This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62023CC0633
Opinion of Advocate General Rantos delivered on 27 February 2025.###
Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 27 februari 2025.
Conclusie van advocaat-generaal A. Rantos van 27 februari 2025.
ECLI identifier: ECLI:EU:C:2025:131
Voorlopige editie
CONCLUSIE VAN ADVOCAAT‑GENERAAL
A. RANTOS
van 27 februari 2025 (1)
Zaak C‑633/23
Electrabel nv,
Federatie van de Belgische Elektriciteits‑ en Gasbedrijven vzw,
Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen vzw,
Wind4wallonia 2 nv,
Luminus nv,
EDF Belgium nv,
ActiVent Wallonie cv,
Eol’Wapi nv,
Lumiwind cv,
Luminus Wind Together cv
tegen
Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit
en het Gas (CREG),
in tegenwoordigheid van:
Belgische Staat
[verzoek van de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) om een prejudiciële beslissing]
„ Prejudiciële verwijzing – Interne markt voor elektriciteit – Verordening (EU) 2022/1854 – Noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen – Artikel 2, punten 5 en 9 – Artikelen 6 tot en met 8 – Plafond op de inkomsten uit de elektriciteitsmarkt – Bepaling van ‚marktinkomsten’ – Nationale regelgeving die voorziet in het gebruik van onweerlegbare of gedeeltelijk weerlegbare vermoedens die het niet mogelijk maken om rekening te houden met de werkelijk gerealiseerde inkomsten – Rechtstreekse werking – Beginsel van evenredigheid – Artikel 22, lid 2, onder c) – Tijdvak van de toepassing van de artikelen 6 tot en met 8 van deze verordening – Inkomstenplafond dat wordt toegepast op een datum vóór de in genoemde verordening voorziene datum – Beginselen van voorrang, doeltreffendheid en loyale samenwerking ”
I. Inleiding
1. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22 van verordening (EU) 2022/1854(2), gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, artikel 288 VWEU, artikel 6 VEU alsmede de beginselen van voorrang, evenredigheid, doeltreffendheid van het Unierecht en loyale samenwerking.
2. Dit verzoek is ingediend in het kader van drie beroepen tot nietigverklaring die zijn ingesteld door respectievelijk, ten eerste, Electrabel nv, ten tweede, de Federatie van de Belgische Elektriciteits‑ en Gasbedrijven vzw, de Organisatie voor Duurzame Energie Vlaanderen vzw en Wind4Wallonia 2 nv (hierna samen: „Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven e.a.”) en, ten derde, Luminus nv, EDF Belgium nv, ActiVent Wallonie cv, Eol’Wapi nv, Lumiwind cv en Luminus Wind Together cv (hierna samen: „Luminus e.a.”) (hierna alle samen: „verzoeksters in het hoofdgeding”) tegen een beslissing van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (België; hierna: „CREG”) over het model van aangifte in te dienen door de schuldenaars van de heffing ingevoerd in het kader van het plafond op de marktinkomsten van elektriciteitsproducenten (hierna: „bestreden beslissing”(3)).
3. Meer in het bijzonder twijfelt de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) of een nationale regeling die overeenkomstig verordening 2022/1854 een systeem van plafonnering van de inkomsten uit de elektriciteitsmarkt invoert dat is gebaseerd op een reeks vermoedens die onweerlegbaar dan wel weerlegbaar zijn, dat niet toestaat rekening te houden met de werkelijk door de elektriciteitsproducenten gerealiseerde inkomsten en dat bovendien is toegepast op een datum die vóór de in voornoemde verordening voorziene datum ligt, verenigbaar is met voornoemde bepalingen van het Unierecht.
4. In deze context wordt het Hof voor het eerst verzocht om duidelijkheid te scheppen over de mogelijke beoordelingsmarge waarover de lidstaten beschikken bij de toepassing van de bij verordening 2022/1854 ingevoerde maatregel om de inkomsten van bepaalde elektriciteitsproducenten te plafonneren en om, in voorkomend geval, de criteria vast te stellen die in aanmerking moeten worden genomen ter afbakening van deze maatregel, met name de methode op basis waarvan deze inkomsten worden bepaald alsook de temporele werkingssfeer van een dergelijke maatregel.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5. De overwegingen 30 en 37 van verordening 2022/1854 luiden:
„(30) Het plafond op marktinkomsten moet worden vastgesteld op basis van marktinkomsten en niet op basis van de totale opwekkingsinkomsten [...]. Ongeacht de contractuele vorm waarin de handel in elektriciteit kan plaatsvinden, mag het plafond op marktinkomsten alleen gelden voor gerealiseerde marktinkomsten. [...]
[...]
(37) Om een effectieve handhaving van het plafond op marktinkomsten te handhaven, verstrekken producenten, intermediairs en relevante marktdeelnemers de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, de benodigde gegevens. Gezien het grote aantal individuele transacties waarvoor de bevoegde instanties van de lidstaten het plafond op marktinkomsten moeten handhaven, moeten die instanties voor de berekening van het plafond van marktinkomsten kunnen gebruikmaken van redelijke ramingen.”
6. Artikel 2 („Definities”) van deze verordening bepaalt in de punten 5 en 9 ervan het volgende:
„Voor de toepassing van deze verordening [...] zijn ook de volgende definities van toepassing:
[...]
5) ‚marktinkomsten’: de inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie, ongeacht de contractuele vorm waarin die ruil plaatsvindt, [...];
[...]
9) ‚surplus aan inkomsten’: een positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten per MWh elektriciteit en het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond op marktinkomsten van 180 EUR per MWh elektriciteit”.
7. Artikel 6 („Verplicht plafond op marktinkomsten”) van deze verordening luidt als volgt:
„1. De marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, bedoelde bronnen worden geplafonneerd op maximaal 180 EUR per MWh geproduceerde elektriciteit.
[...]
3. De lidstaten nemen doeltreffende maatregelen om te voorkomen dat de uit hoofde van lid 2 op producenten rustende verplichtingen worden omzeild. Zij zorgen er met name voor dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast in gevallen waarin producenten worden gecontroleerd door, of gedeeltelijk eigendom zijn van, andere ondernemingen, met name wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde onderneming.
[...]
5. De Commissie biedt de lidstaten sturing bij de uitvoering van dit artikel.”
8. Artikel 7 („Toepassing van het plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten”) van deze verordening bepaalt:
„1. Het in artikel 6 vastgestelde plafond op marktinkomsten is van toepassing op de marktinkomsten uit de verkoop van elektriciteit die wordt opgewekt uit de volgende bronnen:
[...]
6. Producenten [...] verstrekken de bevoegde instanties van de lidstaten en, in voorkomend geval, de systeembeheerders en benoemde elektriciteitsmarktbeheerders, alle nodige gegevens voor de toepassing van artikel 6, onder meer over de geproduceerde elektriciteit en de daaruit voortvloeiende marktinkomsten, ongeacht het markttijdsbestek waarin de transactie plaatsvindt en ongeacht of de elektriciteit op een bilaterale markt, binnen dezelfde onderneming of op een gecentraliseerde markt wordt verhandeld.”
9. Artikel 8 („Nationale crisismaatregelen”) van verordening 2022/1854 bepaalt het volgende:
„1. De lidstaten kunnen:
a) maatregelen handhaven of invoeren die de marktinkomsten van de producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen [...] verder beperken, inclusief de mogelijkheid om tussen technologieën te differentiëren;
[...]
c) nationale maatregelen handhaven of invoeren om de marktinkomsten van producenten die elektriciteit opwekken uit andere dan de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen te beperken;
[...]
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen, overeenkomstig deze verordening:
a) zijn evenredig en niet‑discriminerend;
b) ondermijnen investeringssignalen niet;
c) zorgen ervoor dat de investerings‑ en exploitatiekosten worden gedekt;
d) hebben geen verstorende werking op de groothandelsmarkt voor elektriciteit en hebben in het bijzonder geen gevolgen voor de rangorde van in te zetten capaciteit (‚merit order’) en de prijsvorming op de groothandelsmarkt;
e) zijn verenigbaar met het Unierecht.”
10. Artikel 22 van deze verordening („Inwerkingtreding en toepassing”) luidt als volgt:
„1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. [...] [D]eze verordening [is] van toepassing tot en met 31 december 2023, waarbij het volgende geldt:
[...]
c) De artikelen 6, 7 en 8 zijn van toepassing van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023.
[...]”
B. Belgisch recht
1. Elektriciteitswet
11. Artikel 22 ter van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt(4), zoals gewijzigd bij wet tot wijziging van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en tot invoering van een plafond op marktinkomsten van elektriciteitsproducenten van 16 december 2022(5), dat van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: „elektriciteitswet”) stelt, in § 1 ervan, een plafond in op de marktinkomsten van elektriciteitsproducenten door middel van een heffing ten behoeve van de staat over het surplus aan inkomsten dat tussen 1 augustus 2022 en 30 juni 2023 wordt behaald.
12. Ingevolge § 5, eerste alinea, van dit artikel worden „marktinkomsten” gedefinieerd als de inkomsten die de betrokken elektriciteitsproducenten voor elke transactie ontvangen in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit gedurende de in § 1 van dat artikel bedoelde periode.
13. De tweede alinea van § 5 bevat vermoedens voor de vaststelling van deze inkomsten die verschillen naargelang van de verschillende soorten productie‑installaties. Meer in het bijzonder stelt § 5, tweede alinea, punten 1° en 2°, onweerlegbare vermoedens vast die van toepassing zijn op kerncentrales. In de punten 3° tot en met 5°, van deze alinea zijn weerlegbare vermoedens vastgesteld die respectievelijk van toepassing zijn: op niet onder de punten 1° en 2° vallende installaties waarvan de productie onder een stroomafnameovereenkomst valt (punt 3°); op de niet onder de punten 1°, 2° en 3° bedoelde installaties waarvoor geen productiesteunregeling geldt, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag niet afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs, of waarvoor een productiesteunregeling geldt waarvan het bedrag afhankelijk is van de evolutie van de elektriciteitsprijs op een periode van drie jaar (punt 4°), en op alle andere installaties die niet onder de punten 1°, 2°, 3° en 4° vallen (punt 5°). Ten slotte voorziet punt 6° van deze alinea voor producenten die onder de weerlegbare vermoedens van de punten 3°, 4° en 5° vallen in de mogelijkheid om deze vermoedens te weerleggen door aan te tonen dat hun marktinkomsten verschillen van de inkomsten die zijn vastgesteld bij toepassing van de genoemde vermoedens, op voorwaarde dat zij dit bewijs leveren voor hun volledige productiepark. Diezelfde vermoedens kunnen echter enkel worden omgekeerd door middel van de volgende vermoedens:
„a) de aan‑ en verkoop van elektriciteit binnen een verticaal geïntegreerde onderneming of tussen ondernemingen waarvan de ene in het bezit is van of rechtstreeks of onrechtstreeks gedeeltelijk gecontroleerd wordt door de andere, wordt voor de toepassing van dit artikel geacht te zijn gesloten op basis van een prijs die overeenkomt met de marktprijs op de dag van de transactie voor de leveringsperiode waarop de transactie betrekking heeft, zoals gepubliceerd door een platform voor de uitwisseling van energieblokken die in België actief is;
b) elk geproduceerd en verkocht, maar niet op termijn verkocht volume van elektriciteit wordt geacht te zijn verkocht tegen de marktreferentieprijs;
c) elke verkoop op termijn van elektriciteit is een transactie die wordt gedefinieerd door zijn transactiedatum, prijs en volume;
d) het volume van elektriciteit dat op de day‑aheadmarkt is verkocht, wordt geacht te zijn verhandeld voor elke leveringsperiode van één uur.”
14. Ingevolge artikel 22 ter, § 6, vierde alinea, stelt de CREG het model van de aangifte en het formaat van de stukken vast die, met het oog op de vaststelling van de verschuldigde heffing, door de aan het plafond onderworpen producenten moeten worden toegezonden.
2. Bestreden beslissing
15. De bestreden beslissing, die op 28 februari 2023 door de CREG is vastgesteld overeenkomstig artikel 22 ter, § 6, vierde alinea, van de elektriciteitswet, stelt het model van de aangifte en het formaat van de documenten vast die door de schuldenaars van de bij artikel 22 ter, § 1, van die wet ingevoerde heffing moeten worden toegezonden.
III. Hoofdgeding, prejudiciële vragen en procedure bij het Hof
16. Verzoeksters in het hoofdgeding zijn ofwel privaatrechtelijke rechtspersonen die producenten en leveranciers zijn van elektriciteit uit de in artikel 7, lid 1, van verordening 2022/1854 genoemde energiebronnen en onderworpen zijn aan de bij artikel 22 ter, §1, van de elektriciteitswet ingestelde heffing, ofwel privaatrechtelijke rechtspersonen die geen elektriciteitsproducenten of ‑leveranciers zijn en eveneens aan deze heffing onderworpen zijn, ofwel federaties van ondernemingen in de elektriciteitsproductie‑ en ‑leveringssector die handelen ten behoeve van hun leden en wier procesbelang is vastgesteld overeenkomstig de elektriciteitswet.
17. Op 29 maart 2023 hebben Electrabel en de Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven e.a., en op 30 maart 2023 hebben Luminus e.a. bij de cour d’appel de Bruxelles drie beroepen ingesteld tot nietigverklaring van de bestreden beslissing. Gezien hun gelijkenissen heeft de cour d’appel de Bruxelles de drie beroepen gevoegd.
18. Tot staving van hun beroep voeren verzoeksters in het hoofdgeding, in de eerste plaats, middelen tot nietigverklaring aan die betrekking hebben op het uitsluitende karakter van de vermoedens zoals vastgesteld in de bestreden beslissing. Zij betogen in wezen dat deze beslissing in strijd is met artikel 2, punten 5 en 9, en de artikelen 6 tot en met 8 van verordening 2022/1854 voor zover zij hen verplicht inkomsten aan te geven die niet werkelijk zijn gerealiseerd, terwijl deze verordening vereist dat de werkelijk gerealiseerde inkomsten worden aangegeven. Verzoeksters in het hoofdgeding verwijten de CREG dan ook dat zij zich in deze beslissing heeft gebaseerd op het systeem van de zes vermoedens die in artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, punten 1° tot en met 6°, van de elektriciteitswet zijn bepaald. Dit systeem, dat uitsluitend gebaseerd is op vermoedens die onweerlegbaar zijn, dan wel weerlegbaar zijn maar enkel kunnen worden omgekeerd onder bepaalde voorwaarden en door zich te beroepen op andere vermoedens, leidt ertoe dat rekening wordt gehouden met fictieve inkomsten, ondanks het feit dat het ingevolge verordening 2022/1854 ingevoerde plafond van toepassing is op de inkomsten die werkelijk door de elektriciteitsproducenten zijn gerealiseerd. Bovendien bepaalt deze verordening dat het plafond „per transactie” geldt, terwijl volgens alle in het hoofdgeding aan de orde zijnde vermoedens de elektriciteit wordt geacht het voorwerp te zijn geweest van één verkoop per dag tegen de elektriciteitsprijs voor elk van die dagen op een elektriciteitsbeurs indien zij op termijn is verkocht, en van één verkoop per uur indien zij op de dagmarkt is verkocht. Het systeem geeft aanleiding tot een heffing als het plafond wordt overschreden op een dag of uur tijdens de periode, terwijl de werkelijk ontvangen prijs een gemiddelde prijs onder het plafond of een vaste prijs onder het plafond is. De invoering van een systeem zoals dat in het hoofdgeding aan de orde is, is niet gerechtvaardigd en heeft tot doel de geheven belasting te verhogen.
19. De CREG en de Belgische Staat beroepen zich, op hun beurt, in het bijzonder op overweging 37 van verordening 2022/1854, waarin staat te lezen dat de lidstaten voor de berekening van het plafond van marktinkomsten gebruik kunnen maken van redelijke ramingen. Bovendien bevat die verordening geen specifieke regel voor de berekening van het bedrag van de inkomsten. Volgens hen leidt het gebruik van vermoedens niet tot het belasten van fictieve inkomsten, maar maakt het het mogelijk om de technische moeilijkheden te overwinnen in verband met de precieze vaststelling van de prijs voor elke MWh elektriciteit die tijdens de periode van toepassing van de heffing wordt verkocht en geleverd, en verlicht het tegelijkertijd de administratieve lasten voor de belastingplichtigen en de met de toepassing van de heffing belaste overheidsinstanties. Het onweerlegbare karakter van de vermoedens vervat in de punten 1° en 2° van artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, van de elektriciteitswet, is gerechtvaardigd aangezien het systeem is gebaseerd op eerder vastgestelde verkoopstrategieën, in overleg met de exploitanten van de betrokken kerncentrales.
20. Om te beginnen geeft de verwijzende rechter aan dat het feit dat de in casu verweten onrechtmatigheden voortvloeien uit de toepassing van artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, punten 1° tot en met 6°, van de elektriciteitswet, geen invloed heeft op zijn bevoegdheid om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van de bestreden beslissing. Volgens hem berusten de vermoedens die in die bepalingen zijn neergelegd en op basis waarvan de CREG in de bestreden beslissing haar model van de aangifte van de inkomsten heeft opgesteld – de voorafgaande stap voor de vaststelling van de door elke schuldenaar verschuldigde heffing – op een geheel of een opeenvolging van vermoedens waaraan de schuldenaar zich nooit volledig kan onttrekken, zodat hij niet in staat is om zijn werkelijk gerealiseerde inkomsten aan te geven. Deze rechter wijst erop dat er in casu geen algemene technische onmogelijkheid om de werkelijke inkomsten vast te stellen is aangetoond. Hoewel technische moeilijkheden tot op zekere hoogte het gebruik van vermoedens kunnen rechtvaardigen, rechtvaardigen zij dus niet dat dergelijke vermoedens onweerlegbaar van aard zijn.
21. Bovendien merkt deze rechter een mogelijke tegenstrijdigheid op in de bepalingen van verordening 2022/1854 met betrekking tot de berekening van het plafond van marktinkomsten. Hij is namelijk van oordeel dat, hoewel artikel 2, punten 5 en 9, en de artikelen 6 en 7 van deze verordening, gelezen in het licht van overweging 30 ervan, a priori lijken aan te geven dat voor de berekening van het surplus aan inkomsten moet worden uitgegaan van de werkelijk door de producenten gerealiseerde inkomsten, overweging 37 van deze verordening de lidstaten toestaat om voor de berekening van het plafond van marktinkomsten redelijke ramingen te gebruiken. Deze rechter geeft aan dat hij er op het eerste gezicht niet van overtuigd is dat de genoemde mogelijkheid om de lidstaten toe te staan om gebruik te maken van ramingen, hun toestaat een systeem in te stellen dat uitsluitend is gebaseerd op onweerlegbare vermoedens of op vermoedens die weliswaar gedeeltelijk weerlegbaar zijn, maar op een wijze die de door de lidstaat theoretisch vastgelegde elementen laat voortbestaan, los van de werkelijk gerealiseerde inkomsten.
22. Wat, in de tweede plaats, de door de bestreden beslissing bestreken periode betreft, betogen Electrabel en de Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven e.a. in wezen dat, aangezien deze beslissing voorziet in een model van aangifte voor de periode tussen 1 augustus en 31 december 2022, terwijl verordening 2022/1854 pas vanaf 1 december 2022 een plafond op de inkomsten oplegt en de lidstaten niet gerechtigd zijn om met terugwerkende kracht een heffing over het surplus aan inkomsten toe te passen, deze beslissing in strijd is met de artikelen 6 tot en met 8, 20 en 22 van deze verordening, artikel 288 VWEU, de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en het beginsel van loyale samenwerking.
23. De CREG en de Belgische Staat voeren op hun beurt aan dat de Belgische wetgever daartoe voor de voormelde periode echter wel degelijk gerechtigd was krachtens zijn algemene fiscale autonomie. De Belgische Staat verwijst in het bijzonder naar artikel 8, lid 1, van verordening 2022/1854, op grond waarvan de lidstaten „maatregelen [kunnen] handhaven of invoeren die de marktinkomsten [...] verder beperken”.
24. Volgens de verwijzende rechter heeft de Belgische wetgever niet gemotiveerd waarom hij de datum van inwerkingtreding van de betrokken heffing op een andere datum heeft vastgesteld dan die welke in verordening 2022/1854 is bepaald, daar hij enkel heeft aangegeven dat het ingevoerde systeem niet in strijd is met het beginsel van niet‑terugwerkende kracht op fiscaal gebied, zonder te specificeren of deze heffing voor de periode tussen 1 augustus en 30 november 2022 een van het Unierecht onafhankelijke nationale maatregel vormt. Deze rechter is bijgevolg van oordeel dat artikel 22, lid 2, van deze verordening zich, gelet op de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht en van loyale samenwerking, kan verzetten tegen nationale maatregelen waarmee de in de verordening voorziene regeling wordt uitgevoerd vanaf een eerdere datum dan die welke in deze bepaling is vastgesteld. Dienaangaande is artikel 8, lid 1, van de verordening volgens hem niet ondubbelzinnig over de vraag of de door deze bepaling aan de lidstaten geboden mogelijkheid ook de mogelijkheid omvat om vóór de datum van inwerkingtreding van de verordening een plafonneringsregeling toe te passen.
25. In deze omstandigheden heeft de cour d’appel de Bruxelles de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1) Moeten de artikelen 6, 7 en 8 van verordening [2022/1854], gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, in het licht van alle overwegingen ervan en in samenhang met, in het bijzonder, artikel 288 VWEU en artikel 6 VEU, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van nationale maatregelen zoals die van artikel 22 ter [van de elektriciteitswet, in het bijzonder § 5, tweede alinea, ervan], waarin wordt bepaald dat het in artikel 6 van deze verordening vastgestelde plafond zich uit in een heffing op het surplus aan inkomsten van de elektriciteitsproducenten, wanneer de vraag of er sprake is van een surplus aan inkomsten boven het vastgestelde plafond wordt beantwoord aan de hand van de marktinkomsten die voor bepaalde installaties worden vastgesteld op basis van onweerlegbare vermoedens voor de berekening van theoretische inkomsten (zie artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, punten 1° en 2°, van de elektriciteitswet), waardoor de schuldenaren van de heffing niet hun werkelijke inkomsten kunnen aangeven en doen gelden?
2) Moeten de artikelen 6, 7 en 8 van verordening [2022/1854], gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, in het licht van alle overwegingen ervan en in samenhang met, in het bijzonder, artikel 288 VWEU en artikel 6 VEU, alsook met het evenredigheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van nationale maatregelen zoals die van artikel 22 ter [van de elektriciteitswet, in het bijzonder § 5, tweede alinea, ervan], waarin wordt bepaald dat het in artikel 6 van de verordening vastgestelde plafond zich uit in een heffing op het surplus aan inkomsten van de elektriciteitsproducenten, wanneer de vraag of er sprake is van een surplus aan inkomsten boven het vastgestelde plafond wordt beantwoord aan de hand van de marktinkomsten die voor bepaalde installaties (zie artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, punten 3° tot en met 6°), worden vastgesteld op basis van vermoedens die als weerlegbaar worden voorgesteld maar die de schuldenaren van de heffing enkel kunnen weerleggen door aan te tonen wat hun werkelijke inkomsten voor al hun installaties zijn – met inbegrip van hun installaties die niet binnen de werkingssfeer van [die] verordening vallen – en zich daarnaast alsnog te beroepen op bepaalde vermoedens, waardoor zij niet hun werkelijke inkomsten kunnen aangeven en doen gelden?
3) Moeten de artikelen 6, 7, 8 en 22 van verordening [2022/1854], gelezen in samenhang met de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht, alsook met het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, VEU), en, in het bijzonder, met artikel 288 VWEU, in het licht van alle overwegingen ervan aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de toepassing van nationale maatregelen die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn genomen, zoals artikel 22 ter, § 1, van de elektriciteitswet, dat is ingevoegd bij de wet van 16 december 2022 en voorziet in de invoering van een systeem voor de plafonnering van de marktinkomsten van elektriciteitsproducenten vanaf een eerdere datum dan 1 december 2022, zoals 1 augustus 2022?”
26. Bij het Hof zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Electrabel, de Federatie van de Belgische Elektriciteits- en Gasbedrijven e.a., Luminus e.a., de CREG, de Belgische en de Griekse regering alsmede de Europese Commissie.
IV. Analyse
A. Eerste en tweede prejudiciële vraag
27. Met zijn eerste en tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening 2022/1854 en inzonderheid de artikelen 6 tot en met 8 ervan, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, in het licht van alle overwegingen ervan, en in samenhang met artikel 288 VWEU, artikel 6 VEU alsook het evenredigheidsbeginsel, zich verzetten tegen een nationale maatregel die een systeem invoert voor de berekening van marktinkomsten waarop het (in artikel 6, lid 1, van deze verordening bedoelde) plafond van toepassing is, op basis van vermoedens die onweerlegbaar (eerste vraag) of gedeeltelijk weerlegbaar (tweede vraag) zijn, en aldus de schuldenaren van de heffing belet om hun werkelijke inkomsten te bewijzen.
28. Aangezien de eerste twee vragen dezelfde bepalingen van het Unierecht betreffen en betrekking hebben op de uitlegging van het begrip „marktinkomsten” van elektriciteitsproducenten die aan het plafond zijn onderworpen, en meer in het bijzonder op de vaststelling van de criteria die bij de berekening van die inkomsten in aanmerking moeten worden genomen, moeten zij tezamen worden behandeld.
29. Alvorens deze twee vragen te onderzoeken, acht ik het passend om kort het algemene kader in herinnering te brengen dat bij verordening 2022/1854 is vastgesteld en te verduidelijken of de plafonneringsbepalingen, en met name artikel 6, lid 1, van die verordening, rechtstreekse werking hebben.
1. Opmerkingen vooraf
a) Algemene kader dat is vastgesteld door verordening 2022/1854
30. Inleidend breng ik in herinnering dat verordening 2022/1854 een noodinterventie vormt om het hoofd te bieden aan de stijging van de elektriciteitsprijzen in de context van de energiecrisis na de aanvalsoorlog van Rusland tegen Oekraïne en de daaruit voortvloeiende ingrijpende verstoring van de energiemarkt door ernstige leveringsproblemen. Met deze interventie heeft de Uniewetgever een geharmoniseerd kader in het leven willen roepen voor de herverdeling van het surplus aan inkomsten om de bezorgdheid weg te nemen over de aanzienlijke verstoringen tussen producenten die de energiemarkt in gevaar zouden kunnen brengen. Deze verordening, die is vastgesteld op basis van artikel 122 VWEU, is niet bedoeld om permanente marktmaatregelen in te voeren, maar om uitzonderlijke, gerichte en in de tijd beperkte initiatieven te nemen om specifieke marktomstandigheden het hoofd te bieden.
31. Ik wijs er ook op dat deze verordening geen volledige harmonisatie tot stand brengt, maar een instrument is om de verschillende maatregelen die de lidstaten in het kader van de energiecrisis hebben genomen, te coördineren. Hoewel de lidstaten daarmee enige speelruimte wordt gelaten bij de tenuitvoerlegging ervan(6), blijft deze speelruimte onderworpen aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze verordening die de lidstaten in acht moeten nemen bij de vaststelling van bovengenoemde maatregelen.(7)
32. Voorts merk ik op dat, hoewel verordening 2022/1854 algemene richtsnoeren geeft om de door haar nagestreefde doelstellingen te bereiken, geen van de bepalingen ervan een specifieke en bindende methode vaststelt die de lidstaten moeten volgen met betrekking tot de wijze waarop het plafond en de daaraan onderworpen inkomsten moeten worden vastgesteld. Dienaangaande zij opgemerkt dat artikel 6, lid 5, van die verordening weliswaar bepaalt dat „[d]e Commissie [...] de lidstaten sturing [biedt] bij de uitvoering” van dit artikel 6, maar dat zij deze sturing niet heeft bepaald.
b) Rechtstreekse werking van de bepalingen van verordening 2022/1854 betreffende het inkomstenplafond
33. Om te beginnen merk ik op dat de verwijzende rechter het Hof weliswaar niet uitdrukkelijk bevraagt over de rechtstreekse werking van de bepalingen van verordening 2022/1854 betreffende het inkomstenplafond, en met name artikel 6, lid 1, ervan, maar dat hij met zijn eerste twee vragen verwijst naar artikel 288 VWEU.(8) Tegen deze achtergrond stel ik voor deze problematiek kort te onderzoeken alvorens op de gestelde vragen ten gronde in te gaan.
34. In herinnering moet worden gebracht dat, overeenkomstig artikel 288 VWEU, een verordening in beginsel rechtstreeks toepasselijk is in al haar onderdelen, maar dat het Hof heeft erkend dat het voor de toepassing van sommige bepalingen van een verordening vereist kan zijn om nationale uitvoeringsmaatregelen vast te stellen.(9) Hoewel de bepalingen van een verordening over het algemeen rechtstreekse werking hebben, is het bovendien niet onmogelijk dat sommige bepalingen dat niet hebben wanneer zij niet voldoende duidelijk, onvoorwaardelijk en nauwkeurig zijn.(10)
35. In casu wordt, zoals in de punten 30 en 31 van deze conclusie is uiteengezet, niet betwist dat verordening 2022/1854, gelet op de rechtsgrondslag waarop deze verordening is vastgesteld, namelijk artikel 122 VWEU, geen uitputtende harmonisatie op het gebied van belastingen tot stand brengt, maar een coördinatie van de verschillende op nationaal niveau genomen maatregelen, en dat de lidstaten derhalve over een zekere beoordelingsmarge beschikken bij de uitvoering van deze verordening. Deze omstandigheid kan echter, anders dan de Belgische regering en de CREG betogen, op zich de verordening niet van haar rechtstreekse werking ontdoen. Aan de lidstaten mag in het kader van de toepassing van deze verordening namelijk dan wel een zekere beoordelingsmarge zijn toegekend met betrekking tot de specifieke maatregelen die zij kunnen vaststellen, maar deze marge kan enkel worden uitgeoefend binnen de grenzen van het Unierecht. Maken zij gebruik van deze beoordelingsmarge, dan mogen zij dus geen handelingen vaststellen die de werkingssfeer van verordening 2022/1854 kunnen wijzigen en kan er geen maatregel worden vastgesteld die in strijd is met het Unierecht.
36. Nu dit is verduidelijkt, moet worden nagegaan of artikel 6, lid 1, van verordening 2022/1854 voldoet aan de in de rechtspraak van het Hof gestelde, en in punt 34 van deze conclusie in herinnering gebrachte voorwaarden om te kunnen worden geacht rechtstreekse werking te hebben, namelijk dat deze bepaling voldoende duidelijk, onvoorwaardelijk en nauwkeurig is. Er moet worden vastgesteld dat dit in casu het geval is, aangezien zij een onvoorwaardelijke verplichting invoert om de marktinkomsten te plafonneren(11) door, ten eerste, nauwkeurig en ondubbelzinnig een specifieke categorie personen aan te wijzen die aan de plafonnering is onderworpen door te verwijzen naar artikel 7, lid 1, van die verordening dat een gedetailleerde lijst bevat van de energiebronnen waarvoor de plafonnering geldt en, ten tweede, het maximumbedrag van de betrokken plafonnering vast te stellen.(12)
2. Ten gronde
37. In herinnering zij gebracht dat de nationale rechter met zijn eerste twee vragen het Hof vraagt of een nationale regeling die voor de vaststelling van de inkomsten die in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van het in die regeling vastgestelde plafond, vermoedens instelt die volgens die rechter onweerlegbaar of moeilijk weerlegbaar zijn, verenigbaar is met verordening 2022/1854.
38. Om te beginnen wil ik erop wijzen dat, ondanks het ontbreken van een specifieke methode voor de berekening van het bedrag van het surplus aan inkomsten waarvoor het plafond geldt, uit de bewoordingen van verordening 2022/1854 zelf blijkt dat het door de lidstaten op grond van die verordening ingevoerde plafond in beginsel niet van toepassing kan zijn op theoretische inkomsten die niet overeenkomen met de realiteit van de markt, maar de werkelijk door de betrokken producenten gerealiseerde winsten moet weerspiegelen.
39. Dit blijkt duidelijk uit de artikelen 6 tot en met 8 van de verordening die bepalen dat het verplichte plafond van toepassing is op de marktinkomsten, die in artikel 2, punt 5, van de verordening worden gedefinieerd als „inkomsten die een producent ontvangt in ruil voor de verkoop en levering van elektriciteit in de Unie”. Punt 9 van dat artikel voegt daaraan toe dat het surplus aan inkomsten wordt gedefinieerd als het positief verschil tussen de marktinkomsten van producenten en het in artikel 6, lid 1, vastgestelde plafond. Voorts staat in overweging 30 van die verordening te lezen dat het plafond op marktinkomsten moet worden vastgesteld op basis van marktinkomsten en niet op basis van de totale opwekkingsinkomsten en dat het plafond op marktinkomsten alleen mag gelden voor gerealiseerde marktinkomsten.
40. Niettemin moet erop worden gewezen dat, hoewel de bovengenoemde bepalingen erop lijken te wijzen dat de berekening van het surplus aan inkomsten gebaseerd moet zijn op de werkelijk door de producenten realiseerde inkomsten, in overweging 37 van verordening 2022/1854 staat lezen dat de lidstaten gebruik mogen maken van redelijke ramingen om het bedrag van het plafond te berekenen, zonder te definiëren of te specificeren wat onder „redelijke ramingen” moet worden verstaan.
41. Daarom moet in de eerste plaats worden onderzocht of het gebruik van vermoedens om het bedrag van de marktinkomsten te ramen, kan worden gerechtvaardigd in het licht van de doelstellingen die met verordening 2022/1854 worden nagestreefd.
42. Ten eerste zij herinnerd aan de specifieke context waarin de verplichting tot een inkomstenplafond is ingevoerd. Het doel van deze verordening was om met spoed maatregelen te nemen teneinde de gevolgen van de hoge energieprijzen te verzachten, hetgeen vereiste dat het plafond snel werd ingevoerd, zodat de buitengewone winsten van bepaalde producenten konden worden herverdeeld onder de door de energiecrisis getroffen consumenten. Het valt niet te ontkennen dat in een dergelijke context het gebruik van redelijke ramingen, ook in de vorm van vermoedens, voor de onmiddellijke uitvoering van kortetermijnmaatregelen een doeltreffend en in veel gevallen noodzakelijk middel kan zijn om noodmaatregelen toe te passen en zo de doeltreffendheid van de plafonnering te garanderen.
43. Ten tweede wijs ik erop dat, zoals opgemerkt in punt 30 van deze conclusie, de lidstaten weliswaar de inhoud en doelstellingen van verordening 2022/1854 moeten naleven, maar dat hun een zekere beoordelingsmarge wordt gelaten, met name wat betreft de wijze waarop de marktinkomsten worden bepaald. De lidstaten moeten dus de methoden kunnen kiezen die zij technisch en administratief noodzakelijk achten en die passen bij de specifieke kenmerken van hun respectieve nationale markten, teneinde de uitzonderlijke noodmaatregelen op de meest doeltreffende en passende wijze ten uitvoer te leggen. De nationale classificatie van de betrokken ramingen is overigens irrelevant en mag derhalve niet verhinderen dat deze zij de vorm van vermoedens aannemen, mits de nationale wetgeving voldoet aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze verordening.
44. Ten derde merk ik op dat de doeltreffende uitvoering van verordening 2022/1854 in de praktijk afhangt van de gegevens die de producenten aan de bevoegde autoriteiten moeten verstrekken, zodat deze het plafond en de te innen bedragen kunnen vaststellen. Het is echter juist vanwege praktische overwegingen in verband met het potentieel grote aantal transacties waarop het plafond van toepassing is en de mogelijke moeilijkheid om het precieze bedrag van de werkelijke inkomsten(13) te bepalen, dat overweging 37 van die verordening toelaat dat de autoriteiten van de lidstaten gebruikmaken van redelijke ramingen bij de berekening van het plafond van de marktinkomsten.
45. Ten vierde merk ik op dat de lidstaten krachtens artikel 6, leden 2 en 3, van deze verordening doeltreffende maatregelen moeten nemen om de daadwerkelijke toepassing van het plafond te waarborgen en te voorkomen dat het bij lid 1 van dat artikel vastgestelde plafond voor de marktinkomsten wordt omzeild. Voorts preciseert lid 3 van dat artikel dat die lidstaten „er met name voor [zorgen] dat het plafond op marktinkomsten daadwerkelijk wordt toegepast in gevallen waarin producenten worden gecontroleerd door, of gedeeltelijk eigendom zijn van, andere ondernemingen, met name wanneer zij deel uitmaken van een verticaal geïntegreerde onderneming”.
46. In dit verband moet worden opgemerkt dat, zoals duidelijk blijkt uit de schriftelijke opmerkingen van de Belgische regering en de CREG, het gebruik van bepaalde weerlegbare vermoedens deel uitmaakt van een „antimisbruik”‑strategie, die tot doel heeft het risico op omzeiling van het plafond te beperken en aldus de doeltreffende toepassing van de nationale maatregelen die zijn genomen ter uitvoering van verordening 2022/1854 te waarborgen. Gezien de technische moeilijkheden, zo niet de onmogelijkheid, om een onderscheid te maken tussen elektriciteitsvolumen volgens hun productiewijze en om de inkomsten van de verschillende installaties van eenzelfde producent te isoleren, waren de betrokken vermoedens noodzakelijk om te voorkomen dat elektriciteitsproducenten met verschillende productie‑installaties de inkomsten boven het plafond toewezen aan hun marginale installaties (waarvoor het plafond niet geldt) of mogelijkerwijs hun toevlucht namen tot transacties binnen een groep(14) om de toepassing van het plafond te omzeilen.(15)
47. Hoewel in het licht van het voorgaande moet worden geoordeeld dat het gebruik van vermoedens voor de vaststelling van het bedrag van de aan het plafond onderworpen inkomsten gerechtvaardigd kan zijn in het licht van de door verordening 2022/1854 nagestreefde doelstellingen, moet, in een tweede stap, nog worden onderzocht of het door de Belgische regeling ingevoerde systeem van vermoedens voldoet aan de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die verordening en niet verder gaat dan noodzakelijk is om de door die verordening nagestreefde doelstellingen te bereiken.
48. Dienaangaande lijkt het mij van belang te beklemtonen dat voor de beoordeling van de verenigbaarheid van het door de Belgische wettelijke regeling ingevoerde systeem van vermoedens met de uit deze verordening voortvloeiende beginselen een diepgaande analyse nodig is van een geheel van feitelijke en technische elementen waarover alleen de nationale rechter beschikt, en een onderzoek van de gevolgen van deze wettelijke regeling in de praktijk vereist, waartoe alleen deze rechter bevoegd is. Niettemin kan het Hof dienaangaande aanwijzingen geven. Naar mijn mening zijn de volgende criteria relevant voor de analyse die de nationale rechter zal moeten verrichten.
49. In de eerste plaats wil ik erop wijzen dat, zoals blijkt uit de bovenstaande punten 42 en 46 van deze conclusie, de lidstaten op grond van overweging 37 van verordening 2022/1854 de mogelijkheid hebben om voor de berekening van de inkomsten waarop het plafond moet worden toegepast gebruik te maken van vermoedens, waarbij wel moet worden nagegaan of deze vermoedens het mogelijk maken om tot een redelijke raming te komen van de inkomsten die deze producenten werkelijk hebben gerealiseerd. Aangezien dit begrip „redelijke raming” in het kader van deze verordening niet is gedefinieerd, vereist de uitlegging ervan enige verduidelijking.
50. Wil het systeem van vermoedens in overeenstemming zijn met dit begrip, dan moeten de door de Belgische regeling ingestelde vermoedens zijn gebaseerd op objectieve elementen, zoals marktgegevens die de werkelijke inkomsten van de betrokken producenten zo nauwkeurig mogelijk kunnen weergeven. Evenwel zij opgemerkt dat een raming per definitie een benadering van een bepaalde waarde is en dus niet altijd overeenkomt met de exacte waarde. Hieruit volgt dat een mogelijk verschil tussen de werkelijke en de vermoede inkomsten kan worden aanvaard, zonder dat dit automatisch tot gevolg heeft dat de betrokken vermoedens onverenigbaar zijn met verordening 2022/1854. Dit verschil, dat in dit geval zowel in het voordeel als in het nadeel van de betrokken producenten kan uitvallen, moet echter redelijk blijven, dat wil zeggen gematigd zijn, en mag niet leiden tot een aanzienlijke overschatting van de door de betrokken producenten gerealiseerde inkomsten.
51. Hieruit volgt dat een stelsel van vermoedens, dat de betrokken producenten niet de mogelijkheid biedt om hun werkelijk gerealiseerde inkomsten te gebruiken of om belangrijke fouten in deze ramingen te corrigeren, alleen onverenigbaar met verordening 2022/1854 moet worden geacht indien komt vast te staan dat de criteria die zijn gebruikt om de betrokken vermoedens vast te stellen onredelijk zijn, in die zin dat de gegevens op basis waarvan die vermoedens zijn vastgesteld, fundamenteel onjuist en onvolledig zijn en uitkomen op fictieve inkomsten die volledig losstaan van de realiteit van de markt of de facto uitkomen op een aanzienlijk verschil tussen de geraamde inkomsten en de werkelijk gerealiseerde inkomsten. Hoewel het aan de verwijzende rechter staat om een dergelijke beoordeling te maken, is het nuttig om bij wijze van voorbeeld op te merken dat, gelet op de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van deze verordening, de vastgestelde vermoedens, om als „redelijke ramingen” te kunnen worden aangemerkt, niet mogen leiden tot de belasting van elektriciteitsvolumen die niet zijn geproduceerd, of tot situaties waarin elektriciteit met verlies wordt verkocht.
52. In dit geval is het echter van belang te benadrukken dat, hoewel de verwijzende rechter het standpunt lijkt te delen van de verzoeksters in het hoofdgeding, die betogen dat de onweerlegbare of gedeeltelijk weerlegbare vermoedens die in de Belgische regeling zijn vastgesteld het niet mogelijk maken te verzekeren dat het plafond wordt toegepast op de werkelijke gerealiseerde inkomsten, wat leidt tot het risico van een berekening van de inkomsten die aanzienlijk verschilt van de werkelijke inkomsten, het geïdentificeerde risico niettemin in abstracto wordt gepresenteerd.(16)
53. In de tweede plaats merk ik op dat, ook al rechtvaardigen de doelstellingen om de administratieve lasten te verminderen en om te voorkomen dat het plafond wordt omzeild a priori dat gebruik wordt gemaakt van vermoedens, zoals is vastgesteld in de punten 44 tot en met 46 van deze conclusie, met name om te waarborgen dat dit plafond daadwerkelijk wordt toegepast, uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat antimisbruikbepalingen in beginsel niet verder mogen gaan dan nodig is om de nagestreefde doelstellingen te bereiken en een algemeen vermoeden van fraude en misbruik aan te tonen.(17) Wat meer specifiek de onweerlegbare vermoedens in belastingzaken betreft, heeft het Hof geoordeeld dat, in tegenstelling tot een eenvoudig vermoeden, een regeling die het bestaan van misbruik of frauduleus gedrag veronderstelt louter op grond dat aan alle voorwaarden van die regeling is voldaan, zonder de belastingplichtige de mogelijkheid te bieden om dit vermoeden om te keren en het werkelijke gebruik van het betrokken product te bewijzen, verder gaat dan nodig is om de doelstelling van bestrijding van belastingfraude en ‑ontwijking te verwezenlijken.(18)
54. Het kan echter niet worden uitgesloten dat, rekening houdend met het tegelijk spoedeisende en tijdelijke karakter van de betrokken uitzonderlijke maatregel en de beoordelingsmarge die de lidstaten hebben bij de precieze vaststelling van de inkomsten waarop het plafond van toepassing is, het gebruik van dergelijke vermoedens gerechtvaardigd kan zijn. Dit geldt des te meer wanneer, zoals hier het geval lijkt te zijn, wordt gedoeld op een beperkte en bijzondere categorie producenten, wier inkomsten, vanwege de voor hen specifieke omstandigheden(19), vooraf in overleg met de overheidsinstanties zijn vastgesteld en zodanig door nationale regels worden omlijnd dat de betrokken producenten er niet zomaar van kunnen afwijken.(20)
55. Gezien het bovenstaande geef ik in overweging om de eerste en de tweede vraag in die zin te beantwoorden dat de artikelen 6 tot en met 8 van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, in het licht van alle overwegingen ervan, en met, in het bijzonder, artikel 288 VWEU en artikel 6 VEU alsmede het evenredigheidsbeginsel, niet in de weg staan aan een nationale regeling die uitgaat van vermoedens voor het berekenen van de inkomsten van de elektriciteitsproducenten die aan het plafond zijn onderworpen, voor zover een dergelijk systeem van vermoedens waarborgt dat de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 8, lid 2, van die verordening worden geëerbiedigd.
B. Derde prejudiciële vraag
56. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of verordening 2022/1854 en met name de artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22, lid 2, onder c), ervan, gelezen in samenhang met de overwegingen ervan, met artikel 288 VWEU en de beginselen van voorrang, doeltreffendheid en loyale samenwerking, in de weg staan aan een nationale regeling die na de inwerkingtreding van die verordening is vastgesteld ter uitvoering van die verordening, en die de temporele werkingssfeer van het in artikel 6 van die verordening vastgestelde plafond uitbreidt tot een datum vóór die welke door die verordening is vastgesteld.
57. In casu rijst deze vraag omdat de temporele werkingssfeer van de Belgische regeling niet overeenkomt met die als bedoeld in verordening 2022/1854, die deze regeling beoogt uit te voeren. Meer specifiek vloeien de twijfels die de verwijzende rechter heeft geuit over de verenigbaarheid van die regeling met het Unierecht voort uit het feit dat die regeling op 16 december 2022 is vastgesteld, dat wil zeggen na de vaststelling van die verordening, maar dat de Belgische wetgever niettemin heeft besloten om het in artikel 6 van die verordening voorziene plafond toe te passen vanaf 1 augustus 2022, ook al bepaalt artikel 22, lid 2, onder c), van die verordening dat de artikelen 6, 7 en 8 met betrekking tot het inkomstenplafond van toepassing zijn van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2023.
58. Hoewel er geen twijfel over bestaat dat de lidstaten gedurende de periode waarop verordening 2022/1854 betrekking heeft, verplicht zijn om te voldoen aan de daarin gestelde voorwaarden, kan mijns inziens niet worden volgehouden dat deze verordening buiten de temporele werkingssfeer waarin zij uitdrukkelijk voorziet verplichtingen kan scheppen voor deze staten, aangezien laatstgenoemden buiten deze periode de vrijheid behouden om rechtssituaties te regelen overeenkomstig hun nationale recht. Bijgevolg zou iedere toepassing van het betrokken plafond vóór die periode buiten de werkingssfeer ratione temporis van diezelfde verordening en dus buiten het kader van het Unierecht moeten vallen.
59. Hoewel verordening 2022/1854 niet uitdrukkelijk bepaalt dat het plafond op het surplus aan inkomsten op de wijze kan worden toegepast zoals door de Belgische regering is gedaan(21), volgt uit geen enkele bepaling van deze verordening dat deze van toepassing is op een maatregel tot plafonnering van inkomsten die is ingevoerd bij nationale regelgeving met betrekking tot een periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van die verordening en a fortiori dat een dergelijke regelgeving moet voldoen aan de voorwaarden die in die verordening zijn vastgelegd. De datum van inwerkingtreding van de door de Uniewetgever voorziene maatregel tot plafonnering van de marktinkomsten kan immers niet tot gevolg hebben dat het de lidstaten wordt verboden om in het kader van de uitoefening van hun fiscale bevoegdheid en mits zij eventueel toepasselijke bepalingen van Unierecht eerbiedigen, maatregelen te nemen die identiek zijn aan die welke in verordening 2022/1854 zijn opgenomen maar waarvan de temporele werkingssfeer niet overeenkomt met die van deze verordening.
60. Overigens laat het feit dat de betrokken nationale maatregel ingevolge deze verordening en na de inwerkingtreding ervan is vastgesteld, zoals de verwijzende rechter opmerkt, het voorgaande mijns inziens onverlet.(22) Hetzelfde geldt voor de door de verwijzende rechter vermelde omstandigheid dat de motivering van de elektriciteitswet er niet op wijst dat het in het hoofdgeding aan de orde zijnde plafond een hybride karakter heeft, namelijk enerzijds een maatregel ter uitvoering van verordening 2022/1854 voor de periode vanaf 1 december 2022 en anderzijds een maatregel die de uitoefening door het Koninkrijk België van zijn eigen bevoegdheid voor de periode tussen 1 augustus en 30 november 2022 weergeeft. Zou ervan worden uitgegaan dat de Belgische regering op een en dezelfde rechtsgrondslag niet één, maar twee maatregelen heeft vastgesteld, die elk betrekking hebben op een verschillende periode, dan zou de door de verwijzende rechter gestelde vraag namelijk niet aan de orde zijn of zou daarop althans een ander antwoord kunnen worden gegeven, zodat de mogelijkheid om het betrokken plafond toe te passen op een periode vóór de inwerkingtreding van verordening 2022/1854 dus zou afhangen van de keuze van de nationale wetgever, hetgeen mijns inziens ongetwijfeld tot een overdaad aan formalisme zou leiden.
61. Zelfs al gaat men ervan uit dat de toepassing van een plafond op de vóór 1 december 2022 gerealiseerde inkomsten ratione temporis binnen de werkingssfeer van die verordening valt – waarvan ik, zoals uiteengezet in de punten 59 en 60 van deze conclusie, niet overtuigd ben – mijn standpunt blijft ongewijzigd wat betreft de mogelijkheid voor de lidstaten om na de inwerkingtreding van die verordening nationale maatregelen ter uitvoering van het plafond vast te stellen vanaf een eerdere datum dan die welke in die verordening is bepaald.
62. Ik breng in dit verband in herinnering dat verordening 2022/1854 geen uitputtende harmonisatie tot stand brengt, maar een instrument is voor de coördinatie van de verschillende maatregelen die de lidstaten in het kader van de energiecrisis hebben genomen, waarmee de lidstaten aldus een zekere beoordelingsmarge wordt gelaten bij de uitvoering ervan. Ook moet worden opgemerkt dat artikel 8, lid 1, onder a), van de verordening bepaalt dat de lidstaten „maatregelen [kunnen] handhaven of invoeren die de marktinkomsten van de producenten die elektriciteit opwekken uit de in artikel 7, lid 1, genoemde bronnen [...] verder beperken”, voor zover de voorwaarden van artikel 8, lid 2, van die verordening in acht worden genomen.
63. Het heeft er alle schijn van dat de wetgever van de Unie door gebruik van het woord „handhaven” heeft willen verwijzen naar maatregelen die reeds vóór de inwerkingtreding van deze verordening van kracht waren, dat wil zeggen maatregelen die de lidstaten vóór 1 december 2022 hadden vastgesteld en die zij uitdrukkelijk mochten handhaven. Uit de bewoordingen van deze verordening blijkt echter niet duidelijk of artikel 8 ervan, door de invoering toe te staan van maatregelen die de inkomsten verder beperken, ook een andere toepassing van het vastgestelde maximum in de tijd toestaat, in casu een eerdere toepassing dan die welke is vastgesteld bij verordening 2022/1854.
64. Om de volgende redenen ben ik echter van mening dat een dergelijke uitlegging in overeenstemming is met de doelstellingen van verordening 2022/1854.
65. Ik ben, ten eerste, namelijk van mening dat de keuze voor een andere oplossing tot een paradoxale situatie zou leiden, aangezien de geldigheid van de maatregelen die andere lidstaten in de periode vóór de inwerkingtreding van die verordening hebben genomen, niet ter discussie zou worden gesteld op grond van artikel 8, lid 1, onder a), van die verordening, dat uitdrukkelijk de handhaving van dergelijke maatregelen toestaat, terwijl de door de Belgische regering ingevoerde maatregelen wel ter discussie zouden worden gesteld, louter omdat zij zijn vastgesteld na de datum van inwerkingtreding van de verordening, terwijl deze maatregelen vergelijkbaar zijn met die welke door de andere lidstaten zijn vastgesteld, betrekking hebben op dezelfde periode (namelijk de periode vóór de inwerkingtreding van de verordening) en hetzelfde doel nastreven, namelijk de herverdeling van het surplus aan inkomsten ten gunste van de door de energiecrisis getroffen verbruikers.(23)
66. Ten tweede zou een dergelijke benadering vragen doen rijzen over de gelijke behandeling van de producenten waarvoor het plafond geldt(24), aangezien Belgische elektriciteitsproducenten of ‑leveranciers (in het bijzonder de inframarginale producenten) de extra winsten die zij vóór de inwerkingtreding van verordening 2022/1854 hebben behaald, zouden kunnen behouden, terwijl zij die in andere lidstaten actief zijn, hun inkomsten belast zouden zien op basis van de plafonneringsmaatregelen die door hun respectieve lidstaten zijn ingevoerd.(25)
67. Ten derde zie ik niet in hoe de toepassing van een plafond op marktinkomsten die zijn gerealiseerd vóór de in verordening 2022/1854 bedoelde periode, de toepassing van het in die verordening vastgestelde plafond en de andere daarmee nagestreefde doelstellingen zou kunnen belemmeren, en dus de beginselen van doeltreffendheid van het Unierecht en van loyale samenwerking, waarover de verwijzende rechter twijfelt, zou kunnen ondermijnen. Aangezien de Uniewetgever in die verordening zelf erkent dat, althans vanaf februari 2022, de prijsstijgingen niet konden worden gerechtvaardigd door de normale werking van de markt, maar een uitzonderlijke situatie vormden waarin de lidstaten buitengewone maatregelen konden nemen(26), kan de Belgische regering niet worden verweten dat zij maatregelen heeft genomen die juist bedoeld waren om een door verordening 2022/1854 geïdentificeerd marktfalen te verhelpen. Bovendien zou het feit dat die regering heeft besloten om zowel voor de door die verordening bestreken periode als voor de daaraan voorafgaande periode dezelfde plafonneringsregeling toe te passen, de door de Uniewetgever nagestreefde doelstellingen niet ter discussie stellen, maar juist bijdragen aan de verwezenlijking ervan.(27)
68. In het geval dat de litigieuze nationale regeling binnen de temporele werkingssfeer van deze verordening zou vallen, zou de analyse ervan vanuit het oogpunt van het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van bescherming van het rechtmatige vertrouwen van de marktdeelnemers, zoals aangevoerd door verzoeksters in het hoofdgeding, bovendien waarschijnlijk geen ander antwoord meebrengen.
69. Wat, om te beginnen, het vertrouwensbeginsel betreft, breng ik namelijk in herinnering dat een marktdeelnemer zich volgens vaste rechtspraak van het Hof alleen op dit beginsel kan beroepen wanneer een nationale autoriteit bij hem gegronde verwachtingen heeft gewekt.(28) Wanneer een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer echter de vaststelling van een voor zijn belangen nadelige maatregel kan voorzien, kan hij zich bij de vaststelling van die maatregel niet op het voordeel van een dergelijk beginsel beroepen.(29)
70. In casu had een voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer moeten verwachten dat de nationale autoriteiten zouden ingrijpen om het marktfalen te verhelpen door tijdelijke noodmaatregelen te treffen om het hoofd te bieden aan de onvoorzienbare stijging van de elektriciteitsprijzen op de markt, zodat in een dergelijke buitengewone context de nationale autoriteiten bij de betrokken producenten geen verwachtingen konden wekken ten aanzien van de inhouding van uitzonderlijke en onverwachte inkomsten.(30)
71. Verder herinner ik er met betrekking tot het rechtszekerheidsbeginsel aan dat dit beginsel bijzonder strikt van toepassing is op wetgeving die financiële lasten kan meebrengen, en dat dit eraan in de weg staat dat een handeling van de Unie reeds vóór de publicatie ervan van kracht is.(31) Bij wijze van uitzondering kan hiervan worden afgeweken wanneer een doel van algemeen belang zulks vereist en het rechtmatige vertrouwen van de betrokkenen naar behoren in acht is genomen, of wanneer er blijkens de bewoordingen, de doelstellingen of de opzet van de betrokken regels zulke gevolgen aan dienen te worden toegekend.(32)
72. Zelfs ervan uitgaande dat de Belgische regering de bij verordening 2022/1854 ingevoerde maatregel tot plafonnering van de inkomsten met terugwerkende kracht heeft toegepast, zou een dergelijke benadering mijns inziens in casu gerechtvaardigd zijn gelet op het doel van algemeen belang die met deze maatregel wordt nagestreefd, namelijk de bescherming van de consument door middel van een noodmaatregel van korte duur om de energiecrisis het hoofd te bieden.(33)
73. Gelet op het voorgaande geef ik in overweging om de derde vraag in die zin te beantwoorden dat de artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22, lid 2, onder c), van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met alle overwegingen van deze verordening, met artikel 288 VWEU alsook met de beginselen van voorrang, doeltreffendheid en loyale samenwerking, zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in de toepassing van een systeem van plafonnering van de marktinkomsten die elektriciteitsproducenten realiseren in een tijdvak vóór de inwerkingtreding van deze verordening.
V. Conclusie
74. Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de door de cour d’appel de Bruxelles gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
„1) De artikelen 6, 7 en 8 van verordening (EU) 2022/1854 van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen, gelezen in samenhang met artikel 2, punten 5 en 9, ervan, in het licht van alle overwegingen van deze verordening, en met, in het bijzonder, artikel 288 VWEU, artikel 6 VEU alsmede het evenredigheidsbeginsel,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij niet in de weg staan aan een nationale regeling die uitgaat van vermoedens voor het berekenen van de inkomsten van de elektriciteitsproducenten die aan het plafond zijn onderworpen, voor zover een dergelijk systeem van vermoedens waarborgt dat de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 8, lid 2, van die verordening worden geëerbiedigd.
2) De artikelen 6 tot en met 8 en artikel 22, lid 2, onder c), van verordening 2022/1854, gelezen in samenhang met alle overwegingen van deze verordening, met artikel 288 VWEU alsook met de beginselen van voorrang, doeltreffendheid en loyale samenwerking,
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling die voorziet in de toepassing van een systeem van plafonnering van de marktinkomsten die elektriciteitsproducenten realiseren in een tijdvak vóór de inwerkingtreding van deze verordening.”
1 Oorspronkelijke taal: Frans.
2 Verordening van de Raad van 6 oktober 2022 betreffende een noodinterventie in verband met de hoge energieprijzen (PB 2022, L 261 I, blz. 1).
3 Beslissing (B)2511 van 28 februari 2023.
4 Belgisch Staatsblad van 11 mei 1999, blz. 16264.
5 Belgisch Staatsblad van 22 december 2022, blz. 98819.
6 Zoals blijkt uit de heterogeniteit van de maatregelen ter uitvoering van verordening 2022/1854 door de lidstaten, en zoals wordt benadrukt in het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad betreffende de evaluatie van noodinterventies in verband met de hoge energieprijzen overeenkomstig verordening [2022/1854] [COM(2023) 302 final] (hierna: „verslag van de Commissie”).
7 Gaat men ervan uit dat de lidstaten de hoogte van het plafond en de te innen inkomsten naar eigen goeddunken mogen vaststellen, en daartoe dus de discretionaire bevoegdheid hebben, dan zou de met verordening 2022/1854 beoogde en nagestreefde coördinatie immers zinloos worden.
8 Dienaangaande beklemtoont de Belgische regering dat het Hof zich moet uitspreken over de rechtstreekse werking van de betrokken bepalingen omdat, indien het Hof zou oordelen dat verordening 2022/1854 zich verzet tegen het gebruik van vermoedens zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, de vraag rijst of de nationale rechter de bestreden nationale bepalingen buiten toepassing moet laten. Deze regering verwijst in het bijzonder naar de lessen die kunnen worden getrokken uit het arrest van 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 68), volgens hetwelk een nationale rechter niet verplicht is om louter op grond van het Unierecht een met een Unierechtelijke bepaling strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing te laten indien deze laatste bepaling geen rechtstreekse werking heeft.
9 Zie met name arresten van 11 januari 2001, Monte Arcosu (C‑403/98, EU:C:2001:6, punten 26 en 28), 12 april 2018, Commissie/Denemarken (C‑541/16, EU:C:2018:251, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak) en 30 mei 2024, Expedia (C‑663/22, EU:C:2024:433, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
10 Zie in de rechtsleer Lenaerts, K., en Van Nuffel, P., EU Constitutional Law, Oxford University Press, Oxford, 2021, nr. 18.013, blz. 721‑723.
11 Het begrip „marktinkomsten” wordt overigens ook duidelijk gedefinieerd in artikel 2, punt 5, van verordening 2022/1854.
12 In dit verband moet worden opgemerkt dat de omstandigheid dat verordening 2022/1854 niet voorziet in een specifieke en bindende methodologie voor de berekening van het plafond en dat sommige bepalingen ervan de lidstaten een beoordelingsmarge bieden in het kader van de vaststelling van dit plafond, met inbegrip van, om te beginnen, de mogelijkheid die in artikel 8, lid 1, van deze verordening wordt geboden om maatregelen in te voeren die de marktinkomsten verder beperken en de mogelijkheid om een onderscheid te maken tussen de technologieën die door elektriciteitsproducenten worden gebruikt, en voorts, de mogelijkheid om op basis van artikel 7, leden 3 tot en met 5, ervan aanvullende vrijstellingen te verlenen, afhankelijk van de specifieke kenmerken van hun energiemarkt, artikel 6, lid 1, van die verordening niet zijn rechtstreekse werking kan ontnemen, aangezien deze marge wordt afgebakend door artikel 8, lid 2, van die verordening. Hetzelfde geldt voor de leden 3 en 4 van artikel 6 van verordening 2022/1854 die de lidstaten de mogelijkheid bieden om doeltreffende maatregelen te treffen om te voorkomen dat de verplichtingen van elektriciteitsproducenten worden omzeild.
13 Zoals uit het verslag van de Commissie blijkt, hebben verschillende lidstaten melding gemaakt van problemen bij het verzamelen van gegevens en het berekenen van inkomsten.
14 Volgens artikel 22 ter, § 5, tweede alinea, punt 6°, van de elektriciteitswet golden er twee voorwaarden om de in de punten 3° tot en met 5° vastgestelde vermoedens te kunnen weerleggen. Volgens de eerste voorwaarde moest de betrokken producent de inkomsten uit zijn gehele productiepark aantonen. Deze voorwaarde stelde de Belgische autoriteiten dus in staat om een overzicht te krijgen van de wijze waarop de producenten hun inkomsten aan hun verschillende productie-installaties toerekenden en op die manier te voorkomen dat de hoogste inkomsten werden toegerekend aan installaties die niet onder het plafond vielen en de laagste inkomsten aan installaties die dat wel deden. Volgens de tweede voorwaarde werd de elektriciteit, in het geval van een verkoop binnen een concern, geacht te zijn verkocht tegen een prijs die coherent was met de marktprijs. Het doel van zo’n voorwaarde was te voorkomen dat de verkoop van elektriciteit tegen kunstmatig lage prijzen binnen dezelfde groep leidde tot de vrijstelling van producenten (die elektriciteit verkochten tegen een prijs onder het plafond) en dat het surplus aan inkomsten werd geïnd door derden (binnen dezelfde groep) die niet onder de heffing vielen.
15 Dienaangaande zij opgemerkt dat, hoewel verzoeksters in het hoofdgeding betogen dat het door de Belgische autoriteiten aangevoerde frauderisico hypothetisch en hoe dan ook irrelevant is ter rechtvaardiging van de betrokken vermoedens, de nationale rechter geen concreet standpunt lijkt in te nemen over het door de relevante bepalingen van de nationale regeling nagestreefde antimisbruikdoel.
16 De verwijzende rechter neemt namelijk geen standpunt in wat betreft de vraag of de criteria die zijn gehanteerd om de onweerlegbare vermoedens te bepalen, gebaseerd zijn op redelijke ramingen van de inkomsten. Hij is van oordeel dat hij dit punt pas kan onderzoeken als de vraag naar de rechtmatigheid van het exclusieve stelsel van vermoedens zelf is beantwoord.
17 Zie arrest van 7 september 2017, Eqiom en Enka (C‑6/16, EU:C:2017:641, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18 Zie arrest van 27 januari 2022, Commissie/Spanje (Informatieplicht in fiscale zaken) (C‑788/19, EU:C:2022:55, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19 In casu gaat het om de verlenging van de exploitatie van bepaalde kerncentrales.
20 Voorts zij erop gewezen dat artikel 8, lid 1, onder a), van verordening 2022/1854 de lidstaten in wezen toestaat om een onderscheid te maken tussen technologieën. Deze verordening kan zich er dus in elk geval niet tegen verzetten dat de inkomsten waarvoor het plafond geldt worden vastgesteld volgens verschillende methoden, afhankelijk van de betrokken technologie voor elektriciteitsopwekking.
21 In dit verband wil ik erop wijzen dat, zoals blijkt uit de voorbereidende werkzaamheden voor verordening 2022/1854, het door de Commissie opgestelde voorstel voor een verordening bepaalde dat de in artikel 6 van dit voorstel voorziene plafonneringsmaatregel vanaf 1 december 2022 van toepassing zou zijn, waarbij werd gespecificeerd dat „[d]it [...] een eerdere vrijwillige toepassing door de lidstaten onverlet [laat]”. Deze mogelijkheid voor de lidstaten om de verordening met terugwerkende kracht toe te passen, is echter niet gehandhaafd in de definitieve versie van de verordening.
22 Voor zover de nationale wettelijke regeling verordening 2022/1854 vóór de uitdrukkelijk in artikel 22 van die verordening bepaalde termijn uitvoert en het Koninkrijk België dus aan zijn Unierechtelijke verplichting voldoet, valt het feit dat de lidstaat voor de uitvoering van diezelfde plafonneringsmaatregel een andere datum kiest dan die welke uitdrukkelijk in die verordening is bepaald, onder zijn nationale bevoegdheid in belastingzaken.
23 In dit verband moet worden opgemerkt dat uit het verslag van de Commissie blijkt dat zeven lidstaten, waaronder het Koninkrijk België, het plafond met terugwerkende kracht hebben toegepast.
24 Dit ondanks de verschillende benaderingen op nationaal niveau met betrekking tot de wijze van heffing over het surplus aan inkomsten vóór de inwerkingtreding van verordening 2022/1854.
25 Hetzelfde zou gelden voor de consumenten, aangezien, indien het Koninkrijk België vóór de inwerkingtreding van verordening 2022/1854 en bij gebreke van uit de nationale begroting gefinancierde gelijkwaardige maatregelen ter compensatie van de aan de betrokken producenten opgelegde bedragen, de mogelijkheid zou worden ontnomen om het plafond op marktinkomsten toe te passen, de Belgische consumenten de ontvangen economische steun zouden mislopen in vergelijking met consumenten die woonachtig zijn in lidstaten waar de plafonneringsmaatregel van toepassing was vóór de inwerkingtreding van deze verordening.
26 Zie overweging 28 van verordening 2022/1854 en de mededeling van de Commissie van 8 maart 2022 [COM(2022) 108 final, met name blz. 4], waarin de Commissie aangeeft dat de lidstaten voor de financiering van dergelijke noodmaatregelen tijdelijke belastingmaatregelen ten aanzien van uitzonderlijke winsten kunnen overwegen.
27 Temeer daar een van de belangrijkste doelstellingen van verordening 2022/1854 de wens van de Uniewetgever is om de maatregelen van de verschillende lidstaten op het niveau van de Unie te coördineren, aangezien de invoering van ongecoördineerde maxima voor inkomsten uit de elektriciteitsmarkt zou kunnen leiden tot aanzienlijke verstoringen tussen concurrerende producenten op het niveau van de Unie.
28 Zie in die zin beschikking van 1 maart 2022, Milis Energy e.a. (C‑306/19, C‑512/19, C‑595/19 en C‑608/20–C‑611/20, EU:C:2022:164, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Deze rechtspraak preciseert in het bijzonder dat marktdeelnemers er niet rechtmatig op mogen vertrouwen dat een bestaande situatie die kan worden gewijzigd binnen het kader van de discretionaire bevoegdheden van de nationale autoriteiten, wordt gehandhaafd.
29 Zie ook mijn conclusie in de zaak Secab (C‑423/23, EU:C:2025:63, punten 52 en 53).
30 Hoewel dit een kwestie van nationaal recht is die het Hof niet dient te beoordelen en ten aanzien waarvan enkel de nationale rechter bevoegd is voor een beoordeling ten gronde, acht ik ook het argument van de Belgische regering en de CREG relevant dat de betrokken nationale regeling enkel betrekking heeft op inkomsten die worden gerealiseerd tijdens een belastingjaar dat op het ogenblik van de inwerkingtreding ervan nog niet is afgesloten, zodat de situatie in het hoofdgeding vanuit fiscaal oogpunt geen definitieve situatie vormt. Het lijkt er dus op dat een belastingmaatregel kan worden vastgesteld tot het einde van het belastbare tijdperk, dat doorgaans overeenkomt met het kalenderjaar, met betrekking tot inkomsten die tijdens dat belastbare tijdperk zijn verkregen, zodat een belastingmaatregel die in december 2022 is vastgesteld maar betrekking heeft op inkomsten die vóór die datum zijn verkregen, mogelijk is zonder dat een dergelijke maatregel naar Belgisch recht als terugwerkend kan worden aangemerkt. Bijgevolg konden de producenten redelijkerwijs niet denken dat inkomsten boven het verwachte niveau, verkregen in de loop van het jaar 2022, als definitief konden worden beschouwd en dat er geen belastingmaatregel meer jegens hen kon worden vastgesteld, en zulks ten minste tot het einde van het jaar 2022.
31 Zie arrest van 13 februari 2019, Human Operator (C‑434/17, EU:C:2019:112, punten 35 en 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32 Zie bijvoorbeeld arrest van 4 mei 2023, Kapniki A. Michailidis (C‑99/22, EU:C:2023:382, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
33 Zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Citroën Belux (C‑265/12, EU:C:2013:498, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 23 januari 2019, Walbusch Walter Busch (C‑430/17, EU:C:2019:47, punt 42).