This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document E2019J0010
Judgment of the Court of 22 December 2020 in Case E-10/19 Bergbahn Aktiengesellschaft Kitzbühel v Meleda Anstalt (Directive (EU) 2015/849 – Anti-money laundering – Information on beneficial ownership – Prevention of the use of the financial system for the purpose of money laundering and terrorist financing – Adequate, accurate and current information – Data minimisation) 2021/C 141/12
Arrest van het hof van 22 december 2020 in zaak E-10/19 Bergbahn Aktiengesellschaft Kitzbühel/Meleda Anstalt (Richtlijn (EU) 2015/849 -– Bestrijding van het witwassen van geld – Informatie over uiteindelijk begunstigden – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering – Adequate, accurate en actuele informatie – Minimale gegevensverwerking) 2021/C 141/12
Arrest van het hof van 22 december 2020 in zaak E-10/19 Bergbahn Aktiengesellschaft Kitzbühel/Meleda Anstalt (Richtlijn (EU) 2015/849 -– Bestrijding van het witwassen van geld – Informatie over uiteindelijk begunstigden – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering – Adequate, accurate en actuele informatie – Minimale gegevensverwerking) 2021/C 141/12
PB C 141 van 22.4.2021, p. 12–12
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
|
22.4.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 141/12 |
ARREST VAN HET HOF
van 22 december 2020
in zaak E-10/19
Bergbahn Aktiengesellschaft Kitzbühel/Meleda Anstalt
(Richtlijn (EU) 2015/849 -– Bestrijding van het witwassen van geld – Informatie over uiteindelijk begunstigden – Voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en terrorismefinanciering – Adequate, accurate en actuele informatie – Minimale gegevensverwerking)
(2021/C 141/12)
In zaak E-10/19, Bergbahn Aktiengesellschaft Kitzbühel/Meleda Anstalt —–VERZOEK aan het Hof krachtens artikel 34 van de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie door het Fürstliches Obergericht betreffende de uitlegging van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie, heeft het Hof, samengesteld uit Páll Hreinsson, president, Per Christiansen (rechter-rapporteur) en Bernd Hammermann, rechters, op 22 december 2020 een arrest gewezen, waarvan het dictum als volgt luidt:
|
1. |
Artikel 30, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering moet aldus worden uitgelegd dat een juridische entiteit op grond daarvan redelijke maatregelen moet nemen om de identiteit van haar uiteindelijk begunstigde te trachten te bevestigen, bijvoorbeeld door onderliggende documentatie te verlangen, wanneer de omstandigheden van een situatie bij haar twijfel doen rijzen over de accuraatheid van de ontvangen informatie. |
|
2. |
Aan de verplichting van een juridische entiteit op grond van artikel 30, lid 1, van Richtlijn (EU) 2015/849 wordt niet afgedaan door het feit dat de entiteit die eigenaar is, een juridische entiteit met statutaire zetel in een EER-staat is, noch door het beroep van de leden van haar raad van bestuur. |
|
3. |
Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan in hoeverre de verwerkte informatie over uiteindelijk begunstigden in overeenstemming is met het beginsel van minimale gegevensverwerking van artikel 5, lid 1, punt c), van Verordening (EU) 2016/679 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, doordat die gegevens toereikend, ter zake dienend en beperkt zijn tot wat noodzakelijk is om de uiteindelijk begunstigde te identificeren en, indien nodig, om de identiteit van de uiteindelijk begunstigde te bevestigen. |
|
4. |
Artikel 3, lid 6, punt b), v), en artikel 3, lid 6, punt c), van Richtlijn (EU) 2015/849 kunnen niet aldus worden uitgelegd dat iedereen op grond daarvan moet aantonen dat er geen sprake is van indirecte eigendom of uiteindelijke zeggenschap door een natuurlijke persoon. |
|
5. |
Richtlijn (EU) 2015/849 verplicht een juridische entiteit niet om gerechtelijke stappen te ondernemen tegen de entiteit die haar eigenaar is, teneinde informatie over een uiteindelijk begunstigde in te winnen. |