Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document C2007/095/49

Zaak C-107/07 P: Hogere voorziening ingesteld op 13 februari 2007 door Friedrich Weber tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 11 december 2006 in zaak T-290/05, Friedrich Weber/Commissie van de Europese Gemeenschappen

PB C 95 van 28.4.2007, pp. 26–27 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

28.4.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 95/26


Hogere voorziening ingesteld op 13 februari 2007 door Friedrich Weber tegen de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg (Tweede kamer) van 11 december 2006 in zaak T-290/05, Friedrich Weber/Commissie van de Europese Gemeenschappen

(Zaak C-107/07 P)

(2007/C 95/49)

Procestaal: Duits

Partijen

Rekwirant: Friedrich Weber (vertegenwoordiger: W. Declair, Rechtsanwalt)

Andere partij in de procedure: Commissie van de Europese Gemeenschappen

Conclusies

de beschikking van het Gerecht van eerste aanleg van 11 december 2006 in zaak T-290/05 (1) te vernietigen;

de beschikking van de Commissie van 27 mei 2005 nietig te verklaren.

Middelen en voornaamste argumenten

Tot staving van zijn hogere voorziening tegen genoemde beschikking van het Gerecht betoogt rekwirant het volgende.

Het Gerecht van eerste aanleg heeft ten onrechte de vordering niet-ontvankelijk verklaard voor zover het Gerecht daarbij werd verzocht verweerster te gelasten toegang te verlenen tot een aantal documenten. Volgens vaste rechtspraak van het Hof heeft het Gerecht geen dergelijk recht om instructies te geven. Tegelijk wordt in de bestreden beschikking vastgesteld dat het gewijzigde verzoek van rekwirant niet aldus kon worden uitgelegd dat het stilzwijgend strekte tot nietigverklaring van verweersters litigieuze beschikking. Deze redenering kan niet worden gevolgd: rekwirant heeft met zijn aangepaste verzoek niet louter stilzwijgend, maar uitdrukkelijk om nietigverklaring van verweersters litigieuze beschikking verzocht. Het gewijzigde verzoek van rekwirant is ontvankelijk, voor zover het tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie strekt. De vaststelling dat het beroep niet-ontvankelijk is in zijn geheel bijgevolg onrechtmatig.

Het Gerecht verklaart in zijn bestreden beschikking dat het verzoekschrift „beschuldigingen aan het adres van de Duitse publiekrechtelijke omroepinstellingen en andere overheidsinstanties ”bevat. Deze kwalificatie brengt de feitelijke verklaringen van rekwirant op onaanvaardbare wijze in diskrediet. De pejoratieve kwalificatie van de middelen van het beroep als „beschuldigingen ”toont aan dat het Gerecht het uitzonderlijke gewicht van de verwijten en de desbetreffende schending van het gemeenschapsrecht niet heeft onderzocht uit het oogpunt van de relevantie ervan ter onderbouwing van de vordering. Daarmee heeft het Gerecht het recht om te worden gehoord geschonden. Deze beoordeling van de gematigde uiteenzetting van rekwirant doet zelfs het vermoeden ontstaan dat het het Gerecht aan onpartijdigheid ontbreekt en doet twijfel rijzen omtrent het bestaan van een eerlijk proces.

De bestreden beschikking is in strijd met de beginselen van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Zij gaat voorbij aan de verklaarde wil van de Gemeenschap om de democratie en de rechtsstaat alsmede de eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te ontwikkelen en te versterken. De beschikking van het Gerecht gaat verder voorbij aan de betekenis van het beginsel van openbaarheid in het kader van de belijdenis en de verklaarde wil van de Gemeenschap om de democratie te bevorderen. Het Gerecht heeft nagelaten de vraag te onderzoeken of verweersters beschikking verenigbaar was met de doelstellingen van de Gemeenschap. De bestreden beschikking schendt bijgevolg het geldende gemeenschapsrecht.

Rekwirant ontkent dat het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de toegang tot het litigieuze document van de Commissie volstrekt zonder voorwerp is geraakt. Verweerster heeft voor het Gerecht de authenticiteit van de in een tijdschrift bekendgemaakte brief van de Commissie weliswaar bevestigd, maar rekwirant heeft uitdrukkelijk verklaard dat het beroep door deze bevestiging niet zonder voorwerp is geraakt. Ter onderbouwing hiervan heeft hij in het bijzonder aangevoerd dat het betrokken tijdschrift geen instrument is voor de bekendmaking van verweersters officiële mededelingen.

Op al deze gronden dient de bestreden beschikking van het Gerecht van eerste aanleg te worden vernietigd.


(1)  PB C 331, blz. 42.


Top