This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62018TO0481
Order of the General Court (First Chamber) of 8 April 2019.#Electroquimica Onubense, SL v European Chemicals Agency.#REACH — Representation by a lawyer who is not a third party — Manifest inadmissibility.#Case T-481/18.
Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 8 april 2019.
Electroquimica Onubense, SL tegen Europees Agentschap voor chemische stoffen.
REACH – Vertegenwoordiging door een advocaat die geen derde is – Kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-481/18.
Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 8 april 2019.
Electroquimica Onubense, SL tegen Europees Agentschap voor chemische stoffen.
REACH – Vertegenwoordiging door een advocaat die geen derde is – Kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-481/18.
ECLI identifier: ECLI:EU:T:2019:227
BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Eerste kamer)
8 april 2019 ( *1 )
„REACH – Vertegenwoordiging door een advocaat die geen derde is – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑481/18,
Electroquímica Onubense, S.L., gevestigd te Palos de la Frontera (Spanje), vertegenwoordigd door D. González Blanco, advocaat,
verzoekster,
tegen
Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), vertegenwoordigd door J.‑P. Trnka, C.‑M. Bergerat en M. Heikkilä als gemachtigden, bijgestaan door C. García Molyneux, advocaat,
verweerder,
betreffende een beroep tegen het besluit SME D(2018)2931-DC van ECHA van 31 mei 2018, waarbij is vastgesteld dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de lagere vergoeding voor kleine ondernemingen, en haar de betaling van een vergoeding voor administratieve kosten is opgelegd,
geeft
HET GERECHT (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: I. Pelikánová, president, P. Nihoul (rapporteur) en J. Svenningsen, rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Feiten en procedure
|
1 |
Het onderhavige beroep werd op 1 augustus 2018 door Daniel González Blanco in naam van verzoekster, Electroquímica Onubense, S.L., ingesteld. |
|
2 |
In zijn verweerschrift van 29 november 2018 heeft het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) een middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen waarin wordt aangevoerd dat de advocaat die verzoekster vertegenwoordigt niet leek te voldoen aan de voorwaarde van onafhankelijkheid die wordt gesteld door het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. ECHA baseerde zich op de omstandigheid dat de advocaat van verzoekster in het verzoekschrift als contactadres een e-mailadres had opgegeven met daarin de domeinnaam van verzoekster. |
|
3 |
Met een op artikel 89, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering gebaseerde maatregel tot organisatie van de procesgang, werd verzoekster uitgenodigd om zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van het beroep in het licht van het door ECHA opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, en om aan geven of haar vertegenwoordiger op het tijdstip van het instellen van het beroep deel uitmaakte van verzoekster of enige andere met haar verbonden onderneming en, indien dit het geval was, te preciseren welke zijn rol was in het administratieve en financiële beheer van deze onderneming. Verzoekster heeft binnen de gestelde termijn aan dit verzoek voldaan. |
Conclusies van partijen
|
4 |
Verzoekster verzoekt het Gerecht:
|
|
5 |
ECHA verzoekt het Gerecht:
|
|
6 |
In haar opmerkingen over de door het Gerecht gestelde schriftelijke vragen verzoekt verzoekster het Gerecht het beroep ontvankelijk te verklaren. |
In rechte
|
7 |
Krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht te allen tijde, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, op voorstel van de rechter-rapporteur, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten. |
|
8 |
In casu acht het Gerecht zich door de processtukken voldoende voorgelicht en beslist het uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten. |
|
9 |
Volgens artikel 19, derde en vierde alinea, en artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, die krachtens artikel 53, eerste alinea, van dit Statuut van toepassing zijn op het Gerecht, moeten andere partijen dan de lidstaten en de instellingen van de Europese Unie, de staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER) alsmede de in die overeenkomst bedoelde Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, worden vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER. |
|
10 |
Volgens de rechtspraak volgt uit de hierboven genoemde bepalingen, en in het bijzonder uit het gebruik van de term „vertegenwoordigd” in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat een „partij” in de zin van dit artikel voor het instellen van beroep bij het Gerecht gebruik dient te maken van de diensten van een „derde” die bevoegd is op te treden voor de rechterlijke instanties van een lidstaat of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER (zie beschikking van 18 november 2014, Justice & Environment/Commissie, T‑221/14, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1002, punt 8 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
11 |
Dit vereiste om gebruik te maken van een derde komt overeen met de opvatting over de rol van de advocaat, waarbij deze wordt beschouwd als een medewerker van de rechtspleging, die geheel onafhankelijk en in het hogere belang van de rechtspleging de door zijn cliënt benodigde rechtskundige bijstand moet verlenen (zie beschikking van 18 november 2014, Justice & Environment/Commissie, T‑221/14, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1002, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
12 |
Het begrip onafhankelijkheid van de advocaat voor de rechterlijke instanties van de Unie wordt immers niet alleen positief – door een verwijzing naar de beroepstucht – maar ook negatief – door de nadruk op het ontbreken van een dienstbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt – omschreven (zie arrest van 6 september 2012, Prezes Urzędu Komunikacji Elektronicznej/Commissie, C‑422/11 P en C‑423/11 P, EU:C:2012:553, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
13 |
In casu geeft verzoekster in haar naar aanleiding van de vragen van het Gerecht neergelegde opmerkingen aan dat González Blanco sinds 15 februari 2017 als werknemer van verzoekster in dienst is, in de functie van directeur personeelszaken. |
|
14 |
Ingevolge de hierboven in punt 12 aangehaalde rechtspraak sluit een dergelijke arbeidsrelatie, die impliceert dat verzoekster beslist over de indienstneming van haar vertegenwoordiger in de onderneming, over zijn arbeidsvoorwaarden, en over de beëindiging van de arbeidsrelatie die hen verbindt, evenwel uit dat deze vertegenwoordiger over de vereiste onafhankelijkheid beschikt. |
|
15 |
In deze omstandigheden, gelet op zijn als werknemer uitgeoefende functie van directeur personeelszaken van verzoekster, kan González Blanco niet worden beschouwd als een van verzoekster onafhankelijke derde. Het risico bestaat immers dat de professionele mening van González Blanco door zijn functie ten minste ten dele wordt beïnvloed door zijn professionele omgeving, zodat hij ten opzichte van verzoekster noodzakelijkerwijze minder onafhankelijk is dan een advocaat die ten aanzien van zijn cliënt extern is (zie in die zin beschikking van 14 november 2016, Dimos Athinaion/Commissie, T‑360/16, niet gepubliceerd, EU:T:2016:694, punt 10 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
16 |
Hieraan wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten. |
|
17 |
In de eerste plaats voert verzoekster aan dat haar vertegenwoordiger bevoegd is om op te treden voor de rechterlijke instanties van een lidstaat en dat deze vertegenwoordiger een machtiging heeft overgelegd om in de onderhavige procedure in haar naam op te treden. |
|
18 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat het feit dat González Blanco bevoegd is om voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of een staat die partij is bij de EER-Overeenkomst op te treden een noodzakelijke voorwaarde is om bevoegd te zijn om op te treden voor de rechterlijke instanties van de Unie. Volgens de rechtspraak is een dergelijke bevoegdheid echter onvoldoende (beschikking van 18 november 2014, Justice & Environment/Commissie, T‑221/14, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1002, punt 8). Uit het feit dat González Blanco bevoegd is om voor de nationale rechterlijke instanties op te treden kan dus niet worden afgeleid dat hij automatisch verzoekster mag vertegenwoordigen voor het Gerecht. Het feit dat verzoekster overeenkomstig artikel 51, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering een machtiging heeft neergelegd die haar vertegenwoordiger machtigt om in de onderhavige procedure in haar naam te handelen, is niet relevant voor de beoordeling van het daarvan losstaande vereiste dat deze vertegenwoordiger de hoedanigheid van derde moet hebben ten opzichte van verzoekster. |
|
19 |
In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de tewerkstelling als directeur personeelszaken in Spanje verenigbaar is met het vrije beroep van advocaat, dat door González Blanco voor eigen rekening, en derhalve onafhankelijk en autonoom, wordt uitgeoefend. |
|
20 |
In dit verband moet worden opgemerkt dat de hierboven in punt 11 omschreven opvatting over de rol van advocaat overeenstemt met de gemeenschappelijke juridische tradities van de lidstaten. Deze opvatting wordt in het kader van de voor de rechterlijke instanties van de Unie aanhangige gedingen echter objectief toegepast, en noodzakelijkerwijze los van de nationale rechtsorden (zie beschikking van 20 november 2017, BikeWorld/Commissie, T‑702/15, EU:T:2017:834, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
21 |
In navolging van deze rechtspraak moeten de bepalingen inzake de vertegenwoordiging van andere partijen dan de lidstaten en de instellingen voor de rechterlijke instanties van de Unie zoveel mogelijk autonoom en zonder verwijzing naar het nationale recht worden uitgelegd. |
|
22 |
Uit het feit dat in Spanje het vrije beroep van advocaat verenigbaar is met de functie die in casu door de vertegenwoordiger als werknemer van verzoekster wordt uitgeoefend, blijkt derhalve niet als zodanig dat is voldaan aan het vereiste van onafhankelijkheid, dat moet worden beoordeeld aan de hand van de in de punten 10 tot en met 12 hierboven gememoreerde criteria. |
|
23 |
In de derde plaats voert verzoekster aan dat González Blanco haar in de onderhavige procedure op onafhankelijke wijze als zelfstandige beroepsuitoefenaar en niet als werknemer vertegenwoordigt. |
|
24 |
Dit argument moet in casu worden afgewezen. Aangezien González Blanco immers een werknemer van verzoekster is, laat deze arbeidsrelatie hem niet toe om, in gedingen voor de rechterlijke instanties van de Unie en wegens de hierboven in punt 12 aangehaalde redenen, zich te beroepen op het feit dat hij uitsluitend optreedt in zijn hoedanigheid van advocaat, een werkzaamheid die eventueel onder het statuut van zelfstandige wordt uitgeoefend en niet als werknemer van verzoekster. |
|
25 |
Om deze redenen moet worden vastgesteld dat, aangezien het inleidende verzoekschrift werd ondertekend door González Blanco, het onderhavige beroep niet is ingesteld overeenkomstig artikel 19, derde en vierde alinea, en artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, welke op het Gerecht van toepassing zijn krachtens artikel 53, eerste alinea, van het Statuut. |
|
26 |
Uit een en ander volgt dat het beroep in casu kennelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zonder dat het nodig is om de door ECHA gevraagde maatregel van instructie te gelasten. |
Kosten
|
27 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. |
|
28 |
Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van ECHA te worden verwezen in de kosten. |
|
HET GERECHT (Eerste kamer), beschikt: |
|
|
|
Luxemburg, 8 april 2019 De griffier E. Coulon De president I. Pelikánová |
( *1 ) Procestaal: Spaans.