Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C(2026)659

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE tot aanvulling van Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad door afwijkingen vast te stellen van het verbod op vernietiging van onverkochte consumptiegoederen

C/2026/0659 final

TOELICHTING

1.ACHTERGROND VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

Algemene achtergrond en doelstelling

Verordening (EU) 2024/1781 van 13 juni 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten (“de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten”) 1 is op 19 juli 2024 in werking getreden.

Met de verordening inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten worden de toezeggingen nagekomen die de Commissie heeft gedaan in het kader van de Europese Green Deal, zoals uiteengezet in de mededeling van 11 december 2019 en in de mededeling van 11 maart 2020 over een nieuw actieplan voor een circulaire economie voor een schoner en concurrerender Europa. Een van die toezeggingen is om het EU-regelgevingskader geschikt te maken voor een duurzame toekomst en ervoor te zorgen dat producten die in de EU in de handel worden gebracht, steeds duurzamer worden. De verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten vormt ook een belangrijke bijdrage tot de verwezenlijking van de ambities van de Clean Industrial Deal van de Commissie, die tot doel heeft de EU tegen 2030 wereldleider te maken op het gebied van de circulaire economie, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 26 februari 2025.

In die verordening is voorzien in een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp, is de vernietiging van onverkochte consumptiegoederen door bedrijven aangemerkt als een milieuprobleem in de hele EU en zijn maatregelen ingevoerd om deze praktijk te voorkomen. De verordening is daarmee ook in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 30 maart 2022 over de EU-strategie voor duurzaam en circulair textiel , waarin maatregelen werden aangekondigd om de vernietiging van onverkocht textiel te stoppen. Tussen 4-9 % van alle textielproducten op de EU-markt wordt vernietigd voordat zij worden gebruikt.

De verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten schrijft voor dat marktdeelnemers maatregelen moeten nemen waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij voorkomen dat onverkochte consumptiegoederen moeten worden vernietigd. De verordening verbiedt ook de vernietiging van onverkochte kleding en kledingaccessoires en schoeisel. Om ervoor te zorgen dat deze maatregel op evenredige wijze wordt toegepast, moet de Commissie op grond van artikel 25, lid 5, van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten in voorkomend geval een gedelegeerde handeling vaststellen met afwijkingen van dit verbod. Dergelijke afwijkingen kunnen om een van de volgende redenen gerechtvaardigd zijn:

a)gezondheids-, hygiëne- en veiligheidsredenen;

b)beschadiging van producten die het gevolg is van de behandeling ervan of die pas wordt waargenomen nadat producten worden geretourneerd en niet op een kosteneffectieve manier kan worden gerepareerd;

c)ongeschiktheid van producten voor het doel waarvoor zij zijn bestemd, in voorkomend geval, rekening houdend met het Unierecht en het nationale recht en met technische normen;

d)niet-aanvaarding van voor donatie aangeboden producten;

e)ongeschiktheid van producten voor de voorbereiding voor hergebruik of herproductie;

f)onverkoopbaarheid van producten die wegens een inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van namaakproducten;

g)vernietiging is de optie met de minste negatieve milieueffecten.

Op grond van deze afwijkingen mogen marktdeelnemers onverkochte kleding en onverkocht schoeisel vernietigen. De voorwaarden voor vernietiging worden zodanig geformuleerd dat kan worden nagegaan of eraan is voldaan. Door voorwaarden vast te stellen waaronder bedrijven van dit verbod kunnen afwijken, wordt de uitvoering van het verbod vergemakkelijk door ervoor te zorgen dat het alleen wordt toegepast voor zover dat nodig en evenredig is, om de negatieve gevolgen voor bedrijven tot een minimum te beperken en tegelijkertijd mogelijke mazen in de wetgeving te voorkomen waarmee het verbod kan worden omzeild.

In de gedelegeerde handeling wordt rekening gehouden met de nieuwe regels voor het beheer van textielafval die zijn voorgesteld in het kader van Richtlijn 2008/98/EG van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen 2 (kaderrichtlijn afvalstoffen). De gedelegeerde handeling is ook in overeenstemming met de verplichting voor marktdeelnemers uit hoofde van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten om informatie bekend te maken over de onverkochte consumptiegoederen waarvan zij zich ontdoen, zoals informatie over de redenen voor het zich ontdoen van producten, in voorkomend geval met inbegrip van de desbetreffende afwijking uit hoofde van artikel 25, lid 5, van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten.

Wettelijk kader

De rechtsgrondslag van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (interne markt). Krachtens artikel 25, lid 5, van de verordening duurzame producten moet de Commissie een gedelegeerde handeling vaststellen met afwijkingen van het verbod op de vernietiging van de in bijlage VII bij die verordening vermelde onverkochte consumptiegoederen, waaronder textiel, kleding en kledingtoebehoren van leder en schoeisel. Het initiatief is in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel, aangezien deze afwijkingen niet door afzonderlijke lidstaten kunnen worden vastgesteld.

2.RAADPLEGING VOORAFGAAND AAN DE AANNEMING VAN DE HANDELING

Deze gedelegeerde handeling bouwt voort op de aanbevelingen van een ondersteunende studie waarin technische bijstand werd verleend voor afwijkingen met betrekking tot een verbod op het vernietigen van onverkochte kleding en onverkocht schoeisel 3 . Die studie had tot doel de toepasbaarheid van elke mogelijke afwijking te bepalen en na te gaan hoe afwijkingen in de praktijk kunnen worden gespecificeerd en uitgevoerd. Om deze doelstellingen te bereiken, werd bijzondere nadruk gelegd op de raadpleging van belanghebbenden.

In juni 2024 werd voor het eerst een online-enquête gehouden met vragen over de specificatie, de uitvoering en de mogelijke economische gevolgen van elke afwijking. Voor deze enquête werd input verzameld van 56 respondenten, waaronder handels- en bedrijfsverenigingen, ngo’s en deskundigen uit de lidstaten. De reacties op deze raadpleging werd samen met een literatuuronderzoek gebruikt om te verduidelijken in welke gevallen elke afwijking nodig kan zijn en hoe deze afwijkingen kunnen worden toegepast.

Om een eerste ontwerp van afwijkingen te valideren, werd in september 2024 een workshop met belanghebbenden gehouden om feedback te verzamelen over hoe elk van de afwijkingen moet worden geformuleerd en hoe marktdeelnemers deze kunnen toepassen, en hoe de toepasselijkheid ervan kan worden gerechtvaardigd. Daaropvolgende diepgaande interviews en schriftelijke feedback van belanghebbenden leverden aanvullende specifieke informatie op uit de kleding- en schoenensector.

De ondersteunende studie bood ook kwalitatieve inzichten in de verwachte economische gevolgen van de afwijkingen voor marktdeelnemers. Hoewel de bij deze gedelegeerde handeling ingevoerde afwijkingen beperkte kosten met zich meebrengen om de toepasselijkheid ervan te rechtvaardigen, zoals hieronder wordt uiteengezet, is het algemene effect ervan positief in vergelijking met een situatie waarin niet zou worden voorzien in afwijkingen van het verbod op vernietiging.

In het algemeen werd in de ondersteunende studie geconcludeerd dat de gevolgen van de afwijkingen betrekking hebben op verschillende onderling samenhangende bepalingen van andere rechtsinstrumenten en de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, waaronder met name: i) artikel 23 van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, op grond waarvan marktdeelnemers maatregelen moeten nemen waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij voorkomen dat onverkochte consumptiegoederen moeten worden vernietigd, en ii) artikel 24, lid 1, punten a) en b), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, op grond waarvan marktdeelnemers informatie bekend moeten maken over het aantal producten waarvan zij zich ontdoen en de redenen voor het zich ontdoen van producten. Op grond van deze bepaling wordt van marktdeelnemers verwacht dat zij reeds een register bijhouden van de redenen voor de vernietiging van producten waarvoor de toepassing van afwijkingen gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

De gevolgen voor marktdeelnemers die in het kader van de ondersteunende studie zijn beoordeeld en die relevant zijn voor deze gedelegeerde handeling, hebben voornamelijk betrekking op de kosten van de rechtvaardiging van de toepasselijkheid van specifieke soorten afwijkingen. Deze gevolgen houden nauw verband met de bestaande praktijken met betrekking tot de kwaliteitsborging van producten door marktdeelnemers en de nalevingskosten met betrekking tot onder meer: i) Verordening (EU) 2023/988 (verordening algemene productveiligheid); ii) Verordening (EG) nr. 1907/2006 (Reach); iii) Verordening (EU) 2019/1020 (verordening markttoezicht), en iv) intellectuele eigendomsrechten. De afstemming op deze procedures en kaders waarborgt juridische samenhang en stelt bedrijven in staat gebruik te maken van bestaande informatiesystemen die bijvoorbeeld zijn gebaseerd op de beoordeling of een product veilig is in het kader van de verordening algemene productveiligheid. Hierdoor worden de administratieve lasten in verband met de afwijkingen uit hoofde van deze gedelegeerde handeling tot een minimum beperkt.

In de ondersteunende studie werd voorgesteld om per afwijking informatie te verstrekken over maatregelen die worden genomen om het gebruik van dergelijke afwijkingen in de toekomst te voorkomen. Dit wordt voldoende weerspiegeld in artikel 24, lid 1, punt d), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, op grond waarvan marktdeelnemers reeds verplicht zijn om in hun bekendmaking over onverkochte consumptiegoederen waarvan zij zich hebben ontdaan, informatie op te nemen over de genomen en voorgenomen maatregelen om de vernietiging van onverkochte consumptiegoederen te voorkomen.

Wat de positieve gevolgen op middellange tot lange termijn betreft, werd in de ondersteunende studie opgemerkt dat de afwijkingen en de daarmee verband houdende vereisten inzake onderbouwing en openbaarmaking marktdeelnemers ertoe kunnen aanzetten strengere en verbeterde interne kwaliteitsborgingsmaatregelen te nemen om de non-conformiteit van onverkochte producten tot een minimum te beperken. Deze maatregelen zouden kunnen bijdragen tot strengere productienormen en betere productkwaliteit.

Op basis van de ondersteunende studie heeft de Commissie een discussienota opgesteld met voorlopige voorstellen voor elke afwijking. De Commissie heeft dit document gepresenteerd tijdens de eerste vergadering van het Overlegforum ecologisch ontwerp op 20 februari 2025. Meer dan 200 deelnemers woonden deze vergadering fysiek en online bij, waaronder vertegenwoordigers van verschillende sectoren, ngo’s, academici, internationale partners en deelnemers uit de lidstaten en EER-landen. Verdere besprekingen vonden plaats tijdens de vergadering van de deskundigengroep van de lidstaten op 21 februari 2025.

De leden van het Overlegforum ecologisch ontwerp werden ook gevraagd om via een online enquête van de EU feedback te geven op de discussienota. Er werden antwoorden ontvangen van 14 handels- en bedrijfsverenigingen, 4 ngo’s en 7 lidstaten. Uit de antwoorden bleek dat een meerderheid van de belanghebbenden de aanpak van de uitzonderingen in het algemeen steunt, maar er werden ook punten genoemd waarop de afwijkingen volgens hen moesten worden aangepast. Deze feedback en de resultaten van de ondersteunende studie zijn grondig onderzocht om de gedelegeerde handeling af te ronden.

Wat betreft de vernietiging van producten om redenen van gezondheid, hygiëne en veiligheid, zoals vermeld in artikel 25, lid 5, punt a), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, diende meer dan 70 % van de respondenten geen of slechts kleine opmerkingen over de voorgestelde aanpak in. Deze opmerkingen omvatten verzoeken om: i) meer duidelijkheid met betrekking tot de wisselwerking met de EU-wetgeving inzake productveiligheid, en ii) consistentie in de formulering van deze afwijking met andere afwijkingen.

Wat betreft de vernietiging van producten om een van de in artikel 25, lid 5, punt b), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten genoemde redenen, met name als gevolg van schade aan producten door de behandeling ervan of schade die wordt ontdekt nadat producten zijn geretourneerd en niet op kosteneffectieve wijze kunnen worden gerepareerd, had meer dan 65 % van de respondenten geen of slechts kleine opmerkingen over de voorgestelde aanpak. In hun opmerkingen vroegen de belanghebbenden om de toepassing van overwegingen inzake kosteneffectiviteit uit te sluiten of te beperken, omdat dit zou aanzetten tot vernietiging in plaats van reparatie, met name bij fastfashionproducten van geringe waarde. Aangezien kosteneffectiviteit uitdrukkelijk wordt vermeld in de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, kan deze niet uit de afwijking worden geschrapt. Om te voorkomen dat dergelijke producten uitsluitend om redenen van kosteneffectiviteit worden vernietigd, schrijft de gedelegeerde handeling echter voor dat producten die onder deze afwijking vallen, eerst aan een kwaliteitsbeoordeling moeten worden onderworpen, die in voorkomend geval technische tests, praktische beoordelingen of sorteerprocedures omvat, waarbij voorrang wordt gegeven aan het aanvullen van de voorraden en reparaties. Dergelijke procedures zijn doeltreffend om te voorkomen dat producten die door consumenten worden geretourneerd, worden vernietigd, en de marktdeelnemers drongen erop aan dat deze procedures worden erkend om de toepasselijkheid van deze afwijking te rechtvaardigen in plaats van beoordelingen van afzonderlijke producten die voor vernietiging worden verzonden, te documenteren en bij te houden.

Wat betreft de vernietiging van producten om de reden die zijn vermeld in artikel 25, lid 5, punt c), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, met name omdat het product ongeschikt is voor het beoogde doel, diende meer dan 60 % van de respondenten geen of slechts kleine opmerkingen over de voorgestelde aanpak in. De opmerkingen die werden ingediend hadden voornamelijk betrekking op het voorstel om in het kader van deze afwijking de vernietiging van producten op te nemen wegens niet-naleving van vrijwillige vereisten. Belanghebbenden pleitten tegen deze afwijking omdat de betrokken producten volledig in overeenstemming zijn met het recht van de Unie en uitten hun bezorgdheid over het feit dat dit tot mazen in de wetgeving zou leiden, waardoor ondernemingen strikter intern beleid kunnen ontwikkelen om de vernietiging van producten te rechtvaardigen. In het licht van deze opmerkingen werd deze afwijking uiteindelijk niet gehandhaafd. Wat betreft de vernietiging van producten om de redenen die zijn vastgesteld in artikel 25, lid 5, punt d), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, d.w.z. omdat producten die voor donatie worden aangeboden niet zijn aanvaard, diende 45 % van de respondenten belangrijke opmerkingen over de voorgestelde aanpak in. De meeste respondenten waren voorstander van de opname van deze afwijking, maar velen uitten hun bezorgdheid over het feit dat deze te streng was geformuleerd en bijvoorbeeld voorschreef dat het onverkochte product aan ten minste drie geschikte ontvangers voor donatie moest worden aangeboden. Anderen pleitten echter voor een strengere formulering, met name wat betreft aanvullende vereisten ten aanzien van de voorwaarden waaronder producten voor donatie worden aangeboden en de inspanningen die marktdeelnemers moeten leveren om een geschikte ontvanger te vinden. Op basis van deze opmerkingen werd de afwijking herzien door de periode waarin producten publiekelijk voor donatie worden aangeboden, te verlengen. Om ongewenste negatieve gevolgen voor entiteiten van de sociale economie te voorkomen, is een afwijking toegevoegd om de omstandigheden aan te pakken waarin deze entiteiten onverkochte producten als donatie ontvingen en geen ontvanger voor deze producten kunnen vinden.

Wat betreft de vernietiging van producten om de redenen die zijn vastgesteld in artikel 25, lid 5, punt e), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, met name omdat dergelijke producten niet geschikt zijn voor voorbereiding voor hergebruik of reproductie, diende 45 % van de respondenten belangrijke opmerkingen over de voorgestelde aanpak in. Verschillende belanghebbenden hebben onder meer verzocht om producten die elementen bevatten die in strijd zijn met algemeen erkende sociale normen en waarden waarvoor geen corrigerende maatregelen kunnen worden genomen, uit de afwijking te schrappen. Deze afwijking blijft echter gehandhaafd om onbedoelde negatieve gevolgen voor marktdeelnemers te voorkomen; het vereiste om corrigerende maatregelen te nemen, voor zover dit technisch haalbaar is, moet bovendien voorkomen dat deze afwijking op onrechtmatige wijze wordt toegepast.

Als onderdeel van de overwegingen in verband met de ongeschiktheid van een product wat betreft de voorbereiding voor hergebruik of herproductie, en om de samenhang met de kaderrichtlijn afvalstoffen en met name de voorgestelde wijzigingen met betrekking tot textielafval te waarborgen, zou het verbod op vernietiging niet langer moeten gelden voor producten die na voorbereiding voor hergebruik op de markt worden aangeboden (en vervolgens niet kunnen worden verkocht). Deze afwijking is als een afzonderlijk punt opgenomen.

Wat betreft de vernietiging van producten om de redenen die zijn vastgesteld in artikel 25, lid 5, punt f), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, namelijk wegens een inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten, met inbegrip van namaakproducten, had 57 % van de respondenten geen of slechts kleine opmerkingen over de voorgestelde aanpak. Sommige respondenten waarschuwden voor het opnemen van deze afwijking, aangezien deze de vernietiging mogelijk zou maken van producten die in principe bruikbaar zijn. Meer bepaald waren zij het er niet mee eens dat er een uitzondering zou moeten gelden voor licentieovereenkomsten, aangezien producten waarop dergelijke overeenkomsten van toepassing zijn, niet nagemaakt zijn of vervaardigd zijn om inbreuk te maken op intellectuele-eigendomsrechten, en vernietiging ervan daarom niet toegestaan zou moeten zijn. Ondanks deze opmerkingen werd deze afwijking noodzakelijk geacht, aangezien inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten en specifieke licenties of contractuele overeenkomsten die de verkoop of distributie van een product beperken, de vernietiging van onverkochte consumptiegoederen kunnen rechtvaardigen.

Een afwijking op basis van de reden die is genoemd in artikel 25, lid 5, punt g), van de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten, d.w.z. wanneer vernietiging de optie is met de minste negatieve milieueffecten, is niet opgenomen in de gedelegeerde handeling. Op basis van de huidige lijst van producten in bijlage VII bij de verordening ecologisch ontwerp voor duurzame producten werd in de begeleidende studie opgemerkt dat hergebruik van deze producten milieutechnisch altijd de beste oplossing is in vergelijking met recycling of andere vormen van vernietiging. 77 % van de respondenten diende hierover geen of slechts kleine opmerkingen in. Producten die niet bruikbaar zijn en dus onder andere afwijkingen vallen, kunnen toch worden gerecycled, wat in overeenstemming is met de prioriteit die wordt gegeven aan afvalpreventie en voorbereiding voor hergebruik overeenkomstig de afvalhiërarchie van artikel 4 van de kaderrichtlijn afvalstoffen.

3.JURIDISCHE ELEMENTEN VAN DE GEDELEGEERDE HANDELING

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen is vervat in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2024/1781.

Artikel 1 bevat definities die van toepassing zijn op de gedelegeerde handeling.

Artikel 2 bevat afwijkingen van het verbod op vernietiging van onverkochte consumptiegoederen.

Artikel 3 specificeert de bewijsstukken die marktdeelnemers moeten verstrekken om te kunnen controleren of de vernietiging van een onverkocht product gerechtvaardigd is.

Op grond van artikel 4 moeten marktdeelnemers informatie verstrekken over de toepasselijke afwijking voor afvalverwerkers.

Artikel 5 voorziet in een herzieningsclausule.

In artikel 6 wordt de datum van inwerkingtreding van de gedelegeerde handeling vastgesteld.

GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) …/... VAN DE COMMISSIE

van 9.2.2026

tot aanvulling van Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad door afwijkingen vast te stellen van het verbod op vernietiging van onverkochte consumptiegoederen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2024/1781 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2024 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van vereisten inzake ecologisch ontwerp voor duurzame producten, tot wijziging van Richtlijn (EU) 2020/1828 en Verordening (EU) 2023/1542, en tot intrekking van Richtlijn 2009/125/EG 4 , en met name artikel 25, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)Artikel 25, lid 1, van Verordening (EU) 2024/1781 voorziet in een verbod op de vernietiging door een marktdeelnemer van bepaalde onverkochte consumptiegoederen met ingang van 19 juli 2026.

(2)Om marktdeelnemers in staat te stellen onverkochte consumptiegoederen te vernietigen indien dat gerechtvaardigd en passend is om een van de in artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) 2024/1781 genoemde redenen, moeten afwijkingen van het verbod op vernietiging van onverkochte, in bijlage VII bij die verordening vermelde consumptiegoederen worden vastgesteld.

(3)Naargelang de omstandigheden die vernietiging rechtvaardigen, kunnen marktdeelnemers de betrokken onverkochte consumptiegoederen mogelijk nog herproduceren, opknappen of doneren, alsook zich ervan ontdoen ter voorbereiding voor hergebruik, overeenkomstig de in artikel 2, punt 34, van Verordening (EU) 2024/1781 vastgelegde definitie van “vernietiging”. Indien een afwijking van toepassing is, moet de vernietiging van onverkochte consumptiegoederen plaatsvinden in overeenstemming met de prioriteitsvolgorde van de afvalhiërarchie zoals vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG, waarbij recycling voorrang krijgt boven andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning, en verwijderingshandelingen.

(4)Verordening (EU) 2024/1781 heeft tot doel de ecologische duurzaamheid van producten te verbeteren. Het verbod in artikel 25, lid 1, van die verordening mag marktdeelnemers echter niet verhinderen of belemmeren de nodige maatregelen te nemen om een hoog veiligheidsniveau te waarborgen en onverkochte consumptiegoederen te vernietigen wanneer die een gevaar vormen voor de gezondheid of veiligheid en wanneer er geen andere risicobeperkende maatregelen mogelijk zijn.

(5)Consumptiegoederen kunnen ook niet in overeenstemming zijn met het Unierecht of het nationale recht om andere redenen dan die welke verband houden met de gezondheid of veiligheid van de consument, bijvoorbeeld om ethische redenen, zoals dwangarbeid. In dergelijke gevallen kan vernietiging vereist zijn op grond van dat recht of een passende risicobeperkende maatregel zijn en moet de vernietiging derhalve worden toegestaan.

(6)De bescherming van intellectuele-eigendomsrechten is van fundamenteel belang om de integriteit van de interne markt te bewaren en de ontwikkeling en commercialisering van nieuwe producten en technologieën te stimuleren. Wanneer blijkt dat onverkochte consumptiegoederen inbreuk maken op intellectuele-eigendomsrechten, kan vernietiging noodzakelijk zijn om verdere inbreuken te voorkomen.

(7)Intellectuele-eigendomsrechten kunnen ook samenhangen met geldige en afdwingbare contractuele verplichtingen, zoals licenties die de verkoop of distributie van een product na een bepaalde datum beperken. Zodra die datum is verstreken, kan vernietiging noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke uitoefening van die rechten te waarborgen.

(8)Sommige consumptiegoederen kunnen ongeschikt zijn voor hergebruik of herproductie als gevolg van de technische onhaalbaarheid om etiketten, logo’s of ontwerpkenmerken van het product te verwijderen of permanent ontoegankelijk te maken. Een dergelijke verwijdering kan nodig zijn om de eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten te waarborgen. Consumptiegoederen kunnen ook ongeschikt zijn voor hergebruik of herproductie omdat zij niet passend zijn in een bepaalde culturele, ethische of maatschappelijke context. Het is mogelijk dat dergelijke producten, ook al beantwoorden zij aan het Unie- of nationale recht, controversieel zijn en tot moreel debat leiden, ethische bezwaren doen rijzen of in strijd zijn met de heersende maatschappelijk aanvaarde normen inzake respect, gelijkheid of menselijke waardigheid. Daartoe behoren met name, maar niet uitsluitend, producten die discriminatie in stand houden, stereotypen uitbuiten of sterk geassocieerd zijn met opruiende taal of beelden. In dergelijke gevallen moet vernietiging mogelijk zijn indien dat de meest doeltreffende en evenredige oplossing is om dergelijke technische uitdagingen aan te pakken. Technische onhaalbaarheid verwijst naar situaties waarin bestaande technologieën, gevestigde technische kennis of de deskundigheid waarover de marktdeelnemer beschikt, ontoereikend of onbetrouwbaar zijn om doeltreffende corrigerende maatregelen uit te voeren.

(9)Het moet mogelijk zijn beschadigde producten te vernietigen, indien er fysieke schade, verontreiniging of kwaliteitsverlies is opgetreden tijdens activiteiten en processen in de toeleveringsketen. Daaronder valt eveneens behandeling, opslag, vervoer, detailhandel of terugzending door consumenten wanneer dergelijke producten zijn teruggezonden op grond van het herroepingsrecht zoals vastgelegd in Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad 5 of, waar van toepassing, gedurende een langere door de handelaar toegekende herroepingstermijn, mits reparatie technisch niet haalbaar of niet kosteneffectief is.

(10)Het moet mogelijk zijn producten te vernietigen die ongeschikt zijn voor het doel waarvoor zij bestemd zijn als gevolg van ontwerp- of fabricagegebreken die het product niet-functioneel maken. Een product moet als niet-functioneel worden beschouwd wanneer het niet beschikt over essentiële eigenschappen die door de consument redelijkerwijs worden verwacht of wanneer het gebrek het hoofddoel van het product ondermijnt. Vernietiging mag alleen worden toegestaan wanneer dergelijke producten niet kunnen worden gerepareerd.

(11)Marktdeelnemers kunnen onverkochte consumptiegoederen met het oog op het gebruik of hergebruik ervan doneren aan geschikte donatiepartners, waaronder entiteiten van de sociale economie die, op basis van statuut of gebruikelijke praktijk, donaties van de desbetreffende consumptiegoederen aanvaarden, waarbij voorrang wordt gegeven aan lokale donaties om de milieueffecten tot een minimum te beperken en de creatie van duurzame, participatieve en inclusieve bedrijfsmodellen en hoogwaardige banen in de Unie te bevorderen. Indien een dergelijk aanbod is gedaan, hetzij rechtstreeks aan ten minste drie geschikte entiteiten van de sociale economie in de Unie, hetzij op een gemakkelijk toegankelijke pagina van de website van de marktdeelnemer gedurende ten minste acht weken, en de goederen niet voor donatie zijn aanvaard, kunnen zij eventueel worden vernietigd. Entiteiten van de sociale economie die onverkochte consumptiegoederen als donatie ontvangen, moeten de mogelijkheid hebben om die producten te vernietigen als zij er geen ontvangers voor kunnen vinden, tenzij die producten onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2008/98/EG inzake gescheiden inzameling en voorbereiding voor hergebruik van afgedankt onverkocht textiel of gelijkwaardige vereisten voor andere productgroepen.

(12)Om onbedoelde negatieve gevolgen voor circulaire bedrijfsmodellen waarbij producten na de voorbereiding voor hergebruik worden verkocht, te voorkomen, moet het mogelijk zijn om onverkochte consumptiegoederen die op de markt werden aangeboden na handelingen die door afvalverwerkers zijn verricht overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad 6 , te vernietigen. Overeenkomstig die richtlijn kan een afvalstof slechts niet langer als afvalstof gelden als er een markt voor of vraag naar het door nuttige toepassing verkregen product bestaat. Indien een dergelijke markt niet bestaat, moet het daarom mogelijk zijn het product te vernietigen.

(13)Om misbruik te voorkomen en ervoor te zorgen dat door marktdeelnemers toegepaste afwijkingen gerechtvaardigd zijn en vernietiging een uiterste maatregel blijft, moeten er passende verificatiemechanismen zijn die, in voorkomend geval, op bestaande borgingspraktijken met betrekking tot productkwaliteit zijn gebaseerd. Om de bevoegde nationale autoriteiten in staat te stellen passende controles uit te voeren, moeten de marktdeelnemers alle desbetreffende door hen gebruikte documentatie gedurende vijf jaar bewaren ter verificatie. Wanneer dezelfde omstandigheden die de vernietiging rechtvaardigen meerdere producten treffen, kan voor al die producten gezamenlijk documentatie worden opgesteld.

(14)Marktdeelnemers die zich bewust zijn van omstandigheden die bepalend zijn voor de toepasselijkheid van een van de in deze verordening vastgestelde afwijkingen voor onverkochte producten, moeten de ontvangende afvalverwerker een verklaring met informatie over de toepasselijke afwijking bezorgen om doeltreffender sorteerprocessen te ondersteunen, de percentages van hergebruik en recycling te verbeteren en onnodige afvalverwerkingskosten te verminderen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1) “entiteit van de sociale economie”: een entiteit van de sociale economie zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 4 decies, van Richtlijn 2008/98/EG;

2) “kosteneffectief”: de kosten van het repareren of opknappen van een product wegen niet op tegen de totale kosten van de vernietiging van dat product en van de materialen, de vervaardiging, de verpakking, het vervoer, het op voorraad brengen en alle andere administratieve of logistieke onkosten voor de vervanging van datzelfde product.

Artikel 2

Afwijkingen van het verbod op vernietiging van onverkochte consumptiegoederen

Onverkochte, in bijlage VII bij Verordening (EU) 2024/1781 vermelde consumptiegoederen mogen, op voorwaarde dat de in artikel 3 bedoelde documentatie kan worden voorgelegd, in elk van de volgende omstandigheden worden vernietigd:

a)het product is een gevaarlijk product in de zin van Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad 7 ;

b)het product is ongeschikt voor het beoogde doel omdat het niet in overeenstemming is met het Unierecht of het nationale recht, om andere dan de in punt a) bedoelde redenen en vernietiging is wettelijk vereist of is de passende en evenredige corrigerende maatregel;

c)er is vastgesteld dat het product inbreuk maakt op intellectuele-eigendomsrechten door middel van een definitieve rechterlijke beslissing, een beslissing die voortvloeit uit een procedure voor alternatieve geschillenbeslechting (ADR), een kennisgeving door een houder van rechten, een bevoegde autoriteit of een entiteit die gemachtigd is om namens een houder van rechten op te treden, of een door de marktdeelnemer uitgevoerd intern onderzoek, mits de marktdeelnemer de inbreuk naar behoren kan staven;

d)het product is onderworpen aan een geldige en afdwingbare licentie of een soortgelijke contractuele verplichting ter bescherming van intellectuele-eigendomsrechten, op grond waarvan de verkoop, distributie of enige andere vorm van overdracht van het product na een bepaalde termijn een inbreuk op die intellectuele-eigendomsrechten vormt, en die bepaalde termijn is verstreken, mits de marktdeelnemer de inbreuk naar behoren kan staven en kan aantonen dat vernietiging de passende en evenredige corrigerende maatregel is;

e)het product is ongeschikt voor voorbereiding voor hergebruik of herproductie omdat het technisch niet haalbaar is om etiketten, logo’s of herkenbare productontwerp- of andere kenmerken te verwijderen of permanent ontoegankelijk te maken die:

i)worden beschermd door intellectuele-eigendomsrechten; of

ii)als niet passend worden beschouwd;

f)het product kan redelijkerwijs worden beschouwd als onaanvaardbaar voor consumptief gebruik als gevolg van schade, met inbegrip van fysieke schade, kwaliteitsverlies of verontreiniging, met inbegrip van hygiëneproblemen, ongeacht of die schade wordt veroorzaakt door consumenten of optreedt tijdens de behandeling van het product door de marktdeelnemers of andere actoren die betrokken zijn bij de toeleveringsketen, het vervoer, de detailhandel of de opslag, en de reparatie en het opknappen ervan is technisch niet haalbaar of niet kosteneffectief;

g)het product is ongeschikt voor het doel waarvoor het bestemd was als gevolg van ontwerp- of fabricagebreken waarvoor reparatie technisch niet haalbaar is;

h)alleen indien geen van de in de punten a) tot en met g) bedoelde omstandigheden van toepassing zijn: het product werd hetzij rechtstreeks aan ten minste drie in de Unie gevestigde geschikte entiteiten van de sociale economie, hetzij op een gemakkelijk toegankelijke pagina van de website van de marktdeelnemer voor donatie aangeboden gedurende een periode van ten minste acht weken, en het product is niet voor donatie aanvaard;

i)het product werd als donatie ontvangen door een in de Unie gevestigde entiteit van de sociale economie, maar er kon geen ontvanger voor worden gevonden;

j)het product werd op de markt aangeboden nadat het door een afvalverwerker werd voorbereid voor hergebruik, maar er kon geen ontvanger voor worden gevonden.

Artikel 3

Documentatie ter verificatie van de naleving

Marktdeelnemers bewaren gedurende een periode van vijf jaar nadat een onverkocht consumptiegoed waarvoor overeenkomstig artikel 2 een afwijking geldt, is vernietigd, de volgende documentatie en stellen deze op verzoek, binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek, in elektronische vorm ter beschikking van de bevoegde autoriteiten, behalve wanneer de informatie op grond van een andere rechtshandeling voor de bevoegde nationale autoriteit beschikbaar is:

a) voor een in artikel 2, punt a), bedoeld gevaarlijk product:

i) hetzij een beschrijving van een gezondheids- of veiligheidsrisico dat de naleving van het in artikel 5 van Verordening (EU) 2023/988 bedoelde algemene veiligheidsvereiste in het gedrang brengt, met inbegrip van een beoordeling van de veiligheid van het product overeenkomstig de artikelen 6, 7 en 8 van die verordening;

ii) hetzij een proefverslag waarin de aanwezigheid van niet-conforme chemische stoffen in een product wordt aangetoond en waarin het toepasselijke Unie- of nationale recht wordt vermeld;

b)voor een in artikel 2, punt b), bedoeld product: een zelfbeoordelingsverklaring waarin het type niet-naleving en het toepasselijke Unie- of nationale recht worden vermeld;

c)in het in artikel 2, punt c), bedoelde geval: de in dat punt bedoelde definitieve rechterlijke beslissing, ADR-beslissing of kennisgeving, of documentatie van een intern onderzoek ter staving van de inbreuk;

d)in het in artikel 2, punt d), bedoelde geval: een met de houder van het recht gesloten licentie, contract of overeenkomst waarin uitdrukkelijk de beperkingen op de distributie of andere vormen van overdracht van het product na een nader bepaalde periode worden gespecificeerd, vergezeld van een motivering waaruit blijkt dat vernietiging passend en evenredig is;

e)in het in artikel 2, punt e), bedoelde geval: een inspectieverslag of ondersteunende documentatie waaruit blijkt dat de technische opties voor het voorbereiden van het product voor hergebruik of herproductie zijn beoordeeld en onhaalbaar zijn bevonden, met inbegrip van, in voorkomend geval, visueel bewijsmateriaal, een technische analyse of adviezen van deskundigen waaruit blijkt dat het technisch niet haalbaar is etiketten, logo’s of herkenbare kenmerken die worden beschermd door intellectuele-eigendomsrechten of die als niet passend worden beschouwd, te verwijderen of permanent ontoegankelijk te maken;

f)in het geval van een beschadigd product als bedoeld in artikel 2, punt f), of van een product dat ongeschikt is voor het beoogde doel als bedoeld in punt g) van dat artikel:

i) hetzij bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het product kwaliteitsbeoordelingsprocedures heeft ondergaan, waaronder visuele inspectie en sortering waarbij voorrang wordt gegeven aan het opnieuw in omloop brengen van producten en reparaties, met inbegrip van een beschrijving van de kwaliteitsbeoordelingsprocedure, gestandaardiseerde remediëringsplannen voor specifieke soorten schade en een beschrijving van specifieke gevallen waarin het repareren en opknappen niet mogelijk is uit technische of kosteneffectiviteitsoverwegingen voor een in artikel 2, punt f), bedoeld product, of uit technische overwegingen voor een in punt g) van dat artikel bedoeld product;

ii) hetzij een inspectieregister, in de vorm van een technische test, resultaten van toepasselijke praktische evaluaties of andere deskundige beoordelingen, dat informatie bevat over de soort en de ernst van de schade die is vastgesteld voor de aangetaste artikelen of partijen en over de onhaalbaarheid van corrigerende maatregelen uit technische of kosteneffectiviteitsoverwegingen voor een in artikel 2, punt f), bedoeld product of uit technische overwegingen voor een in punt g) van dat artikel bedoeld product;

g)in het in artikel 2, punt h), bedoelde geval: bewijsmateriaal van het aanbod tot donatie;

h)in het in artikel 2, punt i), bedoelde geval: een verklaring waaruit blijkt dat het product als donatie is ontvangen en dat er geen ontvanger voor kon worden gevonden;

i)in het in artikel 2, punt j), bedoelde geval: documentatie waaruit blijkt dat het product werd ontvangen van een afvalverwerker en dat er geen ontvanger voor kon worden gevonden.

Artikel 4

Verklaring aan afvalverwerkers

Marktdeelnemers verstrekken een verklaring over de toepasselijke afwijking aan de afvalverwerker aan wie zij onverkochte consumptiegoederen leveren die onder een van de afwijkingen van artikel 2 vallen.

Artikel 5

Evaluatie

De Commissie evalueert deze verordening, rekening houdend met nieuwe aan bijlage VII bij Verordening (EU) 2024/1781 toegevoegde producten of met de geschiktheid van de afwijkingen, met name door na te gaan of er nieuwe wetenschappelijke gegevens of technologische ontwikkelingen zijn die een afwijking voor de toepassing van hoogwaardige recyclingtechnologieën als de optie met de minst negatieve milieueffecten rechtvaardigen. De Commissie presenteert de resultaten van deze evaluatie, in voorkomend geval met inbegrip van een ontwerpherzieningsvoorstel, telkens wanneer een nieuw product aan bijlage VII bij die verordening wordt toegevoegd en in ieder geval uiterlijk op … [OP: Please introduce the date = five years after the entry into force of this Regulation].

Artikel 6

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 19 juli 2026.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9.2.2026

   Voor de Commissie

   De voorzitter
   Ursula VON DER LEYEN

(1)    PB L, 2024/1781, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1781/oj .
(2)    PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.
(3)    Europese Commissie, Directoraat-generaal Milieu, Ecoinnovazione, Vito, Öko-Institut e.V, Moch, K. et al., Technical assistance on derogations for a prohibition on the destruction of unsold apparel and footwear — Final report, Bureau voor publicaties van de Europese Unie, 2024, https://data.europa.eu/doi/10.2779/4652493 .
(4)    PB L, 2024/1781, 28.6.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1781/oj .
(5)    Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG van de Raad en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2011/83/oj ).
(6)    Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/98/2018-07-05 ).
(7)    Verordening (EU) 2023/988 van het Europees Parlement en de Raad van 10 mei 2023 inzake algemene productveiligheid, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 87/357/EEG van de Raad (PB L 135 van 23.5.2023, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/988/oj ).
Top