Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008PC0087

Voorstel voor een verordening van de Raad tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad

/* COM/2008/0087 def. */

52008PC0087

Voorstel voor een verordening van de Raad tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad /* COM/2008/0087 def. */


[pic] | COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN |

Brussel, 18.2.2008

COM(2008) 87 definitief

Voorstel voor een

VERORDENING VAN DE RAAD

tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad

(door de Commissie ingediend)

TOELICHTING

ACHTERGROND VAN HET VOORSTEL |

Motivering en doel van het voorstel Dit voorstel betreft de toepassing van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad van 23 december 2005 ('de basisverordening'), in het kader van de procedure betreffende de invoer van ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne. |

Algemene context Dit voorstel past in het kader van de tenuitvoerlegging van de basisverordening en is het resultaat van een onderzoek dat is uitgevoerd overeenkomstig de materiële en procedurele eisen van de basisverordening. |

Bestaande bepalingen op het door het voorstel bestreken gebied Verordening (EG) nr. 92/2002 van de Raad, waarbij een definitief antidumpingrecht van 7,81 euro tot 16,48 euro per ton werd ingesteld op ureum, ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne. |

Samenhang met andere beleidsgebieden en doelstellingen van de EU Niet van toepassing. |

RAADPLEGING VAN BELANGHEBBENDE PARTIJEN EN EFFECTBEOORDELING |

Raadpleging van belanghebbende partijen |

Partijen die belang hebben bij de procedure, werden overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening al in de loop van het onderzoek in de gelegenheid gesteld hun belangen te verdedigen. |

Bijeenbrengen en benutten van deskundigheid |

Er behoefde geen beroep te worden gedaan op externe deskundigheid. |

Effectbeoordeling Dit voorstel vloeit voort uit de tenuitvoerlegging van de basisverordening. De basisverordening voorziet niet in een algemene effectbeoordeling, maar bevat wel een uitputtende lijst van factoren die moeten worden beoordeeld. |

JURIDISCHE ELEMENTEN VAN HET VOORSTEL |

Samenvatting van de voorgestelde maatregelen Op 22 december 2006 heeft de Commissie een nieuw onderzoek geopend in verband met het vervallen van antidumpingmaatregelen inzake de invoer van ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne. Dit onderzoek had tot doel na te gaan of de invoer met dumping van ureum uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne werd voortgezet of herhaald en of daardoor voortzetting of herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap werd veroorzaakt. Uit het onderzoek bleek dat ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne met dumping was ingevoerd en dat voortzetting van dumping waarschijnlijk was. Niettemin werd vastgesteld dat een herhaling van de schade niet waarschijnlijk was. Daarom wordt geconcludeerd dat de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne moeten worden ingetrokken. De Raad wordt derhalve verzocht zijn goedkeuring te hechten aan bijgevoegd voorstel voor een verordening, die uiterlijk 21 maart 2008 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt moet worden. |

Rechtsgrondslag Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 van de Raad. |

Subsidiariteitsbeginsel Het voorstel betreft een gebied dat onder de exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap valt. Het subsidiariteitsbeginsel is derhalve niet van toepassing. |

Evenredigheidsbeginsel Het voorstel is om de volgende reden in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel: |

De vorm van de maatregel wordt voorgeschreven in de basisverordening en laat geen ruimte voor nationale besluitvorming. |

Beschrijving van de wijze waarop de financiële en administratieve lasten voor de Gemeenschap, de nationale, regionale en plaatselijke overheden, bedrijven en burgers zoveel mogelijk worden beperkt en hoe zij in verhouding staan tot het doel van het voorstel: niet van toepassing. |

Keuze van instrumenten |

Voorgesteld instrument: verordening. |

Andere instrumenten zouden ongeschikt zijn, omdat de basisverordening niet in andere mogelijkheden voorziet. |

GEVOLGEN VOOR DE BEGROTING |

Het voorstel heeft geen gevolgen voor de begroting van de Gemeenschap. |

1. Voorstel voor een

VERORDENING (EG) nr. …../2007 VAN DE RAAD

van……………..

tot intrekking van het antidumpingrecht op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 384/96 van de Raad van 22 december 1995 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap[1] ('de basisverordening'), en met name op artikel 9 en artikel 11, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A. PROCEDURE

1. Geldende maatregelen

(1) De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 92/2002[2] definitieve antidumpingrechten ingesteld van 7,81 tot 16,84 euro per ton op ureum, ook indien in waterige oplossing, van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne. Bij dezelfde verordening werden definitieve antidumpingrechten ingesteld van 6,18 tot 21,43 euro per ton op ureum van oorsprong uit Estland, Litouwen, Bulgarije en Roemenië, die respectievelijk op 1 mei 2004 en op 1 januari 2007, de datum waarop deze landen tot de Europese Gemeenschap zijn toegetreden, automatisch zijn ingetrokken.

2. Verzoek om een nieuw onderzoek

(2) In april 2006 heeft de Commissie een bericht gepubliceerd waarin werd aangekondigd dat de bestaande maatregelen[3] op korte termijn zouden vervallen. Op 17 oktober 2006 heeft de Commissie een verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van deze maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening ontvangen.

(3) Dit verzoek werd ingediend door de European Fertilizer Manufacturers Association (EFMA) (hierna 'de indiener van het verzoek' genoemd) namens producenten die een belangrijk deel, in dit geval meer dan 50%, van de totale communautaire productie van ureum voor hun rekening nemen.

(4) De indiener van het verzoek leverde voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk tot een voortzetting of herhaling van dumping en schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap zou leiden door de invoer van ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne (de 'betrokken landen').

(5) Nadat de Commissie, in overleg met het Raadgevend Comité, had vastgesteld dat er voldoende bewijs was om overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij dit onderzoek geopend door de publicatie van een bericht van opening van een nieuw onderzoek in het Publicatieblad van de Europese Unie[4].

3. Onderzoeken betreffende andere landen

(6) In mei 2006 heeft de Commissie op grond van artikel 11, leden 2 en 3, van de basisverordening een nieuw onderzoek[5] geopend van de definitieve antidumpingrechten, die bij Verordening (EG) nr. 901/2001 van de Raad[6] waren ingesteld op ureum van oorsprong uit Rusland. Als gevolg van dit nieuwe onderzoek heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 907/2007[7]de antidumpingrechten op ureum van oorsprong uit Rusland ingetrokken. De conclusie luidde dat er zich geen voortzetting of herhaling van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap voordeed en dat een herhaling van deze schade niet waarschijnlijk was na het vervallen van de maatregelen.

4. Lopend onderzoek

4.1. Onderzoektijdvak

(7) Het onderzoek naar de mogelijke voortzetting of herhaling van dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 september 2006 (het nieuwe onderzoektijdvak ofwel 'NOT'). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang zijn om te kunnen beoordelen of het waarschijnlijk was dat de schade zou voortduren of opnieuw zou optreden, had betrekking op de periode van 2002 tot het eind van het NOT ('de beoordelingsperiode').

4.2. Bij het onderzoek betrokken partijen

(8) De Commissie heeft de indiener van het verzoek, de communautaire producenten, de producenten/exporteurs in Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne ('de betrokken exporteurs'), de importeurs, handelaren, gebruikers en hun verenigingen die haar als betrokken partij bekend waren, alsmede de vertegenwoordigers van de regeringen van de landen van uitvoer officieel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek.

(9) De Commissie heeft al deze partijen alsmede de partijen die binnen de in het bericht van opening vermelde termijn contact met haar hadden opgenomen een vragenlijst toegezonden.

(10) De Commissie heeft de direct betrokken partijen ook in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en binnen de in het bericht van opening vermelde termijn een verzoek in te dienen om te worden gehoord.

(11) Alle belanghebbenden die daarom hadden verzocht en aantoonden dat zij daartoe geldige redenen hadden, werden gehoord.

(12) Gezien het grote aantal communautaire producenten, importeurs in de Gemeenschap en producenten/exporteurs in Oekraïne leek het de Commissie raadzaam om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening na te gaan of gebruik moest worden gemaakt van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, heeft zij bovengenoemde partijen overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening verzocht zich binnen 15 dagen na de opening van het onderzoek bij haar aan te melden en haar de in het bericht van opening gevraagde gegevens te verstrekken.

(13) De medewerking van de importeurs in de Gemeenschap was zeer gering: slechts één importeur verklaarde zich bereid om mee te werken. Daarom werd besloten dat een steekproefselectie van importeurs niet nodig was.

(14) Twaalf communautaire producenten vulden het formulier voor de samenstelling van de steekproef naar behoren in en zegden formeel verdere medewerking aan het onderzoek toe. Van deze twaalf bedrijven zijn er vier in de steekproef opgenomen, die wegens de omvang van hun productie en verkoop van ureum in de Gemeenschap representatief werden geacht voor de bedrijfstak van de Gemeenschap. Tijdens het NOT vertegenwoordigden de vier in de steekproef opgenomen communautaire producenten ongeveer 60% van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, terwijl de bovengenoemde twaalf communautaire producenten ongeveer 80% van de productie in de Gemeenschap voor hun rekening namen. De steekproef omvatte de grootste representatieve productie- en verkoophoeveelheden van ureum in de Gemeenschap die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs konden worden onderzocht.

(15) Vier producenten/exporteurs in Oekraïne zonden het formulier voor de samenstelling van de steekproef binnen de termijn ingevuld terug en verklaarden zich formeel bereid om verder aan het onderzoek mee te werken. Deze vier producenten/exporteurs vertegenwoordigden bijna 100% van de totale Oekraïense uitvoer naar de Gemeenschap tijdens het NOT. Met het oog op het geringe aantal medewerkende bedrijven in Oekraïne werd besloten om van een steekproef af te zien en alle bedrijven te verzoeken een vragenlijst te beantwoorden.

(16) Vier communautaire producenten, één importeur, twee gebruikers en vier producenten/exporteurs in Oekraïne en één producent/exporteur in respectievelijk Belarus, Kroatië en Libië stuurden de vragenlijsten ingevuld terug. Bovendien hebben verschillende importeurs en gebruikers en hun verenigingen opmerkingen ingediend, zonder evenwel de vragenlijst in te vullen.

(17) De Commissie verzamelde en controleerde alle gegevens die zij nodig achtte om vast te stellen of de voortzetting van dumping en schade waarschijnlijk was en om het belang van de Gemeenschap te beoordelen. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle verricht:

2. In de steekproef opgenomen communautaire producenten:

3. Fertiberia S.A., Madrid, Spanje

4. SKW Stickstoffwerke Piesteritz GmbH, Lutherstadt Wittenberg, Duitsland

5. Yara Group (Yara Spa Ferrara, Italië en Yara Sluiskil B.V., Sluiskil, Nederland)

6. Zaklady Azotowe Pulawy S.A., Pulawy, Polen

7. Producenten/exporteurs

8. Oekraïne:

9. Joint Stock Company Concern Stirol, Gorlovka

10. Close Joint Stock Company Severodonetsk, Severodonetsk

11. Joint Stock Company Dnipro Azot, Dneprodzerzjinsk

12. Open Joint Stock Company Cherkassy Azot, Tsjerkassy

13. Kroatië:

14. Petrokemija D.D., Kutina

15. Communautaire importeurs:

16. Dynea Austria GmbH, Krems, Oostenrijk

17. Communautaire gebruikers:

18. Associazione Liberi Agricoltori Cremonesi, Cremona, Italië

19. Acefer, Asociación Comercial Española de Fertilizantes, Madrid , Spanje

B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1. Betrokken product

(18) Het betrokken product is dat zoals bepaald in het kader van het oorspronkelijke onderzoek, d.w.z. ureum, momenteel ingedeeld onder GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90 ('het betrokken product'), van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne.

(19) De belangrijkste grondstof voor ureum is ammoniak, dat op zijn beurt uit aardgas wordt geproduceerd. Het kan zowel een vaste als een vloeibare vorm hebben. In vaste vorm kan ureum voor landbouw- en industriële toepassingen worden gebruikt. In de landbouw wordt het als meststof gebruikt of als additief in veevoer. In de industrie wordt het gebruikt als grondstof voor de productie van bepaalde soorten lijm en kunststoffen. Vloeibaar ureum kan zowel als meststof als voor industriële doeleinden worden gebruikt. Hoewel ureum dus verschillende vormen kan hebben, zijn de chemische eigenschappen steeds gelijk; alle vormen kunnen voor dit onderzoek dan ook als één product worden beschouwd.

2. Soortgelijk product

(20) Dit nieuwe onderzoek bevestigde wat bij het oorspronkelijke onderzoek al was vastgesteld, namelijk dat de door de producenten/exporteurs in Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne vervaardigde en uitgevoerde producten, de aldaar vervaardigde en op de binnenlandse markt van deze landen verkochte producten, alsook de door de communautaire producenten vervaardigde en op de communautaire markt verkochte producten dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken hebben en in wezen voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Daarom worden al deze producten beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN VOORTZETTING OF HERHALING VAN DUMPING

(21) Gezien de conclusies betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping, worden hieronder slechts de kernargumenten betreffende voortzetting of herhaling van dumping besproken.

1. Invoer met dumping tijdens het nieuwe onderzoektijdvak

1.1 Algemene beginselen

(22) Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening is nagegaan of tijdens het NOT dumping plaatsvond, en zo ja, of het door het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou zijn dat de dumping zou worden voortgezet.

(23) Voor de drie landen van uitvoer met de status van markteconomie, te weten Kroatië, Libië en Oekraïne, werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 3, van de basisverordening vastgesteld. Voor Belarus werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, van de basisverordening vastgesteld.

1.2 Kroatië

(24) Overeenkomstig artikel 2, leden 5, 11 en 12, van de basisverordening werd de dumpingmarge voor de enige Kroatische producent/exporteur vastgesteld door vergelijking van de gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs.

(25) Kroatië heeft tijdens het NOT meer dan 200 000 ton ureum uitgevoerd, hetgeen een aandeel van 2,3% van de communautaire markt vertegenwoordigt. De enige bekende en medewerkende producent/exporteur bleek tijdens het NOT nog steeds tegen forse dumping naar de Gemeenschap uit te voeren. De vastgestelde dumpingmarge bedroeg meer dan 20%.

(26) Er rees ernstige twijfel over de vraag of de administratie van de producent/exporteur een redelijk beeld gaf van de kosten van gas, de belangrijkste grondstof bij de vervaardiging van ureum. En inderdaad werd vastgesteld dat het gas onder bijzondere voorwaarden werd verkregen: de Kroatische staat heeft een meerderheidsbelang in zowel de onderneming van de producent/exporteur als in die van de gasleverancier, en de gasprijzen waren abnormaal laag. Aangezien geen reële gegevens over de gasprijzen op de Kroatische binnenlandse markt beschikbaar waren, moesten overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening gasprijzen worden vastgesteld 'op een andere redelijke basis, zoals aan de hand van gegevens over andere representatieve markten'. Daar het merendeel van het voor de vervaardiging van het betrokken product gebruikte gas van Russische herkomst is, zou de gecorrigeerde prijs gebaseerd kunnen worden op de gemiddelde uitvoerprijs van Russisch gas aan de Duits-Tsjechische grens (Waidhaus), exclusief transportkosten. Waidhaus is het voornaamste leveringspunt voor Russisch gas aan de EU. Hierdoor zou de dumpingmarge aanzienlijk toenemen. Gezien het feit dat er zonder deze correctie al sprake is van dumping en in het licht van de onderstaande conclusies betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van de schade, werd niet nader op deze kwestie ingegaan.

1.3 Belarus, Libië en Oekraïne

(27) Zoals uiteengezet in de overwegingen 29, 38 en 45 hieronder, bereikte de uitvoer uit de drie betrokken landen van uitvoer een dergelijk laag niveau dat de daaraan verbonden uitvoerprijzen op zichzelf niet voldoende betrouwbaar geacht werden om tot een conclusie betreffende de voortzetting van dumping te komen.

2. Waarschijnlijkheid van herhaling van dumping

2.1 Belarus

(28) Aangezien Belarus niet als een land met een markteconomie wordt beschouwd, werd de normale waarde vastgesteld aan de hand van gegevens van een producent in een derde land met een markteconomie. In het bericht van opening werden de VS genoemd als mogelijk referentieland, aangezien dat al bij het oorspronkelijk onderzoek het geval was geweest. Geen enkele belanghebbende partij heeft dienaangaande schriftelijk opmerkingen ingediend. De Amerikaanse producent, die al bij het oorspronkelijke onderzoek had meegewerkt, zond een ingevulde vragenlijst in, die werd gebruikt voor de bepaling van de normale waarde.

(29) De enige bekende Belarussische producent diende een beantwoorde vragenlijst in. Over het geheel genomen voerde Belarus ongeveer 25 000 ton ureum uit, hetgeen een aandeel van 0,3% van de communautaire markt vertegenwoordigt. Gezien het zo geringe marktaandeel, werd er bij de analyse met betrekking tot Belarus vooral naar gekeken of het waarschijnlijk was dat de dumping zich zou herhalen.

(30) Het exportgedrag van Belarus ten opzichte van alle derde landen werd geanalyseerd. De uitvoer naar alle delen van de wereld vond plaats tegen prijzen die constant onder de normale waarde in het referentieland lagen, waaruit bleek dat de uitvoer naar andere exportmarkten tegen dumpingprijzen plaatsvond.

(31) Voorts werd nagegaan of er bij de Belarussische uitvoerprijzen van dumping sprake zou zijn als zij zich op het huidige gangbare prijsniveau in de Gemeenschap zouden bevinden. Het is immers niet waarschijnlijk dat een basisproduct als ureum boven het niveau van de huidige marktprijzen verkocht zou kunnen worden. De uitkomst van deze analyse heeft eveneens aanzienlijke dumpingmarges aan het licht gebracht.

(32) Tegelijkertijd werd geconstateerd dat de voor de uitvoer naar andere exportmarkten berekende uitvoerprijzen enigszins hoger waren dan de prijzen van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap. Daarom kan worden betwijfeld of de Gemeenschap qua prijsniveau een aantrekkelijker markt is dan andere markten van derde landen.

(33) In het licht van bovengenoemde feiten en overwegingen bestaan er aanwijzingen dat er zich bij het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk weer dumping zou voordoen.

2.2 Kroatië

(34) Zoals aangegeven in overweging 25 hierboven, werd geconstateerd dat de uitvoer naar de Gemeenschap plaatsvond met dumping. Het exportgedrag van Kroatië ten opzichte van alle derde landen werd eveneens geanalyseerd. De uitvoer naar alle delen van de wereld vond plaats tegen prijzen onder de normale waarde; hieruit bleek dat er zelfs zonder de bovengenoemde correctie sprake was van dumping.

(35) Voorts werd nagegaan of er bij de Kroatische uitvoerprijzen van dumping sprake zou zijn als zij zich op het huidige gangbare prijsniveau in de Gemeenschap zouden bevinden. Het is immers niet waarschijnlijk dat een basisproduct als ureum boven het niveau van de huidige marktprijzen verkocht zou kunnen worden. De uitkomst van deze analyse heeft eveneens aanzienlijke dumpingmarges aan het licht gebracht.

(36) Tegelijkertijd werd geconstateerd dat de voor de uitvoer naar andere exportmarkten berekende uitvoerprijzen enigszins hoger waren dan de prijzen van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap. Daarom kan worden betwijfeld of de Gemeenschap qua prijsniveau een aantrekkelijker markt is dan andere markten van derde landen.

(37) Er bestaan derhalve aanwijzingen dat er zich na het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk weer dumping zou voordoen.

2.3 Libië

(38) De enige bekende producent/exporteur beantwoordde de vragenlijst niet volledig. Aangezien hij de ontbrekende informatie niet heeft meegedeeld, moest waar nodig gebruik worden gemaakt van artikel 18 van de basisverordening. Uit de beschikbare gegevens bleek dat Libië tijdens het NOT ongeveer 70 000 ton ureum naar de Gemeenschap heeft uitgevoerd; dit cijfer komt met een aandeel van 0,8% van de communautaire markt overeen. Gezien dit geringe marktaandeel, werd er bij de analyse met betrekking tot Libië vooral naar gekeken of het waarschijnlijk was dat dumping zich zou herhalen. De analyse betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping werd aan de hand van de beschikbare gegevens verricht.

(39) Aangezien er geen representatieve binnenlandse verkoop op de Libische markt bestaat, werd de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening op basis van de productiekosten in het land van oorsprong plus een redelijk bedrag aan verkoop-, algemene en administratiekosten en aan winst vastgesteld. Een winstmarge van 8% werd in dit geval redelijk bevonden.

(40) De analyse van de door het medewerkende bedrijf in Libië beantwoorde vragenlijst toonde aan dat de kernactiviteit ervan uit export naar markten van andere derde landen bestond. Tijdens het NOT werd 570 000 ton naar derde markten uitgevoerd, d.w.z. meer dan achtmaal de totale uitvoer naar de communautaire markt. Uit de vergelijking van de voor deze uitvoer in rekening gebrachte uitvoerprijzen met de normale waarde die vastgesteld werd zoals hierboven beschreven, bleek dat er sprake was van een aanzienlijke dumpingmarge.

(41) Het valt ernstig te betwijfelen of de administratie van de producent/exporteur een redelijk beeld gaf van de kosten van gas, de belangrijkste grondstof bij de vervaardiging van ureum. En inderdaad werd aan de hand van de beschikbare gegevens vastgesteld dat het gas onder bijzondere voorwaarden werd verkregen: de Libische staat heeft een meerderheidsbelang in zowel de onderneming van de producent/exporteur als in die van de gasleverancier, en de gasprijzen waren abnormaal laag. Door een correctie zou de dumpingmarge aanzienlijk toenemen. Gezien het feit dat er zonder deze correctie al sprake is van dumping en in het licht van de onderstaande conclusies over de waarschijnlijkheid van herhaling van de schade, werd het niet nodig geacht om een dergelijke correctie toe te passen, ook al zou dat wel gerechtvaardigd zijn.

(42) Voorts werd nagegaan of er bij de Libische uitvoerprijzen van dumping sprake zou zijn als zij zich op het huidige gangbare prijsniveau in de Gemeenschap zouden bevinden. Het is immers niet waarschijnlijk dat een basisproduct als ureum boven het niveau van de huidige marktprijzen verkocht zou kunnen worden. De uitkomst van deze analyse heeft eveneens aanzienlijke dumpingmarges aan het licht gebracht.

(43) Tegelijkertijd werd geconstateerd dat de voor de uitvoer naar andere exportmarkten berekende uitvoerprijzen enigszins hoger waren dan de prijzen van de uitvoer naar de Europese Gemeenschap. Daarom kan worden betwijfeld of de Gemeenschap qua prijsniveau een aantrekkelijker markt is dan andere markten van derde landen.

(44) In het licht van het bovenstaande zijn er aanwijzingen dat er zich na het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk weer dumping zou voordoen.

2.4 Oekraïne

(45) Vier producenten werkten aan het onderzoek mee. Slechts twee daarvan voerden tijdens het NOT uit naar de Gemeenschap. Oekraïne voerde ongeveer 20 000 ton ureum uit, hetgeen een aandeel van 0,2% van de communautaire markt vertegenwoordigt. Gezien dit geringe marktaandeel, werd er bij de analyse met betrekking tot Oekraïne vooral naar gekeken of het waarschijnlijk was dat dumping zich zou herhalen.

(46) Ten aanzien van gaskosten werd geconstateerd dat Oekraïne het merendeel van het bij de productie van ureum gebruikte gas uit Rusland betrekt. Alle beschikbare gegevens duiden er in dit verband op dat Oekraïne aardgas uit Rusland invoert tegen prijzen die aanzienlijk lager zijn dan de marktprijzen die op de niet-gereguleerde markten voor aardgas worden betaald. Uit het onderzoek bleek dat de prijs van naar de Europese Gemeenschap uitgevoerd aardgas tweemaal zo hoog was als de binnenlandse gasprijs in Oekraïne. Daarom werden de gaskosten van de indiener van het verzoek overeenkomstig artikel 2, lid 5, van de basisverordening gecorrigeerd aan de hand van informatie over andere representatieve markten. De gecorrigeerde prijs werd gebaseerd op de gemiddelde uitvoerprijs van Russisch gas aan de Duits-Tsjechische grens (Waidhaus), exclusief transportkosten. Waidhaus is het voornaamste leveringspunt voor Russisch gas aan de EU, die de grootste afnemer van Russisch aardgas is en waar de prijzen een redelijk beeld van de kosten geven; daarom kan deze markt als representatief in de zin van artikel 2, lid 5, van de basisverordening worden beschouwd.

(47) Als gevolg van de correctie lagen de binnenlandse prijzen onder de kostprijs; daarom werden de productiekosten, verhoogd met een redelijke winstmarge van 8%, als normale waarde gebruikt. Voor het vierde bedrijf werden hiertoe naar behoren gecorrigeerde binnenlandse prijzen gebruikt.

(48) Vervolgens werd het exportgedrag van de Oekraïense producenten die uitvoerden naar alle derde landen onder de loep genomen. De uitvoer naar alle delen van de wereld vond plaats tegen prijzen die constant en aanzienlijk onder de aldus vastgestelde normale waarde lagen.

(49) Voorts werd nagegaan of er bij de Oekraïense uitvoerprijzen van dumping sprake zou zijn als zij zich op het huidige gangbare prijsniveau in de Gemeenschap zouden bevinden. Het is immers niet waarschijnlijk dat een basisproduct als ureum boven het niveau van de huidige marktprijzen verkocht zou kunnen worden. De uitkomst van deze analyse heeft eveneens aanzienlijke dumpingmarges aan het licht gebracht. Tegelijkertijd werd geconstateerd dat de voor de uitvoer naar andere exportmarkten berekende uitvoerprijzen zich op een vergelijkbaar niveau bevonden als de prijzen van uitvoer naar de Europese Gemeenschap. Daarom kan worden betwijfeld of de Gemeenschap qua prijsniveau een aantrekkelijker markt is dan andere markten van derde landen. In het licht van bovengenoemde feiten en overwegingen bestaan er aanwijzingen dat er zich na het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk weer dumping zou voordoen.

3. Ontwikkeling van de invoer indien de maatregelen worden ingetrokken

3.1 Belarus

(50) Volgens de beschikbare informatie beschikte Belarus tijdens het NOT over een reservecapaciteit van hoogstens ca. 150 000 ton. Voorts bedroeg de uitvoer naar andere derde landen ca. 225.000 ton.

(51) Het kan niet worden uitgesloten dat na de intrekking van de maatregelen een gedeelte van de reservecapaciteit voor de Gemeenschap zal worden bestemd. De enige Belarussische exporteur beschikt over goed ontwikkelde distributiekanalen in de Gemeenschap, die over het algemeen – vooral voor landen die geografisch gezien dichtbij liggen – vanwege de omvang van haar markt een aantrekkelijk afzetgebied is.

(52) Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat een gedeelte van deze hoeveelheden ook naar andere derde landen zal worden uitgevoerd, aangezien het waarschijnlijke prijsniveau aldaar prijzen af fabriek oplevert die vergelijkbaar met (of zelfs hoger) zijn dan de prijzen die bij uitvoer naar de Gemeenschap zouden kunnen worden verkregen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat het ureumverbruik in andere delen van de wereld zal toenemen, gezien de huidige trends in de richting van een groeiende landbouwproductie. Al met al wordt niet verwacht dat bij het vervallen van de maatregelen de gehele reservecapaciteit zal worden uitgevoerd, maar wel dat de uitvoer waarschijnlijk boven het minimumniveau zal liggen.

(53) Soortgelijke argumenten gelden ook voor de mogelijkheid dat de voor derde landen bestemde uitvoer in de nabije toekomst naar de communautaire markt wordt verlegd; daardoor lijkt het onwaarschijnlijk dat de naar de communautaire markt uitgevoerde hoeveelheden na het vervallen van de maatregelen aanzienlijk zouden stijgen.

3.2 Kroatië

(54) Volgens de beschikbare informatie had Kroatië tijdens het NOT een reservecapaciteit van hoogstens ca. 120 000 ton. Voorts bedroeg de uitvoer naar andere derde landen ca. 60.000 ton. Het kan niet worden uitgesloten dat na de intrekking van de maatregelen een gedeelte van de reservecapaciteit naar de Gemeenschap zal worden verlegd. De enige Kroatische exporteur beschikt over goed ontwikkelde distributiekanalen in de Gemeenschap, die over het algemeen – vooral voor landen die geografisch gezien dichtbij liggen – vanwege de omvang van haar markt een aantrekkelijk afzetgebied is.

(55) Antidumpingmaatregelen hebben Kroatië er echter niet van weerhouden om aanzienlijke hoeveelheden naar de Gemeenschap uit te voeren. Niets wijst erop dat dergelijke maatregelen de uitvoer van nog meer hoeveelheden naar de Gemeenschap zouden hebben kunnen verhinderen. Aangezien dit niet het geval is geweest, is het niet waarschijnlijk dat deze capaciteit zal worden aangeboord om de uitvoer naar de Gemeenschap aanzienlijk te vergroten. Voorts kan niet worden uitgesloten dat een gedeelte van deze hoeveelheden ook naar andere derde landen kan worden uitgevoerd, aangezien het waarschijnlijke prijsniveau aldaar prijzen af fabriek oplevert die vergelijkbaar met (of lichtelijk hoger) zijn dan de prijzen die bij uitvoer naar de Gemeenschap zouden kunnen worden verkregen.

(56) Voorts kan niet worden uitgesloten dat het ureumverbruik in andere delen van de wereld zal toenemen, gezien de huidige trends in de richting van een groeiende landbouwproductie. Al met al ligt het niet in de lijn der verwachting dat een aanzienlijk deel van de Kroatische reservecapaciteit zal worden aangeboord om meer naar de Gemeenschap uit te voeren; gezien het huidige exportniveau, zal de omvang van de uitvoer naar de Gemeenschap naar verwachting echter boven het minimumniveau blijven liggen.

(57) Soortgelijke argumenten gelden ook voor de mogelijkheid dat de voor derde landen bestemde uitvoer in de nabije toekomst naar de communautaire markt wordt verlegd; daardoor lijkt het onwaarschijnlijk dat de naar de communautaire markt uitgevoerde hoeveelheden na het vervallen van de maatregelen aanzienlijk zouden stijgen.

3.3 Libië

(58) Volgens de beschikbare informatie had Libië tijdens het NOT een reservecapaciteit van hoogstens ca. 140 000 ton. Voorts bedroeg de uitvoer naar andere derde landen ca. 570.000 ton. Het kan niet worden uitgesloten dat na de intrekking van de maatregelen een gedeelte van de reservecapaciteit naar de Gemeenschap zal worden verlegd. De enige Libische exporteur beschikt over goed ontwikkelde distributiekanalen in de Gemeenschap, die over het algemeen – vooral voor landen die geografisch gezien dichtbij liggen – vanwege de omvang van haar markt een aantrekkelijk afzetgebied is.

(59) Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat een gedeelte van deze hoeveelheden ook naar andere derde landen wordt uitgevoerd, aangezien het waarschijnlijke prijsniveau aldaar prijzen af fabriek oplevert die vergelijkbaar met (of zelfs hoger) zijn dan de prijzen die bij uitvoer naar de Gemeenschap zouden kunnen worden verkregen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat het ureumverbruik in andere delen van de wereld zal toenemen, gezien de huidige trends in de richting van een groeiende landbouwproductie. Al met al wordt niet verwacht dat bij het vervallen van de maatregelen de gehele reservecapaciteit zal worden uitgevoerd, maar wel dat de uitvoer waarschijnlijk boven het minimumniveau zal liggen.

(60) Soortgelijke argumenten gelden ook voor de mogelijkheid dat de voor derde landen bestemde uitvoer in de nabije toekomst naar de communautaire markt wordt verlegd; daardoor lijkt het onwaarschijnlijk dat de naar de communautaire markt uitgevoerde hoeveelheden na het vervallen van de maatregelen aanzienlijk zouden stijgen.

3.4 Oekraïne

(61) Volgens de beschikbare informatie had Oekraïne tijdens het NOT een reservecapaciteit van hoogstens ca. 375 000 ton. Voorts bedroeg de uitvoer naar andere derde landen ca. 3 500 000 ton. Het kan niet worden uitgesloten dat na de intrekking van de maatregelen een gedeelte van de reservecapaciteit voor de Gemeenschap zal worden bestemd. De Oekraïense exporteurs beschikken over goed ontwikkelde distributiekanalen in de Gemeenschap, die over het algemeen – vooral voor landen die geografisch gezien dichtbij liggen – vanwege de omvang van haar markt een aantrekkelijk afzetgebied is. Het kan evenwel niet worden uitgesloten dat een gedeelte van deze hoeveelheden ook naar andere derde landen wordt uitgevoerd, aangezien het waarschijnlijke prijsniveau aldaar prijzen af fabriek oplevert die vergelijkbaar zijn met de prijzen die bij uitvoer naar de Gemeenschap zouden kunnen worden verkregen. Voorts kan niet worden uitgesloten dat het ureumverbruik in andere delen van de wereld zal toenemen, gezien de huidige trends in de richting van een groeiende landbouwproductie. Al met al wordt niet verwacht dat bij het vervallen van de maatregelen de gehele reservecapaciteit zal worden uitgevoerd, maar wel dat de uitvoer waarschijnlijk boven het minimumniveau zal liggen.

(62) Wat betreft een mogelijke verlegging van de uitvoer van derde landen naar de Gemeenschap, betoogden de indieners van het verzoek dat de voorspelde capaciteitstoename in andere regio's (met name het Midden-Oosten) de Oekraïense uitvoer in de orde van grootte van meer dan 3 000 000 ton, voornamelijk in Azië, maar ook in Afrika en Latijns-Amerika, zou verdringen, zodat dit uitvoervolume dan naar de Gemeenschap zou worden verlegd. Op basis van de beschikbare informatie kan echter niet worden geconcludeerd dat er een dergelijke verschuiving zal plaatsvinden, onder meer omdat het toegenomen wereldwijde verbruik deze extra hoeveelheden heel wel kan absorberen als zij in de handel worden gebracht. Bovendien is het niet uitgesloten dat de capaciteit gedurende een langere periode zal toenemen dan de indiener van het verzoek suggereert. Het is kortom niet mogelijk om te bevestigen of het waarschijnlijk is dat na het vervallen van de maatregelen in de nabije toekomst aanzienlijke extra hoeveelheden naar de communautaire markt zullen worden verlegd.

4. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van invoer met dumping

(63) Op grond van de bovengenoemde analyse luidt de conclusie dat het bij intrekking van de maatregelen in het geval van Kroatië onwaarschijnlijk is dat de invoer met dumping van aanzienlijke hoeveelheden ureum zal worden voortgezet of dat deze zich in het geval van de drie andere betrokken landen zal herhalen.

D. DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE GEMEENSCHAP

1. Definitie van de communautaire productie

(64) In de Gemeenschap wordt het soortgelijke product vervaardigd door zestien producenten wier productie als de totale communautaire productie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening wordt beschouwd. Acht daarvan werden na de uitbreiding van de Europese Unie ('EU') in mei 2004 communautaire producenten.

(65) Van de zestien communautaire producenten gingen er twaalf mee akkoord om medewerking aan het onderzoek te verlenen, terwijl drie de verlangde informatie verstrekten die benodigd was voor het samenstellen van een steekproef, maar geen verdere medewerking aanboden. Geen enkele communautaire producent heeft bezwaar gemaakt tegen het verzoek om een nieuw onderzoek.

(66) Dienovereenkomstig verklaarden de volgende twaalf producenten zich bereid om mee te werken:

- Achema AB (Litouwen),

- Adubos de Portugal (Portugal),

- AMI Agrolinz Melamine International GmbH (Oostenrijk),

- Duslo AS (Slowakije),

- Fertiberia S.A. (Spanje),

- AS Nitrofert (Estland),

- Nitrogénmüvek Zrt. (Hongarije),

- SKW Stickstoffwerke Piesteritz (Duitsland),

- Yara Group: bestaande uit Yara France S.A. (Frankrijk), Yara Italia Spa (Italië), Yara Brunsbüttel GmbH (Duitsland) en Yara Sluiskil B.V. (Nederland).

- Zaklady Azotowe Pulawy (Polen).

- ZAK SA (Polen),

- BASF GmbH (Duitsland).

(67) Deze twaalf communautaire producenten namen tijdens het NOT ongeveer 80% van de totale communautaire productie voor hun rekening, dus een groot deel van de totale communautaire productie van het soortgelijke product. Zij worden dus als de bedrijfstak van de Gemeenschap in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening beschouwd en zullen hierna als 'de bedrijfstak van de Gemeenschap' worden aangeduid. De vier niet-medewerkende communautaire producenten worden hierna aangeduid als 'andere communautaire producenten'.

(68) Zoals hierboven al is vermeld, is een steekproef van vier bedrijven samengesteld. Alle in de steekproef opgenomen communautaire producenten hebben medewerking verleend en hebben de vragenlijst binnen de termijn ingevuld teruggezonden. Daarnaast hebben de overige acht medewerkende producenten bepaalde algemene gegevens voor de schadeanalyse verstrekt.

E. SITUATIE OP DE COMMUNAUTAIRE MARKT

1. Verbruik in de Gemeenschap

(69) Het zichtbare verbruik in de Gemeenschap werd vastgesteld aan de hand van de omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt, de omvang van de verkoop door de andere communautaire producenten op de communautaire markt en door middel van gegevens van Eurostat over de totale EU-invoer. In verband met de uitbreiding van de Europese Unie in 2004 werd voor de duidelijkheid en coherentie van de analyse het verbruik gedurende de gehele beoordelingsperiode op basis van de markt van de EU-25 bepaald. Omdat dit onderzoek vóór de toetreding van Bulgarije en Roemenië tot de Europese Unie is geopend, beperkt de analyse zich tot de marktsituatie van de EU-25.

(70) Tussen 2002 en 2003 nam het verbruik in de Gemeenschap met 3% toe en het bleef constant tot het eind van het NOT.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

Totaal verbruik in de Gemeenschap (ton) | 8 650 000 | 8 945 000 | 8 955 000 | 8 875 000 | 8 950 000 |

Index (2002=100) | 100 | 103 | 104 | 103 | 103 |

2. Invoer uit de betrokken landen

2.1. Omvang, marktaandeel en prijzen van de invoer

(71) De omvang, het marktaandeel en de gemiddelde prijzen van de invoer uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne hebben zich als volgt ontwikkeld. De gegevens zijn ontleend aan statistieken van Eurostat.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

Omvang van de invoer (ton) | 134.931 | 167.981 | 62.546 | 62.044 | 25.193 |

Marktaandeel | 1,6% | 1,9% | 0,7% | 0,7% | 0,3% |

Prijzen van de invoer (euro/ton) | 107,5 | 126,6 | 148,5 | 165,7 | 190,5 |

Index (2002=100) | 100 | 118 | 138 | 154 | 177 |

Oekraïne - Omvang van de invoer (ton) | 44 945 | 36 304 | 77 270 | 84 338 | 52 553 |

Marktaandeel | 0,5% | 0,4% | 0,8% | 0,9% | 0,5% |

Prijzen van de invoer (euro/ton) | 117,4 | 134,5 | 139,6 | 192,7 | 194,0 |

Index (2002=100) | 100 | 115 | 119 | 164 | 165 |

Kroatië – Omvang van de invoer (ton) | 126.400 | 179.325 | 205.921 | 187.765 | 208.050 |

Marktaandeel | 1,5% | 2,0% | 2,3% | 2,1% | 2,3% |

Prijzen van de invoer (euro/ton) | 125,1 | 135,0 | 145,0 | 171,7 | 185,0 |

Index (2002=100) | 100 | 108 | 116 | 137 | 148 |

Libië - Omvang van de invoer (ton) | 142.644 | 227.793 | 153.390 | 124.515 | 73.361 |

Marktaandeel | 1,6% | 2,5% | 1,7% | 1,4% | 0,8% |

Prijzen van de invoer (euro/ton) | 114,1 | 134,9 | 147,2 | 193,8 | 201,6 |

Index (2002=100) | 100 | 118 | 129 | 170 | 177 |

(72) In het geval van Belarus daalde de omvang van de invoer tussen 2002 en 2003 licht en bleef deze gedurende de beoordelingsperiode aanhoudend dalen (-81% voor de gehele periode). Ook het marktaandeel van Belarus steeg tussen 2002 en 2003 lichtelijk, om vervolgens voortdurend te dalen tot 0,3% in het NOT. De invoer was vanaf 2004 minimaal. De prijzen hebben zich tijdens de beoordelingsperiode positief ontwikkeld, van 107 tot 190 euro/ton.

(73) De invoer uit Oekraïne bleef constant onder de minimumdrempel, terwijl tussen 2002 en het eind van het NOT de invoerprijzen met 65% stegen.

(74) De Kroatische invoer was gedurende de gehele beoordelingsperiode met een aandeel van omstreeks 2% van de communautaire markt vrij stabiel, terwijl de invoerprijzen met 48% stegen.

(75) De invoer uit Libië nam in 2003 toe, maar daalde vervolgens voortdurend tot het eind van het NOT. Gedurende de gehele periode nam de invoer met 49% af en het marktaandeel ervan is van 1,6% in 2002 tot 0,8% in het NOT gedaald. Net als in het geval van de andere betrokken landen stegen de Libische invoerprijzen tussen 2002 en het eind van het NOT, en wel met 77%.

(76) De prijsstijging in de vier landen is verhoudingsgewijs groter dan of vergelijkbaar met de stijging van de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(77) Voor de berekening van de prijsonderbieding tijdens het NOT voor Kroatië werden de prijzen af fabriek die de bedrijfstak van de Gemeenschap aan niet-verbonden afnemers berekende, vergeleken met de cif-invoerprijzen, grens Gemeenschap, van de enige medewerkende Kroatische producent/exporteur, naar behoren gecorrigeerd om de prijs inclusief lossen, inklaring en invoerrechten weer te geven. Uit de vergelijking bleek dat de Kroatische invoer de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap met 4,7% onderbood. Deze prijzen waren echter vergelijkbaar met de voor de bedrijfstak van de Gemeenschap vastgestelde geen schadeveroorzakende prijs.

(78) Gezien het feit dat het marktaandeel van drie van de vier betrokken landen, zowel individueel als collectief, onder de minimumdrempel lag, werd geconcludeerd dat hun uitvoer naar de Gemeenschap geen schade veroorzaakte en dat de prijsonderbiedingsmarge niet relevant was voor de analyse van de voortzetting van de schade.

3. Invoer uit andere landen

(79) In onderstaande tabel wordt de omvang van de invoer uit andere derde landen tijdens de beoordelingsperiode weergegeven. Ook hier zijn de cijfers inzake omvang en prijzen vastgesteld aan de hand van gegevens van Eurostat.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

Omvang van de invoer uit Rusland (ton) | 1 360 025 | 1 429 543 | 1 783 742 | 1 404 863 | 1 488 367 |

Marktaandeel | 15,7% | 16,0% | 19,9% | 15,8% | 16,6% |

Prijzen van de invoer uit Rusland (euro/ton) | 119 | 133 | 154 | 180 | 196 |

Omvang van de invoer uit Egypte (euro/ton) | 579 830 | 629 801 | 422 892 | 385 855 | 624 718 |

Marktaandeel | 6,7% | 7,0% | 4,7% | 4,3% | 7,0% |

Prijzen van de invoer uit Egypte (euro/ton) | 149 | 163 | 178 | 220 | 222 |

Omvang van de invoer uit Roemenië (ton) | 260 298 | 398 606 | 235 417 | 309 195 | 248 377 |

Marktaandeel | 3,0% | 4,5% | 2,6% | 3,5% | 2,8% |

Prijzen van de invoer uit Roemenië (euro/ton) | 123 | 142 | 175 | 197 | 210 |

Omvang van de invoer uit alle andere landen (ton) | 373.732 | 291.620 | 254.311 | 336.110 | 326.579 |

Marktaandeel | 4,3% | 3,3% | 2,8% | 3,8% | 3,6% |

Prijzen van de invoer uit alle andere landen (euro/ton) | 141 | 170 | 194 | 221 | 224 |

Marktaandeel van alle derde landen | 29,7% | 30,8% | 30,0% | 27,4% | 30,0% |

(80) De totale invoer uit derde landen nam gedurende de gehele periode met 4,4% toe. Deze ontwikkeling is voornamelijk het gevolg van de toename van de invoer uit Rusland (+9,4%), verreweg het belangrijkste land van uitvoer. Ook wordt erop gewezen dat er gedurende de gehele beoordelingsperiode maatregelen in de vorm van een minimuminvoerprijs op de invoer uit Rusland van toepassing waren, die zijn ingetrokken bij Verordening (EG) nr. 907/2007 van de Raad[8] (zie overweging 6 hierboven). Tussen 2002 en het eind van het NOT nam de invoer uit Egypte met 7,7% toe, terwijl de invoer uit andere derde landen een daling in dezelfde orde van grootte liet zien, waarbij Roemenië 40% van deze invoer voor zijn rekening nam. Wat betreft de uitvoerprijzen: alle bovengenoemde landen hebben in het NOT naar de Gemeenschap uitgevoerd tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap niet onderboden en/of boven de geen schadeveroorzakende prijs van de bedrijfstak van de Gemeenschap lagen.

4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap

(81) Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening onderzocht de Commissie alle relevante economische factoren en indicatoren die op de situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap van invloed waren.

4.1. Opmerkingen vooraf

(82) De meeste medewerkende communautaire producenten bleken het soortgelijke product verder te verwerken tot stikstofhoudende mengmeststoffen of synthetische meststoffen, die naast stikstof in water nog andere stoffen zoals oplosbaar fosfor en/of oplosbaar kalium bevatten.

(83) Dergelijk binnen het bedrijf voor eigen gebruik verder verwerk ureum komt niet op de open markt en concurreert dan ook niet rechtstreeks met het ingevoerde betrokken product. Het onderzoek toonde aan dat deze productie voor eigen gebruik een gelijkblijvend aandeel van om en nabij 20% van de totale productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap uitmaakt. Daarom kan deze productie geen aanmerkelijke invloed hebben op de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap

(84) Wanneer gebruik wordt gemaakt van een steekproef, is het vaste praktijk bepaalde schade-indicatoren (productie, productiecapaciteit, voorraden, verkoop, marktaandeel, groei en werkgelegenheid) voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel ('BG' in onderstaande tabellen) te analyseren en schade-indicatoren die betrekking hebben op de resultaten van individuele bedrijven (prijzen, productiekosten, winstgevendheid, lonen, investeringen, rendement van investeringen, kasstroom en het vermogen om kapitaal aan te trekken) aan de hand van gegevens over de communautaire producenten in de steekproef ('SP' in onderstaande tabellen) te onderzoeken.

4.2. Gegevens over de bedrijfstak van de Gemeenschap als geheel

a) Productie

(85) Tussen 2002 en het eind van het NOT bleef de productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap, inclusief de productie voor eigen gebruik, vrijwel constant: in 2003 nam zij met 5% toe en in 2004 daalde zij weer met hetzelfde percentage. In 2005 en tijdens het NOT werd een geringe toename van respectievelijk 2% en 1 procentpunt geregistreerd en werd een niveau van 4,45 miljoen ton bereikt.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: productie (ton) | 4 300 000 | 4 500 000 | 4 300 000 | 4 400 000 | 4 450 000 |

Index (2002 = 100) | 100 | 105 | 100 | 102 | 103 |

BG: productie voor eigen gebruik | 800 000 | 800 000 | 800 000 | 900 000 | 900 000 |

In % van de totale productie | 19,3% | 18,5% | 19,5% | 20,6% | 20,2% |

Bron : Klagers, antwoorden op de steekproefvragenlijst en gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst

b) Capaciteit en bezettingsgraad

(86) De productiecapaciteit is marginaal gestegen (met 5%) in de periode van 2002 tot het eind van het NOT. Omdat de geproduceerde hoeveelheid constant bleef, daalde de bezettingsgraad in de beoordelingsperiode licht, van 84% in 2002 tot 81% in het NOT. De bezettingsgraad bij dit soort productie en in deze sector kan evenwel worden beïnvloed doordat met hetzelfde productiematerieel ook andere producten kunnen worden vervaardigd; de bezettingsgraad is als schade-indicator dus van minder belang.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: productiecapaciteit (ton) | 5 100 000 | 5 200 000 | 5 200 000 | 5 400 000 | 5 360 000 |

Index (2002=100) | 100 | 101 | 101 | 106 | 105 |

BG: bezettingsgraad | 84% | 88% | 84% | 81% | 81% |

Index (2002=100) | 100 | 104 | 100 | 96 | 96 |

c) Voorraden

(87) Het niveau van de eindvoorraden van de bedrijfstak van de Gemeenschap bleef tussen 2002 en 2004 tamelijk stabiel en nam vervolgens fors toe (met 24 procentpunt in 2005 en nog eens 13 procentpunt aan het eind van het NOT). Aangezien voor eigen gebruik vervaardigd ureum samen met het op de vrije markt verkochte product wordt opgeslagen, wordt het niveau van de voorraden evenwel geacht een schade-indicator van minder belang te zijn. Ook wordt erop gewezen dat het eind van het NOT samenviel met het begin van de seizoenverkoop.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: eindvoorraden (ton) | 250 000 | 240 000 | 260 000 | 320 000 | 350 000 |

Index (2002 = 100) | 100 | 94 | 103 | 127 | 140 |

d) Omvang van de verkoop

(88) De verkoop van de bedrijfstak van de Gemeenschap op de communautaire markt daalde tussen 2002 en het eind van het NOT licht, namelijk met 3%.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: omvang van de verkoop in de Gemeenschap (ton) | 3 150 000 | 3 240 000 | 3 050 000 | 3 000 000 | 3 070 000 |

Index (2002 = 100) | 100 | 103 | 97 | 95 | 97 |

e) Marktaandeel

(89) Het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en het eind van het NOT ook enigszins af, en wel van 36,5% tot 34,3%.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: marktaandeel | 36,5% | 36,3% | 34,1% | 33,8% | 34,3% |

Index (2002 = 100) | 100 | 99 | 93 | 93 | 94 |

f) Groei

(90) Tijdens de beoordelingsperiode heeft de bedrijfstak van de Gemeenschap op een stabiele markt een klein deel van zijn marktaandeel verloren. Het door de bedrijfstak van de Gemeenschap verloren marktaandeel werd echter niet door de betrokken vier landen overgenomen, aangezien zij hun marktaandeel tussen 2002 en het eind van het NOT van 5,8% tot 4,4% zagen dalen.

g) Werkgelegenheid

(91) Het aantal werknemers in de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en het eind van het NOT met 6% af terwijl de productie lichtelijk steeg, waaruit het voortdurende streven van deze bedrijfstak naar verbetering van zijn productiviteit en concurrentievermogen blijkt.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: aantal werknemers i.v.m. het betrokken product | 1 235 | 1 230 | 1 155 | 1 160 | 1 165 |

Index (2002 = 100) | 100 | 100 | 94 | 94 | 94 |

h) Productiviteit

(92) De jaarlijkse productie per werknemer in de bedrijfstak van de Gemeenschap nam tussen 2002 en 2003 toe en bleef constant tot het eind van het NOT: het positieve effect van een gelijktijdige daling van het aantal werknemers en een hogere productie van de bedrijfstak van de Gemeenschap.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

BG: productiviteit (ton per werknemer) | 3 500 | 3 700 | 3 745 | 3 765 | 3 735 |

Index (2002 = 100) | 100 | 106 | 107 | 108 | 107 |

i) Hoogte van de dumpingmarge

(93) Omdat i) de uit Belarus, Oekraïne en Libië ingevoerde hoeveelheden onder het minimumniveau lagen; ii) de invoer uit Kroatië stabiel was, tegen prijzen die overeenkomstig de EU-verkoopprijzen waren gestegen; en iii) de algemene financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap zeer positief was, worden de gevolgen van de hoogte van de dumpingmarge tijdens het NOT voor de bedrijfstak van de Gemeenschap als onbelangrijk beschouwd, zodat deze marge geen indicator van betekenis is.

j) Herstel van de effecten van eerdere dumping

(94) Uit de hierboven en hieronder onderzochte indicatoren blijkt duidelijk dat de economische en financiële situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap aanzienlijk is verbeterd.

4.3. Gegevens over de in de steekproef opgenomen communautaire producenten

a ) Verkoopprijzen en factoren die van invloed zijn op de binnenlandse prijzen

(95) De gemiddelde nettoverkoopprijzen van de bij de steekproef betrokken producenten van de bedrijfstak van de Gemeenschap namen van 2004 tot aan het eind van het NOT drastisch toe als gevolg van de voortdurende stijging van de kosten van de grondstof en de gunstige internationale marktvoorwaarden voor ureum in dezelfde periode.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

SP: eenheidsprijzen op de communautaire markt (euro/ton) | 138 | 149 | 164 | 189 | 207 |

Index (2002 = 100) | 100 | 108 | 120 | 138 | 151 |

b) Lonen

(96) Zoals blijkt uit onderstaande tabel is het gemiddelde loon per werknemer tussen 2002 en het eind van het NOT met 13% gestegen. Dat is een matige toename gezien de inflatie en de algemene daling van het aantal werknemers.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

SP: jaarlijkse arbeidskosten per werknemer (000 euro) | 44,2 | 47,2 | 47,1 | 48,6 | 49,9 |

Index (2002 = 100) | 100 | 107 | 107 | 110 | 113 |

c) Investeringe n

(97) De jaarlijkse investeringen in het soortgelijke product van de vier in de steekproef opgenomen producenten hebben zich tijdens de beoordelingsperiode positief ontwikkeld, zij zijn met 74% gestegen, ook al deden er zich enkele schommelingen voor. Bij deze investeringen ging het voornamelijk om de modernisering van het machinepark en inspanningen voor het milieu. Dit is een bevestiging van het streven van de bedrijfstak van de Gemeenschap naar voortdurende verbetering van zijn productiviteit en concurrentievermogen. De resultaten van deze inzet zijn duidelijk zichtbaar: de productiviteit is in deze periode aanzienlijk gestegen (zie overweging 92).

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

SP: netto-investeringen (000 euro) | 20 493 | 11 095 | 31 559 | 40 001 | 35 565 |

Index (2002 = 100) | 100 | 54 | 154 | 195 | 174 |

d) Winstgevendheid en rendement van de investeringen

(98) De winstgevendheid van de in de steekproef opgenomen producenten verbeterde zich tussen 2002 en 2005 aanzienlijk, toen zij meer dan 19% van de afzetwaarde bedroeg. Een gestage stijging van de gasprijs sinds begin 2006 heeft dit resultaat tijdens het NOT tot 10,7% teruggebracht. Bij het oorspronkelijke onderzoek was in dit verband vastgesteld dat zonder schade veroorzakende dumping een winstmarge van 8% haalbaar was. Het rendement van de investeringen, uitgedrukt in procenten van de nettoboekwaarde, volgde in de gehele beoordelingsperiode grotendeels de trend van de winstgevendheid.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

SP: winstgevendheid van de EG-verkoop aan niet-verbonden afnemers (% van de nettoverkoop) | 4,6% | 11,1% | 18,4% | 19,3% | 10,7% |

Index (2002 = 100) | 100 | 241 | 400 | 419 | 233 |

SP: rendement van investeringen (in % van de nettoboekwaarde) | 10,7% | 31,0% | 48,8% | 51,1% | 29,4% |

Index (2002 = 100) | 100 | 290 | 456 | 477 | 275 |

e) Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken

(99) De kasstroom is tussen 2002 een 2005 aanzienlijk toegenomen, maar is tijdens het NOT weer geleidelijk gedaald. Deze ontwikkeling was in overeenstemming met de ontwikkeling van de algemene winstgevendheid in de beoordelingsperiode.

2002 | 2003 | 2004 | 2005 | NOT |

SP: kasstroom (000 euro) | 38 534 | 60 289 | 92 671 | 111 722 | 58 912 |

Index (2002 = 100) | 100 | 156 | 240 | 290 | 153 |

(100) Uit het onderzoek bleek niet dat de bij de steekproef betrokken producenten moeilijkheden hadden ondervonden bij het aantrekken van kapitaal.

5. Conclusie

(101) Tussen 2002 en het eind van het NOT nam het marktaandeel van de bedrijfstak van de Gemeenschap licht af, evenals de door de bedrijfstak op de communautaire markt verkochte hoeveelheid. De algemene situatie van de bedrijfstak van de Gemeenschap is in de beoordelingsperiode echter verbeterd.

(102) Bijna alle overige schade-indicatoren, met uitzondering van de toename van de voorraden, hebben zich positief ontwikkeld: het productievolume en de verkoopprijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn toegenomen en de winstgevendheid lag – na 2002 – in belangrijke mate boven het streefniveau van het oorspronkelijke onderzoek.

(103) Ook het rendement van de investeringen en de kasstroom hebben zich positief ontwikkeld. De loonontwikkeling was gematigd en de bedrijfstak van de Gemeenschap is blijven investeren. Ook de productiviteit is flink toegenomen als gevolg van de positieve ontwikkeling van de productie en de inspanningen van de bedrijfstak van de Gemeenschap om zijn productiviteit door middel van investeringen te verbeteren.

(104) De indiener van het verzoek heeft aangevoerd dat de nettowinstgevendheid van de ureumindustrie, uitgedrukt als het bedrijfsresultaat in procenten van de omzet, op de lange termijn op 25% zou moeten liggen. Dit zou overeenkomen met een winstmarge vóór belastingen van ongeveer 36%. Volgens de indiener van het verzoek werd dit gerechtvaardigd door de kosten van de bouw van een nieuwe ammoniak-/ureumfabriek, waarvoor een investeringsrendement van 11% nodig zou zijn (hetgeen zou overeenkomen met een winstmarge vóór belastingen van 36%). Er wordt in dit verband op gewezen dat de indiener van het verzoek in het kader van deze procedure niet eerder melding heeft gemaakt van een dergelijk hoog streefniveau voor de winstgevendheid en dat in het oorspronkelijke onderzoek was vastgesteld dat zonder schade veroorzakende dumping een winstmarge van 8% haalbaar was. 'Voorts heeft het Gerecht van eerste aanleg in zijn arrest in zaak T-210/95 bevestigd dat 'de door de Raad te hanteren winstmarge ter berekening van de richtprijs waarbij de schade kan worden opgeheven, ten hoogste de winstmarge dient te zijn die de communautaire industrie onder normale concurrentievoorwaarden, zonder invoer met dumping, in redelijkheid mag verwachten'. [9] In dezelfde zaak is ook bevestigd dat voor het '…argument dat de Gemeenschapsinstellingen moeten uitgaan van de winstmarge die nodig is om het voortbestaan van de communautaire industrie en een voldoende kapitaalopbrengst te garanderen, […] geen grondslag [is] te vinden in de basisverordening'.

(105) Volgens de indiener van het verzoek is, in het geval van de meststoffensector, het omzetrendement geen geschikte schade-indicator met betrekking tot winst, en waren kapitaalopbrengst en/of het rendement van investeringen bruikbaarder voor een dergelijke beoordeling. Voorts werd gesteld dat er van schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap kon worden gesproken, wanneer de analyse op laatstgenoemde indicatoren werd gebaseerd.

(106) Gezien de specifieke kenmerken van de meststoffensector (onder andere of bijvoorbeeld de kapitaalintensiteit ervan) en de aard van de meststoffenmarkt (de fluctuaties van de prijzen van de grondstoffen en het eindproduct) is het omzetrendement op zich misschien niet de duidelijkste indicator met betrekking tot winstgevendheid en zouden daarnaast indicatoren als kapitaalopbrengst en het rendement van investeringen in aanmerking moeten worden genomen. De indiener van het verzoek heeft echter geen bewijsmateriaal aangevoerd waaruit bleek dat de winst van de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder de invoer met dumping op het vereiste niveau zou liggen. De indiener van het verzoek heeft evenmin aangetoond welke winstmarge de bedrijfstak van de Gemeenschap zonder de invoer met dumping had kunnen behalen. Dit argument werd dan ook van de hand gewezen.

(107) Derhalve luidt de conclusie dat er geen sprake was van voortzetting van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap.

F. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN DE SCHADE

1. Algemeen

(108) Aangezien er geen sprake is van voortzetting van aanmerkelijke schade door invoer uit het betrokken land, richtte de analyse zich vooral op de vraag hoe waarschijnlijk een herhaling van de schade zou zijn indien de maatregelen zouden worden ingetrokken. In dit verband werden met name de volgende twee belangrijke parameters onderzocht: i) de mogelijke omvang van de uitvoer en uitvoerprijzen van de betrokken landen en ii) het effect van de verwachte omvang en prijzen van de uitvoer uit de betrokken landen op de bedrijfstak van de Gemeenschap.

(109) Deze analyse moet worden gezien in de context van een algemene marktsituatie die gekenmerkt wordt door aanhoudend hoge prijzen en winsten, niet alleen in de Gemeenschap maar wereldwijd. Dit is voornamelijk het gevolg van het feit dat de vraag groter is dan het aanbod. Niets lijkt erop te wijzen dat er op de korte tot middellange termijn verandering zal komen in deze algemene situatie.

2. Mogelijke omvang van de uitvoer en uitvoerprijzen van de betrokken landen

(110) Zoals hierboven vermeld, zouden de Oekraïense producenten/exporteurs waarschijnlijk ten hoogste 375 000 ton ureum meer naar de Gemeenschap uitvoeren, indien de maatregelen vervallen. Voor Libië en Belarus bedragen de te verwachten extra hoeveelheden op zijn hoogst respectievelijk 140 000 en 150 000 ton. Voor Kroatië geldt hetzelfde: de huidige uitvoer zou niet in belangrijke mate stijgen.

(111) De prijzen van de uitvoer naar de Gemeenschap en derde landen zijn hierboven geanalyseerd. Naast de hieronder beschreven marktvoorwaarden en de te verwachten ontwikkeling van de belangrijkste kostenfactoren, zoals gas, lijkt ook deze analyse erop te wijzen dat de uitvoerprijzen waarschijnlijk hoog zullen blijven. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat het plausibel is dat de prijzen de kosten of de prijzen van de bedrijfstak van de Gemeenschap in ernstige mate zouden onderbieden.

3. Effect van de verwachte omvang van de uitvoer en prijzen op de bedrijfstak van de Gemeenschap bij het intrekken van de maatregelen

(112) Volgens de prognoses zal de ureummarkt in zowel de Gemeenschap[10] als wereldwijd de komende jaren aanzienlijk groeien, voornamelijk als gevolg van de toegenomen landbouwproductie (voor biobrandstoftoepassingen) en van een groeiend industrieel gebruik van AdBlue[11]. Zo bevestigt bijvoorbeeld het door het directoraat-generaal Landbouw in juli 2007 uitgebrachte verslag over de vooruitzichten voor de landbouwmarkten in de Europese Unie voor 2007-2014 dat de graanproductie in deze periode waarschijnlijk met 20% zal toenemen. Volgens de eigen schatting van de indiener van de aanvraag zou het om een toename van 10% gaan. Voorts werd eind september 2007 bij Verordening (EG) nr. 1107/2007 van de Raad[12] vastgesteld dat er voor 2008 afwijkingen mogelijk zijn van de braaklegging van gronden. De verwachte groei van de communautaire markt (omstreeks 1 miljoen ton extra) zal waarschijnlijk de maximale hoeveelheden overtreffen die de landen van uitvoer naar de Gemeenschap zouden kunnen exporteren. Daarom is het niet waarschijnlijk dat deze extra uitvoer tot een grote wanverhouding wat betreft hoeveelheden zal leiden, met name omdat het verschil tussen de maximale potentiële communautaire productie en het communautaire verbruik op ongeveer 2 miljoen ton wordt berekend en niets erop wijst dat hierin door andere uitvoer (onder meer van oorsprong uit Rusland, zoals beschreven in Verordening (EG) nr, 907/2007 van de Raad) een dermate groot aanbod zal ontstaan dat er op de markt sprake zal zijn van prijsdruk of -onderbieding.

(113) In het licht van het bovenstaande is het niet aannemelijk dat de bedrijfstak van de Gemeenschap zijn verkoop, productie of prijzen zover zou moeten verlagen dat zijn winstgevendheid en algemene situatie ernstig zouden worden aangetast. Daarom zal de winst waarschijnlijk op het huidige niveau blijven liggen en de gunstige marktvoorwaarden weerspiegelen waarvan met name van 2004 tot het eind van het NOT sprake was.

4. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van de schade

(114) Gezien het voorafgaande kan niet worden geconcludeerd dat het waarschijnlijk is dat er herhaling van de schade voor de bedrijfstak van de Gemeenschap zou optreden als de bestaande maatregelen worden ingetrokken.

H. ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(115) Alle partijen zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wil aanbevelen de bestaande maatregelen in te trekken. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen die aanleiding gaven de bovenstaande conclusies te wijzigen.

(116) Uit het bovenstaande volgt dat de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne moeten worden ingetrokken en dat de procedure moet worden beëindigd, zoals is bepaald in artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

(117) In verband met de hierboven beschreven omstandigheden, namelijk de aanzienlijke vertekening van de kostenstructuur en/of van de uitvoertransacties van exporteurs wordt het nodig geacht de ontwikkeling van de invoer van ureum van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne op de voet te blijven volgen, zodat snel passende maatregelen kunnen worden genomen als de situatie daarom vraagt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het antidumpingrecht op ureum, ook indien in waterige oplossing, ingedeeld onder de GN-codes 3102 10 10 en 3102 10 90, van oorsprong uit Belarus, Kroatië, Libië en Oekraïne, wordt ingetrokken en de procedure met betrekking tot deze invoer wordt beëindigd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie .

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, […]

Voor de Raad

De Voorzitter […]

[1] PB L 56 van 6.3.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2117/2005 (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 17).

[2] PB L 17 van 19.1.2002, blz.1.

[3] PB C 93 van 21.4.2006, blz. 6.

[4] PB C 316 van 22.12.2006, blz. 13.

[5] PB C 105 van 4.5.2006, blz. 12.

[6] PB L 127 van 9.5.2001, blz. 11.

[7] PB L 198 van 31.7.2007, blz. 4.

[8] PB L 198 van 31.7.2007, blz. 4.

[9] Zaak T-210/95, EFMA/Raad, Jurispr. 1195, blz. II-3291, punt 60.

[10] Bron : "Global fertilisers and raw materials supply and supply/demand balances: 2005-2009", A05/71b, juni 2005, International Fertiliser Industry Association 'IFA'.

[11] AdBlue is het geregistreerde handelsmerk voor een waterige ureumoplossing (32,5%), die bij het proces van de selectieve katalytische reductie wordt gebruikt om de uitstoot van stikstodioxiden van dieselvoertuigen te verminderen.

[12] PB L 253 van 28.9.2007, blz.1.

Top