This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62024CJ0077
Judgment of the Court (First Chamber) of 15 January 2026.#NM and OU v TE.#Request for a preliminary ruling from the Oberster Gerichtshof.#Reference for a preliminary ruling – Judicial cooperation in civil matters – Law applicable to non-contractual obligations – Regulation (EC) No 864/2007 – Article 4(1) – Scope – Liability in tort or delict of an officer of a company that organises online games of chance without holding the required licence – Action for the recovery of gambling losses – Place where the damage occurred.#Case C-77/24.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 januari 2026.
NM en OU tegen TE.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen – Verordening (EG) nr. 864/2007 – Artikel 4, lid 1 – Toepassingsgebied – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een orgaan van een vennootschap die onlinekansspelen organiseert zonder over de vereiste vergunning te beschikken – Vordering tot vergoeding van gokverliezen – Plaats waar de schade zich voordoet.
Zaak C-77/24.
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 januari 2026.
NM en OU tegen TE.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen – Verordening (EG) nr. 864/2007 – Artikel 4, lid 1 – Toepassingsgebied – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een orgaan van een vennootschap die onlinekansspelen organiseert zonder over de vereiste vergunning te beschikken – Vordering tot vergoeding van gokverliezen – Plaats waar de schade zich voordoet.
Zaak C-77/24.
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2026:1
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
15 januari 2026 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen – Verordening (EG) nr. 864/2007 – Artikel 4, lid 1 – Toepassingsgebied – Aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van een orgaan van een vennootschap die onlinekansspelen organiseert zonder over de vereiste vergunning te beschikken – Vordering tot vergoeding van gokverliezen – Plaats waar de schade zich voordoet”
In zaak C‑77/24 [Wunner] ( i ),
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 11 januari 2024, ingekomen bij het Hof op 1 februari 2024, in de procedure
NM,
OU
tegen
TE,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: F. Biltgen (rapporteur), kamerpresident, T. von Danwitz, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, I. Ziemele, S. Gervasoni en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: I. Illéssy, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 5 februari 2025,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
OU en NM, vertegenwoordigd door C. Leitgeb, Rechtsanwalt, |
|
– |
TE, vertegenwoordigd door O. Peschel, Rechtsanwalt, |
|
– |
de Oostenrijkse regering, vertegenwoordigd door C. Hribar en F. Koppensteiner als gemachtigden, |
|
– |
de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs en M. Van Regemorter als gemachtigden, bijgestaan door R. Verbeke en P. Vlaemminck, advocaten, |
|
– |
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en A. Sahner als gemachtigden, |
|
– |
de Maltese regering, vertegenwoordigd door A. Buhagiar als gemachtigde, bijgestaan door J. Baldacchino, advocate at law, en D. Sarmiento Ramírez-Escudero, abogado, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door L. Hohenecker en W. Wils als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juni 2025,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, onder d), en artikel 4, lid 1, van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen („Rome II”) (PB 2007, L 199, blz. 40). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen NM en OU, als bestuurders van een Maltees kansspelbedrijf, enerzijds, en TE, een in Oostenrijk woonachtige persoon, anderzijds, over de vergoeding van verliezen die deze laatste heeft geleden door deel te nemen aan onlinekansspelen die door dit bedrijf in Oostenrijk werden aangeboden zonder dat het beschikte over de krachtens het recht van die lidstaat vereiste vergunning. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Rome II-verordening
|
3 |
In de overwegingen 6, 7, 14 en 16 van de Rome II-verordening is vermeld:
[...]
[...]
|
|
4 |
Artikel 1 („Toepassingsgebied”) van de Rome II-verordening bepaalt in de leden 1 en 2: „1. Deze verordening is, in de gevallen waarin tussen de rechtsstelsels van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing op niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en in handelszaken. Zij is in het bijzonder niet van toepassing op fiscale zaken, douanezaken en administratiefrechtelijke zaken, noch op de aansprakelijkheid van de staat wegens een handeling of nalaten in de uitoefening van het openbaar gezag (acta jure imperii). 2. Uitgesloten van het toepassingsgebied van deze verordening zijn: [...]
[...]” |
|
5 |
Hoofdstuk II van deze verordening heeft betrekking op onrechtmatige daad. Artikel 4 („Algemene regel”) maakt deel uit van dit hoofdstuk en bepaalt: „1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. 2. Indien evenwel degene wiens aansprakelijkheid in het geding is, en degene die schade lijdt, beiden hun gewone verblijfplaats in hetzelfde land hebben op het tijdstip waarop de schade zich voordoet, is het recht van dat land van toepassing. 3. Indien uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in de leden 1 en 2 bedoelde land, is het recht van dat andere land van toepassing. Een kennelijk nauwere band met een ander land zou met name kunnen berusten op een reeds eerder bestaande, nauw met de onrechtmatige daad samenhangende betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst.” |
|
6 |
Hoofdstuk V van die verordening bevat gemeenschappelijke regels. Artikel 15 („Werkingssfeer van het toepasselijke recht”) daarvan bepaalt: „Het recht dat krachtens deze verordening op de niet-contractuele verbintenis van toepassing is, regelt met name:
[...]
[...]” |
Verordening nr. 1215/2012
|
7 |
Artikel 7 van verordening nr. 1215/2012 bepaalt: „Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen: [...]
[...]” |
Oostenrijks recht
|
8 |
In § 1301 van het Allgemeine bürgerliche Gesetzbuch (burgerlijk wetboek) is bepaald: „De aansprakelijkheid voor schade die door een onrechtmatige daad is veroorzaakt kan op meerdere personen rusten voor zover zij daar gezamenlijk, direct of indirect, aan hebben bijgedragen door aansporing, bedreiging, bevel, hulp, heling, enz.; of ook gewoon door niet te voldoen aan de bijzondere verplichting om de schade te voorkomen.” |
|
9 |
§ 1311 van dat wetboek luidt: „Een louter toevallige gebeurtenis komt ten laste van degene wiens goederen of persoon erdoor worden getroffen. Als iemand dit voorval echter door schuld heeft veroorzaakt, indien hij een wet heeft overtreden die tot doel heeft toevallige schade te voorkomen [...] is hij aansprakelijk voor alle schade die anders niet zou zijn ontstaan.” |
|
10 |
§ 3 van het Glücksspielgesetz (wet op de kansspelen; hierna: „GSpG”) luidt: „Het recht om kansspelen te organiseren is voorbehouden aan de federale staat (kansspelmonopolie), tenzij in deze wet anders is bepaald.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
11 |
De vennootschap Titanium Brace Marketing Limited (hierna: „TBM”), die failliet is verklaard en waarvan NM en OU de bestuurders waren, exploiteerde vanuit haar hoofdkantoor in Malta een onlinecasino, waarvan het spelaanbod toegankelijk was voor de gehele Europese markt. Zij was houdster van een kansspelvergunning naar Maltees recht, maar beschikte niet over een vergunning krachtens het GSpG. |
|
12 |
Tussen 14 november 2019 en 3 april 2020 heeft TE, die op de website van TBM aan onlinekansspelen deelnam, als gevolg daarvan in totaal 18547,67 EUR verloren. |
|
13 |
Om op de website van TBM te kunnen spelen, heeft TE ingestemd met de algemene voorwaarden van deze vennootschap en moest hij in dit verband een „spelersaccount” openen. Om zijn spelersaccount op te waarderen, heeft TE van zijn Oostenrijkse bankrekening geld overgeschreven naar een bankrekening bij een Maltese bank. Deze bankrekening betrof een contante rekening van TBM, die voor TE was geopend en gescheiden bleef van het maatschappelijk vermogen van deze vennootschap. Bij deelname aan een kansspel werd het ingezette bedrag van de spelersrekening afgeschreven en werd eventuele winst op deze spelersrekening bijgeschreven. |
|
14 |
TE was van mening dat de kansspelovereenkomst nietig was omdat TBM naar Oostenrijks recht geen vergunning had verkregen, en heeft NM en OU voor het Landesgericht für Zivilrechtssachen Wien (rechter in eerste aanleg voor burgerlijke zaken Wenen, Oostenrijk) verzocht om de verliezen die hij had geleden te vergoeden, waarbij hij zijn vordering baseerde op hun aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. TE stelt zich in dit verband op het standpunt dat de inbreuk op het Oostenrijkse kansspelmonopolie een schending van een beschermingswet (Schutzgesetz) inhoudt en dat NM en OU persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het feit dat TBM illegale kansspelen in Oostenrijk aanbood. |
|
15 |
Voor die rechter hebben NM en OU aangevoerd dat deze internationaal onbevoegd was en dat TE zich niet kon beroepen op artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. NM en OU zouden niet bevoegd zijn geweest om te beslissen of TBM zich moest terugtrekken uit de Oostenrijkse markt, waar zij reeds gevestigd was. Bovendien zouden zij geen strategische beslissingen voor deze onderneming hebben genomen. Volgens hen bevinden de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis en van de schade zich in Malta. Het toepasselijke materiële recht is volgens hen niet het Oostenrijkse, maar het Maltese recht, dat geen aansprakelijkheid van de vennootschapsorganen jegens de schuldeisers van de vennootschap kent. |
|
16 |
Die rechter heeft het beroep van TE verworpen wegens gebrek aan internationale bevoegdheid. Deze beslissing is in hoger beroep vernietigd door het Oberlandesgericht Wien (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Wenen, Oostenrijk), dat oordeelde dat was voldaan aan de voorwaarden voor de bevoegdheid van de Oostenrijkse gerechten op grond van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. |
|
17 |
Het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele en strafzaken, Oostenrijk), de verwijzende rechter, waarbij NM en OU beroep in Revision hebben ingesteld, is van oordeel dat de vaststelling dat de Oostenrijkse rechterlijke instanties bevoegd zijn, om te beginnen veronderstelt dat de nationale bepaling die als grondslag voor de vordering van TE kan dienen, overeenkomstig de Rome II-verordening van toepassing is. In deze context vraagt hij zich af welke draagwijdte toekomt aan de uitzondering van artikel 1, lid 2, onder d), van deze verordening. |
|
18 |
Voor het geval dat de vordering in het hoofdgeding binnen de werkingssfeer van de Rome II-verordening valt, vraagt de verwijzende rechter zich verder af waar de schade zich heeft voorgedaan in de zin van artikel 4, lid 1, van deze verordening, namelijk in Oostenrijk, waar TE overschrijvingen heeft verricht van zijn bankrekening naar zijn spelersrekening, of in Malta, waar deze spelersrekening wordt beheerd. Indien alleen het definitieve verlies van het recht op uitbetaling van een tegoed op de spelersrekening als aanvankelijke schade moet worden beschouwd, zou de plaats waar deze schade zich heeft voorgedaan, zich kunnen bevinden in Malta, waar de rekening wordt beheerd, in de woonplaats van TE, in de plaats waar zich zijn belangrijkste vermogen bevindt, of elders. |
|
19 |
In deze omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vraag
|
20 |
Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 2, onder d), van de Rome II-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die is gericht tegen bestuurders van een vennootschap wegens schending van een door een nationale wettelijke regeling opgelegd verbod om zonder de vereiste vergunning kansspelen aan het publiek aan te bieden, valt onder de categorie niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen in de zin van die bepaling. |
|
21 |
Artikel 1, lid 1, van de Rome II-verordening bepaalt dat deze verordening, in de gevallen waarin tussen de rechtsstelsels van verschillende landen moet worden gekozen, van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen in burgerlijke en handelszaken. |
|
22 |
Volgens artikel 1, lid 2, onder d), van deze verordening zijn van het toepassingsgebied ervan echter „niet-contractuele verbintenissen [uitgesloten] die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, zoals de oprichting door registratie of anderszins, de rechts- en handelingsbevoegdheid, het inwendige bestel en de ontbinding van vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen, de persoonlijke aansprakelijkheid van de vennoten en de leden van de organen voor de schulden van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon, en de persoonlijke aansprakelijkheid van de accountants jegens een vennootschap of de leden van haar organen voor de wettelijke controle op de boekhoudkundige bescheiden”. |
|
23 |
Er zij op gewezen dat verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB 2008, L 177, blz. 6) in artikel 1, lid 2, onder f), een soortgelijke uitzondering bevat, waarvan het Hof heeft geoordeeld dat deze uitsluitend ziet op de organische aspecten van vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen (zie in die zin arrest van 3 oktober 2019, Verein für Konsumenteninformation, C‑272/18, EU:C:2019:827, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
24 |
Aangezien de persoonlijke aansprakelijkheid van vennoten en bestuurders als zodanig voor de schulden van de vennootschap, vereniging of rechtspersoon en de persoonlijke aansprakelijkheid van de accountants die jegens de vennootschap of de leden van haar organen belast zijn met de wettelijke controle van boekhoudkundige bescheiden, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, onder d), van de Rome II-verordening, geen organische aspecten van deze vennootschappen, verenigingen en rechtspersonen zijn, moet de reikwijdte van de uitsluiting waarin deze bepaling voorziet echter door middel van een functioneel criterium worden verduidelijkt (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, BMA Nederland, C‑498/20, EU:C:2022:173, punt 53). |
|
25 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 30 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moet de categorie „niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen” bij gebreke van een verwijzing naar enig nationaal recht autonoom worden uitgelegd, waarbij rekening moet worden gehouden met het doel van deze regel en de volle werking van de Rome II-verordening moet worden verzekerd (zie in die zin arrest van 15 maart 2011, Koelzsch, C‑29/10, EU:C:2011:151, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
26 |
Aangezien die uitsluiting is ingegeven door de wens van de Uniewetgever om de aspecten waarvoor een specifieke oplossing bestaat, die voortvloeit uit het verband tussen die aspecten en de werking en exploitatie van een vennootschap, vereniging of rechtspersoon, onder één enkel wetgevingscorpus, namelijk de lex societatis, te brengen, moet per geval worden nagegaan of er een niet-contractuele verbintenis van de vennoten, bestuurders of accountants in de zin van artikel 1, lid 2, onder d), van de Rome II-verordening bestaat om redenen die eigen zijn aan het vennootschapsrecht, of om redenen die daar los van staan (arrest van 10 maart 2022, BMA Nederland, C‑498/20, EU:C:2022:173, punt 54). |
|
27 |
Bijgevolg moet de aansprakelijkheid van vennootschapsorganen, waaronder die van bestuurders, die voortvloeit uit de niet-nakoming van een verplichting die uit hoofde van hun oprichting of benoeming is opgelegd en verband houdt met het beheer, de exploitatie en de werking van de vennootschap, worden geacht voort te vloeien uit het recht inzake vennootschappen in de zin van artikel 1, lid 2, onder d), van de Rome II-verordening. De uitsluiting waarin die bepaling voorziet kan daarentegen niet de aansprakelijkheid van een vennootschapsbestuurder omvatten die voortvloeit uit een verplichting die met het reilen en zeilen van de vennootschap niets te maken heeft. |
|
28 |
Zo heeft het Hof wat meer bepaald de schending van de zorgplicht betreft, al geoordeeld dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen de specifieke zorgplicht, die uit de betrekking tussen het orgaan en de vennootschap voortvloeit en niet binnen de materiële werkingssfeer van de Rome II-verordening valt, en de algemene zorgplicht erga omnes, die daar wel binnen valt (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, BMA Nederland, C‑498/20, EU:C:2022:173, punt 55). |
|
29 |
Wat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde beroep betreft, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat dit beroep ertoe strekt NM en OU aansprakelijk te stellen omdat een vennootschap waarvan zij de bestuurders zijn, inbreuk zou hebben gemaakt op het krachtens het GSpG voor eenieder geldende verbod om kansspelen aan het publiek aan te bieden zonder daar een vergunning voor te hebben verkregen. |
|
30 |
Zonder vooruit te lopen op de kwalificatie van andere vorderingen die tegen deze bestuurders kunnen worden ingesteld wegens niet-nakoming van een op hen jegens de vennootschap rustende verplichting, moet derhalve worden vastgesteld dat de aansprakelijkstelling van NM en OU wegens vermeende schending van een algemeen verbod om onlinekansspelen aan te bieden zonder daartoe over een vergunning te beschikken, niet valt onder de categorie niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen in de zin van artikel 1, lid 2, onder d), van de Rome II-verordening. Een dergelijke rechtsvordering heeft geen betrekking op de verhouding tussen een vennootschap en haar bestuurders. |
|
31 |
Bovendien wordt, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de vraag of deze niet-contractuele verbintenis moet worden toegerekend aan de bestuurders van de vennootschap of aan de vennootschap zelf, niet bepaald door de lex societatis, maar door het recht dat van toepassing is op onrechtmatige daad, aangezien dit recht overeenkomstig artikel 15 van de Rome II-verordening, met name onder a), de voorwaarden en de omvang van de aansprakelijkheid bepaalt, met inbegrip van de vaststelling van de personen die aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de handelingen die zij verrichten, en, onder g), de aansprakelijkheid voor handelingen van anderen vaststelt. |
|
32 |
Uit het bij de Rome II-verordening ingevoerde stelsel volgt immers dat eerst het recht moet worden bepaald dat van toepassing is op een rechtsfeit en vervolgens de draagwijdte kan worden vastgesteld van de regels die op grond van dat recht van toepassing zijn (zie in die zin arrest van 10 december 2015, Lazar, C‑350/14, EU:C:2015:802, punt 28). |
|
33 |
Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, onder d), van de Rome II-verordening aldus moet worden uitgelegd dat een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die is gericht tegen bestuurders van een vennootschap wegens schending van een door een nationale wettelijke regeling opgelegd verbod om zonder de vereiste vergunning kansspelen aan het publiek aan te bieden, niet valt onder de categorie niet-contractuele verbintenissen die voortvloeien uit het recht inzake vennootschappen in de zin van die bepaling. |
Tweede vraag
|
34 |
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een vordering tot vergoeding van verliezen die zijn geleden door deelname aan onlinekansspelen die door een vennootschap werden aangeboden in een lidstaat waar zij niet over de daartoe vereiste vergunning beschikte, de schade die een speler heeft geleden moet worden geacht zich te hebben voorgedaan in de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. |
|
35 |
Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat, wat de uitlegging van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening betreft, zowel de eenvormige toepassing van het Unierecht als het gelijkheidsbeginsel vereist dat de bewoordingen van een bepaling van het Unierecht die voor de betekenis en de draagwijdte ervan niet uitdrukkelijk naar het recht van de lidstaten verwijst, normaliter in de gehele Unie autonoom en uniform worden uitgelegd, waarbij niet alleen rekening moet worden gehouden met de bewoordingen van die bepaling, maar ook met de context ervan en met het doel van de regeling waarvan zij deel uitmaakt (zie in die zin arrest van 10 december 2015, Lazar, C‑350/14, EU:C:2015:802, punt 21 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
36 |
Overeenkomstig de algemene regel die is opgenomen in artikel 4, lid 1, van deze verordening is het recht dat van toepassing is op een onrechtmatige daad het recht van het land waar de schade zich voordoet, ongeacht in welk land de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan en ongeacht in welke landen de indirecte gevolgen van die gebeurtenis zich voordoen. |
|
37 |
Zoals blijkt uit de overwegingen 6, 14 en 16 van de Rome II-verordening, heeft het gebruik van een uniforme collisieregel met name tot doel de rechtszekerheid met betrekking tot het toepasselijke recht te bevorderen, ongeacht het land waar de vordering wordt ingesteld, alsmede de voorspelbaarheid van rechterlijke uitspraken te verbeteren en een redelijk evenwicht te waarborgen tussen de belangen van de persoon die aansprakelijk wordt gesteld en die van de persoon die schade lijdt. |
|
38 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 48 van zijn conclusie heeft opgemerkt, wordt schade gedefinieerd als een aantasting van de benadeelde persoon of van een juridisch beschermd belang van die persoon. |
|
39 |
Uit de rechtspraak inzake de rechterlijke bevoegdheid op het gebied van onrechtmatige daad volgt dat de plaats waar de schade is ingetreden kan verschillen naargelang van de aard van het recht dat zou zijn geschonden en dat het feit dat schade zich in een bepaalde lidstaat voordoet afhankelijk is van de voorwaarde dat het recht dat zou zijn geschonden, in die lidstaat wordt beschermd (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Pinckney, C‑170/12, EU:C:2013:635, punten 32 en 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
40 |
Overeenkomstig de in overweging 7 van de Rome II-verordening gestelde eisen van samenhang moet ook bij de uitlegging van deze verordening met deze rechtspraak rekening worden gehouden (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, BMA Nederland, C‑498/20, EU:C:2022:173, punten 59 en 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
41 |
Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de plaats waar de schade is ingetreden, de plaats is waar de gestelde schade zich concreet voordoet (zie in die zin arrest van 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters, C‑709/19, EU:C:2021:377, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
42 |
Ten eerste blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat de gestelde onrechtmatige daad erin bestaat dat schade wordt toegebracht aan de belangen van TE die juridisch worden beschermd door het in de lidstaat van zijn gewone verblijfplaats geldende verbod om het publiek de mogelijkheid te bieden deel te nemen aan onlinekansspelen zonder over de daartoe vereiste vergunning te beschikken. |
|
43 |
Ten tweede is, zoals de advocaat-generaal in de punten 61 en 69 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de door TE gestelde schade concreet tot uiting gekomen bij zijn deelname, vanuit Oostenrijk, aan onlinekansspelen die in strijd met een in die lidstaat geldend verbod werden georganiseerd. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat de schade zich in Oostenrijk heeft voorgedaan. |
|
44 |
Aangezien het in de aard van onlinekansspelen ligt dat niet zonder meer kan worden vastgesteld op welke fysieke plaats zij precies worden georganiseerd, moet ervan worden uitgegaan dat deze spelen hebben plaatsgevonden in de gewone verblijfplaats van de speler. |
|
45 |
In dit verband moet in navolging van de advocaat-generaal in punt 64 van zijn conclusie worden gepreciseerd dat de handelwijze van TBM en haar bestuurders, die vanuit hun woonplaats op Malta kansspelen hebben aangeboden aan personen die hun gewone verblijfplaats in een andere lidstaat hebben, slechts de gebeurtenis is die de door TE gestelde schade heeft veroorzaakt. |
|
46 |
Uit punt 36 van het onderhavige arrest blijkt evenwel dat de plaats waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich voordoet geen relevante aanknopingsfactor is om het toepasselijke recht in de zin van artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening te bepalen. |
|
47 |
Evenzo moet met betrekking tot de vermogensschade die TE zou hebben geleden op de spelersaccount die speciaal voor zijn deelname aan de onlinekansspelen is aangemaakt, of ook op zijn persoonlijke bankrekening van waaruit zijn spelersrekening werd opgewaardeerd, worden opgemerkt dat dit verlies slechts een indirect gevolg van de gestelde schade is, dat niet in aanmerking kan worden genomen voor de vaststelling van het toepasselijke recht krachtens artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening, zoals in punt 36 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht. |
|
48 |
Wanneer wordt aangenomen dat de plaats waar de gestelde schade zich heeft voorgedaan, de gewone verblijfplaats van de speler is, waar de deelname aan onlinekansspelen kan worden geacht te hebben plaatsgevonden, strookt dat met het in punt 37 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte doel van voorspelbaarheid, aangezien TBM en haar beheerders redelijkerwijs konden verwachten dat, door onlinekansspelen aan te bieden aan personen met woonplaats in een andere lidstaat, waarvan zij de wettelijke verplichtingen niet naleefden, die personen aan die kansspelen zouden deelnemen, waardoor hun juridisch beschermde belangen zouden worden geschaad. |
|
49 |
De vaststelling van deze plaats als de plaats waar de schade zich heeft voorgedaan, vindt steun in de rechtspraak van het Hof met betrekking tot artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012. |
|
50 |
Bij de vaststelling van de betekenis van het begrip „plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen” in artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012, kan immers niet van de woonplaats van de verzoeker als plaats waar zich het centrum van zijn vermogen bevindt, worden uitgegaan op de enkele grond dat hij daar financiële schade zou hebben geleden die voortvloeit uit het verlies van vermogensbestanddelen in een andere lidstaat, tenzij die plaats daadwerkelijk de plaats is waar de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan of waar de schade is ingetreden (zie in die zin arrest van 12 mei 2021, Vereniging van Effectenbezitters, C‑709/19, EU:C:2021:377, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
51 |
In casu pleiten dergelijke vereisten er ook voor om als de plaats waar de gestelde schade is ingetreden de gewone verblijfplaats van de speler aan te wijzen, waardoor het toepasselijke recht en de rechterlijke bevoegdheid samenvallen. |
|
52 |
Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat het overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening aangewezen recht terzijde kan worden geschoven ten gunste van het recht dat overeenkomstig artikel 4, lid 3, van deze verordening van toepassing is, indien uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat de onrechtmatige daad een kennelijk nauwere band heeft met een ander dan het in lid 1 bedoelde land. |
|
53 |
Zoals blijkt uit overweging 14 van de Rome II-verordening, heeft een dergelijke afwijkende regel tot doel de aangezochte rechter in staat te stellen de verschillende situaties met de nodige flexibiliteit te behandelen om te waarborgen dat het toepasselijke recht het recht is dat daadwerkelijk het nauwst verbonden is met de onrechtmatige daad. |
|
54 |
Aangezien het om een uitzonderingsregel gaat, moet deze echter strikt worden uitgelegd en mag het overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening aangewezen recht slechts bij uitzondering opzij worden gezet, namelijk wanneer de onrechtmatige daad op basis van een omvattende analyse van de omstandigheden van het geval een kennelijk nauwere band blijkt te hebben met een ander land dan dat waar de schade zich heeft voorgedaan, teneinde de door deze verordening nagestreefde voorspelbaarheid en rechtszekerheid te waarborgen. |
|
55 |
Hoewel volgens artikel 4, lid 3, van die verordening een kennelijk nauwere band met een ander land met name kan berusten op een reeds eerder bestaande betrekking tussen de partijen, zoals een overeenkomst, die nauw verband houdt met de onrechtmatige daad in kwestie, moet worden verduidelijkt dat het bestaan van een dergelijke betrekking op zich niet volstaat om de toepassing van het krachtens artikel 4, lid 1 of lid 2, toepasselijke recht uit te sluiten, en niet toestaat dat het recht van de overeenkomst automatisch wordt toegepast op de niet-contractuele aansprakelijkheid, aangezien de aangezochte rechter over een beoordelingsmarge beschikt wat betreft het bestaan van een betekenisvolle band tussen de niet-contractuele verbintenis en het land waarvan het recht de reeds bestaande betrekking beheerst (zie in die zin arrest van 10 maart 2022, BMA Nederland, C‑498/20, EU:C:2022:173, punten 63‑65). |
|
56 |
Gelet op een en ander moet op de tweede vraag worden geantwoord dat artikel 4, lid 1, van de Rome II-verordening aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van een vordering tot vergoeding van verliezen die zijn geleden door deelname aan onlinekansspelen die door een vennootschap werden aangeboden in een lidstaat waar zij niet over de daartoe vereiste vergunning beschikte, de schade die een speler heeft geleden moet worden geacht zich te hebben voorgedaan in de lidstaat waar hij zijn gewone verblijfplaats heeft. |
Kosten
|
57 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Duits.
( i ) Dit is een fictieve naam, die niet overeenkomt met de werkelijke naam van enige partij in de procedure.