Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62019CJ0143

Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2019.
Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland GmbH tegen Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO).
Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikelen 15 en 66 – Normaal gebruik van een collectief Uniemerk – Merk inzake een systeem van inzameling en verwerking van verpakkingsafval – Aanbrenging op de verpakking van de waren waarvoor het merk is ingeschreven.
Zaak C-143/19 P.

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2019:1076

 ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)

12 december 2019 ( *1 )

„Hogere voorziening – Uniemerk – Verordening (EG) nr. 207/2009 – Artikelen 15 en 66 – Normaal gebruik van een collectief Uniemerk – Merk inzake een systeem van inzameling en verwerking van verpakkingsafval – Aanbrenging op de verpakking van de waren waarvoor het merk is ingeschreven”

In zaak C‑143/19 P,

betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 20 februari 2019,

Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland GmbH, gevestigd te Keulen (Duitsland), vertegenwoordigd door P. Goldenbaum, Rechtsanwältin,

rekwirante,

andere partij in de procedure:

Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO), vertegenwoordigd door D. Hanf als gemachtigde,

verweerder in eerste aanleg,

wijst

HET HOF (Vijfde kamer),

samengesteld als volgt: E. Regan, kamerpresident, I. Jarukaitis, E. Juhász, M. Ilešič (rapporteur) en C. Lycourgos, rechters,

advocaat-generaal: G. Pitruzzella,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Met haar hogere voorziening verzoekt Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland GmbH (hierna: „DGP”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van 12 september 2018, Der Grüne Punkt/EUIPO – Halston Properties (Weergave van een cirkel met twee pijlen) (T‑253/17, EU:T:2018:909; hierna: „bestreden arrest”), houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 februari 2017 (zaak R 1357/2015‑5) inzake een procedure tot vervallenverklaring tussen Halston Properties s. r. o. en DGP (hierna: „litigieuze beslissing”).

Toepasselijke bepalingen

2

Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] (PB 2009, L 78, blz. 1) is gewijzigd bij verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 (PB 2015, L 341, blz. 21), die op 23 maart 2016 in werking is getreden. Vervolgens is deze verordening met ingang van 1 oktober 2017 ingetrokken en vervangen door verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB 2017, L 154, blz. 1). Gelet op de datum van de aan het geding ten grondslag liggende feiten moet de onderhavige hogere voorziening echter worden behandeld in het licht van verordening nr. 207/2009, in de oorspronkelijke versie ervan.

3

Artikel 9, lid 1, van deze verordening bepaalde:

„Het [Uniemerk] geeft de houder een uitsluitend recht. Dit recht staat de houder toe, iedere derde die niet zijn toestemming hiertoe heeft verkregen, het gebruik van een teken in het economische verkeer te verbieden:

[...]

b)

dat gelijk is aan of overeenstemt met het [Uniemerk] en gebruikt wordt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan; [...]

[...]”

4

Artikel 15, lid 1, van voornoemde verordening luidde:

„Een [Uniemerk] waarvan de houder vijf jaar na de inschrijving binnen de [Unie] geen normaal gebruik heeft gemaakt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is, of waarvan gedurende een ononderbroken tijdvak van vijf jaar geen normaal gebruik is gemaakt, is vatbaar voor de sancties van deze verordening, tenzij er geldige redenen zijn voor het niet gebruiken.

[...]”

5

Artikel 51 van dezelfde verordening was als volgt verwoord:

„1.   De rechten van de houder van het [Uniemerk] worden op vordering bij het Bureau of op reconventionele vordering in een inbreukprocedure vervallen verklaard:

a)

wanneer het merk in een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal in de [Unie] is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het ingeschreven is en er geen geldige reden is voor het niet gebruiken [...];

[...]

2.   Indien de grond van verval slechts bestaat voor een deel van de waren of diensten waarvoor het [Uniemerk] is ingeschreven, worden de rechten van de merkhouder alleen voor de betrokken waren of diensten vervallen verklaard.”

6

Artikel 66 van verordening nr. 207/2009 bepaalde:

„1.   Een collectief [Uniemerk] is een [Uniemerk] dat bij de aanvrage als zodanig wordt aangewezen en op grond waarvan de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is, onderscheiden kunnen worden van die van andere ondernemingen. Verenigingen van fabrikanten, producenten, dienstverrichters of handelaars, die overeenkomstig het daarvoor geldende recht bevoegd zijn om in eigen naam drager te zijn van ongeacht welke rechten en verplichtingen, overeenkomsten aan te gaan of andere rechtshandelingen te verrichten en in rechte op te treden, alsmede publiekrechtelijke rechtspersonen, kunnen collectieve [Uniemerken] aanvragen.

[...]

3.   Tenzij in de artikelen 67 tot en met 74 anders wordt bepaald, is deze verordening van toepassing op collectieve [Uniemerken].”

7

Artikel 67 van deze verordening luidde:

„1.   De aanvrager van een collectief [Uniemerk] moet binnen de gestelde termijn een reglement indienen.

2.   Het reglement bepaalt welke personen het merk mogen gebruiken, onder welke voorwaarden iemand tot de vereniging behoort en onder welke voorwaarden, voor zover deze bestaan, met inbegrip van sancties, het merk kan worden gebruikt. [...]”

8

De inhoud van de artikelen 9, 15, 51, 66 en 67 van verordening nr. 207/2009 is in grote lijnen overgenomen in de artikelen 9, 18, 58, 74 en 75 van verordening 2017/1001.

Voorgeschiedenis van het geding en litigieuze beslissing

9

DGP heeft op 12 juni 1996 een aanvraag tot inschrijving van het volgende beeldteken als collectief Uniemerk (hierna: „betrokken merk”) ingediend:

Image

10

Die inschrijving werd aangevraagd voor waren van de klassen 1 tot en met 34 in de zin van de Overeenkomst van Nice van 15 juni 1957 betreffende de internationale classificatie van de waren en diensten ten behoeve van de inschrijving van merken, zoals herzien en gewijzigd (hierna: „Overeenkomst van Nice”), alsmede voor diensten van de klassen 35, 39, 40, en 42 daarvan.

11

De aangeduide waren omvatten gangbare consumptiegoederen zoals voedingsmiddelen, dranken, kledingstukken, lichaamsverzorgingsproducten en reinigingsmiddelen, alsmede waren voor professioneel gebruik, zoals waren bestemd voor de landbouw en de industrie.

12

De aangeduide diensten werden omschreven als volgt:

klasse 35: „Reclame”;

klasse 39: „Transport; verpakking en opslag van goederen”;

klasse 40: „Behandeling van materialen; recycling van verpakkingsmateriaal”;

klasse 42: „Afvalverwerking; computerprogrammering [voor gegevensverwerking]”.

13

Volgens het bij de inschrijvingsaanvraag gevoegde reglement werd het betrokken merk gecreëerd „teneinde de consument en de handel in staat te stellen de verpakkingen die deel uitmaken van het [recyclingsysteem van DGP] en waarvoor een bijdrage tot de financiering van het systeem is vastgesteld, alsmede de aldus verpakte waren te herkennen en te onderscheiden van andere verpakkingen en waren”.

14

Het betrokken merk is op 19 juli 1999 ingeschreven. Deze inschrijving werd vervolgens vernieuwd.

15

Op 2 november 2012 heeft Halston Properties, een vennootschap naar Slowaaks recht, een vordering tot gedeeltelijke vervallenverklaring van dat merk ingesteld krachtens artikel 51, lid 1, onder a), van verordening nr. 207/2009, op grond dat voornoemd merk niet normaal was gebruikt voor de waren waarvoor het was ingeschreven.

16

Bij beslissing van 26 mei 2015 heeft de nietigheidsafdeling van het EUIPO die vordering gedeeltelijk toegewezen. Zij heeft de aan het betrokken merk ontleende rechten van DGP vervallen verklaard vanaf 2 november 2012 voor alle waren waarvoor het was ingeschreven, met uitzondering van de waren bestaande in verpakkingen.

17

Op 8 juli 2015 heeft DGP beroep ingesteld tegen deze beslissing van de nietigheidsafdeling.

18

Bij de litigieuze beslissing heeft de vijfde kamer van beroep van het EUIPO dit beroep verworpen.

19

Deze kamer van beroep heeft geoordeeld dat DGP niet het bewijs had geleverd dat zij het betrokken merk had gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, te weten het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren waarvoor het was ingeschreven. De gemiddelde consument van de Unie zou het merk niet opvatten als een aanduiding van de oorsprong van deze waren, maar het associëren met ecologisch gedrag van de ondernemingen die deel uitmaken van het recyclingsysteem van DGP.

20

Zelfs indien de verpakking en de waar bij de verkoop een eenheid blijken te vormen, zou voornoemde consument dat merk enkel opvatten als een aanduiding van het feit dat de verpakkingen van de waren van deze ondernemingen volgens dit systeem kunnen worden ingezameld en verwerkt. Het gebruik van voornoemd merk heeft niet tot doel om voor de waren zelf een afzet te vinden of te behouden.

Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest

21

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 april 2017, heeft DGP beroep ingesteld tot vernietiging van de litigieuze beslissing en tot verwijzing van het EUIPO in de kosten.

22

Ter ondersteuning van haar beroep voerde DGP één middel aan, ontleend aan schending van artikel 15, lid 1, juncto artikel 66, van verordening nr. 207/2009, op grond dat het betrokken merk niet alleen werd gebruikt voor de diensten waarvoor het is ingeschreven, maar ook voor de waren waarop die inschrijving betrekking heeft.

23

DGP heeft met name benadrukt dat voornoemd merk is aangebracht op verpakkingen die samen met de verpakte waar een en dezelfde verkoopeenheid vormen. De gebruikers van het merk zijn geen leveranciers van verpakkingen, maar fabrikanten of distributeurs van waren. Het betrokken merk duidt aan dat deze waren afkomstig zijn van ondernemingen die zich ertoe hebben verbonden om verpakkingen volgens het systeem van DGP te verwerken. Aangezien dit merk door het publiek wordt geassocieerd met ecologisch gedrag van voornoemde fabrikanten en distributeurs, duidt het bovendien op een „immateriële eigenschap” van de waren.

24

Het Gerecht heeft dit beroep verworpen.

25

Het Gerecht heeft om te beginnen de criteria uiteengezet aan de hand waarvan moest worden beoordeeld of het betrokken merk normaal was gebruikt.

26

In dit verband heeft het Gerecht in punt 26 van het bestreden arrest geoordeeld dat uit de rechtspraak van het Hof bleek dat „van een merk een normaal gebruik wordt gemaakt wanneer het, overeenkomstig zijn wezenlijke functie, te weten het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, wordt gebruikt teneinde voor die waren of diensten een afzet te vinden of te behouden, met uitsluiting van symbolisch gebruik dat alleen ertoe strekt de aan de inschrijving verbonden rechten te behouden”, en dat „de wezenlijke functie van een collectief Uniemerk evenzo erin bestaat, de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is te onderscheiden van die van andere ondernemingen”.

27

In de punten 27 tot en met 29 van dat arrest heeft het in herinnering gebracht dat het onderzoek of van het merk een normaal gebruik is gemaakt, moet bestaan in een algemene beoordeling die rekening houdt met alle relevante factoren van het concrete geval, zoals de aard van de door het merk aangeduide waren of diensten en de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om een marktaandeel te verkrijgen of te behouden.

28

Vervolgens heeft het Gerecht in punt 33 van het bestreden arrest weliswaar akte genomen van het feit dat het betrokken merk in veel lidstaten van de Unie normaal is gebruikt als collectief merk op warenverpakkingen, maar heeft het in navolging van de kamer van beroep overwogen dat het normale gebruik van dat merk op de verpakkingen niet het bewijs omvat van een normaal gebruik voor de waren zelf.

29

Het Gerecht heeft in punt 36 van dat arrest gepreciseerd dat het relevante publiek in casu hoofdzakelijk bestaat uit het grote publiek en in punt 38 van voornoemd arrest vastgesteld dat dit publiek het betrokken merk opvat als aanduiding dat de verpakkingen kunnen worden ingezameld en verwerkt volgens een bepaald systeem.

30

In de daaropvolgende punten van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat het betrokken merk daarentegen niet de herkomst van de waren aanduidt.

31

In dit verband heeft het Gerecht in punt 41 van het bestreden arrest uiteengezet dat „het [juist is] dat het [betrokken] merk overeenkomstig zijn functie als collectief merk verwijst naar het feit dat de producent of verkoper van de [...] waren deel uitmaakt van [DGP’s] systeem van licentieverlening en dus wijst op een zeker ecologisch gedrag van die onderneming”. Niettemin is het relevante publiek in staat om een onderscheid te maken tussen een merk dat de commerciële herkomst van de waar aanduidt, en een merk dat wijst op de verwerking van het verpakkingsafval. Bovendien dient in aanmerking te worden genomen dat „de waren zelf regelmatig worden aangeduid door merken van verschillende vennootschappen”.

32

Het Gerecht heeft in punt 42 van dat arrest geoordeeld dat „het gebruik van het [betrokken] merk als collectief merk dat de waren van de leden van de vereniging aanduidt [om] deze te onderscheiden van de waren van ondernemingen die geen lid zijn van deze vereniging, door het relevante publiek zal worden opgevat als een gebruik dat betrekking heeft op verpakkingen. [...] [Het] ecologische gedrag van de onderneming doordat zij deel uitmaakt van [DGP’s] systeem van licentieverlening, zal door het relevante publiek worden toegeschreven aan de mogelijkheid om de verpakking ecologisch te verwerken, en niet aan een dergelijke verwerking van de verpakte waar zelf, die ongeschikt kan blijken te zijn voor ecologische verwerking”.

33

Ten slotte heeft het Gerecht in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest overwogen dat het gebruik van het betrokken merk evenmin beoogde voor de waren een afzet te vinden of te behouden. De consument kent dit merk enkel als aanduiding dat de verpakking, dankzij de bijdrage van de fabrikant of distributeur van de waar, zal worden verwijderd en verwerkt indien die consument deze naar een plaatselijk inzamelpunt brengt. Het aanbrengen van voornoemd merk op de verpakking van een waar geeft derhalve enkel te kennen dat de fabrikant of distributeur ervan gedrag vertoont dat in overeenstemming is met het in het Unierecht vastgestelde vereiste dat de verplichting om het verpakkingsafval te verwerken op de ondernemingen rust. In het weinig waarschijnlijke geval dat de consument beslist een waar aan te schaffen louter op basis van de kwaliteit van de verpakking, blijft het volgens het Gerecht zo dat door dat merk geen afzet wordt gevonden of behouden wat deze waar betreft, maar enkel wat de verpakking ervan betreft.

Conclusies van partijen

34

DGP verzoekt het Hof:

het bestreden arrest te vernietigen;

de zaak definitief af te doen door de in eerste aanleg ingestelde vorderingen toe te wijzen of, subsidiair, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht, en

het EUIPO te verwijzen in de kosten.

35

Het EUIPO verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen en

DGP te verwijzen in de kosten.

Hogere voorziening

36

Tot staving van haar hogere voorziening voert DGP in wezen één middel aan, te weten schending van artikel 15, lid 1, juncto artikel 66, van verordening nr. 207/2009.

Argumenten van partijen

37

Volgens DGP is het Gerecht voorbijgegaan aan de uit de rechtspraak van het Hof voortvloeiende uitlegging van het begrip „normaal gebruik” in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009, en heeft het Gerecht niet naar behoren rekening gehouden met de kenmerken van collectieve Uniemerken als bedoeld in artikel 66 van die verordening. Het bestreden arrest geeft derhalve blijk van onjuiste rechtsopvattingen.

38

DGP merkt met name op dat het Gerecht het irrelevant heeft geacht dat, zoals nochtans vastgesteld in de punten 41 en 42 van het bestreden arrest, het gebruik van het betrokken merk het relevante publiek erop wijst dat de waren waarvan de verpakkingen dit merk bevatten alle afkomstig zijn van ondernemingen die zijn aangesloten bij het systeem van DGP, en dat dit gebruik een gemeenschappelijk ecologisch gedrag van deze ondernemingen tot uitdrukking brengt.

39

Omdat het Gerecht dergelijke elementen, die betrekking hebben op het in de handel brengen van de waren waarvoor het betrokken merk is ingeschreven, niet in aanmerking heeft genomen bij de beoordeling of dit merk normaal is gebruikt, heeft het Gerecht nagelaten deze beoordeling te baseren op de wezenlijke functie van collectieve Uniemerken. Deze onjuiste rechtsopvatting heeft het Gerecht er vervolgens toe gebracht te oordelen dat het gebruik van het betrokken merk niet zag op de waren waarvoor het was ingeschreven, maar was voorbehouden voor de verpakkingen daarvan, terwijl vaststond dat de gebruikers van het betrokken merk waren op de markt brachten en geen fabrikanten of distributeurs van verpakkingsmateriaal waren.

40

Volgens DGP moeten in het kader van het merkrecht waren en hun verpakkingen gezamenlijk worden beoordeeld, aangezien zij één geheel vormen en voor verkoop worden aangeboden als een en dezelfde eenheid. De beoordeling door het Gerecht berust op een daarmee strijdige benadering, die het ertoe heeft gebracht in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest te oordelen, zonder daarbij de relevante beoordelingscriteria toe te passen, dat het gebruik van het betrokken collectieve merk niet beoogde voor de waren van de leden van de vereniging die houder van dat merk is, een afzet te vinden of te behouden.

41

Voorts duidt ook de overweging in punt 41 van het bestreden arrest, volgens welke de betrokken waren „regelmatig worden aangeduid door merken van verschillende vennootschappen”, op de onjuiste opvattingen waarvan het Gerecht blijk heeft gegeven in dat arrest wat de criteria betreft voor de beoordeling of sprake was van een normaal gebruik. In dit verband merkt DGP op dat het gebruikelijk is dat een collectief merk wordt gebruikt voor waren van verschillende ondernemingen en dat het voor de hand ligt dat zij op hun waren of de verpakking daarvan individuele merken aanbrengen. Dit gelijktijdige gebruik van het collectieve merk en individuele merken wijst er echter geenszins op dat het collectieve merk niet normaal wordt gebruikt.

42

Het EUIPO is van mening dat het enige middel – voor zover het ontvankelijk is – hoe dan ook ongegrond is.

43

Voor de vaststelling dat een collectief merk „normaal is gebruikt” voor de waren waarvoor het is ingeschreven, is vereist dat dit merk is gebruikt „als” collectief merk voor die waren.

44

Het is derhalve onvoldoende dat het betrokken merk werd gebruikt in enigerlei verband met de waren waarvoor het is ingeschreven. Volgens het EUIPO moet er daarentegen een objectief en voldoende concreet verband bestaan tussen het collectieve merk en de aangeduide waren. Bij gebreke van een dergelijk verband moet worden geoordeeld dat het collectieve merk niet is gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, te weten om de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is, te onderscheiden van die van andere ondernemingen.

45

In het onderhavige geval ontbreekt een dergelijk verband. Het lidmaatschap van fabrikanten en distributeurs van het systeem van DGP heeft enkel betrekking op verpakkingen, te weten de verpakking van de waren, en niet op de waren zelf. Dat de waar en de verpakking ervan een verkoopeenheid vormen, doet hieraan niets af.

46

Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld dat het gebruik van het betrokken merk het relevante publiek aanwijzingen verstrekt over de verpakking en niet over de verpakte waar.

47

Het argument van DGP inzake het gelijktijdige gebruik van individuele en collectieve merken is irrelevant. Hieromtrent merkt het EUIPO op dat, ongeacht het bestaan van een dergelijke omstandigheid, het bewijs moet worden geleverd dat het collectieve merk normaal is gebruikt voor de waren waarvoor het is ingeschreven.

48

Het EUIPO is het ook eens met het oordeel van het Gerecht over de vraag of het gebruik van het betrokken merk bedoeld kan zijn geweest om een afzet te vinden of te behouden voor de waren waarvoor het betrokken merk is ingeschreven. In dit verband merkt het EUIPO op dat het vereiste, dat wordt beoogd een afzet voor de waren te vinden of te behouden, geldt voor zowel collectieve als individuele merken. In casu kan de aanbrenging van het betrokken merk op de verpakking van waren alleen omwille van de verpakking relevant zijn voor de aankoopbeslissing van de consument. Hieruit blijkt dat het gebruik van dit merk niet beoogt een afzet te vinden of behouden voor de waren.

Beoordeling door het Hof

49

Aangezien in de artikelen 67 tot en met 74 van verordening nr. 207/2009 niets anders is bepaald, zijn de artikelen 15 en 51 van die verordening, krachtens artikel 66, lid 3, ervan, van toepassing op collectieve Uniemerken.

50

Dientengevolge worden de rechten van de houder van een dergelijk merk overeenkomstig voornoemde artikelen 15 en 51 vervallen verklaard wanneer het merk gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal in de Unie is gebruikt voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven en er geen geldige reden is voor het niet gebruiken. Indien deze grond van verval slechts voor een deel van voornoemde waren of diensten bestaat, worden de rechten van de merkhouder alleen voor de betrokken waren of diensten vervallen verklaard.

51

Het is weliswaar juist dat vaststellingen van het Gerecht betreffende het gebruik van een merk van feitelijke aard zijn en dus niet kunnen worden aangevochten in het kader van een hogere voorziening, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van de feiten, maar een middel in hogere voorziening dat is ontleend aan schending van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009 is niettemin ontvankelijk wanneer het betrekking heeft op de criteria aan de hand waarvan het Gerecht moet beoordelen of er sprake is van een normaal gebruik in de zin van die bepaling (zie in die zin arrest van 11 oktober 2017, EUIPO/Cactus, C‑501/15 P, EU:C:2017:750, punt 64). Dit is in casu het geval, aangezien het enige middel in hogere voorziening betrekking heeft op de criteria aan de hand waarvan moet worden beoordeeld of er sprake is van een normaal gebruik, in de zin van die bepaling, van een collectief Uniemerk, gelet op de kenmerken van dit soort merk.

52

Ten gronde dient in herinnering te worden gebracht dat, zoals benadrukt door het Gerecht in punt 26 van het bestreden arrest, de wezenlijke functie van een collectief Uniemerk erin bestaat de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is te onderscheiden van die van andere ondernemingen (arrest van 20 september 2017, The Tea Board/EUIPO, C‑673/15 P–C‑676/15 P, EU:C:2017:702, punt 63).

53

Anders dan bij een individueel merk bestaat de functie van een collectief merk er dus niet in om de consument te wijzen op de „identiteit van de oorsprong” van de waren of de diensten waarvoor het is ingeschreven, aangezien deze functie, waarmee wordt beoogd aan de consument de waarborg te bieden dat de betrokken waren of diensten zijn vervaardigd of verricht onder controle van een en dezelfde onderneming die kan worden geacht voor de kwaliteit ervan in te staan, eigen is aan individuele merken (zie met name arrest van 8 juni 2017, W. F. Gözze Frottierweberei en Gözze, C‑689/15, EU:C:2017:434, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54

In dit verband dient erop te worden gewezen dat artikel 66 van verordening nr. 207/2009 geenszins vereist dat de fabrikanten, producenten, dienstverrichters of handelaars die zijn aangesloten bij een vereniging die houder van een collectief Uniemerk is, deel uitmaken van dezelfde groep ondernemingen waarvan de productie of dienstverrichting onder een en dezelfde controle staat. Deze verordening verzet zich er niet tegen dat de leden van een dergelijke vereniging concurrenten zijn die alle gebruikmaken van het collectieve merk dat aanduidt dat zij lid van die vereniging zijn, enerzijds, en van een individueel merk dat de identiteit van de oorsprong van hun waren of diensten aanduidt, anderzijds.

55

Ook volgt uit de in punt 26 van het bestreden arrest aangehaalde rechtspraak van het Hof dat van een merk een normaal gebruik wordt gemaakt wanneer het, overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, wordt gebruikt teneinde een afzet te vinden of te behouden voor de waren en diensten waarvoor het is ingeschreven (zie met name, wat individuele merken betreft, arresten van 11 maart 2003, Ansul, C‑40/01, EU:C:2003:145, punt 43, en 3 juli 2019, Viridis Pharmaceutical/EUIPO, C‑668/17 P, EU:C:2019:557, punt 38).

56

Deze rechtspraak is van overeenkomstige toepassing op collectieve Uniemerken. Deze merken maken immers, net als individuele merken, deel uit van het economische verkeer. Het gebruik ervan moet dus, om als „normaal” in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009 te kunnen worden aangemerkt, daadwerkelijk aansluiten bij het doel van de betrokken ondernemingen om voor hun waren en diensten een afzet te vinden of te behouden.

57

Hieruit volgt dat een collectief Uniemerk normaal is gebruikt wanneer het is gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, te weten om de waren of diensten van de leden van de vereniging die merkhouder is te onderscheiden van die van andere ondernemingen, teneinde voor deze waren en deze diensten een afzet te vinden of te behouden.

58

Meer in het bijzonder wordt een dergelijk merk overeenkomstig de wezenlijke functie ervan gebruikt zodra het de consument in staat stelt te begrijpen dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van ondernemingen die zijn aangesloten bij de vereniging die merkhouder is, en deze waren of diensten aldus te onderscheiden van die van niet-aangesloten ondernemingen.

59

In punt 41 van het bestreden arrest heeft het Gerecht erkend dat het betrokken merk, overeenkomstig zijn functie als collectief merk, verwijst naar het feit dat de producent of verkoper van de litigieuze waren deel uitmaakt van rekwirantes systeem van licentieverlening.

60

Hieruit volgt dat een dergelijk collectief merk is gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie ervan. Gelet op hetgeen in punt 54 van het onderhavige arrest is uiteengezet, kan aan deze conclusie niet worden afgedaan door de in punt 41 van het bestreden arrest opgenomen stelling dat het relevante publiek perfect in staat is om een onderscheid te maken tussen een merk dat de commerciële herkomst van de waar aanduidt, en een merk dat wijst op de verwerking van het verpakkingsafval van de waar zelf.

61

Het is juist dat het Gerecht in punt 44 van het bestreden arrest tevens heeft opgemerkt dat rekwirante er niet in was geslaagd te bewijzen dat het gebruik van het betrokken merk beoogde voor de litigieuze waren een afzet te vinden of te behouden, zodat er voor die waren geen sprake kon zijn van een normaal gebruik.

62

Om te bepalen of aan dit vereiste was voldaan, moest echter volgens vaste rechtspraak van het Hof worden nagegaan of het betrokken merk daadwerkelijk „op de markt” van de betrokken waren of diensten is gebruikt. Bij deze beoordeling moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd worden geacht om voor de door het merk beschermde waren of diensten een marktaandeel te behouden of te verkrijgen, de aard van die waren of diensten, de kenmerken van de markt en de omvang en de frequentie van het gebruik van het merk (zie met name arresten van 11 maart 2003, Ansul, C‑40/01, EU:C:2003:145, punten 37 en 43, en 3 juli 2019, Viridis Pharmaceutical/EUIPO, C‑668/17 P, EU:C:2019:557, punten 39 en 41).

63

Hoewel het Gerecht deze criteria in punt 27 van het bestreden arrest daadwerkelijk heeft vermeld, dient te worden vastgesteld dat het heeft nagelaten deze vervolgens toe te passen op de onderhavige zaak.

64

Zoals blijkt uit de punten 3 en 41 van het bestreden arrest, stond voor het Gerecht vast dat het betrokken merk werd ingeschreven voor zeer uiteenlopende waren, die vallen onder een breed scala aan categorieën van waren van de klassen 1 tot en met 34 in de zin van de Overeenkomst van Nice, en dat de aldus aangeduide waren verpakt te koop worden aangeboden. Ook stond vast dat deze verpakkingen afval worden nadat de consument de waar heeft uitgepakt of gebruikt.

65

Voorts heeft het Gerecht in de punten 41 en 42 van dat arrest vastgesteld dat het gebruik van het betrokken merk door het relevante publiek daadwerkelijk wordt opgevat als aanduiding van het feit dat de fabrikanten en distributeurs van de betrokken waren zijn aangesloten bij het door DGP opgezette gemeenschappelijke systeem voor ecologische verwerking, en dat dit systeem de consument in staat stelt om bij aankoop van die waren het verpakkingsafval naar een plaatselijk inzamelpunt te brengen voor verwijdering en verwerking ervan. Het Gerecht heeft ook geoordeeld, in punt 44 van voornoemd arrest, dat voornoemde fabrikanten en distributeurs op deze wijze voldoen aan de krachtens het Unierecht op hen rustende verplichting om bij te dragen aan de verwerking van het verpakkingsafval van waren.

66

Hoewel het Gerecht aldus heeft vastgesteld dat de bij het systeem van DGP aangesloten ondernemingen door het aanbrengen van het betrokken merk op de verpakking van hun waren daadwerkelijk aangeven aan welk systeem van inzameling en verwerking van verpakkingsafval zij als fabrikanten en distributeurs deelnemen, heeft het in de punten 44 en 45 van het bestreden arrest desalniettemin geoordeeld dat niet was aangetoond dat het gebruik van het betrokken merk daadwerkelijk aansloot bij het doel van deze ondernemingen om voor hun waren een afzet te vinden of te behouden.

67

Overeenkomstig de beoordelingscriteria die zijn vastgesteld in de in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak van het Hof, moest het Gerecht, alvorens tot deze slotsom te komen en de rechten van de houder van het betrokken merk vervallen te verklaren voor nagenoeg alle waren waarvoor het is ingeschreven, nagaan of het gebruik dat in casu naar behoren is aangetoond, te weten het aanbrengen van het betrokken merk op de verpakking van de waren van de ondernemingen die bij DGP’s systeem zijn aangesloten, in de betrokken economische sectoren gerechtvaardigd wordt geacht om voor waren een marktaandeel te behouden of te verkrijgen.

68

Een dergelijk onderzoek, waarbij ook moet worden gekeken naar de aard van de betrokken waren en de kenmerken van de markten waarop deze te koop worden aangeboden, ontbreekt in het bestreden arrest. Het Gerecht heeft weliswaar vastgesteld dat de consument begrijpt dat het systeem van DGP betrekking heeft op de lokale inzameling en de verwerking van de verpakkingen van waren en niet op de inzameling of verwerking van de waren zelf, maar heeft niet naar behoren onderzocht of de aanduiding voor de consument, bij de verkoop van de waren, dat een dergelijk systeem van lokale inzameling en ecologische verwijdering van verpakkingsafval beschikbaar is, in de betrokken economische sectoren – of in sommige daarvan – gerechtvaardigd blijkt om voor de waren een marktaandeel te behouden of te verkrijgen.

69

Hoewel in dit verband niet van het Gerecht kon worden verwacht dat het dit onderzoek afzonderlijk zou verrichten voor elk van de in de betrokken inschrijvingsaanvraag opgenomen gedetailleerde omschrijvingen van de waren, was het niettemin van belang om, gelet op de verscheidenheid van de waren waarop een dergelijk merk betrekking heeft, een onderzoek te verrichten waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende warencategorieën aan de hand van de aard ervan en de kenmerken van de markten, en waarbij voor elk van deze warencategorieën wordt beoordeeld of het gebruik van het betrokken merk daadwerkelijk beoogt een marktaandeel te behouden of te verkrijgen.

70

Zo hebben sommige van de betrokken economische sectoren betrekking op gangbare consumptiegoederen, zoals voedingsmiddelen, dranken, lichaamsverzorgingsproducten en reinigingsmiddelen, die dagelijks verpakkingsafval kunnen genereren waarvan de consument zich moet ontdoen. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de aanduiding door de fabrikant of distributeur, op de verpakking van dit soort waren, dat hij is aangesloten bij een systeem voor de lokale inzameling en ecologische verwerking van verpakkingsafval, invloed kan hebben op de aankoopbeslissingen van de consument en dus kan bijdragen aan het behoud of de verkrijging van een marktaandeel voor deze waren.

71

Het Gerecht heeft zich er in punt 45 van het bestreden arrest echter toe beperkt om – op algemene wijze en voor alle betrokken waren – te verklaren dat, zelfs indien de keuze van de consument werd beïnvloed door de kwaliteit van de verpakking van de betrokken waar, door het betrokken merk enkel wat de verpakking betreft een afzet zou worden gevonden of behouden ten opzichte van de andere marktdeelnemers, maar niet wat de betrokken waar betreft. Een dergelijke redenering is niet gebaseerd op de in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte criteria en leidt tot de tegenstrijdige conclusie dat, zelfs indien het gebruik van het betrokken merk bijdraagt tot de verkoop van de waren waarvan de verpakking dat merk bevat, dit gebruik moet worden geacht geen afzet voor deze waren te behouden of te verkrijgen.

72

Opgemerkt dient nog te worden dat de noodzaak om, ter beoordeling of een merk normaal is gebruikt, een onderzoek te verrichten waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de aard van de aangeduide waren of diensten en met de kenmerken van hun respectieve markten, en waarbij dus een onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten waren of diensten wanneer deze zeer verscheiden zijn, het belang van die beoordeling op passende wijze weergeeft. Voornoemde beoordeling bepaalt immers of de rechten van de houder van een merk vervallen worden verklaard en, zo ja, voor welke waren of diensten.

73

Wat dit laatste aspect betreft, is het zeker van belang dat het vereiste wordt nageleefd dat het merk daadwerkelijk wordt gebruikt teneinde voor de waren en diensten waarvoor het is ingeschreven een afzet te verkrijgen of te behouden, zodat de merkhouder niet ten onrechte beschermd blijft voor waren of diensten waarvan de verhandeling niet daadwerkelijk door dat merk wordt bevorderd. Het is echter even belangrijk dat merkhouders en, in het geval van een collectief merk, de leden van de vereniging die merkhouder is, onder passende bescherming hun teken in het economische verkeer kunnen gebruiken.

74

Door het onderzoek als bedoeld in de in punt 62 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte rechtspraak niet uit te voeren, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van het begrip „normaal gebruik” in de zin van artikel 15, lid 1, van verordening nr. 207/2009.

75

Bijgevolg is het enige middel van de hogere voorziening gegrond en moet het bestreden arrest worden vernietigd.

Beroep voor het Gerecht

76

Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van gegrondheid van het verzoek om hogere voorziening, zelf de zaak afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

77

In casu beschikt het Hof over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen op het enige middel van het beroep in eerste aanleg.

78

Uit de litigieuze beslissing, waarvan de inhoud is weergegeven in de punten 19 en 20 van het onderhavige arrest, blijkt dat de vijfde kamer van beroep van het EUIPO zich heeft gebaseerd op gronden die in wezen overeenkomen met die van het bestreden arrest. Het Gerecht heeft immers de redenering van deze kamer van beroep grotendeels overgenomen. Zoals blijkt uit punt 74 van het onderhavige arrest, is deze redenering rechtens onjuist aangezien zij voorbijgaat aan de draagwijdte van het begrip „normaal gebruik” in de zin van artikel 15 van verordening nr. 207/2009.

79

Derhalve moet de litigieuze beslissing worden vernietigd.

Kosten

80

Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist het Hof, wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof zelf de zaak afdoet, over de kosten.

81

Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover dit is gevorderd.

82

Aangezien het EUIPO in het ongelijk is gesteld, moet het overeenkomstig de vordering van DGP worden verwezen in zijn eigen kosten alsmede de kosten die DGP heeft gemaakt in het kader van de onderhavige hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.

 

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart:

 

1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 12 september 2018, Der Grüne Punkt/EUIPO – Halston Properties (Weergave van een cirkel met twee pijlen) (T‑253/17, EU:T:2018:909), wordt vernietigd.

 

2)

De beslissing van de vijfde kamer van beroep van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) van 20 februari 2017 (zaak R 1357/2015‑5) wordt vernietigd.

 

3)

Het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) draagt zijn eigen kosten alsmede de kosten die Der Grüne Punkt – Duales System Deutschland GmbH heeft gemaakt in het kader van de onderhavige hogere voorziening en de procedure in eerste aanleg.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top