Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62015CC0247

Conclusie van advocaat-generaal P. Mengozzi van 22 september 2016.
Maxcom Ltd tegen Chin Haur Indonesia PT.
Hogere voorziening – Dumping – Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 – Invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië – Uitbreiding van het op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China ingestelde definitieve antidumpingrecht tot die invoer – Verordening (EG) nr. 1225/2009 – Artikel 13 – Ontwijking – Artikel 18 – Niet-medewerking – Bewijs – Bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen.
Gevoegde zaken C-247/15 P, C-253/15 P en C-259/15 P.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2016:712

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. MENGOZZI

van 22 september 2016 ( 1 )

Gevoegde zaken C‑247/15 P, C‑253/15 P en C‑259/15 P

Maxcom Ltd (C‑247/15 P),

Europese Commissie (C‑253/15 P),

Raad van de Europese Unie (C‑259/15 P)

tegen

Chin Haur Indonesia PT

„Hogere voorziening — Handelspolitiek — Dumping — Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 — Invoer van met name uit Indonesië verzonden rijwielen — Uitbreiding van het op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China ingestelde definitieve antidumpingrecht tot die invoer — Verordening (EG) nr. 1225/2009 — Artikelen 13 en 18 — Ontwijking — Geen medewerking van een aantal producenten/exporteurs waarop het onderzoek betrekking heeft — Bewijs van de ontwijking — Bundel overeenstemmende aanwijzingen — Ontoereikende motivering — Schending van procedurele rechten”

1. 

De onderhavige conclusie betreft drie hogere voorzieningen waarbij Maxcom Ltd, de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie het Hof verzoeken om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 maart 2015, Chin Haur Indonesia/Raad ( 2 ) (hierna: „bestreden arrest”) houdende nietigverklaring van artikel 1, leden 1 en 3, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad ( 3 ) (hierna: „litigieuze verordening”), voor zover het betrekking heeft op de vennootschap Chin Haur Indonesia PT (hierna: „Chin Haur”), verzoekster voor het Gerecht.

2. 

De onderhavige drie gevoegde zaken zijn voor het Hof de eerste gelegenheid ( 4 ) om, in het kader van een hogere voorziening, uitspraak te doen over de Unieregeling op het gebied van ontwijking van antidumpingrechten. Deze in artikel 13 van verordening (EG) nr. 1225/2009 (hierna: „basisverordening”) ( 5 ) vervatte regeling biedt de instellingen de mogelijkheid om, onder bepaalde voorwaarden, antidumpingrechten die zij op de invoer van een product uit een derde land hebben ingesteld, uit te breiden tot de invoer van soortgelijke producten uit met name een ander land, om ontwijking van de antidumpingmaatregelen te voorkomen.

3. 

Het Hof zal meer in het bijzonder de gelegenheid hebben, nadere opheldering te verstrekken over de eisen inzake het bewijs dat de Commissie en de Raad (hierna samen: de „instellingen”) moeten leveren om het bestaan van ontwijking aan te tonen. De rechtspraak bevat al een aantal aanwijzingen over de vereiste bewijslast en de vereiste bewijsmaatstaf. Het Hof heeft deze aanwijzingen echter verstrekt in zaken die werden gekenmerkt door de bijzondere feitelijke omstandigheid dat de instellingen in de loop van het onderzoek naar het bestaan van ontwijking, een onderzoek dat berust op de vrijwillige medewerking van de producenten/exporteurs waarop het betrekking heeft, op een weigering van medewerking van alle belanghebbende partijen waren gestoten.

4. 

In de onderhavige zaken dient het Hof, tegen de achtergrond van de rechtspraak, nadere toelichting te verstrekken over de eisen inzake het bewijs waaraan de instellingen moeten voldoen om het bestaan van ontwijking aan te tonen in een andere feitelijke context, namelijk in een situatie die wordt gekenmerkt door de omstandigheid dat niet alle belanghebbende partijen, maar slechts een aantal producenten/exporteurs waarop het onderzoek betrekking heeft, niet meewerken.

I – Toepasselijke bepalingen

5.

Ofschoon de kwestie van de ontwijking is besproken in het kader van de WTO-GATT onderhandelingen, kon geen overeenstemming worden bereikt. Bijgevolg bevat de antidumpingcode van 1994 ( 6 ) uiteindelijk geen enkele bepaling daarover. ( 7 ) In die omstandigheden heeft de Unie unilateraal haar eigen anti-ontwijkingsregeling vastgesteld. ( 8 )

6.

In artikel 13, lid 1, eerste alinea, derde zin, van de basisverordening wordt ontwijking omschreven als „een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de [Unie] of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de [Unie] als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2”.

7.

Artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening bevat een niet-uitputtende lijst van de in de vorige alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden, die onder meer „het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen” en „in de in lid 2 beschreven situatie, de assemblage van delen in de [Unie] of een derde land” omvatten. Artikel 13, lid 2, van de basisverordening noemt de drie cumulatieve voorwaarden waaronder assemblage in de Unie of in een derde land wordt geacht ontwijking van de geldende antidumpingmaatregelen in te houden. ( 9 )

8.

Volgens artikel 13, lid 3, van de basisverordening opent de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, bij verordening een onderzoek op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 van hetzelfde artikel omschreven factoren. Wanneer de definitief vastgestelde feiten de uitbreiding van de antidumpingmaatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité het daartoe strekkende besluit.

9.

Artikel 13, lid 4, van de basisverordening voorziet in de mogelijkheid om aan bepaalde vennootschappen vrijstelling van de anti-ontwijkingsmaatregelen te verlenen. Het bepaalt dat „[op d]e invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, […] geen rechten van toepassing [zijn]. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter [ontwijking] buiten de [Unie] geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent [op wie] maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige [ontwijking] zoals beschreven in de leden 1 en 2 van dit artikel. […] Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie, […] dan wel bij besluit van de Raad tot vaststelling van maatregelen, en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit. […] [De] vrijstellingen [kunnen] ook worden verleend na afloop van het onderzoek dat leidt tot uitbreiding van de maatregelen.”

10.

Artikel 18, „Niet-medewerking”, van de basisverordening bepaalt:

„1.   Indien een belanghebbende binnen de bij deze verordening vastgestelde termijnen de toegang tot de nodige gegevens weigert of deze anderszins niet verstrekt of het onderzoek aanmerkelijk belemmert, kunnen aan de hand van de beschikbare gegevens voorlopige of definitieve conclusies, zowel in positieve als in negatieve zin, worden getrokken.

[…]

3.   Wanneer de door een belanghebbende verstrekte inlichtingen niet in alle opzichten toereikend zijn, mogen zij niet buiten beschouwing worden gelaten, mits de tekortkomingen niet van dien aard zijn dat zij het bereiken van redelijk betrouwbare conclusies onnodig bemoeilijken, de inlichtingen op passende wijze binnen de termijnen worden verstrekt en controleerbaar zijn en de betrokkene naar beste vermogen heeft gehandeld.

[…]

6.   Indien een belanghebbende geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent waardoor relevante inlichtingen niet beschikbaar zijn, kan dit tot gevolg hebben dat de resultaten voor deze belanghebbende minder gunstig zijn dan indien hij wel medewerking had verleend.”

II – Voorgeschiedenis van de gedingen en litigieuze verordening

11.

De voorgeschiedenis van de gedingen is gedetailleerd uiteengezet in de punten 1 tot en met 28 van het bestreden arrest, waarnaar ik verwijs. Voor de onderhavige procedure herinner ik er slechts aan dat de Unie in 1993 al een antidumpingrecht had ingesteld op de invoer in de Gemeenschap van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Dit recht is daarna verschillende keren opnieuw onderzocht en uiteindelijk bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 ( 10 ) gehandhaafd op 48,5 %.

12.

In 2012 heeft de Commissie ten vervolge op een klacht een onderzoek geopend naar eventuele ontwijking van de bij verordening nr. 990/2011 ingestelde antidumpingmaatregelen door invoer van onder andere uit Indonesië verzonden rijwielen. ( 11 ) In het kader van dit onderzoek heeft Chin Haur een verzoek tot vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van de basisverordening ingediend. De Commissie heeft een controlebezoek verricht in de lokalen van Chin Haur in Indonesië en het verzoek tot vrijstelling van Chin Haur uiteindelijk afgewezen op grond dat de door deze laatste verstrekte informatie onvoldoende betrouwbaar was. ( 12 )

13.

Op 29 mei 2013 heeft de Raad de litigieuze verordening vastgesteld.

14.

In deze verordening heeft de Raad allereerst verklaard dat van de vier Indonesische vennootschappen die een verzoek tot vrijstelling hadden ingediend en 91 % van de totale invoer in de Unie uit Indonesië vertegenwoordigden, drie vennootschappen werden geacht te hebben meegewerkt, terwijl de door de vierde vennootschap, te weten Chin Haur, meegedeelde gegevens, niet konden worden gecontroleerd en niet erg betrouwbaar waren, zodat zij niet in aanmerking konden worden genomen. ( 13 ) Bijgevolg heeft de Raad in overweging 33 van die verordening verklaard, dat de bevindingen voor Chin Haur overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens waren gebaseerd.

15.

Vervolgens heeft de Raad vastgesteld dat aan alle in artikel 13, lid 1, van de basisverordening gestelde voorwaarden voor de vaststelling van het bestaan van ontwijking was voldaan. ( 14 )

16.

Wat, specifiek, de ontwijkingspraktijken in Indonesië betreft, heeft de Raad allereerst het bestaan van verzending na overlading onderzocht. In dit verband wordt in de overwegingen 61 tot en met 64 van de litigieuze verordening gezegd:

„(61)

Voor drie van deze vier ondernemingen is uit het onderzoek niets gebleken van overladingspraktijken.

(62)

Wat de vierde onderneming [te weten, Chin Haur] betreft, was het gerechtvaardigd om artikel 18 van de basisverordening toe te passen, zoals opgemerkt in de overwegingen 29 tot en met 33. Het onderzoek bracht aan het licht dat de onderneming niet over voldoende uitrusting beschikte om de omvang van de uitvoer naar de Unie in de [referentieperiode] te kunnen rechtvaardigen en – bij gebrek aan andere rechtvaardigingen – kan worden geconcludeerd dat de onderneming betrokken was bij ontwijking van het antidumpingrecht door overlading.

(63)

Wat de overige uitvoer naar de Unie betreft, werd geen medewerking verleend […].

(64)

Gezien de conclusie in overweging 58 inzake de verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen Indonesië en de Unie in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening, gezien de in overweging [62] bedoelde bevindingen aangaande een van de Indonesische ondernemingen, en gezien het feit dat niet alle Indonesische producenten/exporteurs zich kenbaar maakten en medewerking verleenden, wordt de verzending van producten van oorsprong uit de [Volksrepubliek China] na overlading in Indonesië als bevestigd beschouwd.”

17.

Vervolgens heeft de Raad verklaard dat niet kon worden vastgesteld dat in Indonesië assemblage in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening plaatsvond. ( 15 )

18.

In die omstandigheden heeft de Raad, enerzijds, het bestaan van ontwijking door verzending na overlading via Indonesië vastgesteld en het bij uitvoeringsverordening nr. 990/2011 ingestelde definitieve antidumpingrecht uitgebreid tot de invoer van uit Indonesië verzonden rijwielen ( 16 ), en anderzijds, wegens het vastgestelde ontbreken van daadwerkelijke mededinging aan Chin Haur vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van de basisverordening geweigerd ( 17 ).

III – Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest

19.

Op 9 augustus 2013 Chin Haur bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening ingesteld.

20.

Op 8 oktober 2013 heeft het Gerecht het door Chin Haur ingediende verzoek om uitspraak te doen volgens een versnelde procedure ( 18 ) ingewilligd.

21.

Bij beschikking van 11 november 2013 heeft de president van de Zevende kamer van het Gerecht de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Raad. De Commissie heeft echter geen toestemming gekregen om een memorie in interventie in te dienen. ( 19 ) Op 25 juni 2014 heeft de Commissie, gelet op feit dat de zaak volgens de versnelde procedure werd behandeld, verzocht om toestemming tot indiening van een memorie in interventie als maatregel tot organisatie van de procesgang. ( 20 ) Het Gerecht heeft dit verzoek afgewezen.

22.

Bij beschikking van 16 juli 2014 is Maxcom toegelaten tot interventie.

23.

Ter ondersteuning van haar beroep heeft Chin Haur drie middelen aangevoerd. Het eerste middel betrof schending van artikel 13, lid 1, en artikel 18, lid 1, van de basisverordening. In het eerste onderdeel van dit middel kwam Chin Haur op tegen de bevindingen van de Raad betreffende het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer. In het tweede onderdeel van dit middel kwam Chin Haur op tegen de vaststelling van de Raad in overweging 62 van de litigieuze verordening, dat zij verzending na overlading had verricht. Het tweede middel was ontleend aan schending van artikel 18 van de basisverordening, schending van het evenredigheidsbeginsel en niet-nakoming van de motiveringsplicht. Het betrof de vaststelling van de Raad betreffende de niet-medewerking van Chin Haur. Het derde middel was ontleend aan schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening en van het beginsel van gelijke behandeling. Het betrof de vaststelling van de Raad betreffende het bestaan van dumping.

24.

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het eerste middel en het tweede en het derde middel ongegrond verklaard. Het heeft echter ingestemd met het tweede onderdeel van het eerste middel, met name met de grief waarmee Chin Haur opkwam tegen de bevinding in overweging 62 van de litigieuze verordening dat zij niet over voldoende productiecapaciteit beschikte om de omvang van haar uitvoer naar de Unie te rechtvaardigen.

25.

In dit verband heeft het Gerecht, in de eerste plaats, in de punten 81 tot en met 94 van het bestreden arrest de door Chin Haur in de loop van het onderzoek meegedeelde gegevens geanalyseerd en geoordeeld dat daaruit niet kon worden opgemaakt dat deze vennootschap wel degelijk een exporteur van Indonesische oorsprong was, of voldeed aan de criteria van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.

26.

In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 95 tot en met 103 van dat arrest de gegevens onderzocht waarover de Raad beschikte voor zijn bevinding dat Chin Haur verzending na overlading verrichtte. Ten vervolge op die analyse heeft het Gerecht in punt 104 van dat arrest geoordeeld dat de Raad op basis van die gegevens niet over voldoende aanwijzingen beschikte om zijn in overweging 62 van de litigieuze verordening geformuleerde slotsom te onderbouwen. In punt 105 van dat arrest heeft het Gerecht bovendien geoordeeld dat de Raad uit het feit dat Chin Haur niet had weten aan te tonen dat zij een Indonesische producent was of voldeed aan artikel 13, lid 2, van de basisverordening, niet automatisch kon afleiden dat Chin Haur verzending na overlading verrichte, aangezien de basisverordening of de rechtspraak niet in een dergelijke mogelijkheid voorziet. Daarop heeft het Gerecht het tweede onderdeel van het eerste middel aanvaard zonder de twee andere door Chin Haur geformuleerde grieven te onderzoeken. Bijgevolg heeft het artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening nietig verklaard „voor zover het Chin Haur […] betreft”.

IV – Conclusies van partijen

27.

Met hun hogere voorzieningen verzoeken Maxcom, de Commissie en de Raad het Hof, het bestreden arrest te vernietigen, het beroep in eerste aanleg te verwerpen en Chin Haur te verwijzen in de kosten. Subsidiair vorderen de Commissie en de Raad, de zaak naar het Gerecht terug te verwijzen en de beslissing over de kosten van de twee instanties aan te houden.

28.

Chin Haur verzoekt het Hof, de hogere voorzieningen tegen het bestreden arrest volledig af te wijzen en Maxcom, de Commissie en de Raad te verwijzen in de kosten. Subsidiair, voor het geval dat het Hof het bestreden arrest vernietigt, verzoekt Chin Haur het Hof, uitspraak te doen op haar beroep in eerste aanleg, de twee resterende grieven van het tweede onderdeel van haar eerste voor het Gerecht aangevoerde middel te aanvaarden en artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening nietig te verklaren voor zover bij deze bepalingen het op de invoer van rijwielen van oorsprong uit China ingestelde antidumpingrecht is uitgebreid tot Chin Haur en het verzoek tot vrijstelling van Chin Haur is afgewezen.

V – Analyse

29.

Maxcom voert twee middelen, te weten een primair en een subsidiair middel, de Commissie drie middelen en de Raad twee middelen tegen het bestreden arrest aan. De in de drie hogere voorzieningen aangevoerde middelen overlappen elkaar grotendeels en kunnen in wezen worden samengebracht in drie groepen.

30.

Ten eerste voeren Maxcom, de Commissie en de Raad aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. ( 21 ) Ten tweede stellen de Commissie en de Raad dat de motivering van het bestreden arrest ontoereikend is en tegenstrijdigheden bevat; in dezelfde context voert de Raad ook aan dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat. ( 22 ) Ten derde betoogt de Commissie dat het Gerecht haar procedurele rechten heeft geschonden. ( 23 )

A – Middelen inzake onjuiste toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening

1. Argumenten van partijen

31.

In een eerste groep van middelen betogen Maxcom, de Commissie en de Raad, zakelijk weergegeven, dat de in de punten 95 tot en met 105 van het bestreden arrest vervatte redenering op basis waarvan het Gerecht de litigieuze verordening nietig heeft verklaard, berust op verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening.

32.

In de eerste plaats verwijt Maxcom het Gerecht, die bepaling overduidelijk onjuist te hebben toegepast door te oordelen dat de Raad op basis van de gegevens waarover hij beschikte, niet tot de bevinding kon komen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading.

33.

Maxcom stelt ten eerste dat de redenering van het Gerecht geen rekening houdt met het feit dat vaststaat dat Chin Haur onderdelen van rijwielen van een met Chin Haur zelf verbonden Chinese producent heeft ingevoerd en rijwielen naar de Unie heeft uitgevoerd. In die omstandigheden had het Gerecht, na te hebben vastgesteld dat Chin Haur niet had weten aan te tonen dat zij een echte Indonesische producent van rijwielen was of dat de door haar verrichte assemblage de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening vastgestelde drempels niet overschreed, de import-exportactiviteiten van Chin Haur als verzending na overlading moeten aanmerken.

34.

Maxcom stelt ten tweede dat elementen waarop het Gerecht zich in de punten 95 tot en met 102 van het bestreden arrest heeft gebaseerd om tot de bevinding te komen dat de Raad niet over voldoende aanwijzingen beschikte om vast te stellen dat Chin Haur niet betrokken was bij verzending na overlading, volstrekt irrelevant zijn. In het onderhavige geval zou het kernpunt de niet-medewerking van Chin Haur zijn, waardoor de Commissie zich geen volledig beeld heeft kunnen vormen van de activiteiten van deze vennootschap, zodat de vaststellingen betreffende deze vennootschap slechts op basis van artikel 18, lid 1, van de basisverordening konden worden verricht. Het bestreden arrest zou Chin Haur belonen voor haar niet-medewerking en zou zowel in strijd zijn met het doel van de basisverordening als met de rechtspraak. De instellingen zouden overigens niet verplicht zijn om het bestaan van duidelijke ontwijkingspraktijken specifiek te bewijzen. Zij zouden alleen moeten bewijzen dat de verandering in het handelsverkeer voortvloeit uit ontwijking. Bijgevolg zou de nietigverklaring van de litigieuze verordening op grond van het feit dat de instellingen niet over voldoende bewijzen voor de vaststelling van het bestaan van verzending na overlading beschikten, een kennelijk onjuiste rechtsopvatting vormen.

35.

In de tweede plaats betogen de Commissie en de Raad dat het Gerecht in het bestreden arrest uitgaat van de impliciete premisse dat artikel 13, lid 1, van de basisverordening eist dat de instellingen aantonen dat iedere producent/exporteur in het land waarop het onderzoek betrekking heeft, verzending na overlading verricht. Een dergelijke uitlegging is volgens hen onjuist. Ten eerste zou zij ingaan tegen de verplichting om op niveau van het land en niet op niveau van de individuele exporteurs te beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13, lid 1, van de basisverordening is voldaan. Ten tweede zou zij artikel 13, lid 4, van de basisverordening volledig uithollen. Ten derde zou zij het begrip „ontwijkingspraktijk” verwarren met een van de uitingen daarvan, namelijk verzending na overlading. De instellingen zouden echter niet verplicht zijn om het bestaan van duidelijke ontwijkingspraktijken specifiek te bewijzen. Ten vierde zou het Gerecht bij de beoordeling van de verschillende middelen het begrip ontwijkingspraktijk op tegenstrijdige wijzen hebben uitgelegd.

36.

In de derde plaats betogen Maxcom, de Commissie en de Raad dat, zelfs al zou de Raad verkeerdelijk hebben vastgesteld dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading, die vaststelling op zichzelf niet volstond om de litigieuze verordening nietig te verklaren. De in overweging 64 van de litigieuze verordening besloten liggende vaststelling van het bestaan van verzending na overlading via Indonesië zou immers niet uitsluitend op de vaststelling betreffende Chin Haur zijn gebaseerd, maar ook op het feit dat, enerzijds, producenten die 9 % van de uitvoer van Indonesië naar de Unie vertegenwoordigden, geen enkele medewerking hadden verleend aan het onderzoek, en anderzijds, van Chin Haur, die 42 % van die uitvoer vertegenwoordigde, uiteindelijk geen enkele medewerking was verkregen. De Raad had dus zelfs in geval van een vergissing betreffende de verzending na overlading door Chin Haur tot de bevinding kunnen komen dat verzending na overlading via Indonesië had plaatsgevonden, en zulks, zoals door de rechtspraak wordt geëist, op basis van een bundel op de beschikbare gegevens gebaseerde overeenstemmende aanwijzingen betreffende de andere Indonesische producenten/exporteurs.

37.

Chin Haur bestrijdt alle argumenten van de rekwiranten. Om te beginnen betoogt zij dat de argumenten tegen de bevinding van het Gerecht dat er niet voldoende bewijs was van het bestaan van verzending na overlading door Chin Haur, betrekking hebben op de beoordeling van de feiten en dus niet-ontvankelijk zijn. Vervolgens stelt Chin Haur in de eerste plaats dat de betrokken problematiek geheel en al betrekking heeft op de bewijslast ter zake van het bestaan van ontwijking, en met name van verzending na overlading. Het Gerecht zou zich ertoe hebben beperkt te verklaren dat deze bewijslast op de instellingen rust, en dat deze in het onderhavige geval het vereiste bewijs niet hebben geleverd. Het onderscheid tussen de beoordeling van de ontwijking op niveau van het land en de beoordeling daarvan op het niveau van de individuele exporteur zou geen steun vinden in de bewoordingen van de basisverordening, en zou in het onderhavige geval niet relevant zijn omdat de Raad zelf in de litigieuze verordening die twee criteria heeft samengevoegd. Bovendien zou het Gerecht nergens zeggen dat de instellingen positief moeten aantonen dat iedere individuele producent/exporteur verzending na overlading verricht. Rekwiranten zouden voedsel geven aan verwarring tussen de bewijslast, die op de instellingen rust, en de vereiste bewijsmaatstaf, die volgens artikel 18 van de basisverordening kan worden verlaagd ingeval geen medewerking wordt verleend. Anders dan in de situatie die ten grondslag lag aan de zaak Simon, Evers & Co. ( 24 ), was het in het onderhavige geval zo dat, enerzijds, de instellingen niet over een bundel overeenstemmende aanwijzingen voor het bestaan van verzending na overlading beschikten, en anderzijds, sommige ondernemingen aan het onderzoek hadden meegewerkt.

38.

Wat in de tweede plaats de grief betreft, dat de door het Gerecht gedane vaststellingen niet volstonden om de litigieuze verordening nietig te verklaren, betoogt Chin Haur dat de Raad in die verordening niet heeft vastgesteld dat andere Indonesische producenten dan zijzelf verzending na overlading verrichtten. In de litigieuze verordening zou alleen worden vastgesteld dat sommige van deze producenten, die een klein gedeelte van de totale productie vertegenwoordigden, niet hadden meegewerkt. Gelet op de rechtspraak van het Hof, mochten de instellingen zich er echter niet toe beperken, het bestaan van verzending na overlading af te leiden uit het enkele feit dat individuele producenten/exporteurs geen medewerking verleenden.

2. Bespreking

a) Ontvankelijkheid

39.

Met betrekking tot de door Chin Haur in limine aangevoerde grief inzake niet-ontvankelijkheid (zie punt 37 de onderhavige conclusie) dient eraan te worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak, het Gerecht bij uitsluiting bevoegd is om de feiten vast te stellen en te beoordelen en in beginsel om de bewijzen te onderzoeken die het tot staving van deze feiten in aanmerking neemt. Wanneer deze bewijzen volgens de regels zijn verkregen en de algemene rechtsbeginselen en de procedurevoorschriften inzake de bewijslast en de bewijsvoering zijn geëerbiedigd, staat het immers uitsluitend aan het Gerecht om te beoordelen, welke waarde moet worden gehecht aan de hem overgelegde bewijzen. Die beoordeling vormt dus geen rechtspunt dat als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof, behoudens in het geval van een onjuiste opvatting van die bewijzen. Wanneer het Gerecht de feiten heeft vastgesteld of beoordeeld, is het Hof echter krachtens artikel 256 VWEU bevoegd om toezicht uit te oefenen op de wijze waarop het Gerecht die feiten juridisch heeft gekwalificeerd en op de rechtsgevolgen die het Gerecht daaraan heeft verbonden. ( 25 )

40.

Voor zover rekwiranten opkomen tegen de beoordeling van de feiten door het Gerecht, daaronder begrepen tegen de in de punten 96 tot en met 102 van het bestreden arrest voorkomende beoordeling, moet dus worden geoordeeld dat hun grieven niet-ontvankelijk zijn.

41.

Vast staat echter dat, zoals Chin Haur zelf heeft opgemerkt, de onderhavige hogere voorzieningen, in het kader van de grieven inzake onjuiste toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening, in wezen geschilpunten betreffende de bewijslast en de bewijsmaatstaf voor het aantonen van het bestaan van ontwijking aan de orde stellen. Voor zover die grieven niet zien op de vaststelling van de feiten en op het onderzoek van de bewijzen door het Gerecht, maar betrekking hebben op de niet-inachtneming van de bewijsregels, die volgens de rechtspraak een rechtspunt oplevert ( 26 ), moet dus worden geoordeeld dat zij ontvankelijk zijn.

b) Unieregeling betreffende ontwijking tegen de achtergrond van de rechtspraak

42.

Alvorens de grieven inzake schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening te onderzoeken, dient de Unieregeling betreffende ontwijking te worden geanalyseerd tegen de achtergrond van de relevante rechtspraak. Deze regeling beoogt de doeltreffendheid van de ingestelde antidumpingmaatregelen te verzekeren en te voorkomen dat deze worden ontweken. ( 27 )

43.

Uit de in punt 6 van de onderhavige conclusie vermelde definitie in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening blijkt, dat voor het bestaan van ontwijking aan vier voorwaarden moet zijn voldaan: i) er moet sprake zijn van een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen het betrokken derde land en de Unie, ii) die verandering moet het gevolg zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor er, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat, iii) bewezen moet zijn dat er sprake is van schade, en iv) het bestaan van dumping moet zijn bewezen. In de onderhavige hogere voorzieningen wordt alleen het bestaan van het tweede bestanddeel van ontwijking betwist en is het bestaan van de drie andere elementen definitief vastgesteld.

44.

In zijn arrest Simon, Evers & Co. ( 28 ) heeft het Hof erop gewezen dat die definitie van ontwijking is geformuleerd in zeer algemene bewoordingen, die aan de instellingen veel speelruimte laten. ( 29 ) De erkenning van deze speelruimte hangt overigens logisch samen met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover, volgens vaste rechtspraak, de instellingen in de regel op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken. ( 30 ) Zij houdt bovendien in dat bij de rechterlijke toetsing alleen wordt nagegaan of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op basis waarvan de omstreden keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, of er geen sprake is van een kennelijke onjuiste beoordeling van deze feiten en of er geen misbruik van bevoegdheid is geweest. ( 31 )

45.

Verder heeft het Hof in het arrest Simon, Evers & Co. ( 32 ) verklaard dat uit de basisverordening, en in het bijzonder uit artikel 13, lid 3, daarvan, blijkt dat het aan de instellingen staat om ontwijking te bewijzen. ( 33 ) Wanneer de instellingen beslissen de antidumpingrechten die zij op de invoer uit een bepaald land hebben ingesteld, uit te breiden tot een ander land, moeten zij aantonen dat alle in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening genoemde bestanddelen van ontwijking van die rechten voorhanden zijn. ( 34 )

46.

Wanneer de instellingen hebben aangetoond dat aan de vier voorwaarden is voldaan, en bijgevolg ontwijking met betrekking tot het land waarop het onderzoek betrekking heeft, is bewezen, worden de eerder ingestelde antidumpingrechten uitgebreid tot alle invoer uit dat land.

47.

Een producent/exporteur van het uit dat land afkomstige betrokken product kan volgens artikel 13, lid 4, van de basisverordening individuele vrijstelling van de aldus ingestelde anti-ontwijkingsrechten krijgen indien hij binnen de gestelde termijn een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling indient en – ingeval de ontwijking buiten de Unie plaatsvindt – indien twee voorwaarden zijn vervuld: ten eerste, dat hij kan aantonen dat er geen relatie bestaat tussen hem en een producent waarop de maatregelen van toepassing zijn, en ten tweede, dat is vastgesteld dat hij niet bij enige ontwijking betrokken is. ( 35 )

48.

Zo blijkt uit de logica en de opzet van de Unieregeling op het gebied van ontwijking dat het onderzoek of aan de vier voorwaarden van artikel 13, lid 1, van de basisverordening is voldaan, erop gericht is, het bestaan aan te tonen van ontwijking van de antidumpingrechten die aanvankelijk waren ingesteld op het niveau van het land waarop het anti-ontwijkingsonderzoek betrekking had. De specifieke situatie van de individuele producenten/exporteurs wordt daarentegen in aanmerking genomen in het kader van het onderzoek bedoeld in artikel 13, lid 4, van de basisverordening. Deze structuur van de anti-ontwijkingsregeling staat echter niet eraan in de weg dat, zoals in de onderhavige zaak het geval is geweest, vaststellingen betreffende een of meer individuele producenten/exporteurs worden gebruikt ter onderbouwing van bevindingen betreffende het bestaan van bestanddelen van ontwijking, met name het bestaan ontwijkingspraktijken, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening. ( 36 )

49.

In zijn rechtspraak, in het bijzonder in de arresten Simon, Evers & Co. ( 37 ) en APEX ( 38 ), heeft het Hof ook aanwijzingen verstrekt over de bewijsmaatstaf die volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening is vereist voor het aantonen van de bestanddelen van ontwijking. In dit verband heeft het Hof beklemtoond dat in het kader van een onderzoek naar het bestaan van ontwijking de instellingen de betrokken producenten/exporteurs niet kunnen dwingen deel te nemen aan het onderzoek of inlichtingen te verstrekken. Zij zijn voor verstrekking van de nodige informatie dus afhankelijk van de vrijwillige medewerking van de belanghebbenden. Om deze reden is in artikel 18, leden 1 en 6, van de basisverordening bepaald dat, bij gebreke van medewerking, de Commissie, enerzijds, conclusies kan trekken „aan de hand van de beschikbare gegevens”, en anderzijds, aldus kan handelen dat de resultaten voor de partij die geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent, „minder gunstig zijn dan indien [z]ij wel medewerking had verleend”. ( 39 )

50.

Het Hof heeft daaruit met zoveel woorden afgeleid, dat artikel 18, leden 1 en 6, van de basisverordening duidelijk een versoepeling van de op de instellingen rustende bewijslast beoogt voor het geval dat geen medewerking wordt verleend. ( 40 )

51.

Het Hof heeft gepreciseerd dat de Uniewetgever geen wettelijk vermoeden heeft willen invoeren waarmee uit de niet-medewerking van de belanghebbenden of betrokkenen rechtstreeks het bestaan van ontwijking zou kunnen worden afgeleid en op de instellingen bijgevolg geen bewijslast zou rusten. ( 41 )

52.

Het Hof heeft echter verklaard dat, gezien de mogelijkheid om, zelfs definitieve, conclusies te trekken aan de hand van de beschikbare gegevens, en om de partij die geen of slechts gedeeltelijke medewerking verleent, minder gunstig te behandelen dan indien zij haar medewerking had verleend, de instellingen, ingeval helemaal geen medewerking wordt verleend, zich mogen baseren op een bundel onderling overeenstemmende aanwijzingen om ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening vast te stellen. ( 42 )

53.

Deze versoepeling van de bewijslast vindt haar bestaansgrond in de noodzaak, de doeltreffendheid van de beschermende handelsmaatregelen van de Unie niet in het gedrang te brengen telkens wanneer de instellingen geen medewerking krijgen bij een onderzoek tot vaststelling van ontwijking. ( 43 )

54.

In dit verband dient er echter op te worden gewezen dat de arresten Simon, Evers & Co. en APEX betrekking hadden op anti-ontwijkingsonderzoeken die werden gekenmerkt door het feit dat geen enkele belanghebbende partij medewerking verleende. ( 44 ) Het in de onderhavige zaken aan de orde zijnde onderzoek is echter in zoverre verschillend dat, zoals uit punt 14 van de onderhavige conclusie blijkt, bepaalde belanghebbende ondernemingen hebben meegewerkt en met betrekking tot deze ondernemingen is vastgesteld dat zij geen ontwijking verrichten. In die omstandigheden rijst de vraag in welke mate de in de twee aangehaalde arresten geformuleerde jurisprudentiële beginselen betreffende de vereiste maatstaf voor het bewijs van het bestaan van ontwijking mutatis mutandis kunnen worden toegepast op een geval dat wordt gekenmerkt door een andere feitelijke context.

c) Grieven inzake schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening

i) Voorafgaande opmerkingen

55.

Zoals gezegd, betreffen de grieven inzake schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening uitsluitend de analyse betreffende het tweede bestanddeel van ontwijking, zoals dat in de punten 6 en 43 van de onderhavige conclusie is uiteengezet, te weten het vereiste van verandering in de structuur van het handelsverkeer als gevolg van ontwijkingspraktijken waarvoor, afgezien van de instelling van het antidumpingrecht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. Alvorens deze grieven te onderzoeken, dienen echter drie voorafgaande opmerkingen te worden gemaakt.

56.

Ten eerste wijs ik erop dat, zoals in punt 16 van de onderhavige conclusie is gezegd, de bevinding van de Raad betreffende het bestaan van verzending na overlading van Chinese rijwielen via Indonesië (overweging 64 van de litigieuze verordening), berust op drie elementen, waaronder de vaststelling dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading (vaststelling gedaan in overweging 62 van de litigieuze verordening).

57.

In die omstandigheden staat vast dat in die verordening de vaststelling betreffende een individuele producent (Chin Haur) een van de elementen is waarop de bevinding van het bestaan van ontwijking op het niveau van het land (Indonesië) berust. Met andere woorden, zoals Chin Haur correct heeft beklemtoond, in deze verordening heeft de Raad, om het bestaan van het tweede bestanddeel van ontwijking te bewijzen, het onderzoek op het niveau van het land als het ware „gefuseerd” met het onderzoek op het individuele niveau, zoals in punt 48 van de onderhavige conclusie is gezegd.

58.

Ten tweede heeft het Gerecht, zoals in de punten 24 tot en met 26 van de onderhavige conclusie is gezegd, in het bestreden arrest de litigieuze verordening nietig verklaard „voor zover [deze Chin Haur] betreft”, door het eerste middel van deze vennootschap te aanvaarden en te oordelen dat de in overweging 62 van de litigieuze verordening opgenomen vaststelling betreffende deze vennootschap onvoldoende bewezen was. ( 45 )

59.

In de relevante punten van het bestreden arrest noemt het Gerecht niet met zoveel woorden de bepalingen van de basisverordening die zijns inziens door de Raad zijn geschonden. Aangezien het eerste middel van het bij hem ingestelde beroep echter schending van artikel 13, lid 1, en artikel 18, lid 1, van de basisverordening betrof, is het overduidelijk dat het Gerecht de litigieuze verordening wegens schending van die twee bepalingen nietig heeft verklaard.

60.

Een op schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening gebaseerde nietigverklaring vooronderstelt echter dat de vaststelling van het bestaan van een van de in die bepaling genoemde bestanddelen van ontwijking onjuist is. Hieruit volgt dat het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld – ook al heeft het dat niet uitdrukkelijk verklaard – dat de in de litigieuze verordening besloten liggende bevinding betreffende het tweede bestanddeel van ontwijking onjuist was.

61.

In de litigieuze verordening ligt de bevinding betreffende het bestaan van dit tweede bestanddeel, met name de bevinding betreffende het bestaan van ontwijking op het niveau van Indonesië, vervat in overweging 64 van de litigieuze verordening. Het Gerecht heeft echter gewezen op een vergissing betreffende de vaststelling van de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading (vaststelling in overweging 62 van de litigieuze verordening).

62.

In die omstandigheden heeft het Gerecht, dat de nietigverklaring van de litigieuze verordening op schending van artikel 13, lid 1, van de basisverordening heeft gebaseerd, noodzakelijkerwijze impliciet geoordeeld dat de vastgestelde vergissing met betrekking tot de vaststelling betreffende Chin Haur de bevinding betreffende het tweede bestanddeel van ontwijking, met name de bevinding betreffende het bestaan van ontwijking via Indonesië, volstrekt ongeldig heeft gemaakt. Met andere woorden het Gerecht heeft geoordeeld dat de met betrekking tot overweging 62 van de litigieuze verordening vastgestelde vergissing de algemene bevinding in overweging 64 van die verordening heeft „onderuitgehaald”.

63.

Ten derde staat vast dat Chin Haur oncontroleerbare en onbetrouwbare informatie heeft verstrekt, en dat dus terecht is geoordeeld dat zij niet echt heeft meegewerkt aan het onderzoek. De deze vennootschap betreffende bevindingen in de litigieuze verordening zijn aldus terecht op de beschikbare gegevens gebaseerd overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening. ( 46 )

ii) Grieven inzake de bevindingen van het Gerecht betreffende de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading

64.

Om te beginnen dient te worden ingegaan op het door rekwiranten gevoerde betoog dat het Gerecht in de punten 95 tot en met 105 van het bestreden arrest artikel 13, lid 1, van de basisverordening onjuist heeft toegepast.

65.

In die punten van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de Raad op basis van het dossier over onvoldoende aanwijzingen beschikte om in overweging 62 van de bestreden verordening tot de bevinding te komen dat Chin Haur onvoldoende productiecapaciteit had voor de naar de Unie uitgevoerde hoeveelheden, en bijgevolg evenmin om vast te stellen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading. Om tot die bevinding te komen heeft het Gerecht ten eerste, in de punten 96 tot en met 101 van dat arrest, de door de gemachtigden van de Commissie tijdens het controlebezoek in de lokalen van Chin Haur gedane vaststellingen onderzocht en geoordeeld dat deze vaststellingen, afzonderlijk of gezamenlijk beschouwd, niet op overtuigende wijze op het bestaan van verzending na overlading wezen. Ten tweede heeft het Gerecht, in punt 102 van dat arrest, erop gewezen dat, enerzijds, de meeste vaststellingen die waren ontleend aan het verslag van het controlebezoek van de machtigden van de Commissie waarop de Raad zich had gebaseerd, door Chin Haur waren betwist, en anderzijds, andere foto’s waarnaar de Raad had verwezen, geen enkele aanwijzing voor het bestaan van verzending na overlading opleverden. Ten derde heeft het Gerecht, in punt 103 van dat arrest, na erop te hebben gewezen dat de Raad zijn redenering ook had gebaseerd op het feit dat Chin Haur niet had aangetoond dat zij wel degelijk een Indonesische producente van rijwielen was of voldeed aan de criteria van artikel 13, lid 2, van de basisverordening, geoordeeld dat uit deze vaststelling op zichzelf niet voortvloeide dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading.

– Voorwerp bewijs en vereiste bewijsmaatstaf ingeval een aantal betrokken producenten/exporteurs niet meewerken aan het anti-ontwijkingsonderzoek

66.

Het betoog van rekwiranten geeft allereerst aanleiding tot de vraag wat de instellingen moeten bewijzen en aan welke bewijsmaatstaf zij moeten voldoen om tot de bevinding te kunnen komen dat het tweede bestanddeel van ontwijking, zoals vastgesteld in de punten 43 en 55 van de onderhavige conclusie, voorhanden is in een onderzoek dat wordt gekenmerkt door het feit dat een aantal producenten/exporteurs, maar niet allen, geen medewerking hebben verleend.

67.

Meer in het bijzonder, zijn de instellingen verplicht het bewijs van specifieke ontwijkingspraktijken – zoals die welke op niet-uitputtende wijze zijn genoemd in artikel 13, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening – te leveren, of kunnen zij ermee volstaan, aan de hand van een bundel overeenstemmende aanwijzingen te bewijzen dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer een gevolg is van ontwijkingspraktijken, zonder echter het bestaan van specifieke praktijken te moeten aantonen?

68.

In dit verband is er ten eerste al op gewezen ( 47 ), dat de instellingen, wanneer zij anti-ontwijkingsrechten willen opleggen, het bestaan van elk van de vier bestanddelen van ontwijking moeten aantonen. Zij kunnen zich er dus niet toe beperken, alleen het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer te bewijzen, maar moeten rechtens genoegzaam aantonen dat, volgens de in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening gebruikte bewoordingen, deze verandering een gevolg is van praktijken (processen of werkzaamheden) inzake ontwijking waarvoor er geen andere rechtvaardigingsgrond bestaat dan de instelling van het recht.

69.

Ten tweede ben ik, met betrekking tot de bewijsmaatstaf, van mening dat de bestaansgrond voor de door het Hof in de arresten Simon, Evers & Co. en APEX gekozen uitlegging in gevallen van volledige niet-medewerking, namelijk de noodzaak de doeltreffendheid van de beschermende handelsmaatregelen van de Unie niet in het gedrang brengen ( 48 ), ook ten volle geldt in een geval als het onderhavige, waarin de ondernemingen die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt, het proportioneel grootste deel van de invoer van het betrokken product in de Unie vertegenwoordigen. ( 49 ) Ik ben dan ook van mening dat in een geval waarin de niet-medewerking zo groot is, de instellingen zich op een bundel van overeenstemmende aanwijzingen mogen baseren om rechtens genoegzaam aan te tonen dat de bestanddelen van ontwijking voorhanden teneinde aannemelijk te maken dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer een gevolg is ontwijkingspraktijken. In een dergelijk geval mogen zij, om tot hun bevinding te komen, echter niet voorbijgaan aan het feit dat is vastgesteld dat een min of meer belangrijke groep van producenten/exporteurs zich niet aan dergelijke praktijken schuldig heeft gemaakt.

70.

Ten derde ben ik met betrekking tot de vraag of de instellingen het bestaan van specifieke ontwijkingspraktijken moeten aantonen, van mening dat het arrest Simon, Evers & Co. enkele relevante aanwijzingen kan verstrekken voor het antwoord op die vraag. In dat arrest, dat, zoals gezegd, betrekking had op een geval van volledige niet-medewerking, heeft het Hof in het kader van het onderzoek van het tweede bestanddeel van ontwijking de geldigheid van de in de betrokken verordening vervatte positieve bevinding immers bevestigd op grond van, onder meer, de vaststelling dat een van de overeenstemmende vaststellingen die deze bevinding schraagden, de omstandigheid was dat de Raad beschikte over aanwijzingen voor het bestaan van bepaalde ontwijkingspraktijken. ( 50 )

71.

Hieruit volgt dat, wanneer er in een geval van volledige niet-medewerking een bundel overeenstemmende aanwijzingen bestaat dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer een gevolg is van ontwijkingspraktijken, de instellingen weliswaar het bestaan specifieke ontwijkingspraktijken niet moeten bewijzen, maar op zijn minst moeten beschikken over een aantal elementen die op het bestaan van dergelijke praktijken wijzen. Om de in punt 69 van de onderhavige conclusie uiteengezette redenen ben ik van mening dat een dergelijke modus operandi kan worden gevolgd in een geval als het onderhavige, dat wordt gekenmerkt door het feit dat een aantal producenten/exporteurs die een groot deel van de invoer van het betrokken product vertegenwoordigen, niet aan het onderzoek hebben meegewerkt.

72.

In het onderhavige geval blijkt echter noch uit de litigieuze verordening noch uit de stukken dat die instellingen over andere aanwijzingen voor het bestaan ontwijkingspraktijken hebben beschikt dan de vaststelling van de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading.

73.

Bovendien ben ik mening dat de instellingen, ingeval zij, zoals in casu, hun bevinding betreffende het tweede bestanddeel van ontwijking op het bestaan van specifieke praktijken baseren, die bevinding in elk geval rechtens genoegzaam moeten onderbouwen.

74.

In die omstandigheden is het antwoord op de vraag naar de gegrondheid van de vaststelling van de Raad inzake de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading in het onderhavige geval van beslissend belang voor het toezicht op de rechtmatigheid van de bevinding waartoe deze instelling met betrekking tot het tweede bestanddeel van ontwijking is gekomen. ( 51 )

– Bewijs van de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading

75.

Uit de in punt 45 van de onderhavige conclusie vermelde rechtspraak blijkt dat, wanneer de instellingen, zoals in het onderhavige geval, hun bevindingen betreffende het tweede bestanddeel van ontwijking – dat, zoals gezegd, op niveau van het land moet worden bewezen – op vaststellingen inzake de betrokkenheid van een individuele exporteur/producent bij ontwijkingspraktijken willen baseren, zij de bewijslast van deze vaststellingen dragen. ( 52 )

76.

Volgens artikel 18, leden 1 en 6, van de basisverordening kunnen de instellingen hun bevindingen echter op de beschikbare gegevens baseren, indien geen medewerking wordt verleend. In een dergelijk geval is, zoals uit de in de punten 49 tot en met 52 vermelde rechtspraak voortvloeit, de op hen rustende bewijslast heel wat soepeler en mogen de instellingen hun bevindingen op een bundel overeenstemmende aanwijzingen baseren.

77.

In dit verband wijs ik erop dat het Hof in de arresten Simon, Evers & Co. en APEX voor deze uitlegging van artikel 18, leden 1 en 6, heeft gekozen met betrekking tot het bestaan van een algemene ontwijking. ( 53 ) Bovendien heeft het in het arrest Simon, Evers & Co. die uitlegging in concreto toegepast op de bestanddelen van ontwijking en met name op het tweede bestanddeel daarvan. ( 54 ) Het heeft die uitlegging echter nooit toegepast op de vaststellingen betreffende een individueel beschouwde onderneming.

78.

Gelet op de inhoud zelf van de bepalingen van artikel 18, leden 1 en 6, van de basisverordening, waarin sprake is van een „belanghebbende” in het enkelvoud, ben ik echter van mening dat die uitlegging ook geldt voor de vaststellingen die de instellingen in het kader van een anti-ontwijkingsonderzoek doen met betrekking tot een individuele onderneming die niet aan het onderzoek heeft meegewerkt.

79.

Hieruit volgt dat de instellingen in het onderhavige geval, wegens het feit dat Chin Haur niet heeft meegewerkt, een versoepelde bewijslast droegen en zich op een bundel overeenstemmende aanwijzingen konden baseren om hun bevindingen inzake de betrokkenheid van deze onderneming bij ontwijkingspraktijen rechtens genoegzaam te staven.

80.

Vast staat echter dat het Gerecht, in de gedetailleerde analyse die het in de punten 95 tot en met 105 van het bestreden arrest heeft verricht van de elementen waarover de Raad beschikte om in overweging 62 van de litigieuze verordening tot de bevinding te komen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading, niet echt rekening heeft gehouden met de juridische gevolgen van het feit dat tijdens het onderzoek was vastgesteld dat Chin Haur niet had meegewerkt. Dit was nochtans, zoals het Maxcom heeft aangevoerd, een wezenlijk element van de analyse, wat het Gerecht zelf overigens in feite heeft bevestigd. Dit gebrek aan medewerking was immers van fundamenteel belang voor de bewijsmaatstaf waaraan de Raad moest voldoen om zijn bevindingen betreffende Chin Haur rechtens genoegzaam te staven, bevindingen die op hun beurt de algemene bevinding inzake het bestaan van ontwijkingspraktijken in Indonesië staafden.

81.

Bij lezing van de relevante punten van het bestreden arrest blijkt echter dat het Gerecht, ofschoon het de term „aanwijzing” heeft gebruikt, in feite van de Raad hantering van een veeleer strikt bewijscriterium heeft geëist. Dat blijkt overduidelijk uit de passage waarin het Gerecht verklaart dat de Raad „het bestaan van [verzending na] overlading” door Chin Haur had moeten aantonen aan de hand van elementen die „op overtuigende wijze” op het bestaan daarvan duiden. ( 55 )

82.

In de relevante punten van het bestreden arrest komen de gevolgen van de niet-medewerking van Chin Haur slechts ter sprake in punt 103, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat uit het feit dat Chin Haur niet kon aantonen dat zij wel degelijk een Indonesische producent was of dat zij voldeed aan de in artikel 13, lid 2, van de basisverordening neergelegde criteria, op zich niet voortvloeide dat zij betrokken was bij verzending na overlading. Al kan het gebrek aan medewerking op zichzelf inderdaad geen grondslag voor een vermoeden van ontwijking vormen ( 56 ), toch is het juist wegens het feit dat Chin Haur tijdens het onderzoek niet heeft meegewerkt, dat de instellingen niet met zekerheid hebben kunnen uitmaken dat zij wel degelijk rijwielen produceerde.

83.

De vaststelling dat een onderneming een echte producent is van het product dat zij uitvoert, is natuurlijk een noodzakelijke en voorafgaande voorwaarde voor een eventuele bevinding dat haar uitvoer niet het resultaat van ontwijkingspraktijken is. Omgekeerd vormt het feit dat kan niet kan worden aangetoond dat deze onderneming geen echte producent is, een aanwijzing dat de producten die zij uitvoert, niet het resultaat van een echte eigen productieactiviteit zijn.

84.

In die omstandigheden ben ik van mening dat het Gerecht artikel 13, lid 1, van de basisverordening onjuist heeft toegepast door bij het onderzoek dat het tot de bevinding heeft gebracht dat de Raad niet over voldoende aanwijzingen beschikte om te oordelen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading, niet echt rekening te houden met de juridische gevolgen van het feit dat Chin Haur niet aan het onderzoek had meegewerkt. Deze vergissing heeft gevolgen gehad voor de impliciete ( 57 ) vaststelling door het Gerecht op grond waarvan de litigieuze verordening nietig is verklaard, namelijk dat wegens deze onvoldoende aanwijzingen de in overweging 64 van de litigieuze verordening geformuleerde bevinding inzake het bestaan verzending na overlading van producten van Chinese oorsprong uit Indonesië onjuist was. Hieruit volgt mijns inziens dat het bestreden arrest moet worden vernietigd.

iii) Andere in het kader van de middelen inzake onjuiste toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening geformuleerde grieven

85.

Volledigheidshalve wijd ik hierna ook enkele overwegingen aan de andere in het kader van de middelen inzake onjuiste toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening geformuleerde grieven.

86.

De door de instellingen geformuleerde grieven, volgens welke de door het Gerecht gekozen modus operandi tot gevolg zou hebben gehad dat de instellingen moesten aantonen dat iedere producent/exporteur in het land waarop het onderzoek betrekking had, verzending na overlading verrichtte, berusten mijns inziens op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en van de litigieuze verordening. Chin Haur heeft mijns inziens terecht gezegd dat het Gerecht in dit arrest nergens heeft geoordeeld dat de instellingen positief moeten aantonen dat iedere individuele producent/exporteur verzending na overlading verricht. Zoals ik in de punten 56 en 57 van de onderhavige conclusie heb opgemerkt ( 58 ), heeft in het onderhavige geval de Raad zelf de analyse op het niveau van het land gefuseerd met die op het individuele niveau door de vaststellingen betreffende een individuele producent/exporteur te gebruiken ter staving van zijn bevindingen op het niveau van het land. Hieruit volgt dat alle op deze premisse gebaseerde grieven van de instellingen moeten worden afgewezen. ( 59 )

87.

De grieven waarin wordt gesteld dat de bevindingen van het Gerecht ontoereikend waren om de litigieuze verordening nietig te verklaren, moeten mijns inziens eveneens worden afgewezen. Indien, zoals het Gerecht in het bestreden arrest heeft geoordeeld, de vaststelling inzake de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading onjuist of onvoldoende onderbouwd was, zou de vaststelling van het bestaan van ontwijking op het niveau van Indonesië immers uitsluitend berusten op de twee andere elementen die in overweging 64 van de litigieuze verordening worden genoemd. Het eerste van die twee andere elementen, te weten het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer, is echter het eerste bestanddeel van ontwijking. Het kan dus als zodanig niet als een aanwijzing voor het bestaan van het tweede bestanddeel daarvan worden beschouwd, daar de instellingen het bestaan van alle bestanddelen moeten bewijzen. ( 60 ) Met betrekking tot het tweede van die twee andere elementen, te weten de niet-medewerking van producenten/exporteurs die 9 % van de uitvoer naar de Unie vertegenwoordigden, blijkt uit de in punt 51 van de onderhavige conclusie vermelde rechtspraak, dat de niet-medewerking op zichzelf geen grondslag kan vormen voor een vermoeden van het bestaan van ontwijking. Bijgevolg kan het als zodanig geen aanwijzing voor het bestaan van het tweede bestanddeel van ontwijking vormen.

88.

Hieruit volgt dat, anders dan rekwiranten betogen, de omstandigheid dat het Gerecht in het onderhavige geval terecht heeft geoordeeld dat de vaststelling inzake Chin Haur onjuist was, de nietigverklaring van de litigieuze verordening kon rechtvaardigen.

B – Middelen inzake ontoereikende motivering, tegenstrijdige motivering en onjuiste opvatting van de feiten

1. Argumenten van partijen

89.

In een tweede groep middelen komen de instellingen op tegen de motivering van het bestreden arrest. De Raad voert ook onjuiste opvatting van de feiten aan.

90.

In de eerste plaats voeren de instellingen aan dat in het bestreden arrest niet wordt uitgelegd in welk opzicht de Raad artikel 13, lid 1, van de basisverordening heeft geschonden. Ten eerste zou in het arrest niet worden gezegd of de Raad een gewone dan wel een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. Ten tweede legt het Gerecht niet uit waarom het zich baseert op het feit dat Chin Haur niet over voldoende productiecapaciteit beschikte, terwijl in overweging 62 van de litigieuze verordening wordt gezegd dat de vennootschap niet over voldoende uitrusting beschikte. Ten derde heeft het Gerecht zijn bevinding inzake de ontoereikendheid van de bewijzen voor het bestaan van verzending na overlading gebaseerd op zijn analyse van het controlebezoek, doch heeft niet aangegeven in welk opzicht de Raad niet over voldoende bewijzen beschikte om het bestaan van verzending na overlading aan te tonen op basis van de schriftelijke informatie die Chin Haur vóór dat bezoek had verstrekt.

91.

In de tweede plaats is de Commissie van mening dat de motivering van het bestreden arrest tegenstrijdigheden bevat. In dit verband vraagt de Commissie zich, ten eerste, tegen de achtergrond van punt 94 van het bestreden arrest af waarom uit de door Chin Haur overgelegde bewijzen niet kan worden afgeleid dat deze onderneming ook betrokken was bij verzending na overlading, nu uit die bewijzen blijkt dat zij zich via assemblage schuldig maakte aan ontwijking. Ten tweede verwijt de Commissie het Gerecht dat het zichzelf tegenspreekt door, enerzijds, te verklaren dat het verslag van het controlebezoek het enige bewijselement was waarover de Raad beschikte, en anderzijds, in punt 138 van het bestreden arrest, te verklaren dat uit een groot aantal beschikbare gegevens kon worden afgeleid dat Chin Haur zich schuldig maakte aan ontwijking.

92.

De Raad voert subsidiair aan dat het Gerecht de feiten onjuist heeft opgevat. Aangezien de verzending na overlading naar behoren was aangetoond op het niveau van het land en het verzoek tot vrijstelling van Chin Haur ongegrond was, was de enige slotsom die het Gerecht uit de beschikbare feiten had kunnen trekken, dat Chin Haur verzending door overlading verrichtte.

93.

Chin Haur bestrijdt de argumenten van de Commissie.

2. Bespreking

94.

Wat, in de eerste plaats, de grieven inzake ontoereikende motivering betreft, dient eraan te worden herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak uit de motivering van een arrest duidelijk en ondubbelzinnig de redenering van het Gerecht moet blijken, zodat de betrokkenen kennis kunnen nemen van de gronden voor de genomen beslissing en het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. Aan de volgens de artikelen 36 en 53, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie op het Gerecht rustende motiveringsplicht is voldaan, wanneer de motivering, ook al is zij impliciet, de belanghebbenden in staat stelt de redenen te kennen waarom het Gerecht hun argumenten niet heeft aanvaard, en het Hof voldoende elementen verstrekt om zijn controle uit te oefenen. ( 61 )

95.

Uit de punten 58 tot en met 62 van de onderhavige conclusie blijkt echter dat, ook al heeft het Gerecht in het bestreden arrest niet omstandig uiteengezet welke redenering het ertoe heeft gebracht de litigieuze verordening nietig te verklaren „voor zover [zij] Chin Haur […] betreft”, deze redenering ondubbelzinnig kan worden afgeleid uit dat arrest, zodat het Hof zijn rechterlijke controle kan uitoefenen. Uit dit oogpunt kan mijns inziens dus niet worden geoordeeld dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd.

96.

Wat de andere grieven betreft, faalt mijns inziens, ten eerste, de grief dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd omdat daarin niet wordt gezegd of de fout van de Raad een gewone dan wel een kennelijke beoordelingsfout is. Ook al is het zeker wenselijk dat het Gerecht in zijn arresten het door hem toegepaste criterium van rechterlijke controle aangeeft, kan een arrest immers niet worden geacht ontoereikend te zijn gemotiveerd om de enkele reden dat het Gerecht daarin niet uitdrukkelijk heeft aangegeven welk criterium van rechterlijke controle het heeft toegepast. Aangezien de instellingen ten gronde niet hebben gesteld dat een onjuist criterium van rechterlijke controle is toegepast, maar alleen ontoereikende motivering hebben aangevoerd ( 62 ), is de vraag of het in het bestreden arrest in concreto toegepaste criterium onjuist was, niet het voorwerp van de onderhavige hogere voorzieningen.

97.

Ten tweede faalt ook de grief dat het verschil tussen het begrip voldoende productiecapaciteit en het begrip voldoende uitrusting niet is uiteengezet. Die twee begrippen zijn immers gebruikt met betrekking tot dezelfde opvatting, te weten de opvatting van het Gerecht dat de Raad zijn bevinding dat de productieactiviteiten van Chin Haur de omvang van de invoer van Chin Haur niet konden verklaren, niet rechtens genoegzaam had aangetoond.

98.

Ten derde moet mijns inziens ook afwijzend worden beslist op de grief dat het Gerecht niet heeft uitgelegd in welk opzicht de Raad niet over voldoende bewijzen beschikte om op basis van de door Chin Haur verstrekte schriftelijke informatie het bestaan van verzending na overlading aan te tonen. Uit de rechtspraak blijkt immers dat het Hof niet bevoegd is om van het Gerecht te eisen dat het elke keuze motiveert wanneer het zich voor zijn beslissing veeleer op het ene dan op het andere bewijs baseert. Anders zou het Hof zijn eigen beoordeling van die elementen in de plaats stellen van de beoordeling door het Gerecht, en daartoe is het niet bevoegd. ( 63 )

99.

Wat, in de tweede plaats, de grieven inzake tegenstrijdige motivering betreft, ben ik van mening dat de eerste stelling van de Commissie op een onjuiste lezing van het bestreden arrest berust. In punt 94 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers geenszins gezegd dat de door Chin Haur overgelegde bewijzen erop wezen dat deze onderneming zich door assemblage schuldig maakte aan ontwijking. De tweede vermeende tegenstrijdigheid waarop de Commissie heeft gewezen, kan evenmin een grond vormen voor de grief inzake tegenstrijdige motivering. In punt 138 van het bestreden arrest heeft het Gerecht immers slechts een opsomming gegeven van alle gegevens die de Raad heeft gebruikt voor zijn bevinding dat alle bestanddelen van ontwijking voorhanden waren, als specifiek antwoord op het argument dat de Raad de aard van de beschikbare informatie niet had verduidelijkt ( 64 ). Dit is mijns inziens niet in tegenspraak met de in de punten 96 en 102 van hetzelfde arrest vervatte stelling dat de Raad zich grotendeels op het verslag van het controlebezoek heeft gebaseerd ter zake van de feitelijke vaststellingen op basis waarvan hij tot de bevinding is gekomen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading.

100.

Wat, in derde plaats, de grief van de Raad inzake onjuiste opvatting van de feiten betreft, dient eraan te worden herinnerd dat, volgens de rechtspraak, een dergelijke onjuiste opvatting duidelijk uit de stukken van het dossier moet blijken, zonder dat een nieuwe beoordeling van de feiten en de bewijzen dient te worden verricht. ( 65 ) Het betoog van de Raad berust echter op de premisse dat, zelfs los van een vergissing betreffende de betrokkenheid van Chin Haur bij verzending na overlading, het bestaan van verzending na overlading op het niveau van het land is aangetoond. Zoals ik in punt 85 van de onderhavige conclusie heb opgemerkt, is dat mijns inziens echter niet het geval. In het bestreden arrest heeft het Gerecht alleen geoordeeld dat, gelet op de stukken, de Raad niet tot de bevinding kon komen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading. Daarmee heeft het Gerecht de feiten niet onjuist opgevat, maar heeft het mijns inziens blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door geen rekening te houden met de wezenlijke omstandigheid dat Chin Haur niet aan het onderzoek had meegewerkt, een omstandigheid die van beslissend belang was voor de bewijsmaatstaf die de instellingen moesten hanteren om die betrokkenheid aan te tonen.

101.

Uit een en ander volgt mijns inziens dat zowel het tweede middel van de hogere voorziening van de Commissie in zaak C‑253/15 P als het tweede middel van de hogere voorziening van de Raad in zaak C‑259/15 P moet worden afgewezen.

C – Derde middel van de hogere voorziening van de Commissie in zaak C‑53/15 P, betreffende schending van haar procedurele rechten

1. Argumenten van partijen

102.

Als derde middel voert de Commissie aan dat het Gerecht haar procedurele rechten heeft geschonden door haar te verbieden een memorie in interventie in te dienen. Allereerst zou de beslissing van het Gerecht houdende toekenning van behandeling volgens een versnelde procedure, die volgens artikel 76 bis, lid 2, tweede alinea, van het ten tijde van de procedure voor die rechterlijke instantie toepasselijke Reglement voor de procesvoering van het Gerecht elke schriftelijke interventie van de Commissie uitsluit, geen enkele motivering bevatten. Vervolgens zou de afwijzing van haar latere verzoek, van 25 juni 2014, om in het kader van een maatregel tot organisatie van de procesgang toestemming te krijgen om een memorie in interventie in te dienen, evenmin een motivering bevatten. Bovendien zou de aanhoudende weigering van het Gerecht om de Commissie toe te staan, schriftelijke opmerkingen in te dienen, niet zijn ingegeven door de noodzaak, de behandeling van de zaak te versnellen, daar het Gerecht pas na 19,3 maanden zijn arrest heeft gewezen, terwijl de gemiddelde duur van een procedure voor deze rechterlijke instantie in 2014 23,4 maanden bedroeg. Ten slotte houden de vaststellingen van het Gerecht die volgens de Commissie onjuiste rechtsopvattingen opleveren, verband met het onderzoek door de Commissie en in het bijzonder met het belang van de tijdens controlebezoeken opgestelde verslagen. Indien zij haar standpunt vóór de terechtzitting kenbaar had kunnen maken, zouden die vaststellingen een andere inhoud hebben gehad.

103.

Chin Haur bestrijdt de argumenten van de Commissie.

2. Bespreking

104.

Al zijn de instellingen bevoorrechte interveniënten en moeten zij niet aantonen een belang te hebben bij de beslechting van het geding ( 66 ), neemt dit niet weg dat zij aan de regels van de reglementen van de procesvoering van de rechterlijke instanties van de Unie onderworpen blijven.

105.

In het onderhavige geval dient er allereerst op te worden gewezen dat uit de stukken blijkt dat de Commissie haar verzoek tot interventie heeft ingediend op 17 oktober 2013, dus nadat het Gerecht op verzoek van Chin Haur had beslist de zaak volgens een versnelde procedure te behandelen.

106.

Volgens artikel 116, lid 3, van het ten tijde van de procedure voor het Gerecht toepasselijke Reglement voor de procesvoering van die rechterlijke instantie aanvaardt de interveniënt het geding echter in de stand waarin het zich op het ogenblik van interventie bevindt. Hieruit volgt dat de Commissie in elk geval niet kan opkomen tegen een beslissing, zoals die om de zaak volgens een versnelde procedure te behandelen, die vóór de toewijzing van haar verzoek tot interventie is genomen.

107.

Verder blijkt uit artikel 76 bis, lid 2, tweede alinea, van dat Reglement dat de interveniënt, in geval van behandeling van de zaak volgens een versnelde procedure, slechts een memorie in interventie kan indienen indien het Gerecht dat toestaat bij een overeenkomstig artikel 64 van dat Reglement genomen maatregel tot organisatie van de procesgang.

108.

Met betrekking tot de afwijzing door het Gerecht van een door een partij ingediend verzoek om maatregelen tot organisatie van de procesgang is het vaste rechtspraak dat het in beginsel uitsluitend ter beoordeling van het Gerecht staat, of de informatie waarover het betreffende de aan hem voorgelegde zaken beschikt, eventueel aanvulling behoeft. ( 67 )

109.

In deze context staat het aan het Gerecht, te beslissen of gebruik moet worden gemaakt van de bevoegdheid om maatregelen tot organisatie van de procesgang te gelasten ter aanvulling van de informatie waarover het beschikt, met dien verstande dat de waardering van de bewijskracht van de processtukken deel uitmaakt van de soevereine beoordeling van de feiten, die om die reden door het Hof in hogere voorziening niet kan worden getoetst, behoudens in geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde bewijselementen of wanneer de materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld, uit de processtukken volgt. ( 68 )

110.

Ten eerste beroept de Commissie zich in het onderhavige geval niet op een onjuiste opvatting van de bewijselementen noch op materiële onjuistheid van hetgeen het Gerecht heeft vastgesteld. Ten tweede werden in haar verzoek van 25 juni 2014 om bij wege van maatregel tot organisatie van de procesgang toestemming te krijgen om een memorie in interventie in te dienen geen documenten of welomschreven objectieve elementen genoemd die noodzakelijkerwijze schriftelijk moesten worden ingediend, zodat het niet zou hebben volstaan, de Commissie toe te staan haar argumenten mondeling voor te dragen. Ten derde heeft de Commissie de mogelijkheid hebben gehad, tijdens de terechtzitting voor het Gerecht al haar argumenten voor te dragen. In haar hogere voorziening is niet uitgelegd, in welk opzicht de omstandigheid dat zij haar standpunt slechts ter terechtzitting heeft kunnen uiteenzetten, gevolgen zou hebben gehad voor de vaststellingen van Gerecht, in die zin dat deze een andere inhoud zouden hebben gehad indien haar verzoek tot indiening van een memorie in interventie was toegewezen.

111.

In deze omstandigheden moet het derde middel van de Commissie mijns inziens eveneens worden afgewezen.

112.

Uit een en ander, en in het bijzonder uit de bevinding waartoe ik in punt 84 van de onderhavige conclusie ben gekomen, volgt mijns inziens dat de door Maxcom, de Commissie en de Raad ingestelde hogere voorzieningen moeten worden toegewezen en dat het bestreden arrest bijgevolg moet worden vernietigd.

VI – Beroep bij het Gerecht

113.

Ingevolge artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. Ik ben van mening dat, zoals Chin Haur zelf heeft gezegd, dit in casu het geval is.

114.

In die omstandigheden dienen de drie door Chin Haur in het kader van het tweede onderdeel van het eerste middel van haar beroep bij het Gerecht geformuleerde grieven te worden onderzocht. In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, zoals in punt 44 van de onderhavige conclusie is opgemerkt, volgens de rechtspraak de controle door de Unierechter beperkt is zoals in dat punt is uiteengezet.

115.

De eerste van die drie grieven is de grief die in het bestreden arrest door het Gerecht is aanvaard op basis van een mijns inziens onjuiste analyse. Deze grief betreft de omstandigheid dat de Raad in overweging 62 van de litigieuze verordening ten onrechte tot de bevinding is gekomen dat de productiecapaciteit van Chin Haur de omvang van de uitvoer deze onderneming naar de Unie niet kon verklaren.

116.

In dit verband blijkt uit de in de punten 49 tot en met 52 van de onderhavige conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak en uit hetgeen in de punten 75 tot en met 79 van deze conclusie is uiteengezet, dat in een situatie als die in het onderhavige geval de instellingen wegens het gebrek aan medewerking van Chin Haur een versoepelde bewijslast droegen en zich op een bundel overeenstemmende aanwijzingen konden baseren om hun bevindingen betreffende de betrokkenheid van deze onderneming bij ontwijkingspraktijken rechtens genoegzaam te staven.

117.

In deze omstandigheden ben ik van mening dat, enerzijds, het feit dat Chin Haur grote hoeveelheden rijwielen waarvan de oorsprong niet kon worden vastgesteld ( 69 ), naar de Unie heeft uitgevoerd, en anderzijds en tegelijkertijd, het ontbreken van elementen die erop wezen dat Chin Haur een echte producent van rijwielen was, aanwijzingen vormden op grond waarvan de instellingen, bij gebreke van andere elementen, op basis van een logisch een redelijk verband tot de slotsom konden komen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading. ( 70 ) Deze aanwijzingen werden overigens verder gestaafd door verschillende elementen die twijfel doen rijzen over de werkelijke activiteiten van Chin Haur. ( 71 ) Indien er voor haar activiteiten een andere redelijke grond bestond dan ontwijking van het antidumpingrecht, had Chin Haur er goed aan gedaan het bewijs daarvan te leveren. ( 72 )

118.

Hieruit volgt dat de Raad geen kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt door in overweging 62 van de litigieuze verordening tot de bevinding te komen dat Chin Haur betrokken was bij verzending na overlading. Bijgevolg moet de eerste grief van het tweede onderdeel van het eerste door Chin Haur in eerste aanleg aangevoerde middel mijns inziens worden afgewezen.

119.

Als tweede grief in het kader van het tweede onderdeel van het eerste voor het Gerecht in eerste aanleg aangevoerde middel heeft Chin Haur gesteld dat de Raad blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het bestaan van verzending na overlading uitsluitend af te leiden uit de verandering in de structuur van het handelsverkeer. De Raad zou geen bewijs voor het bestaan van die verzending na overlading hebben aangedragen, noch een causaal tussen die verrichtingen en de vermeende verandering in de structuur van het handelsverkeer verband hebben aangetoond.

120.

In dit verband heeft de Raad inderdaad, zoals uit overweging 64 van de litigieuze verordening blijkt, het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer genoemd als een van elementen waaruit het bestaan van verzending na overlading uit Indonesië kon worden afgeleid. Zoals ik in punt 87 van de onderhavige conclusie heb opgemerkt, is het bestaan van een verandering in de structuur van het handelsverkeer echter het eerste bestanddeel van ontwijking. Zij kan dus als zodanig niet als een aanwijzing voor het bestaan van ontwijkingspraktijken worden beschouwd.

121.

Vast staat echter dat, anders dan Chin Haur voor het Gerecht heeft gesteld, de Raad zich in overweging 64 van de litigieuze verordening niet uitsluitend op dat element heeft gebaseerd. De Raad heeft zich immers op twee andere elementen gebaseerd: enerzijds, de vaststelling betreffende de betrokkenheid van Chin Haur – waarvan de invoer een aanzienlijk deel (42 %) van de invoer van rijwielen in de Unie vertegenwoordigde – bij verzending na overlading, en anderzijds, het feit dat belanghebbenden die 9 % van die invoer vertegenwoordigden, niet hadden meegewerkt aan het onderzoek. Zoals gezegd ( 73 ), kan deze niet-medewerking alleen geen grond vormen om het bestaan van verzending na overlading te vermoeden. Gelet op het feit dat de invoer in de Unie van rijwielen uit Indonesië onmiddellijk na de verhoging van de antidumpingrechten op de invoer uit China aanzienlijk was toegenomen ( 74 ), en op de uit de vaststelling betreffende Chin Haur voortvloeiende aanwijzingen voor het bestaan van verzending na overlading via Indonesië, kon deze niet-medewerking echter een aanvullende aanwijzing vormen die de slotsom betreffende het bestaan van dergelijke verrichtingen versterkte. ( 75 ) In die omstandigheden beschikte de Raad, overeenkomstig de rechtspraak, over voldoende overeenstemmende aanwijzingen om tot de bevinding te komen dat er in het onderhavige geval sprake was ontwijking via Indonesië.

122.

Met betrekking tot het argument dat de Raad een fout heeft gemaakt door geen causaal verband tussen de verzending na overlading en de verandering in de structuur van het handelsverkeer aan te tonen, dient het volgende te worden opgemerkt. Ten eerste is definitief gebleken dat de Raad zonder fouten heeft aangetoond dat er voor deze verrichtingen geen andere grond of economische rechtvaardiging bestond dat het ontwijken van de antidumpingmaatregelen. ( 76 ) Ten tweede heeft de Raad verklaard, dat het onderzoek geen verhoging van de aankoop van rijwielen in Indonesië aan het licht had gebracht die de producenten ertoe had kunnen aanzetten hun productiecapaciteit te verhogen. Bovendien heeft het onderzoek aan het licht gebracht dat de drie Indonesische vennootschappen die vrijstelling hadden gekregen, hun productie veeleer op de binnenlandse markt dan op de uitvoer richtten. Ten derde staat vast dat er geen bewijs is voor de stelling van Chin Haur, dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer een gevolg kon zijn van een verhoging van de productiecapaciteit in Indonesië, van een verhuizing van productieactiviteiten van Chinese producenten naar Indonesië wegens de verhoging van de antidumpingrechten of van het feit dat Indonesische producenten van de daling van de Chinese uitvoer naar Europa hebben geprofiteerd om hun marktaandeel in de Unie te verhogen.

123.

Bijgevolg moet de tweede grief van het tweede onderdeel van het eerste door Chin Haur in eerste aanleg aangevoerde middel mijns inziens eveneens worden afgewezen.

124.

Als derde grief van dat tweede onderdeel van het eerste voor het Gerecht aangevoerde middel heeft Chin Haur aangevoerd, dat bij gebreke van enig ander bewijs de door haar aangedragen elementen de beschikbare gegevens in de zin van artikel 18, lid 1, van de basisverordening hadden moeten vormen op grond waarvan de Raad had moeten vaststellen dat er geen sprake was van verzending na overlading.

125.

Deze grief moet eveneens worden afgewezen. Enerzijds heeft het Gerecht in het bestreden arrest immers vastgesteld dat de door Chin Haur verstrekte informatie tegenstrijdig, onvolledig en oncontroleerbaar was, en anderzijds blijkt uit de analyse van de eerste en de tweede grief hierboven dat de Raad over voldoende aanwijzingen beschikte om, gelet op de relevante rechtspraak, in de onderhavige zaak tot de bevinding te komen dat er sprake was van verzending na overlading.

126.

Gelet op een en ander ben ik van mening dat het door Chin Haur ingestelde beroep tot nietigverklaring moet worden verworpen.

VII – Kosten

127.

Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening ongegrond is of wanneer het Hof, bij gegrondheid ervan, de zaak zelf afdoet. Ingevolge artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd.

128.

Indien het Hof mijn overwegingen over de drie gevoegde hogere voorzieningen deelt, zal Chin Haur in het ongelijk worden gesteld. In die omstandigheden en gezien Maxcom, de Raad en de Commissie verwijzing van Chin Haur in de kosten hebben gevorderd, geef ik het Hof in overweging, Chin Haur te verwijzen in de kosten die Maxcom, de Commissie en de Raad in eerste aanleg en in de onderhavige hogere voorzieningen zijn opgekomen.

VIII – Conclusie

129.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 19 maart 2015, Chin Haur Indonesia/Raad (T‑412/13, EU:T:2015:163) wordt vernietigd.

2)

Het door Chin Haur Indonesia PT ingestelde beroep tot nietigverklaring wordt verworpen.

3)

Chin Haur Indonesia PT wordt verwezen in de kosten die Maxcom Ltd, de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie in eerste aanleg en in de onderhavige hogere voorzieningen zijn opgekomen.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) T‑412/13, EU:T:2015:163.

( 3 ) Verordening van 29 mei 2013 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht dat bij uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 is ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (PB 2013, L 153, blz. 1).

( 4 ) Deze conclusie wordt genomen tegelijkertijd met de conclusie in de zaken C‑248/15 P, Maxcom/City Cycle Industries, C‑254/15, Commissie/City Cycle Industries en C‑260/15 P, Raad/City Cycle Industries, die betrekking heeft op drie door dezelfde rekwiranten ingestelde hogere voorzieningen tegen een arrest van het Gerecht van dezelfde dag als het bestreden arrest, dat betrekking heeft op dezelfde litigieuze verordening. De in die drie andere hogere voorzieningen aan de orde gestelde vragen komen nagenoeg overeen met die welke in de onderhavige zaken aan de orde zijn.

( 5 ) Verordening van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB 2009, L 343, blz. 51, met rectificatie in PB 2010, L 7, blz. 22), zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1168/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2012 (PB 2012, L 237, blz. 1).

( 6 ) Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel 1994 (PB 1994, L 336, blz. 103), die als bijlage 1A is gevoegd bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, goedgekeurd bij besluit 94/800/EG van de Raad van 22 december 1994 betreffende de sluiting, namens de Europese Gemeenschap voor wat betreft de onder haar bevoegdheid vallende aangelegenheden, van de uit de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Uruguayronde (1986-1994) voortvloeiende overeenkomsten (PB 1994, L 336, blz. 1).

( 7 ) Zie overweging 22 van de basisverordening en punt 10 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:261).

( 8 ) Voor verwijzingen naar de vóór de vaststelling van de basisverordening van kracht zijn anti-ontwijkingsregeling van de Unie, zie punt 9 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:261).

( 9 ) Meer bepaald wordt volgens deze bepaling assemblage geacht ontwijking van de geldende maatregelen in te houden wanneer: a) de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn; b) de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoegde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt, en c) de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.

( 10 ) Verordening van de Raad van 3 oktober 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB 2009, L 261, blz. 2). Zie punten 2‑6 van het bestreden arrest voor de verwijzingen naar de eerdere verordeningen.

( 11 ) Verordening (EU) nr. 875/2012 van de Commissie van 25 september 2012 tot opening van een onderzoek naar de mogelijke ontwijking van de bij uitvoeringsverordening nr. 990/2011 ingestelde antidumpingrechten op rijwielen, door de invoer van rijwielen verzonden vanuit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, en tot onderwerping van deze invoer aan registratie (PB 2012, L 258, blz. 21). Dit onderzoek is geopend op een door de European Bicycle Manufacturers Association (EBMA) namens onder meer Maxcom ingediend verzoek. Zie punten 10‑13 van de litigieuze verordening en punten 8 en 9 van het bestreden arrest.

( 12 ) Voor meer details dienaangaande zie punten 8‑18 van het bestreden arrest.

( 13 ) Zie overwegingen 28‑32 van de litigieuze verordening.

( 14 ) Zie, respectievelijk, de overwegingen 45‑58 en 59‑67 van de litigieuze verordening evenals de overwegingen 92 (betreffende het ontbreken van een andere grond of economische rechtvaardiging dan het voornemen de geldende antidumpingmaatregelen te ontwijken), 93‑96 (betreffende de neutralisering van de corrigerende werking van deze maatregelen) en 99‑102 (betreffende het bestaan van dumping ten opzichte van de eerder vastgestelde normale waarde) van de litigieuze verordening.

( 15 ) Zie overwegingen 65‑67 van de litigieuze verordening.

( 16 ) Zie overwegingen 115 en 117 en artikel 1, leden 1 en 3, van de litigieuze verordening.

( 17 ) Zie overweging 120 en artikel 1, lid 1, van de litigieuze verordening.

( 18 ) Zie artikel 76 bis van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat van kracht was ten tijde van de procedure bij deze rechterlijke instantie.

( 19 ) Deze beslissing is genomen op grond van artikel 76 bis, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat van kracht was ten tijde van de procedure bij deze rechterlijke instantie.

( 20 ) Volgens artikel 76 bis, lid 2, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht dat van kracht was ten tijde van de procedure bij deze rechterlijke instantie, kon de interveniënt, in geval van behandeling van de zaak volgens een versnelde procedure, slechts een memorie in interventie indienen indien het Gerecht dat toestond bij een overeenkomstig artikel 64 van dat Reglement vastgestelde maatregel tot organisatie van de procesgang. Het verzoek van de Commissie was op laatstgenoemde bepaling gebaseerd.

( 21 ) Eerste en tweede middel van de hogere voorziening van Maxcom in zaak C‑247/15 P en eerste middel van de hogere voorzieningen van de Commissie en de Raad in, respectievelijk, de zaken C‑253/15 P en C‑259/15 P.

( 22 ) Tweede middel van de hogere voorzieningen van de Commissie en de Raad in, respectievelijk, de zaken C‑253/15 P en C‑259/15 P.

( 23 ) Derde middel van de hogere voorziening van de Commissie in zaak C‑253/15 P.

( 24 ) Arrest van 4 september 2014 (C‑21/13, EU:C:2014:2154).

( 25 ) Zie met name arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP (C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punten 64 en 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 26 ) Zie, met name, arrest van 10 juli 2008, Bertelsmann en Sony Corporation of America/Impala (C‑413/06 P, EU:C:2008:392, punt 44en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 30 mei 2013, Quinn Barlo e.a./Commissie (C‑70/12 P, EU:C:2013:351, punt 36en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het Hof heeft in hogere voorziening herhaaldelijk geschilpunten over niet-inachtneming van de regels betreffende de bewijsmaatstaf onderzocht (zie met name arresten van 3 april 2014, Frankrijk/Commissie, C‑559/12 P, EU:C:2014:217, punten 54e.v., en 6 oktober 2009, GlaxoSmithKline Services e.a./Commissie e.a., C‑501/06 P, C‑513/06 P, C‑515/06 P en C‑519/06 P, EU:C:2009:610, punten 77e.v.).

( 27 ) Over de bestaansgrond van de Unieregeling betreffende ontwijking, zie overweging 19 van de basisverordening, arrest van 6 juni 2013, Paltrade (C‑667/11, EU:C:2013:368, punt 28) en arrest Gerecht van 26 september 2000, Starway/Raad (T‑80/97, EU:T:2000:216, punten 85 en 113).

( 28 ) Arrest van 4 september 2014 (C‑21/13, EU:C:2014:2154).

( 29 ) Arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 48). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:261, punt 87).

( 30 ) Arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 31 ) Arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 29en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 32 ) Arrest van 4 september 2014 (C‑21/13, EU:C:2014:2154).

( 33 ) Arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 35.

( 34 ) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:261, punt 4). De eis dat de instellingen bewijzen dat aan alle in artikel 13, lid 1, derde zin, van de basisverordening genoemde voorwaarden is voldaan, vindt niet alleen steun in de tekst van die bepaling, maar ook in de modus operandi die het Hof in het arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154) heeft gevolgd. In dat arrest heeft het Hof de geldigheid van de betrokken verordening immers afzonderlijk getoetst aan elke voorwaarde waaromtrent de verwijzende rechterlijke instantie twijfel had geuit (met name aan de eerste en de tweede voorwaarde die in punt 43 van de onderhavige conclusie worden genoemd; zie respectievelijk de punten 39 e.v. en 50 e.v. van dat arrest).

( 35 ) Partijen zijn het er niet over eens wie voor de in artikel 13, lid 4, van de basisverordening bedoelde vrijstelling moet bewijzen dat de producent/exporteur niet bij enige ontwijking betrokken is. Enerzijds betogen de Commissie en de Raad dat de bewijslast rust op de producent/exporteur, die volgens bewoordingen van die bepaling een „voldoende door bewijsmateriaal gestaafd” verzoek tot vrijstelling moet indienen. Anderzijds betoogt Chin Haur daarentegen, dat een dergelijke uitlegging van de bewijslast in strijd is met de tekst van die bepaling, waarin het gebruik van de uitdrukking „a été constaté” [in de Franse taalversie] erop zou wijzen dat de bewijslast op de instellingen rust. Dienaangaande ben ik van mening dat de partij die oprecht meewerkt en vrijstelling wil krijgen, de instellingen alle elementen dient te verstrekken die deze in staat zullen stellen ten volle te oordelen dat zij niet bij enige ontwijking betrokken was. Een dergelijke aanpak is in het bijzonder gerechtvaardigd gelet op het feit dat, zoals in punt 49 van de onderhavige conclusie zal worden uiteengezet, de instellingen bij het onderzoek naar het bestaan van ontwijking afhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van de belanghebbende partijen. In dit verband wijs ik er echter op dat, ofschoon deze kwestie in het onderhavige geval volgens artikel 13, lid 1, van de basisverordening verband houdt met de vaststelling van ontwijking (zie de laatste zin van punt 48 van de onderhavige conclusie en de verwijzingen naar de volgende voetnoot) zij in feite niet van doorslaggevend belang is voor de beslechting van de onderhavige zaken. Definitief vastgesteld is immers dat Chin Haur volgens artikel 13, lid 4, van de basisverordening niet voor vrijstelling in aanmerking kwam (zie punt 63 en voetnoot 46 van de onderhavige conclusie).

( 36 ) Voor de bewijslast in een dergelijk geval, zie punten 57 en 75 van de onderhavige conclusie.

( 37 ) Arrest van 4 september 2014 (C‑21/13, EU:C:2014:2154).

( 38 ) Arrest van 17 december 2015 (C‑371/14, EU:C:2015:828).

( 39 ) Arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punten 32‑34), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punten 64‑66).

( 40 ) Arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 35), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punt 67).

( 41 ) Arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 36), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punt 68).

( 42 ) Arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 36), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punt 68).

( 43 ) Arresten van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 37), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punt 69).

( 44 ) Zie arresten 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punten 39 en 56), en 17 december 2015, APEX (C‑371/14, EU:C:2015:828, punt 71).

( 45 ) Zie punten 95 en 104 van het bestreden arrest.

( 46 ) In het bestreden arrest heeft het Gerecht immers, enerzijds, verklaard dat de verstrekte informatie tegenstrijdig, onvolledig en oncontroleerbaar was (zie punten 81‑94 en 110‑120 van het bestreden arrest), en anderzijds, het onderdeel van het tweede middel dat betrekking had op vergissingen bij de vaststelling van de niet-medewerking van Chin Haur, afgewezen (zie punten 110‑120). Tegen deze punten van het arrest is Chin Haur niet opgekomen.

( 47 ) Zie punt 45 van de onderhavige conclusie.

( 48 ) Zie punt 53 van de onderhavige conclusie.

( 49 ) Uit de stukken blijkt dat Chin Haur 42 % van de invoer van rijwielen uit Indonesië in de Unie voor haar rekening nam en dat 9 % van die invoer kon worden toegerekend aan de in overweging 63 van de litigieuze verordening genoemde importeurs die niet hadden meegewerkt.

( 50 ) Met name het bestaan van veel assemblagewerkzaamheden (zie arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co., C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 53).

( 51 ) Dit klopt, temeer gelet op het feit dat, zoals ik in punt 87 van de onderhavige conclusie zal opmerken, de twee andere elementen waarop die bevinding was gebaseerd, als zodanig niet voldoende waren om een dergelijke bevinding te onderbouwen.

( 52 ) Ingeval de betrokken producent/exporteur een verzoek tot vrijstelling op grond van artikel 13, lid 4, van de basisverordening heeft ingediend, kunnen de instellingen zich op de door deze producent/exporteur verstrekte gegevens baseren. Dit neemt niet weg dat het bewijs van het bestaan van de bestanddelen van ontwijking in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening steeds door de instellingen moet worden geleverd (over de bewijslast in het kader van het in artikel 13, lid 4, van de basisverordening bedoelde onderzoek, zie echter voetnoot 35 van de onderhavige conclusie).

( 53 ) Zie punten 49‑53 hierboven.

( 54 ) Arrest van 4 september 2014 (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punten 50‑56).

( 55 ) Zie punten 97 en 100 van het bestreden arrest.

( 56 ) Zie punt 51 van de onderhavige conclusie.

( 57 ) Zie punten 60‑62 van deze conclusie.

( 58 ) Zie in dit verband ook de punten 48 en 75 van de onderhavige conclusie.

( 59 ) Bovengenoemde redenering geldt in het bijzonder de in punt 35 van de onderhavige conclusie uiteengezette grieven inzake het nuttig effect van artikel 13, lid 4, van de basisverordening en de verwarring tussen het begrip „ontwijkingspraktijk” en een van de uitingen daarvan.

( 60 ) Zie punt 45 van de onderhavige conclusie.

( 61 ) Zie met name in die zin arrest van 10 april 2014, Areva e.a./Commissie (C‑247/11 P en C‑253/11 P, EU:C:2014:257, punten 54 en 55).

( 62 ) Opgemerkt dient te worden dat de Commissie in het kader van haar eerste middel, betreffende onjuiste toepassing van artikel 13, lid 1, van de basisverordening, na te hebben gesteld dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd ter zake van de redenen waarom de bestreden verordening inbreuk zou hebben gemaakt op die bepaling, de omstandigheid dat „in het bestreden arrest zelfs geen melding wordt gemaakt van een norm van rechterlijke controle en in het bijzonder niet wordt gepreciseerd of de Raad een gewone dan wel een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt”, als onjuiste rechtsopvatting aanmerkt. In het kader daarvan ontwikkelt de Commissie echter geen betoog betreffende deze grief, maar beperkt zij zich ertoe, „voor een nadere analyse” uitdrukkelijk te verwijzen naar haar tweede middel, betreffende ontoereikende motivering. Vast staat echter dat het louter als onjuiste rechtsopvatting kwalificeren van het niet vermelden van het door het Gerecht toegepaste criterium van rechterlijke controle, zonder dat deze kwalificatie – behalve door een algemene verwijzing naar het middel inzake ontoereikende motivering – door enig argument of enige uiteenzetting wordt onderbouwd, niet kan worden opgevat als autonome grief dat het Gerecht het vereiste niveau van rechterlijke controle heeft overschreden en daardoor inbreuk heeft gemaakt op de beoordelingsbevoegdheid die de instellingen volgens de in punt 44 van de onderhavige conclusie vermelde rechtspraak hebben. In deze omstandigheden valt deze grief van de Commissie in wezen samen met in het onderhavige punt geanalyseerde grief inzake ontoereikende motivering. In dit verband wijs ik erop dat het volgens artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof aan de rekwiranten staat, hun ter ondersteuning van hun hogere voorzieningen aangevoerde argumenten toereikend uiteen te zetten.

( 63 ) Zie arrest van 16 februari 2012, Raad en Commissie/Interpipe Niko Tube en Interpipe NTRP (C‑191/09 P en C‑200/09 P, EU:C:2012:78, punt 161).

( 64 ) Zie punt 129 van het bestreden arrest.

( 65 ) Zie arrest van 2 juni 2016, Photo USA Electronic Graphic/Raad (C‑31/15 P, EU:C:2016:390, punt 52en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 66 ) Arrest van 29 oktober 1980, Roquette Frères/Raad (138/79, EU:C:1980:249, punt 21).

( 67 ) Zie met name arrest van 9 juni 2016, PROAS/Commissie (C‑616/13 P, EU:C:2016:415, punt 66en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 68 ) Zie in die zin arrest van 28 januari 2016, Heli-Flight/EASA (C‑61/15 P, EU:C:2016:59, punt 94en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 69 ) Zie punt 118 van het bestreden arrest.

( 70 ) Het Hof heeft de termen „logisch en redelijk verband” gebruikt in punt 52 van het arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154).

( 71 ) Het Gerecht zelf heeft op deze elementen gewezen. Zie punt 100 van het bestreden arrest en de eerste zin van punt 105 van dat arrest.

( 72 ) Zie arrest Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154, punt 56in fine).

( 73 ) Zie de punten 51, 82 en 87 van de onderhavige conclusie.

( 74 ) Zie punt 46 van de litigieuze verordening en punt 52 van het arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154).

( 75 ) Zie, in die zin, punt 54 van het arrest van 4 september 2014, Simon, Evers & Co. (C‑21/13, EU:C:2014:2154), dat, gelet op hetgeen in punt 69 van de onderhavige conclusie is gezegd, van overeenkomstige toepassing is.

( 76 ) Zie overweging 92 van de litigieuze verordening.

Top