This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62024TC0643
Opinion of Advocate General Martín y Pérez de Nanclares delivered on 3 December 2025.###
Conclusie van advocaat-generaal J. Martín y Pérez de Nanclares van 3 december 2025.
Conclusie van advocaat-generaal J. Martín y Pérez de Nanclares van 3 december 2025.
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2025:1080
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. MARTÍN Y PÉREZ DE NANCLARES
van 3 december 2025 ( 1 )
Zaak T‑643/24
Centrul Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Credidam)
tegen
Cristian General Serv SRL
[verzoek van de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Fiscale bepalingen – Belasting over de toegevoegde waarde (btw) – Artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25 van richtlijn 2006/112/EG – Begrip ‚diensten onder bezwarende titel’ – Collectief beheer van auteursrechten – Vergoeding voor de mededeling aan het publiek van beschermde muziekwerken – Toeslag vanwege het ontbreken van een licentie – Artikel 73 van richtlijn 2006/112 – Maatstaf van heffing – Begrip ‚tegenprestatie’”
I. Inleiding
|
1. |
Een eerlijke verkoopprijs is het resultaat van een gezamenlijke raming door mensen, zo onderwees Francisco de Vitoria in Salamanca. ( 2 ) Ik sluit niet uit dat deze overweging van de economische filosofie de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië) heeft geïnspireerd toen deze rechter besloot het Hof te raadplegen om, in fine, de maatstaf van heffing van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) vast te stellen in het geval van een regel waardoor de prijs van een dienst wordt verdrievoudigd. |
|
2. |
Meer in het bijzonder worden in het kader van deze verwijzing twee vraagstukken aan de orde gesteld met betrekking tot de uitlegging van richtlijn 2006/112/EG ( 3 ), die passen in een kader van reeds zeer gevestigde rechtspraak. |
|
3. |
Ten eerste dient te worden nagegaan of er sprake is van een „dienst onder bezwarende titel”, dat wil zeggen, in essentie, het over en weer uitwisselen van prestaties, wanneer een gebruiker die aan het publiek beschermde muziekwerken heeft medegedeeld zonder daarvoor vooraf een licentie te hebben verkregen, ex lege voor deze mededeling een vergoeding moet betalen. In mijn antwoord zal worden bepaald of de overwegingen in het arrest van 21 januari 2021, UCMR – ADA (C‑501/19, EU:C:2021:50; hierna: „arrest UCMR”), waaruit volgt dat het tegen betaling van een vergoeding verlenen van licenties voor dergelijke mededelingen daadwerkelijk een handeling is die aan de btw is onderworpen, van overeenkomstige toepassing zijn in het geval er geen licentie is verkregen. |
|
4. |
Ten tweede biedt de onderhavige zaak de gelegenheid om de grenzen van het begrip „tegenprestatie” nader af te bakenen voor wat betreft gevallen waarin een deel van de vergoeding het karakter van een straf of een schadevergoeding heeft. De gebruiker, die geen licentie heeft aangeschaft, moet namelijk het drievoudige van het basisbedrag van de vergoeding betalen. Ervan uitgaande dat er daadwerkelijk sprake is van een „dienst onder bezwarende titel”, moet worden bepaald of de btw verschuldigd is over het vermeerderde bedrag dan wel alleen over het basisbedrag van deze vergoeding. In dit verband stel ik voor om de criteria te onderzoeken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of het verband tussen de toeslag en de verrichte dienst voldoende rechtstreeks is om te kunnen spreken van een wederkerige betrekking. |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
5. |
Overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 zijn „de diensten die binnen het grondgebied van een lidstaat door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht” aan de btw onderworpen. |
|
6. |
Overeenkomstig artikel 24, lid 1, van deze richtlijn wordt „[a]ls ‚dienst’ [...] beschouwd elke handeling die geen levering van goederen is”. |
|
7. |
Artikel 25 van deze richtlijn bepaalt: „Een dienst kan onder meer een van de volgende handelingen zijn:
|
|
8. |
Artikel 73 van deze richtlijn bepaalt dat „[v]oor andere [...] diensten dan die bedoeld in de artikelen 74 tot en met 77 [...] de maatstaf van heffing alles [omvat] wat de [...] dienstverrichter voor deze handelingen als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van de zijde van de afnemer”. |
B. Roemeens recht
|
9. |
De artikelen 268 en 271 van Lege nr. 227/2015 privind Codul fiscal (wet nr. 227/2015 houdende het belastingwetboek) van 8 september 2015 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 688 van 10 september 2015), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, bevatten bepalingen tot omzetting van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112 en de artikelen 24 en 25 van deze richtlijn. |
|
10. |
Krachtens artikel 286, lid 4, onder b), van deze wet worden „in de maatstaf van heffing de [...] boeten en andere bedragen [niet opgenomen] die zijn gevraagd voor de [...] niet-nakoming van contractuele verplichtingen, indien deze in aanvulling op de overeengekomen prijzen en/of tarieven in rekening worden gebracht”. |
|
11. |
In de artikelen 98 en 121 van Lege nr. 8/1996 privind dreptul de autor și drepturile conexe (wet nr. 8/1996 betreffende auteursrechten en naburige rechten; hierna: „wet nr. 8/1996”) van 14 maart 1996 (Monitorul Oficial al României, deel I, nr. 60 van 26 maart 1996), in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding, worden bepaalde rechten en plichten van houders van auteursrechten of naburige rechten vastgesteld. Uit deze artikelen blijkt met name dat deze houders het exclusieve recht hebben om de uitzending of mededeling aan het publiek van hun werk te verbieden, tenzij dit werk reeds is vastgelegd of uitgezonden. |
|
12. |
Deze bepalingen voorzien bovendien in een vergoeding voor het gebruik van beschermde werken, die wordt geïnd door een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten, en in de methodologie voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding. |
|
13. |
De in de onderhavige zaak toepasselijke methodologie is vastgesteld in besluit nr. 120/2016 van de Oficiu Român pentru Drepturile de Autor (Roemeens bureau voor auteursrecht), dat werd gepubliceerd in de Monitor Oficial al României. Uit dit besluit vloeit voort dat bij de vaststelling van het bedrag van de vergoeding rekening wordt gehouden met criteria zoals de oppervlakte van de ruimte waarin de mededeling aan het publiek plaatsvindt, het aantal kamers van de accommodatie, de locatie ervan en het type ruimte. |
|
14. |
Dat bedrag moet worden betaald aan de organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten, op basis van een niet-exclusieve licentie voor het gebruik van de beschermde werken. Indien het gebruik niet wordt gedekt door een licentie, wordt overeenkomstig punt 3.12 van deze methodologie het te betalen bedrag verdrievoudigd. |
III. Feiten van het hoofdgeding en verzoek om een prejudiciële beslissing
|
15. |
Het hoofdgeding betreft een geschil tussen het Centru Român pentru Administrarea Drepturilor Artiștilor Interpreți (Roemeens centrum voor het beheer van de rechten van uitvoerend kunstenaars; hierna: „Credidam”), een organisatie voor het collectief beheer van auteursrechten, en Cristian General Serv SRL, een in Roemenië gevestigde vennootschap, over de vergoeding die Cristian General Serv moet betalen voor de verspreiding van beschermde muziekwerken. |
|
16. |
Deze vennootschap heeft dergelijke werken medegedeeld in een accommodatie zonder dat Credidam haar daarvoor vooraf de vereiste licentie had verleend. Overeenkomstig de Roemeense wetgeving moet het bedrag van de vergoeding in dat geval worden verdrievoudigd. |
|
17. |
De verwijzende rechter, bij wie hoger beroep is ingesteld, verklaart dat Credidam heeft verzocht om in de geëiste bedragen btw op te nemen, terwijl volgens de verwerende partij in het hoofdgeding deze belasting niet verschuldigd is. ( 4 ) |
|
18. |
Gezien de rechtspraak van het Hof ( 5 ) is de verwijzende rechter van mening dat moet worden nagegaan of houders van auteursrechten een verrichting uitvoeren die moet worden aangemerkt als een „dienst onder bezwarende titel”, die is onderworpen aan de btw, wanneer een persoon beschermde werken mededeelt aan het publiek zonder daarvoor van Credidam de vereiste licentie te hebben verkregen. In voorkomend geval moet voor de berekening van de verschuldigde btw worden bepaald of de tegenprestatie voor deze dienst uitsluitend het basisbedrag van de vergoeding omvat, dan wel of de btw moet worden berekend op basis van het verdrievoudigde bedrag dat vanwege het ontbreken van een licentie verschuldigd is. |
|
19. |
Tegen deze achtergrond heeft de Curte de Apel București de behandeling van de zaak geschorst en in het kader van de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU de volgende prejudiciële vragen gesteld:
|
IV. Procedure bij het Hof en het Gerecht
|
20. |
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing is op 22 november 2024 bij de griffie van het Hof ingekomen. Dit verzoek is overeenkomstig artikel 50 ter van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie doorgestuurd naar het Gerecht, dat heeft besloten uitspraak te doen zonder pleitzitting. |
|
21. |
Credidam, de Roemeense regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. |
V. Juridische beoordeling
A. Opmerkingen vooraf
|
22. |
Het bijzondere aan de onderhavige zaak is dat de vragen van de verwijzende rechter betrekking hebben op vraagstukken die rechtstreeks in het verlengde liggen van vraagstukken die in het arrest UCMR zijn behandeld. ( 6 ) |
|
23. |
De zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest – dat is gewezen op verzoek van de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië) – heeft in beginsel betrekking op dezelfde nationale wetgeving als die in het hoofdgeding, te weten wet nr. 8/1996. Bovendien ging het bij de gestelde vragen om de uitlegging van dezelfde bepalingen van richtlijn 2006/112, waaronder met name artikel 2, lid 1, onder c), waaruit in essentie voortvloeit dat „diensten” die „onder bezwarende titel” worden verricht, moeten worden onderworpen aan de btw. |
|
24. |
De in het kader van deze zaak gestelde vragen moeten derhalve in het licht van dat arrest worden onderzocht. |
|
25. |
In dit verband denk ik dat het mogelijk is om op basis van de tekst van het verzoek om een prejudiciële beslissing de precieze reikwijdte ervan te bepalen. Ten eerste wenst de verwijzende rechter te vernemen of de houders van auteursrechten, vertegenwoordigd door de organisatie voor collectief beheer, in casu een „dienst” hebben verricht en, indien ja, of moet worden aangenomen dat deze dienst „onder bezwarende titel” is verricht, met name gelet op de in de Roemeense wetgeving vastgestelde methodologie voor de bepaling van de vergoeding die gebruikers moeten betalen. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst deze rechter ten tweede dat het „bezwarend” karakter van deze dienst specifiek wordt onderzocht, om te bepalen of de btw moet worden berekend op basis van het basisbedrag van de vergoeding of het verdrievoudigde bedrag. |
|
26. |
Daarom zal ik het Gerecht in overweging geven om de gestelde vragen als volgt te herformuleren: met de eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder b) en c), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat de wettelijke verplichting om in ruil voor een vergoeding te dulden dat beschermde werken aan het publiek worden medegedeeld door een gebruiker die vooraf niet de daarvoor vereiste licentie heeft verkregen, moet worden aangemerkt als een „dienst onder bezwarende titel”, en met de tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 73 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de vergoeding die moet worden betaald voor de mededeling van beschermde werken aan het publiek, bestaande uit een basisvergoeding en een toeslag die wordt toegepast wanneer voorafgaand aan de mededeling geen licentie werd verkregen, kan worden aangemerkt als „tegenprestatie”. |
|
27. |
In deze conclusie zal ik eerst onderzoeken of er sprake is van een dienst en of deze dienst onder bezwarende titel wordt verricht (B), en zal ik vervolgens ingaan op het specifieke vraagstuk met betrekking tot het bedrag van deze vergoeding (C). |
B. Bestaan van een „dienst onder bezwarende titel”
|
28. |
Uit het arrest UCMR blijkt dat het verlenen van toestemming, aan de hand van de toekenning tegen betaling van een licentie, om beschermde werken mede te delen aan het publiek, een „dienst” is die „onder bezwarende titel wordt verricht” in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112. ( 7 ) |
|
29. |
De motivering van dat arrest bevat echter geen afzonderlijke beoordeling van de vraag of deze activiteit in het licht van de definitie en de niet-uitputtende voorbeelden in de artikelen 24 en 25 van richtlijn 2006/112 moet worden aangemerkt als „dienst”. Het Hof heeft zich namelijk geconcentreerd op de uitlegging van de formulering „onder bezwarende titel” en heeft de financiële verplichtingen onderzocht van de gebruikers die beschermde werken mededelen aan het publiek. |
|
30. |
In het arrest UCMR wordt er met name aan herinnerd dat een dienst wordt verricht onder bezwarende titel wanneer een dienstverrichter in het kader van een rechtsbetrekking een vergoeding ontvangt die de werkelijke tegenwaarde vormt van de verleende dienst, wat het geval is wanneer er een rechtstreeks verband bestaat tussen de vergoeding en de individualiseerbare dienst. De Roemeense wetgeving die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest, voldeed aan deze criteria, aangezien zij een wederkerige betrekking tot stand bracht tussen de houders van auteursrechten, vertegenwoordigd door een organisatie voor collectief beheer van auteursrechten, en de gebruikers van beschermde werken. Met de door deze organisatie op grond van een wettelijke verplichting verleende licenties werd immers in ruil voor de betaling van een vergoeding de mededeling van deze werken aan het publiek toegestaan. ( 8 ) |
|
31. |
De verwijzende rechter vraagt zich af of de overwegingen van het arrest UCMR kunnen worden toegepast op de onderhavige zaak. In deze zaak heeft verweerster in het hoofdgeding geen licentie aangevraagd voordat zij de beschermde werken heeft medegedeeld aan het publiek. |
|
32. |
Ik stel voor deze vraag in twee stappen te onderzoeken. Ik zal eerst ingaan op de uitlegging van het begrip „dienst” (1), en vervolgens op de uitlegging van het criterium in verband met het bezwarende karakter van die dienst (2). |
1. Begrip „dienst”
|
33. |
Wat betreft de vraag of er in de onderhavige zaak sprake is van een „dienst” merk ik onder voorbehoud van de verificaties die de verwijzende rechter moet uitvoeren, op dat wet nr. 8/1996 ten eerste bepaalt dat de houders van rechten moeten dulden dat beschermde werken aan het publiek worden medegedeeld zonder licentie, en ten tweede dat de gebruiker als tegenprestatie een vergoeding van een bepaald bedrag moet betalen ( 9 ). Volgens het verzoek om een prejudiciële beslissing wordt in de Roemeense wetgeving dus een verband gelegd tussen het recht van gebruikers om werken mede te delen en hun verplichting om hiervoor te betalen. |
|
34. |
Naar mijn mening kan die wettelijke verplichting om een handeling te dulden, zoals bepaald in het nationale recht, gemakkelijk worden gelijkgesteld met de verplichte verlening van licenties zoals bedoeld in het arrest UCMR. In ieder geval komt deze verplichting overeen met twee van de drie handelingen die in artikel 25 van richtlijn 2006/112 als voorbeelden van diensten worden genoemd. ( 10 ) Het betreft de handelingen vermeld onder de punten b) en c) van dit artikel, namelijk de verplichting om een daad te dulden en het verrichten van een dienst krachtens de wet. |
|
35. |
Dat een handeling die de uitoefening mogelijk maakt van het recht om beschermde werken mede te delen aan het publiek is aan te merken als een „dienst”, wordt meer in het algemeen bevestigd door de aard van de btw, die een „algemene verbruiksbelasting is” en „beoogt [...] de financiële uitgaven voor het verkrijgen van een verbruiksgoed (dat wil zeggen een verbruikbaar voordeel, ofwel een lichamelijke zaak, zoals bij de levering van een goed, ofwel een immaterieel voordeel, zoals bij het verlenen van een dienst) te belasten” ( 11 ). |
2. Bezwarend karakter van de dienst
|
36. |
Ik ben voorts van mening dat de dienst die ik zojuist heb beschreven, onder bezwarende titel wordt verricht. In dit verband volstaat het vast te stellen dat er in de Roemeense wetgeving een rechtstreeks verband wordt gelegd tussen de verrichting van deze dienst en het betalen van de bijdrage. Op die manier creëert deze wetgeving een rechtsbetrekking in het kader waarvan over en weer prestaties worden uitgewisseld. ( 12 ) Het ontbreken van een contractuele relatie tussen de houders van auteursrechten en de gebruikers is in dit verband niet relevant. Volgens de rechtspraak kan de rechtsbetrekking tussen de verrichter en de ontvanger van een dienst namelijk van publieke aard zijn en door de wet zijn vastgesteld, zoals overigens is uitgedrukt in artikel 25, onder c), van richtlijn 2006/112. De juridische aard van deze betrekking doet derhalve geen afbreuk aan het bestaan van een rechtstreeks verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie. ( 13 ) |
|
37. |
De vragen van de verwijzende rechter met betrekking tot de regelgeving uit hoofde waarvan op basis van vooraf vastgestelde criteria het bedrag van de verschuldigde vergoeding kan worden vastgesteld, lijken mij, gelet op de rechtspraak, in essentie om dezelfde redenen niet doorslaggevend. ( 14 ) |
|
38. |
Ik wil hieraan toevoegen dat door de rechtspraak wordt bevestigd dat het eventueel ongeoorloofde karakter van de mededeling aan het publiek in de onderhavige zaak evenmin een doorslaggevend element is om te bepalen dat er sprake is van een dienst onder bezwarende titel. Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich namelijk tegen een algemene differentiatie tussen geoorloofde en ongeoorloofde transacties, hetgeen betekent dat aan het criterium van het bestaan van een rechtsbetrekking een ruime betekenis moet worden gegeven, waar ook wettelijk geregelde relaties onder vallen. ( 15 ) |
|
39. |
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat artikel 2, lid 1, onder c), artikel 24, lid 1, en artikel 25, onder b) en c), van richtlijn 2006/112 aldus moeten worden uitgelegd dat de wettelijke verplichting om in ruil voor een vergoeding te dulden dat beschermde werken worden medegedeeld aan het publiek door een gebruiker die vooraf niet de daarvoor vereiste licentie heeft verkregen, moet worden aangemerkt als een „dienst onder bezwarende titel”. |
C. Bestaan van een „rechtstreeks verband” tussen de dienst en de toeslag die is toegepast op het basisbedrag van de vergoeding
|
40. |
Ik zal nu onderzoeken of de „tegenprestatie” voor de dienst die in het hoofdgeding aan de orde is, alleen het basisbedrag van de door gebruikers van beschermde werken te betalen vergoeding omvat, dan wel of de btw moet worden bepaald op basis van het vermeerderde bedrag van deze vergoeding. |
|
41. |
Alvorens op deze kwestie in te gaan, herinner ik eraan dat het, gelet op de punten 36 tot en met 38 van deze conclusie, volgens mij vaststaat dat het basisbedrag van de vergoeding moet worden aangemerkt als een „tegenprestatie”. Er moet derhalve nog worden nagegaan of dit begrip ook van toepassing kan zijn op het bedrag dat dit basisbedrag overschrijdt en dat verschuldigd is wanneer een gebruiker geen licentie heeft verkregen alvorens de beschermde werken mede te delen aan het publiek. Bijgevolg zal ik mij bij mijn analyse concentreren op hoe deze toeslag moet worden gekwalificeerd voor de btw. |
|
42. |
Naar mijn mening is het doorslaggevende element voor deze kwalificatie het in punt 30 van deze conclusie vermelde vereiste dat er een „rechtstreeks verband” bestaat tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie. Hoe de grenzen van dit vereiste moeten worden afgebakend, is het onderwerp van een even uitgebreide als casuïstische rechtspraak. ( 16 ) Ik ben echter van mening dat het mogelijk is om uit deze rechtspraak enkele meer algemene criteria af te leiden op grond waarvan het Gerecht, of beter gezegd de verwijzende rechter ( 17 ), kan bepalen of er in casu een voldoende rechtstreeks verband bestaat tussen de toeslag en de desbetreffende dienst. |
|
43. |
Gelet op deze overwegingen zal ik de relevantie onderzoeken van de criteria in verband met respectievelijk de daadwerkelijke verrichting van een dienst (1), het bedrag van de ontvangen vergoeding (2) en de reden en het doel van de betalingen (3). |
1. Daadwerkelijke verrichting van een dienst
|
44. |
Ik ben van mening dat op basis van de relevante rechtspraak op dit gebied twee mogelijke situaties kunnen worden onderscheiden. |
|
45. |
Ten eerste is er de situatie waarbij betalingen losstaan van de verrichting van een dienst, waardoor er geen sprake is van een belastbare handeling. Hierbij denk ik bijvoorbeeld aan een vergoeding die wordt betaald ter compensatie van een vertraagde betaling. ( 18 ) Een ander voorbeeld zijn landbouwsubsidies die worden uitbetaald om de productie te verminderen, zoals geanalyseerd in de arresten van 29 februari 1996, Mohr (C‑215/94, EU:C:1996:72, punten 21 en 22), en 18 december 1997, Landboden-Agrardienste (C‑384/95, EU:C:1997:627, punten 23 en 24), waarbij er geen verbruikbaar voordeel is. Ik ben geneigd te oordelen dat de heffing van een toeristenbelasting door een gemeente ook tot deze categorie kan behoren, mits een dergelijke belasting niet wordt gebruikt voor de financiering van een individualiseerbare dienst, maar in het algemeen bijdraagt aan het functioneren van de gemeente ( 19 ). |
|
46. |
Ten tweede is er de situatie waarbij er, zoals in casu, daadwerkelijk een verbruikbaar voordeel ( 20 ) is verleend aan een persoon ( 21 ). In dit geval is het in de regel vrij duidelijk dat betalingen die prima facie voor dit voordeel zijn verricht, moeten worden aangemerkt als een „tegenprestatie”. Er zijn echter tal van situaties waarin het niet vanzelfsprekend is om tot die constatering te komen. De onzekerheid omtrent de vaststelling van een „rechtstreeks verband” tussen de verrichte dienst en de door de dienstverrichter ontvangen betalingen is vaak het gevolg van het nationale rechtskader dat de relatie tussen de partijen regelt en het niet altijd mogelijk maakt om de reden en het doel van de betalingen ondubbelzinnig vast te stellen. ( 22 ) |
|
47. |
In een dergelijk grijs gebied bevindt zich de rechtspraak die het Hof tot nog toe over het begrip „tegenprestatie” heeft ontwikkeld ( 23 ), met name in de arresten van 18 juli 2007, Société thermale d’Eugénie-les-Bains (C‑277/05, EU:C:2007:440), en 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37), die mij bijzonder relevant lijken voor de analyse van de onderhavige zaak. In het eerste arrest werden de voorschotten die waren betaald door een hotelgast die zijn verblijf had geannuleerd, aangemerkt als een „niet-belastbare forfaitaire schadevergoeding”. In het tweede arrest werd geoordeeld dat de „controlevergoeding” wegens onregelmatig parkeren op een parking een tegenprestatie was voor een verrichting van diensten. |
|
48. |
Naar mijn mening wijst deze rechtspraak erop dat de omstandigheid dat een betaling – die, zoals in de onderhavige zaak, gedeeltelijk het karakter van een schadevergoeding lijkt te hebben – plaatsvindt in het kader van de verrichting van een dienst, een sterke aanwijzing vormt om deze aan te merken als „tegenprestatie”. Dit geldt des te meer omdat, zoals ik in punt 38 van deze conclusie heb vermeld, aan het criterium in verband met het bestaan van een rechtsbetrekking, te weten het over en weer uitwisselen van prestaties, een ruime betekenis moet worden gegeven. |
|
49. |
In casu moet derhalve worden bepaald of een deel van de ontvangen vergoeding, namelijk de toeslag, niet kan worden aangemerkt als „tegenprestatie”, ook al is er een dienst verricht. Dit zou het geval zijn indien deze toeslag moet worden aangemerkt als een „vergoeding die geen rechtstreeks verband houdt met de betrokken dienst”. |
2. Bedrag van de ontvangen vergoeding
|
50. |
Wat betreft het bedrag van de betaling die in het hoofdgeding aan de orde is, blijkt uit het verzoek om een prejudiciële beslissing dat de verwijzende rechter enig belang hecht aan het feit dat het bedrag van de toeslag het bedrag van de basisvergoeding ruimschoots overschrijdt. Deze rechter lijkt zich dus af te vragen of het bedrag van de te betalen prijs relevant is om te bepalen of er al dan niet sprake is van een tegenprestatie. |
|
51. |
Om deze vragen te beantwoorden, lijkt het mij nuttig om eraan te herinneren dat het begrip „tegenprestatie”, dat in artikel 73 van richtlijn 2006/112 wordt gebruikt om de maatstaf van heffing te bepalen, eveneens van doorslaggevend belang is voor de vraag of er een dienst is verricht „onder bezwarende titel” in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn. Bij gebreke van een tegenprestatie is er immers geen maatstaf van heffing en is het btw-stelsel niet van toepassing. ( 24 ) |
|
52. |
Deze „tegenprestatie” is de subjectieve waarde: de daadwerkelijk ontvangen waarde en niet een overeenkomstig objectieve maatstaven vastgestelde waarde. Onder deze omstandigheden is, zoals advocaat-generaal Ruiz-Jarabo Colomer in wezen heeft opgemerkt ( 25 ), het bedrag ervan niet relevant. Dat dit bedrag gelijk is aan dan wel hoger of lager is dan de door de dienstverrichter gemaakte kosten, is namelijk niet van invloed op het rechtstreekse verband tussen de verrichte dienst en de ontvangen tegenprestatie. ( 26 ) |
|
53. |
Het klopt dat het tot op zekere hoogte noodzakelijk kan zijn om rekening te houden met het bedrag dat een dienstverrichter heeft ontvangen. Dit is met name het geval wanneer de vergoeding zo beperkt is dat zij slechts een zeer klein deel van de gemaakte kosten dekt. Uit de rechtspraak die in de loop der tijd is ontwikkeld, en dan met name de arresten van 30 maart 2023, Gmina O. (C‑612/21, EU:C:2023:279), en Gmina L. (C‑616/21, EU:C:2023:280), blijkt mijns inziens echter dat de beoordeling van de toereikendheid van een vergoeding, anders dan zou kunnen worden afgeleid uit het eerste deel van de tweede zin van punt 49 van het arrest van 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392) ( 27 ), geen deel uitmaakt van het onderzoek naar het bestaan van een tegenprestatie. Ik ben namelijk van mening dat het bedrag van de door de dienstverrichter ontvangen betalingen in werkelijkheid slechts relevant is voor de beoordeling of er sprake is van een economische activiteit ( 28 ). |
|
54. |
Mijns inziens lijken deze overwegingen te suggereren dat er in casu geen onderscheid hoeft te worden gemaakt tussen de toeslag en het basisbedrag van de vergoeding, aangezien in werkelijkheid het totaalbedrag moet worden betaald aan de organisatie voor collectief beheer van auteursrechten. In ieder geval is het hoge bedrag van de toeslag geen relevante factor om te bepalen of deze toeslag deel uitmaakt van de ontvangen tegenprestatie. |
3. Reden en doel van de betalingen
|
55. |
De tweede zin van punt 49 van het arrest van 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392), is ook om een andere reden interessant: in het tweede deel van deze zin ( 29 ) wordt gesuggereerd dat er mogelijk „factoren” zijn die, wanneer zij in aanmerking worden genomen bij het bepalen van het bedrag van de vergoeding van een dienst, afbreuk kunnen doen aan het rechtstreekse verband tussen beide elementen. Ik ben geneigd te oordelen dat deze formulering kan worden opgevat als een verwijzing naar het doel van de betalingen die de ontvanger van de dienst verschuldigd is, zoals dit kan worden afgeleid uit het toepasselijke nationale rechtskader. |
|
56. |
In dit verband wil ik er meteen op wijzen dat het niet van belang is of de aan de verrichter van een dienst te betalen bedragen in het nationale recht worden aangemerkt als vergoedingen, schadevergoedingen of boeten. De beoordeling of een vergoeding wordt betaald als tegenprestatie voor een dienst is een Unierechtelijke vraag. ( 30 ) |
|
57. |
De juridische oorzaak, of beter gezegd de rechtsgrond, van de betalingen is daarentegen een factor waarmee rekening moet worden gehouden wanneer wordt bepaald of er sprake is van een tegenprestatie. ( 31 ) Hetzelfde geldt voor het nagestreefde doel, ook al is dit mijns inziens slechts een aanvullend aspect, dat op zichzelf niet doorslaggevend is. Bij de beoordeling van deze twee factoren moet bovendien rekening worden gehouden met de economische realiteit van de handeling. ( 32 ) |
|
58. |
Het doel van de betalingen was een belangrijke factor in de redenering van het Hof in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Tolsma ( 33 ), waaruit is gebleken dat giften die voorbijgangers uit vrije wil geven aan een straatmuzikant geen tegenprestatie voor een dienst vormen. Dit doel was echter op zich niet doorslaggevend, wat wordt bevestigd in punt 17 van dat arrest, waarin wordt beklemtoond dat er geen rechtsbetrekking bestaat tussen de muzikant en zijn publiek ( 34 ). |
|
59. |
Dit geldt naar mijn mening ook voor de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Société thermale d’Eugénie-les-Bains ( 35 ). Uit dat arrest volgt immers dat voorschotten volgens het in het hoofdgeding in die zaak van toepassing zijnde nationale recht niet integraal deel uitmaken van de tussen de klant en de hotelexploitant gesloten verblijfsovereenkomst. De hotelexploitant was verplicht om het verblijf te reserveren, ongeacht de betaling van de voorschotten, wat bevestigt dat deze voorschotten geen tegenprestatie voor een dienst vormden, maar een forfaitaire vergoeding. ( 36 ) |
|
60. |
Een ander soortgelijk voorbeeld is de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia ( 37 ), waarin een bepaling van een overeenkomst voor bepaalde tijd aan de orde was volgens welke in het geval van vervroegde beëindiging de resterende maandelijkse abonnementsgelden moesten worden betaald. Het daarmee nagestreefde doel, namelijk de klant ervan weerhouden om de minimale contractduur niet na te leven, was niet van dien aard dat het gevolgen had voor de rechtsgrond van de betalingen. Deze betalingen vormden namelijk een contractueel vastgelegde minimumvergoeding, die als „tegenprestatie” moest worden aangemerkt. ( 38 ) |
|
61. |
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Apcoa Parking Danmark ( 39 ), ten slotte, was het opleggen van een „controlevergoeding” aan een gebruiker van een parking niet mogelijk geweest zonder de terbeschikkingstelling van een parkeerplaats. Het Hof heeft bovendien beklemtoond dat voor het goed functioneren van een parking daadwerkelijk controle op onregelmatig parkeren vereist is en dat een gebruiker die zijn voertuig parkeert in strijd met de normale gebruiksvoorwaarden zich ertoe verbindt die vergoeding te betalen. In deze vergoeding waren de hogere exploitatiekosten meegerekend die door dergelijk gedrag werden veroorzaakt. ( 40 ) |
|
62. |
Ik ben geneigd te oordelen dat de situatie in casu niet vergelijkbaar is met de situatie die aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Société thermale d’Eugénie-les-Bains ( 41 ), maar met die welke aan de orde was in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest Apcoa Parking Danmark ( 42 ). Zoals ik het verzoek om een prejudiciële beslissing begrijp, is de toeslag namelijk slechts het gevolg van een variatie in de methode voor de berekening van de vergoeding die voor de mededeling aan het publiek van beschermde werken moet worden betaald op basis van de wettelijke voorwaarden waarvan de gebruikers op de hoogte zijn gebracht. In voorkomend geval zou moeten worden geoordeeld dat indien vóór de mededeling geen licentie is verkregen, de toeslag integraal deel uitmaakt van deze vergoeding. |
|
63. |
Een andere aanwijzing in die zin zou kunnen zijn dat bij de berekening van de toeslag – vanuit het perspectief van de economische realiteit – rekening lijkt te zijn gehouden met de hogere kosten die de organisatie voor collectief beheer van auteursrechten moet dragen, ten eerste vanwege de niet-nakoming door de gebruikers van de wettelijke verplichting om de vereiste licenties te verkrijgen en, ten tweede, om te waken over de naleving van deze verplichting. ( 43 ) |
|
64. |
Uiteindelijk is het aan de verwijzende rechter om de aspecten te onderzoeken die het bestaan van een „rechtstreeks verband” tussen de verrichte dienst en de ontvangen „tegenprestatie”, waaronder de in het hoofdgeding aan de orde zijnde toeslag, kunnen bevestigen. Het is aan die rechter om een beoordeling te maken van het nationale recht en de juridische en economische context van de handeling die plaatsvindt tussen de organisatie voor collectief beheer van auteursrechten en de gebruiker die beschermde werken heeft medegedeeld zonder daarvoor vooraf de vereiste licentie te hebben verkregen. ( 44 ) |
|
65. |
Gezien het voorgaande ben ik van mening dat artikel 2, lid 1, onder c), van richtlijn 2006/112, gelezen in samenhang met artikel 73 van deze richtlijn, aldus moet worden uitgelegd dat de vergoeding die moet worden betaald voor de mededeling van beschermde werken aan het publiek, bestaande uit een basisvergoeding en een toeslag die wordt toegepast indien voorafgaand aan die mededeling geen licentie was verkregen, kan worden aangemerkt als „tegenprestatie”. Het is aan de verwijzende rechter om dit te beoordelen, met name in het licht van de rechtsgrond en het doel van deze vergoeding. |
VI. Conclusie
|
66. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Gerecht in overweging om de prejudiciële vragen van de Curte de Apel București te beantwoorden als volgt:
|
J. Martín y Pérez de Nanclares
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 3 december 2025.
ondertekeningen
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Zie de overwegingen in De Iustitia in verband met „verkoop” (vraag 77), opgenomen in Beltrán de Heredia, V., Francisco de Vitoria. Comentarios a la Secunda secundae de Santo Tomás, delen I-VI, Biblioteca de Teólogos Españoles, Salamanca, 1932‑1952. De economische filosofie van Francisco de Vitoria werd ontwikkeld tijdens academische lessen aan de universiteit van Salamanca in 1527‑1528 en 1535‑1536. Hoewel hij zelf geen van zijn lessen heeft gepubliceerd, kon zijn uitgebreide leer worden gereconstrueerd op basis van de notities van zijn leerlingen, die door Beltrán de Heredia zijn geïnventariseerd. Zie in dit verband van dezelfde auteur „Hacia un inventario analítico de manuscritos teológicos de la Escuela Salmantina, siglos XV‑XVII, conservados en España y en el extranjero”, Revista Española de Teología, 1943, blz. 59‑88.
( 3 ) Richtlijn van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1).
( 4 ) Ik wijs erop dat Credidam in zijn bij het Gerecht ingediende schriftelijke opmerkingen stelt dat er geen btw verschuldigd is.
( 5 ) Zie met name het arrest UCMR, punten 34 en 35.
( 6 ) Zie voor een eerste overzicht van dit arrest Simon, D., „Fiscalité – Gestion collective des droits d’auteur”, Revue Europe, 2021, nr. 3, commentaar nr. 101, en voor een diepgaande analyse Finken, B., „Nutzung von Urheberrechten unter Einschaltung einer Verwertungsgesellschaft als Dienstleistungskommission. Anmerkungen zu EuGH v. 21.1.2021 – C‑501/19, UCMR-ADA”, Mehrwertsteuerrecht, 2024, nr. 10, blz. 414‑417, alsook, meer in het algemeen, Aliaga Agullo, E., „Impuesto sobre el Valor Añadido y derecho de participación de los creadores visuales (‚Droit de Suite’)”, Revista española de derecho financiero, 2023, nr. 199, blz. 37‑77.
( 7 ) Arrest UCMR, punten 30‑37 en 39.
( 8 ) Arrest UCMR, punten 30-37 en 39.
( 9 ) De wijze van berekening van deze vergoeding en de omstandigheid dat het bedrag ervan bij gebreke van een licentie wordt verdrievoudigd, worden in de hoofdstukken B.2 en C van deze conclusie behandeld.
( 10 ) Zie wat betreft artikel 25 van richtlijn 2006/112, arrest van 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571, punt 34).
( 11 ) Conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:332, punt 39).
( 12 ) Zie in die zin arrest van 4 juli 2024, Credidam (C‑179/23, EU:C:2024:571, punten 39 en 40) voor wat betreft de rechtsbetrekking tussen de houders van auteursrechten en de organisatie voor het collectief beheer van deze rechten, zoals bepaald in wet nr. 8/1996. Zie in dit verband eveneens Pollaud-Dulian, F., „TVA, droit d’auteur et gestion collective, un point sur la jurisprudence de la CJUE”, Revue trimestrielle de droit commercial, 2024, nr. 3, blz. 642‑647.
( 13 ) Arresten van 29 oktober 2015, Saudaçor (C‑174/14, EU:C:2015:733, punt 39); 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392, punt 42), en 15 april 2021, Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA (C‑846/19, EU:C:2021:277, punt 39). Zie eveneens de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:332, punt 40): „De btw is geen rechtsverkeerbelasting, laat staan een contractbelasting”.
( 14 ) Zie in die zin arresten van 2 juni 2016, Lajvér (C‑263/15, EU:C:2016:392, punten 46 en 49), en 15 april 2021, Administration de l’Enregistrement, des Domaines et de la TVA (C‑846/19, EU:C:2021:277, punt 43).
( 15 ) Arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen (C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 28‑33). Zie echter arrest van 14 juli 2005, British American Tobacco en Newman Shipping (C‑435/03, EU:C:2005:464, punt 42): „[D]iefstal van goederen [vormt] geen ‚levering van goederen onder bezwarende titel’”. Voor een diepgaandere analyse van het vraagstuk omtrent onrechtmatig verbruik, zie Beretta, G., „Taxable and Non-Taxable Transactions”, in Kofler, G., e.a. (red.), Recent Developments in Value Added Tax 2023, Linde, Wenen, 2024, blz. 113‑162 (blz. 131‑136).
( 16 ) Voor een overzicht en een analyse van de relevante rechtspraak op dit gebied, zie Tumpel, J., „Mehrwertsteuer und Schadenersatz. Neue Entwicklungen in Rechtsprechung und Praxis”, in Kirchmayr, S., Mayr, G., Hirschler, K. (red.), Schriftenreihe zum Konzern- und Unternehmenssteuerrecht, Linde, Wenen, 2023, blz. 45‑55 en blz. 72‑81.
( 17 ) Arrest van 29 oktober 2015, Saudaçor (C‑174/14, EU:C:2015:733, punt 34).
( 18 ) Arrest van 1 juli 1982, BAZ Bausystem (222/81, EU:C:1982:256, punt 8). Zie daarentegen arrest van 27 oktober 1993, Muys’ en De Winter’s Bouw‑ en Aannemingsbedrijf (C‑281/91, EU:C:1993:855, punt 18), voor de belasting op rente die wordt betaald aan een leverancier om deze ertoe aan te zetten uitstel van betaling toe te staan.
( 19 ) Zie arrest van 13 juli 2023, Gemeinde A (C‑344/22, EU:C:2023:580, punten 33‑39), waarin echter een individualiseerbare dienst is vastgesteld, alsook het commentaar bij dat arrest van Pezet, F., „Quand le contribuable n’en a pas pour son argent, une taxe, même affectée, n’emporte pas qualification d’une contrepartie”, Droit fiscal, 2023, nr. 37, commentaar nr. 285.
( 20 ) Zie punt 35 van deze conclusie waarin ik eraan heb herinnerd dat de btw een verbruiksbelasting is.
( 21 ) Zie arresten van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37, punt 43), en 28 november 2024, rhtb (C‑622/23, EU:C:2024:994, punt 25).
( 22 ) Zie in dit verband Lamouroux, G., „Les indemnités dues en raison de la résiliation unilatérale d’un contrat d’entreprise sont-elles soumises à la TVA?”, Revue de droit fiscal, 2025, nr. 9, blz. 44‑49–44‑53 (blz. 44‑51–44‑52).
( 23 ) Zie, voor zaken waarin er sprake was van een „tegenprestatie”: 1) voor de prijs van een dienst wanneer de ontvanger van de dienst heeft afgezien van de daadwerkelijke verrichting ervan door het contract vroegtijdig op te zeggen, arresten van 22 november 2018, MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia (C‑295/17, EU:C:2018:942, punten 50, 51, 61 en 62); 3 juli 2019, UniCredit Leasing (C‑242/18, EU:C:2019:558, punten 70‑76), en 11 juni 2020, Vodafone Portugal (C‑43/19, EU:C:2020:465, punten 33‑40); 2) voor de prijs van een niet-gebruikt vliegticket, arrest van 23 december 2015, Air France-KLM en Hop!Brit-Air (C‑250/14 en C‑289/14, EU:C:2015:841, punten 28, 30 en 34); 3) voor betalingen met betrekking tot elektriciteitsdiefstal, arrest van 27 april 2023, Fluvius Antwerpen (C‑677/21, EU:C:2023:348, punten 28‑33); 4) voor subsidies voor zorg verstrekt aan inwoners van een opvangfaciliteit voor ouderen, arrest van 27 maart 2014, Le Rayon d’Or (C‑151/13, EU:C:2014:185, punt 32), en 5) voor honoraria ontvangen door een advocaat van een in het ongelijk gestelde partij wannneer deze advocaat zijn cliënt kosteloos heeft vertegenwoordigd, arrest van 23 oktober 2025, Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:816, punten 33 en 35). Zie daarentegen voor zaken waarin werd geoordeeld dat er geen sprake was van een „tegenprestatie”: 1) voor de prijs voor de winnaar van een paardenrace, arrest van 10 november 2016, Baštová (C‑432/15, EU:C:2016:855, punt 36‑39), en 2) in het geval van forfaitaire subsidies voor een openbare vervoersdienst, arrest van 8 mei 2025, Dyrektor Krajowej Informacji Skarbowej (Diensten van openbaar vervoer) (C‑615/23, EU:C:2025:320, punten 23‑30).
( 24 ) Zie in die zin arresten van 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats (154/80, EU:C:1981:38, punt 11), en 1 april 1982, Hong-Kong Trade Development Council (89/81, EU:C:1982:121, punten 10 en 11).
( 25 ) Conclusie in de zaak Hotel Scandic Gåsabäck (C‑412/03, EU:C:2004:746, punt 35).
( 26 ) Dit is vaste rechtspraak. Zie arresten van 5 februari 1981, Coöperatieve Aardappelenbewaarplaats (154/80, EU:C:1981:38, punt 13); 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37, punt 45), en 1 augustus 2025, Határ Diszkont (C‑427/23, EU:C:2025:596, punt 92).
( 27 ) Dit deel van de tekst luidt als volgt: „Inzonderheid moet [de verwijzende] rechter zich ervan vergewissen dat de door verzoeksters in het hoofdgeding aangerekende vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoed [...].”
( 28 ) Arresten van 30 maart 2023, Gmina O. (C‑612/21, EU:C:2023:279, punten 31, 32, 38 en 40), en Gmina L. (C‑616/21, EU:C:2023:280, punten 37, 40, 46 en 49).
( 29 ) Dit deel van de tekst luidt als volgt: „Inzonderheid moet [de verwijzende] rechter zich ervan vergewissen dat [...] de hoogte [van de vergoeding] niet is bepaald op basis van eventuele andere factoren die in voorkomend geval kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de diensten en de tegenprestatie ervan.”
( 30 ) Arrest van 20 januari 2022, Apcoa Parking Danmark (C‑90/20, EU:C:2022:37, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 31 ) Zie reeds in die zin Deboissy, F., „Indemnités contractuelles et TVA: suite”, Revue trimestrielle de droit commercial, 2001, nr. 16, blz. 807‑808. Zie eveneens Beiser, R., „Entgelt oder Schadenersatz in der Umsatzsteuer?”, Österreichisches Recht der Wirtschaft, 2025, nr. 168, blz. 214‑217 (blz. 217), waarin in essentie wordt gesteld dat het Hof het begrip „tegenprestatie” in de zin van artikel 73 van richtlijn 2006/112 koppelt aan het nationaal burgerlijk recht.
( 32 ) Arrest van 22 november 2018, MEO – Serviços de Comunicações e Multimédia (C‑295/17, EU:C:2018:942, punten 41‑45).
( 33 ) Arrest van 3 maart 1994 (C‑16/93, EU:C:1994:80, punten 16‑19).
( 34 ) Voor een bindende uitlegging, zie arrest van 23 oktober 2025, Financial Bulgaria (C‑744/23, EU:C:2025:816, punt 30). Zie eveneens von Streit, G., Streit, T., „Entgelt oder Schadensersatz? Oder: Die Mehrwertsteuer auf dem Weg zur Verkehrssteuer? Eine Darstellung am Beispiel von Zahlungen bei Auflösung und Nichterfüllung von Verträgen”, UmsatzsteuerRundschau, 2020, nr. 4, blz. 525‑535 (blz. 526), waarin wordt gesteld dat er in de zaak Tolsma geen sprake was van een dienstverrichting.
( 35 ) Arrest van 18 juli 2007 (C‑277/05, EU:C:2007:440, punten 19‑32).
( 36 ) Zie de bindende uitlegging van dat arrest in punt 24 van het arrest van 28 november 2024, rhtb (C‑622/23, EU:C:2024:994). Zie wat betreft de vraag of er een onderscheid moet worden gemaakt tussen voorschotten en een „reserveringsgarantie” en of deze garantie moet worden aangemerkt als een „tegenprestatie voor een dienst”, Bédier, J.‑L., „La somme prélevée par l’hôtelier lorsque le client n’honore pas une réservation est soumise à la TVA”, Revue de droit fiscal, 2024, nr. 45, blz. 370‑23–370‑27 (blz. 370‑27).
( 37 ) Arrest van 22 november 2018 (C‑295/17, EU:C:2018:942, punten 61 en 62).
( 38 ) Zie voor een vergelijkbaar voorbeeld arrest van 3 juli 2019, UniCredit Leasing (C‑242/18, EU:C:2019:558, punten 75 en 76).
( 39 ) Zie arrest van 20 januari 2022 (C‑90/20, EU:C:2022:37, punten 33 en 34) en de conclusie van advocaat-generaal Richard de la Tour in die zaak (EU:C:2021:449, punt 61).
( 40 ) Zie de kritiek van Dodos, P., „EuGH: Kontrollgebühren bei Verstoß gegen Parkplatz-Nutzungsbedingungen als steuerbares Entgelt”, Mehrwertsteuerrecht, 2022, nr. 6, blz. 240‑244 (blz. 243 en 244).
( 41 ) Arrest van 18 juli 2007 (C‑277/05, EU:C:2007:440).
( 42 ) Arrest van 20 januari 2022 (C‑90/20, EU:C:2022:37).
( 43 ) Ik wijs erop dat het dossier waarover het Gerecht beschikt, geen informatie hieromtrent bevat.
( 44 ) Zie wat betreft de bevoegdheid van de nationale rechter om zijn eigen recht uit te leggen, arresten van 3 juli 2019, UniCredit Leasing (C‑242/18, EU:C:2019:558, punt 47), en 29 oktober 2015, Saudaçor (C‑174/14, EU:C:2015:733, punt 34), waarnaar reeds werd verwezen in punt 42 van deze conclusie.