Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62014TO0708

Beschikking van het Gerecht (Zesde kamer) van 3 februari 2015  .
Marpefa, SL tegen Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM).
Gemeenschapsmerk – Beroepstermijn – Tardiviteit – Kennelijke niet-ontvankelijkheid.
Zaak T‑708/14.

Court reports – general

ECLI identifier: ECLI:EU:T:2015:93

Partijen
Overwegingen van het arrest
Dictum

Partijen

In zaak T‑708/14,

Marpefa, SL, gevestigd te Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door I. Barroso Sánchez-Lafuente, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) ,

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM:

Kabushiki Kaisha Sony Computer Entertainment , gevestigd te Tokio (Japan),

betreffende een beroep tegen de beslissingen van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 2 en 4 juli 2014 (zaken R 1813/2013‑2, R 2013/2013‑2, R 1626/2013‑2 en R 1631/2013‑2) inzake oppositieprocedures tussen Marpefa, SL en Kabushiki Kaisha Sony Computer Entertainment,

geeft

HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen (rapporteur), president, F. Dehousse en A. M. Collins, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Overwegingen van het arrest

Feiten en procesverloop

1. Bij beslissingen van 2 en 4 juli 2014 (zaken R 1813/2013‑2, R 2013/2013‑2, R 1626/2013‑2 en R 1631/2013‑2) inzake oppositieprocedures tussen Marpefa, SL en Kabushiki Kaisha Sony Computer Entertainment (hierna: „bestreden beslissingen”) heeft de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) de oppositie afgewezen die verzoekster heeft ingesteld tegen de inschrijving van de gemeenschapswoordmerken en het gemeenschapsbeeldmerk PSVITA en PLAYSTATION VITA. Deze beslissingen zijn op 11 en 15 juli 2014 ter kennis van verzoekster gebracht.

2. Bij verzoekschrift, dat op 22 september 2014 per e-mail ter griffie van het Gerecht is ingekomen, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

3. Op 30 september 2014 zijn een papieren versie van het verzoekschrift en een begeleidende brief van 26 september 2014 ingekomen ter griffie van het Gerecht, alsook zes voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van het verzoekschrift en een aantal bladzijden ter verbetering van het verzoekschrift. De begeleidende brief, die niet was meegedeeld per e-mail, bevatte de handgeschreven handtekening van verzoeksters advocaat. Het verzoekschrift was een gescande kopie, voorzien van de gescande handtekening van verzoeksters advocaat, en niet van zijn handgeschreven handtekening. De griffie heeft verzoeksters advocaat daarop gewezen.

4. Bij brief van 1 oktober 2014, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2014, heeft verzoeksters advocaat aan de griffie de laatste bladzijde van het verzoekschrift (bladzijde 17) met zijn handgeschreven handtekening toegezonden. Deze handtekening was evenwel niet identiek aan deze op het verzoekschrift dat op 22 september 2014 per e-mail was verstuurd, en verzoeksters advocaat is hiervan bij faxbericht van 23 oktober 2014 op de hoogte gebracht.

Conclusies van verzoekster

5. Verzoekster verzoekt het Gerecht:

– de bestreden beslissingen te vernietigen;

– de inschrijving van de merken voor de betrokken waren en diensten te vernietigen;

– het BHIM te verwijzen in de kosten.

In rechte

6. Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht, wanneer het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

7. In casu acht het Gerecht zich voldoende geïnformeerd door de processtukken en besluit het overeenkomstig dit artikel uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

8. Overeenkomstig artikel 65, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1) moet het beroep tegen een beslissing van een kamer van beroep van het BHIM worden ingesteld binnen twee maanden na kennisgeving van deze beslissing. Overeenkomstig artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden de procestermijnen verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.

9. Volgens vaste rechtspraak is die beroepstermijn van openbare orde, aangezien deze is ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden, en staat het aan de rechter van de Europese Unie om ambtshalve na te gaan of deze is nageleefd [zie naar analogie arresten van 23 januari 1997, Coen, C‑246/95, Jurispr., EU:C:1997:33, punt 21; van 18 september 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑121/96 en T‑151/96, Jurispr., EU:T:1997:132, punten 38 en 39, en beschikking van 3 oktober 2012, Tecnimed/BHIM – Ecobrands (ZAPPER-CLICK), T‑360/10, EU:T:2012:517, punt 12].

10. In casu zijn de bestreden beslissingen, zoals aangegeven in punt 1 supra, aan verzoeksters meegedeeld op 11 en 15 juli 2014.

11. Uit de in de artikelen 101, lid 1, en 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen voor de berekening van de procestermijnen vloeit voort dat de beroepstermijnen op 22 en 25 september 2014 zijn verstreken.

12. Volgens artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering „[wordt] [h]et origineel van elk processtuk [...] ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij”.

13. Overeenkomstig artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering wordt de dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk per telefax of per e-mail ter griffie van het Gerecht binnenkomt, voor de berekening van de procestermijnen enkel in aanmerking genomen indien het ondertekende origineel van het stuk uiterlijk tien dagen na ontvangst van het faxbericht of de e‑mail ter griffie van het Gerecht wordt neergelegd. Bovendien bepaalt punt 7 van de praktische aanwijzingen voor de partijen voor het Gerecht (PB 2012, L 68, blz. 23, met rectificatie in PB 2012, L 73, blz. 23) dat ingeval het ondertekende origineel afwijkt van de eerder ingediende kopie, alleen de datum van het ondertekende origineel in aanmerking wordt genomen.

14. Indien de toezending van de per e-mail verstuurde tekst niet voldoet aan de rechtszekerheidsvereisten van artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering, kan met de datum van toezending van de kopie van het verzoekschrift per telefax of per e-mail bijgevolg geen rekening worden gehouden voor de inachtneming van de beroepstermijn en moet enkel met de datum van neerlegging van het ondertekende origineel rekening worden gehouden voor de inachtneming van de beroepstermijn (zie naar analogie beschikking van 13 december 2013, Marcuccio/Commissie, F‑2/13, JurAmbt., EU:F:2013:214, punt 43, in hogere voorziening bevestigd bij beschikking van 22 mei 2014, Marcuccio/Commissie, T‑148/14 P, JurAmbt., EU:T:2014:315, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

15. Met het oog op de regelmatige indiening van processtukken legt artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering, dat voorziet in de mogelijkheid om als datum van de instelling van een beroep in aanmerking te nemen de datum van de verzending per e-mail van een kopie van het ondertekende origineel, aan de vertegenwoordiger van de partij de verplichting op om het origineel van de akte met de hand te ondertekenen alvorens dit per e-mail te verzenden, en om ditzelfde origineel binnen tien dagen neer te leggen ter griffie van het Gerecht. Wanneer in deze omstandigheden achteraf blijkt dat het ondertekende origineel van de akte die materieel binnen tien dagen na de verzending per e-mail ter griffie van het Gerecht is neergelegd, niet op zijn minst is voorzien van dezelfde handtekening als die welke is aangebracht op het per e-mail verzonden document, volstaat dit element om vast te stellen dat deze twee documenten verschillend zijn, ook indien de handtekeningen daadwerkelijk door dezelfde persoon zijn geplaatst (zie naar analogie beschikking Marcuccio/Commissie, punt 14 supra, EU:F:2013:214, punten 40 en 41).

16. In casu is het verzoekschrift met een gescande handtekening per e-mail ingekomen ter griffie van het Gerecht op 22 september 2014, dus voordat de beroepstermijn verstreek.

17. De papieren versie van het verzoekschrift is ingekomen ter griffie van het Gerecht op 30 september 2014. Het betrof evenwel een gescande kopie van het origineel van het verzoekschrift, waarop enkel de gescande handtekening van verzoeksters advocaat was aangebracht (zie punt 3 supra). Dit verzoekschrift bevatte dus niet de handgeschreven handtekening van verzoeksters advocaat. De begeleidende brief die op 30 september 2014 ter griffie is ingekomen was weliswaar voorzien van de handgeschreven handtekening van de advocaat, maar deze begeleidende brief kwam niet voor in de zending per e-mail van 22 september 2014. Het verzoekschrift kan dus niet worden geacht met de hand te zijn ondertekend en overeen te stemmen met het origineel van het per e-mail verstuurde verzoekschrift.

18. Vastgesteld zij dus dat het op 22 september 2014 per e-mail ter griffie van het Gerecht ingekomen document geen kopie is van het origineel van het verzoekschrift, dat op 30 september daaraanvolgend per brief ter griffie is ingekomen.

19. Bovendien kan het feit dat het ondertekende origineel van het verzoekschrift niet uiterlijk tien dagen na ontvangst van de kopie van het verzoekschrift per e-mail door de griffie van het Gerecht is neergelegd, niet worden geacht te zijn hersteld doordat de bladzijde van het origineel van het verzoekschrift met de handgeschreven handtekening van verzoeksters advocaat op 2 oktober 2014 is neergelegd. Deze neerlegging van, bovendien, niet de volledige tekst van het origineel van het verzoekschrift, bevat immers een handtekening die niet identiek is aan de handtekening op het op 22 september 2014 per e-mail verstuurde verzoekschrift (zie punt 4 supra).

20. Het ondertekende origineel van het verzoekschrift is dus niet ter griffie van het Gerecht neergelegd uiterlijk tien dagen nadat deze griffie de kopie van het verzoekschrift per e-mail heeft ontvangen.

21. In dit geval moet volgens artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering enkel de datum van neerlegging van het ondertekende origineel van het verzoekschrift in aanmerking worden genomen voor de inachtneming van de beroepstermijn [beschikkingen van 28 april 2008, PubliCare Marketing Communications/BHIM (Publicare), T‑358/07, EU:T:2008:130, punt 13, en van 28 november 2011, Noscira/BHIM – Agouron Pharmaceuticals (ZENTYLOR), T‑307/11, EU:T:2011:697, punt 15].

22. In casu zijn de door verzoekster verstuurde documenten met een naar behoren met de hand ondertekende begeleidende brief ingekomen ter griffie op 30 september 2014, dus buiten de beroepstermijn die verstreek op 22 en 25 september 2014.

23. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het verzoekschrift niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn is neergelegd.

24. In herinnering zij nog gebracht dat het feit dat het origineel van het door een daartoe bevoegde advocaat ondertekende verzoekschrift niet is ingediend, niet behoort tot de formele onregelmatigheden die overeenkomstig artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering kunnen worden hersteld. Dit vereiste moet immers worden beschouwd als een wezenlijk vormvoorschrift en strikt worden toegepast, zodat de niet-inachtneming ervan leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep bij het verstrijken van de procestermijnen (zie in die zin arrest van 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM, C‑426/10 P, Jurispr., EU:C:2011:612, punt 42; beschikking van 21 september 2012, Noscira/BHIM, C‑69/12 P, EU:C:2012:589, punten 22 en 23, en arrest van 23 mei 2007, Parlement/Eistrup, T‑223/06 P, Jurispr., EU:T:2007:153, punten 48 en 51).

25. Bovendien heeft verzoekster bewezen noch zelfs gesteld dat sprake was van een verschoonbare dwaling, en evenmin van toeval of overmacht, op grond waarvan het Gerecht van de betrokken termijn zou kunnen afwijken op basis van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op de procedure voor het Gerecht van toepassing is ingevolge artikel 53 van dat Statuut.

26. In deze omstandigheden moet het beroep kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat het aan het BHIM hoeft te worden betekend.

Kosten

27. Aangezien de onderhavige beschikking is gegeven voordat het verzoekschrift aan het BHIM is betekend en voordat dit kosten heeft kunnen maken, hoeft slechts te worden beslist, overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen.

Dictum

HET GERECHT (Zesde kamer),

beschikt:

1) Het beroep wordt verworpen.

2) Marpefa, SL zal haar eigen kosten dragen.

Luxemburg, 3 februari 2015.

Top

BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Zesde kamer)

3 februari 2015 ( *1 )

„Gemeenschapsmerk — Beroepstermijn — Tardiviteit — Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑708/14,

Marpefa, SL, gevestigd te Barcelona (Spanje), vertegenwoordigd door I. Barroso Sánchez-Lafuente, advocaat,

verzoekster,

tegen

Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM),

verweerder,

andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM:

Kabushiki Kaisha Sony Computer Entertainment, gevestigd te Tokio (Japan),

betreffende een beroep tegen de beslissingen van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 2 en 4 juli 2014 (zaken R 1813/2013‑2, R 2013/2013‑2, R 1626/2013‑2 en R 1631/2013‑2) inzake oppositieprocedures tussen Marpefa, SL en Kabushiki Kaisha Sony Computer Entertainment,

geeft HET GERECHT (Zesde kamer),

samengesteld als volgt: S. Frimodt Nielsen (rapporteur), president, F. Dehousse en A. M. Collins, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Feiten en procesverloop

1

Bij beslissingen van 2 en 4 juli 2014 (zaken R 1813/2013‑2, R 2013/2013‑2, R 1626/2013‑2 en R 1631/2013‑2) inzake oppositieprocedures tussen Marpefa, SL en Kabushiki Kaisha Sony Computer Entertainment (hierna: „bestreden beslissingen”) heeft de tweede kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) de oppositie afgewezen die verzoekster heeft ingesteld tegen de inschrijving van de gemeenschapswoordmerken en het gemeenschapsbeeldmerk PSVITA en PLAYSTATION VITA. Deze beslissingen zijn op 11 en 15 juli 2014 ter kennis van verzoekster gebracht.

2

Bij verzoekschrift, dat op 22 september 2014 per e-mail ter griffie van het Gerecht is ingekomen, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

3

Op 30 september 2014 zijn een papieren versie van het verzoekschrift en een begeleidende brief van 26 september 2014 ingekomen ter griffie van het Gerecht, alsook zes voor eensluidend gewaarmerkte afschriften van het verzoekschrift en een aantal bladzijden ter verbetering van het verzoekschrift. De begeleidende brief, die niet was meegedeeld per e-mail, bevatte de handgeschreven handtekening van verzoeksters advocaat. Het verzoekschrift was een gescande kopie, voorzien van de gescande handtekening van verzoeksters advocaat, en niet van zijn handgeschreven handtekening. De griffie heeft verzoeksters advocaat daarop gewezen.

4

Bij brief van 1 oktober 2014, ingekomen ter griffie op 2 oktober 2014, heeft verzoeksters advocaat aan de griffie de laatste bladzijde van het verzoekschrift (bladzijde 17) met zijn handgeschreven handtekening toegezonden. Deze handtekening was evenwel niet identiek aan deze op het verzoekschrift dat op 22 september 2014 per e-mail was verstuurd, en verzoeksters advocaat is hiervan bij faxbericht van 23 oktober 2014 op de hoogte gebracht.

Conclusies van verzoekster

5

Verzoekster verzoekt het Gerecht:

de bestreden beslissingen te vernietigen;

de inschrijving van de merken voor de betrokken waren en diensten te vernietigen;

het BHIM te verwijzen in de kosten.

In rechte

6

Volgens artikel 111 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan het Gerecht, wanneer het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, zonder de behandeling voort te zetten, beslissen bij met redenen omklede beschikking.

7

In casu acht het Gerecht zich voldoende geïnformeerd door de processtukken en besluit het overeenkomstig dit artikel uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.

8

Overeenkomstig artikel 65, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1) moet het beroep tegen een beslissing van een kamer van beroep van het BHIM worden ingesteld binnen twee maanden na kennisgeving van deze beslissing. Overeenkomstig artikel 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden de procestermijnen verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.

9

Volgens vaste rechtspraak is die beroepstermijn van openbare orde, aangezien deze is ingesteld teneinde met betrekking tot de rechtens bestaande situaties duidelijkheid en zekerheid te waarborgen en om elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden, en staat het aan de rechter van de Europese Unie om ambtshalve na te gaan of deze is nageleefd [zie naar analogie arresten van 23 januari 1997, Coen, C‑246/95, Jurispr., EU:C:1997:33, punt 21; van 18 september 1997, Mutual Aid Administration Services/Commissie, T‑121/96 en T‑151/96, Jurispr., EU:T:1997:132, punten 38 en 39, en beschikking van 3 oktober 2012, Tecnimed/BHIM – Ecobrands (ZAPPER-CLICK), T‑360/10, EU:T:2012:517, punt 12].

10

In casu zijn de bestreden beslissingen, zoals aangegeven in punt 1 supra, aan verzoeksters meegedeeld op 11 en 15 juli 2014.

11

Uit de in de artikelen 101, lid 1, en 102, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering vastgestelde bepalingen voor de berekening van de procestermijnen vloeit voort dat de beroepstermijnen op 22 en 25 september 2014 zijn verstreken.

12

Volgens artikel 43, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering „[wordt] [h]et origineel van elk processtuk [...] ondertekend door de gemachtigde of de advocaat van de partij”.

13

Overeenkomstig artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering wordt de dag waarop een kopie van het ondertekende origineel van een processtuk per telefax of per e-mail ter griffie van het Gerecht binnenkomt, voor de berekening van de procestermijnen enkel in aanmerking genomen indien het ondertekende origineel van het stuk uiterlijk tien dagen na ontvangst van het faxbericht of de e‑mail ter griffie van het Gerecht wordt neergelegd. Bovendien bepaalt punt 7 van de praktische aanwijzingen voor de partijen voor het Gerecht (PB 2012, L 68, blz. 23, met rectificatie in PB 2012, L 73, blz. 23) dat ingeval het ondertekende origineel afwijkt van de eerder ingediende kopie, alleen de datum van het ondertekende origineel in aanmerking wordt genomen.

14

Indien de toezending van de per e-mail verstuurde tekst niet voldoet aan de rechtszekerheidsvereisten van artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering, kan met de datum van toezending van de kopie van het verzoekschrift per telefax of per e-mail bijgevolg geen rekening worden gehouden voor de inachtneming van de beroepstermijn en moet enkel met de datum van neerlegging van het ondertekende origineel rekening worden gehouden voor de inachtneming van de beroepstermijn (zie naar analogie beschikking van 13 december 2013, Marcuccio/Commissie, F‑2/13, JurAmbt., EU:F:2013:214, punt 43, in hogere voorziening bevestigd bij beschikking van 22 mei 2014, Marcuccio/Commissie, T‑148/14 P, JurAmbt., EU:T:2014:315, punt 9 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

15

Met het oog op de regelmatige indiening van processtukken legt artikel 43 van het Reglement voor de procesvoering, dat voorziet in de mogelijkheid om als datum van de instelling van een beroep in aanmerking te nemen de datum van de verzending per e-mail van een kopie van het ondertekende origineel, aan de vertegenwoordiger van de partij de verplichting op om het origineel van de akte met de hand te ondertekenen alvorens dit per e-mail te verzenden, en om ditzelfde origineel binnen tien dagen neer te leggen ter griffie van het Gerecht. Wanneer in deze omstandigheden achteraf blijkt dat het ondertekende origineel van de akte die materieel binnen tien dagen na de verzending per e-mail ter griffie van het Gerecht is neergelegd, niet op zijn minst is voorzien van dezelfde handtekening als die welke is aangebracht op het per e-mail verzonden document, volstaat dit element om vast te stellen dat deze twee documenten verschillend zijn, ook indien de handtekeningen daadwerkelijk door dezelfde persoon zijn geplaatst (zie naar analogie beschikking Marcuccio/Commissie, punt 14 supra, EU:F:2013:214, punten 40 en 41).

16

In casu is het verzoekschrift met een gescande handtekening per e-mail ingekomen ter griffie van het Gerecht op 22 september 2014, dus voordat de beroepstermijn verstreek.

17

De papieren versie van het verzoekschrift is ingekomen ter griffie van het Gerecht op 30 september 2014. Het betrof evenwel een gescande kopie van het origineel van het verzoekschrift, waarop enkel de gescande handtekening van verzoeksters advocaat was aangebracht (zie punt 3 supra). Dit verzoekschrift bevatte dus niet de handgeschreven handtekening van verzoeksters advocaat. De begeleidende brief die op 30 september 2014 ter griffie is ingekomen was weliswaar voorzien van de handgeschreven handtekening van de advocaat, maar deze begeleidende brief kwam niet voor in de zending per e-mail van 22 september 2014. Het verzoekschrift kan dus niet worden geacht met de hand te zijn ondertekend en overeen te stemmen met het origineel van het per e-mail verstuurde verzoekschrift.

18

Vastgesteld zij dus dat het op 22 september 2014 per e-mail ter griffie van het Gerecht ingekomen document geen kopie is van het origineel van het verzoekschrift, dat op 30 september daaraanvolgend per brief ter griffie is ingekomen.

19

Bovendien kan het feit dat het ondertekende origineel van het verzoekschrift niet uiterlijk tien dagen na ontvangst van de kopie van het verzoekschrift per e-mail door de griffie van het Gerecht is neergelegd, niet worden geacht te zijn hersteld doordat de bladzijde van het origineel van het verzoekschrift met de handgeschreven handtekening van verzoeksters advocaat op 2 oktober 2014 is neergelegd. Deze neerlegging van, bovendien, niet de volledige tekst van het origineel van het verzoekschrift, bevat immers een handtekening die niet identiek is aan de handtekening op het op 22 september 2014 per e-mail verstuurde verzoekschrift (zie punt 4 supra).

20

Het ondertekende origineel van het verzoekschrift is dus niet ter griffie van het Gerecht neergelegd uiterlijk tien dagen nadat deze griffie de kopie van het verzoekschrift per e-mail heeft ontvangen.

21

In dit geval moet volgens artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering enkel de datum van neerlegging van het ondertekende origineel van het verzoekschrift in aanmerking worden genomen voor de inachtneming van de beroepstermijn [beschikkingen van 28 april 2008, PubliCare Marketing Communications/BHIM (Publicare), T‑358/07, EU:T:2008:130, punt 13, en van 28 november 2011, Noscira/BHIM – Agouron Pharmaceuticals (ZENTYLOR), T‑307/11, EU:T:2011:697, punt 15].

22

In casu zijn de door verzoekster verstuurde documenten met een naar behoren met de hand ondertekende begeleidende brief ingekomen ter griffie op 30 september 2014, dus buiten de beroepstermijn die verstreek op 22 en 25 september 2014.

23

Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat het verzoekschrift niet vóór het verstrijken van de beroepstermijn is neergelegd.

24

In herinnering zij nog gebracht dat het feit dat het origineel van het door een daartoe bevoegde advocaat ondertekende verzoekschrift niet is ingediend, niet behoort tot de formele onregelmatigheden die overeenkomstig artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering kunnen worden hersteld. Dit vereiste moet immers worden beschouwd als een wezenlijk vormvoorschrift en strikt worden toegepast, zodat de niet-inachtneming ervan leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep bij het verstrijken van de procestermijnen (zie in die zin arrest van 22 september 2011, Bell & Ross/BHIM, C‑426/10 P, Jurispr., EU:C:2011:612, punt 42; beschikking van 21 september 2012, Noscira/BHIM, C‑69/12 P, EU:C:2012:589, punten 22 en 23, en arrest van 23 mei 2007, Parlement/Eistrup, T‑223/06 P, Jurispr., EU:T:2007:153, punten 48 en 51).

25

Bovendien heeft verzoekster bewezen noch zelfs gesteld dat sprake was van een verschoonbare dwaling, en evenmin van toeval of overmacht, op grond waarvan het Gerecht van de betrokken termijn zou kunnen afwijken op basis van artikel 45, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, dat op de procedure voor het Gerecht van toepassing is ingevolge artikel 53 van dat Statuut.

26

In deze omstandigheden moet het beroep kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat het aan het BHIM hoeft te worden betekend.

Kosten

27

Aangezien de onderhavige beschikking is gegeven voordat het verzoekschrift aan het BHIM is betekend en voordat dit kosten heeft kunnen maken, hoeft slechts te worden beslist, overeenkomstig artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat verzoekster haar eigen kosten zal dragen.

 

HET GERECHT (Zesde kamer),

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt verworpen.

 

2)

Marpefa, SL zal haar eigen kosten dragen.

 

Luxemburg, 3 februari 2015.

 

De griffier

E. Coulon

De president

S. Frimodt Nielsen


( *1 ) Procestaal: Spaans.

Top