de zaak aanhangig is gemaakt op 12 maart 2012, dat wil zeggen meer dan een jaar na, met name, de levering van het betrokken voertuig op 21 september 2010 en de vaststelling van het gebrek aan overeenstemming van dat voertuig op 22 september 2010.

27

In die context rijst de vraag hoe het voornoemde artikel 1649 quater, § 3, betreffende de verjaringstermijn moet worden uitgelegd in een situatie als die in het hoofdgeding, waarin partijen de duur van de garantietermijn in onderlinge overeenstemming hebben beperkt tot één jaar. De verwijzende rechter vraagt zich met name af of de in die bepaling bedoelde verjaringstermijn van één jaar in een dergelijke situatie moet worden verlengd tot de garantietermijn van twee jaar waarin § 1 van dat artikel voorziet, verstrijkt.

28

In dat verband betoogt JPC Motor met name dat het, gelet op de ratio legis van artikel 1649 quater, § 3, van het burgerlijk wetboek, die erin bestaat te voorkomen dat de vordering van de consument verjaart vóór de garantietermijn verstrijkt, niet gerechtvaardigd is de verjaringstermijn te verlengen tot aan het verstrijken van de termijn van twee jaar, wanneer de garantietermijn geldig tot een duur van één jaar is verminderd. In een dergelijke situatie moet die bepaling aldus worden uitgelegd dat de verjaringstermijn voor de door de consument in te stellen rechtsvordering kan verstrijken vóór het einde van de termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de levering van het tweedehandsgoed.

29

Ferenschild van zijn kant stelt in het bijzonder dat richtlijn 1999/44 en met name artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, daarvan het de lidstaten niet toestaan om voor een vordering van een consument betreffende de verkoop van tweedehandsgoederen te voorzien in een verjaringstermijn van minder dan twee jaar vanaf de levering van die goederen.

30

Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of de Belgische rechtsbepalingen verenigbaar zijn met richtlijn 1999/44, en met name met artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, daarvan, daar artikel 1649 quater, § 3, van het burgerlijk wetboek aldus kan worden uitgelegd dat de verjaringstermijn voor de vordering van de consument verstrijkt vóór het einde van de termijn van twee jaar vanaf de levering van het tweedehandsgoed.

31

De cour d’appel de Mons heeft dan ook besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel [5, lid 1,] juncto artikel [7, lid 1, tweede alinea], van richtlijn [1999/44] aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een bepaling van nationaal recht die aldus wordt uitgelegd dat zij voor tweedehandsgoederen toestaat dat de verjaringstermijn van de vordering van de consument verstrijkt vóór het einde van de termijn van twee jaar te rekenen vanaf de aflevering van het niet‑conforme goed wanneer de verkoper en de consument een garantietermijn van minder dan twee jaar zijn overeengekomen?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

32

Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 1999/44 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regel van een lidstaat volgens welke de verjaringstermijn voor de vordering van de consument korter kan zijn dan twee jaar vanaf de aflevering van de goederen, wanneer die lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden door de tweede van die bepalingen en de verkoper en de consument met betrekking tot de tweedehandsgoederen in kwestie een aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper van minder dan twee jaar – concreet één jaar – zijn overeengekomen.

33

Om de verwijzende rechter een zinvol antwoord te verstrekken, moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat artikel 5 van richtlijn 1999/44, met het opschrift „Termijnen”, in lid 1 bepaalt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen twee soorten termijnen met elk een specifiek doel.

34

Enerzijds is er de termijn van de eerste volzin van artikel 5, lid 1, van die richtlijn, namelijk de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper, die de periode betreft waarin het aan het licht komen van een gebrek aan overeenstemming van het betrokken goed leidt tot de in artikel 3 van de richtlijn bedoelde aansprakelijkheid van de verkoper en aldus de rechten doet ontstaan waarin dit laatste artikel voor de consument voorziet. Deze aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper is in beginsel een termijn van twee jaar vanaf de aflevering van het goed.

35

Anderzijds is de termijn van de tweede volzin van artikel 5, lid 1, van die richtlijn een verjaringstermijn die overeenkomt met de tijdspanne waarin de consument de rechten die zijn ontstaan tijdens de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper, daadwerkelijk jegens deze laatste kan uitoefenen.

36

In de tweede plaats en zoals de advocaat-generaal heeft opgemerkt in punt 52 van zijn conclusie, schrijft artikel 5, lid 1, van richtlijn 1999/44 de lidstaten voor een aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper in te voeren van in beginsel ten minste twee jaar vanaf de aflevering van het goed, maar laat het het aan de nationale rechtsordes over te beslissen of zij een verjaringstermijn invoeren voor de vordering van de consument.

37

Uit artikel 5, lid 1, tweede volzin, juncto overweging 17 van die richtlijn blijkt evenwel dat wanneer in het nationale recht een verjaringstermijn is ingevoerd, die termijn niet mag verstrijken binnen twee jaar na de aflevering van het betrokken goed, ook al gaat hij volgens het nationale recht niet in ten tijde van die aflevering.

38

Uit het voorgaande volgt dat richtlijn 1999/44, om het met name door artikel 1, lid 1, verlangde eenvormig minimumniveau van consumentenbescherming in het kader van de interne markt te verzekeren, krachtens artikel 5, lid 1, twee onderscheiden termijnen heeft ingevoerd, namelijk een aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper en een verjaringstermijn. Bij elk daarvan gaat het in beginsel om een dwingende minimumtermijn van twee jaar vanaf de aflevering van het betrokken goed.

39

Het dwingende karakter van deze algemene minimumduur wordt bevestigd door de bewoordingen van artikel 7, lid 1, eerste alinea, gelezen in het licht van overweging 7 van de richtlijn, aangezien partijen uit hoofde van die bepaling daar in beginsel niet bij overeenkomst van mogen afwijken en de lidstaten moeten toezien op de naleving ervan (zie in die zin arrest van 4 juni 2015, Faber, C‑497/13, EU:C:2015:357, punt 55).

40

In de derde plaats en zoals de advocaat-generaal heeft uiteengezet in punt 53 van zijn conclusie, kan uit de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van richtlijn 1999/44 al worden afgeleid dat er geen verband is tussen de duur van de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper en die van de eventuele verjaringstermijn. Artikel 5, lid 1, tweede volzin, van de richtlijn verwijst immers niet naar de eerste volzin van die bepaling. Anders dan met name de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen stelt, laat die bepaling de duur van de eventuele verjaringstermijn dus niet afhangen van die van de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper.

41

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de verjaringstermijn met een minimumduur van twee jaar vanaf de aflevering van het goed een belangrijke factor vormt in de door richtlijn 1999/44 gewaarborgde consumentenbescherming, en dat de duur van die termijn niet afhangt van de duur van de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper.

42

In de vierde plaats kan de tweede alinea van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, volgens welke de lidstaten kunnen bepalen dat de verkoper en de consument voor tweedehandsgoederen een kortere aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper kunnen overeenkomen dan die van artikel 5, lid 1, van de richtlijn, zonder dat die termijn korter mag zijn dan één jaar, geen aanleiding zijn voor een andere uitlegging.

43

Dienaangaande moet er ten eerste op worden gewezen dat artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 1999/44 niet ziet op de verjaringstermijn, maar uitsluitend op de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper, zoals die is vermeld in artikel 5, lid 1, eerste volzin, ervan. Verschillende taalversies van de richtlijn – met name de Spaanse, de Engelse, de Franse en de Italiaanse – refereren in artikel 7, lid 1, tweede alinea, namelijk aan de „[aansprakelijkheid van] de verkoper”.

44

In de Duitse taalversie van richtlijn 1999/44 zijn de bewoordingen van artikel 7, lid 1, tweede alinea, in dat opzicht overigens nog explicieter. Waar de eerste zin van die bepaling voorziet in de mogelijkheid om voor tweedehandsgoederen de termijn te verkorten gedurende welke de verkoper overeenkomstig artikel 5, lid 1, van de richtlijn aansprakelijk is („der Verkäufer weniger lange haftet als in Artikel 5 Absatz 1 vorgesehen”), geeft de tweede zin daarvan immers precies aan dat die mogelijkheid de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper betreft („diese kürzere Haftungsdauer”).

45

Die uitlegging wordt bovendien bevestigd door overweging 16 van de richtlijn, aangezien het daarin heet dat de lidstaten kunnen toestaan dat de partijen voor tweedehandsgoederen een kortere „aansprakelijkheidstermijn” overeenkomen.

46

Ten tweede moet in herinnering worden gebracht dat, zoals ook al is uiteengezet in punt 39 van dit arrest, de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper van twee jaar vanaf de aflevering van het goed, zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 1999/44, een dwingende termijn is waarvan de contractpartijen in beginsel niet kunnen afwijken. Zoals de advocaat-generaal heeft uitgelegd in de punten 74 en 75 van zijn conclusie, is de tweede alinea van artikel 7, lid 1, van die richtlijn, die de lidstaten het recht geeft te bepalen dat partijen in geval van tweedehandsgoederen een kortere aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper kunnen overeenkomen, die evenwel niet korter mag zijn dan één jaar, bijgevolg een uitzonderingsbepaling die strikt moet worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 1 maart 2012, González Alonso, C‑166/11, EU:C:2012:119, punt 26en aldaar aangehaalde rechtspraak).

47

Derhalve houdt de mogelijkheid voor de lidstaten om voor tweedehandsgoederen te bepalen dat de partijen de duur van de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper kunnen beperken tot één jaar vanaf de aflevering van het goed in kwestie, niet in dat zij de partijen tevens kunnen toestaan de in artikel 5, lid 1, tweede volzin, van de richtlijn bedoelde verjaringstermijn te verkorten.

48

In de laatste plaats dient in herinnering te worden geroepen dat de lidstaten het minimale beschermingsniveau in acht moeten nemen dat door richtlijn 1999/44 wordt gewaarborgd. Overeenkomstig artikel 8, lid 2, juncto overweging 24 van deze richtlijn kunnen zij op het door de richtlijn bestreken gebied strengere voorschriften vaststellen of handhaven om de consument een nog hoger beschermingsniveau te bieden, maar mogen zij geen afbreuk doen aan de waarborgen die de Uniewetgever heeft verleend (zie in die zin arrest van 17 april 2008, Quelle, C‑404/06, EU:C:2008:231, punt 36).

49

Een nationale regel als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke de verkorting van de aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper tot één jaar gepaard kan gaan met een verkorting van de verjaringstermijn waarover de consument beschikt, leidt evenwel tot een lager beschermingsniveau voor deze laatste en doet afbreuk aan de waarborgen die hij overeenkomstig richtlijn 1999/44 geniet. Zoals de advocaat-generaal in punt 93 van zijn conclusie heeft uiteengezet, zou de consument dan immers van al zijn rechtsbeschermingsmiddelen worden beroofd nog vóór een periode van twee jaar vanaf de datum van aflevering van het goed verstrijkt, welke termijn hem nochtans wordt gewaarborgd door artikel 5, lid 1, tweede volzin, van de richtlijn.

50

Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 1999/44 aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regel van een lidstaat volgens welke de verjaringstermijn voor de vordering van de consument korter kan zijn dan twee jaar vanaf de aflevering van de goederen, wanneer die lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden door de tweede van die bepalingen en de verkoper en de consument met betrekking tot de tweedehandsgoederen in kwestie een aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper van minder dan twee jaar – concreet één jaar – zijn overeengekomen.

Kosten

51

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 5, lid 1, en artikel 7, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een regel van een lidstaat volgens welke de verjaringstermijn voor de vordering van de consument korter kan zijn dan twee jaar vanaf de aflevering van de goederen, wanneer die lidstaat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid die wordt geboden door de tweede van die bepalingen en de verkoper en de consument met betrekking tot de tweedehandsgoederen in kwestie een aansprakelijkheidstermijn voor de verkoper van minder dan twee jaar – concreet één jaar – zijn overeengekomen.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top