This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62024CC0136
Opinion of Advocate General Norkus delivered on 10 April 2025.###
Conclusie van advocaat-generaal R. Norkus van 10 april 2025.
Conclusie van advocaat-generaal R. Norkus van 10 april 2025.
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:257
Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
R. NORKUS
van 10 april 2025 (1)
Zaak C‑136/24 P
Alaa Hamoudi
tegen
Europees Grens‑ en kustwachtagentschap (Frontex)
„ Hogere voorziening – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Snelle grensinterventie door Frontex ter ondersteuning van de Griekse autoriteiten in de Egeïsche Zee – Collectieve uitzettingen (‚pushbacks’) die Frontex zou voorstaan of waaraan Frontex zou hebben meegewerkt – Verordening (EU) 2019/1896 – Verzuim van Frontex om een grondrechtenfunctionaris te raadplegen – Verzuim van Frontex om de toepasselijkheid van artikel 46, leden 4 en 5, van verordening 2019/1896 te beoordelen Kennelijke beoordelingsfout – Schending van de artikelen 1 tot en met 4 en 18, artikel 19, leden 1 en 2, en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten – Recht op asiel – Beginsel van non-refoulement – Reële en zekere schade – Bewijslast – Omkering van de bewijslast – Voorwaarden – Prima-faciebewijs – Beginsel van procedurele gelijkheid ”
I. Inleiding
1. In de onderhavige hogere voorziening tegen de beschikking van het Gerecht van 13 december 2023 Hamoudi/Frontex(2), dient het Hof in het kader van een vermeende collectieve uitzetting in de Egeïsche Zee op 28 en 29 april 2020, waarbij de Griekse autoriteiten en het Europees Grens‑ en kustwachtagentschap (Frontex) betrokken waren(3), te beoordelen of een verzoeker die een vermeend slachtoffer is van die uitzetting, „overtuigend bewijs van het bestaan [...] van de gestelde schade” in een tegen de Europese Unie ingestelde vordering tot vergoeding van niet-contractuele schade moet leveren.(4)
2. Gelet op de illegale(5) en vaak heimelijke aard van dergelijke uitzettingen(6), de situatie van extreme kwetsbaarheid waarin de vermeende slachtoffers zich kunnen bevinden en de asymmetrie in de bewijslast en de informatieplicht(7) tussen de partijen bij de ingestelde vordering, rijst de principiële vraag of de doeltreffende bescherming van, onder andere, het recht op asiel en op vrijwaring van collectieve uitzettingen en refoulement, zoals gewaarborgd door respectievelijk de artikelen 18 en 19 van het Handvest, in samenhang met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, dat door artikel 47 van het Handvest wordt beschermd, in bepaalde omstandigheden een aanpassing van de bewijslast, die normaliter op verzoekers rust, kan vereisen. Tegelijkertijd mag aan de verweerder geen buitensporige of onevenredige last worden opgelegd, waardoor diens recht op een eerlijk proces zou worden geschonden.
3. Bovendien moet bij een wijziging van de regels inzake de bewijslast voorzichtigheid worden betracht, aangezien, zoals het EHRM heeft aangegeven, iedere derdelander zou kunnen stellen het slachtoffer van collectieve uitzetting te zijn door zijn relaas zodanig vorm te geven dat dit overeenkomt met hetgeen onder andere in nationale of internationale rapporten is opgenomen.(8) In veel gevallen gaat het niet om de vraag of een collectieve uitzetting heeft plaatsgevonden, maar om de vraag of de verzoeker het slachtoffer van een collectieve uitzetting is.
4. Met de onderhavige hogere voorziening verzoekt Alaa Hamoudi (hierna: „rekwirant”), Syrisch staatsburger, om vernietiging van de bestreden beschikking waarbij zijn vordering krachtens artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU is verworpen(9) die ertoe strekte vergoeding te verkrijgen van de immateriële schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het vermeende onrechtmatige handelen en nalaten van Frontex in het kader van een snelle grensinterventie op grond van verordening 2019/1896(10) ter ondersteuning van de Griekse autoriteiten in de Egeïsche Zee in april 2020. Rekwirant stelt met name dat hij op 28 en 29 april 2020 het slachtoffer is geworden van een collectieve uitzetting door de Griekse autoriteiten. Hij betoogt onder andere dat Frontex de pleger of medepleger(11) van die uitzetting is, waardoor hij immateriële schade heeft geleden.
II. Terminologie
5. In zijn processtukken(12) verwijst rekwirant naar collectieve uitzettingen(13) en naar de informele term „pushbacks”(14). Dergelijke uitzettingen worden onder andere gekenmerkt door het ontbreken van een individuele beoordeling van zowel het recht op asiel als het recht op non-refoulement van een persoon. In dit verband heeft het Hof verduidelijkt dat de praktijk van pushbacks naar de buitengrenzen van de Unie, die erop neerkomt dat personen die om internationale bescherming wensen te verzoeken, van het grondgebied van de Unie worden verwijderd of dat zij vóór de behandeling van hun verzoek van dat grondgebied worden verwijderd, in strijd is met artikel 6 van richtlijn 2013/32/EU(15). Bovendien kan de praktijk van pushbacks onverenigbaar zijn met het beginsel van non-refoulement op grond van artikel 18 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 33 van het Verdrag van Genève(16), en met artikel 19, lid 2, van het Handvest, indien personen die in de Unie een verzoek om internationale bescherming wensen in te dienen, naar het grondgebied van een derde land worden gezonden waar zij een risico van vervolging lopen. Het Hof heeft tevens gepreciseerd dat pushbacks ernstige gebreken opleveren, onder andere in de asielprocedure.(17)
III. Achtergrond van het geding
6. Frontex is sinds 2006 actief op de Egeïsche Zee via de gezamenlijke operatie(18) Poseidon. Op 1 maart 2020 heeft de Kyvernitiko Symvoulio Ethnikis Asfaleias (regeringsraad voor nationale veiligheid, Griekenland) (hierna: „KYSEA”) het Griekse asielstelsel opgeschort en nieuwe grenscontroles ingevoerd voor een periode van één maand (hierna: „KYSEA-besluit”).(19) Op die datum is Frontex door de Helleense Republiek om een snelle grensinterventie in de Egeïsche Zee verzocht. Dit verzoek werd de dag daarop ingewilligd door de uitvoerend directeur van Frontex (hierna: „UD”).
7. In zijn schriftelijke stukken bij het Gerecht heeft rekwirant uitvoerig verwezen naar verschillende incidenten in maart en april 2020 in de Egeïsche Zee, waarbij hij heeft gesteld dat zij collectieve uitzettingen vormden. Hij zou in het bijzonder slachtoffer zijn geweest van een collectieve uitzetting op 28 en 29 april 2020 in het kader van de activiteiten van Frontex in de Egeïsche Zee. In punt 36 van de bestreden beschikking heeft het Gerecht aangegeven dat rekwirant stelt dat „op 28 april 2020, rond 7.30 uur, 22 personen, waaronder hijzelf, op het eiland Samos in Griekenland waren aangekomen. Zij kwamen aan op een strand naast de bergen, die zij begonnen te beklimmen nadat zij de boot hadden verlaten [...] [Z]odra zij de top van de berg hadden bereikt, maakte [rekwirant] foto’s en video’s die hij naar een kennis van hem in Oostenrijk stuurde. Gedurende enkele uren heeft de groep de bewoners gevraagd om de politie te bellen. Bij aankomst van de politieagenten werden hun telefoons in beslag genomen waarna deze groep in een pick-up wagen naar het strand werd gereden, waar een klein schip en een bootje lagen. Vervolgens werden alle leden van de groep aan boord van het kleine oranje bootje gebracht, dat volgens [rekwirant] een reddingsboot zonder enig voortstuwingsmiddel was. Eenmaal op zee, moest de groep nog twee keer van boot wisselen. Volgens [rekwirant] duurden deze wisselingen de hele nacht voort en tot in de middag van 29 april 2020, toen de Turkse kustwacht hen uiteindelijk heeft opgepikt.”(20)
8. Rekwirant heeft voor het Gerecht aangevoerd dat Frontex, door zijn handelingen en nalatigheden, zijn verplichtingen krachtens de artikelen 38, 46 en 80 van verordening 2019/1896 en de artikelen 1 tot en met 4 en 18, artikel 19, leden 1 en 2, en artikel 21 van het Handvest niet is nagekomen.
9. Rekwirant stelt in zijn eerste middel bij het Gerecht onder andere dat de UD de grondrechtenfunctionaris van Frontex (hierna: „GRF”) niet had geraadpleegd, zoals artikel 46, lid 5, van verordening 2019/1896 vereist(21), alvorens de snelle grensinterventie in de Egeïsche Zee te starten. Frontex heeft een kennelijke beoordelingsfout gemaakt, zijn bevoegdheid misbruikt en niet met de vereiste zorgvuldigheid gehandeld, en heeft daarmee het beginsel van behoorlijk bestuur niet in acht genomen. Bovendien heeft de UD de toepasselijkheid van artikel 46, lid 5, van verordening 2019/1896 niet onderzocht of de toepasselijkheid vóór de start van de snelle grensinterventie onjuist beoordeeld. Op het eerste gezicht bestonden er ernstige redenen om deze interventie niet te starten, gelet op de kennelijke onrechtmatigheid van het KYSEA-besluit en de waarschijnlijkheid dat de daarin vervatte opschorting van onder andere de nationale asielregeling tot schendingen van de grondrechten zou leiden. Rekwirant heeft aangevoerd dat de gebeurtenissen van 28 en 29 april 2020 zijn menselijke waardigheid en integriteit hebben aangetast, hem hebben onderworpen aan folteringen en onmenselijke en vernederende behandelingen en hem het recht op asiel en bescherming tegen collectieve uitzetting hebben ontnomen. Deze uitzetting en het daaruit voortvloeiende lijden zouden zich niet hebben voorgedaan indien Frontex zijn toezichts‑ en beschermingsverplichtingen niet had geschonden. De uitvoering van collectieve uitzettingen in het kader van het KYSEA-besluit hing af van de door Frontex gestarte snelle grensinterventie in de Egeïsche zee. Frontex is derhalve medepleger van de collectieve uitzetting van rekwirant.
10. In zijn tweede middel bij het Gerecht stelt rekwirant onder andere dat Frontex op het moment van zijn collectieve uitzetting en ondanks dat er op het eerste gezicht sprake was van schendingen van de grondrechten, niet de in artikel 46, lid 4, van verordening 2019/1896 bedoelde geleidelijke en voorzorgsmaatregelen had vastgesteld.(22) Het verzuim van Frontex om overeenkomstig deze bepaling te handelen heeft ook geleid tot schending van artikel 80 van verordening 2019/1896(23), schending van het EVRM en schending van de rechtspraak van het EHRM. Subsidiair heeft rekwirant aangevoerd dat Frontex, middels de handelingen van zijn UD, „een kennelijke beoordelingsfout en misbruik van bevoegdheid” heeft gemaakt door ervan uit te gaan dat er geen sprake was van schendingen in de zin van artikel 46, lid 4, van verordening 2019/1896.
11. Rekwirant stelt in zijn derde middel bij het Gerecht dat Frontex de „werkelijke pleger” is van de collectieve uitzetting op 28 en 29 april 2020, die rechtstreeks voortvloeide uit het juridisch bindende operationeel plan voor snelle grensinterventie in de Egeïsche Zee en overeenkomstig dat plan is uitgevoerd. Het operationeel plan is in strijd met artikel 38, lid 3, onder m), van verordening 2019/1896 vastgesteld, aangezien het verwijst naar een „niet bestaande asielprocedure”. Rekwirant heeft subsidiair aangevoerd dat, indien het Gerecht zou oordelen dat het incident van 28 en 29 april 2020 niet aan Frontex kan worden toegerekend op basis van het operationeel plan, dit agentschap dan niettemin verantwoordelijk is voor het verlenen van hulp en assistentie bij schendingen van grondrechten. „[Frontex] heeft ten minste geholpen en geassisteerd bij de uitvoering van de nieuwe ‚tactieken’ van ‚preventieve’ aard met financiële, operationele en politieke bijdragen – van de opstelling van het [operationeel plan voor de snelle grensinterventie in de Egeïsche zee], via de start, financiering en coördinatie ervan, het niet opschorten of beëindigen ervan, tot de betrokkenheid van [een surveillancevliegtuig van Frontex] bij het incident zelf.” Volgens rekwirant vloog een surveillancevliegtuig van Frontex over het gebied waar de collectieve uitzetting op 28 en 29 april 2020 plaatsvond en had het derhalve specifieke kennis van dat incident, maar liet het niettemin na daarvan melding te doen.
12. Rekwirant heeft aangevoerd dat de aan Frontex toe te rekenen collectieve uitzetting van 28 en 29 april 2020 hem immateriële schade op twee vlakken heeft berokkend. Ten eerste voert hij schade aan als gevolg van schending van zijn grondrechten op grond van de artikelen 1 tot en met 4 en 18, artikel 19, leden 1 en 2, en artikel 21 van het Handvest voor een bedrag van 250 000 EUR. In dit verband is rekwirant van mening dat indien het operationeel plan aan verordening 2019/1896 zou hebben voldaan en Frontex de uitvoering van het KYSA-besluit niet zou hebben gefaciliteerd, de collectieve uitzetting van 28 en 29 april 2020 niet zou hebben plaatsgevonden. Subsidiair zou de collectieve uitzetting van 28 en 29 april 2020 niet hebben plaatsgevonden zonder de hulp en assistentie van Frontex. Ten tweede heeft rekwirant 250 000 EUR gevorderd wegens sui generis schade als gevolg van het feit dat de pleger van de collectieve uitzetting van 28 en 29 april 2020 een agentschap van de Unie was. Als Frontex zich ervan zou hebben onthouden om de onrechtmatige collectieve uitzetting „voor te staan of daaraan mee te werken”, dan zouden aan rekwirant „gevoelens van onrechtvaardigheid en frustratie” zijn bespaard.
13. Ter onderbouwing van zijn stellingen betreffende zijn aanwezigheid en betrokkenheid bij de vermeende collectieve uitzetting van 28 en 29 april 2020 beriep rekwirant zich op zijn eigen getuigenverklaring; een Bellingcat-media artikel, online gepubliceerd op 20 mei 2020, twee YouTube-video’s in dat artikel, en vier foto’s die schermafbeeldingen in kleur zijn van de video’s in dat artikel.
14. Frontex heeft deze stellingen betwist. In het bijzonder heeft het aangevoerd dat rekwirant geen overtuigend bewijs had geleverd dat hij door het vermeende incident van 28 en 29 april 2020 zou zijn getroffen. Frontex heeft gesteld dat het „niet op de hoogte was gebracht van een incident en evenmin informatie had ontvangen in verband met het vermeende incident van 28 en 29 april 2020. Het heeft tevens aangevoerd dat de bewijslast voor het feit dat rekwirant door het vermeende incident werd geraakt op rekwirant rustte, en dat hij dienaangaande in zijn verzoekschrift geen enkel overtuigend bewijs had geleverd. In dit verband heeft Frontex de bewijswaarde van de getuigenis van rekwirant in twijfel getrokken en benadrukt dat hij geen van de 22 andere personen die bij het incident zouden zijn betrokken, als getuigen heeft genoemd. Voorts heeft Frontex aangevoerd dat rekwirant noch in de foto’s, die als bijlage bij het verzoekschrift zijn gevoegd, noch in de video’s van het Bellingcat-media artikel van 20 mei 2020 kan worden geïdentificeerd. Daaraan heeft Frontex toegevoegd dat de foto’s niet van een datum waren voorzien en derhalve betrekking konden hebben op elke willekeurige gebeurtenis op elke willekeurige datum. Bovendien heeft Frontex opgemerkt dat rekwirant nooit foto’s en video’s had overgelegd die op het eiland Samos zouden zijn genomen. Wat ten slotte de links betreft naar de websites waarop de video’s staan, stelde Frontex dat het noch aan Frontex noch aan het Gerecht staat om informatie uit websites te halen waarvan de inhoud niet bij het verzoekschrift is gevoegd, zodat deze informatie niet-ontvankelijk was.”(24)
15. In de bestreden beschikking heeft het Gerecht de drie cumulatieve voorwaarden in herinnering gebracht waaraan moet zijn voldaan opdat er sprake kan zijn van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie voor schade die Frontex of diens functionarissen in de uitoefening van hun taken hebben veroorzaakt, namelijk een onrechtmatige gedraging van een agentschap, zoals Frontex, daadwerkelijk geleden schade en een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de betrokken schade.(25) Indien aan een van de cumulatieve voorwaarden niet is voldaan, is er geen sprake van aansprakelijkheid.
16. Aangezien er geen vereiste is om deze drie voorwaarden in een bepaalde volgorde te onderzoeken, heeft het Gerecht ervoor gekozen de voorwaarde inzake schade te onderzoeken.(26)
17. Het Gerecht heeft geoordeeld dat het door rekwirant overgelegde bewijsmateriaal kennelijk ontoereikend was om op overtuigende wijze aan te tonen dat hij bij het vermeende incident van 28 en 29 april 2020 aanwezig en betrokken was, en heeft derhalve geoordeeld dat rekwirant de gestelde schade niet had aangetoond. Het Gerecht heeft het beroep kennelijk rechtens ongegrond verklaard, zonder te onderzoeken of aan de andere voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid van Frontex was voldaan.(27) In de bestreden beschikking heeft het Gerecht derhalve noch de vermeende onrechtmatige gedraging van Frontex noch het bestaan van een causaal verband tussen die gedraging en de gestelde schade onderzocht, aangezien niet was voldaan aan de voorwaarde inzake schade.(28)
IV. Hogere voorziening
Argumenten van de partijen
18. Rekwirant heeft in hogere voorziening één middel aangevoerd. Hij voert aan dat het Gerecht in de bestreden beschikking artikel 52, lid 3, van het Handvest(29) en de algemene beginselen inzake de bewijslast heeft geschonden. Volgens de vaste rechtspraak van het EHRM „zijn de verdeling van de bewijslast en de mate van overtuiging die nodig is om tot een bepaalde conclusie te komen, intrinsiek verbonden met de specificiteit van de feiten, de aard van de bewering en het in het [EVRM] verankerde recht dat in het geding is”.(30) Gezien de kwetsbare positie van asielzoekers, met name in uitzettingszaken, heeft het EHRM geoordeeld dat het belangrijk is om rekening te houden met alle moeilijkheden die zij bij het verzamelen van bewijsmateriaal kunnen ondervinden. Derhalve kan een gebrek aan direct bewijs niet per se doorslaggevend zijn.(31) Waar sprake is van bewijsonzekerheid, „vanwege de bijzondere situatie waarin asielzoekers vaak verkeren, is het dikwijls noodzakelijk om hun het voordeel van de twijfel te geven bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van hun verklaringen en de overgelegde documenten”.(32) In het geval van maritieme pushbacks heeft het EHRM de noodzaak onderstreept om rekening te houden met moeilijkheden bij het verstrekken van bewijsmateriaal over aspecten van de zaak waarvan alleen de autoriteiten kennis hadden.(33) Bovendien moet in een zaak als de onderhavige, waarin rekwirant prima-faciebewijs ter ondersteuning van zijn versie van de gebeurtenissen heeft overgelegd, de bewijslast naar de andere partij worden verlegd.(34) Videobewakingsbeelden kunnen essentieel zijn om de relevante feiten vast te stellen.(35)
19. Rekwirant stelt dat hij prima-faciebewijs van zijn betrokkenheid bij de onderhavige pushback-operatie heeft overgelegd en dat hij zijn individuele omstandigheden en betrokkenheid bij de onderhavige gebeurtenissen coherent en gedetailleerd heeft uiteengezet. Hij heeft videobeelden overgelegd die de door hem beschreven pushback weergeven, waarin hij stelt dat hij identificeerbaar is. Bovendien weerlegt Frontex de bewering van rekwirant betreffende het incident van 28 en 29 april 2020 niet.(36) De onjuiste uitlegging door het Gerecht van de rechtsbeginselen inzake de bewijslast heeft met zich meegebracht dat het door het EVRM vastgestelde minimumbeschermingsniveau niet in acht is genomen zoals artikel 52, lid 3, van het Handvest vereist. De strikte toepassing door het Gerecht(37) van de bewijslast tast de effet utile van de in onderhavige zaak aangevoerde rechten uit hoofde van het Handvest aanzienlijk aan en doet afbreuk aan het in het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en aan het in de Verdragen vastgelegde beginsel van het „volledige stelsel van rechtsmiddelen”.
20. Frontex stelt in wezen dat de hogere voorziening kennelijk niet-ontvankelijk is aangezien deze slechts de beoordeling van het bewijs door het Gerecht betwist. De rechtspraak van het EHRM kan niet prevaleren boven het primaire Unierecht. Frontex herinnert er in dit verband aan dat overeenkomstig het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie een hogere voorziening beperkt is tot rechtsvragen.
Beoordeling
21. In de onderhavige hogere voorziening gaat het om de vraag of rekwirant slachtoffer is geweest en aldus schade heeft geleden als gevolg van de vermeende collectieve uitzetting van 28 en 29 april 2020. Deze analyse houdt nauw verband met de vraag of Frontex in het kader van deze vermeende gebeurtenissen het Unierecht, en in het bijzonder de artikelen 18 en 19 van het Handvest, heeft geschonden. Dezelfde omstandigheden kunnen dus, althans tot op zekere hoogte, relevant zijn voor de analyse van de vermeende onrechtmatige gedraging van Frontex, het bestaan van schade en het bestaan van een causaal verband tussen de onrechtmatige gedraging en de schade in kwestie.
22. Overeenkomstig het verzoek van het Hof zal ik mijn conclusie echter toespitsen op een analyse van de toewijzing of verdeling van de bewijslast met betrekking tot het bestaan van schade in zaken betreffende collectieve uitzetting. Deze conclusie heeft derhalve het doel het Hof bij te staan bij het formuleren van een regel inzake de verdeling van de bewijslast in dergelijke zaken.
23. Overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie, kan een hogere voorziening enkel rechtsvragen betreffen. Anders dan hetgeen Frontex stelt, zoals is weergegeven in punt 20 van deze conclusie, is het Hof in hogere voorzieningen bevoegd om te toetsen of de regels inzake de bewijslast in acht zijn genomen.(38)
Opmerkingen vooraf
24. Op het niveau van de Unie bestaat er geen wetgeving inzake het begrip „bewijs”. De Unierechter heeft een beginsel van ongebonden bewijslevering of vormvrijheid van het overgelegde bewijs geformuleerd, dat moet worden uitgelegd als het recht om zich, bij het bewijzen van een bepaald feit, te baseren op elke vorm van bewijs, zoals mondelinge getuigenissen, schriftelijke bewijzen, bekentenissen enzovoorts.(39) Deze benadering doet sterk denken aan die van het EHRM.(40)
25. Volgens het rechtsadagium onus probandi incumbit ei qui dicit non ei qui negat(41) rust de onus, oftewel bewijslast, in burgerlijke zaken op de verzoeker en niet op de verweerder. Deze vaste of oude stelregel wordt door alle lidstaten aanvaard als de algemene regel voor de bewijslast(42) in dergelijke zaken en vormt hoe dan ook de regel die in beginsel van toepassing is in het kader van de onderhavige vordering tot schadevergoeding.
26. Bij de toepassing van de algemene regel inzake de bewijslast staat het derhalve aan rekwirant om onder andere te bewijzen dat de vermeende collectieve uitzetting heeft plaatsgevonden en dat hij daarvan het slachtoffer is geweest. In het licht van de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak wordt het Hof echter door rekwirant verzocht om deze algemene regel aan te passen, teneinde tot een „billijkere” verdeling van die last te komen.
27. Hoewel rekwirant zich hoofdzakelijk baseert op de rechtspraak van het EHRM inzake de bewijslast en de omkering daarvan, bestaat er reeds lang brede en coherente rechtspraak van het Hof alsook Unieregelgeving waarin is voorzien in de omkering van de bewijslast, waarop eerst moet worden ingegaan. Vervolgens zal ik de rechtspraak van het Hof en het EHRM op het gebied van procedurele gelijkheid bespreken, alvorens de rechtspraak van het EHRM die betrekking heeft op de omkering van de bewijslast in de specifieke context van collectieve uitzettingen en refoulement te onderzoeken.
28. Wat betreft het belang dat aan de rechtspraak van het EHRM in de onderhavige hogere voorziening moet worden gehecht overeenkomstig artikel 52, lid 3, van het Handvest, dat beoogt de noodzakelijke samenhang tussen de daarin vervatte rechten en de corresponderende door het EVRM gewaarborgde rechten te verzekeren zonder afbreuk te doen aan de autonomie van het Unierecht, moet het Hof – bij de uitlegging van de door het Handvest gewaarborgde rechten – als minimale beschermingsdrempel rekening houden met de corresponderende rechten(43) die worden gewaarborgd door het EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM(44).
29. Rekwirant beroept zich op verschillende arresten van het EHRM waarin het zich heeft uitgesproken over de verdeling van de bewijslast in het kader van krachtens artikel 34 EVRM ingestelde beroepen betreffende refoulement en/of collectieve uitzetting van de verzoeker(s).(45) Hoewel het doel van die procedures bij het EHRM, die primair gericht zijn op de vaststelling dat er sprake is van schending van het EVRM of de Protocollen erbij, ogenschijnlijk verschilt van dat van de onderhavige procedure, die strekt tot vergoeding van schade die vermeend is veroorzaakt door een agentschap van de Unie, is dit verschil meer schijnbaar dan reëel. Het is hoe dan ook niet groot genoeg om de rechtspraak van het EHRM irrelevant te maken voor de onderhavige procedure. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat volgens de rechtspraak van het Hof voor het ontstaan van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie op grond van artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU aan een aantal voorwaarden moet zijn voldaan, waarvan de eerste een voldoende gekwalificeerde schending vereist van een rechtsregel die ertoe strekt aan individuen rechten toe te kennen.(46) Derhalve bestaat er een zekere parallel tussen artikel 340 VWEU en artikel 34 EVRM.(47) Bovendien bestaat er een duidelijke overlapping tussen de door het EVRM toegekende rechten en de rechten uit hoofde van het Handvest, die worden aangevoerd in de betrokken rechtspraak van het EHRM en in de onderhavige procedure.(48)
Rechtspraak van het Hof en het Unierecht
– Bestrijding van discriminatie/gelijke behandeling
30. In het baanbrekende arrest Danfoss(49) heeft het Hof geoordeeld, dat ter waarborging dat het in de desbetreffende richtlijn vastgelegde beginsel van gelijke beloning(50) wordt toegepast en dat er doeltreffende middelen beschikbaar zijn om de naleving ervan te waarborgen, deze richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een onderneming een beloningsregeling toepast die volstrekt ondoorzichtig is, het aan de werkgever staat om te bewijzen dat de beloningspraktijk niet discriminerend is, wanneer een vrouwelijke werknemer ten opzichte van een relatief groot aantal werknemers aantoont dat de gemiddelde beloning van vrouwelijke werknemers lager is dan die van mannelijke werknemers.(51) Zo kan de onus probandi oftewel de bewijslast verschuiven wanneer moet worden voorkomen dat werknemers die het slachtoffer van discriminatie lijken te zijn, elk doeltreffend middel wordt ontnomen om het beginsel van gelijke beloning te doen naleven. In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat bij een situatie van schijnbare discriminatie de onus oftewel de bewijslast verschuift en dat het aan de werkgever staat om aan te tonen dat er objectieve redenen zijn die het verschil in beloning rechtvaardigen.(52)
31. In zaken betreffende de bestrijding van discriminatie is een omkering van de bewijslast derhalve afhankelijk van de voorwaarde dat de verzoeker aantoont dat er op het eerste gezicht sprake is van discriminatie. Wanneer wordt aangetoond dat dit het geval is, staat het aan de verwerende werkgever om aan te tonen dat het non-discriminatiebeginsel niet is geschonden of om een objectieve rechtvaardiging te geven voor het verschil in behandeling. In het arrest Brunnhofer heeft het Hof benadrukt dat de bewijslast niet zal worden verlegd wanneer een werknemer niet wordt geconfronteerd met praktische moeilijkheden bij het overleggen van bewijs en derhalve de normale regels inzake de bewijslast van toepassing zijn. (53)
32. De door het Hof ontwikkelde beginselen inzake de bewijslast in zaken betreffende de bestrijding van discriminatie, zoals onder andere de arresten Danfoss, Enderby en Brunnhofer, zijn door de Uniewetgever gecodificeerd en versterkt in artikel 19, lid 1, van richtlijn 2006/54/EG(54), artikel 9, lid 1, van richtlijn 2004/113/EG(55), artikel 10, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG(56) en artikel 8, lid 1, van richtlijn 2000/43/EG(57), waarin is bepaald dat “[d]e lidstaten [...] overeenkomstig hun nationale rechtsstelsels, de nodige maatregelen [nemen] om ervoor te zorgen dat, wanneer personen die zich door niet-toepassing te hunnen aanzien van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld achten, voor de rechter of een andere bevoegde instantie feiten aanvoeren die directe of indirecte discriminatie kunnen doen vermoeden, de verweerder dient te bewijzen dat het beginsel van gelijke behandeling niet werd geschonden”.
33. Hieruit volgt dat wanneer is aangetoond dat er op het eerste gezicht sprake is van discriminatie en de verweerder niet het tegenbewijs kan leveren(58) dat er geen sprake is van directe of indirecte discriminatie, de nationale rechter verplicht is een discriminatie vast te stellen. In dit verband beschikt de nationale rechter over geen enkele beoordelingsmarge.
34. Advocaat-generaal Kokott heeft opgemerkt dat de regels inzake de omkering van de bewijslast in alle antidiscriminatierichtlijnen niet in strijd zijn met het recht op een eerlijk proces ten nadele van de verweerder. Integendeel, de Uniewetgever heeft er duidelijk voor gekozen om een juist evenwicht tussen de belangen van het slachtoffer van discriminatie en die van de andere partij in de procedure tot stand te brengen. In het bijzonder wordt door die regels de bewijslast van het vermeende slachtoffer van discriminatie niet volledig opgeheven, maar enkel gewijzigd.(59)
– Andere voorbeelden
35. De rechtspraak van het Hof inzake de omkering van de bewijslast is niet beperkt tot zaken betreffende de bestrijding van discriminatie. In het arrest Harman International Industries(60) heeft het Hof geoordeeld dat een handelaar die stelt dat merkrechten zijn uitgeput, in beginsel de bewijslast draagt dat aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan. Deze bewijslast moet echter worden omgekeerd wanneer deze anders de merkhouder in staat stelt de nationale markten af te schermen. Het Hof baseerde zich onder andere op de informatieasymmetrie tussen de verzoeker (handelaar) en de verweerder (merkhouder) en op het feit dat de verzoeker geen toegang had tot de databank van de verweerder met betrekking tot de marketing van diens producten in de Europese Economische Ruimte.
36. Voorts heeft het Hof in het arrest Beemsterboer Coldstore Services(61) geoordeeld dat overeenkomstig de traditionele regels inzake de verdeling van de bewijslast, de douaneautoriteiten die douanerechten willen navorderen ter onderbouwing van hun vordering moeten bewijzen dat de afgifte van de onjuiste certificaten te wijten is aan de onjuiste weergave van de feiten door de exporteur. Wanneer de douaneautoriteiten niet kunnen vaststellen of de voor de afgifte van een certificaat verstrekte informatie juist is, aangezien de exporteur de ondersteunende documenten niet had bewaard, ondanks een verplichting daartoe, dient de belastingplichtige echter te bewijzen dat deze certificaten op basis van een juiste weergave van feiten zijn opgesteld.
37. De Uniewetgever heeft de standaardregels inzake de bewijslast gewijzigd of versoepeld door te voorzien in vermoedens ten gunste van bepaalde verzoekers, bijvoorbeeld met betrekking tot door consumenten gesloten overeenkomsten en het gebrek aan conformiteit van goederen bij de levering ervan.(62) Voorts is de last voor personen die om internationale bescherming verzoeken om ten overstaan van de bevoegde nationale autoriteiten en rechters bewijs te leveren tot op zekere hoogte verlicht. Hoewel de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95/EU(63) van de verzoeker kunnen verlangen dat hij alle elementen ter staving van het verzoek om internationale bescherming zo spoedig mogelijk indient, moeten de autoriteiten van de lidstaten, indien nodig, actief met de verzoeker samenwerken om de relevante elementen van het verzoek te bepalen en aan te vullen. Voor het geval de lidstaten van de hun krachtens artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 geboden mogelijkheid gebruikmaken, bepaalt artikel 4, lid 5, van deze richtlijn voorts dat de verzoeker ondanks het eventuele ontbreken van bewijsmateriaal voor een aantal van zijn verklaringen geloofwaardig wordt geacht, en hem het voordeel van de twijfel wordt gegund wanneer aan de vijf daarin geformuleerde cumulatieve voorwaarden is voldaan.(64) Artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 legt in het bijzonder de nadruk op de samenhang en de aannemelijkheid van de verklaringen van de verzoeker en diens algemene geloofwaardigheid.(65) Het feit dat bepaalde details van het relaas van een verzoeker enigszins onaannemelijk kunnen lijken, doet niet noodzakelijkerwijs af aan de algemene geloofwaardigheid van diens verzoek.(66)
– Beginsel van procedurele gelijkheid
38. Het beginsel van wapengelijkheid, dat integrerend deel uitmaakt van het in artikel 47 van het Handvest verankerde beginsel van effectieve rechterlijke bescherming van de rechten die justitiabelen ontlenen aan het Unierecht, kan ook van invloed zijn op de verdeling van de bewijslast. Dit beginsel, samen met onder andere het beginsel van hoor en wederhoor, is een uitvloeisel van het begrip eerlijk proces en houdt in dat elke partij een redelijke mogelijkheid moet worden geboden om haar zaak onder zodanige omstandigheden voor te dragen dat zij tegenover de tegenpartij niet wezenlijk wordt benadeeld. Dit beginsel strekt ertoe te zorgen voor een procedureel evenwicht tussen de partijen, door te waarborgen dat zij dezelfde rechten en verplichtingen hebben ten aanzien van met name de regels inzake de bewijsvoering en het contradictoire karakter van het debat voor de rechter, alsook ten aanzien van de voor hen openstaande rechtsmiddelen.(67)
39. In bepaalde gevallen was de beoordeling door het EHRM van de vraag of het in artikel 6 EVRM vastgelegde recht op een eerlijk proces is geschonden echter toegespitst op de vraag of de verzoeker een (doeltreffende) mogelijkheid had om bewijs voor de nationale rechter te leveren, en niet op een vermeende ongelijke behandeling van partijen in de rechterlijke procedure. Dit kan impliceren dat in bepaalde omstandigheden de gelijke behandeling (sensu stricto) voor de nationale rechter niet volstaat om (de facto) wapengelijkheid te verzekeren en het recht op een eerlijk proces te respecteren.(68)
Relevante rechtspraak van het EHRM inzake refoulement en collectieve uitzettingen
40. Rekwirant is op basis van verschillende arresten van het EHRM van mening dat, aangezien hij prima-faciebewijs ter ondersteuning van zijn versie van de gebeurtenissen van 28 en 29 april 2020 heeft overgelegd, in onderhavige zaak de bewijslast naar Frontex moet worden verlegd.(69)
41. Het recente arrest A.R.E. van het EHRM(70) is bijzonder instructief inzake diens benadering met betrekking tot de beoordeling van het bewijs en de vaststelling van de feiten in soortgelijke zaken als de onderhavige hogere voorziening.(71) Het is derhalve noodzakelijk de feiten van de zaak en de redenering van het EHRM in detail uiteen te zetten.
42. A.R.E. voerde aan dat zij op 4 mei 2019 Griekenland was binnengekomen om internationale bescherming aan te vragen en dat zij daar is aangehouden en vastgezet alvorens naar Turkije te worden teruggezonden, waar zij de volgende dag werd aangehouden. Zij voerde schending van de artikelen 2, 3, 5 en 13 EVRM aan. De Griekse regering heeft haar versie van de feiten volledig afgewezen als vaag, onsamenhangend en niet onderbouwd.(72) In het bijzonder heeft de Griekse regering elke betrokkenheid van de Griekse autoriteiten bij het vermeende refoulement ontkend en stelde zij dat de verzoekster op de vermeende datums niet eens op het Griekse grondgebied aanwezig was en betwistte zij daarmee het refoulement van de verzoekster naar Turkije.(73)
43. Het EHRM heeft opgemerkt dat de zaak uiterst delicate vragen opwierp, onder andere inzake de bewijslast.(74) Het kwam tot de slotsom dat de beginselen en normen inzake de beoordeling van bewijs en de vaststelling van de feiten die zijn geformuleerd in zaken betreffende geheime detentie en in bepaalde gevallen van vermeend refoulement, moeten worden toegepast.
44. Volgens het EHRM staat het in zaken van geheime detentie aan de verzoeker om prima-faciebewijs te leveren. Indien de verwerende regering in haar antwoord op de stellingen echter niet de documenten openbaar maakt die essentieel zijn om het EHRM in staat te stellen de feiten vast te stellen, of geen bevredigende en overtuigende verklaring voor de gebeurtenissen in kwestie geeft, kan het EHRM daaruit sterke conclusies trekken. Volgens het EHRM is de strikte toepassing van het beginsel „wie stelt, bewijst” niet passend wanneer de betrokken feiten uitsluitend bij de autoriteiten bekend zijn. In dergelijke gevallen ligt de bewijslast bij de autoriteiten, die een bevredigende en overtuigende verklaring moeten geven. Bij gebreke van een dergelijke verklaring kan het Hof conclusies trekken die in het nadeel kunnen zijn van de verwerende regering. In het geval van uiteenlopende versies van de feiten trekt het EHRM de conclusies die volgens hem worden gestaafd door een ongebonden beoordeling van alle bewijzen, met inbegrip van de gevolgtrekking uit de feiten en de opmerkingen van partijen.(75)
45. In zaken betreffende uitzetting of refoulement heeft het EHRM vastgesteld dat, gelet op het feit dat het ontbreken van identificatie en geïndividualiseerde behandeling door de autoriteiten van de verwerende staat – hetgeen heeft bijgedragen tot de door de verzoekers ondervonden moeilijkheid om het bewijs van hun betrokkenheid bij de gebeurtenissen in kwestie te leveren – de kern vormt van het beroep van de verzoekers, het EHRM, wanneer zij een gedetailleerd, concreet en samenhangend relaas van de betrokken gebeurtenissen verstrekken, in beginsel van oordeel is dat er prima-faciebewijs van refoulement bestaat en dat de bewijslast moet worden omgekeerd en bij de regering moet worden gelegd.(76)
46. In het arrest A.R.E. heeft het EHRM geoordeeld dat de verzoekster verschillende bewijzen had overgelegd die, afzonderlijk beschouwd, prima-faciebewijs ten gunste van haar versie van de feiten konden vormen en dat het aan de Griekse autoriteiten stond om te bewijzen dat de verzoekster Griekenland op de gestelde datums niet was binnengekomen en er geen refoulement naar Turkije had plaatsgevonden. De Griekse regering heeft echter geen enkel argument of ander bewijs aangevoerd ter weerlegging van het door de verzoekster overgelegde prima-faciebewijs. Het EHRM heeft benadrukt dat het niet over rechtstreeks bewijs beschikte betreffende het refoulement van de verzoekster als zodanig. Het merkte echter op dat het in de bijzondere omstandigheden van die zaak onmogelijk zou zijn om dergelijk bewijs te leveren, omdat haar mobiele telefoon door de Griekse autoriteiten in beslag was genomen op het moment van haar refoulement(77), dat bovendien in de nacht had plaatsgevonden. Het EHRM heeft bijzonder belang gehecht aan het feit dat genoegzaam was aangetoond dat de verzoekster in Griekenland aanwezig was en voor het laatst was gezien in detentie van Griekse beambten op 4 mei 2019, alvorens op 5 mei 2019 terug te keren naar Turkije, waar zij werd aangehouden.(78)
47. Hoewel dit in de context van de beperkte reikwijdte van deze conclusie inzake de bewijslast en de omkering daarvan niet strikt relevant is, moet kort worden ingegaan op de aard van bepaald bewijs dat het EHRM relevant heeft geacht in zaken betreffende collectieve uitzetting of refoulement om vast te stellen dat daarvan op het eerste gezicht sprake was.(79)
48. In dit verband houdt het EHRM rekening met de getuigenissen van de nationale en internationale mensenrechtenorganisaties die het relaas van een verzoeker bevestigen en de rapporten van maatschappelijke organisaties, nationale structuren voor de bescherming van de mensenrechten en internationale organisaties, teneinde het bestaan van prima-faciebewijs ten gunste van de door de verzoeker weergegeven versie van de gebeurtenissen aan te tonen. Een verzoeker die stelt het slachtoffer te zijn van refoulement kan echter in beginsel voldoen aan de bewijslast zonder te hoeven stellen dat zijn refoulement deel uitmaakt van een stelselmatige of algemene praktijk van refoulement en zonder het bewijs van het bestaan van een dergelijke praktijk te hoeven leveren.
49. Wanneer bewijs van een dergelijke stelselmatige praktijk wordt overgelegd, zal een beoordeling door het EHRM van het al dan niet bestaan van een dergelijke praktijk helpen om in voorkomend geval rekening te houden met de relevante algemene context ten tijde van de feiten. Het EHRM onderzoekt daarom of er sprake is van een stelselmatige praktijk van refoulement in de relevante periode en op de relevante plaats, alvorens het door de verzoeker overgelegde bewijs te beoordelen.(80)
50. Zelfs als er sprake is van een stelselmatige praktijk van refoulement, moet de verzoeker niettemin prima-faciebewijs ter staving van zijn stellingen overleggen.(81) In een dergelijk geval moet de verzoeker aantonen dat zijn vermeende refoulement verband houdt met die praktijk, door een gedetailleerde, concrete en samenhangende uiteenzetting van het refoulement te verstrekken, gestaafd door gedetailleerd en samenhangend bewijs. In dat geval wordt de bewijslast omgekeerd en zal die vervolgens op de verwerende regering rusten. In dit verband heeft het EHRM benadrukt dat bijzonder belang moet worden gehecht aan de documenten in het dossier.(82) De kwestie van de authenticiteit en de bewijskracht van audiovisueel materiaal kan van cruciaal belang zijn, met name wanneer er geen ander bewijs is dat het relaas van de betrokkene direct of indirect staaft.(83) Het EHRM kan ook rekening houden met elk ander bewijs waarop de verzoeker zich beroept of dat aan het dossier wordt toegevoegd, zoals getuigenissen van andere personen.
Toepassing van de ervaring die is opgedaan uit de rechtspraak van het Hof en van het EHRM alsmede uit het Unierecht in de context van de onderhavige zaak
51. De kwestie die in zaken als de onderhavige hogere voorziening aan de orde is, is bijzonder acuut. Zij betreft de op rekwirant rustende last om de feiten vast te stellen en bewijs over te leggen dat eventueel enkel in het bezit is van of wordt beheerd door verweerder (hier: Frontex) en/of een andere derde partij (hier: de Griekse autoriteiten). Derhalve bevindt concreet bewijs van collectieve uitzettingen, voor zover het bestaat, zich mogelijk eerder in handen van de vermeende plegers dan van de slachtoffers ervan.
52. Als de bewijslast niet wordt aangepast of verlicht, kunnen nagenoeg alle gerechtelijke procedures van slachtoffers van dergelijke uitzettingen worden belemmerd, waardoor de door onder andere de artikelen 18 en 19 van het Handvest beschermde rechten stelselmatig in gevaar worden gebracht.(84) Een onrechtmatige handeling kan (de facto) niet worden betwist en de plegers kunnen derhalve ongestraft handelen. Dit zou vervolgens de rechten die een verzoeker ontleent aan artikel 47 van het Handvest kunnen ondermijnen. In het licht van het arrest A.R.E. ben ik van mening dat wanneer een verzoeker prima-faciebewijs van zijn collectieve uitzetting of refoulement door een verwerende staat heeft aangetoond, het EHRM de bewijslast zal omkeren en deze bij de verwerende staat zal leggen. In onderhavige zaak is de verweerder echter geen lidstaat, maar een agentschap van de Unie. Derhalve rijst de vraag of en, in voorkomend geval, in hoeverre de rechtspraak van het EHRM inzake de omkering van de bewijslast in zaken betreffende collectieve uitzetting naar analogie kan worden toegepast in de onderhavige context.
53. Tegelijkertijd, en even belangrijk, kan, wanneer de kwestie van de omkering van de bewijslast wordt onderzocht, de situatie van de verweerder niet buiten beschouwing worden gelaten en kan hem geen probatio diabolica worden opgelegd. Bij het streven naar een „eerlijkere” verdeling van de bewijslast mag aan de verweerder geen onevenredige of onredelijke last worden opgelegd. In dit verband kan van een verweerder als Frontex niet worden verlangd dat hij een negatief feit bewijst, dat niet kan worden bewezen(85), of dat hij iets bewijst waarvan het objectief gezien volstrekt onredelijk zou zijn om dat van hem te vereisen(86), bijvoorbeeld wanneer hij „totaal geen invloed heeft op of kennis heeft van” de betrokken feiten(87).
54. Bovendien is het enkele bestaan van asymmetrie tussen de procespartijen op het gebied van de toegang tot informatie of zelfs juridische middelen en bijstand, hoe betreurenswaardig ook, niet iets waarvan in beginsel redelijkerwijs kan worden verwacht dat een rechter het op ad-hoc-basis oplost, of zou moeten oplossen, door een bepaalde geïdealiseerde maatstaf van rechtvaardigheid of billijkheid toe te passen.(88)
55. De rechterlijke macht en de wetgever kunnen echter in bepaalde omstandigheden ervoor kiezen of ertoe worden gebracht positief of constructief in te grijpen teneinde de effectieve bescherming van bepaalde rechten of beginselen en/of de toegang tot de rechter te verzekeren.(89) De redenen en de omvang van een dergelijke ingreep moeten mijns inziens worden bepaald en beperkt door steekhoudende en zwaarwegende redenen. Wanneer een ingreep plaatsvindt, is deze vaak gebaseerd op een reeds lang bestaande praktijk en ervaring op een bepaald gebied.(90) Dit blijkt met name uit de rechtspraak van het Hof op het gebied van de bestrijding van discriminatie en de rechtspraak van het EHRM inzake collectieve uitzettingen en refoulement, zoals uiteengezet in onderhavige conclusie. Bovendien moet een ingreep strikt afgemeten zijn en in verhouding staan tot de „misstand” die gecorrigeerd dient te worden.
56. Er loopt een gemeenschappelijke draad door de rechtspraak van het Hof en van het EHRM over de omkering van de bewijslast, die berust op het naast elkaar bestaan van een aantal voorwaarden.
57. Ten eerste moet, alvorens te beoordelen of de bewijslast moet worden omgekeerd en bij de verweerder moet worden gelegd, worden nagegaan of de verzoeker prima-faciebewijs tot staving van zijn vordering heeft geleverd. Hoewel er tal van steekhoudende en objectieve bewijzen kunnen zijn voor een bepaalde collectieve uitzetting, zal de verzoeker geen prima-faciebewijs ter staving van zijn vordering hebben geleverd indien zijn relaas waarin hij centraal wordt geplaatst in de gebeurtenissen(91), onsamenhangend of incoherent is en/of er ernstige twijfels bestaan over zijn geloofwaardigheid. Aan de aanvankelijke bewijslast, die altijd op de verzoeker rust, zal derhalve niet zijn voldaan en de vordering moet dan worden afgewezen.(92)
58. Hieruit volgt dat de kwestie van de bewijslast en de omkering hiervan enkel moet worden behandeld wanneer de verzoeker prima-faciebewijs tot staving van diens vordering heeft geleverd.
59. Ten tweede moet er, zelfs indien de verzoeker prima-faciebewijs ter staving van zijn vordering heeft geleverd, voor de verlegging van de bewijslast naar de verweerder sprake zijn van een duidelijke of structurele asymmetrie tussen deze partijen met betrekking tot hun toegang tot het bewijsmateriaal. De verzoeker moet aanzienlijke moeilijkheden ondervinden bij de bewijsvergaring, terwijl de verweerder zich in een betere of meer „bevoorrechte” positie moet bevinden.(93) De verweerder zou derhalve niet met een probatio diabolica worden geconfronteerd en het zou redelijkerwijs kunnen worden verwacht dat hij in staat is om de stellingen van de verzoeker te weerleggen.
60. Ten derde zou het feit dat de bewijslast niet wordt verlegd nadat de verzoeker prima-faciebewijs heeft geleverd, hem zijn krachtens het Unierecht beschermde (grond)rechten ontnemen of deze rechten uithollen en kan dat bovendien de rechten die de verzoeker op grond van artikel 47 van het Handvest geniet, ondermijnen, terwijl die verlegging de aan het Unierecht ontleende rechten van de verweerder niet zou ondermijnen.(94)
61. Ten vierde wordt in de antidiscriminatiewetgeving van de Unie(95) en in bij het EHRM aanhangig gemaakte zaken betreffende collectieve uitzetting en refoulement tegen verdragsluitende staten verondersteld dat de verzoeker wordt benadeeld bij zijn bewijsvergaring ter staving van zijn vordering, terwijl de verweerder zich in een betere of meer „bevoorrechte” positie bevindt om de stellingen van de verzoeker te weerleggen. Zodra de verzoeker in dergelijke zaken prima-faciebewijs tot staving van zijn stellingen heeft geleverd, wordt de bewijslast om deze stellingen te weerleggen (automatisch) naar de verweerder verlegd.(96)
62. Ten vijfde is in het geval van een vermeende collectieve uitzetting of refoulement waarbij andere actoren dan de autoriteiten van een lidstaat betrokken zijn – in deze zaak Frontex – de veronderstelling van de vierde voorwaarde niet van toepassing. Aangezien deze actoren over beperkte bevoegdheden beschikken vergeleken met die van de autoriteiten van een lidstaat, is het niet duidelijk of en in welke mate hun acties bijdragen tot de moeilijkheid die verzoekers ervaren bij de bewijsvergaring inzake hun betrokkenheid bij gebeurtenissen in kwestie. Bovendien is het, gelet op de beperktere bevoegdheden van deze actoren, niet meteen duidelijk of zij zich in een betere of meer „bevoorrechte” positie bevinden om de stellingen van de verzoeker te weerleggen. Hieruit volgt dat de eerste, de tweede en de derde voorwaarde, die in de punten 57 tot en met 60 van deze conclusie zijn uiteengezet, volledig van toepassing zijn op zaken als de onderhavige, waarbij andere actoren dan de autoriteiten van een lidstaat betrokken zijn.(97)
63. Gelet op het beperkte onderzoek van de zaak in eerste aanleg, is het niet duidelijk of in de onderhavige zaak aan de tweede en de derde voorwaarde kan worden voldaan. Het Gerecht heeft geenszins onderzocht of Frontex betrokken was bij en kennis had van de vermeende gebeurtenissen van 28 en 29 april 2020. Het heeft zich uitsluitend gericht op de vraag of rekwirant schade had geleden en op de vraag of hij bij die gebeurtenissen aanwezig en betrokken was. Hoewel voor een onderzoek naar de betrokkenheid en kennis van Frontex bij de vermeende gebeurtenissen om vast te stellen of overeenkomstig de in punten 59 en 60 van deze conclusie uiteengezette tweede en de derde voorwaarde de bewijslast zou moeten worden verlegd, geen volledig onderzoek vereist zou zijn van de autonome vereisten dat er sprake is van een onrechtmatige gedraging en dat er een causaal verband bestaat, zijn de aard en de omvang van de betrokkenheid en verantwoordelijkheid van Frontex bij de gebeurtenissen(98) in het licht van de huidige stand van de procedure volledig onduidelijk. Derhalve is het niet duidelijk of er bewijs voor de weerlegging van de stellingen van rekwirant in het bezit of onder controle van Frontex is (of kan worden geacht te zijn).
64. In het kader van de onderhavige hogere voorziening moet het Hof, alvorens zich uit te spreken over de vraag of de bewijslast van rekwirant naar Frontex had moeten worden verlegd, eerst onderzoeken of de stand van de procedure en in het bijzonder de feitelijke vaststellingen door het Gerecht, het Hof in een zodanige positie brengen dat het in staat is te beoordelen of rekwirant prima-faciebewijs van schade heeft geleverd.
65. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het Gerecht in de bestreden beschikking heeft geoordeeld dat de aanhangige vordering kennelijk rechtens ongegrond was aangezien het door rekwirant aan het Gerecht overgelegde bewijs kennelijk ontoereikend was om op overtuigende wijze aan te tonen dat hij aanwezig en betrokken was bij het vermeende incident van 28 en 29 april 2020.(99) De woorden „kennelijk ontoereikend” lijken erop te wijzen dat er geen prima-faciebewijs is geleverd. Tegelijkertijd suggereert echter het gebruik van de term „overtuigend” dat de „bewijsdrempel” van meet af aan te hoog was gesteld.
66. Indien het Hof van oordeel is, ten eerste, dat het in een dergelijke positie is gebracht en, ten tweede, dat rekwirant geen prima-faciebewijs heeft geleverd dat aantoont dat hij aanwezig en betrokken was bij het vermeende incident van 28 en 29 april 2020, moet de hogere voorziening worden afgewezen. Indien het Hof daarentegen van oordeel is dat het niet in een dergelijke positie is gebracht of, subsidiair, dat rekwirant prima-faciebewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat hij aanwezig en betrokken was bij het vermeende incident van 28 en 29 april 2020, moet de bestreden beschikking worden vernietigd en moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht voor een beslissing over de toepasselijkheid van de voorwaarden voor omkering van de bewijslast.
V. Conclusie
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om:
„te beoordelen of de stand van de procedure bij het Gerecht, en in het bijzonder de feitelijke vaststelling door het Gerecht, het Hof in staat stelt te beoordelen of rekwirant in het kader van zijn beroep bij het Gerecht prima-faciebewijs van schade heeft geleverd. Indien het Hof van oordeel is, ten eerste, dat het daartoe in staat is en, ten tweede, dat rekwirant geen prima-faciebewijs heeft geleverd dat aantoont dat hij aanwezig en betrokken was bij het vermeende incident van 28 en 29 april 2020, moet de hogere voorziening worden afgewezen. Indien het Hof daarentegen van oordeel is dat het niet daartoe in staat is of, subsidiair, dat rekwirant prima-faciebewijs heeft geleverd waaruit blijkt dat hij aanwezig en betrokken was bij het vermeende incident van 28 en 29 april 2020, moet de bestreden beschikking worden vernietigd en moet de zaak worden terugverwezen naar het Gerecht voor een beslissing over de toepasselijkheid van de voorwaarden voor omkering van de bewijslast.”
1 Oorspronkelijke taal: Engels.
2 T‑136/22, EU:T:2023:821; hierna: „bestreden beschikking”.
3 Bij artikel 1 van verordening (EU) 2019/1896 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2019 betreffende de Europese grens‑ en kustwacht en tot intrekking van verordening (EU) nr. 1052/2013 en verordening (EU) 2016/1624 (PB 2019, L 295, blz. 1) is een Europese grens‑ en kustwacht opgericht. Overeenkomstig deze bepaling heeft Frontex tot taak „te zorgen voor een Europees geïntegreerd beheer van de buitengrenzen, met het oog op een doeltreffend beheer van die grenzen, met volledige eerbiediging van de grondrechten, en op een doeltreffender terugkeerbeleid van de Unie. Deze verordening heeft ten doel de migratieproblematiek en mogelijke toekomstige uitdagingen en dreigingen aan de buitengrenzen aan te pakken. Zij zorgt voor een hoog niveau van interne veiligheid in de Unie met volledige eerbiediging van de grondrechten en waarborging van het vrije verkeer van personen in de Unie. Zij draagt bij tot het opsporen, voorkomen en bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit aan de buitengrenzen.”
4 Zie de bestreden beschikking (punt 29).
5 Artikel 19, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) bepaalt dat „[c]ollectieve uitzetting [...] verboden [is]”. Daarnaast mag volgens artikel 19, lid 2, ervan „niemand [...] worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen”. Deze bepaling verankert het beginsel van non-refoulement en houdt verband met artikel 4 van het Handvest inzake het verbod van foltering en van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Zie ook arrest van 29 februari 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Wederzijds vertrouwen in geval van overdracht) (C‑392/22, EU:C:2024:195, punten 50‑53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
6 In het arrest van 7 januari 2025, A.R.E. tegen Griekenland (CE:ECHR:2025:0107JUD001578321; hierna: „arrest A.R.E.”), § 230, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens („EHRM”) verwezen naar het intrinsiek geheime en niet-officiële karakter van de betrokken gedragingen. Naar mijn mening is het gebruikelijk dat dergelijke collectieve uitzettingen plaatsvinden in clandestiene omstandigheden en dat de bewijsstukken of zelfs alle bewijzen ter zake beperkt zijn. Hieruit volgt dat zelfs indien er bewijzen zijn die een dergelijke onrechtmatige gedraging uitdrukkelijk aantonen, deze fragmentarisch en schaars kunnen zijn. Zie naar analogie arrest van 7 januari 2004, Aalborg Portland e.a./Commissie (C‑204/00 P, C‑205/00 P, C‑211/00 P, C‑213/00 P, C‑217/00 P en C‑219/00 P, EU:C:2004:6, punten 55‑57), betreffende het bewijs van deelname aan een mededingingsregeling.
7 Het is derhalve onwaarschijnlijk dat degenen die dergelijke uitzettingen hebben uitgevoerd, hun handelingen gemakkelijk zullen toegeven, en het bewijs ervan moeilijk kan worden vastgesteld. In het arrest A.R.E. (§ 218) heeft het EHRM gewezen op het feit dat verzoekers zich in een moeilijke bewijspositie kunnen bevinden en derhalve mogelijk niet in staat zijn om de waarheidsgetrouwheid van hun relaas aan te tonen.
8 Zie arrest A.R.E. (§ 218).
9 Het beroep is kennelijk rechtens ongegrond verklaard. Zie artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.
10 Het begrip „snelle grensinterventie” wordt in verordening 2019/1896 niet gedefinieerd. Overweging 49 van deze verordening preciseert echter dat „[w]anneer er aan de buitengrenzen sprake is van specifieke en onevenredig grote uitdagingen, moet [Frontex], ofwel op eigen initiatief en met instemming van de betrokken lidstaat ofwel op verzoek van die lidstaat, snelle grensinterventies organiseren en coördineren, en teams van het permanente korps inzetten met de noodzakelijke technische uitrusting, onder meer uit de pool van uitrusting voor snelle reactie. [...] [Frontex] en de betrokken lidstaat moeten overeenstemming bereiken over een operationeel plan.”
11 De Unierechter is overeenkomstig artikel 268 en artikel 340, tweede alinea, VWEU bevoegd kennis te nemen van vorderingen tot vergoeding van schade die zou zijn geleden als gevolg van de gedraging van een agentschap van de Unie zoals Frontex, wanneer dat agentschap deelneemt aan onrechtmatige collectieve uitzettingen door de autoriteiten van een lidstaat (zie naar analogie arrest van 30 november 2023, Sistem ecologica/Commissie, C‑787/22 P, EU:C:2023:940, punt 92). Zie ook artikel 97 van verordening 2019/1896, met als opschrift „Aansprakelijkheid”, dat in lid 4 bepaalt dat „[i]n geval van niet-contractuele aansprakelijkheid [Frontex] in overeenstemming met de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben, alle door zijn diensten of door zijn personeelsleden bij de uitoefening van hun werkzaamheden veroorzaakte schade [vergoedt], ook in verband met het gebruik van uitvoerende bevoegdheden”. Artikel 7 van verordening 2019/1896, met als opschrift „Gedeelde verantwoordelijkheid”, verwijst naar de verantwoordelijkheden van Frontex en de lidstaten en hun nationale autoriteiten. De precieze verdeling van de verantwoordelijkheid is echter enigszins onduidelijk en er bestaat momenteel geen rechtspraak ter verduidelijking van deze bepaling of zelfs de wisselwerking ervan met artikel 97 van verordening 2019/1896.
12 Bij zowel het Gerecht als het Hof.
13 Deze term wordt feitelijk niet in de bestreden beschikking gebruikt. Zie echter artikel 19, lid 1, van het Handvest, waarop verzoeker zich beroept. Zie ook artikel 4 van het Vierde Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat bepaalt dat „collectieve uitzetting van vreemdelingen [...] verboden [is]”. De vermeende gebeurtenissen betroffen 22 personen en de handelingen waren derhalve collectief van aard in plaats van gericht op een enkel individu.
14 De Europese Commissie merkt op dat „hoewel er geen internationaal overeengekomen juridische definitie van de term ‚pushback’ bestaat op het gebied van migratie, dit begrip kan worden opgevat als een gedraging die in strijd is met de algemene regel van non-refoulement”; zie: https://home-affairs.ec.europa.eu/networks/european-migration-network-emn/emn-asylum-and-migration-glossary/glossary/push-back_en.
Pushbacks zijn ook gedefinieerd als „diverse door de staten genomen maatregelen die ertoe leiden dat migranten, met inbegrip van [personen die om internationale bescherming verzoeken], zonder individuele beoordeling van hun behoeften aan bescherming van hun rechten van de mens gedwongen worden terug te keren naar het land of het grondgebied of de zee [...], waar zij hebben gepoogd een internationale grens over te steken of deze hebben overgestoken”. Voorts zou „het ontbreken van een individuele beoordeling [...] [kunnen leiden tot schending van] het beginsel van non-refoulement”. Zie het rapport van de Verenigde Naties over middelen om de mensenrechtenimpact van pushbacks van migranten op het land en op zee aan te pakken – Rapport van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van migranten, 12 mei 2021, gepresenteerd aan de Mensenrechtenraad tijdens diens 47e zitting, juni 2021, beschikbaar op: https://docs.un.org/en/A/HRC/47/30.
15 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).
16 Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals aangevuld door het Protocol van New York van 31 januari 1967.
17 Arrest van 29 februari 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Wederzijds vertrouwen in geval van overdracht) (C‑392/22, EU:C:2024:195, punten 50, 52, 53 en 57). Volgens het EHRM hebben de staten die partij zijn bij het EVRM weliswaar het recht om de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen te controleren, maar kunnen de uitdagingen die zij eventueel ondervinden bij de beheersing van de migratiestromen of de opvang van asiel geen rechtvaardiging vormen voor praktijken die onverenigbaar zijn met het EVRM en de Protocollen daarbij. Een uitzetting wordt als „collectief” in de zin van artikel 4 van het Vierde Protocol bij het EVRM beschouwd, indien men deze vreemdelingen als groep dwingt een land te verlaten, „behalve wanneer een dergelijke maatregel wordt genomen op basis van een redelijk en objectief onderzoek van het specifieke geval van elke individuele vreemdeling van de groep”. Zie EHRM, arrest van 13 februari 2020, N.D. en N.T. tegen Spanje (CE:ECHR:2020: 0213JUD000867515, §§ 167, 170 en 193; hierna: „arrest N.D. en N.T. tegen Spanje”). De griffier van het EHRM heeft aangegeven dat er „bij deze rechterlijke instantie momenteel meer dan 30 zaken tegen Litouwen, Letland en Polen aanhangig zijn met betrekking tot de situatie aan de Belarussische grenzen van het voorjaar van 2021 tot de zomer van 2023” [perscommuniqué van 4 juli 2024, EHRM 176 (2024)].
18 Artikel 37, lid 1, van verordening 2019/1896 bepaalt dat „[e]en lidstaat [Frontex] [kan] verzoeken gezamenlijke operaties op te zetten voor het aanpakken van toekomstige uitdagingen, waaronder illegale immigratie, huidige of toekomstige dreigingen aan zijn buitengrenzen of grensoverschrijdende criminaliteit, of om uitgebreidere technische of operationele bijstand te verlenen, bij de uitvoering van zijn verplichtingen ten aanzien van toezicht op de buitengrenzen. [...]”
19 In zijn verzoekschrift bij het Gerecht heeft rekwirant aangevoerd dat het KYSEA-besluit niet alleen het asielstelsel opschortte, maar ook een nieuw overheidsbeleid introduceerde, dat collectieve uitzettingen omvatte. Rekwirant voert in zijn hogere voorziening aan dat het besluit vier verweven componenten bevatte: het voorkomen van illegale binnenkomst op het grondgebied van de Helleense Republiek, de tijdelijke opschorting van asielverzoeken door personen die deze lidstaat illegaal binnenkomen, de onmiddellijke terugkeer „zonder registratie” van personen die deze lidstaat illegaal binnenkomen en de indiening van een verzoek bij Frontex voor de „inzet van snelle-grensinterventieteams”.
20 Zie ook de punten 2 tot en met 5 van de bestreden beschikking, waarin het Gerecht het volgende stelt: „[Rekwirant] voert aan dat hij op 28 april 2020, met een groep andere personen per boot uit Turkije, het Griekse grondgebied, namelijk het eiland Samos, is binnengekomen om asiel aan te vragen. Hij verklaart bovendien dat, na het van boord gaan op dat eiland, de lokale politie hem en de anderen heeft onderschept en dat de Griekse autoriteiten hem diezelfde dag weer de zee op hebben gestuurd, waar een schip van de Turkse kustwacht hem de dag erna aan boord heeft genomen en naar Turks grondgebied heeft overgebracht. [Rekwirant] voert verder aan dat op 29 april 2020, tijdens zijn tijd op zee, een particulier surveillancevliegtuig, naar verluidt uitgerust met een camera en bediend door Frontex, twee keer over de omgeving vloog. [Rekwirant] stelt dat hij na het vermeende incident van 28 en 29 april 2020 is overgebracht naar een detentiecentrum in Turkije, waar hij tien dagen is vastgehouden. Hij heeft vervolgens een uitzettingsbevel ontvangen en zijn Syrische paspoort is in beslag genomen. Vervolgens zat hij vast in Turkije zonder toegang tot het asielstelsel en leefde hij als een illegaal onder onmiddellijke dreiging van refoulement naar Syrië. [...] [Rekwirant is er in de tussentijd] in geslaagd het grondgebied van de EU-lidstaten binnen te komen en in Duitsland een verzoek om internationale bescherming in te dienen.”
21 Artikel 46, lid 5, van verordening 2019/1896 bepaalt dat „[d]e [UD], na raadpleging van de [GRF], [beslist] geen activiteiten van [Frontex] aan te vangen indien hij van oordeel is dat er reeds vanaf het begin van de activiteit ernstige redenen zijn om deze te schorsen of te beëindigen, omdat deze activiteit zou kunnen leiden tot ernstige schendingen van de grondrechten of van internationale beschermingsverplichtingen. De UD stelt de betrokken lidstaat op de hoogte van die beslissing”. Verzoeker was van mening dat de schending van deze bepaling een voldoende gekwalificeerde schending vormde van een rechtsregel die ertoe strekt aan individuen rechten toe te kennen. Zie arrest van 4 juli 2000, Bergaderm en Goupil/Commissie (C‑352/98 P, EU:C:2000:361, punt 42). Verzoeker heeft benadrukt dat de in artikel 46, lid 5, van verordening 2019/1896 vastgelegde verplichting om de GRF te raadplegen geen enkele beoordelingsmarge laat.
22 Artikel 46, lid 4, van verordening 2019/1896 bepaalt dat „[d]e [UD], na raadpleging van de [GRF] en na de betrokken lidstaat op de hoogte te hebben gesteld, [beslist] tot intrekking van de financiering of tot gehele of gedeeltelijke schorsing of beëindiging van eender welke activiteit van [Frontex] wanneer hij van oordeel is dat er in verband met de betrokken activiteit sprake is van schendingen van de grondrechten of de internationale verplichtingen op het gebied van bescherming, die ernstig zijn of waarschijnlijk zullen voortduren”.
23 Van Frontex wordt bij de uitvoering van zijn taken vereist de bescherming van de grondrechten, met name het beginsel van non-refoulement, te waarborgen.
24 Zie de bestreden beschikking, punt 38.
25 Ibidem, punten 19‑21.
26 Ibidem, punten 23 en 24.
27 Ibidem, punt 62.
28 Ibidem, punten 61 en 62. Zie naar analogie arrest van 6 september 2023, WS e.a./Frontex (T‑600/21, EU:T:2023:492), waarin het Gerecht een beroep krachtens artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU heeft verworpen na te hebben onderzocht of er een causaal verband bestond tussen de vermeende schade en de schending van het Unierecht. In die zaak vorderden de verzoekers vergoeding van de schade die zij stelden te hebben geleden als gevolg van een gezamenlijke terugkeeroperatie van Frontex en de Helleense Republiek, die onder andere tot gevolg had dat de verzoekers aan Turkije waren overgedragen. Tegen deze uitspraak is op 14 november 2023 hogere voorziening ingesteld; zie zaak C‑679/23 P.
29 Deze bepaling schrijft voor dat „[v]oor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het [EVRM], zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt”.
30 Zie arrest N.D. en N.T. tegen Spanje (§ 85), en EHRM, arrest van 18 november 2021, M.H. e.a. tegen Kroatië (CE:ECHR:2021:1118JUD001567018, § 268) (hierna: „arrest M.H. e.a. tegen Kroatië”).
31 EHRM, arrest van 23 augustus 2016, J.K. e.a. tegen Zweden (CE:ECHR:2016:0823JUD005916612, §§ 92‑97) (hierna: arrest „J.K. e.a. tegen Zweden”).
32 Ibidem, § 93.
33 EHRM, arrest van 7 juli 2022, Safi e.a. tegen Griekenland (CE:ECHR:2022:0707JUD000541815).
34 Zie arrest N.D. en N.T. tegen Spanje (§ 85) en arrest M.H. e.a. tegen Kroatië (§ 268).
35 Arrest M.H. e.a. tegen Kroatië (§ 271).
36 Arrest N.D. en N.T. tegen Spanje (§ 85).
37 Zo niet de onmogelijke toepassing van die last in het kader van pushbacks.
38 Het Hof is niet bevoegd om de feiten vast te stellen, noch in beginsel om de daarvoor ondersteunende bewijzen die het Gerecht in aanmerking heeft genomen te onderzoeken. Wanneer deze bewijzen deugdelijk zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen welke waarde aan de voorgelegde bewijzen moet worden gehecht. Die beoordeling vormt dus, behoudens in het geval van verkeerde opvatting van het aan het Gerecht overgelegde bewijs, geen rechtsvraag die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof. De toetsingsbevoegdheid van het Hof ten aanzien van de feitelijke vaststellingen van het Gerecht strekt zich echter onder andere wel uit tot de vraag of de regels inzake de bewijslast en de bewijsvoering in acht zijn genomen (zie in die zin arrest van 27 januari 2021, The Goldman Sachs Group/Commissie, C‑595/18 P, EU:C:2021:73, punten 48 en 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39 Zie in die zin arresten van 23 maart 2000, Met-Trans en Sagpol (C‑310/98 en C‑406/98, EU:C: 2000:154, punt 29), en 19 december 2013, Siemens e.a./Commissie (C‑239/11 P, C‑489/11 P en C‑498/11 P, EU:C: 2013:866, punt 130); conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Archer Daniels Midland/Commissie (C‑511/06 P, EU:C:2008:604, punten 113 en 114), en arrest van 10 mei 2023, Ryanair en Condor Flugdienst/Commissie (Lufthansa; COVID-19) (T‑34/21 en T‑87/21, EU:T:2023:248, punt 81).
40 Zie punt 44 van deze conclusie.
41 Dit begrip wordt ook bondig weergegeven door het adagium affirmanti incumbit probatio.
42 In de context van het mededingingsrecht, dat ongetwijfeld zowel quasi-strafrechtelijke als civiele aspecten heeft, zie artikel 2 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1), dat in wezen bepaalt dat in alle procedures tot toepassing van artikelen 101 en 102 VWEU, ongeacht of het om een nationaalrechtelijke of een Unierechtelijke procedure gaat, dient de partij of autoriteit die stelt dat er een inbreuk op artikel 101, lid 1, of artikel 102 VWEU is gepleegd, de bewijslast van die inbreuk te dragen. Zie echter arrest van 20 april 2023, Repsol Comercial de Productos Petrolíferos (C‑25/21, EU:C:2023:298, punt 67), waarin het Hof in feite heeft geoordeeld dat bepaalde mededingingszaken aanleiding geven tot een weerlegbaar vermoeden van schending, waardoor de bewijslast overgaat op de verwerende partij. Het Hof heeft geoordeeld dat artikel 101 VWEU, zoals uitgevoerd bij artikel 2 van verordening nr. 1/2003 en gelezen in samenhang met het doeltreffendheidsbeginsel, aldus moet worden uitgelegd dat een inbreuk op het mededingingsrecht die is vastgesteld in een besluit van een nationale mededingingsautoriteit waartegen bij de bevoegde nationale rechters beroep tot nietigverklaring was ingesteld, maar dat definitief is geworden na door deze rechters te zijn bevestigd, zowel in het kader van een vordering tot nietigverklaring uit hoofde van artikel 101, lid 2, VWEU als in het kader van een schadevordering wegens schending van artikel 101 VWEU, moet worden geacht door de verzoeker te zijn aangetoond tot bewijs van het tegendeel, waardoor de in dat artikel 2 omschreven bewijslast bij de verwerende partij wordt gelegd. Voor de omkering van de bewijslast geldt het vereiste dat de aard van de vermeende inbreuk waarop deze vorderingen betrekking hebben en de materiële, personele, temporele en territoriale werkingssfeer ervan samenvallen met die van de in het betrokken besluit vastgestelde inbreuk. Het Hof heeft benadrukt dat de tenuitvoerlegging van schadevorderingen wegens schending van artikel 101 VWEU uiterst moeilijk zou worden gemaakt indien aan de definitieve besluiten van een mededingingsautoriteit geen enkel gevolg zou worden toegekend in civielrechtelijke schadevorderingen of in vorderingen tot nietigverklaring van krachtens dat artikel verboden overeenkomsten of besluiten (ibidem, punt 61).
43 Indien van toepassing.
44 Zie in die zin arrest van 26 september 2024, Ordre des avocats du barreau de Luxembourg (C‑432/23, EU:C:2024:791, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
45 Artikel 34 EVRM bepaalt dat „[h]et [EHRM] verzoekschriften [kan] ontvangen van ieder natuurlijk persoon [...] of iedere groep personen die beweert slachtoffer te zijn van een schending door een van de Hoge Verdragsluitende Partijen van de rechten die in het [EVRM] of de Protocollen daarbij zijn vervat. [...]”
46 Zie arrest van 5 maart 2024, Kočner/Europol (C‑755/21 P, EU:C:2024:202, punt 117).
47 Artikel 41 EVRM bepaalt: „[i]ndien het [EHRM] vaststelt dat er een schending van het [EVRM] of van de Protocollen daarbij heeft plaatsgevonden en indien het nationale recht van de betrokken Hoge Verdragsluitende Partij slechts gedeeltelijk rechtsherstel toelaat, kent het [EHRM], indien nodig, een billijke genoegdoening toe aan de benadeelde.” Hoewel een vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 268 VWEU en artikel 340, tweede alinea, VWEU een afzonderlijk en onafhankelijk beroep is van een vordering tot nietigverklaring (artikel 263 VWEU) of een vordering wegens nalaten (artikel 265 VWEU) en niet afhankelijk is van de vaststelling van een schending van een van beide laatstgenoemde bepalingen, moet het EHRM een schending vaststellen alvorens een billijke genoegdoening te verlenen. In het arrest A.R.E. is aan de verzoekster een bedrag van 20 000 EUR toegekend ter vergoeding van de immateriële schade (§ 310).
48 Vergelijk artikel 3 EVRM en artikel 4 van het Handvest, artikel 13 EVRM en artikel 47 van het Handvest, alsmede artikel 4 van het Vierde Protocol bij het EVRM en artikel 19, lid 1, van het Handvest.
49 Arrest van 17 oktober 1989, Handels‑ og Kontorfunktionærernes Forbund i Danmark (109/88, EU:C:1989:383, punten 14‑16) (hierna: „arrest Danfoss”).
50 Zie richtlijn 75/117/EEG van de Raad van 10 februari 1975 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen der lidstaten inzake de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor mannelijke en vrouwelijke werknemers (PB 1975, L 45, blz. 19), die gedurende de relevante periode van kracht was.
51 Zie ook arrest van 26 juni 2001, Brunnhofer (C‑381/99, EU:C:2001:358, punten 52‑54 en aldaar aangehaalde rechtspraak) (hierna: „arrest Brunnhofer”).
52 Arrest van 27 oktober 1993, Enderby (C‑127/92, EU:C:1993:859, punten 14 en 18) (hierna: „arrest Enderby”). Derhalve steunen de arresten Danfoss, Enderby en Brunnhofer sterk op het doeltreffendheidsbeginsel om te rechtvaardigen dat zij afwijken van de normale regels inzake de bewijslast.
53 Zie arrest Brunnhofer, punten 56‑58.
54 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB 2006, L 204, blz. 23).
55 Richtlijn van de Raad van 13 december 2004 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten (PB 2004, L 373, blz. 37).
56 Richtlijn van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB 2000, L 303, blz. 16).
57 Richtlijn van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB 2000, L 180, blz. 22).
58 Dat er prima facie sprake is van discriminatie kan worden weerlegd door een reeks onderling overeenstemmende aanwijzingen (zie arrest van 25 april 2013, Asociaţia Accept, C‑81/12, EU:C:2013:275, punt 58).
59 Zie de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak Belov (C‑394/11, EU:C:2012:585, punt 92).
60 Arrest van 17 november 2022 (C‑175/21, EU:C:2022:895, punten 50 en 72).
61 Arrest van 9 maart 2006 (C‑293/04, EU:C:2006:162, punten 37‑46).
62 Zie artikel 11, lid 1, van richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van verordening (EU) 2017/2394 en richtlijn 2009/22/EG en tot intrekking van richtlijn 1999/44/EG (PB 2019, L 136, blz. 28), waarin wordt bepaald dat „elk conformiteitsgebrek dat binnen een termijn van een jaar vanaf de levering van de goederen aan het licht komt, wordt geacht ten tijde van de levering reeds te hebben bestaan, tenzij anders wordt aangetoond of tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van de goederen of met de aard van het conformiteitsgebrek. [...]” Zie ook arrest van 4 juni 2015, Faber (C‑497/13, EU:C:2015:357, punten 52‑54), waarin het Hof heeft verklaard dat de „verlichting van de bewijslast voor de consument is gebaseerd op de vaststelling dat indien het gebrek aan overeenstemming zich pas na de aflevering van de goederen manifesteert, bewijzen dat dit gebrek op dat tijdstip bestond, ‚een onoverkomelijke moeilijkheid voor de consument’ kan zijn, terwijl het voor de verkoper in het algemeen veel gemakkelijker is om te bewijzen dat het gebrek aan overeenstemming niet bestond op het tijdstip van aflevering en dat het bijvoorbeeld te wijten is aan een verkeerd gebruik door de consument.”
63 Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).
64 Zie arrest van 11 juni 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Vrouwen die zich vereenzelvigen met de waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen) (C‑646/21, EU:C:2024:487, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het EHRM verwees ook naar de „gedeelde plicht van een asielzoeker en de immigratieautoriteiten om in het kader van de asielprocedure alle relevante feiten van de zaak vast te stellen en te beoordelen” (arrest J.K. e.a. tegen Zweden, § 96).
65 Zie ook arrest J.K. e.a. tegen Zweden (§§ 91‑96), waarin het EHRM heeft benadrukt dat de bewijslast geen afbreuk mag doen aan de doeltreffendheid van de rechten van de verzoeker uit hoofde van artikel 3 EVRM om niet te worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, en dat rekening moet worden gehouden met alle moeilijkheden die een asielzoeker in het buitenland kan ondervinden bij de bewijsvergaring. In haar concurring opinion (§ 4) heeft rechter O’Leary opgemerkt dat de verklaring van het EHRM in § 97 van dat arrest dat artikel 4, lid 5, van richtlijn 2011/95 onder andere erkent dat „het voordeel van de twijfel moet worden toegekend aan de persoon die om internationale bescherming verzoekt”, moet worden gematigd door toepassing van de vijf voorwaarden van die bepaling.
66 Ibidem, § 93.
67 Arrest van 16 oktober 2019, Glencore Agriculture Hungary (C‑189/18, EU:C:2019:861, punten 61 en 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook EHRM, arrest van 27 oktober 1993, Dombo Beheer B.V. tegen Nederland (CE:ECHR:1993:1027JUD001444888, §§ 31‑33), dat betrekking heeft op het recht van beide partijen bij een vordering in burgerlijke zaken om soortgelijk bewijs (getuigenis) op voet van gelijkheid over te leggen. Zie in dit verband ook arrest van 22 oktober 2020, Silver Plastics en Johannes Reifenhäuser/Commissie (C‑702/19 P, EU:C:2020:857, punt 59).
68 Zie EHRM, arrest van 18 juni 2002, Wierzbicki tegen Polen (CE:ECHR:2002:0618JUD002454194, § 39). Zie naar analogie ook arrest van 31 mei 2016, Tence tegen Slovenië (CE:ECHR:2016:0531JUD003724214), waarin het EHRM een schending van artikel 6, lid 1, EVRM heeft vastgesteld. De advocaat van Tence had tegen een vonnis in eerste aanleg hoger beroep ingesteld door op de laatste dag van de beroepstermijn een faxbericht van zes bladzijden te verzenden. Het hoger beroep was met succes doorgestuurd naar het faxapparaat van de rechter in hoger beroep en bleef in het geheugen van de faxmachine, maar werd niet uitgeprint. Daarnaast is het hoger beroep de volgende dag per aangetekende brief naar de betreffende rechter gestuurd. Het hoger beroep werd afgewezen omdat het te laat was ingesteld. De Vrhovno sodišče (hoogste rechterlijke instantie, Slovenië) bevestigde later dat eventuele fouten bij de verzending van een per fax verzonden document, zelfs als deze aan de rechtbank toe te schrijven zijn, door de partij die een dergelijk document indient moeten worden gedragen. In haar vordering bij het EHRM heeft Tence aangevoerd dat de te restrictieve uitlegging van de nationale procesregels haar recht op toegang tot de rechter krachtens artikel 6 EVRM schendt. Het EHRM ging hierin mee. Dat Tence tijdig een versleuteld document van zes bladzijden naar de bevoegde rechter had gestuurd werd niet betwist, noch dat zij geen invloed had op de vraag of het zou worden uitgeprint dan wel of de faxmachine correct werkte. De verwerende regering heeft echter onder verwijzing naar de redenen voor de afwijzing van de vordering van Tence voor de nationale rechter betoogd dat zij niet kon bewijzen dat het per fax verzonden document het beroep in kwestie was. Het EHRM was van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van de zaak en op het feit dat faxberichten versleuteld zijn en de inhoud ervan niet kan worden bewezen, de benadering van de nationale rechter om de volledige bewijslast op de verzoekster te leggen, te strikt was. Deze benadering heeft het voor de verzoekster praktisch onmogelijk gemaakt succesvol hoger beroep in te stellen en heeft haar een onevenredige last opgelegd. In zijn concurring opinion heeft rechter Kūris overwogen dat de bewijslast van Tence niet alleen „te strikt” was, maar ook juridisch ongegrond en onrechtvaardig.
69 Zie punten 18 en 19 van deze conclusie.
70 Partijen in hogere voorziening hebben ter terechtzitting van het Hof op 4 februari 2025 hun standpunten toegelicht.
71 Zie ook EHRM, beslissing van 7 januari 2025, G.R.J. tegen Griekenland (CE:ECHR:2024:1203DEC001506721) (hierna: „beslissing G.R.J.”).
72 Er bestaan verschillende gelijkenissen tussen de feiten en de bewijzen die verzoeker in de onderhavige zaak heeft aangevoerd en die welke A.R.E. in haar zaak voor het EHRM heeft aangevoerd. Zie haar feitenrelaas in het arrest A.R.E. (§§ 11‑48).
73 Het EHRM heeft benadrukt dat de zaak die heeft geleid tot het arrest A.R.E. verschilde van de feiten van andere zaken die bij deze rechter aanhangig waren gemaakt op het gebied van refoulement of collectieve uitzettingen, waarin prima-faciebewijs van de verzoeker was aanvaard. Derhalve heeft het EHRM ten eerste verwezen naar die zaken waarin de verwerende regeringen de aanwezigheid van de verzoekers op hun grondgebied of aan hun grenzen niet betwistten, maar enkel de stelling van de verzoekers waarin zij de wens hadden geuit om een verzoek om internationale bescherming in te dienen. Zie arrest A.R.E. (§§ 204 en 205). Zie ook de beslissing G.R.J. (§§ 169 en 170). Zie bijvoorbeeld EHRM, arrest van 8 oktober 2024, M.A. en Z.R. tegen Cyprus (CE:ECHR:2024:1008JUD003909020, §§ 81 en 82). In die zaak herhaalde het EHRM dat als algemeen rechtsbeginsel geldt dat de aanvankelijke bewijslast met betrekking tot een stelling op de partij drukt die deze stelling aanvoert. In bepaalde gevallen heeft echter alleen de verwerende regering toegang tot informatie die de stellingen van de verzoeker kan bevestigen of weerleggen: daardoor is een strikte toepassing van het bovenstaande beginsel niet mogelijk. Indien dit het geval is en de verwerende regering geen bevredigende en overtuigende verklaring geeft voor gebeurtenissen waarvan alleen de overheidsinstanties geheel of grotendeels kennis hebben, kan het EHRM conclusies trekken die voor de instanties nadelig kunnen zijn, mits er bestanddelen zijn die de stellingen van de verzoeker staven. Ten tweede heeft het EHRM in het arrest A.R.E. verwezen naar de zaken waarin de verzoekers schending van artikel 4 van het Vierde Protocol bij het EVRM aanvoerden en de verwerende regeringen zonder succes hebben betwist dat de verzoekers tot de groepen behoorden die bij de collectieve uitzetting betrokken waren, maar de collectieve uitzetting als zodanig niet betwistten (§§ 206 en 207). Zie ook de beslissing G.R.J. (§§ 171 en 172). In het arrest N.D. en N.T. tegen Spanje (§§ 81‑88), heeft de Spaanse regering het bestaan van stelselmatige praktijken van standrechtelijke collectieve uitzettingen aan de grens van Melilla (Spanje) erkend. Deze regering betwistte echter dat de verzoekers bij de gebeurtenissen in kwestie betrokken waren. Het EHRM was van oordeel dat de verzoekers prima-faciebewijs van deze betrokkenheid hadden overgelegd en ging ervan uit dat de door de verzoekers overgelegde uiteenzetting van de feiten juist was. Het EHRM heeft zich niet alleen gebaseerd op de samenhang van de door de verzoekers overgelegde bewijzen, maar ook op het feit dat de verwerende regeringen het bestaan van de uitzettingen in kwestie niet hebben betwist. Deze rechter heeft tevens benadrukt dat „het feit dat de autoriteiten van de verwerende staat in de onderhavige zaak geen individuele identificatie en behandeling hebben verricht, hetgeen heeft bijgedragen tot de moeilijkheid die de verzoekers hebben ondervonden om het bewijs van hun betrokkenheid bij de gebeurtenissen in kwestie te leveren, de kern van de klacht van de verzoekers vormt. Aldus zal het [EHRM] trachten vast te stellen of de verzoekers prima-faciebewijs tot staving van hun versie van de gebeurtenissen hebben geleverd. Indien dit het geval is, zal de bewijslast naar de regering verschuiven.”
74 Zie arrest A.R.E. (§ 204) en de beslissing G.R.J. (§ 169). De tekst van het arrest A.R.E. (§§ 204‑221 en 226‑229), komt overeen met die van de beslissing G.R.J. (§§ 169‑186 en 187‑190).
75 De mate van overtuiging die vereist is om tot een bepaalde conclusie te komen en de verdeling van de bewijslast hangen intrinsiek samen met de specifieke aard van de feiten, de aard van de aangevoerde stelling en het betreffende recht van het EVRM. Het EHRM is vrij om de bewijswaarde van elk onderdeel van het dossier te beoordelen (zie arrest A.R.E., § 212).
76 Ibidem, § 214. Zie ook arrest N.D. en N.T. tegen Spanje (§§ 85 en 86), arrest M.H. e.a. tegen Kroatië (§ 268).
77 Het EHRM had eerder de stelling van de verzoekster dat haar mobiele telefoon door de Griekse autoriteiten in beslag was genomen en vernietigd geloofwaardig geacht in het licht van de informatie in verschillende rapporten van nationale en internationale instellingen (arrest A.R.E., § 253).
78 Het EHRM heeft geoordeeld dat artikel 3 alsmede artikel 13 EVRM, gelezen in samenhang met artikel 3 ervan, waren geschonden vanwege het refoulement van de verzoekster naar Turkije, dat artikel 5, leden 1, 2 en 4, EVRM was geschonden vanwege de detentie van de verzoekster vóór haar uitzetting naar Turkije en dat artikel 13 EVRM, gelezen in samenhang met de artikelen 2 en 3 ervan, was geschonden gelet op het risico van een levensbedreigende situatie en mishandeling op het moment van het refoulement.
79 Dit onderwerp is ook door partijen ter terechtzitting van 4 februari 2025 besproken.
80 In het arrest A.R.E. heeft het EHRM geoordeeld dat er ten tijde van de vermeende feiten sprake was van een stelselmatige praktijk van de Griekse autoriteiten om derdelanders terug te laten keren van de regio Evros naar Turkije. De Griekse regering was er niet in geslaagd het bewijs dat op het bestaan van een dergelijke praktijk wees, te weerleggen door een bevredigende en overtuigende alternatieve verklaring te geven (§ 228).
81 Het EHRM was van oordeel dat het gedetailleerde, specifieke en samenhangende relaas van A.R.E grotendeels overeenkwam met de werkwijze die was opgetekend in de verslagen van de bevoegde nationale en internationale instellingen over refoulement van de regio Evros naar Turkije. Dat feit volstond echter niet om haar refoulement te bewijzen. Ter aanvulling moest de verzoekster aantonen dat zij Griekenland was binnengekomen en zich op de vermeende datums in Turkije had bevonden, en moest zij een verband aantonen tussen deze twee feiten om het bestaan van het vermeende refoulement aan te tonen. Het EHRM benadrukte dat het niet uit het oog verloor dat het uiterst moeilijk is om dit bewijs te leveren vanwege de intrinsiek geheime en niet-officiële aard van de betrokken gedraging (arrest A.R.E., § 230). Zie echter beslissing G.R.J. (§§ 187‑225), waarin het EHRM, ondanks het feit dat er een tamelijk uniforme werkwijze van de Griekse autoriteiten bestond voor refoulement van vreemdelingen die asiel zoeken, van de regio Evros en de Griekse eilanden gedurende de relevante periode, en het feit dat het relaas van verzoeker grotendeels overeenkwam met die werkwijze, ernstige twijfels had over de geloofwaardigheid van diens relaas in het licht van bepaalde bewijzen die door hem ter staving daarvan waren overgelegd. Het EHRM was van oordeel dat de stellingen van de verzoeker soms tegenstrijdig en inconsistent waren. Deze rechter heeft derhalve geoordeeld dat verzoeker geen prima-faciebewijs voor zijn aanwezigheid in Griekenland op de vermeende datums en zijn refoulement naar Turkije vanuit het eiland Samos had geleverd, en dat hij daardoor niet kon stellen slachtoffer te zijn in de zin van artikel 34 EVRM (beslissing G.R.J., §§ 199‑225).
82 Het EHRM oordeelde dat de door een andere lidstaat van de Raad van Europa – in casu Turkije – opgestelde bewijstukken, waaruit bleek dat A.R.E. op 4 mei 2019 naar Griekenland was gevlucht en haar refoulement op 5 mei 2019 naar Turkije was, prima-faciebewijs vormden dat haar versie van de gebeurtenissen staafde, en dat de Griekse regering er niet in was geslaagd dit te weerleggen (arrest A.R.E. §§ 219 en 241). Het EHRM heeft veel belang gehecht aan het vonnis van de strafrechter van Izmir van 6 mei 2019, waarin het refoulement van A.R.E. bij de vaststelling van de feiten van die zaak nader werd toegelicht (ibidem, § 235).
83 Hoewel de Griekse regering de authenticiteit van deze overgelegde vorm van bewijs betwistte, heeft het EHRM geoordeeld dat het overeenkwam met het algemene relaas van de verzoekster (ibidem, § 250). Het EHRM heeft ook rekening gehouden met de getuigenissen die op cruciale punten overeenkwamen met het overgelegde audiovisuele materiaal en die door dat materiaal werden gestaafd, hetgeen het betoog van de verzoekster aldus bevestigde (ibidem, § 264).
84 Zie naar analogie de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Meister (C‑415/10, EU:C:2012:8, punt 34).
85 Arresten van 24 maart 1988, Commissie/Italië (104/86, EU:C:1988:171, punt 11), en 4 juli 2024, EUIPO/KD (C‑5/23 P, EU:C:2024:575, punt 47).
86 Zie naar analogie arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie (C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punten 80, 81, 92 en 98).
87 Zie de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Harman International Industries (C‑175/21, EU:C:2022:481, punt 91). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Commissie/Duitsland (C‑482/14, EU:C:2016:368, punt 96).
88 Het Hof dient in dergelijke zaken niet in te grijpen en de normale regels inzake de bewijslast moeten toepassing vinden.
89 Een ingreep kan immers verder gaan dan de verdeling van de bewijslast. Zie EHRM, arrest van 9 oktober 1979, Airey tegen Ierland (CE:ECHR:1979:1009JUD000628973), over het recht op rechtsbijstand in burgerlijke zaken. Zie ook artikel 9, lid 4, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap goedgekeurd bij besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 (PB 2005, L 124, blz. 1), artikel 11, lid 4, van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1), en arrest van 15 maart 2018, North East Pylon Pressure Campaign en Sheehy (C‑470/16, EU:C:2018:185), betreffende het vereiste dat bepaalde gerechtelijke procedures op milieugebied niet buitensporig kostbaar mogen zijn. Reglementen voor de procesvoering van rechterlijke instanties kunnen ook worden aangepast om kwetsbare partijen, zoals minderjarigen, te beschermen en om hun getuigenis te verkrijgen.
90 Zie punten 30‑34 van deze conclusie over de rechtspraak van het Hof en het Unierecht inzake de bestrijding van discriminatie en de bewijslast. Zie ook punten 40‑50 van deze conclusie over de rechtspraak van het EHRM inzake geheime detentie en collectieve uitzettingen.
91 Waarmee wordt bewezen dat hij een slachtoffer is van de collectieve uitzetting in kwestie. Sterk bewijs dat er gedurende de relevante periode en plaats sprake was van een stelselmatige praktijk van refoulement, is op zichzelf onvoldoende. Zie beslissing G.R.J. (§§ 225 en 226).
92 Zie naar analogie beslissing G.R.J.
93 Het gaat om twee autonome, maar logisch met elkaar verbonden randvoorwaarden.
94 Het is juist dat er een zekere mate van overlapping bestaat tussen de tweede en de derde voorwaarde. Aan beide moet echter volledig worden voldaan opdat de bewijslast die „normaliter” op een verzoeker rust, wordt omgekeerd.
95 En de desbetreffende rechtspraak.
96 Indien de onderhavige procedure betrekking zou hebben op handelingen van een lidstaat, dan ben ik van mening dat de redenering van het EHRM in, onder andere, diens arrest A.R.E. in beginsel van toepassing is. Wanneer een verzoeker prima-faciebewijs overlegt dat hij slachtoffer is geweest van een collectieve uitzetting door een lidstaat, wordt de bewijslast omgekeerd en naar deze lidstaat verschoven. De lidstaat zou dan worden geacht in staat te zijn de stellingen van de verzoeker te weerleggen en het zou aan de lidstaat staan om te voorzien in een bevredigende en overtuigende verklaring voor de gebeurtenissen waarvan de lidstaat geheel of grotendeels op de hoogte is.
97 Zie, a contrario, arrest J.K. e.a. tegen Zweden (§ 98), waarin het EHRM in het kader van de uitzetting van een asielzoeker heeft verklaard dat de nationale autoriteiten kunnen worden geacht „volledige toegang tot de informatie” over de objectieve situatie in het betrokken land van herkomst te hebben.
98 Met name vergeleken met de vermeende rol van de Griekse autoriteiten in de gebeurtenissen.
99 Zie bestreden beschikking, punten 39 en 62.