Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62018TO0422

Beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 14 mei 2019.
Régie autonome des transports parisiens (RATP) tegen Europese Commissie.
Beroep tot nietigverklaring – Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Documenten betreffende een door de Commissie tegen een lidstaat ingeleide procedure – Documenten afkomstig van de verzoekende partij – Toegangsverzoek van een derde – Initieel besluit tot verlening van gedeeltelijke toegang – Geen voorwerp – Niet-ontvankelijkheid.
Zaak T-422/18.

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2019:339

 BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Derde kamer)

14 mei 2019 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring – Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Documenten betreffende een door de Commissie tegen een lidstaat ingeleide procedure – Documenten afkomstig van de verzoekende partij – Verzoek om toegang van een derde – Aanvankelijk besluit tot verlening van gedeeltelijke toegang – Geen voorwerp – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑422/18,

Régie autonome des transports parisiens (RATP), gevestigd te Parijs (Frankrijk), aanvankelijk vertegenwoordigd door E. Morgan de Rivery, P. Delelis en C. Lavin, vervolgens door P. Delelis en C. Lavin, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Buchet, W. Mölls en C. Ehrbar als gemachtigden,

verweerster,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende tot nietigverklaring van het op 5 maart 2018 door het directoraat-generaal Mobiliteit en vervoer van de Commissie genomen besluit op een verzoek om toegang tot documenten afkomstig van RATP, voor zover bij dat besluit gedeeltelijke toegang tot die documenten is verleend,

geeft

HET GERECHT (Derde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen, president, V. Kreuschitz (rapporteur) en N. Półtorak, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Voorgeschiedenis van het geding

1

Op 19 december 2017 heeft de Europese Commissie een krachtens verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43) ingediend verzoek om toegang tot meerdere documenten ontvangen, dat is geregistreerd onder referentienummer GESTDEM 2017/7530 (hierna: „initieel toegangsverzoek”) en dat met name betrekking heeft op drie documenten (hierna: „litigieuze documenten”) die zijn opgesteld door verzoekster, Régie autonome des transports parisiens (RATP).

2

De litigieuze documenten zijn:

–

een tot de voorzitter van de Commissie gerichte brief van 21 mei 2012 van de algemeen directeur en bestuursvoorzitter (président-directeur général; hierna: „PDG”) van verzoekster;

–

een tot de directeur-generaal van het directoraat-generaal (DG) „Mobiliteit en vervoer” van de Commissie (hierna: „DG Move”) gerichte brief van 22 mei 2012 van de PDG van verzoekster;

–

een tot de vicevoorzitter van de Commissie gerichte brief van 28 maart 2013 van de PDG van verzoekster.

3

Op 5 maart 2018 heeft DG Move een besluit genomen waarbij het de auteur van het initiële toegangsverzoek (hierna: „verzoeker om toegang”) gedeeltelijke toegang heeft verleend tot de litigieuze documenten, en dat besluit (hierna: „bestreden besluit”) per aangetekende post met ontvangstbevestiging alsook per e‑mail aan de verzoeker om toegang gestuurd. DG Move heeft voorts een gecensureerde versie van de litigieuze documenten bij het bestreden besluit gevoegd.

4

Op 19 maart 2018 heeft de verzoeker om toegang krachtens artikel 7 van verordening nr. 1049/2001 een confirmatief verzoek om toegang tot alle litigieuze documenten (hierna: „confirmatief toegangsverzoek”) ingediend bij het secretariaat-generaal van de Commissie.

5

Op 20 april 2018 heeft DG Move de verzoeker om toegang medegedeeld dat bij de verzending van het bestreden besluit een fout was gemaakt en dat de litigieuze documenten niet aan hem hadden moeten worden verstrekt. DG Move heeft de verzoeker om toegang gevraagd de litigieuze documenten niet af te drukken, op te slaan of te gebruiken en de eerder aan hem verzonden berichten te vernietigen.

6

Op 25 april 2018 heeft DG Move de verzoeker om toegang gevraagd een verklaring te ondertekenen waarbij hij zich ertoe verbond, ten eerste, om de op 5 maart 2018 verstrekte gecensureerde versies van de litigieuze documenten en de inhoud ervan niet te gebruiken, te verspreiden, te delen, te kopiëren of te bewerken, ten tweede, om de inhoud ervan niet openbaar te maken en, ten derde, om alle digitale of papieren versies van de litigieuze documenten te vernietigen. De verzoeker om toegang heeft op diezelfde datum de door hem ondertekende verklaring geretourneerd.

7

Na het lezen van het antwoord van de Commissie op de vragen die de president van het Gerecht had gesteld in het kader van het door verzoekster op 23 april 2018 aangespannen kort geding, dat is ingeschreven onder zaaknummer T‑250/18 R en dat tevens betrekking had op de openbaarmaking van de litigieuze documenten naar aanleiding van een eerder verzoek om toegang, heeft verzoekster op 27 april 2018 kennisgenomen van het initiële toegangsverzoek en van de onbedoelde verzending door de Commissie van een gecensureerde versie van de litigieuze documenten aan de verzoeker om toegang.

8

Tijdens een bespreking op 4 mei 2018 heeft verzoekster de Commissie gevraagd om haar de op 5 maart 2018 aan de verzoeker om toegang verstuurde e‑mail en documenten te verstrekken.

9

Op 23 mei 2018 heeft verzoekster schriftelijk nogmaals om een kopie van de e‑mail van 5 maart 2018 verzocht, alsook om alle aan de verzoeker om toegang gestuurde documenten, waaronder de litigieuze documenten.

10

Op 7 juni 2018 heeft de secretaris-generaal van de Commissie een besluit vastgesteld (hierna: „besluit van 7 juni 2018”) naar aanleiding van het confirmatieve toegangsverzoek (zie punt 4 hierboven). In dat besluit heeft hij iedere openbaarmaking van de litigieuze documenten geweigerd op de grond dat de openbaarmaking ervan de lopende gerechtelijke procedures in de zaken T‑250/18, RATP/Commissie en T‑250/18 R, RATP/Commissie zou doorkruisen.

11

Op 12 juni 2018 heeft de Commissie het bestreden besluit, de lijst met de 27 documenten waarvan de Commissie heeft aangegeven dat zij het voorwerp waren van het initiële toegangsverzoek, alsook de aan de verzoeker om toegang verzonden litigieuze documenten aan verzoekster verstrekt.

Procedure en vorderingen van partijen

12

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juli 2018, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

13

Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 oktober 2018, heeft de Commissie op grond van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Op 24 november 2018 heeft verzoekster opmerkingen over die exceptie ingediend.

14

In het verzoekschrift verzoekt verzoekster het Gerecht:

–

het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover het toegang verleent tot de litigieuze documenten;

–

de Commissie in de kosten te verwijzen.

15

In de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt de Commissie het Gerecht:

–

primair, het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren omdat het zonder voorwerp is;

–

subsidiair, het beroep tot nietigverklaring niet-ontvankelijk te verklaren omdat er geen procesbelang is;

–

verzoekster in de kosten te verwijzen.

16

In haar opmerkingen over de exceptie van niet-ontvankelijkheid verzoekt verzoekster het Gerecht:

–

de exceptie van niet-ontvankelijkheid te verwerpen;

–

haar beroep toe te wijzen;

–

de Commissie in de kosten te verwijzen.

In rechte

17

Ingevolge artikel 130, leden 1 en 7, van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht op verzoek van de verweerder uitspraak doen over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. Aangezien de Commissie in casu heeft verzocht uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid, beslist het Gerecht, dat zich door de stukken in het dossier voldoende voorgelicht acht, om over dit verzoek uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

Ontvankelijkheid van de exceptie van niet-ontvankelijkheid

18

Volgens verzoekster kan enkel artikel 130, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering als rechtsgrond dienen voor een wegens het ontbreken van een voorwerp opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid. Verzoekster stelt dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de Commissie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat hierin niet wordt verwezen naar artikel 130, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering.

19

Dienaangaande moet worden opgemerkt dat de Commissie ter ondersteuning van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid niet stelt dat het beroep in de loop van het geding zonder voorwerp is geraakt, maar dat het op de datum waarop het werd ingesteld zonder voorwerp was. Op grond van artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de verweerder het Gerecht verzoeken om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan. De omstandigheid dat een beroep op de datum waarop het wordt ingesteld zonder voorwerp is, is een niet-ontvankelijkheidsgrond.

20

Bovendien kan het Gerecht hoe dan ook krachtens artikel 129 van het Reglement voor de procesvoering in elke stand van het geding ambtshalve, de hoofdpartijen gehoord, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn. Aangezien de niet-ontvankelijkheid van een beroep wegens het ontbreken van een voorwerp op de datum van de instelling ervan een middel van niet-ontvankelijkheid van openbare orde is, kan het Gerecht over die kwestie ambtshalve uitspraak doen.

21

Verzoekster stelt dan ook ten onrechte dat de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid niet-ontvankelijk is.

Gegrondheid van de exceptie van niet-ontvankelijkheid

Argumenten van partijen

22

De Commissie stelt primair dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op een handeling die ten tijde van de instelling van het beroep niet meer bestond. Volgens de Commissie is het bestreden besluit in zijn geheel vervangen door het besluit van 7 juni 2018 dat naar aanleiding van het confirmatieve toegangsverzoek is vastgesteld. In dat laatste besluit zou het definitieve standpunt van de instelling zijn vastgelegd.

23

Het op 6 juli 2018 door verzoekster ingestelde beroep zou zonder voorwerp zijn, omdat het strekt tot nietigverklaring van een rechtshandeling die sinds 7 juni 2018 niet meer bestond: op die datum is die handeling immers vervangen door het besluit dat de Commissie op diezelfde datum heeft vastgesteld in antwoord op het confirmatieve toegangsverzoek. Los van de vraag betreffende het procesbelang, ontbrak aldus ten tijde van het gedinginleidende stuk de grond zelf van het door verzoekster aanhangig gemaakte geding. De Commissie stelt voorts dat het betoog van verzoekster door het besluit van 7 juni 2018 zinledig is geworden, daar zij in dat besluit ten gronde heeft besloten om de toegang tot de litigieuze documenten volledig te weigeren.

24

De Commissie stelt subsidiair dat het onderhavige beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, voor zover verzoekster bij de instelling ervan geen enkel belang had om tegen het bestreden besluit op te komen, aangezien dat besluit al lang geen gevolgen meer voor haar sorteerde.

25

De Commissie ontkent niet dat zij in een e‑mail van 5 maart 2018 per abuis de gecensureerde versies van de litigieuze documenten aan de verzoeker om toegang heeft verstrekt en dat zij dat niet had moeten doen. Zij voert evenwel aan dat zij onmiddellijk na de constatering van die fout alles in het werk heeft gesteld om ervoor te zorgen dat die fout geen enkel gevolg voor verzoekster zou hebben. Volgens de Commissie is die maatregel doeltreffend geweest, aangezien de verzoeker om toegang schriftelijk heeft toegezegd de litigieuze documenten niet te zullen gebruiken en alle gedrukte en digitale sporen ervan te zullen wissen. Volgens de Commissie was verzoekster volledig op de hoogte van de inhoud van die schriftelijke toezeggingen, omdat zij sinds eind april 2018 het document in haar bezit had waarin die toezeggingen waren opgenomen.

26

Volgens de Commissie stelt verzoekster dan ook ten onrechte, ten eerste, dat de gecensureerde versies van de litigieuze documenten erga omnes toegankelijk zijn en, ten tweede, dat zij op de datum van de instelling van het onderhavige beroep nog steeds een procesbelang had, hoewel het bestreden besluit al sinds ruim twee maanden geen enkel gevolg meer voor haar sorteerde. Voor haar bewering dat de litigieuze documenten „mogelijkerwijs” in handen zijn van haar concurrenten voert verzoekster volgens de Commissie geen bewijs aan.

27

Verzoekster stelt dat de begrippen „voorwerp van het geding” en „procesbelang” elkaar overlappen, voor zover een verzoekende partij op de datum waarop het beroep wordt ingesteld op straffe van niet-ontvankelijkheid ten aanzien van het voorwerp ervan een procesbelang moet hebben. Daarom onderzoekt verzoekster de twee door de Commissie opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid tezamen.

28

In de eerste plaats stelt verzoekster dat het bestreden besluit autonome en specifieke rechtsgevolgen sorteert. Dienaangaande benadrukt verzoekster dat zij de auteur van de litigieuze documenten is en de naar aanleiding van het bestreden besluit uitgevoerde materiële toezending van die documenten om die reden gevolgen voor haar heeft gehad. Verzoekster merkt op dat de Commissie de verzoeker om toegang pas zeven weken na het verstrekken van de litigieuze documenten (op 5 maart 2018) schriftelijk heeft verzocht om die per abuis aan hem verstrekte documenten niet af te drukken, op te slaan of te verwerken. Dat verzoek van 20 april 2018 is op 25 april 2018 aangevuld en heeft op diezelfde datum geleid tot de toezegging van de verzoeker om toegang om de in de litigieuze documenten opgenomen informatie niet te gebruiken of te verspreiden. Verzoekster maakt uit die feiten op dat de verspreiding van de in de litigieuze documenten opgenomen informatie zeven weken lang gevolgen erga omnes heeft gehad en moet worden aangemerkt als „onrechtmatig handelen”, waardoor die situatie schadelijke gevolgen meebrengt waarvan haar belangen ontegenzeggelijk nadeel zullen blijven ondervinden.

29

Volgens verzoekster heeft het bestreden besluit voor haar rechtsgevolgen gesorteerd omdat, ten eerste, de verklaring van 25 april 2018 van de verzoeker om toegang niet de gevolgen erga omnes ongedaan heeft kunnen maken die de openbaarmaking van de litigieuze documenten in de zeven weken voorafgaand aan de toezegging in die verklaring heeft gehad en, ten tweede, die verklaring, evenals het besluit van 7 juni 2018, enkel dwingende gevolgen voor de Commissie en de verzoeker om toegang heeft kunnen hebben. Gedurende de hierboven genoemde periode van zeven weken hebben de litigieuze documenten volgens verzoekster in handen kunnen komen van concurrenten op de markt en hebben zij gebruikt kunnen worden in nationale gerechtelijke procedures die tot dezelfde prejudiciële vragen hebben geleid als de in de gevoegde zaken Mobit en Autolinee Toscane (C‑350/17 en C‑351/17) gestelde vragen. Hoewel verzoekster de omvang van een dergelijke toezending niet kan beoordelen, stelt zij dat de Commissie op grond van het beginsel van behoorlijk bestuur verplicht was om over het gebruik dat de verzoeker om toegang van de litigieuze documenten had gemaakt inlichtingen in te winnen, teneinde in voorkomend geval, en gesteld dat dat mogelijk was, de feitelijke gevolgen erga omnes van het bestreden besluit ongedaan te maken. Volgens verzoekster waren de maatregelen die de Commissie had genomen om haar fout te corrigeren kennelijk ontoereikend om een communicatie terug te draaien waarvan de gevolgen erga omnes vaststonden en definitief waren. Verzoekster voert aan dat het besluit van 7 juni 2018 van de Commissie om de litigieuze documenten niet openbaar te maken omdat die openbaarmaking de in de zaken T‑250/18 R en T‑250/18 tegen de Commissie aangespannen gerechtelijke procedures zou doorkruisen, niet alleen de gevolgen erga omnes van de openbaarmaking niet ongedaan maakt, maar bevestigt dat de openbaarmaking, die de genoemde gerechtelijke procedures reeds heeft beïnvloed, zou moeten worden beoordeeld als een openbaarmaking die in de toekomst nog andere procedures kan beïnvloeden. Verzoekster stelt dan ook dat zij nog steeds een belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit.

30

In de tweede plaats voert verzoekster aan dat het besluit van 7 juni 2018 niet tot de nietigverklaring en vervanging van het bestreden besluit heeft kunnen leiden, omdat allereerst bij laatstgenoemd besluit toestemming is verleend voor de openbaarmaking erga omnes van de litigieuze documenten tussen 5 maart en 25 april 2018. Het bestreden besluit zou nog steeds rechtsgevolgen sorteren, voor zover de door de verzoeker om toegang aan derden toegezonden litigieuze documenten nog steeds aan andere derden kunnen worden toegezonden door eerstgenoemde derden die rechtmatig in het bezit van die documenten zijn gekomen, zonder dat het besluit van 7 juni 2018 hieraan iets kan veranderen. Verzoekster stelt dat het besluit van 7 juni 2018 bovendien niet tot de nietigverklaring en vervanging van het bestreden besluit heeft kunnen leiden omdat het besluit van 7 juni 2018 zou zijn bedoeld om de benadering uit te werken die de Commissie in het kader van het initiële en het confirmatieve toegangsverzoek ten aanzien van de verzoeker om toegang had gekozen. De correspondentie van 20 en 25 april 2018 tussen de Commissie en de verzoeker om toegang zou enkel gevolgen hebben gehad die zich zouden beperken tot toekomstige toezendingen van de litigieuze documenten door de verzoeker om toegang aan derden en zou geen enkele impact hebben op het eerdere gebruik van die documenten door de verzoeker om toegang of door derden, die die documenten nu nog steeds zouden kunnen gebruiken.

31

In de derde plaats voert verzoekster aan dat zij, zelfs indien zou moeten worden overwogen dat het bestreden besluit door het besluit van 7 juni 2018 is vervangen, nog steeds een belang zou hebben om tegen het bestreden besluit op te komen. Dienaangaande brengt verzoekster in herinnering dat een geschil bij wijze van uitzondering zijn voorwerp behoudt, ondanks de intrekking of de vervanging van de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd, wanneer de verzoeker een voldoende belang behoudt om een arrest te verkrijgen waarbij deze handeling formeel nietig wordt verklaard.

32

Verzoekster stelt dat zij om de navolgende redenen een belang heeft om tegen het bestreden besluit op te komen en de nietigverklaring ervan te verkrijgen:

–

in de eerste plaats, teneinde iedere andere onrechtmatigheid in de toekomst te verhinderen die op haar belangen inbreuk zou maken vanwege het tot op heden rechtmatige gebruik van de litigieuze documenten in prejudiciële procedures. Een benadering die het optreden van de Commissie in de onderhavige zaak zou goedkeuren, zou ertoe leiden dat wordt aanvaard dat haar diensten, al dan niet per abuis, strikt vertrouwelijke documenten toezenden aan verzoekers om toegang en die toezendingen vervolgens enkele weken later „worden gecorrigeerd” door het ondertekenen van verklaringen die enkel verbindend zijn voor de Commissie en de betrokken verzoeker om toegang en geenszins voor derden;

–

in de tweede plaats is het bestreden besluit nog steeds erga omnes van kracht ten aanzien van eenieder die als gevolg van de fout van de Commissie toegang heeft gekregen tot de litigieuze documenten, met uitzondering van de verzoeker om toegang die adressaat is van het besluit van7 juni 2018. Verzoekster voert in het bijzonder aan dat die documenten nog steeds bestaan en bij iedere relevante gelegenheid in het kader van procedures voor de nationale rechters en de Unierechter tegen haar kunnen worden ingebracht. Het is duidelijk in haar belang om te kunnen vorderen dat iedere materiële openbaarmaking die momenteel de voortzetting in aeternum van het gebruik erga omnes van de litigieuze documenten mogelijk maakt, door de Unierechter nietig wordt verklaard, zodat een wettig, dwingend en in rechte inroepbaar einde wordt gemaakt aan ieder mogelijk toekomstig gebruik van die documenten.

Beoordeling door het Gerecht

33

Er zij aan herinnerd dat enkel maatregelen die bindende rechtsgevolgen in het leven roepen die de belangen van de verzoeker aantasten doordat zij diens rechtspositie aanmerkelijk wijzigen, zijn te beschouwen als handelingen of besluiten die vatbaar zijn voor beroep tot nietigverklaring in de zin van artikel 263 VWEU (arresten van 11 november 1981, IBM/Commissie, 60/81, EU:C:1981:264, punt 9; 11 november 2004, Portugal/Commissie, C‑249/02, EU:C:2004:7044, punt 35, en 26 januari 2010, Internationaler Hilfsfonds/Commissie, C‑362/08 P, EU:C:2010:40, punt 51).

34

Teneinde na te gaan of een bestreden handeling een besluit is dat vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring, moet worden gekeken naar de wezenlijke inhoud van de betrokken handeling [zie in die zin beschikking van 14 mei 2012, Sepracor Pharmaceuticals (Ireland)/Commissie, C‑477/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2012:292, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

35

Bovendien moet in herinnering worden gebracht dat een handeling die is ingetrokken en vervangen volledig uit de rechtsorde van de Unie verdwijnt. Intrekking van een handeling heeft dus in de regel uitwerking ex tunc (zie in die zin beschikkingen van 28 mei 1997, Proderec/Commissie, T‑145/95, EU:T:1997:74, punt 26; 14 september 2011, Italië/Commissie, T‑239/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:471, punt 22, en 8 juni 2017, Elevolution – Engenharia/Commissie, T‑691/16, niet gepubliceerd, EU:T:2017:395, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

36

In casu heeft de verzoeker om toegang naar aanleiding van het bestreden besluit een confirmatief verzoek in de zin van artikel 7, lid 2, van verordening nr. 1049/2001 ingediend strekkende tot herziening van het standpunt van de Commissie. Naar aanleiding van dat verzoek heeft de secretaris-generaal van de Commissie krachtens artikel 8 van verordening nr. 1049/2001 het besluit van 7 juni 2018 vastgesteld waarbij de toegang tot de litigieuze documenten volledig is geweigerd.

37

Ten gevolge van het besluit van 7 juni 2018 is het bestreden besluit dus ingetrokken en vervangen (zie in die zin arresten van 2 oktober 2014, Strack/Commissie, C‑127/13 P, EU:C:2014:2250, punt 89, en 24 mei 2011, NLG/Commissie, T‑109/05 en T‑444/05, EU:T:2011:235, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien het bestreden besluit slechts een eerste standpunt van de Commissie vormde dat volledig is vervangen door het besluit van 7 juni 2018, is met laatstgenoemd besluit de procedure beëindigd en heeft dat besluit bijgevolg de aard van een besluit (zie in die zin arrest van 16 oktober 2003, Co‑Frutta/Commissie, T‑47/01, EU:T:2003:272, punten 30‑32).

38

Aldus was het bestreden besluit ten tijde van de instelling van het beroep reeds door het besluit van 7 juni 2018 vervangen en ten gevolge van dat besluit uit de rechtsorde van de Unie verdwenen, waardoor het geen rechtsgevolgen meer sorteerde, ook niet ten aanzien van verzoekster.

39

Bijgevolg was het onderhavige beroep op de datum waarop het is ingesteld zonder voorwerp en moet het niet-ontvankelijk worden verklaard.

40

Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door de verschillende door verzoekster aangevoerde argumenten.

41

Inderdaad is geoordeeld dat een beroep tot nietigverklaring zijn voorwerp behoudt wanneer de handeling waarvan de nietigverklaring wordt gevorderd in de loop van het geding wordt ingetrokken en de verzoeker niettemin een voldoende belang behoudt om een arrest te verkrijgen dat die handeling nietig verklaart (zie in die zin arresten van 7 juni 2007, Wunenburger/Commissie, C‑362/05 P, EU:C:2007:322, punten 47 en 50‑52; 27 september 2002, Tideland Signal/Commissie, T‑211/02, EU:T:2002:232, punten 48 en 49, en beschikking van 14 september 2011, Italië/Commissie, T‑239/10, niet gepubliceerd, EU:T:2011:471, punt 23).

42

In casu was het beroep van verzoekster evenwel reeds bij de instelling ervan zonder voorwerp (zie punt 38 hierboven).

43

Bovendien moet worden opgemerkt dat, voor zover verzoekster aanvoert dat nietigverklaring van het bestreden besluit zou kunnen voorkomen dat de beweerde onrechtmatigheid ervan zich in de toekomst opnieuw voordoet, elk van de door verzoekster aangevoerde onrechtmatigheden nauw verbonden is met de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak en verzoekster onvoldoende heeft bewezen dat er een risico bestaat dat zij zich in de toekomst opnieuw voordoen. Integendeel. Uit het in de punten 5 en 6 hierboven beschreven handelen van de Commissie naar aanleiding van de onbedoelde openbaarmaking van de litigieuze documenten blijkt dat er geen risico bestaat dat een dergelijke openbaarmaking zich in de toekomst opnieuw voordoet.

44

Voor zover verzoekster stelt dat zij nog steeds een procesbelang heeft aangezien het bestreden besluit erga omnes van kracht zal blijven indien het niet wordt nietig verklaard, behalve ten aanzien van de verzoeker om toegang, die adressaat is van het besluit van 7 juni 2018, moet bovendien worden vastgesteld dat die overweging onjuist is. Zoals uiteengezet in punt 37 hierboven is het bestreden besluit vervangen door het besluit van 7 juni 2018. Het is dus niet mogelijk om te beweren dat het bestreden besluit na de vaststelling van het besluit van 7 juni 2018 nog steeds van kracht is ten aanzien van andere personen dan de verzoeker om toegang.

45

Voor zover verzoekster haar procesbelang rechtvaardigt op grond van de gedeeltelijke openbaarmaking van de litigieuze documenten na de vaststelling van het bestreden besluit, moet tot slot worden opgemerkt dat de nietigverklaring van het bestreden besluit niet tot het herstel van de situatie kan leiden. Want hoewel een arrest van het Gerecht waarbij het bestreden besluit nietig wordt verklaard erga omnes werkt vanwege het absolute gezag van gewijsde en dat besluit aldus ten aanzien van alle justitiabelen met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer neemt [zie in die zin arrest van 1 juni 2006, P & O European Ferries (Vizcaya) en Diputación Foral de Vizcaya/Commissie, C‑442/03 P en C‑471/03 P, EU:C:2006:356, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak], neemt een dergelijke nietigverklaring de gevolgen van de openbaarmaking van de litigieuze documenten na de vaststelling van dat besluit niet weg. Aldus maakt de nietigverklaring van het bestreden besluit de gevolgen van de openbaarmaking van de litigieuze documenten niet ongedaan, aangezien de kennisneming van die informatie door alle personen die die documenten hebben gelezen, onmiddellijk en onomkeerbaar is. De nietigverklaring van het bestreden besluit zou verzoekster dus niet tot voordeel kunnen strekken.

46

De beslissing van het Gerecht om het beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit niet-ontvankelijk te verklaren wegens het ontbreken van een voorwerp laat evenwel onverlet dat verzoekster een beroep tot schadevergoeding kan instellen, voor zover zij meent dat de uitvoering van het bestreden besluit haar schade heeft berokkend. Op grond van het beginsel van autonomie van beroepsmogelijkheden kan een partij immers een op aansprakelijkheid gebaseerde actie instellen zonder dat enige bepaling haar ertoe dwingt alsdan tevens nietigverklaring van de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling te vorderen (zie in die zin arresten van 14 september 1999, Commissie/AssiDomän Kraft Products e.a., C‑310/97 P, EU:C:1999:407, punt 59, en 28 februari 2018, Vakakis kai Synergates/Commissie, T‑292/15, EU:T:2018:103, punt 30).

47

Uit al het voorgaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Kosten

48

De Commissie stelt dat verzoekster moet worden verwezen in de kosten omdat, ten eerste, het beroep niet-ontvankelijk is en, ten tweede, verzoekster bij de instelling van het beroep moest weten dat de abusievelijke verstrekking van de litigieuze documenten geen gevolgen sorteerde, dat een confirmatief toegangsverzoek was ingediend en dat de Commissie naar aanleiding van dat verzoek een besluit ging nemen dat naar behoren rekening zou houden met haar belangen.

49

Verzoekster stelt dat de Commissie moet worden verwezen in alle kosten omdat haar exceptie van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen en advocaat-generaal Saugmandsgaard Øe in zijn conclusie in de gevoegde zaken Mobit en Autolinee Toscane (C‑350/17 en C‑351/17, EU:C:2018:869) de uitlegging verwerpt die de Commissie had gegeven van de reikwijdte van verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB 2007, L 315, blz. 1).

50

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten.

 

HET GERECHT (Derde kamer)

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

 

2)

Régie autonome des transports parisiens (RATP) wordt verwezen in de kosten.

 

Luxemburg, 14 mei 2019.

De griffier

E. Coulon

De president

S. Frimondt Nielsen


( *1 ) Procestaal: Frans.

Top