This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62023TO0477
Order of the General Court (Third Chamber, Extended Composition) of 11 June 2025.#DZ Bank AG Deutsche Zentral-Genossenschaftsbank, Frankfurt am Main v Single Resolution Board.#Action for annulment – Economic and monetary policy – Banking union – Single Resolution Mechanism for credit institutions and certain investment firms (SRM) – Regulation (EU) No 806/2014 – Directive 2014/59/EU – Joint decision on the determination of minimum requirements for own funds and eligible liabilities – Jurisdiction of the General Court – Lack of direct concern – Inadmissibility.#Case T-477/23.
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) van 11 juni 2025.
DZ Bank AG Deutsche Zentral-Genossenschaftsbank, Frankfurt am Main tegen Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad.
Beroep tot nietigverklaring – Economisch en monetair beleid – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Verordening (EU) nr. 806/2014 – Richtlijn 2014/59/EU – Gezamenlijk besluit betreffende de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva – Bevoegdheid van het Gerecht – Niet rechtstreeks geraakt – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-477/23.
Beschikking van het Gerecht (Derde kamer - uitgebreid) van 11 juni 2025.
DZ Bank AG Deutsche Zentral-Genossenschaftsbank, Frankfurt am Main tegen Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad.
Beroep tot nietigverklaring – Economisch en monetair beleid – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Verordening (EU) nr. 806/2014 – Richtlijn 2014/59/EU – Gezamenlijk besluit betreffende de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva – Bevoegdheid van het Gerecht – Niet rechtstreeks geraakt – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-477/23.
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2025:602
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid)
11 juni 2025 ( *1 )
„Beroep tot nietigverklaring – Economisch en monetair beleid – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Verordening (EU) nr. 806/2014 – Richtlijn 2014/59/EU – Gezamenlijk besluit betreffende de minimumvereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva – Bevoegdheid van het Gerecht – Niet rechtstreeks geraakt – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑477/23,
DZ Bank AG Deutsche Zentral-Genossenschaftsbank, Frankfurt am Main, gevestigd te Frankfurt am Main (Duitsland), vertegenwoordigd door H. Berger, M. Weber en D. Schoo, advocaten,
verzoekster,
tegen
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door H. Ehlers, M. Fernández Rupérez, A. Lapresta Bienz en J. Rius Riu als gemachtigden,
verweerder,
geeft
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: H. Kanninen, waarnemend voor de president, P. Škvařilová-Pelzl, I. Nõmm, G. Steinfatt (rapporteur) en D. Kukovec, rechters,
griffier: V. Di Bucci,
gezien de stukken, met name:
|
– |
het op 31 juli 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde verzoekschrift, |
|
– |
de exceptie van niet-ontvankelijkheid die de GAR bij op 30 oktober 2023 ter griffie van het Gerecht neergelegde akte heeft opgeworpen, |
|
– |
de opmerkingen van verzoekster over de exceptie van niet-ontvankelijkheid, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 18 december 2023, |
|
– |
de verzoeken tot interventie van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie, neergelegd ter griffie van het Gerecht op respectievelijk 19 oktober, 15 november en 15 november 2023, |
de navolgende
Beschikking
|
1 |
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU verzoekt verzoekster, DZ Bank AG Deutsche Zentral-Genossenschaftsbank, Frankfurt am Main het Gerecht primair het gezamenlijke besluit RC/JD/2022/22 van 6 april 2023 (hierna: „bestreden besluit”) betreffende de vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (hierna: „MREL”) ten aanzien van haarzelf en vijf dochterondernemingen nietig te verklaren en, subsidiair, vast te stellen dat dit besluit rechtens niet bestaat. |
Voorgeschiedenis van het geding
|
2 |
Verzoekster is de vennootschap aan het hoofd van DZ Bank Gruppe, de financiële groep van coöperatieve banken in Duitsland. Gezien haar totale activa van 627 miljard EUR op 31 december 2022 wordt zij in Duitsland als een grote bank aangemerkt. Binnen de bankenunie heeft zij dochterondernemingen in zowel Duitsland als Luxemburg. Daarnaast beschikt zij over een dochteronderneming buiten de bankenunie, namelijk Fundamenta Lakáskassza Zrt., die is gevestigd in Hongarije. |
|
3 |
In 2017 heeft de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) een afwikkelingscollege opgericht voor verzoekster en haar dochterondernemingen, overeenkomstig artikel 88 van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190), zoals gewijzigd. Dat college bestaat onder meer uit de GAR, in zijn hoedanigheid van voorzitter en afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, en uit de Magyar Nemzeti Bank (nationale bank van Hongarije), die optreedt als afwikkelingsautoriteit voor de Hongaarse dochteronderneming. |
|
4 |
Op 8 december 2022 heeft de GAR tijdens zijn uitgebreide bestuursvergadering voorlopig een ontwerp van bestreden besluit goedgekeurd, dat ter beoordeling aan het afwikkelingscollege moest worden voorgelegd. Op 15 december 2022 heeft de GAR de raadplegingsprocedure met verzoekster over het ontwerp ingeleid. Verzoekster heeft bij brief van 10 januari 2023 haar opmerkingen ingediend. Op 8 februari 2023 is het ontwerp van bestreden besluit onderzocht binnen genoemd college, dat tot het besluit is gekomen dat het ontwerp naar aanleiding van de raadplegingsprocedure niet hoefde te worden gewijzigd. Op 24 maart 2023 heeft de GAR, in zijn hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, de definitieve versie van het ontwerp van bestreden besluit toegezonden aan het afwikkelingscollege. Op 28 maart 2023 is binnen het college een consensus bereikt, die vervolgens is onderworpen aan de interne goedkeuringsprocedures van de GAR en de nationale bank van Hongarije. |
|
5 |
Op 5 april 2023 heeft de GAR in uitgebreide bestuursvergadering kennisgenomen van het hierboven beschreven gezamenlijke besluitvormingsproces, en heeft hij op grond daarvan de in het bestreden besluit weerspiegelde consensus goedgekeurd. |
|
6 |
Tijdens diezelfde uitgebreide bestuursvergadering heeft de GAR besluit SRB/EES/2022/215 aangenomen, waarin het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva wordt vastgesteld voor de entiteiten van de groep onder leiding van verzoekster die onder zijn bevoegdheid vallen, namelijk voor verzoekster zelf en haar dochterondernemingen Bausparkasse Schwäbisch Hall AG, DZ HYP AG en Team Bank AG, met zetel in Duitsland, en haar dochteronderneming DZ Privatbank SA, met zetel in Luxemburg. Volgens besluit SRB/EES/2022/215 moeten de nationale afwikkelingsautoriteiten uitvoering geven aan dat MREL (artikel 4 van dit besluit) en toezien op de handhaving ervan (artikel 6 van dat besluit). |
|
7 |
Het bestreden besluit is op 6 april 2023 door de voorzitter van de GAR ondertekend. Het ondertekende document bevat de opmerking dat de vertegenwoordigers van de betrokken autoriteiten schriftelijk hebben ingestemd met het gezamenlijke besluit betreffende het MREL. Bijlage I bij het bestreden besluit bevat een schriftelijke instemming, gedateerd 6 april 2023 en ondertekend door de voorzitter van de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, waarin staat te lezen dat zij instemt met het gezamenlijk besluit dat op 24 maart 2023 door de GAR is voorgesteld en toegezonden. |
|
8 |
Op 14 april 2023 is de Duitse afwikkelingsautoriteit, de Bundesanstalt für Finanzdienstleistungsaufsicht (federale financiële toezichthoudende autoriteit; hierna: „BaFin”), in kennis gesteld van besluit SRB/EES/2022/215 van de GAR van 5 april 2023, waaraan zij vervolgens uitvoering gaf met een tot verzoekster gericht besluit van 26 mei 2023. |
|
9 |
Bij brief van 17 mei 2023 heeft de Luxemburgse afwikkelingsautoriteit, de Commission de surveillance du secteur financier (commissie voor toezicht op de financiële sector; hierna: „CSSF”), de dochteronderneming DZ Privatbank op de hoogte gebracht van de uitvoering van het MREL bij besluit SRB/EES/2022/215 vastgestelde MREL en haar van dit besluit in kennis gesteld. |
|
10 |
Bij e-mail van 22 mei 2023 heeft de GAR, als afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, het bestreden besluit toegezonden aan verzoekster, als moederonderneming van de groep binnen de Unie, samen met het gezamenlijke besluit betreffende het afwikkelingsplan van de groep en een samenvatting van dat plan. |
|
11 |
Op 3 juli 2023 heeft verzoekster bij het beroepspanel van de GAR beroep aangetekend tegen het bestreden besluit krachtens artikel 85, lid 3, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), zoals gewijzigd. |
|
12 |
Op 5 juli 2023 heeft verzoekster krachtens dezelfde bepalingen ook tegen besluit SRB/EES/2022/215 beroep aangetekend bij het beroepspanel van de GAR. |
|
13 |
Deze beroepen zijn bij beslissing van het beroepspanel van de GAR van 15 december 2023 in de gevoegde zaken 2/23 en 3/23 verworpen. Dat panel achtte verzoeksters beroep tegen het bestreden besluit ontvankelijk maar ongegrond, en het beroep tegen besluit SRB/EES/2022/215 niet-ontvankelijk. |
|
14 |
Op 26 februari 2024 heeft verzoekster bij de griffie van het Gerecht een beroep tegen de beslissing van het beroepspanel van de GAR ingediend, dat is ingeschreven onder nummer T‑116/24. |
Conclusies van partijen
|
15 |
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
|
16 |
De GAR verzoekt het Gerecht:
|
In rechte
|
17 |
Volgens artikel 130, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, indien de verweerder daarom verzoekt, uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. |
|
18 |
In het onderhavige geval acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de stukken in het dossier en beslist het krachtens dit artikel om uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten. |
|
19 |
De GAR baseert zijn exceptie van onbevoegdheid en niet-ontvankelijkheid op vier gronden. |
|
20 |
Ten eerste betoogt de GAR dat een „gezamenlijk besluit” geen aan hem toe te schrijven rechtshandeling vormt. Hij wijst er dienaangaande op dat de gerechten van de Unie hebben bevestigd dat handelingen van andere entiteiten dan de instellingen, organen of instanties van de Unie niet onder hun bevoegdheid op grond van artikel 263 VWEU vallen, zodat het Gerecht onbevoegd is om uitspraak te doen in het onderhavige geding. |
|
21 |
Ten tweede vormt een gezamenlijk besluit volgens de GAR slechts een voorbereidende handeling voor een ander besluit. Ten derde is dat gezamenlijke besluit niet tot verzoekster gericht en wordt zij er niet rechtstreeks en individueel door geraakt, zodat zij geen procesbevoegdheid heeft. Ten vierde is de GAR van mening dat het beroep niet-ontvankelijk is gelet op de voorwaarde inzake de precontentieuze procedure. |
|
22 |
Verzoekster betwist de argumenten van de GAR en meent dat het beroep ontvankelijk is. |
|
23 |
Wat in de eerste plaats de opsteller van het bestreden besluit betreft, stelt zij dat dit besluit is genomen door de GAR in zijn hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau. De GAR heeft het MREL bepaald in de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 12, lid 1, van verordening nr. 806/2014, MREL in de vorm van een gezamenlijk besluit. |
|
24 |
Ten eerste stelt het afwikkelingscollege zelf geen rechtshandelingen vast, maar vormt het slechts het kader waarbinnen de afwikkelingsautoriteiten gezamenlijk taken kunnen uitvoeren. De Hongaarse afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, heeft het bestreden besluit gewoon overgenomen. |
|
25 |
Ten tweede betoogt verzoekster, die de in de beslissing van het beroepspanel van de GAR van 15 december 2023 gevolgde redenering tot de hare maakt, dat het gezamenlijke besluit een bundel van afzonderlijke besluiten met dezelfde inhoud vormt en dat het is goedgekeurd door elk van de betrokken afwikkelingsautoriteiten. Volgens verzoekster moet een onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties. In geval van een meningsverschil neemt elke afwikkelingsautoriteit bij de uitoefening van haar bevoegdheden apart haar eigen besluit over het MREL (situatie bedoeld in artikel 45 nonies, leden 4 en 6, van richtlijn 2014/59). In geval van een gezamenlijk besluit evenwel stelt elke afwikkelingsautoriteit een afzonderlijk besluit vast dat overeenstemt met het vooraf genomen gezamenlijke besluit (situatie bedoeld in artikel 45 nonies, leden 2 en 4, van richtlijn 2014/59). |
|
26 |
Ten derde leidt de omstandigheid dat de betrokken afwikkelingsautoriteiten overeenstemming bereiken over eenzelfde besluittekst er niet toe dat een gezamenlijk besluit slechts als een overeenkomst in het kader van de interne betrekkingen tussen autoriteiten zou moeten worden beschouwd. Het bestaan van een overeenkomst tussen de leden van het afwikkelingscollege is slechts een voorafgaande voorwaarde voor een gezamenlijk besluit, maar kan daarmee niet worden gelijkgesteld. |
|
27 |
In de tweede plaats heeft het bestreden besluit ten eerste bindende rechtsgevolgen in de externe betrekkingen aangezien het gezamenlijke besluit van een afwikkelingscollege een definitief besluit is – niet slechts een voorbereidende handeling van de autoriteit – dat bindend is voor de betrokken instellingen. In het kader van het bestreden besluit stelt de GAR het MREL reeds definitief vast ten aanzien van verzoekster, in de uitoefening van zijn bevoegdheid op grond van artikel 12 van verordening nr. 806/2014, aangezien het gezamenlijke besluit overeenkomstig artikel 45 nonies, lid 7, van richtlijn 2014/59 voor de GAR bindend is wat de vaststelling van het MREL betreft. |
|
28 |
Het argument dat het bestreden besluit nog ten uitvoer moest worden gebracht door een besluit van de GAR en de BaFin tot vaststelling van het MREL, is niet relevant omdat het definitieve besluit – dat voor zowel de GAR als de BaFin bindend was en waarbij zij geen eigen beoordelingsmarge hadden – in casu reeds in het gezamenlijke besluit was vervat. |
|
29 |
Ten tweede raakt het bestreden besluit verzoekster ten minste rechtstreeks en individueel in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, aangezien een gezamenlijk besluit gericht is tot de betrokken instellingen en deze in ieder geval rechtstreeks en individueel door dat besluit worden geraakt, ongeacht of zij de formele adressaten ervan zijn. |
|
30 |
Ten derde beschikt verzoekster, overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU, over procesbevoegdheid en het vereiste procesbelang. De gevraagde nietigverklaring van het bestreden besluit als zodanig zou rechtsgevolgen kunnen hebben, aangezien het besluit van de GAR tot vaststelling van het MREL daardoor zijn grondslag zou verliezen en dus ook het besluit over het MREL van de BaFin, die in dat geval verplicht zou zijn om haar besluit in te trekken naar aanleiding van het bezwaar van verzoekster. |
|
31 |
Overigens stelde verzoekster dat zij de adressaat van het bestreden besluit was. Die hoedanigheid vloeit volgens haar voort uit de op de GAR rustende verplichting om de gezamenlijke besluiten na hun vaststelling aan verzoekster mee te delen, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 45 nonies, lid 1, tweede alinea, onder a), van richtlijn 2014/59 en artikel 92, lid 1, van gedelegeerde verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie van 23 maart 2016 houdende aanvulling van richtlijn [2014/59] met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges (PB 2016, L 184, blz. 1). |
|
32 |
Voorts betwist verzoekster het door de GAR aangevoerde argument dat zij geen belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit omdat dit haar geen voordeel zou opleveren, aangezien de GAR, gelet op het gezamenlijke karakter van het bestreden besluit, in geen geval in staat zou zijn dat besluit alleen te vervangen, maar enkel de procedure zou kunnen heropenen binnen het afwikkelingscollege, een procedure in het kader waarvan hij aan de andere leden van dat college geen bepaald MREL-niveau zou kunnen opleggen. Dienaangaande betoogt verzoekster dat voor de vaststelling van het MREL niet noodzakelijkerwijs een gezamenlijk besluit vereist is. Indien er geen gezamenlijk besluit wordt genomen, wordt het MREL overeenkomstig artikel 45 nonies, leden 4 tot en met 6, van richtlijn 2014/59 bepaald bij afzonderlijke besluiten van de betrokken afwikkelingsautoriteiten. De GAR kan daarna dus nog een besluit vaststellen waarin rekening wordt gehouden met de eventuele eisen van het Gerecht. |
|
33 |
In de derde plaats betwist verzoekster het vereiste van een voorafgaande procedure en stelt zij in essentie dat de rechter deze kwestie nog niet heeft opgehelderd. Zij betoogt dat er een rechtstreeks risico van schending van haar in artikel 47, lid l, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte zou bestaan, mocht de voorwaarde van een voorafgaande procedure overeenkomstig artikel 263, vijfde alinea, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 85, lid 3, eerste alinea, en artikel 86, lid l, van verordening nr. 806/2014 aan de ontvankelijkheid van het onderhavige beroep bij het Gerecht in de weg staan. |
Aard van het bestreden besluit en bevoegdheid van het Gerecht om uitspraak te doen in het onderhavige geding
|
34 |
Volgens de GAR blijkt zowel uit de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid als uit de inhoud ervan dat dit geen aan hem toe te schrijven rechtshandeling is. Ter onderbouwing van dit argument voert de GAR aan dat het bestreden besluit als gezamenlijk besluit niet door hem alleen maar samen met de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, de nationale bank van Hongarije, is vastgesteld binnen het afwikkelingscollege. In het bestreden besluit wordt dus rekening gehouden met de consensus die deze autoriteiten hebben bereikt om er uiteindelijk voor te zorgen dat de geplande afwikkelingsstrategie naar behoren wordt uitgevoerd. Het is een geïntegreerde overeenkomst over de respectieve MREL-niveaus die voor alle leden van de groep zijn vastgesteld, waarbij de afwikkelingsstrategie rekening houdt met en afhangt van de MREL’s van de andere leden. |
|
35 |
Het Gerecht is slechts bevoegd om kennis te nemen van beroepen die krachtens artikel 263 VWEU worden ingesteld tegen handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie (beschikking van 6 oktober 2020, Sharpston/Raad en Vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, T‑550/20, niet gepubliceerd, EU:T:2020:475, punt 33). |
|
36 |
Evenzo is het vaste rechtspraak dat het beroep tot nietigverklaring dient open te staan met betrekking tot alle door de instellingen, organen en instanties van de Unie getroffen maatregelen – ongeacht hun aard of vorm – die beogen rechtsgevolgen teweeg te brengen (zie in die zin arresten van 30 juni 1993, Parlement/Raad en Commissie, C‑181/91 en C‑248/91, EU:C:1993:271, punt 13; 13 juli 2004, Commissie/Raad,C‑27/04, EU:C:2004:436, punt 44, en 28 april 2015, Commissie/Raad,C‑28/12, EU:C:2015:282, punt 14). |
Rechtsgevolgen van het gezamenlijke besluit
|
37 |
Het bestreden besluit, dat is getiteld „gezamenlijk besluit”, bepaalt dat „de GAR en de [nationale bank van Hongarije], handelend als afwikkelingsautoriteiten binnen het afwikkelingscollege, tot een gezamenlijk besluit zijn gekomen en een overeenkomst hebben bereikt over” de MREL’s die krachtens de artikelen 2 tot en met 4 van het bestreden besluit door verzoekster en haar vijf dochterondernemingen moeten worden nageleefd. Die MREL’s worden gespecificeerd in de afdelingen I tot en met III van het bestreden besluit. Voorts is het bestreden besluit namens de GAR ondertekend door de voorzitter van de GAR, die daarbij de volgende vermelding heeft aangebracht: „[t]he representatives of the relevant resolution authorities have agreed to this joint decision on MREL by means of a written agreement” (de vertegenwoordigers van de betrokken afwikkelingsautoriteiten hebben schriftelijk ingestemd met dit gezamenlijke besluit over het MREL). Het akkoord van de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, te weten de nationale bank van Hongarije, ondertekend door haar voorzitter, is als bijlage bij het bestreden besluit gevoegd. |
|
38 |
Het bestreden besluit betreft dus de vaststelling van de MREL’s voor verzoekster en haar vijf dochterondernemingen, waarvan er één buiten de bankenunie is gevestigd. |
|
39 |
De bevoegdheid om MREL’s vast te stellen voor de groep bestaande uit verzoekster en haar dochterondernemingen in zowel Duitsland als Luxemburg komt toe aan de GAR (artikel 12, lid 1, van verordening nr. 806/2014), die de afwikkelingsautoriteit voor die „grensoverschrijdende groep” is [zie artikel 7, lid 2, onder b), van verordening nr. 806/2014, gelezen in samenhang met artikel 3, lid 1, punt 24, van deze verordening]. |
|
40 |
Aangezien een „grensoverschrijdende groep” echter uitsluitend de entiteiten omvat die zijn gevestigd in lidstaten die aan de bankenunie deelnemen (artikel 3, lid 1, punt 24, van verordening nr. 806/2014), is de GAR niet bevoegd om MREL’s voor de groep in zijn geheel vast te stellen. De Hongaarse dochteronderneming van verzoekster is immers gevestigd in een lidstaat die niet aan de bankenunie deelneemt. |
|
41 |
De afwikkelingsautoriteit voor de Hongaarse dochteronderneming Fundamanta Lakáskassza is de nationale bank van Hongarije (overweging 11 van het bestreden besluit, gelezen in samenhang met de bijlage bij dit besluit). |
|
42 |
De groep van verzoekster in haar geheel, de Hongaarse dochteronderneming inbegrepen, vormt een „grensoverschrijdende groep” als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 27, van richtlijn 2014/59, namelijk een groep met in meer dan één lidstaat gevestigde groepsentiteiten. |
|
43 |
Volgens artikel 88, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2014/59 richten de afwikkelingsautoriteiten op groepsniveau voor grensoverschrijdende groepen afwikkelingscolleges op die een kader verschaffen om MREL’s voor groepen vast te stellen op geconsolideerd niveau en op subsidiair niveau [zie artikel 88, lid 1, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/59]. In casu blijkt uit overweging 6 van het bestreden besluit dat de GAR in 2017 voor verzoekster en haar vijf dochterondernemingen een afwikkelingscollege heeft opgericht, waarvan onder meer de GAR en de nationale bank van Hongarije lid zijn overeenkomstig artikel 88, lid 2, onder a) en b), van richtlijn 2014/59. |
|
44 |
Binnen dat college voeren de betrokken afwikkelingsautoriteiten een dialoog over de voorgestelde MREL’s op geconsolideerd niveau, het niveau van de moederonderneming en het niveau van elke dochteronderneming, en bespreken zij de afstemming van die MREL’s (artikel 89 van gedelegeerde verordening 2016/1075). De afwikkelingsautoriteit op groepsniveau is voorzitter van het afwikkelingscollege (artikel 88, lid 5, van richtlijn 2014/59). |
|
45 |
Wanneer een groep entiteiten omvat die zijn gevestigd in zowel lidstaten die deelnemen aan de bankenunie als in niet-deelnemende lidstaten of derde landen, vertegenwoordigt de GAR de nationale afwikkelingsautoriteiten van de deelnemende lidstaten met het oog op de samenwerking met de niet-deelnemende lidstaten (artikel 32, lid 1, van verordening nr. 806/2014 en overweging 10 van het bestreden besluit). Aldus hebben de Duitse en de Luxemburgse afwikkelingsautoriteiten slechts als waarnemers deelgenomen aan het afwikkelingscollege (overwegingen 6 en 9 van het bestreden besluit). |
|
46 |
Voor het vaststellen, binnen het afwikkelingscollege, van de MREL-bedragen die van toepassing zijn op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep en individueel op de dochterondernemingen, verwijst artikel 88, lid 1, tweede alinea, onder i), van richtlijn 2014/59 onder meer naar artikel 45 nonies van deze richtlijn, dat voorziet in twee alternatieve procedures voor een gecoördineerde vaststelling van die MREL’s. |
|
47 |
De voorgestane methode houdt in dat er een gezamenlijk besluit wordt uitgewerkt overeenkomstig artikel 45 nonies, lid 1, van richtlijn 2014/59. Volgens die bepaling doen de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten die bevoegd zijn voor de dochterondernemingen alles wat in hun vermogen ligt om tot een gezamenlijk besluit te komen over het bedrag van het op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep toegepaste vereiste en het bedrag van het op individuele basis toe te passen vereiste op elke dochteronderneming. Het gezamenlijke besluit is bindend voor de betrokken afwikkelingsautoriteiten (artikel 45 nonies, lid 7, van richtlijn 2014/59). |
|
48 |
Indien er niet binnen vier maanden een dergelijk besluit wordt genomen, stellen de autoriteiten die bevoegd zijn voor respectievelijk het MREL op geconsolideerd niveau van de groep, en het MREL op individuele basis, de MREL’s vast en houden daarbij terdege rekening met de standpunten en voorbehouden die door de andere autoriteiten en de betrokken af te wikkelen entiteit zijn geformuleerd (artikel 45 nonies, lid 3, van richtlijn 2014/59). Voor deze alternatieve mogelijkheid voorzien de leden 4 tot en met 6 van artikel 45 nonies in bijzondere regels. |
|
49 |
Aangezien de GAR en de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, tot een gezamenlijk besluit zijn gekomen, hebben zij hun optreden gecoördineerd met het oog op de latere vaststelling van de MREL’s door elk van de betrokken autoriteiten binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden. Met het bestreden besluit hebben de GAR en de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, in hun hoedanigheid van afwikkelingsautoriteiten en leden van het afwikkelingscollege, immers hun instemming betuigd met de MREL’s zoals vastgesteld door de GAR, als voorzitter van het college, in de afdelingen I tot en met III van het bestreden besluit, met betrekking tot verzoekster en al haar dochterondernemingen. |
|
50 |
Het bestreden besluit heeft rechtsgevolgen aangezien de „betrokken” afwikkelingsautoriteiten zich overeenkomstig artikel 45 nonies, lid 7, van richtlijn 2014/59 (zie punt 78 hieronder) jegens elkaar binden door de verbintenis aan te gaan om bij de uitoefening van hun bevoegdheden de vast te stellen MREL’s in acht te nemen. |
|
51 |
Als afwikkelingsautoriteit die bevoegd is voor de vaststelling van het MREL van de af te wikkelen entiteit en de dochterondernemingen die zijn gevestigd in aan de bankenunie deelnemende lidstaten, dient de GAR zich te houden aan de MREL’s die in de afdelingen I en II van het bestreden besluit zijn vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, die het in afdeling III vastgestelde MREL in acht moet nemen. |
|
52 |
Hieruit volgt dat de GAR, door het bestreden besluit voor te bereiden en te ondertekenen, zoals in de punten 3 tot en met 7 hierboven is uiteengezet, heeft meegewerkt aan de vaststelling van het bestreden besluit dat rechtsgevolgen teweegbrengt. |
„Hybride” karakter van het gezamenlijke besluit
|
53 |
Met betrekking tot het argument van de GAR dat het bestreden besluit als gezamenlijk besluit niet door hem alleen is genomen, maar samen met de Hongaarse afwikkelingsautoriteit in het kader van het afwikkelingscollege, rijst de vraag in hoeverre het bestreden besluit kan worden beschouwd als een handeling die aan het toezicht van de Unierechter onderworpen is. |
|
54 |
Zoals de GAR terecht heeft opgemerkt, vloeit het bestreden besluit voort uit een consensus, en blijkt uit overweging 7 ervan duidelijk dat het gezamenlijk is vastgesteld door de GAR, als afwikkelingsautoriteit van de groep, enerzijds, en de afwikkelingsautoriteit van de niet aan de bankenunie deelnemende lidstaat, anderzijds. |
|
55 |
Zonder de instemming van de GAR had er dus geen gezamenlijk besluit kunnen worden vastgesteld. Volgens artikel 5 van het gezamenlijke besluit en overeenkomstig artikel 91, lid 3, van gedelegeerde verordening 2016/1075 is ook het akkoord van de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, noodzakelijk voor de vaststelling van het gezamenlijke besluit. |
|
56 |
Het feit dat het bestreden besluit een „hybride” karakter heeft omdat het door de GAR samen met de nationale bank van Hongarije is vastgesteld, betekent echter nog niet dat het niet uitgaat van de GAR. |
|
57 |
Het document met het bestreden besluit bevestigt dat de GAR een van de opstellers van het gezamenlijke besluit is. Dit blijkt zowel uit het inleidende gedeelte („as agreed by the Single Resolution Board [...] and Magyar Nemzeti Bank”, oftewel „zoals overeengekomen door de [GAR] en [de nationale bank van Hongarije]”) als uit de ondertekening ervan door de voorzitter van de GAR namens de GAR. Voorts komt uit de eerste volzin van overweging 10 van het bestreden besluit naar voren dat de GAR heeft gehandeld in zijn hoedanigheid van afwikkelingsautoriteit op groepsniveau. Luidens overweging 12 van dat besluit is het gezamenlijke besluit gebaseerd op artikel 45 nonies van richtlijn 2014/59, op grond waarvan de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau en de afwikkelingsautoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de dochterondernemingen alles moeten doen wat in hun vermogen ligt om tot een gezamenlijk besluit te komen. Door het bestreden besluit samen met de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, vast te stellen heeft de GAR dus gehandeld op basis van een bevoegdheid die hem door het Unierecht is toegekend. De GAR kon het gezamenlijke besluit slechts samen met de afwikkelingsautoriteit van de niet-deelnemende lidstaat nemen vanwege de beslissingsbevoegdheden die hem door de Uniewetgever zijn toegekend. |
|
58 |
Anders dan bij de samengestelde administratieve procedures waaraan de nationale afwikkelingsautoriteiten deelnemen maar waarin de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid bij de GAR ligt, zoals voor de vaststelling van de vaste bijdragen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) (zie de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:574, punten 34 en 35), vormt het bestreden besluit een echte overeenkomst, die op voet van gelijkheid wordt gesloten in het kader van een coördinatie tussen de Hongaarse nationale autoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, en de GAR. Deze coördinatie vindt plaats voorafgaand aan het nemen van beslissingen binnen hun respectieve bevoegdheden. |
|
59 |
De administratieve procedure in de onderhavige zaak verschilt van de procedures die hebben geleid tot de arresten van 3 december 1992, Oleificio Borelli/Commissie (C‑97/91, EU:C:1992:491), en 19 december 2018, Berlusconi en Fininvest (C‑219/17, EU:C:2018:1023). De zaken die tot deze arresten hebben geleid, situeren zich namelijk binnen een verticale relatie, waarbij de handeling van de nationale autoriteit voorafgaat aan de beslissing van de administratieve autoriteit van de Unie, die aan het einde van de procedure wordt genomen. De vraag of de betrokken autoriteit van de Unie over een beoordelingsmarge beschikt, houdt juist verband met die verticale relatie. |
|
60 |
In de onderhavige zaak is er daarentegen sprake van een zuiver horizontale relatie waarbij twee autoriteiten, de nationale afwikkelingsautoriteit, namelijk de nationale bank van Hongarije, en de GAR, elk met hun eigen bevoegdheden, een „gezamenlijk besluit” nemen. Anders dan in de verticale situatie van de samengestelde administratieve procedures waaraan nationale autoriteiten en autoriteiten van de Unie deelnemen, waarbij de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid het cruciale element vormt om vast te stellen of de rechter van de Unie dan wel de nationale rechterlijke instanties bevoegd zijn voor de rechterlijke toetsing (zie de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak Iccrea Banca, C‑414/18, EU:C:2019:574, punt 34), oefenen de medeopstellers van het gezamenlijke besluit in de onderhavige situatie elk hun eigen bevoegdheden uit, onafhankelijk van elkaar, bij het nemen van dat besluit. In ieder geval beschikt de GAR bij de vaststelling van een gezamenlijk besluit als het bestreden besluit over een bepaalde beoordelingsmarge en is hij niet gebonden door de voorstellen van een nationale autoriteit. |
|
61 |
Het feit dat het bestreden besluit het resultaat is van een consensus tussen de GAR en de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, de nationale bank van Hongarije, kan niet afdoen aan de conclusie dat dit een handeling is die aan het toezicht van de Unierechter onderworpen is aangezien de GAR bij de vaststelling van het MREL volgens de procedure van artikel 45 nonies van richtlijn 2014/59 de artikelen 45 en volgende van die richtlijn moet toepassen en naleven. |
|
62 |
Wat dit betreft, staat de toepassing van die bepalingen door de GAR los van de medewerking van de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, die kan beslissen het door de GAR voorgestelde gezamenlijke besluit niet te aanvaarden. |
|
63 |
In dit verband zou het ontbreken van instemming van de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, de nationale bank van Hongarije, de GAR niet hebben belet het MREL vast te stellen, althans wat de toepassing ervan binnen de lidstaten die deelnemen aan de bankenunie betreft. Artikel 45 nonies, leden 3 en 4, van richtlijn 2014/59 bepaalt immers dat de GAR een besluit over het MREL moet nemen indien er geen gezamenlijk besluit wordt genomen. |
|
64 |
Bijgevolg kan – ook al vormt de deelname van de Hongaarse afwikkelingsautoriteit een noodzakelijke schakel in de procedure tot vaststelling van het bestreden besluit – de naleving van de in casu toepasselijke Unieregels, gelet op de omvang van de in dat verband door de GAR uitgeoefende bevoegdheden, niet aan het toezicht van de Unierechter worden onttrokken. |
|
65 |
In die omstandigheden is het Gerecht bevoegd om de wettigheid van het bestreden besluit te onderzoeken en moet de exceptie van onbevoegdheid dus worden verworpen. |
Ontvankelijkheid van het beroep
|
66 |
Volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen. |
|
67 |
In de eerste plaats kan niet worden ingestemd met verzoeksters betoog dat haar hoedanigheid van adressaat voortvloeit uit de verplichting van de GAR, neergelegd in artikel 45 nonies, lid 1, twee alinea, onder a), van richtlijn 2014/59 en artikel 92, lid 1, van gedelegeerde verordening 2016/1075, om de gezamenlijke besluiten na hun vaststelling mee te delen. |
|
68 |
Volgens artikel 45 nonies, lid 1, tweede alinea, onder a), van richtlijn 2014/59, moet het gezamenlijke besluit namelijk „aan de af te wikkelen entiteit [worden verstrekt] door haar afwikkelingsautoriteit”. Aan de entiteiten van een af te wikkelen groep die geen af te wikkelen entiteit zijn, wordt het gezamenlijke besluit volgens artikel 45, lid 1, tweede alinea, onder b), van richtlijn 2014/59 verstrekt door de afwikkelingsautoriteiten van die entiteiten. Wat betreft de moederonderneming in de Unie van de groep, die zelf geen af te wikkelen entiteit is, bepaalt artikel 45 nonies, lid 1, tweede alinea, onder c), van richtlijn 2014/59 dat het gezamenlijke besluit haar wordt verstrekt door de afwikkelingsautoriteit van de af te wikkelen entiteit. |
|
69 |
Hieruit volgt dat artikel 45 nonies, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2014/59 niet bepaalt dat de opsteller van het gezamenlijke besluit dit ter kennis van de betrokken entiteiten brengt, maar dat deze bepaling verschillende afwikkelingsautoriteiten, binnen het kader van hun respectievelijke bevoegdheden, opdraagt dat besluit te „verstrekken”. |
|
70 |
Zo heeft in het onderhavige geval de GAR, als afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, het bestreden besluit pas bij e-mail van 22 mei 2023 aan verzoekster toegezonden, in haar hoedanigheid van moederonderneming van de groep binnen de Unie, overeenkomstig artikel 45 nonies, lid 1, tweede alinea, onder c), van richtlijn 2014/59, terwijl de nationale afwikkelingsautoriteiten reeds vóór die datum op de hoogte waren gebracht. De BaFin is namelijk op 14 april 2023 in kennis gesteld en CSSF in ieder geval vóór 17 mei 2023. |
|
71 |
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat, nu verzoekster niet als adressaat van het bestreden besluit kan worden aangemerkt, zij rechtstreeks door dat besluit dient te worden geraakt. |
|
72 |
Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat ter vervulling van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen beroep is ingesteld, aan twee cumulatieve criteria moet zijn voldaan. Ten eerste moet de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor diens rechtspositie, en ten tweede moet hij aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (arresten van 13 oktober 2011, Deutsche Post en Duitsland/Commissie, C‑463/10 P en C‑475/10 P, EU:C:2011:656, punt 66; 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 42, en 28 oktober 2020, Associazione GranoSalus/Commissie, C‑313/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:869, punt 51). |
|
73 |
De GAR betoogt in essentie dat niet aan de eerste van de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan omdat het bestreden besluit geen rechtstreekse gevolgen heeft voor verzoeksters rechtspositie. |
|
74 |
Om vast te stellen of aan de eerste voorwaarde is voldaan, namelijk of het bestreden besluit rechtstreeks gevolgen kan hebben voor verzoeksters rechtspositie, moet worden gekeken naar de substantie van de betrokken handeling en moeten die gevolgen worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria, zoals de inhoud van die handeling, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de bevoegdheden van de instelling die de betreffende handeling heeft vastgesteld en de context waarin die vaststelling plaatsvond (zie arrest van 12 juli 2022, Nord Stream 2/Parlement en Raad, C‑348/20 P, EU:C:2022:548, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
75 |
Waar het gaat om een gezamenlijk besluit betreffende een grensoverschrijdende groep (zie punt 42 hierboven), moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de regeling die de Uniewetgever heeft ingevoerd voor de vaststelling van de MREL’s voor elke entiteit van de groep binnen de Unie (zie de punten 38–48 hierboven). |
|
76 |
In casu stellen zowel het bestreden besluit als besluit SRB/EES/2022/215 de MREL’s vast voor de entiteiten van de groep waar verzoekster toe behoort. |
|
77 |
Het bestreden besluit vormt evenwel de binnen de Unie in haar geheel tussen de GAR en de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, te weten de nationale bank van Hongarije, gesloten overeenkomst op grond van richtlijn 2014/59, terwijl besluit SRB/EES/2022/215, vastgesteld op grond van verordening nr. 806/2014, die overeenkomst concretiseert binnen de bankenunie. |
|
78 |
Aldus is het bestreden besluit krachtens artikel 45 nonies, lid 7, van richtlijn 2014/59 slechts bindend voor de „betrokken” afwikkelingsautoriteiten, namelijk degene die zich door de vaststelling van het gezamenlijke besluit jegens elkaar hebben gebonden. In het onderhavige geval betreft dit de GAR en de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, de nationale bank van Hongarije. |
|
79 |
De vaststelling van het bestreden besluit brengt op zichzelf dan ook geen enkel ander rechtsgevolg teweeg binnen de bankenunie dan de verbintenis die de GAR jegens de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, de nationale bank van Hongarije, op zich neemt om de MREL’s toe te passen zoals die met haar zijn overeengekomen. |
|
80 |
Wat betreft besluit SRB/EES/2022/215 daarentegen, bepaalt artikel 12, lid 1, van verordening nr. 806/2014 dat de GAR de MREL’s vaststelt waaraan de af te wikkelen entiteiten en groepen te allen tijde moeten voldoen. Volgens artikel 12, lid 5, van deze verordening brengt de GAR zijn vaststelling ter kennis van de nationale afwikkelingsautoriteiten, die de instructies van de GAR uitvoeren overeenkomstig artikel 29 van die verordening. |
|
81 |
In casu heeft de GAR door de vaststelling van besluit SRB/EES/2022/215 – waarvan overweging twee onder meer verwijst naar de artikelen 12 tot en met 12 duodecies en artikel 29 van verordening nr. 806/2014 – een besluit genomen op grond van voornoemde bepalingen waarbij deze raad binnen de bankenunie de MREL’s heeft bepaald voor de groep waartoe verzoekster behoort. |
|
82 |
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet rechtstreeks gevolgen heeft voor verzoeksters rechtspositie in de zin van de in punt 72 hierboven aangehaalde rechtspraak. |
|
83 |
Aan deze vaststelling wordt niet afgedaan door de conclusie van het beroepspanel van de GAR in zijn beslissing van 15 december 2023 in de gevoegde zaken 2/2023 en 3/2023 waar verzoekster naar verwijst. Volgens het beroepspanel raakt het gezamenlijke besluit aan de belangen van de verzoekende kredietinstelling doordat het haar rechtspositie merkelijk wijzigt (punt 46 van de beslissing van het beroepspanel). Het beroepspanel heeft geoordeeld dat het bestreden besluit het besluit is waarbij het MREL definitief is vastgesteld (punt 48 van de beslissing van het beroepspanel). |
|
84 |
Het beroepspanel van de GAR heeft zijn beoordeling van het bestreden besluit gebaseerd op de aanname dat het gaat om een louter geheel van zogenaamde „parallelle” individuele besluiten van de verschillende afwikkelingsautoriteiten, die dezelfde inhoud hebben en die afzonderlijk door elke van de betrokken afwikkelingsautoriteiten zijn goedgekeurd. Volgens dat panel was het gezamenlijke besluit slechts een bundeling in één enkel document van de besluiten van de bevoegde autoriteiten, die binnen de respectievelijke bevoegdheidssferen van die autoriteiten reeds hun gevolgen sorteren, ongeacht of genoemde autoriteiten met het besluit hebben ingestemd. |
|
85 |
Een dergelijke hypothese gaat echter voorbij aan het aspect van wederzijdse verbintenis dat volgens artikel 45 nonies, lid 7, van richtlijn 2014/59 inherent is aan het gezamenlijke besluit. |
|
86 |
Bovendien wordt die uitlegging ontkracht door artikel 45 nonies, lid 3, van richtlijn 2014/59. Volgens die bepaling moet de afwikkelingsautoriteit specifieke regels in acht nemen indien er niet binnen de termijn een gezamenlijk besluit is genomen (zie punt 48 hierboven). Hieruit volgt dat de situatie verschillend is naargelang alle autoriteiten al dan niet met een gezamenlijk besluit hebben ingestemd. Indien de betrokken autoriteiten – namelijk de autoriteiten die, door hun deelname aan het afwikkelingscollege waarin het gezamenlijke besluit is opgesteld en goedgekeurd, als zodanig zijn aangewezen – niet allen instemmen, dan is er geen gezamenlijk besluit. Wat betreft de Hongaarse afwikkelingsautoriteit, de nationale bank van Hongarije, is deze essentiële voorwaarde van instemming uitdrukkelijk neergelegd in artikel 5 van het besteden besluit. Dit artikel bepaalt namelijk dat het besluit wordt aangenomen zodra de GAR de instemming van de afwikkelingsautoriteit van de niet-deelnemende lidstaat heeft ontvangen. |
|
87 |
Aangezien het bestreden besluit geen rechtstreekse gevolgen heeft voor verzoeksters rechtspositie, dient de door de GAR opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, ontleend aan het ontbreken van procesbevoegdheid bij verzoekster, te worden aanvaard. |
|
88 |
Anders dan de GAR in zijn vierde niet-ontvankelijkheidsgrond aanvoert (zie punt 21 hierboven), vloeit de niet-ontvankelijkheid van het beroep evenwel niet voort uit het feit dat er niet vooraf beroep is ingesteld bij het beroepspanel van de GAR. Artikel 85, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 806/2014 bepaalt namelijk dat elke natuurlijke of rechtspersoon, met inbegrip van de afwikkelingsautoriteiten, beroep kan aantekenen tegen een in artikel 10, lid 10, artikel 11, artikel 12, lid 1, de artikelen 38 tot en met 41, artikel 65, lid 3, artikel 71 en artikel 90, lid 3, van deze verordening bedoeld besluit van de GAR dat tot die persoon gericht is of dat van rechtstreeks en individueel belang is voor die persoon. Het gezamenlijke besluit inzake het MREL heeft echter een bijzonder karakter. Het vormt met name geen besluit van de GAR als bedoeld in die bepalingen. Voorts is het bestreden besluit niet tot verzoekster gericht en heeft het geen rechtstreekse gevolgen voor haar rechtspositie, zodat zij hierdoor niet rechtstreeks wordt geraakt (zie de punten 80-83 hierboven). |
|
89 |
Hieruit volgt dat verzoekster geen beroep kon instellen bij het beroepspanel van de GAR, zodat haar niet kan worden verweten dat zij rechtstreeks beroep heeft ingesteld bij de Unierechter krachtens artikel 263 VWEU. |
|
90 |
Gelet op een en ander moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. |
Verzoek tot schorsing
|
91 |
Aangezien de GAR met betrekking tot zijn primaire verordening in het gelijk is gesteld, hoeft niet meer te worden beslist op zijn subsidiair in het kader van de exceptie van niet-ontvankelijkheid geformuleerde verzoek om de procedure te schorsen tot de uitspraak in de zaak BNP Paribas/GAR (T‑71/22), die overigens is afgesloten bij doorhalingsbeschikking van 8 november 2024 (niet gepubliceerd, EU:T:2024:834). |
Verzoek tot interventie
|
92 |
Overeenkomstig artikel 144, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering wordt, wanneer de verweerder een exceptie van niet-ontvankelijkheid of een exceptie van onbevoegdheid als bedoeld in artikel 130, lid 1, van dat Reglement heeft opgeworpen, pas op het verzoek tot interventie beslist nadat de exceptie is verworpen of met het onderzoek van de zaak ten gronde is gevoegd. Overeenkomstig artikel 142, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering is de interventie ondergeschikt aan het hoofdgeding en raakt zij met name zonder voorwerp bij niet-ontvankelijkverklaring van het verzoekschrift. |
|
93 |
Op de verzoeken tot interventie van het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie hoeft dan ook niet meer te worden beslist. |
Kosten
|
94 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. |
|
95 |
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de GAR worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de GAR. |
|
96 |
Overeenkomstig artikel 144, lid 10, van het Reglement voor de procesvoering dragen de indiener van een verzoek tot interventie en de hoofdpartijen, indien in de hoofdzaak een einde komt aan het geding voordat op het verzoek tot interventie is beslist, elk hun eigen kosten in verband met het verzoek tot interventie. |
|
97 |
Derhalve zullen verzoekster, de GAR, het Parlement, de Raad en de Commissie elk hun eigen kosten dragen in verband met de verzoeken tot interventie aan de zijde van de GAR. |
|
HET GERECHT (Derde kamer – uitgebreid), beschikt: |
|
|
|
|
|
Luxemburg, 11 juni 2025. De griffier V. Di Bucci De president H. Kanninen |
( *1 ) Procestaal: Duits.