Dette dokument er et uddrag fra EUR-Lex
Dokument 62024TJ0180
Judgment of the General Court (Ninth Chamber) of 23 July 2025.#DO v European Central Bank.#Civil service – ECB staff – Remuneration – Parental leave – Tax for the benefit of the European Union – First paragraph of Article 7 of Regulation (EEC, Euratom, ECSC) No 260/68 – Literal, contextual and teleological interpretation – Tax rate – Assessment of tax.#Case T-180/24.
Arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 23 juli 2025.
DO tegen Europese Centrale Bank.
Openbare dienst – Personeel van de ECB – Bezoldiging – Ouderschapsverlof – Belasting ten bate van de Unie – Artikel 7, eerste alinea, van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 – Letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging – Belastingtarief – Vaststelling van de belasting.
Zaak T-180/24.
Arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 23 juli 2025.
DO tegen Europese Centrale Bank.
Openbare dienst – Personeel van de ECB – Bezoldiging – Ouderschapsverlof – Belasting ten bate van de Unie – Artikel 7, eerste alinea, van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 – Letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging – Belastingtarief – Vaststelling van de belasting.
Zaak T-180/24.
ECLI-indikator: ECLI:EU:T:2025:758
Voorlopige editie
ARREST VAN HET GERECHT (Negende kamer)
23 juli 2025 (*)
„ Openbare dienst – Personeel van de ECB – Bezoldiging – Ouderschapsverlof – Belasting ten bate van de Unie – Artikel 7, eerste alinea, van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 – Letterlijke, contextuele en teleologische uitlegging – Belastingtarief – Vaststelling van de belasting ”
In zaak T‑180/24,
DO, vertegenwoordigd door L. Levi en P. Baudoux, advocaten,
verzoeker,
tegen
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door O. Bubenzer, en B. Ehlers als gemachtigden, bijgestaan door B. Wägenbaur, advocaat,
verweerster,
wijst
HET GERECHT (Negende kamer),
samengesteld als volgt: L. Truchot (rapporteur), president, H. Kanninen en T. Perišin, rechters,
griffier: P. Cullen, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 29 januari 2025,
het navolgende
Arrest
1 Met zijn beroep krachtens artikel 270 VWEU en artikel 50 bis van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vordert verzoeker, DO, nietigverklaring van het besluit dat vervat is in zijn salarisafrekening over de maand juli 2023, betreffende het belastingtarief dat wordt toegepast op de ontvangen bezoldiging en de vaststelling, door de Europese Centrale Bank (ECB), van de over die maand verschuldigde belasting (hierna: „bestreden besluit”).
Voorgeschiedenis van het geding
2 Verzoeker is sinds 1 januari 2001 in dienst bij de ECB. Hij werkt er als senior auditor-teamleider.
3 In de maand juli 2023, die 21 werkdagen telde, heeft verzoeker op grond van artikel 29 van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB, zoals verduidelijkt in artikel 5.11 van het personeelsreglement van de ECB, 11 dagen ouderschapsverlof opgenomen; de overige 10 dagen heeft hij gewerkt. Volgens die bepalingen is ouderschapsverlof voor de personeelsleden van de ECB onbezoldigd.
4 Op 14 juli 2023 heeft de ECB verzoeker zijn salarisafrekening over juli 2023 doen toekomen, waaruit blijkt dat op zijn bezoldiging voor die maand hetzelfde belastingtarief is toegepast als voor maanden waarin hij geen ouderschapsverlof opneemt.
5 Op 25 augustus 2023 heeft verzoeker op grond van artikel 41 van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB bezwaar aangetekend tegen het in zijn salarisafrekening over juli 2023 vervatte besluit betreffende het belastingtarief dat werd toegepast op de ontvangen bezoldiging en de vaststelling van de over die maand verschuldigde belasting. Ter ondersteuning van zijn bezwaar voerde verzoeker aan dat krachtens de artikelen 3 en 4 van verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen (PB 1968, L 56, blz. 8), zoals gewijzigd bij verordening (EG, Euratom) nr. 1750/2002 van de Raad van 30 september 2002 (PB 2002, L 264, blz. 15) (hierna: „verordening nr. 260/68”), de verschuldigde belasting moest worden berekend op basis van de daadwerkelijk ontvangen bezoldiging. Aangezien hij in juli 2023 tien dagen had gewerkt, moest volgens hem de belasting over die maand dus worden berekend op basis van de bezoldiging die hij voor die tien werkdagen had ontvangen, en mocht niet het belastingtarief worden toegepast dat gold wanneer hij een volle maand werkte.
6 Bij besluit van 17 oktober 2023 (hierna: „besluit tot afwijzing van het bezwaar”) heeft de ECB verzoekers bezwaar verworpen op grond dat overeenkomstig artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 het belastingtarief voor de vaststelling van de belasting die verschuldigd is over een bezoldiging voor een periode van minder dan één maand, hetzelfde moet zijn als het belastingtarief dat geldt voor de „overeenkomstige maandelijkse uitkering”, dat wil volgens de ECB zeggen het fictieve salaris van een volledige werkmaand. Volgens haar is deze praktijk in overeenstemming met de benadering van de Europese Commissie.
7 Op 14 december 2023 heeft verzoeker op grond van artikel 41 van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB een klacht ingediend tegen het besluit tot afwijzing van het bezwaar. Deze klacht is afgewezen bij besluit van de president van de ECB van 5 februari 2024 (hierna: „besluit tot afwijzing van de klacht”).
Conclusies van partijen
8 Verzoeker verzoekt het Gerecht:
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– voor zover nodig, het besluit tot afwijzing van het bezwaar en het besluit tot afwijzing van de klacht nietig te verklaren;
– de ECB te verwijzen in de kosten.
9 De ECB verzoekt het Gerecht:
– het beroep te verwerpen;
– verzoeker te verwijzen in de kosten.
In rechte
Voorwerp van het beroep
10 Volgens de rechtspraak heeft een vordering tot nietigverklaring die formeel is gericht tegen een besluit tot afwijzing van een klacht, tot gevolg dat bij het Gerecht beroep wordt ingesteld tegen de handeling waartegen de klacht is ingediend wanneer de vordering als zodanig geen autonome inhoud heeft. Hetzelfde geldt voor een bezwaar dat is ingediend door een personeelslid van de ECB (zie in die zin arrest van 8 september 2021, QB/ECB, T‑555/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:552, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
11 Aangezien het besluit tot afwijzing van het bezwaar en het besluit tot afwijzing van de klacht in casu het besluit dat in verzoekers salarisafrekening van juli 2023 is vervat gewoon bevestigen, heeft de vordering tot nietigverklaring van die besluiten geen autonome inhoud en behoeft daar dus niet specifiek op te worden beslist, ook al moet bij het onderzoek van de wettigheid van die salarisafrekening noodzakelijkerwijs rekening worden gehouden met de motivering in bovengenoemde besluiten tot afwijzing van het bezwaar en de klacht (zie in die zin arrest van 8 september 2021, QB/ECB, T‑555/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:552, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Ten gronde
12 Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker drie middelen aan. Het eerste betreft schending van de in verordening nr. 260/68 neergelegde regels voor de berekening van de belasting en een kennelijke beoordelingsfout, het tweede schending van het beginsel van gelijke behandeling en het derde schending van de motiveringsplicht.
13 Eerst moet het derde middel worden onderzocht en vervolgens het eerste en het tweede middel.
Derde middel: schending van de motiveringsplicht
14 Verzoeker betoogt dat de ECB haar motiveringsplicht niet is nagekomen door enkel aan te geven, zonder haar stelling te staven of het minste bewijs te leveren, dat zij dezelfde methode voor de berekening van de belasting had toegepast als de Commissie. Voorts betoogt verzoeker dat de ECB niet heeft uiteengezet waarom zij dezelfde methode voor de berekening van de belasting toepast op haar personeelsleden die ouderschapsverlof opnemen en op personeelsleden die onbetaald verlof nemen, terwijl deze situaties feitelijk en rechtens niet vergelijkbaar zijn.
15 De ECB betwist deze argumenten.
16 In dit verband zij eraan herinnerd dat de in artikel 296 VWEU bedoelde motiveringsplicht, die in artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie nogmaals wordt bevestigd, een fundamenteel beginsel van Unierecht is, dat tot doel heeft, enerzijds, de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of de voor hem bezwarende handeling gegrond is en of het zinvol is om beroep bij het Gerecht in te stellen, en anderzijds, het Gerecht in staat te stellen zijn toezicht uit te oefenen. Bij de beoordeling van de omvang van de motiveringsplicht moet rekening worden gehouden met de concrete omstandigheden, met name met de inhoud van de handeling, de aard van de aangevoerde redenen en het belang dat de adressaat bij toelichtingen kan hebben (zie arresten van 4 juli 2024, EUIPO/KD, C‑5/23 P, EU:C:2024:575, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 december 2022, TM/ECB, T‑440/21, niet gepubliceerd, EU:T:2022:800, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
17 Bovendien is reeds geoordeeld dat de administratie niet gehouden is de salarisafrekeningen van haar ambtenaren en andere personeelsleden met redenen te omkleden, aangezien zij in die afrekeningen handelingen van algemene strekking toepast, zonder dienaangaande over enige beoordelingsbevoegdheid te beschikken. Indien ambtenaren of andere personeelsleden van de ECB, zoals in casu, van mening zijn dat een of meer salarisafrekeningen voor hen bezwarend zijn en besluiten bezwaar aan te tekenen en vervolgens een klacht in te dienen, is de administratie echter wel gehouden haar besluiten tot afwijzing van dat beroep en die klacht met redenen te omkleden, met dien verstande dat de motivering van die afwijzingsbesluiten wordt geacht samen te vallen met de inhoud van de salarisafrekeningen waartegen het bezwaar en de klacht waren gericht (zie in die zin en naar analogie arrest van 18 september 2003, Lebedef e.a./Commissie, T‑221/02, EU:T:2003:239, punt 62).
18 In casu blijkt zowel uit het besluit tot afwijzing van het bezwaar als uit het besluit tot afwijzing van de klacht dat de ECB verzoeker heeft uitgelegd dat zij artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 aldus had uitgelegd dat de verwijzing in die bepaling naar het begrip „overeenkomstige maandelijkse uitkering” veronderstelde dat de belastingtarieven zoals die in artikel 4 van die verordening voor elke inkomensschijf zijn vastgesteld, moesten worden toegepast op het „fictieve” salaris voor een volledige werkmaand. De ECB heeft ook aangegeven dat zij de belasting die verzoeker verschuldigd was over de maand juli 2023 heeft berekend naar rato van het aantal gewerkte dagen, en daarbij op de aan hem betaalde bezoldiging hetzelfde belastingtarief heeft toegepast als op zijn gebruikelijke bezoldiging, die overeenkomt met een volledige werkmaand.
19 Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat de motivering van de besluiten tot afwijzing van het bezwaar en tot afwijzing van de klacht duidelijk en ondubbelzinnig de door de ECB toegepaste methode voor de berekening van de belasting en de door deze instelling gevolgde redenering tot uitdrukking brengt. Verzoeker is dus in staat gesteld de strekking van de hem betreffende maatregel te begrijpen en de Unierechter kan de rechtmatigheid van die besluiten toetsen.
20 Hieraan moet worden toegevoegd dat een motivering mogelijk niet uitputtend is en als toereikend moet worden beschouwd wanneer zij de feiten en rechtsoverwegingen uiteenzet die in het bestek van het besluit van wezenlijk belang zijn (zie in die zin arrest van 13 december 2017, CJ/ECDC, T‑692/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:894, punt 116 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De administratie is dus niet verplicht een standpunt in te nemen over alle voor haar aangevoerde argumenten (zie in die zin arrest van 11 januari 2007, Technische Glaswerke Ilmenau/Commissie, C‑404/04 P, niet gepubliceerd, EU:C:2007:6, punt 30).
21 De argumenten van verzoeker dat de ECB onvoldoende heeft onderbouwd waarom zij dezelfde methode voor de berekening van de belasting heeft toegepast als de Commissie, of dat zij niet heeft uitgelegd waarom zij dezelfde methode voor de berekening van de belasting toepast op haar personeelsleden die ouderschapsverlof nemen en op personeelsleden die onbetaald verlof nemen (zie punt 14 hierboven) kunnen niet afdoen aan de vaststelling in punt 19 hierboven, aangezien de ECB niet verplicht was om op alle door hem aangevoerde argumenten te antwoorden.
22 Hieruit volgt dat het derde middel, dat betrekking heeft op een ontoereikende motivering van het bestreden besluit, moet worden afgewezen.
Eerste middel: schending van de bij verordening nr. 260/68 vastgestelde regels voor de berekening van de belasting en kennelijk onjuiste beoordeling
23 Verzoeker betoogt om te beginnen dat de door ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie verschuldigde belasting krachtens de artikelen 3 en 4 van verordening nr. 260/68 moet worden berekend op basis van de ontvangen bezoldiging. Ter ondersteuning van zijn stellingen beroept verzoeker zich met name op de rechtspraak die voortvloeit uit het arrest van 21 oktober 2009, Ramaekers-Jørgensen/Commissie (F‑74/08, EU:F:2009:142). Hij verduidelijkt dat de Unierechter zich nooit uitdrukkelijk over deze vraag heeft uitgesproken. Hij voegt daaraan toe dat het begrip „overeenkomstige maandelijkse uitkering” in artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 niet nauwkeurig is gedefinieerd en dat de uitlegging die de ECB daar in het bestreden besluit aan geeft, niet voor de hand ligt. In dit verband betoogt hij dat bij twijfel over de uitlegging van een belastingregel de voor de belastingplichtige gunstigste uitlegging moet worden gevolgd.
24 Verzoeker zet vervolgens uiteen dat de ECB, anders dan zij in de besluiten tot afwijzing van het bezwaar en de klacht heeft gesteld, niet dezelfde methode heeft toegepast als die welke door de Commissie wordt gebruikt, terwijl artikel 10 van verordening nr. 260/68 de administraties van de Unie verplicht om overleg te plegen teneinde de uniforme toepassing van de bepalingen van die verordening te verzekeren. Verzoeker illustreert deze stelling met een berekening aan de hand van een aan het personeel van de Commissie ter beschikking gestelde tool, „calculette financière” (financiële rekenmachine) genoemd, waaruit blijkt dat deze instelling in een situatie die vergelijkbaar is met de zijne de verschuldigde belasting berekent op basis van de bezoldiging die de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid daadwerkelijk heeft ontvangen. Hij betoogt tevens dat de ECB in een mededeling aan het personeel die op 19 januari 2024 op het intranet van de instelling is gepubliceerd, heeft erkend dat de methode voor de berekening van de pro-ratabelasting voor niet volledig gewerkte maanden niet vrij van gebreken is.
25 Ten slotte voert verzoeker aan dat de ECB ten onrechte dezelfde methode toepast voor de berekening van de belasting die een ambtenaar of ander personeelslid verschuldigd is in het geval van ouderschapsverlof en onbetaald verlof, terwijl deze twee vormen van verlof niet vergelijkbaar zijn. Volgens verzoeker mag een personeelslid met onbetaald verlof immers tijdens dat verlof bezoldigde nevenactiviteiten uitoefenen, terwijl dit niet het geval is voor een personeelslid dat ouderschapsverlof opneemt.
26 De ECB bestrijdt dit betoog.
27 Om te beginnen moet worden opgemerkt dat verzoeker met zijn eerste middel, dat weliswaar formeel is gebaseerd op schending van de bij verordening nr. 260/68 vastgestelde regels voor de berekening van de belasting en op een kennelijke beoordelingsfout, de ECB in werkelijkheid verwijt blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Met dit eerste middel betoogt verzoeker immers dat de ECB artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 onjuist heeft uitgelegd. Indien dit het geval zou zijn, moet worden vastgesteld dat de ECB blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de uitlegging van deze bepaling, hetgeen verzoeker ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht overigens heeft erkend.
28 Tevens moet worden opgemerkt dat verzoekers betoog dat de ECB ten onrechte dezelfde methode toepast voor de berekening van de belasting die verschuldigd is door ambtenaren of andere personeelsleden die ouderschapsverlof of onbetaald verlof nemen, aangezien deze twee vormen van verlof niet vergelijkbaar zijn (zie punt 25 hierboven), samenvalt met het tweede middel, dat schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft en na het eerste middel wordt onderzocht.
29 Wat betreft het arrest van 21 oktober 2009, Ramaekers-Jørgensen/Commissie (F‑74/08, EU:F:2009:142), waarop verzoeker zich beroept tot staving van zijn stelling dat de door de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie verschuldigde belasting steeds moet worden berekend op basis van de ontvangen bezoldiging (zie punt 23 hierboven) moet in navolging van de ECB worden opgemerkt dat de situatie die in dat arrest aan de orde was, verschilt van die in de onderhavige zaak. De vraag die werd gesteld in de zaak die tot dat arrest heeft geleid, had immers betrekking op de bepaling van de belastinggrondslag met het oog op de berekening van de belasting die verschuldigd was in het bijzondere geval van een verzoekende partij die na het overlijden van haar echtgenoot naast een overlevingspensioen ook nog haar eigen bezoldiging ontving, waardoor het overlevingspensioen zwaarder werd belast dan wanneer het afzonderlijk in aanmerking zou zijn genomen. In die zaak heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken geoordeeld dat de belastinggrondslag in dergelijke omstandigheden bestond uit het bedrag dat overeenkwam met de som van de bezoldiging van de ambtenaar of het personeelslid en het maandelijks uitgekeerde overlevingspensioen (arrest van 21 oktober 2009, Ramaekers-Jørgensen/Commissie, F‑74/08, EU:F:2009:142, punten 48‑54). De vraag in de onderhavige zaak betreft de vaststelling van het belastingtarief dat van toepassing is op bedragen die de Unie aan een van haar ambtenaren of andere personeelsleden betaalt voor een arbeidsperiode van minder dan één maand. Zij heeft geen betrekking op de vaststelling van de belastinggrondslag.
30 Wat betreft de conclusies die verzoeker heeft getrokken uit het gebruik van een aan het personeel van de Commissie ter beschikking gestelde berekeningstool (zie punt 24 hierboven), moet worden opgemerkt dat, onverminderd de vraag naar de bewijskracht van een dergelijke tool, de door verzoeker gemaakte berekening berust op de onjuiste veronderstelling dat de bezoldiging van een arbeidsperiode van minder dan één maand kan worden gelijkgesteld met de volledige maandelijkse bezoldiging van een ambtenaar die of een personeelslid dat in deeltijd werkzaam is. Om zijn becijferd bewijs te leveren, heeft verzoeker de situatie van een ambtenaar van rang AD 10, salaristrap 4, die een volledige maandelijkse bezoldiging ontvangt, immers vergeleken met die van een ambtenaar van dezelfde rang en salaristrap die zijn gebruikelijke werkzaamheden in deeltijd verricht, ten belope van 50 % van een voltijdse betrekking, over dezelfde maandelijkse periode. In deze twee situaties is de bezoldiging die de ambtenaar van rang AD 10, salaristrap 4, ontvangt een volledige maandelijkse bezoldiging, hoewel zij in een van beide gevallen wordt betaald uit hoofde van een in deeltijd uitgeoefende activiteit, en niet een bezoldiging die wordt betaald uit hoofde van een arbeidsperiode van minder dan één maand, zoals bedoeld in artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68.
31 Na deze inleidende opmerkingen moet worden vastgesteld dat bij het onderzoek van de vraag die met het eerste middel wordt opgeworpen en die de vaststelling betreft van het belastingtarief dat van toepassing is op de bedragen die de Unie aan een van haar ambtenaren of andere personeelsleden betaalt voor een arbeidsperiode van minder dan één maand, artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 moet worden uitgelegd, aangezien partijen het over de uitlegging daarvan oneens zijn.
32 In dit verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt [zie arrest van 21 december 2023, G. K. e.a. (Europees Openbaar Ministerie), C‑281/22, EU:C:2023:1018, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
33 Artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 bepaalt:
„Heeft de belastbare uitkering betrekking op een periode van minder dan één maand, dan wordt het tarief toegepast[] dat voor de overeenkomstige maandelijkse uitkering geldt.”
34 Artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 laat het belastingtarief voor een „belastbare uitkering” voor een arbeidsperiode van minder dan één maand dus afhangen van het belastingtarief dat van toepassing is op de „overeenkomstige maandelijkse uitkering”.
35 In dit verband moet worden opgemerkt dat de betekenis en de draagwijdte van het begrip „belastbare uitkering” kunnen worden bepaald op basis van artikel 3 van verordening nr. 260/68. Uit deze laatste bepaling volgt dat salarissen, lonen en emolumenten van welke aard ook die door de Unie worden betaald aan haar ambtenaren en andere personeelsleden, belastbaar zijn en dus als „belastbare uitkering” in de zin van artikel 7, eerste alinea, van deze verordening kunnen worden aangemerkt. Dergelijke uitkeringen vormen een belastbare grondslag 1) waarvan de verschillende uitkeringen en vergoedingen die worden toegekend ter compensatie van kosten die zij uit hoofde van de door hen uitgeoefende functie hebben gedragen zijn uitgesloten, 2) waarop diverse uitkeringen en toelagen van familiale of sociale aard in mindering worden gebracht, en 3) waarvan naargelang van de situatie van de betrokkene nog eens een of meer bedragen worden afgetrokken.
36 Het begrip „overeenkomstige maandelijkse uitkering” wordt daarentegen niet gedefinieerd in verordening nr. 260/68.
37 Aangezien dit begrip verwijst naar een uitkering die tegelijk als „maandelijks” en „overeenkomend” wordt aangemerkt, kan het niet aldus worden uitgelegd dat het ziet op een belastbare uitkering die geen maandelijks karakter heeft. Bijgevolg moet artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 volgens de bewoordingen ervan aldus worden uitgelegd dat wanneer een personeelslid een bezoldiging ontvangt voor een periode van minder dan één maand, het op die gedeeltelijke bezoldiging toepasselijke belastingtarief wordt berekend op basis van de maandelijkse bezoldiging voor een volledige werkmaand.
38 Onderzocht moet worden of deze uitlegging van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68, die voortvloeit uit de bewoordingen ervan, wordt bevestigd door de contextuele en de teleologische uitlegging ervan.
39 Wat in de eerste plaats de context van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 betreft, moet in het bijzonder worden opgemerkt dat de artikelen 3 tot en met 7 en artikel 13 van die verordening de regels betreffende de grondslag en de vaststelling van de belasting bevatten. Artikel 3 bepaalt in lid 1 dat de belasting maandelijks verschuldigd is en stelt verder, samen met artikel 13, de belangrijkste bestanddelen van de belastinggrondslag vast. De artikelen 4 tot en met 6 van deze verordening bepalen de wijze van berekening van de belasting. Artikel 4 stelt met name per inkomensschijf een progressief belastingtarief van 8 tot 45 % vast. Artikel 5 verduidelijkt de wijze van berekening van sommige van deze inkomsten met het oog op de vaststelling van de belastinggrondslag en artikel 6 voorziet in een aantal afwijkingen van de artikelen 3 en 4 met het oog op de vaststelling van het belastingtarief voor bepaalde inkomsten.
40 Artikel 7 van verordening nr. 260/68 verduidelijkt vervolgens hoe het belastingtarief wordt vastgesteld wanneer de uitkering aan de belastingplichtige betrekking heeft op een arbeidsperiode die niet overeenkomt met één maand. De eerste alinea van artikel 7 regelt het geval van uitkeringen voor een arbeidsperiode van minder dan één maand, de tweede alinea dat van uitkeringen voor een arbeidsperiode van meer dan één maand. De derde alinea van dit artikel betreft uitkeringen van achterstallige bedragen, die geen betrekking hebben op de maand waarin zij worden betaald.
41 Artikel 7 van verordening nr. 260/68 verwijst dus naar een periode van één maand, met name om een onderscheid te maken met hetzij kortere, hetzij langere perioden. Aangezien de belasting volgens artikel 3 van deze verordening maandelijks verschuldigd is over de bezoldiging die de Unie aan elke belastingplichtige betaalt voor een arbeidsperiode van één maand, wijken de in artikel 7 opgenomen regels voor de vaststelling van het belastingtarief af van die welke voortvloeien uit de artikelen 3 en 4 en die van toepassing zijn op uitkeringen aan een belastingplichtige als tegenprestatie voor een arbeidsperiode van die duur.
42 Voorts moet worden opgemerkt dat artikel 7, tweede alinea, van verordening nr. 260/68 bepaalt dat wanneer „de belastbare uitkering betrekking [heeft] op een periode van meer dan één maand, [...] de belasting [wordt] berekend als ware deze uitkering gelijkelijk verdeeld over de maanden waarop zij betrekking heeft”.
43 Uit deze bepaling volgt dat wanneer de belastbare uitkering betrekking heeft op een periode van meer dan één maand, voor de vaststelling van de verschuldigde belasting moet worden aangenomen dat die uitkering gelijkelijk is gespreid over de maanden waarop zij betrekking heeft. Bijgevolg moet een bezoldiging die bij wijze van uitzondering voor een dergelijke periode wordt betaald, worden belast tegen hetzelfde tarief als de bezoldiging die een belastingplichtige voor een volle maand werk ontvangt.
44 Hetzelfde geldt voor het tarief dat wordt toegepast op de bezoldiging die voor een periode van minder dan één maand wordt betaald.
45 De context van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 bevestigt dus de uitlegging van deze bepaling die in punt 37 hierboven op basis van de bewoordingen ervan is gegeven.
46 Wat in de tweede plaats de doelstellingen betreft die worden nagestreefd met de regeling waarvan die bepaling deel uitmaakt, zij eraan herinnerd dat uit de preambule van verordening nr. 260/68 blijkt dat deze verordening met name tot doel heeft de voorwaarden vast te stellen waaronder de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie zijn onderworpen aan de belasting op de salarissen, lonen en emolumenten die is ingevoerd bij artikel 13 van het protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten.
47 Hoewel de doelstellingen van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 niet duidelijk kunnen worden afgeleid uit deze bepaling zelf of uit de verordening, moet worden benadrukt dat een uitlegging van deze bepaling in de door verzoeker voorgestelde zin, namelijk dat op een bezoldiging voor een periode van minder dan één maand de regels voor de berekening van de belasting moeten worden toegepast zoals vervat in de artikelen 3 en 4 van deze verordening, elk nuttig effect aan de betrokken bepaling zou ontnemen. Een dergelijke uitlegging zou er immers op neerkomen dat dezelfde regels voor de berekening van de belasting, inclusief het belastingtarief, als die waarin de artikelen 3 en 4 voorzien, zouden worden toegepast op een bezoldiging voor een periode van minder dan één maand – een voorwaarde waarvan nochtans de toepassing van het in artikel 7, eerste alinea, van deze verordening bedoelde belastingtarief afhangt.
48 Derhalve moet worden geoordeeld dat ook de teleologische uitlegging van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 de conclusie in punt 37 hierboven bevestigt.
49 Uit een en ander volgt dat artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 aldus moet worden uitgelegd dat bij uitkering van een bezoldiging voor een arbeidsperiode van minder dan één maand, op het betrokken bedrag het belastingtarief moet worden toegepast dat geldt voor de inkomsten die de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid ontvangt voor een volledige maand arbeid. Wanneer een ambtenaar of personeelslid een bezoldiging ontvangt voor een arbeidsperiode van minder dan één maand, wordt de belasting dus berekend op basis van hetzelfde belastingtarief als het tarief dat zou worden toegepast indien de betrokkene een volledige maand had gewerkt, en naar rato van de daadwerkelijk gewerkte dagen.
50 Bijgevolg heeft de ECB geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het bestreden besluit vast te stellen op grond van artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68, zoals dit moet worden uitgelegd overeenkomstig de in de punten 33 tot en met 48 hierboven uiteengezette gronden, en moet het eerste middel worden afgewezen.
Tweede middel: schending van het beginsel van gelijke behandeling
51 Verzoeker verwijt de ECB dat zij, in strijd met het beginsel van gelijke behandeling, bij de berekening van de belasting geen onderscheid maakt tussen twee situaties die volgens hem verschillend zijn. In dit verband wijst hij erop dat de ECB ten onrechte dezelfde methode gebruikt voor de berekening van de belasting wanneer ambtenaren of andere personeelsleden ouderschapsverlof opnemen en wanneer zij een ander soort onbetaald verlof nemen, terwijl deze twee vormen van verlof volgens hem niet vergelijkbaar zijn. Ter onderbouwing van zijn stelling voert verzoeker in wezen aan dat een personeelslid dat een ander soort onbetaald verlof dan ouderschapsverlof neemt, tijdens dat verlof bezoldigde nevenactiviteiten mag verrichten, terwijl dit niet het geval is voor een personeelslid dat ouderschapsverlof opneemt, en dat een dergelijk financieel verschil van invloed zou moeten zijn op de berekening van de verschuldigde belasting.
52 De ECB betwist deze argumenten.
53 Vooraf zij eraan herinnerd dat het beginsel van gelijke behandeling, zoals het is verankerd in artikel 20 van het Handvest van de grondrechten, een algemeen beginsel van het Unierecht is, op grond waarvan vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk mogen worden behandeld, tenzij een dergelijke behandeling objectief gerechtvaardigd is. Een verschil in behandeling is gerechtvaardigd indien het berust op een objectief en redelijk criterium, dat wil zeggen wanneer het verband houdt met een rechtens geoorloofd doel dat door de betrokken regeling wordt nagestreefd, en in verhouding staat tot het doel dat met de betrokken behandeling wordt nagestreefd (zie arrest van 30 november 2023, MG/EIB, C‑173/22 P, EU:C:2023:932, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
54 Het is vaste rechtspraak dat voor schending van het gelijkheidsbeginsel wegens verschillende behandeling de betrokken situaties, gelet op alle kenmerken daarvan, vergelijkbaar moeten zijn. De onderscheidende kenmerken van situaties en de vergelijkbaarheid van die situaties moeten met name worden bepaald en beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de betrokken bepalingen, waarbij rekening moet worden gehouden met de beginselen en doelstellingen van het gebied waarop de betrokken handeling betrekking heeft (zie arrest van 30 november 2023, MG/EIB, C‑173/22 P, EU:C:2023:932, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
55 In casu moet worden vastgesteld dat de situatie van een personeelslid dat ouderschapsverlof geniet op grond van artikel 29 van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB, zoals nader toegelicht in artikel 5.11 van het personeelsreglement van de ECB, wat de ontvangen bezoldiging betreft vergelijkbaar is met die van een personeelslid dat een andere vorm van onbetaald verlof geniet, zoals bedoeld in artikel 30 van die arbeidsvoorwaarden en toegelicht in artikel 5.12 van dat personeelsreglement. Ongeacht de rechtsgrondslag van het betrokken verlof, of het nu gaat om artikel 29 dan wel om artikel 30 van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB, wordt dit verlof immers „onbetaald” genoemd, dat wil zeggen dat het betrokken personeelslid in geen van beide gevallen tijdens die verlofperiode een bezoldiging van de ECB ontvangt in verband met de uitoefening van zijn beroepsactiviteit. Bovendien staat niets eraan in de weg dat ouderschapsverlof en andere vormen van onbetaald verlof binnen de ECB worden toegekend voor een periode van minder dan één maand of dat zij in de loop van een maand aanvangen, zodat de personeelsleden die een dergelijk verlof opnemen, in alle gevallen een bezoldiging kunnen ontvangen voor een periode van minder dan één maand.
56 Bijgevolg kan verzoeker niet op goede gronden stellen dat het ouderschapsverlof en de andere vormen van onbetaald verlof waarin de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de ECB voorzien, niet vergelijkbaar zijn, en kan hij dus evenmin met succes aanvoeren dat de ECB het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden omdat zij artikel 7, eerste alinea, van verordening nr. 260/68 op dezelfde wijze toepast in het geval van ouderschapsverlof en in dat van onbetaald verlof dat wordt toegekend voor een periode van minder dan één maand of dat aanvangt in de loop van de maand en aanleiding geeft tot betaling van een bezoldiging voor een periode van minder dan één maand.
57 Aan deze conclusie wordt niet afgedaan door verzoekers stelling dat een personeelslid van de ECB dat een ander soort onbetaald verlof dan ouderschapsverlof neemt, tijdens dat verlof bezoldigde nevenactiviteiten mag verrichten, terwijl dit niet het geval is voor een personeelslid van de ECB dat ouderschapsverlof opneemt, zodat hun situaties niet vergelijkbaar zijn. De mogelijkheid voor bepaalde personeelsleden die een ander soort onbetaald verlof opnemen dan ouderschapsverlof, om bezoldigde nevenactiviteiten uit te oefenen, heeft immers geen invloed op hun financiële situatie ten opzichte van de ECB, aangezien de betaling van hun bezoldiging wordt opgeschort, net als die van personeelsleden die ouderschapsverlof opnemen.
58 Bijgevolg moet het tweede middel, dat betrekking heeft op schending van het beginsel van gelijke behandeling, worden afgewezen, zodat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
59 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoeker in het ongelijk is gesteld, dient hij overeenkomstig de vordering van de ECB in de kosten te worden verwezen.
HET GERECHT (Negende kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep wordt verworpen.
2) DO wordt verwezen in de kosten.
|
Truchot |
Kanninen |
Perišin |
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 juli 2025.
ondertekeningen
* Procestaal: Engels.